De divina potentia
Over de macht van God
685Post considerationem divinae scientiae et voluntatis, et eorum, quae ad hoc pertinent, restat considerandum de divina Potentia.
685Na de kennis en den wil van God, en wat er op betrekking heeft, moeten we de macht van God beschouwen.685Na de kennis en de wil van God, en wat er op betrekking heeft, moeten we de macht van God beschouwen.
Et circa hoc quaeruntur sex : 1. Utrum in Deo sit potentia. — 2. Utrum ejus potentia sit infinita. — 3. Utrum sit omnipotens. — 4. Utrum possit facere, quod ea, quae sunt praeterita, non fuerint. — 5. Utrum Deus possit facere, quae non facit, vel praetermittere, quae facit. — 6. Utrum quae facit, possit facere meliora.
Over de macht van God stellen we zes vragen : 1) Moeten wij aan God de macht toeschrijven, of aanleg en vermogen? 2) Is de macht van God oneindig? 3) Is God almachtig? 4) Kan God het verleden ongedaan maken? 5) Kan God doen wat hij niet doet of niet doen wat hij doet? 6) Kan God de dingen, die Hij gemaakt heeft, beter maken?Over de macht van God stellen we zes vragen: 1. Moeten wij aan God de macht toeschrijven, of aanleg en vermogen? 2. Is de macht van God oneindig? 3. Is God almachtig? 4. Kan God het verleden ongedaan maken? 5. Kan God doen wat hij niet doet of niet doen wat hij doet? 6. Kan God de dingen, die Hij gemaakt heeft, beter maken?
Utrum in Deo sit potentia
Moeten wij aan God de macht toeschrijven, of aanleg en vermogen?
686Ad primum sic proceditur. Videtur, quod in Deo non sit potentia. Sicut enim prima materia se habet ad potentiam, ita Deus qui est agens primum, se habet ad actum : sed prima materia secundum se considerata est absque omni actu; ergo agens primum, quod est Deus, est absque potentia.
686Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat men aan God de macht niet mag toeschrijven, noch aanleg en vermogen. God immers, die de eerste werkende oorzaak is, verhoudt zich tot den akt, zooals de eerste stof zich verhoudt tot den aanleg. Welnu, de eerste stof is, op zich zelf beschouwd, zonder eenigen akt. Bijgevolg is de eerste werkende oorzaak, God, zonder eenigen aanleg.686Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat men aan God de macht niet mag toeschrijven, noch aanleg en vermogen. God immers, die de eerste werkende oorzaak is, verhoudt zich tot de act, zoals de eerste stof zich verhoudt tot de aanleg. Welnu, de eerste stof is, op zichzelf beschouwd, zonder enigen act. Bijgevolg is de eerste werkende oorzaak, God, zonder enigen aanleg.
2. Praeterea, secundum Philosophum in 9 Metaph. [l. 8. c. 9] qualibet potentia melior est ejus actus. Nam forma est melior, quam materia, et actio, quam potentia activa: est enim finis ejus; sed nihil est melius eo, quod est in Deo; quia quidquid est in Deo, est Deus, ut supra ostensum est [q. 3. art. 3.] ; ergo nulla potentia est in Deo.
2. Zooals de Wijsgeer zegt in het IXe Boek der Metaphysica (VIIIe B., IXe H., Nr 1 en 2), is iedere handeling en iedere akt volmaakter dan het vermogen : de vorm-oorzaak is volmaakter dan de stof, de handeling is beter dan een actief vermogen, want het vermogen is gegeven om den akt. Welnu, er is niets volmaakter dan wat in God is, want alles wat in God is, is God zelf, zooals hierboven bewezen werd (IIIe Kw., IIIe Art.). Bijgevolg is er geen vermogen in God.2. Zoals de Wijsgeer zegt in het 9e Boek van de Metafysica (8e B., 9e H., Nr 1 en 2), is iedere handeling en iedere act volmaakter dan het vermogen: de vorm-oorzaak is volmaakter dan de stof, de handeling is beter dan een actief vermogen, want het vermogen is gegeven om de act. Welnu, er is niets volmaakter dan wat in God is, want alles wat in God is, is God zelf, zoals hierboven bewezen werd (3e Kw., 3e Art.). Bijgevolg is er geen vermogen in God.
6873. Praeterea, potentia est principium operationis : sed operatio divina est ejus essentia, cum in Deo nullum sit accidens : essentiae autem divinae non est aliquod principium. Ergo ratio potentiae Deo non convenit.
6873. Het vermogen is een beginsel van handeling. Welnu, de handeling van God is hetzelfde als zijn wezen, want in God is geen enkele bijkomstigheid. Welnu, niets kan het beginsel zijn van Gods wezen. Dus komt de macht aan God niet toe.
4. Praeterea, supra ostensum est [q. 14. art. 8. et q. 19. art. 4.] quod scientia Dei, et voluntas ejus sunt causa rerum; causa autem, et principium idem sunt; ergo non oportet in Deo assignare potentiam, sed solum scientiam, et voluntatem.
4. De kennis en de wil van God zijn de oorzaak van de dingen. Dat is hierboven bewezen (XIVe Kw., VIIIe Art.; XIXe Kw., IVe Art.) Maar een oorzaak en een beginsel zijn hetzelfde. Bijgevolg is het nutteloos, het vermogen toe te schrijven aan God, maar volstaat het Hem kennis toe te schrijven en wil.4. De kennis en de wil van God zijn de oorzaak van de dingen. Dat is hierboven bewezen (14e Kw., 8e Art.; 19e Kw., 4e Art.) Maar een oorzaak en een beginsel zijn hetzelfde. Bijgevolg is het nutteloos, het vermogen toe te schrijven aan God, maar volstaat het Hem kennis toe te schrijven en wil.
Sed contra est, quod dicitur in Ps. 88 [v. 9]: « Potens es, Domine, et veritas tua in circuitu tuo. »
Daartegenover staan echter de volgende woorden uit Psalm 88, 9 : « Gij zijt machtig, Heer, en de waarheid omringt U. »Daartegenover staan echter de volgende woorden uit Psalm 88, 9a: “Gij zijt machtig, Heer, en de waarheid omringt U.”
Respondeo dicendum, quod duplex est potentia, scilicet passiva, quae nullo modo est in Deo, et activa, quam oportet in Deo summe ponere. Manifestum est enim, quod unumquodque secundum quod est actu, et perfectum, secundum hoc est principium activum alicujus. Patitur autem 688unumquodque, secundum quod est deficiens, et imperfectum. Ostensum est autem supra [q. 3. art. 1. et q. 4. art. 1 et 2.], quod Deus est purus actus, et simpliciter, et universaliter perfectus, neque in eo aliqua imperfecto locum habet. Unde sibi maxime competit esse principium activum, et nullo modo pati. Ratio autem activi principii convenit potentiae : nam potentia activa est principium agendi in aliud; potentia vero passiva est principium patiendi ab alio, ut Philosophus dicit quinto Metaph. [l. 4. c. 12] ; relinquitur ergo, quod in Deo maxime sit potentia activa.
Leerstelling. — Er is een dubbel vermogen : een lijdzaam vermogen, en dit komt aan God niet toe, en een werkend vermogen, en dat moeten we in de hoogste maat toeschrijven aan God. Het is immers duidelijk, dat iets het werkend beginsel van iets is in zoover het in akt en volmaakt is, en dat iets een handeling ondergaat, in zoover het in iets te kort schiet en onvolmaakt is. Welnu, hierboven (IIIe Kw., Ie Art.; IVe Kw., Ie en IIe Art.) hebben we bewezen, dat God een zuivere akt is, zonder voorbehoud en in elk opzicht volmaakt, en dat geen enkele onvolmaaktheid Hem toekomt. 688Bijgevolg komt het Hem in de hoogste mate toe, handelend beginsel, en in geen enkel opzicht lijdzaam te zijn. Maar een handelend beginsel te zijn, komt toe aan een actief vermogen, want het actief vermogen is een beginsel van inwerking op iets anders, terwijl integendeel het lijdzaam vermogen een beginsel is, waardoor men de werking van een ander ondergaat, zooals de Wijsgeer zegt in het Ve Boek der Metaphysica (IVe B., XIIe H., Nr 1 en 2.). Bijgevolg komt het actief vermogen in de hoogste mate toe aan God.Leerstelling. — Er is een dubbel vermogen: een lijdzaam vermogen, en dit komt aan God niet toe, en een werkend vermogen, en dat moeten we in de hoogste maat toeschrijven aan God. Het is immers duidelijk, dat iets het werkend beginsel van iets is in zover het in act en volmaakt is, en dat iets een handeling ondergaat, in zover het in iets te kort schiet en onvolmaakt is. Welnu, hierboven (3e Kw., eerste Art.; 4e Kw., 1e en 2e Art.) hebben we bewezen, dat God een zuivere act is, zonder voorbehoud en in elk opzicht volmaakt, en dat geen enkele onvolmaaktheid Hem toekomt. 688Bijgevolg komt het Hem in de hoogste mate toe, handelend beginsel, en in geen enkel opzicht lijdzaam te zijn. Maar een handelend beginsel te zijn, komt toe aan een actief vermogen, want het actief vermogen is een beginsel van inwerking op iets anders, terwijl integendeel het lijdzaam vermogen een beginsel is, waardoor men de werking van een ander ondergaat, zoals de Wijsgeer zegt in het 5e Boek van de Metafysica (4e B., 12e H., Nr 1 en 2.). Bijgevolg komt het actief vermogen in de hoogste mate toe aan God.
Ad primum ergo dicendum, quod potentia activa non dividitur contra actum, sed fundatur in eo. Nam unumquodque agit, secundum quod est actu : potentia vero passiva dividitur contra actum : nam unumquodque patitur, secundum quod est in potentia. Unde haec potentia excluditur a Deo, non autem activa.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het actief vermogen is niet tegengesteld aan den akt, maar berust er op, want elk wezen is actief in zoover het in akt is. Maar het passief vermogen is tegengesteld aan den akt, want iets ondergaat een werking, in zoover het in aanleg is. Bijgevolg wordt alleen het passief, en niet het actief vermogen uit God uitgesloten.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het actief vermogen is niet tegengesteld aan de act, maar berust er op, want elk wezen is actief in zover het in act is. Maar het passief vermogen is tegengesteld aan de act, want iets ondergaat een werking, in zover het in aanleg is. Bijgevolg wordt alleen het passief, en niet het actief vermogen uit God uitgesloten.
Ad secundum dicendum, quod quandocumque actus est aliud a potentia, oportet, quod actus sit nobilior potentia: sed actio Dei non est aliud ab 689ejus potentia, sed utrumque est essentia divina; quia nec esse ejus est aliud ab ejus essentia; unde non oportet, quod aliquid sit nobilius, quam potentia Dei.
2. Wanneer de handeling en het vermogen van elkaar onderscheiden zijn, dan moet de handeling volmaakter zijn dan het vermogen. Maar de handeling van God is hetzelfde als zijn vermogen, want Zijn zijn is hetzelfde als Zijn wezen. Daarom 689bewijst die tegenwerping niet, dat iets volmaakter is dan Gods vermogen.
Ad tertium dicendum, quod potentia in rebus creatis non solum est principium actionis, sed etiam effectus. Sic igitur in Deo salvatur ratio potentiae, quantum ad hoc, quod est principium effectus, non autem quantum ad hoc, quod est principium actionis, quae est divina essentia; nisi forte secundum modum intelligendi, prout divina essentia, quae in se simpliciter praehabet quidquid perfectionis est in rebus creatis, potest intelligi et sub ratione suppositi habentis naturam, et sub ratione naturae.
3. In de geschapen wezens is het vermogen niet alleen het beginsel van de handeling, maar ook van het uitwerksel. Bij God echter is het vermogen wel het beginsel van het uitwerksel, maar niet van de handeling, want die is Gods wezen zelf. Tenzij men Gods wezen, waarin iedere volmaaktheid, van welk geschapen wezen ook, onverdeeld vooraf bestaat, én een als een handeling, én als een vermogen opvat, zooals wij ons Gods wezen ook kunnen voorstellen, én als een persoon, die een bepaalde natuur heeft, én als een natuur.3. In de geschapen wezens is het vermogen niet alleen het beginsel van de handeling, maar ook van het uitwerksel. Bij God echter is het vermogen wel het beginsel van het uitwerksel, maar niet van de handeling, want die is Gods wezen zelf. Tenzij men Gods wezen, waarin iedere volmaaktheid, van welk geschapen wezen ook, onverdeeld vooraf bestaat, én een als een handeling, én als een vermogen opvat, zoals wij ons Gods wezen ook kunnen voorstellen, én als een persoon, die een bepaalde natuur heeft, én als een natuur.
Ad quartum dicendum, quod potentia non ponitur in Deo, ut aliquid differens a scientia, et voluntate secundum rem, sed solum secundum rationem, inquantum scilicet potentia importat rationem principii exsequentis id, quod voluntas imperat, et ad quod scientia dirigit, quae tria Deo secundum idem conveniunt. Vel dicendum, quod ipsa scientia, vel voluntas divina, secundum quod est principium effectivum, habet rationem potentiae. Unde 690consideratio scientiae, et voluntatis praecedit in Deo considerationem potentiae, sicut causa praecedit operationem, et effectum.
4. Niet in werkelijkheid, maar alleen in de wijze waarop wij ons de dingen voorstellen, is er een onderscheid tusschen Gods kennis en zijn wil, en zijn vermogen, in zoover nl. het begrip vermogen het begrip insluit van een beginsel waardoor datgene wordt uitgevoerd wat de wil oplegt, en dat door het verstand wordt aangeduid, maar in God zijn die drie handelingen één. Men zou ook nog kunnen zeggen, dat de kennis en de wil van God, als veroorzakende beginselen niet verschillen van zijn vermogen. Daarom gaat de beschouwing van de kennis en den wil 690van God die van zijn vermogen vooraf, evenals de oorzaak de handeling en het uitwerksel voorafgaat.4. Niet in werkelijkheid, maar alleen in de wijze waarop wij ons de dingen voorstellen, is er een onderscheid tussen Gods kennis en zijn wil, en zijn vermogen, in zover nl. het begrip vermogen het begrip insluit van een beginsel waardoor datgene wordt uitgevoerd wat de wil oplegt, en dat door het verstand wordt aangeduid, maar in God zijn die drie handelingen één. Men zou ook nog kunnen zeggen, dat de kennis en de wil van God, als veroorzakende beginselen niet verschillen van zijn vermogen. Daarom gaat de beschouwing van de kennis en de wil 690van God die van zijn vermogen vooraf, evenals de oorzaak de handeling en het uitwerksel voorafgaat.
Utrum potentia Dei sit infinita
Is de macht van God oneindig?
Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod potentia Dei non sit infinita. Omne enim infinitum est imperfectum, secundum Philosophum in 3. Physic. [c. 6, S. Th., l. 9.] : sed potentia Dei non est imperfecta; ergo non est infinita.
Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat de macht van God niet oneindig is. « Alles, immers, wat oneindig is, is volmaakt », zegt de Wijsgeer in het IIIe Boek der Physica (VIe H., Nr 8). Welnu, de macht van God is niet onvolmaakt. Dus is ze niet oneindig.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat de macht van God niet oneindig is. “Alles, immers, wat oneindig is, is volmaakt”, zegt de Wijsgeer in het 3e Boek van de Fysica (6e H., Nr 8). Welnu, de macht van God is niet onvolmaakt. Dus is ze niet oneindig.
2. Praeterea, omnis potentia manifestatur per effectum, alias frustra esset. Si igitur potentia Dei esset infinita, posset facere effectum infinitum; quod est impossibile.
2. Iedere kracht blijkt uit haar uitwerksel, want anders zou ze nutteloos zijn. Wanneer de macht van God oneindig was, dan zou God een oneindig uitwerksel kunnen voortbrengen, wat echter onmogelijk is.
3. Praeterea, Philosophus probat in octavo Physicorum [c. 10, S. 691Th., l. 21], quod, si potentia alicujus corporis esset infinita, moveret in instanti : Deus autem non movet in instanti, sed movet creaturam spiritualem per tempus, creaturam vero corporalem per locum, et tempus, secundum Augustinum octavo super Genes. ad liter. [cap. 20, 22] ; non ergo est ejus potentia infinita.
3. In het VIIIe Boek der Physica (Xe H., Nr 2.) bewijst de Wijsgeer, dat, wanneer er een lichaam was met een oneindige 691kracht, dit lichaam in één oogenblik iets zou doen overgaan van potentie tot akt. Welnu, God doet de dingen niet in één oogenblik overgaan van potentie tot akt, want Hij beweegt het geestelijk schepsel in den tijd, en het lichamelijk schepsel beweegt Hij in den tijd en in de ruimte, zooals Augustinus zegt in zijn Letterlijke Verklaring van het Boek der Schepping (VIIIe B., XXe en XXIIe H.). Dus is de macht van God niet oneindig.3. In het 8e Boek van de Fysica (10e H., Nr 2.) bewijst de Wijsgeer, dat, wanneer er een lichaam was met een oneindige 691kracht, dit lichaam in één ogenblik iets zou doen overgaan van potentie tot act. Welnu, God doet de dingen niet in één ogenblik overgaan van potentie tot act, want Hij beweegt het geestelijk schepsel in de tijd, en het lichamelijk schepsel beweegt Hij in de tijd en in de ruimte, zoals Augustinus zegt in zijn Letterlijke Verklaring van het Boek van de Schepping (8e B., 20e en 22e H.). Dus is de macht van God niet oneindig.
Sed contra est, quod dicit Hilarus 8. de Trinit. [num. 24], quod Deus est immensae virtutis, vivens et potens : omne autem immensum est infinitum: ergo virtus divina est infinita.
Dit is echter strijdig met de woorden van Hilarius, die in zijn Boek Over de Drieëenheid (VIIIe B., Nr 24) zegt : « God heeft een onmetelijke kracht, Hij leeft, en Hij is machtig ». Welnu, al wat onmetelijk is, is oneindig. Dus is de kracht van God oneindig.Dit is echter strijdig met de woorden van Hilarius, die in zijn Boek Over de Drieëenheid (8e B., Nr 24) zegt: “God heeft een onmetelijke kracht, Hij leeft, en Hij is machtig”. Welnu, al wat onmetelijk is, is oneindig. Dus is de kracht van God oneindig.
Respondeo dicendum, quod, sicut jam dictum est [art. praec.], secundum hoc potentia activa invenitur in Deo, secundum quod ipse actu est; esse autem ejus est infinitum, inquantum non est limitatum per aliquod recipiens; ut patet per ea, quae supra dicta sunt [q. 7. art. 1.], cum de infinitate divinae essentiae ageretur. Unde necesse est, quod activa potentia Dei sit 692infinita. In omnibus enim agentibus hoc invenitur, quod quanto aliquod agens perfectius habet formam, qua agit, tanto est major ejus potentia in agendo. Sicut quanto est aliquid magis calidum, tanto habet majorem potentiam ad calefaciendum. Et haberet utique potentiam infinitam ad calefaciendum, si ejus calor esset infinitus. Unde, cum ipsa essentia divina, per quam Deus agit, sit infinita, sicut supra ostensum est [loc. prox. cit.], sequitur, quod ejus potentia sit infinita.
Leerstelling. — We zeiden in het voorgaand Artikel, dat we aan God een werkende kracht toeschrijven, in zoover Hij in akt is. Welnu, het wezen van God is oneindig, want het wordt niet beperkt door iets waarin het wordt opgenomen. Dat blijkt uit wat we hierboven gezegd hebben over de oneindigheid van Gods wezen (VIIe Kw., Ie Art.). De werkende kracht van God moet dus oneindig zijn. We zien immers, dat in iedere werkende oorzaak 692de kracht om te handelen grooter is, naarmate de vorm waardoor ze handelt volmaakter is. Hoe warmer iets is, hoe meer het kan verwarmen, en had een lichaam een oneindige warmte, dan zou het een oneindige verwarmingskracht hebben. Welnu, God handelt door zijn wezen en, zooals we hierboven bewezen hebben (t. a. pl.), is dat wezen oneindig. Bijgevolg moet ook zijn macht oneindig zijn.Leerstelling. — We zeiden in het voorgaand Artikel, dat we aan God een werkende kracht toeschrijven, in zover Hij in act is. Welnu, het wezen van God is oneindig, want het wordt niet beperkt door iets waarin het wordt opgenomen. Dat blijkt uit wat we hierboven gezegd hebben over de oneindigheid van Gods wezen (7e Kw., 1e Art.). De werkende kracht van God moet dus oneindig zijn. We zien immers, dat in iedere werkende oorzaak 692de kracht om te handelen groter is, naarmate de vorm waardoor ze handelt volmaakter is. Hoe warmer iets is, hoe meer het kan verwarmen, en had een lichaam een oneindige warmte, dan zou het een oneindige verwarmingskracht hebben. Welnu, God handelt door zijn wezen en, zoals we hierboven bewezen hebben (t.a.p.), is dat wezen oneindig. Bijgevolg moet ook zijn macht oneindig zijn.
Ad primum ergo dicendum, quod Philosophus loquitur de infinito, quod est ex parte materiae non terminatae per formam, cujusmodi est infinitum, quod congruit quantitati. Sic autem non est infinita divina essentia, ut supra ostensum est [loc. cit.] et per consequens nec ejus potentia. Unde non sequitur, quod sit imperfecta.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. De Wijsgeer spreekt over de oneindigheid die toekomt aan de stof, in zoover ze niet beperkt wordt door de vorm-oorzaak, zooals de oneindigheid, die aan de hoegrootheid toekomt. Maar het wezen van God is niet oneindig in dien zin, zooals we vroeger bewezen hebben (t. a. pl.), en bijgevolg is ook zijn kracht niet in dien zin oneindig. Die tegenwerping bewijst dus niet, dat Gods kracht onvolmaakt is.Antwoord op de bedenkingen. — 1. De Wijsgeer spreekt over de oneindigheid die toekomt aan de stof, in zover ze niet beperkt wordt door de vorm-oorzaak, zoals de oneindigheid, die aan de hoegrootheid toekomt. Maar het wezen van God is niet oneindig in die zin, zoals we vroeger bewezen hebben (t.a.p.), en bijgevolg is ook zijn kracht niet in die zin oneindig. Die tegenwerping bewijst dus niet, dat Gods kracht onvolmaakt is.
Ad secundum dicendum, quod potentia agentis univoci tota manifestatur in suo effectu. Potentia enim generativa hominis nihil potest plus, quam 693generare hominem : sed potentia agentis non univoci non tota manifestatur in sui effectus productione : sicut potentia solis non tota manifestatur in productione alicujus animalis ex putrefactione generati. Manifestum est autem, quod Deus non est agens univocum. Nihil enim aliud potest cum eo convenire neque in specie neque in genere, ut supra ostensum est [q. 3. art. 5.]. Unde relinquitur, quod effectus ejus semper est minor, quam potentia ejus. Non ergo oportet, quod manifestetur infinita potentia Dei in hoc, quod producat effectum infinitum. Et tamen, etiamsi nullum effectum produceret, non esset Dei potentia frustra; quia frustra est, quod ordinatur ad finem, quem non attingit : potentia autem Dei non ordinatur ad effectum, sicut ad finem, sed magis ipsa est finis sui effectus.
2. De kracht van een gelijksoortige werkende oorzaak blijkt geheel uit haar uitwerksel: zoo kan het voorttelingsvermogen van den mensch niet iets grooter dan een mensch voorttelen. Maar de kracht van een ongelijksoortige werkende oorzaak blijkt niet geheel uit haar uitwerksel. Zoo blijkt de kracht van de zon niet geheel uit het voortbrengen van een dier, dat uit een of andere bedorven stof geboren wordt. Welnu, God is klaarblijkelijk geen 693gelijksoortige werkende oorzaak, want zooals we hierboven bewezen hebben (IIIe Kw., Ve Art.), kan niets tot dezelfde soort behooren als Hij, en zelf niet tot hetzelfde geslacht. Bijgevolg staan al zijn uitwerkselen steeds beneden zijn kracht, en moet zijn oneindige macht niet blijken uit het voortbrengen van een oneindig uitwerksel. We mogen zelf zeggen, dat, indien God geen enkel uitwerksel voortbracht, zijn kracht niet nutteloos zou zijn. Want iets is alleen nutteloos, wanneer het gericht is op een doel, en het dat doel niet bereikt. Maar de kracht van God is niet gericht op een uitwerksel, als op een doel, maar ze is veeleer zelf het doel van haar uitwerkselen.2. De kracht van een gelijksoortige werkende oorzaak blijkt geheel uit haar uitwerksel: zo kan het voorttelingsvermogen van de mens niet iets groter dan een mens voorttelen. Maar de kracht van een ongelijksoortige werkende oorzaak blijkt niet geheel uit haar uitwerksel. Zo blijkt de kracht van de zon niet geheel uit het voortbrengen van een dier, dat uit een of andere bedorven stof geboren wordt. Welnu, God is klaarblijkelijk geen 693gelijksoortige werkende oorzaak, want zoals we hierboven bewezen hebben (3e Kw., 5e Art.), kan niets tot dezelfde soort behoren als Hij, en zelf niet tot hetzelfde geslacht. Bijgevolg staan al zijn uitwerkselen steeds beneden zijn kracht, en moet zijn oneindige macht niet blijken uit het voortbrengen van een oneindig uitwerksel. We mogen zelf zeggen, dat, indien God geen enkel uitwerksel voortbracht, zijn kracht niet nutteloos zou zijn. Want iets is alleen nutteloos, wanneer het gericht is op een doel, en het dat doel niet bereikt. Maar de kracht van God is niet gericht op een uitwerksel, als op een doel, maar ze is veeleer zelf het doel van haar uitwerkselen.
Ad tertium dicendum, quod Philosophus in 8. Physic. [Loco cit in arg.] probat, quod si aliquod corpus haberet potentiam infinitam, moveret in non tempore. Et tamen ostendit, quod potentia motoris coeli est infinita, quia movere potest tempore infinito. Relinquitur ergo secundum ejus 694intentionem, quod potentia infinita corporis, si esset, moveret in non tempore, non autem potentia incorporei motoris. Cujus ratio est, quia corpus movens aliud corpus est agens univocum. Unde oportet, quod tota potentia agentis manifestetur in motu. Quia igitur quanto moventis corporis potentia est major, tanto velocius movet, necesse est quod, si fuerit infinita, moveat improportionabiliter citius, quod est movere in non tempore : sed movens incorporeum est agens non univocum. Unde non oportet, quod tota virtus ejus manifestetur in motu ita, quod moveat in non tempore. Et praesertim, quia movet secundum dispositionem suae voluntatis.
3. De Wijsgeer bewijst in het VIIIe Boek der Physica (t. a. pl.), dat wanneer een lichaam een oneindige kracht had, de door dit lichaam voortgebrachte beweging zou geschieden zonder verloop van tijd. En toch bewijst hij ook, dat de kracht van het wezen dat den hemel beweegt oneindig is, omdat het gedurende een oneindigen tijd den hemel kan bewegen. Moest er bijgevolg een lichaam zijn met een oneindige kracht, dan zou de door dat lichaam medegedeelde beweging geschieden zonder verloop van tijd. Dit zou echter het geval niet zijn, wanneer de kracht van een niet-lichamelijken beweger oneindig was. De reden daarvan is, dat een 694lichaam, dat een ander lichaam beweegt, een gelijksoortige oorzaak is, zoodat geheel de kracht van het werkend wezen moet blijken uit de beweging. En omdat de door een lichaam medegedeelde beweging des te sneller is, naarmate de kracht van dit lichaam grooter is, daarom moet de beweging die medegedeeld wordt door een lichaam met oneindige kracht, buiten iedere verhouding snel zijn, en gebeuren zonder verloop van tijd. Maar een niet-lichamelijke beweger is een niet-gelijksoortige werkende oorzaak. Daarom moet geheel zijn kracht niet blijken uit de beweging, zoodat het een beweging mededeelt zonder verloop van tijd, zooveel te meer, dat zulk een wezen iets anders beweegt volgens de beschikking van zijn wil.3. De Wijsgeer bewijst in het 8e Boek van de Fysica (t.a.p.), dat wanneer een lichaam een oneindige kracht had, de door dit lichaam voortgebrachte beweging zou geschieden zonder verloop van tijd. En toch bewijst hij ook, dat de kracht van het wezen dat de hemel beweegt oneindig is, omdat het gedurende een oneindigen tijd de hemel kan bewegen. Moest er bijgevolg een lichaam zijn met een oneindige kracht, dan zou de door dat lichaam medegedeelde beweging geschieden zonder verloop van tijd. Dit zou echter het geval niet zijn, wanneer de kracht van een niet-lichamelijken beweger oneindig was. De reden daarvan is, dat een 694lichaam, dat een ander lichaam beweegt, een gelijksoortige oorzaak is, zodat geheel de kracht van het werkend wezen moet blijken uit de beweging. En omdat de door een lichaam medegedeelde beweging des te sneller is, naarmate de kracht van dit lichaam groter is, daarom moet de beweging die medegedeeld wordt door een lichaam met oneindige kracht, buiten iedere verhouding snel zijn, en gebeuren zonder verloop van tijd. Maar een niet-lichamelijke beweger is een niet-gelijksoortige werkende oorzaak. Daarom moet geheel zijn kracht niet blijken uit de beweging, zodat het een beweging mededeelt zonder verloop van tijd, zoveel te meer, dat zulk een wezen iets anders beweegt volgens de beschikking van zijn wil.
Utrum Deus sit omnipotens
Is God almachtig?
Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod Deus non sit omnipotens. Moveri enim, et pati aliquid omnium est : sed hoc Deus non potest. Est enim 695immobilis, ut supra dictum est [q. 2. art. 3. et q. 9. art. 1.] ; non igitur est omnipotens.
Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God niet almachtig is. Aan alle dingen komt het immers toe, te kunnen bewogen worden een handeling te kunnen ondergaan, behalve aan God, 695want Hij is onbeweeglijk, zooals hierboven gezegd is (IIe Kw., IIIe Art., en IXe Kw., Ie Art.). Bijgevolg is Hij niet almachtig.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God niet almachtig is. Aan alle dingen komt het immers toe, te kunnen bewogen worden een handeling te kunnen ondergaan, behalve aan God, 695want Hij is onbeweeglijk, zoals hierboven gezegd is (2e Kw., 3e Art., en 9e Kw., 1e Art.). Bijgevolg is Hij niet almachtig.
2. Praeterea, peccare aliquid agere est : sed Deus non potest peccare, neque seipsum negare, ut dicitur 2. Timoth. 2 [v. 13] ; ergo Deus non est omnipotens.
2. Zondigen is handelen. Maar God kan niet zondigen, noch zichzelf verloochenen, zooals we lezen in den IIn Brief aan Timotheus (2, 13). Dus is God niet almachtig.2. Zondigen is handelen. Maar God kan niet zondigen, noch zichzelf verloochenen, zoals we lezen in de 2e Brief aan Timoteüs (2, 13). Dus is God niet almachtig.
3. Praeterea, de Deo dicitur, quod omnipotentiam suam parcendo maxime, et miserando manifestat. Ultimum igitur, quod potest divina potentia, est parcere, et misereri. Aliquid autem est multo magis, quam parcere et misereri, sicut creare alium mundum, vel aliquid hujusmodi; ergo Deus non est omnipotens.
3. Men zegt, dat Gods almacht voornamelijk hieruit blijkt, dat Hij spaart en barmhartig is. Het grootste wat God vermag is dus vergiffenis te schenken en barmhartig te zijn. Maar er is iets, dat nog veel grooter is dan vergiffenis te schenken en barmhartig te zijn, nl. een andere wereld te scheppen, of iets dergelijks. Bijgevolg is God niet almachtig.3. Men zegt, dat Gods almacht voornamelijk hieruit blijkt, dat Hij spaart en barmhartig is. Het grootste wat God vermag is dus vergiffenis te schenken en barmhartig te zijn. Maar er is iets, dat nog veel groter is dan vergiffenis te schenken en barmhartig te zijn, nl. een andere wereld te scheppen, of iets dergelijks. Bijgevolg is God niet almachtig.
4. Praeterea, super illud 1. Corinth. 1 [v. 20] : « Stultam fecit Deus sapientiam hujus mundi », dicit Glossa [et est Ambrosii in hunc loc.] : « Sapientiam hujus mundi fecit Deus stultam ostendendo possibile; quod illa impossibile judicabat. » Unde videtur, quod non sit aliquid judicandum possibile, vel impossibile secundum inferiores causas, prout sapientia hujus 696mundi judicat, sed secundum potentiam divinam. Si igitur Deus sit omnipotens, omnia erunt possibilia, nihil ergo impossibile. Sublato autem impossibili, tollitur necessarium : nam quod necesse est esse, impossibile est non esse. Nihil ergo erit necessarium in rebus, si Deus est omnipotens; hoc autem est impossibile; ergo Deus non est omnipotens.
4. Bij de woorden uit den Ien Corinthiërbrief (1, 20) : « God heeft bewezen, dat de wijsheid van de wereld dwaasheid is », teekent de Glossa aan : « God bewees, dat de wijsheid van de wereld dwaasheid is, door aan te toonen, dat iets wat de wereld voor onmogelijk aanzag, toch mogelijk was. » Men moet dus niets voor mogelijk of onmogelijk aanzien, op grond van de ondergeschikte oorzaken, maar alleen volgens de macht van God. Indien God almachtig is, dan is echter alles mogelijk, en is er niets onmogelijk. Maar wanneer niets onmogelijk is, dan is er niets noodzakelijk, want iets wat noodzakelijk is, kan onmogelijk 696niet zijn. Indien God almachtig is, zou er dus niets noodzakelijk zijn in de dingen. Maar dat is onmogelijk, en bijgevolg is God niet almachtig.4. Bij de woorden uit de 1e Korintiërbrief (1, 20): “God heeft bewezen, dat de wijsheid van de wereld dwaasheid is”, tekent de Glossa aan: “God bewees, dat de wijsheid van de wereld dwaasheid is, door aan te tonen, dat iets wat de wereld voor onmogelijk aanzag, toch mogelijk was.” Men moet dus niets voor mogelijk of onmogelijk aanzien, op grond van de ondergeschikte oorzaken, maar alleen volgens de macht van God. Indien God almachtig is, dan is echter alles mogelijk, en is er niets onmogelijk. Maar wanneer niets onmogelijk is, dan is er niets noodzakelijk, want iets wat noodzakelijk is, kan onmogelijk 696niet zijn. Indien God almachtig is, zou er dus niets noodzakelijk zijn in de dingen. Maar dat is onmogelijk, en bijgevolg is God niet almachtig.
Sed contra est, quod dicitur Lucae 1. [v. 37] : « Non erit impossibile apud Deum omne verbum. »
Dit is echter in strijd met de woorden van Lucas (1, 37) : « Voor God is niets onmogelijk. »Dit is echter in strijd met de woorden van Lukas (1, 37): “Voor God is niets onmogelijk.”
Respondeo dicendum, quod communiter confitentur omnes, Deum esse omnipotentem : sed rationem omnipotentiae assignare videtur difficile. Dubium enim potest esse, quid comprehendatur sub ista distributione, cum dicitur, omnia posse Deum. Sed, si quis recte consideret, cum potentia dicatur ad possibilia, cum Deus omnia posse dicitur, nihil rectius intelligitur, quam quod possit omnia possibilia, et ab hoc omnipotens dicatur.
Leerstelling. — Algemeen neemt men aan, dat God almachtig is, hoewel het moeilijk schijnt te zijn, de ware reden van zijn almacht aan te duiden. Het kan immers betwijfeld worden, waarop het woord alles toepasselijk is, wanneer men zegt, dat God alles vermag. Bij nadere beschouwing echter blijkt, dat iets vermogen betrekking heeft op het mogelijke, en wanneer men zegt : God vermag alles, dan is de juiste beteekenis daarvan : God vermag al wat mogelijk is, en daarom is Hij alvermogend.Leerstelling. — Algemeen neemt men aan, dat God almachtig is, hoewel het moeilijk schijnt te zijn, de ware reden van zijn almacht aan te duiden. Het kan immers betwijfeld worden, waarop het woord alles toepasselijk is, wanneer men zegt, dat God alles vermag. Bij nadere beschouwing echter blijkt, dat iets vermogen betrekking heeft op het mogelijke, en wanneer men zegt: God vermag alles, dan is de juiste betekenis daarvan: God vermag al wat mogelijk is, en daarom is Hij alvermogend.
Possibile autem dicitur dupliciter, secundum Philosophum 5. Metaph. [l. 4, c. 12]. Uno modo per respectum ad aliquam potentiam; sicut quod 697subditur humanae potentiae, dicitur esse possibile homini. Non autem potest dici, quod Deus dicatur omnipotens, quia possit omnia, quae sunt possibilia naturae creatae : quia divina potentia in plura extenditur. Si autem dicatur, quod Deus sit omnipotens, quia potest omnia, quae sunt possibilia suae potentiae, erit circulatio in manifestatione omnipotentiae : hoc enim non erit aliud, quam dicere, quod Deus est omnipotens, quia potest omnia, quae potest. Relinquitur igitur, quod Deus dicatur omnipotens, quia potest omnia possibilia absolute, quod est alter modus dicendi possibile. Dicitur autem aliquid possibile, vel impossibile absolute ex habitudine terminorum, possibile quidem, quia praedicatum non repugnat subjecto, ut Socratem sedere. Impossibile vero absolute, quia praedicatum repugnat subjecto, ut hominem esse asinum.
Welnu, zooals de Wijsgeer zegt in het Ve Boek der Metaphysica (IVe B., XIIe H., Nr 9, 10), kan iets mogelijk zijn, ten eerste, voor een bepaald vermogen; wat b. v. onder 's menschen vermogen valt, is mogelijk voor den mensch. Men mag echter niet zeggen, dat God alvermogend is in dien zin, omdat 697Hij nl. alles vermag wat de geschapen wezens vermogen, want Hij vermag méér. En wanneer men moest zeggen : God is alvermogend omdat Hij alles vermag wat onder zijn vermogen valt, dan zouden we ronddraaien in een cirkel, want dan zouden we niets anders zeggen, dan dat God alvermogend is, omdat Hij alles vermag wat Hij vermag. We moeten dus zeggen, dat God alvermogend is, omdat Hij al de dingen vermag, die volstrekt mogelijk zijn. En dit is de tweede beteekenis van het woord mogelijk. Welnu, men noemt iets volstrekt mogelijk of volstrekt onmogelijk, om de verhouding van de termen : iets is mogelijk, wanneer het gezegde niet onvereenigbaar is met het onderwerp : zoo is het mogelijk, dat Socrates zit; iets is volstrekt onmogelijk, wanneer het gezegde onvereenigbaar is met het onderwerp : zoo is het onmogelijk, dat een mensch een ezel is.Welnu, zoals de Wijsgeer zegt in het 5e Boek van de Metafysica (4e B., 12e H., Nr 9, 10), kan iets mogelijk zijn, ten eerste, voor een bepaald vermogen; wat bv. onder 's mensen vermogen valt, is mogelijk voor de mens. Men mag echter niet zeggen, dat God alvermogend is in die zin, omdat 697Hij nl. alles vermag wat de geschapen wezens vermogen, want Hij vermag méér. En wanneer men moest zeggen: God is alvermogend omdat Hij alles vermag wat onder zijn vermogen valt, dan zouden we ronddraaien in een cirkel, want dan zouden we niets anders zeggen, dan dat God alvermogend is, omdat Hij alles vermag wat Hij vermag. We moeten dus zeggen, dat God alvermogend is, omdat Hij al de dingen vermag, die volstrekt mogelijk zijn. En dit is de tweede betekenis van het woord mogelijk. Welnu, men noemt iets volstrekt mogelijk of volstrekt onmogelijk, om de verhouding van de termen: iets is mogelijk, wanneer het gezegde niet onverenigbaar is met het onderwerp: zo is het mogelijk, dat Socrates zit; iets is volstrekt onmogelijk, wanneer het gezegde onverenigbaar is met het onderwerp: zo is het onmogelijk, dat een mens een ezel is.
Est autem considerandum, quod, cum unumquodque agens agat sibi simile, unicuique potentiae activae correspondet possibile, ut objectum proprium secundum rationem illius actus, in quo fundatur potentia activa. Sicut 698potentia calefactiva refertur, ut ad proprium objectum, ad esse calefactibile. Esse autem divinum, super quod ratio divinae potentiae fundatur, est esse infinitum, non limitatum ad aliquod genus entis, sed praehabens in se totius esse perfectionem. Unde quidquid habet vel potest habere rationem entis, continetur sub possibilibus absolutis, respectu quorum Deus dicitur omnipotens.
Men moet er echter op letten, dat ieder werkend wezen zijns gelijke voortbrengt, en daarom beantwoordt het mogelijke aan ieder actief vermogen, als zijn eigen voorwerp, volgens den aard van den akt waarop dit actief vermogen berust : zoo heeft het vermogen om te verwarmen betrekking op wat kan verwarmd worden, als op zijn eigen objekt. Welnu, het goddelijk zijn, waarop zijn vermogen berust, is het oneindig en tot geen enkel 698geslacht beperkt zijn, waarin de volmaaktheid van geheel het zijn vooraf bestaat. En daarom valt alles wat onder het begrip zijnde kan vallen, ook onder het volstrekt-mogelijke, met betrekking waartoe God alvermogend wordt genoemd.Men moet er echter op letten, dat ieder werkend wezen zijns gelijke voortbrengt, en daarom beantwoordt het mogelijke aan ieder actief vermogen, als zijn eigen voorwerp, volgens de aard van de act waarop dit actief vermogen berust: zo heeft het vermogen om te verwarmen betrekking op wat kan verwarmd worden, als op zijn eigen object. Welnu, het goddelijk zijn, waarop zijn vermogen berust, is het oneindig en tot geen enkel 698geslacht beperkt zijn, waarin de volmaaktheid van geheel het zijn vooraf bestaat. En daarom valt alles wat onder het begrip zijnde kan vallen, ook onder het volstrekt-mogelijke, met betrekking waartoe God alvermogend wordt genoemd.
Nihil autem opponitur rationi entis, nisi non ens. Hoc igitur repugnat rationi possibilis absoluti, quod subditur divinae omnipotentiae, quod implicat in se esse, et non esse simul. Hoc enim omnipotentiae non subditur, non propter defectum divinae potentiae; sed quia non potest habere rationem factibilis, neque possibilis. Quaecumque igitur contradictionem non implicant, sub illis possibilibus continentur, respectu quorum dicitur Deus omnipotens. Ea vero, quae contradictionem implicant, sub divina omnipotentia non continentur quia non possunt habere possibilium rationem. Unde convenientius dicitur, quod ea non possunt fieri, quam quod Deus non potest ea facere. Neque hoc est contra verbum Angeli dicentis : non erit impossibile apud Deum omne verbum. Id enim, quod contradictionem implicat, verbum esse non potest; quia nullus intellectus potest illud concipere.
Aan het zijnde is echter alleen het niet-zijnde tegengesteld. Welnu, het begrip van het volstrekt-mogelijke zelf, dat onder Gods alvermogen valt, sluit de mogelijkheid uit, dat het tegelijk zou kunnen zijn en niet-zijn : dat valt niet onder de almacht, niet omdat Gods macht te kort schiet, maar omdat zoo iets noch uitvoerbaar, noch mogelijk is. Alles echter wat geen tegenspraak insluit, is onder de mogelijke dingen vervat, met betrekking waartoe God almachtig wordt genoemd. Wat echter tegenspraak insluit, valt onder Gods almacht niet, want het valt niet onder het begrip mogelijk. Het is dan ook beter te zeggen, dat het niet kan verwezenlijkt worden, dan te zeggen, dat God het niet kan verwezenlijken. En dit is niet in strijd met het woord van den Engel: « Voor God is niets onmogelijk », want iets wat tegenspraak insluit kan men niet iets noemen, daar geen enkel intellekt er zich een denkbeeld kan van vormen.Aan het zijnde is echter alleen het niet-zijnde tegengesteld. Welnu, het begrip van het volstrekt-mogelijke zelf, dat onder Gods alvermogen valt, sluit de mogelijkheid uit, dat het tegelijk zou kunnen zijn en niet-zijn: dat valt niet onder de almacht, niet omdat Gods macht te kort schiet, maar omdat zo iets noch uitvoerbaar, noch mogelijk is. Alles echter wat geen tegenspraak insluit, is onder de mogelijke dingen vervat, met betrekking waartoe God almachtig wordt genoemd. Wat echter tegenspraak insluit, valt onder Gods almacht niet, want het valt niet onder het begrip mogelijk. Het is dan ook beter te zeggen, dat het niet kan verwezenlijkt worden, dan te zeggen, dat God het niet kan verwezenlijken. En dit is niet in strijd met het woord van de Engel: “Voor God is niets onmogelijk”, want iets wat tegenspraak insluit kan men niet iets noemen, daar geen enkel intellect er zich een denkbeeld kan van vormen.
699Ad primum ergo dicendum, quod Deus dicitur omnipotens secundum potentiam activam, non secundum potentiam passivam, ut dictum est [in corpore] ; unde quod non potest moveri et pati, non repugnat omnipotentiae.
699Antwoord op de bedenkingen. — 1. God is alvermogend, met het oog op het actief vermogen, maar niet met het oog op het passief vermogen, zooals we hierboven (in de Leerstelling) gezegd hebben. Het is dus niet strijdig met zijn almacht, dat Hij niet kan bewogen worden of een handeling ondergaan.699Antwoord op de bedenkingen. — 1. God is alvermogend, met het oog op het actief vermogen, maar niet met het oog op het passief vermogen, zoals we hierboven (in de Leerstelling) gezegd hebben. Het is dus niet strijdig met zijn almacht, dat Hij niet kan bewogen worden of een handeling ondergaan.
Ad secundum dicendum, quod peccare est deficere a perfecta actione; unde posse peccare est posse deficere in agendo, quod repugnat omnipotentiae. Et propter hoc Deus peccare non potest, quia est omnipotens. Quamvis Philosophus dicat in 4. Topic. [cap. 5.] quod potest Deus et studiosus prava agere : sed hoc intelligitur vel sub conditione, cujus antecedens sit impossibile, ut puta si dicamus, quod potest Deus prava agere, si velit. Nihil enim prohibet conditionalem esse veram, cujus antecedens, et consequens est impossibile. Sicut si dicatur, si homo est asinus, habet quatuor pedes. Vel ut intelligatur, quod Deus potest aliqua agere, quae nunc prava videntur, quae tamen, si ageret, bona essent. Vel loquitur secundum communem opinionem Gentilium, qui homines dicebant transferri in Deos, ut Jovem, vel Mercurium.
2. De zonde is een afwijking van de volmaakte handeling; kunnen zondigen is dus in staat zijn tot een verkeerde handeling, en dit is strijdig met de almacht. Bijgevolg kan God niet zondigen, want Hij is almachtig. De Wijsgeer zegt wel in zijn werk Over de Waarschijnlijkheidsredeneering (IVe B., Ve H., Nr 7), dat God en een deugdzaam mensch tot een verkeerde handeling in staat zijn. Maar men moet die woorden verklaren als de gevolgtrekking van een voorwaardelijken zin, waarvan het antecedent iets uitdrukt, wat onmogelijk is, zooals wanneer men moest zeggen : « God kan verkeerd handelen, indien Hij wil. » Een voorwaardelijke zin kan immers waar zijn, hoewel het antecedent en het konsekwent valsch zijn, zooals b. v. die zin : « Indien de mensch een ezel is, dan heeft hij vier pooten. » Men kan die woorden van den Wijsgeer ook zóó verstaan : « God kan iets doen, wat ons nu verkeerd voorkomt, maar wanneer Hij het deed, dan was het toch goed. » Ook kan men zeggen, dat de Wijsgeer spreekt volgens 700de meening der Heidenen, die beweerden, dat sommige menschen goden kunnen worden, b. v. Jupiter of Mercurius.2. De zonde is een afwijking van de volmaakte handeling; kunnen zondigen is dus in staat zijn tot een verkeerde handeling, en dit is strijdig met de almacht. Bijgevolg kan God niet zondigen, want Hij is almachtig. De Wijsgeer zegt wel in zijn werk Over de Waarschijnlijkheidsredenering (4e B., 5e H., Nr 7), dat God en een deugdzaam mens tot een verkeerde handeling in staat zijn. Maar men moet die woorden verklaren als de gevolgtrekking van een voorwaardelijken zin, waarvan het antecedent iets uitdrukt, wat onmogelijk is, zoals wanneer men moest zeggen: “God kan verkeerd handelen, indien Hij wil.” Een voorwaardelijke zin kan immers waar zijn, hoewel het antecedent en het consequent vals zijn, zoals bv. die zin: “Indien de mens een ezel is, dan heeft hij vier poten.” Men kan die woorden van de Wijsgeer ook zó verstaan: “God kan iets doen, wat ons nu verkeerd voorkomt, maar wanneer Hij het deed, dan was het toch goed.” Ook kan men zeggen, dat de Wijsgeer spreekt volgens 700de mening van de Heidenen, die beweerden, dat sommige mensen goden kunnen worden, bv. Jupiter of Mercurius.
700Ad tertium dicendum, quod Dei omnipotentia ostenditur maxime in parcendo, et miserando; quia per hoc ostenditur, Deum habere summam potestatem, quod libere peccata dimittit. Ejus enim, qui superioris legi astringitur, non est libere peccata condonare. Vel quia parcendo hominibus et miserando perducit eos ad participationem infiniti boni, qui est ultimus effectus divinae virtutis. Vel quia, ut supra dictum est [q. 21. art. 4.], effectus divinae misericordiae est fundamentum omnium divinorum operum : nihil enim debetur alicui, nisi propter id, quod est datum ei a Deo non debitum. In hoc autem maxime divina omnipotentia manifestatur, quod ad ipsum pertinet prima institutio omnium bonorum.
3. Gods almacht blijkt het meest uit het schenken van vergiffenis en uit het medelijden, omdat uit het feit, dat God de zonden vrijwillig vergeeft, blijkt, dat Hij de opperste macht bezit, want iemand, die door een hoogere wet gebonden is, is niet vrij om de zonden te vergeven. Men kan ook als reden opgeven, dat God, door vergiffenis te schenken en zich over de menschen te erbarmen, de menschen deelachtig maakt aan het oneindig goed, wat toch wel het hoogste uitwerksel is van zijn macht. Men kan ook de reden daarvan hierin vinden, dat, zooals wij hierboven gezegd hebben (XXIe Kw., IVe Art.), het uitwerksel van Gods barmhartigheid de grondslag is van al wat God doet : niets komt immers aan een wezen toe, tenzij om datgene, wat God aan dat wezen schonk zonder er toe verplicht te zijn. En de almacht van God blijkt toch het meest hieruit, dat het haar toekomt, het beginsel mede te deelen van alle goed.3. Gods almacht blijkt het meest uit het schenken van vergiffenis en uit het medelijden, omdat uit het feit, dat God de zonden vrijwillig vergeeft, blijkt, dat Hij de opperste macht bezit, want iemand, die door een hogere wet gebonden is, is niet vrij om de zonden te vergeven. Men kan ook als reden opgeven, dat God, door vergiffenis te schenken en zich over de mensen te erbarmen, de mensen deelachtig maakt aan het oneindig goed, wat toch wel het hoogste uitwerksel is van zijn macht. Men kan ook de reden daarvan hierin vinden, dat, zoals wij hierboven gezegd hebben (21e Kw., 4e Art.), het uitwerksel van Gods barmhartigheid de grondslag is van al wat God doet: niets komt immers aan een wezen toe, tenzij om datgene, wat God aan dat wezen schonk zonder er toe verplicht te zijn. En de almacht van God blijkt toch het meest hieruit, dat het haar toekomt, het beginsel mede te delen van alle goed.
Ad quartum dicendum, quod possibile absolutum non dicitur neque secundum causas superiores, neque secundum causas inferiores, sed secundum seipsum. Possibile vero, quod dicitur secundum aliquam potentiam, nominatur possibile secundum proximam causam : unde ea, quae immediate nata sunt fieri a Deo solo, ut creare, justificare, et hujusmodi, dicuntur possibilia 701secundum causam superiorem. Quae autem nata sunt fieri a causis inferioribus, dicuntur possibilia secundum causas inferiores. Nam secundum conditionem causae proximae effectus habet contingentiam, vel necessitatem, ut supra dictum est [q. 14. art. 13. ad 1.]. In hoc autem reputatur stulta mundi sapientia, quia ea, quae sunt impossibilia naturae, etiam Deo impossibilia judicabat; et sic patet, quod omnipotentia Dei impossibilitatem, et necessitatem a rebus non excludit.
4. Men spreekt van het volstrekt-mogelijke, noch met betrekking tot hoogere, noch met betrekking tot lagere oorzaken, maar op zichzelf. Wanneer men iets beschouwt, wat mogelijk is met betrekking tot een bepaalde kracht, dan heeft men iets in het oog, wat 701mogelijk is volgens zijn onmiddellijke oorzaak. Wat alleen het onmiddellijk uitwerksel is van God, zooals de schepping, de rechtvaardigmaking, en dergelijke, wordt mogelijk genoemd, met betrekking tot de hoogere oorzaken. Wat ook de lagere oorzaken kunnen teweeg brengen, wordt mogelijk genoemd, met betrekking tot de lagere oorzaken. Zoo is een uitwerksel wisselvallig of noodzakelijk, volgens den aard van de onmiddellijke oorzaak. De wijsheid van de wereld wordt dwaasheid genoemd, omdat ze de dingen die voor de natuur onmogelijk zijn, ook onmogelijk noemt voor God. En zoo is het duidelijk, dat de almacht van God noch de onmogelijkheid, noch de noodzakelijkheid uit de dingen uitsluit.4. Men spreekt van het volstrekt-mogelijke, noch met betrekking tot hogere, noch met betrekking tot lagere oorzaken, maar op zichzelf. Wanneer men iets beschouwt, wat mogelijk is met betrekking tot een bepaalde kracht, dan heeft men iets in het oog, wat 701mogelijk is volgens zijn onmiddellijke oorzaak. Wat alleen het onmiddellijk uitwerksel is van God, zoals de schepping, de rechtvaardigmaking, en dergelijke, wordt mogelijk genoemd, met betrekking tot de hogere oorzaken. Wat ook de lagere oorzaken kunnen teweeg brengen, wordt mogelijk genoemd, met betrekking tot de lagere oorzaken. Zo is een uitwerksel wisselvallig of noodzakelijk, volgens de aard van de onmiddellijke oorzaak. De wijsheid van de wereld wordt dwaasheid genoemd, omdat ze de dingen die voor de natuur onmogelijk zijn, ook onmogelijk noemt voor God. En zo is het duidelijk, dat de almacht van God noch de onmogelijkheid, noch de noodzakelijkheid uit de dingen uitsluit.
Utrum Deus possit facere, quod praeterita non fuerint
Kan God het verleden ongedaan maken?
Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod Deus possit facere, quod praeterita non fuerint. Quod enim est impossibile per se, magis est impossibile, 702quam quod est impossibile per accidens; sed Deus potest facere id, quod est impossibile per se, ut caecum illuminare, vel mortuum resuscitare; ergo multo magis potest Deus facere illud, quod est impossibile per accidens. Sed praeterita non fuisse est impossibile per accidens : accidit enim Socratem non currere esse impossibile ex hoc, quod praeteriit; ergo Deus potest facere, quod praeterita non fuerint.
Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God het verleden ongedaan kan maken. Wat immers op zichzelf onmogelijk is, is méér onmogelijk dan wat alleen om een bijkomstige reden onmogelijk is. Welnu, God kan dingen doen, die op zichzelf onmogelijk zijn, zooals blinden doen zien, en dooden opwekken. Bijgevolg kan Hij 702nog veel gemakkelijker dingen doen, die onmogelijk zijn om een bijkomstige reden. Welnu, het is alleen om een bijkomstige reden onmogelijk, dat iets wat gebeurd is, niet gebeurd is : zoo is het alleen om een bijkomstigheid onmogelijk, dat Sokrates net loopt, omdat het nl. een feit is uit het verleden. Bijgevolg kan God het verleden ongedaan maken.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God het verleden ongedaan kan maken. Wat immers op zichzelf onmogelijk is, is méér onmogelijk dan wat alleen om een bijkomstige reden onmogelijk is. Welnu, God kan dingen doen, die op zichzelf onmogelijk zijn, zoals blinden doen zien, en doden opwekken. Bijgevolg kan Hij 702nog veel gemakkelijker dingen doen, die onmogelijk zijn om een bijkomstige reden. Welnu, het is alleen om een bijkomstige reden onmogelijk, dat iets wat gebeurd is, niet gebeurd is: zo is het alleen om een bijkomstigheid onmogelijk, dat Socrates net loopt, omdat het nl. een feit is uit het verleden. Bijgevolg kan God het verleden ongedaan maken.
2. Praeterea, quidquid Deus facere potuit, potest, cum ejus potentia non minuatur : sed Deus potuit facere, antequam Socrates curreret, quod non curreret; ergo postquam cucurrit, potest Deus facere, quod non cucurrerit.
2. Al wat God vroeger kon, dat kan Hij nu nog, want zijn macht is niet verminderd. Maar vóór Socrates liep, kon God maken, dat hij niet liep. Bijgevolg kan Hij maken dat Sokrates niet liep, nu hij geloopen heeft.2. Al wat God vroeger kon, dat kan Hij nu nog, want zijn macht is niet verminderd. Maar vóór Socrates liep, kon God maken, dat hij niet liep. Bijgevolg kan Hij maken dat Socrates niet liep, nu hij gelopen heeft.
3. Praeterea, caritas est major virtus, quam virginitas : sed Deus potest reparare caritatem amissam; ergo et virginitatem; ergo potest facere, quod illa, quae corrupta fuit, non fuerit corrupta.
3. De liefde is een grooter deugd dan de maagdelijkheid. Maar wanneer iemand de liefde verloren heeft, kan God ze hem terugschenken. Dus kan God ook de maagdelijkheid aan iemand terugschenken, en kan hij maken, dat een geschonden maagd niet geschonden is.3. De liefde is een grotere deugd dan de maagdelijkheid. Maar wanneer iemand de liefde verloren heeft, kan God ze hem terugschenken. Dus kan God ook de maagdelijkheid aan iemand terugschenken, en kan hij maken, dat een geschonden maagd niet geschonden is.
Sed contra est, quod Hieronymus [epist. 22. ad Eustochium de Custodia virginitatis] dicit : « Cum Deus omnia possit, non potest de corrupta facere incorruptam » ; ergo eadem ratione non potest facere de quocumque alio praeterito, quod non fuerit.
Daartegenover staat echter, dat Hieronymus zegt in zijn Boek Over het bewaren van de Maagdelijkheid (XXIIe Brief) : « Hoewel God alles kan, toch kan Hij niet maken, dat een geschonden maagd niet geschonden werd. » En om dezelfde reden kan Hij niets uit het verleden ongedaan maken.Daartegenover staat echter, dat Hieronymus zegt in zijn Boek Over het bewaren van de Maagdelijkheid (22e Brief): “Hoewel God alles kan, toch kan Hij niet maken, dat een geschonden maagd niet geschonden werd.” En om dezelfde reden kan Hij niets uit het verleden ongedaan maken.
703Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [art. praec. et q. 7. art. 2. ad 1.], sub omnipotentia Dei non cadit aliquid, quod contradictionem implicat. Praeterita autem non fuisse contradictionem implicat. Sicut enim contradictionem implicat dicere, quod Socrates sedet, et non sedet, ita quod sederit, et non sederit. Dicere autem; quod sederit, est dicere, quod sit praeteritum. Dicere autem, quod non sederit, est dicere, quod non fuerit. Unde praeterita non fuisse non subjacet divinae potentiae. Et hoc est, quod Augustinus dicit contra Faustum [lib. 26. cap. 5.] : « Quisquis ita dicit : si Deus omnipotens est, faciat, ut quae facta sunt, facta non fuerint, non videt hoc se dicere : si Deus omnipotens est, faciat, ut ea, que vera sunt, eo ipso, quod vera sunt, falsa sint. » Et Philosophus dicit in 6. Ethic. [cap. 2.] quod hoc solo privatur Deus, ingenita facere, quae sunt facta.
703Leerstelling. — Zooals we hierboven gezegd hebben (voorg. Art. en VIIe Kw., IIe Art., antw. op de Ie Bed.), kan iets wat tegenspraak insluit, niet onder Gods almacht vallen. Welnu, dat het gebeurde niet gebeurd is, sluit tegenspraak in. Want zooals het tegenspraak insluit, te zeggen, dat Socrates zit, en te zeggen, dat hij niet zit, zoo sluit het ook tegenspraak in, te zeggen, dat hij zat, en te zeggen dat hij niet zat. Zeggen, dat hij zat, is zeggen, dat iets gebeurd is, en zeggen, dat hij niet zat, is zeggen, dat iets niet gebeurd is. Het valt dus niet onder Gods almacht, te maken, dat iets wat gebeurd is, niet gebeurd is. Daarom zegt Augustinus in zijn Boek tegen Faustus (XXVIe B., Ve H.) : « Hij die zegt : Indien God almachtig is, dat Hij dan het gebeurde ongedaan maakt, ziet niet in, dat hij zegt : Indien God almachtig is, dat Hij dan maakt, dat iets wat waar is, valsch zou zijn, juist omdat het waar is. » En ook de Wijsgeer zegt in het VIe Boek zijner Ethica (IIe H., Nr 6) : « Er is maar één ding dat God niet kan, nl. maken, dat iets wat geworden is, niet geworden is. »703Leerstelling. — Zoals we hierboven gezegd hebben (voorg. Art. en 7e Kw., 2e Art., antw. op de 1e Bed.), kan iets wat tegenspraak insluit, niet onder Gods almacht vallen. Welnu, dat het gebeurde niet gebeurd is, sluit tegenspraak in. Want zoals het tegenspraak insluit, te zeggen, dat Socrates zit, en te zeggen, dat hij niet zit, zo sluit het ook tegenspraak in, te zeggen, dat hij zat, en te zeggen dat hij niet zat. Zeggen, dat hij zat, is zeggen, dat iets gebeurd is, en zeggen, dat hij niet zat, is zeggen, dat iets niet gebeurd is. Het valt dus niet onder Gods almacht, te maken, dat iets wat gebeurd is, niet gebeurd is. Daarom zegt Augustinus in zijn Boek tegen Faustus (26e B., 5e H.): “Hij die zegt: Indien God almachtig is, dat Hij dan het gebeurde ongedaan maakt, ziet niet in, dat hij zegt: Indien God almachtig is, dat Hij dan maakt, dat iets wat waar is, vals zou zijn, juist omdat het waar is.” En ook de Wijsgeer zegt in het 6e Boek van zijn Ethica (2e H., Nr 6): “Er is maar één ding dat God niet kan, nl. maken, dat iets wat geworden is, niet geworden is.”
Ad primum ergo dicendum, quod licet praeterita non fuisse sit impossibile per accidens, si consideretur id quod est praeteritum, idest cursus 704Socratis; tamen, si consideretur praeteritum sub ratione praeteriti, ipsum non fuisse est impossibile, non solum per se, sed absolute, contradictionem implicans; et sic est magis impossibile, quam mortuum resurgere, quod non implicat contradictionem, quia dicitur impossibile secundum aliquam potentiam, scilicet naturalem. Talia enim impossibilia divinae potentiae subduntur.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Iets wat gebeurd is, kan alleen om een bijkomstige reden onmogelijk niet gebeurd zijn, wanneer men datgene wat gebeurd is, bv. het loopen van Socrates, op zichzelf beschouwt; maar wanneer men het verleden beschouwt, 704als verleden, dan is het onmogelijk, dat het niet gebeurd is, én op zichzelf, én volstrekt, want het sluit tegenspraak in. Het is dus méér onmogelijk, dan een doode op te wekken, want dat sluit geen tegenspraak in, en is alleen onmogelijk voor een bepaalde kracht, nl. voor de kracht van de natuur. Wat op die wijze onmogelijk is, valt onder de almacht van God.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Iets wat gebeurd is, kan alleen om een bijkomstige reden onmogelijk niet gebeurd zijn, wanneer men datgene wat gebeurd is, bv. het lopen van Socrates, op zichzelf beschouwt; maar wanneer men het verleden beschouwt, 704als verleden, dan is het onmogelijk, dat het niet gebeurd is, én op zichzelf, én volstrekt, want het sluit tegenspraak in. Het is dus méér onmogelijk, dan een dode op te wekken, want dat sluit geen tegenspraak in, en is alleen onmogelijk voor een bepaalde kracht, nl. voor de kracht van de natuur. Wat op die wijze onmogelijk is, valt onder de almacht van God.
Ad secundum dicendum, quod, sicut Deus, quantum est ad perfectionem divinae potentiae, omnia potest, sed quaedam non subjacent ejus potentiae, quia deficiunt a ratione possibilium : ita si attendatur immutabilitas divinae potentiae, quidquid Deus potuit, potest. Aliqua tamen olim habuerunt rationem possibilium, dum erant fienda, quae jam deficiunt a ratione possibilium, dum sunt facta. Et sic dicitur Deus ea non posse; quia ea non possunt fieri.
2. Wanneer wij spreken over de volmaaktheid van Gods macht, moeten we zeggen, dat God alles vermag, hoewel sommige dingen niet onder zijn macht vallen, omdat zij buiten het begrip van het mogelijke liggen. En wanneer wij de onveranderlijkheid van God in het oog hebben, moeten we zeggen, dat God alles vermag wat Hij vroeger vermocht; maar sommige dingen waren vroeger mogelijk, nl. wanneer ze nog moesten gebeuren, en zijn nu niet meer mogelijk, omdat ze nl. gebeurd zijn. We zeggen, dat God zulke dingen niet kan doen, omdat ze niet kunnen gedaan worden.
Ad tertium dicendum, quod omnem corruptionem mentis, et corporis Deus auferre potest a muliere corrupta : hoc tamen ab ea removeri non poterit, quod corrupta non fuerit; sicut etiam ab aliquo peccatore auferre non potest quod non peccaverit, et quod caritatem non amiserit.
3. God kan iedere smet uitwisschen in het lichaam of in de ziel van een geschonden vrouw, maar hij kan niet maken, dat die vrouw niet geschonden werd, zooals Hij ook niet kan maken, dat iemand die zondigde, niet gezondigd heeft, en dat iemand, die de liefde verloren heeft, ze niet verloren heeft.3. God kan iedere smet uitwissen in het lichaam of in de ziel van een geschonden vrouw, maar hij kan niet maken, dat die vrouw niet geschonden werd, zoals Hij ook niet kan maken, dat iemand die zondigde, niet gezondigd heeft, en dat iemand, die de liefde verloren heeft, ze niet verloren heeft.
Utrum Deus possit facere, quae non facit
Kan God doen, wat Hij niet doet?
705Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod Deus non possit facere, nisi ea, quae facit. Deus enim non potest facere, quae non praescivit, et praeordinavit se facturum : sed non praescivit, neque praeordinavit se facturum, nisi ea, quae facit; ergo non potest facere, nisi ea quae facit.
705Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God alleen datgene kan doen, wat hij doet. God kan immers onmogelijk iets doen, waarvan Hij niet vooraf wist en vaststelde, dat Hij het zou doen. Welnu, alleen van de dingen, die Hij doet, bepaalt Hij vooraf, dat Hij ze zou doen. Bijgevolg kan Hij alleen doen wat Hij doet.
2. Praeterea, Deus non potest facere, nisi quod debet, et quod justum est fieri; sed Deus non debet facere, quae non facit; nec justum est ut faciat, quae non facit; ergo Deus non potest facere, nisi quae facit.
2. God kan alleen doen wat Hij moet doen, en waartoe Hij uit rechtvaardigheid verplicht is. Welnu, God moet niet doen wat Hij niet doet, en Hij is er niet uit rechtvaardigheid toe verplicht, te doen wat Hij niet doet. Hij kan dus alleen doen wat Hij doet.
3. Praeterea, Deus non potest facere, nisi quod bonum est, et conveniens rebus factis : sed rebus factis a Deo non est bonum, nec conveniens aliter esse, quam sint; ergo Deus non potest facere, nisi quae facit.
3. God kan alleen doen wat goed is en passend voor de dingen die Hij gemaakt heeft. Welnu, voor de dingen, die God gemaakt heeft, is het niet goed en ook niet passend, dat ze anders zouden zijn dan ze zijn. Dus kan God alleen doen wat Hij doet.
706Sed contra est, quod dicitur Matth. 26 [v. 53] : « An non possum rogare Patrem meum, et exhibebit mihi modo plusquam duodecim legiones Angelorum? » Neque autem ipse rogabat, neque Pater exhibebat ad repugnandum Judaeis; ergo Deus potest facere, quod non facit.
706Dit is echter in strijd met de volgende woorden van Mattheus (26, 53) : « Kan ik mijn Vader niet bidden, en zou Hij mij niet méér dan twaalf legioenen engelen zenden? » En toch heeft Christus niet gebeden, en heeft de Vader Hem geen engelen gezonden om de Joden uiteen te drijven. Dus kan God doen wat Hij niet doet.706Dit is echter in strijd met de volgende woorden van Matteüs (26, 53): “Kan ik mijn Vader niet bidden, en zou Hij mij niet méér dan twaalf legioenen engelen zenden?” En toch heeft Christus niet gebeden, en heeft de Vader Hem geen engelen gezonden om de Joden uiteen te drijven. Dus kan God doen wat Hij niet doet.
Respondeo dicendum, quod circa hoc quidam dupliciter erraverunt. Quidam enim posuerunt Deum agere, quasi ex necessitate naturae; ut, sicut actione rerum naturalium non possunt alia provenire, nisi quae eveniunt, utpote ex semine hominis homo, ex semine olivae oliva; ita ex operatione divina non possint aliae res, vel alius ordo rerum effluere, nisi sicut nunc est. Sed supra ostendimus [q. 19. art. 3, 4] Deum non agere quasi ex necessitate naturae, sed voluntatem ejus esse omnium rerum causam, neque etiam ipsam voluntatem naturaliter, et ex necessitate determinari ad has res. Unde nullo modo iste cursus rerum sic ex necessitate a Deo provenit, quod alia provenire non possent.
Leerstelling. — Met betrekking tot dit vraagstuk moet men twee dwalingen vermijden. Sommigen hebben immers gemeend, dat God handelt door natuuraandrang. Zooals uit de werking der natuurdingen niets anders kan ontstaan dan wat er uit ontstaat: uit menschelijk zaad toch kan alleen een mensch ontstaan, en uit olijfzaad alleen een olijfboom, zoo ook, meenden ze, kunnen er uit de handeling van God geen andere dingen voortspruiten dan die welke nu zijn, en kan alleen de thans bestaande orde er uit voortkomen. Hierboven hebben we echter bewezen (XIXe Kw., IIIe en IVe Art.), dat God niet handelt uit natuuraandrang, maar dat zijn wil de oorzaak van de dingen is, en dat die wil noch van nature, noch door eenige andere oorzakelijkheid er toe bepaald is, die bepaalde dingen voort te brengen. De bestaande natuurorde vloeit dus niet met zulke noodzakelijkheid uit God voort, dat er geen andere mogelijk is.Leerstelling. — Met betrekking tot dit vraagstuk moet men twee dwalingen vermijden. Sommigen hebben immers gemeend, dat God handelt door natuuraandrang. Zoals uit de werking van de natuurdingen niets anders kan ontstaan dan wat er uit ontstaat: uit menselijk zaad toch kan alleen een mens ontstaan, en uit olijfzaad alleen een olijfboom, zo ook, meenden ze, kunnen er uit de handeling van God geen andere dingen voortspruiten dan die welke nu zijn, en kan alleen de thans bestaande orde er uit voortkomen. Hierboven hebben we echter bewezen (19e Kw., 3e en 4e Art.), dat God niet handelt uit natuuraandrang, maar dat zijn wil de oorzaak van de dingen is, en dat die wil noch van nature, noch door enige andere oorzakelijkheid er toe bepaald is, die bepaalde dingen voort te brengen. De bestaande natuurorde vloeit dus niet met zulke noodzakelijkheid uit God voort, dat er geen andere mogelijk is.
707Alii vero dixerunt, quod potentia divina determinatur ad hunc cursum rerum propter ordinem sapientiae, et justitiae divinae, sine quo Deus nihil operatur. Cum autem potentia Dei, quae est ejus essentia, non sit aliud, quam Dei sapientia, convenienter quidem dici potest, quod nihil sit in Dei potentia, quod non sit in ordine divinae sapientiae; nam divina sapientia totum posse potentiae comprehendit. Sed tamen ordo a divina sapientia rebus inditus, in quo ratio justitiae consistit, ut supra dictum est [q. 21. art. 4], non adaequat divinam sapientiam sic, ut divina sapientia limitetur ad hunc ordinem. Manifestum est autem, quod tota ratio ordinis, quam sapiens rebus a se factis imponit, a fine sumitur. Quando igitur finis est proportionatus rebus propter finem factis, sapientia facientis limitatur ad aliquem determinatum ordinem : sed divina bonitas est finis improportionabiliter excedens res creatas. Unde divina sapientia non determinatur ad aliquem ordinem rerum, ut non possit alius cursus rerum effluere : unde dicendum est simpliciter, quod Deus potest alia facere, quam quae facit.
707Anderen zeiden, dat de macht van God bepaald is tot de bestaande natuurorde, om zijn wijsheid en zijn rechtvaardigheid, zonder welke God niets doet. Het is waar, de macht van God, die hetzelfde is als zijn wezen, is ook hetzelfde als zijn wijsheid. Daarom mag men zeggen, dat God niets vermag dan wat zijn wijsheid heeft bepaald, daar zijn wijsheid zijn geheele macht omvat. Maar de orde, die door Gods wijsheid in de dingen werd ingevoerd, en waarin, zooals we hierboven bewezen hebben (XXIe Kw., IVe Art.), de rechtvaardigheid van God bestaat, komt met de goddelijke wijsheid niet op dergelijke wijze overeen, dat ze Gods wijsheid zou bepalen tot het vaststellen van die orde. Het is immers duidelijk, dat de geheele orde, die een wijs man in de door hem gemaakte dingen invoert, afhangt van het doel dat Hij beoogt. Wanneer het doel volkomen evenredig is met de dingen die om het doel gemaakt zijn, dan is de wijsheid van hem, door wien die dingen gemaakt zijn, tot een bepaalde orde beperkt. Gods goed-zijn echter is een doel, dat buiten iedere verhouding staat met de schepselen, en daarom is Gods wijsheid niet aldus tot een bepaalde orde beperkt, dat Hij er geen andere kan voortbrengen. Men moet dus volstrekt toegeven, dat God kan doen wat Hij niet doet.707Anderen zeiden, dat de macht van God bepaald is tot de bestaande natuurorde, om zijn wijsheid en zijn rechtvaardigheid, zonder welke God niets doet. Het is waar, de macht van God, die hetzelfde is als zijn wezen, is ook hetzelfde als zijn wijsheid. Daarom mag men zeggen, dat God niets vermag dan wat zijn wijsheid heeft bepaald, daar zijn wijsheid zijn gehele macht omvat. Maar de orde, die door Gods wijsheid in de dingen werd ingevoerd, en waarin, zoals we hierboven bewezen hebben (21e Kw., 4e Art.), de rechtvaardigheid van God bestaat, komt met de goddelijke wijsheid niet op dergelijke wijze overeen, dat ze Gods wijsheid zou bepalen tot het vaststellen van die orde. Het is immers duidelijk, dat de gehele orde, die een wijs man in de door hem gemaakte dingen invoert, afhangt van het doel dat Hij beoogt. Wanneer het doel volkomen evenredig is met de dingen die om het doel gemaakt zijn, dan is de wijsheid van hem, door wie die dingen gemaakt zijn, tot een bepaalde orde beperkt. Gods goed-zijn echter is een doel, dat buiten iedere verhouding staat met de schepselen, en daarom is Gods wijsheid niet aldus tot een bepaalde orde beperkt, dat Hij er geen andere kan voortbrengen. Men moet dus volstrekt toegeven, dat God kan doen wat Hij niet doet.
708Ad primum ergo dicendum, quod in nobis, in quibus potentia, et essentia aliud est a voluntate, et intellectu, et iterum intellectus aliud a sapientia, et voluntas aliud a justitia, potest esse aliquid in potentia, quod non potest esse in voluntate justa, vel in intellectu sapientie; sed in Deo est idem potentia, et essentia, et voluntas, et intellectus, et sapientia, et justitia. Unde nihil potest esse in potentia divina, quod non possit esse in voluntate justa ipsius, et in intellectu sapiente ejus. Tamen, quia voluntas non determinatur ex necessitate ad haec, vel illa, nisi forte ex suppositione, ut supra dictum est [q. 19. art. 3.], neque sapientia Dei, et justitia determinatur ad hunc ordinem, ut supra dictum est [in corp. art.], nihil prohibet, esse aliquid in potentia divina, quod non vult, et quod non continetur sub ordine, quem statuit rebus. Et quia potentia intelligitur, ut exsequens, voluntas autem, ut imperans, et intellectus, et sapientia, ut dirigens, quod atribuitur potentiae secundum se consideratae, dicitur Deus posse secundum potentiam absolutam, et hujusmodi est omne illud, in quo potest salvari ratio entis, ut supra dictum est [art. 3. 709huj. q.]. Quod autem attribuitur potentiae divinae, secundum quod exsequitur imperium voluntatis justae, hoc dicitur Deus posse facere de potentia ordinaria. Secundum hoc ergo dicendum est, quod Deus potest alia facere de potentia absoluta, quam quae praescivit, et praeordinavit se facturum : non tamen potest esse, quod aliqua faciat, que non praesciverit, et praeordinaverit se facturum; quia ipsum facere subjacet praescientiae, et praeordinationi, non autem ipsum posse, quod est naturale. Ideo enim Deus aliquid facit, quia vult; non tamen ideo potest, quia vult, sed quia talis est in sua natura.
708Antwoord op de bedenkingen. — 1. In ons zijn de macht en het wezen onderscheiden van den wil, en van het verstand, en is het verstand onderscheiden van de wijsheid, en de wil van de rechtvaardigheid. Daarom kan er iets onder onze macht vallen, wat niet in den wil van een rechtvaardigen mensch, of in het verstand van een wijzen mensch kan zijn. Bij God daarentegen zijn het wezen en de macht, de wil en het verstand, de wijsheid en de rechtvaardigheid één. Daarom kan niets onder Gods macht vallen, dat niet in zijn rechtvaardigen wil of in zijn wijs verstand kan zijn. Maar omdat zijn wil niet noodzakelijk bepaald is tot dit of dat objekt, maar alleen in een bizondere veronderstelling, zooals wij vroeger gezegd hebben (XIXe Kw., IIIe Art.), — evenmin als zijn wijsheid en rechtvaardigheid beperkt zijn tot die bepaalde natuurorde, zooals we hierboven bewezen hebben (nl. in de leerstelling), — daarom kan er iets onder Gods macht vallen, wat Hij niet wil, en wat geen deel uitmaakt van de orde, die Hij in de dingen heeft ingevoerd. De macht is echter een uitvoerend beginsel, de wil beveelt, het verstand en de wijsheid hebben de leiding in handen, en daarom zeggen wij, dat God iets vermag naar zijn absolute macht, wanneer wij iets toeschrijven aan Gods macht, beschouwd op zichzelf. Aan Gods macht, op zichzelf 709beschouwd, schrijven we alles toe, waaraan het begrip zijnde kan toekomen, zooals we hierboven gezegd hebben (IIIe Art.) Maar wanneer wij iets toeschrijven aan Gods macht, in zoover zij uitvoert wat zijn rechtvaardige wil beveelt, dan zeggen we dat God het kan naar zijn door de orde bepaalde macht. God kan dus volgens zijn absolute macht iets anders doen dan dat, waarvan Hij vooraf wist en bepaalde, dat Hij het zou doen, hoewel Hij niets kan doen, waarvan Hij niet vooraf wist en bepaalde, dat Hij het zou doen. De reden daarvan is, dat ook de handeling van God onder zijn vóórkennis en vóórbeschikking valt, maar niet de macht, die zijn natuur zelf is. Wat God doet, dat doet Hij omdat Hij het wil; Hij vermag het echter niet, omdat Hij het wil, maar door zijn natuur zelf.708Antwoord op de bedenkingen. — 1. In ons zijn de macht en het wezen onderscheiden van de wil, en van het verstand, en is het verstand onderscheiden van de wijsheid, en de wil van de rechtvaardigheid. Daarom kan er iets onder onze macht vallen, wat niet in de wil van een rechtvaardigen mens, of in het verstand van een wijzen mens kan zijn. Bij God daarentegen zijn het wezen en de macht, de wil en het verstand, de wijsheid en de rechtvaardigheid één. Daarom kan niets onder Gods macht vallen, dat niet in zijn rechtvaardigen wil of in zijn wijs verstand kan zijn. Maar omdat zijn wil niet noodzakelijk bepaald is tot dit of dat object, maar alleen in een bizondere veronderstelling, zoals wij vroeger gezegd hebben (19e Kw., 3e Art.), — evenmin als zijn wijsheid en rechtvaardigheid beperkt zijn tot die bepaalde natuurorde, zoals we hierboven bewezen hebben (nl. in de leerstelling), — daarom kan er iets onder Gods macht vallen, wat Hij niet wil, en wat geen deel uitmaakt van de orde, die Hij in de dingen heeft ingevoerd. De macht is echter een uitvoerend beginsel, de wil beveelt, het verstand en de wijsheid hebben de leiding in handen, en daarom zeggen wij, dat God iets vermag naar zijn absolute macht, wanneer wij iets toeschrijven aan Gods macht, beschouwd op zichzelf. Aan Gods macht, op zichzelf 709beschouwd, schrijven we alles toe, waaraan het begrip zijnde kan toekomen, zoals we hierboven gezegd hebben (3e Art.) Maar wanneer wij iets toeschrijven aan Gods macht, in zover zij uitvoert wat zijn rechtvaardige wil beveelt, dan zeggen we dat God het kan naar zijn door de orde bepaalde macht. God kan dus volgens zijn absolute macht iets anders doen dan dat, waarvan Hij vooraf wist en bepaalde, dat Hij het zou doen, hoewel Hij niets kan doen, waarvan Hij niet vooraf wist en bepaalde, dat Hij het zou doen. De reden daarvan is, dat ook de handeling van God onder zijn vóórkennis en vóórbeschikking valt, maar niet de macht, die zijn natuur zelf is. Wat God doet, dat doet Hij omdat Hij het wil; Hij vermag het echter niet, omdat Hij het wil, maar door zijn natuur zelf.
Ad secundum dicendum, quod Deus non debet aliquid alicui, nisi sibi. Unde cum dicitur, quod Deus non potest facere, nisi quod debet, nihil aliud significatur, nisi quod Deus non potest facere, nisi quod ei est conveniens, et justum. Sed hoc, quod dico conveniens, et justum, potest intelligi dupliciter. Uno modo sic, quod hoc, quod dico conveniens, et justum, prius intelligatur conjungi cum hoc verbo, est, ita quod restringatur ad standum pro 710praesentibus, et sic referatur ad potentiam : et sic falsum est, quod dicitur; est enim sensus : Deus non potest facere, nisi quod modo conveniens est, et justum. Si vero prius conjungatur cum hoc verbo potest, quod habet vim ampliandi, et postmodum cum hoc verbo, est, significabitur quoddam praesens confusum; et erit locutio vera sub hoc sensu : Deus non potest facere, nisi id, quod si faceret, esset conveniens, et justum.
2. God is aan niemand iets verschuldigd, tenzij aan zich zelf. Wanneer wij dus zeggen : God kan alleen datgene doen wat Hij moet doen, dan bedoelen we : God kan alleen doen wat voor Hem passend en rechtvaardig is. Maar die woorden passend en rechtvaardig kan men op twee manieren verstaan : ten eerste zóó, dat die woorden : passend en rechtvaardig eerst verbonden worden met het woord is, zoodat ze alleen staan op de dingen die op dit oogenblik bestaan, en daarna toegepast worden op de macht. 710De beteekenis is dan : God kan alleen doen, wat op dit oogenblik passend en rechtvaardig is. En dat is valsch. Ten tweede kan men die woorden passend en rechtvaardig zóó begrijpen, dat ze eerst verbonden worden met het woord kan (dat de beteekenis verruimt), en daarna met het woord is; op die manier duidt het woord is een onbepaald tegenwoordig oogenblik aan. De beteekenis is dan : God kan alleen doen wat van dien aard is, dat het passend en rechtvaardig zou zijn, wanneer Hij het deed. En dat is waar.2. God is aan niemand iets verschuldigd, tenzij aan zichzelf. Wanneer wij dus zeggen: God kan alleen datgene doen wat Hij moet doen, dan bedoelen we: God kan alleen doen wat voor Hem passend en rechtvaardig is. Maar die woorden passend en rechtvaardig kan men op twee manieren verstaan: ten eerste zó, dat die woorden: passend en rechtvaardig eerst verbonden worden met het woord is, zodat ze alleen staan op de dingen die op dit ogenblik bestaan, en daarna toegepast worden op de macht. 710De betekenis is dan: God kan alleen doen, wat op dit ogenblik passend en rechtvaardig is. En dat is vals. Ten tweede kan men die woorden passend en rechtvaardig zó begrijpen, dat ze eerst verbonden worden met het woord kan (dat de betekenis verruimt), en daarna met het woord is; op die manier duidt het woord is een onbepaald tegenwoordig ogenblik aan. De betekenis is dan: God kan alleen doen wat van die aard is, dat het passend en rechtvaardig zou zijn, wanneer Hij het deed. En dat is waar.
Ad tertium dicendum, quod, licet iste cursus rerum sit determinatus istis rebus, quae nunc sunt : non tamen ad hunc cursum limitatur divina sapientia, et potestas. Unde, licet istis rebus, quae nunc sunt, nullus alius cursus esset bonus, et conveniens; tamen Deus posset alias res facere, et alium eis imponere ordinem.
3. Al is de nu bestaande natuurorde bepaald tot die dingen die nu zijn, toch is Gods wijsheid en macht niet bepaald tot die natuurorde. En ofschoon geen andere orde goed en passend zou zijn voor de nu bestaande dingen, toch kan God andere dingen scheppen, en er een andere orde in verwezenlijken.
Utrum Deus possit meliora facere ea, quae facit
Kan God de dingen, die Hij gemaakt heeft, beter maken?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod Deus non possit meliora facere ea, quae facit. Quidquid enim Deus facit, potentissime, et sapientissime facit: 711sed tanto fit aliquid melius, quanto fit potentius, et sapientius : ergo Deus non potest aliquid facere melius, quam facit.
Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God de dingen die Hij gemaakt heeft, niet beter kan maken. Immers, wat God maakt, 711dat maakt Hij door zijn almacht en zijn wijsheid. Welnu, iets kan alleen beter zijn, wanneer het door een grootere macht en een grootere wijsheid gemaakt wordt. Bijgevolg is het onmogelijk, dat God iets beters verwezenlijkt dan wat Hij verwezenlijkt.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God de dingen die Hij gemaakt heeft, niet beter kan maken. Immers, wat God maakt, 711dat maakt Hij door zijn almacht en zijn wijsheid. Welnu, iets kan alleen beter zijn, wanneer het door een grotere macht en een grotere wijsheid gemaakt wordt. Bijgevolg is het onmogelijk, dat God iets beters verwezenlijkt dan wat Hij verwezenlijkt.
2. Praeterea, Augustinus contra Maximum [lib. 2. cap. 8] sic argumentatur: « Si Deus potuit, et noluit gignere Filium sibi aequalem, invidus fuit. » Eadem ratione, si Deus potuit res meliores facere, quam fecerit, et noluit, invidus fuit : sed invidia est omnino relegata a Deo; ergo Deus unumquodque fecit optimum; non ergo Deus potest aliquid facere melius, quam fecit.
2. In zijn Boek tegen Maximus (IIe B., VIIIe H.) zegt Augustinus : « Indien God een Zoon kon voortbrengen, met Hem gelijk, en het niet wou doen, dan was Hij afgunstig. » Maar om dezelfde reden zou God afgunstig zijn, indien Hij de dingen die Hij gemaakt heeft beter kon maken, maar Hij het niet wou doen. Afgunst echter is bij God volkomen uitgesloten. Bijgevolg heeft God alles zoo goed gemaakt als het kan zijn, en kan God niets beters verwezenlijken dan wat Hij verwezenlijkt heeft.2. In zijn Boek tegen Maximus (2e B., 8e H.) zegt Augustinus: “Indien God een Zoon kon voortbrengen, met Hem gelijk, en het niet wou doen, dan was Hij afgunstig.” Maar om dezelfde reden zou God afgunstig zijn, indien Hij de dingen die Hij gemaakt heeft beter kon maken, maar Hij het niet wou doen. Afgunst echter is bij God volkomen uitgesloten. Bijgevolg heeft God alles zo goed gemaakt als het kan zijn, en kan God niets beters verwezenlijken dan wat Hij verwezenlijkt heeft.
3. Praeterea, id, quod est maxime, et valde bonum, non potest melius fieri; quia maximo nihil est majus : sed, sicut Augustinus dicit in Ench. [cap. 10.] : bona sunt singula, quae Deus fecit, sed simul universa valde bona : quia ex omnibus consistit universitatis admirabilis pulchritudo : ergo bonum universi non potest melius fieri a Deo.
3. Het hoogste en meest verheven goed kan niet beter gemaakt worden, daar niets grooter kan zijn dan het grootste. Welnu, zooals Augustinus in zijn Enchiridion (Xe H.) zegt, is alles wat God gemaakt heeft goed, wanneer men de dingen afzonderlijk beschouwt; maar wanneer men al de dingen samen beschouwt, dan zijn ze uitstekend, want uit al die dingen spruit de bewonderenswaardige schoonheid voort van het heelal. Dus kan God het goede van het heelal niet verbeteren.3. Het hoogste en meest verheven goed kan niet beter gemaakt worden, daar niets groter kan zijn dan het grootste. Welnu, zoals Augustinus in zijn Enchiridion (10e H.) zegt, is alles wat God gemaakt heeft goed, wanneer men de dingen afzonderlijk beschouwt; maar wanneer men al de dingen samen beschouwt, dan zijn ze uitstekend, want uit al die dingen spruit de bewonderenswaardige schoonheid voort van het heelal. Dus kan God het goede van het heelal niet verbeteren.
4. Praeterea, homo Christus est plenus gratia, et veritate, et Spiritum habet non ad mensuram : et sic non potest esse melior. Beatitudo etiam creata 712dicitur esse summum bonum: et sic non potest esse melius. Beata etiam Virgo Maria est super omnes choros Angelorum exaltata; et sic non potest esse melior; non igitur omnia, quae fecit Deus, potest facere meliora.
4. Christus bezit naar zijn menschheid de volheid van genade en waarheid; de Geest werd Hem geschonken zonder maat. Hij 712kan dus niet beter zijn dan Hij is. Ook het geschapen geluk wordt het hoogste goed genoemd, en kan dus ook niet beter zijn. En ook de Heilige Maagd Maria is boven alle Engelenkoren verheven, en kan dus niet beter zijn. Bijgevolg kan God niet alles wat Hij gemaakt heeft, beter maken.4. Christus bezit naar zijn mensheid de volheid van genade en waarheid; de Geest werd Hem geschonken zonder maat. Hij 712kan dus niet beter zijn dan Hij is. Ook het geschapen geluk wordt het hoogste goed genoemd, en kan dus ook niet beter zijn. En ook de Heilige Maagd Maria is boven alle Engelenkoren verheven, en kan dus niet beter zijn. Bijgevolg kan God niet alles wat Hij gemaakt heeft, beter maken.
Sed contra est, quod dicitur ad Ephes. 3. [v. 20] quod Deus potest omnia facere abundantius, quam petimus, aut intelligimus.
Daartegenover staat echter, wat we lezen in den Brief aan de Ephesiërs (3, 20) : « God vermag alles overvloediger uit te werken dan wij het kunnen vragen of begrijpen. »Daartegenover staat echter, wat we lezen in de Brief aan de Efesiërs (3, 20): “God vermag alles overvloediger uit te werken dan wij het kunnen vragen of begrijpen.”
Respondeo dicendum, quod bonitas alicujus rei est duplex. Una quidem, quae est de essentia rei, sicut esse rationale est de essentia hominis; et quantum ad hoc bonum Deus non potest facere aliquam rem meliorem, quam ipsa sit, licet possit facere aliquam aliam ea meliorem : sicut etiam non potest facere quaternarium majorem; quia, si esset major, jam non esset quaternarius, sed alius numerus : sic enim se habet additio differentiae substantialis in definitionibus, sicut additio unitatis in numeris, ut dicitur in 8. Metaph. [l. 7, c. 3]. Alia bonitas est, quae est extra essentiam rei; sicut bonum 713hominis est esse virtuosum, vel sapientem; et secundum tale bonum potest Deus res a se factas facere meliores. Simpliciter autem loquendo qualibet re a se facta potest Deus facere aliam meliorem.
Leerstelling. — Het goed in een ding is tweevoudig : het eerste goed behoort tot het wezen, zooals de redelijkheid behoort tot het wezen van den mensch. Met betrekking tot dat goed, kan God de dingen niet beter maken dan ze zijn, hoewel Hij betere dingen kan maken. Zoo kan Hij ook geen grooter viertal maken, want dan was het geen viertal meer, maar een ander getal. De toevoeging van een wezenverschil toch aan een bepaling staat gelijk met het bijvoegen van een eenheid aan een getal, zooals we lezen in het VIIIe Boek der Metaphysica (VIIe B., IIIe H., Nr 8). Het tweede goed is het goed, dat niet tot het wezen behoort, zooals de deugd of de wijsheid van een mensch. En met 713betrekking tot dat goed kan God de dingen die Hij gemaakt heeft beter maken dan ze zijn. Volstrekt gesproken, kan echter God wezens voortbrengen, die volmaakter zijn dan welk wezen ook, dat Hij heeft voortgebracht.Leerstelling. — Het goed in een ding is tweevoudig: het eerste goed behoort tot het wezen, zoals de redelijkheid behoort tot het wezen van de mens. Met betrekking tot dat goed, kan God de dingen niet beter maken dan ze zijn, hoewel Hij betere dingen kan maken. Zo kan Hij ook geen groter viertal maken, want dan was het geen viertal meer, maar een ander getal. De toevoeging van een wezenverschil toch aan een bepaling staat gelijk met het bijvoegen van een eenheid aan een getal, zoals we lezen in het 8e Boek van de Metafysica (7e B., 3e H., Nr 8). Het tweede goed is het goed, dat niet tot het wezen behoort, zoals de deugd of de wijsheid van een mens. En met 713betrekking tot dat goed kan God de dingen die Hij gemaakt heeft beter maken dan ze zijn. Volstrekt gesproken, kan echter God wezens voortbrengen, die volmaakter zijn dan welk wezen ook, dat Hij heeft voortgebracht.
Ad primum ergo dicendum, quod, cum dicitur Deum posse aliquid facere melius, quam facit, si ly melius sit nomen, verum est : qualibet enim re potest facere aliam meliorem. Eamdem vero potest facere meliorem quodammodo, et quodammodo non, sicut dictum est [in corp. art.]. Si vero ly melius sit adverbium, et importet modum ex parte facientis, sic Deus non potest facere melius, quam sicut facit; quia non potest facere ex majori sapientia, et bonitate. Si autem importet modum ex parte facti, sic potest facere melius; quia potest dare rebus a se factis meliorem modum essendi quantum ad accidentalia, licet non quantum ad essentialia.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. In die uitdrukking: God kan iets dat Hij gemaakt heeft, beter maken, kan het woord beter óf naamwoord, óf bijwoord zijn. Is het een naamwoord, dan is de volzin waar, want God kan wezens voortbrengen, die beter zijn dan welk door Hem gemaakt wezen ook. Eenzelfde ding echter kan Hij in een zeker opzicht beter maken, en in een ander opzicht niet, zooals wij hierboven (in de Leerstelling) gezegd hebben. Is beter een bijwoord, en slaat het op de wijze van handelen van het wezen dat iets voortbrengt, dan kan God de dingen niet beter maken dan Hij ze maakt, want Hij kan niets maken met grooter wijsheid en goedheid. Slaat het bijwoord beter echter op de zijnswijze van het voortgebrachte, dan kan God iets beters maken, want Hij kan de door Hem gemaakte dingen beter maken, met betrekking tot hun bijkomstigheden, ofschoon niet met betrekking tot hun wezen.Antwoord op de bedenkingen. — 1. In die uitdrukking: God kan iets dat Hij gemaakt heeft, beter maken, kan het woord beter óf naamwoord, óf bijwoord zijn. Is het een naamwoord, dan is de volzin waar, want God kan wezens voortbrengen, die beter zijn dan welk door Hem gemaakt wezen ook. Eenzelfde ding echter kan Hij in een zeker opzicht beter maken, en in een ander opzicht niet, zoals wij hierboven (in de Leerstelling) gezegd hebben. Is beter een bijwoord, en slaat het op de wijze van handelen van het wezen dat iets voortbrengt, dan kan God de dingen niet beter maken dan Hij ze maakt, want Hij kan niets maken met groter wijsheid en goedheid. Slaat het bijwoord beter echter op de zijnswijze van het voortgebrachte, dan kan God iets beters maken, want Hij kan de door Hem gemaakte dingen beter maken, met betrekking tot hun bijkomstigheden, ofschoon niet met betrekking tot hun wezen.
Ad secundum dicendum, quod de ratione filii est, quod aequetur patri, 714cum ad perfectum venerit; non est autem de ratione creaturae alicujus, quod sit melior, quam a Deo facta est : unde non est similis ratio.
2. Wanneer een zoon volwassen is, moet hij op zijn vader gelijken. Maar het komt aan een geschapen wezen niet toe, beter 714te zijn dan het door God geschapen werd. Bijgevolg gaat die vergelijking niet op.
Ad tertium dicendum, quod universum, suppositis istis rebus, non potest esse melius propter decentissimum ordinem his rebus attributum a Deo, in quo bonum universi consistit. Quoniam si unum aliquod esset melius, corrumperetur proportio ordinis. Sicut, si una chorda plus debito intenderetur, corrumperetur citharae melodia. Posset tamen Deus alias res facere, vel alias addere istis rebus factis : et sic esset illud universum melius.
3. Vooropgesteld, dat het heelal uit de tegenwoordige dingen bestaat, kan het niet beter zijn, om de goedgeschikte orde die God in de dingen invoerde en waarin het goed van het heelal bestaat. Was een of ander van die dingen beter, dan was de verhouding van de orde verbroken, zooals een te sterk gespannen snaar de harmonie van een cither verbreekt. Toch kan God andere dingen toevoegen aan die welke Hij gemaakt heeft, en op die manier zou Hij het heelal beter maken.3. Vooropgesteld, dat het heelal uit de tegenwoordige dingen bestaat, kan het niet beter zijn, om de goedgeschikte orde die God in de dingen invoerde en waarin het goed van het heelal bestaat. Was een of ander van die dingen beter, dan was de verhouding van de orde verbroken, zoals een te sterk gespannen snaar de harmonie van een citer verbreekt. Toch kan God andere dingen toevoegen aan die welke Hij gemaakt heeft, en op die manier zou Hij het heelal beter maken.
Ad quartum dicendum, quod humanitas Christi ex hoc, quod est unita Deo; et beatitudo creata ex hoc, quod est fruitio Dei; et Beata Virgo ex hoc, quod est mater Dei, habent quamdam dignitatem infinitam ex bono infinito, quod est Deus : et ex hac parte non potest aliquid fieri melius eis : sicut non potest aliquid melius esse Deo.
4. De menschheid van Christus, in zoover ze met God vereenigd is, het geschapen geluk, in zoover het 't genieten is van God, de Heilige Maagd, in zoover ze de moeder is van God, hebben een zekere oneindige waardigheid, door het oneindig goed nl. dat God is. En in dit opzicht kan er niets volmaakter voortgebracht worden, dan zij, zooals er niets beters kan zijn dan God.4. De mensheid van Christus, in zover ze met God verenigd is, het geschapen geluk, in zover het 't genieten is van God, de Heilige Maagd, in zover ze de moeder is van God, hebben een zekere oneindige waardigheid, door het oneindig goed nl. dat God is. En in dit opzicht kan er niets volmaakter voortgebracht worden, dan zij, zoals er niets beters kan zijn dan God.