De divina beatitudine
Over het geluk van God
715Ultimo autem post considerationem eorum, quae ad divinae essentiae unitatem pertinent, considerandum est de divina Beatitudine.
715Na datgene wat betrekking heeft op de eenheid van het goddelijk wezen, beschouwen we ten laatste het geluk van God.
Et circa hoc quaeruntur quatuor. 1. Utrum beatitudo Deo competat. — 2. Secundum quid dicatur Deus esse beatus, utrum secundum actum intellectus. — 3. Utrum ipse sit essentialiter beatitudo cujuslibet beati. — 4. Utrum in ejus beatitudine omnis beatitudo includatur.
En wij stellen daarover vier vragen : 1) Komt het geluk aan God toe? 2) Waardoor is God gelukkig? Is het door een kenakt? 3) Is God essentieel het geluk der gelukzaligen? 4) Is elk geluk in zijn geluk vervat?En wij stellen daarover vier vragen: 1. Komt het geluk aan God toe? 2. Waardoor is God gelukkig? Is het door een kenakt? 3. Is God essentieel het geluk van de gelukzaligen? 4. Is elk geluk in zijn geluk vervat?
Utrum beatitudo Deo competat
Komt het geluk aan God toe?
Ad primum sic proceditur. Videtur, quod beatitudo Deo non conveniat. Beatitudo enim secundum Boetium in 3. de Consol. est status omnium 716bonorum aggregatione perfectus; sed aggregatio bonorum non habet locum in Deo, sicut nec compositio; ergo Deo non convenit beatitudo.
Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat het geluk aan God niet toekomt. Het geluk is immers, zooals Boëtius zegt in zijn 716Boek Over de Vertroosting van de Wijsbegeerte (3, 2), het volmaakte leven, waarin alle goed bijeengebracht is. Welnu, in God kan onmogelijk iets bijeengebracht worden, want elke samenstelling is in Hem uitgesloten. Bijgevolg komt het geluk aan God niet toe.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat het geluk aan God niet toekomt. Het geluk is immers, zoals Boëtius zegt in zijn 716Boek Over de Vertroosting van de Wijsbegeerte (3, 2), het volmaakte leven, waarin alle goed bijeengebracht is. Welnu, in God kan onmogelijk iets bijeengebracht worden, want elke samenstelling is in Hem uitgesloten. Bijgevolg komt het geluk aan God niet toe.
2. Praeterea, beatitudo, sive felicitas est praemium virtutis, secundum Philosophum in 1. Ethic. [cap. 9.] ; sed Deo non convenit praemium sicut nec meritum; ergo nec beatitudo.
2. Het geluk, of de zaligheid, is de belooning voor de deugd, zooals de Wijsgeer zegt in het Ie Boek der Ethica (IXe H., Nr 3). Maar God kan geen belooning ontvangen, want Hij heeft geen verdienste. Het geluk komt Hem dus niet toe.2. Het geluk, of de zaligheid, is de beloning voor de deugd, zoals de Wijsgeer zegt in het 1e Boek van de Ethica (9e H., Nr 3). Maar God kan geen beloning ontvangen, want Hij heeft geen verdienste. Het geluk komt Hem dus niet toe.
Sed contra est, quod dicit Apost. 1. ad Timoth. ult. [v. 15] : « Quem suis temporibus ostendet Deus beatus, et solus potens, Rex regum, et Dominus dominantium. »
Daartegenover staat echter wat de Apostel zegt in zijn In Brief aan Timotheus (6, 15) : « (Christus), dien de gelukkige en alleen machtige God, de Koning der koningen, en de Heer van alle heerschers, ons toonen zal ten bekwamen tijd. »Daartegenover staat echter wat de Apostel zegt in zijn 1e Brief aan Timoteüs (6, 15): “(Christus), die de gelukkige en alleen machtige God, de Koning van de koningen, en de Heer van alle heersers, ons tonen zal ten bekwamen tijd.”
Respondeo dicendum, quod beatitudo maxime Deo competit. Nihil enim aliud sub nomine beatitudinis intelligitur, nisi bonum perfectum intellectualis naturae, cujus est suam sufficientiam cognoscere in bono, quod habet, et cui competit, ut ei contingat aliquid vel bene, vel male, et sit suarum operationum domina. Utrumque autem istorum excellentissime Deo convenit, scilicet perfectum esse, et intelligentem. Unde beatitudo maxime convenit Deo.
Leerstelling. — Het geluk komt in de hoogste mate toe aan God. Het geluk is immers niets anders, dan het volmaakte goed van een verstandelijk wezen; dit wezen kent de volheid van zijn goed-zijn, het kan voorspoed, of tegenspoed hebben, en het is meester over zijn handelingen. Welnu, die twee dingen, nl. volmaakt te zijn en een verstandelijk wezen te zijn, komen in de 717hoogste mate toe aan God. Bijgevolg komt ook het geluk in de hoogste mate toe aan God.
717Ad primum ergo dicendum, quod aggregatio bonorum est in Deo, non per modum compositionis, sed per modum simplicitatis; quia quae in creaturis multiplicia sunt, in Deo praeexistunt simpliciter et unite, ut supra dictum est [q. 4. art. 2, ad 1m.].
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het goede is samengebracht in God, niet door samenstelling, maar zonder samenstelling. Want wat in de schepselen veelvoudig is, bestaat in God vooraf op enkelvoudige wijze, en zonder verdeeling, zooals we hierboven bewezen hebben (IVe Kw., IIe Art., Antw. op de Ie Bed.).Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het goede is samengebracht in God, niet door samenstelling, maar zonder samenstelling. Want wat in de schepselen veelvoudig is, bestaat in God vooraf op enkelvoudige wijze, en zonder verdeling, zoals we hierboven bewezen hebben (4e Kw., 2e Art., Antw. op de 1e Bed.).
Ad secundum dicendum, quod esse praemium virtutis accidit beatitudini, vel felicitati, inquantum aliquis beatitudinem acquirit : sicut esse terminum generationis accidit enti, inquantum exit de potentia in actum. Sicut igitur Deus habet esse, quamvis non generetur; ita habet beatitudinem, quamvis non mereatur.
2. Het is voor het geluk of de zaligheid alleen bijkomstig, dat ze een belooning zijn voor de deugd; dit is nl. het geval, wanneer iemand zijn geluk moet verwerven. Zoo is het ook voor een zijnde bijkomstig, dat het de eindterm is van een beweging van ontstaan, in zoover het nl. moet overgaan van aanleg tot akt. Evenals het zijn aan God toekomt, ofschoon Hij niet ontstaan is, zoo ook komt het geluk Hem toe, ofschoon Hij geen verdienste heeft.2. Het is voor het geluk of de zaligheid alleen bijkomstig, dat ze een beloning zijn voor de deugd; dit is nl. het geval, wanneer iemand zijn geluk moet verwerven. Zo is het ook voor een zijnde bijkomstig, dat het de eindterm is van een beweging van ontstaan, in zover het nl. moet overgaan van aanleg tot act. Evenals het zijn aan God toekomt, ofschoon Hij niet ontstaan is, zo ook komt het geluk Hem toe, ofschoon Hij geen verdienste heeft.
Utrum Deus dicatur beatus secundum intellectum
Is God gelukkig door het verstand?
Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod Deus non dicatur beatus secundum intellectum. Beatitudo enim est summum bonum; sed bonum dicitur 718in Deo secundum essentiam. Quia bonum respicit esse secundum essentiam, secundum Boetium in lib. de Hebd. Ergo et beatitudo dicitur in Deo secundum essentiam, et non secundum intellectum.
Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God niet gelukkig is 718door het verstand. Het geluk immers is het hoogste goed. Welnu, goed te zijn komt aan God toe door zijn wezen, want het goede heeft betrekking op het zijn, dat tot het wezen behoort, zooals Boëtius zegt in zijn Boek Over de Tijdstippen. Dus is God gelukkig door zijn wezen, en niet door zijn verstand.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God niet gelukkig is 718door het verstand. Het geluk immers is het hoogste goed. Welnu, goed te zijn komt aan God toe door zijn wezen, want het goede heeft betrekking op het zijn, dat tot het wezen behoort, zoals Boëtius zegt in zijn Boek Over de Tijdstippen. Dus is God gelukkig door zijn wezen, en niet door zijn verstand.
2. Praeterea, beatitudo habet rationem finis. Finis autem est objectum voluntatis, sicut et bonum; ergo beatitudo dicitur in Deo secundum voluntatem, et non secundum intellectum.
2. Het geluk is een doel. Welnu, het doel is het voorwerp van den wil, zooals ieder goed. Dus is God gelukkig door zijn wil, en niet door zijn verstand.2. Het geluk is een doel. Welnu, het doel is het voorwerp van de wil, zoals ieder goed. Dus is God gelukkig door zijn wil, en niet door zijn verstand.
Sed contra est, quod Gregorius dicit 32 Moral. [cap. 6.] : « Ipse gloriosus est, qui, dum seipso perfruitur, accedentis laudis indigens non est. » Esse autem gloriosum significat esse beatum. Cum igitur Deo fruamur secundum intellectum quia visio est tota merces, ut dicit Augustinus [sermone 2 in Ps. 90], videtur, quod beatitudo dicatur in Deo secundum intellectum.
Daartegenover staat echter, dat Gregorius zegt in het XXXIIe Boek zijner Zedekundige Verhandelingen (VIe H.) : « Glorierijk is Hij, die zijn genot in zichzelf vindt, en geen lof van buiten noodig heeft. » Welnu, glorierijk zijn is hetzelfde als gelukkig zijn. En daar wij in God ons geluk vinden door ons verstand — in Hem te zien toch is geheel onze belooning gelegen, zegt Augustinus in zijn Tweeden Preek over Psalm 90, — moeten we zeggen, dat ook God gelukkig is door zijn verstand.Daartegenover staat echter, dat Gregorius zegt in het 32e Boek van zijn Zedekundige Verhandelingen (6e H.): “Glorierijk is Hij, die zijn genot in zichzelf vindt, en geen lof van buiten nodig heeft.” Welnu, glorierijk zijn is hetzelfde als gelukkig zijn. En daar wij in God ons geluk vinden door ons verstand — in Hem te zien toch is geheel onze beloning gelegen, zegt Augustinus in zijn Tweeden Preek over Psalm 90a, — moeten we zeggen, dat ook God gelukkig is door zijn verstand.
Respondeo dicendum, quod beatitudo, sicut dictum est [art. praec.], significat bonum perfectum intellectualis naturae : et inde est, quod, sicut 719unaquaeque res appetit suam perfectionem, ita et intellectualis natura naturaliter appetit esse beata. Id autem, quod est perfectissimum in qualibet intellectuali natura, est intellectualis operatio, secundum quam capit quodammodo omnia. Unde cujuslibet intellectualis naturae creatae beatitudo consistit in intelligendo. In Deo autem non est aliud esse, et intelligere secundum rem, sed tantum secundum intelligentiae rationem. Attribuenda ergo est Deo beatitudo secundum intellectum, sicut et aliis beatis, qui per assimilationem ad beatitudinem ipsius beati dicuntur.
Leerstelling. — Zooals we hierboven gezegd hebben (voorg. Art.), is het geluk het volmaakte goed van een verstandelijk wezen. Welnu, evenals elk wezen streeft naar zijn 719volmaaktheid, zoo ook streeft een verstandelijk wezen van nature naar het geluk. Maar in elk verstandelijk wezen is het volmaaktste de verstandsakt, waardoor het om zoo te zeggen alles omvat. Daarom bestaat het geluk van elk verstandelijk wezen in een verstandsakt. In God echter verschilt het zijn niet werkelijk van den verstandsakt, maar alleen volgens de manier waarop wij ons die dingen voorstellen. We moeten dus zeggen, dat God gelukkig is door zijn verstand, evenals de anderen, die gelukkig genoemd worden omdat ze deel hebben aan zijn geluk.Leerstelling. — Zoals we hierboven gezegd hebben (voorg. Art.), is het geluk het volmaakte goed van een verstandelijk wezen. Welnu, evenals elk wezen streeft naar zijn 719volmaaktheid, zo ook streeft een verstandelijk wezen van nature naar het geluk. Maar in elk verstandelijk wezen is het volmaaktste de verstandsact, waardoor het om zo te zeggen alles omvat. Daarom bestaat het geluk van elk verstandelijk wezen in een verstandsact. In God echter verschilt het zijn niet werkelijk van de verstandsact, maar alleen volgens de manier waarop wij ons die dingen voorstellen. We moeten dus zeggen, dat God gelukkig is door zijn verstand, evenals de anderen, die gelukkig genoemd worden omdat ze deel hebben aan zijn geluk.
Ad primum ergo dicendum, quod ex illa ratione probatur, quod Deus sit beatus secundum suam essentiam, non autem quod beatitudo ei conveniat secundum rationem essentiae; sed magis secundum rationem intellectus.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Die tegenwerping bewijst, dat God gelukkig is door zijn wezen, maar niet, dat Hij gelukkig moet genoemd worden naar zijn wezen, maar veeleer naar zijn verstand.
Ad secundum dicendum, quod beatitudo, cum sit bonum, est objectum voluntatis : objectum autem praeintelligitur actui potentiae. Unde secundum modum intelligendi prius est beatitudo divina, quam actus voluntatis in ea requiescentis. Et hoc non potest esse, nisi actus intellectus. Unde in actu intellectus attenditur beatitudo.
2. Het geluk is het voorwerp van den wil, omdat het een goed is. Welnu, we moeten ons het voorwerp denken vóór de werking van het vermogen. Bijgevolg komt naar de wijze waarop wij ons de dingen voorstellen, het goddelijk geluk vóór den wilsakt waardoor God zijn rust vindt in zijn geluk. Maar dat kan alléén een verstandsakt zijn. Bijgevolg ligt het geluk van God in een verstandsakt.2. Het geluk is het voorwerp van de wil, omdat het een goed is. Welnu, we moeten ons het voorwerp denken vóór de werking van het vermogen. Bijgevolg komt naar de wijze waarop wij ons de dingen voorstellen, het goddelijk geluk vóór de wilsact waardoor God zijn rust vindt in zijn geluk. Maar dat kan alléén een verstandsact zijn. Bijgevolg ligt het geluk van God in een verstandsact.
Utrum Deus sit beatitudo cujuslibet beati
Is God het geluk van iederen gelukzalige?Is God het geluk van iedere gelukzalige?
720Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod Deus sit beatitudo cujuslibet beati. Deus enim est summum bonum, ut supra ostensum est [q. 6. art. 2.] Impossibile est autem esse plura summa bona, ut etiam ex superioribus patet [q. 11. art. 3.]. Cum igitur de ratione beatitudinis sit, quod sit summum bonum, videtur, quod beatitudo non sit aliud, quam Deus.
720Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God het geluk is van iederen gelukzalige. God immers is het hoogste goed, zooals hierboven bewezen is (VIe H. IIe Art.). Welnu, er kan maar één hoogste goed zijn, zooals ook uit het hierboven gezegde blijkt (XIe Kw., IIIe Art.). En daar het geluk door zijn begrip zelf het hoogste goed is, is het geluk niets anders dan God.720Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God het geluk is van iedere gelukzalige. God immers is het hoogste goed, zoals hierboven bewezen is (6e H. 2e Art.). Welnu, er kan maar één hoogste goed zijn, zoals ook uit het hierboven gezegde blijkt (11e Kw., 3e Art.). En daar het geluk door zijn begrip zelf het hoogste goed is, is het geluk niets anders dan God.
2. Praeterea, beatitudo est finis rationalis naturae ultimus : sed esse ultimum finem rationalis naturae soli Deo convenit; ergo beatitudo cujuslibet beati est solus Deus.
2. Het geluk is het laatste doel van het redelijk schepsel. Welnu, het laatste doel te zijn van een redelijk schepsel komt toe aan God alleen. Bijgevolg is alleen God het geluk van iederen gelukzalige.2. Het geluk is het laatste doel van het redelijk schepsel. Welnu, het laatste doel te zijn van een redelijk schepsel komt toe aan God alleen. Bijgevolg is alleen God het geluk van iedere gelukzalige.
Sed contra. Beatitudo unius est major beatitudine alterius, secundum illud 1. ad Cor. 15, [v. 41] : « Stella differt a stella in claritate » : sed Deo nihil est majus; ergo beatitudo est aliquid aliud, quam Deus.
Daartegenover staat echter, dat het geluk van den eenen grooter is dan dat van den ander, zooals we lezen in den In Brief aan de Corinthiërs (11, 41) : « De eene ster verschilt van de andere in 721glans. » Maar niets is grooter dan God. Bijgevolg is het geluk iets anders dan God.Daartegenover staat echter, dat het geluk van de ene groter is dan dat van de ander, zoals we lezen in de 1e Brief aan de Korintiërs (11, 41): “De ene ster verschilt van de andere in 721glans.” Maar niets is groter dan God. Bijgevolg is het geluk iets anders dan God.
721Respondeo dicendum, quod beatitudo intellectualis naturae consistit in actu intellectus. In quo duo possunt considerari, scilicet objectum actus, quod est intelligibile, et ipse actus, qui est intelligere. Si igitur beatitudo consideretur ex parte ipsius objecti, sic solus Deus est beatitudo : quia ex hoc solo est aliquis beatus, quod Deum intelligit, secundum illud Augustini in 5. lib. Conf. [cap. 4.] : « Beatus est, qui te novit, etiam si alia ignoret. » Sed ex parte actus intelligentis beatitudo est quid creatum in creaturis beatis; in Deo autem est etiam secundum hoc aliquid increatum.
Leerstelling. — Het geluk van een verstandelijk wezen ligt in een verstandsakt. Maar in een verstandakt kunnen we twee dingen onderscheiden : én het voorwerp van den akt, of het kenbare, én den akt zelf, of het verstaan. Met betrekking tot het objekt van den verstandsakt bestaat het geluk alleen in God, want alleen de kennis van God maakt iemand gelukkig, zooals Augustinus zegt in het Ve Boek zijner Belijdenissen (IVe H.) : « Gelukkig is hij die U kent, zelf indien hij het andere niet kent. » Maar met betrekking tot den kenakt is het geluk in de gelukkige schepselen iets geschapen. In God echter is het ook in dit opzicht iets ongeschapen.Leerstelling. — Het geluk van een verstandelijk wezen ligt in een verstandsact. Maar in een verstandakt kunnen we twee dingen onderscheiden: én het voorwerp van de act, of het kenbare, én de act zelf, of het verstaan. Met betrekking tot het object van de verstandsact bestaat het geluk alleen in God, want alleen de kennis van God maakt iemand gelukkig, zoals Augustinus zegt in het 5e Boek van zijn Belijdenissen (4e H.): “Gelukkig is hij die U kent, zelf indien hij het andere niet kent.” Maar met betrekking tot de kenakt is het geluk in de gelukkige schepselen iets geschapen. In God echter is het ook in dit opzicht iets ongeschapen.
Ad primum ergo dicendum, quod beatitudo, quantum ad objectum, est summum bonum simpliciter; sed quantum ad actum in creaturis beatis, est summum bonum non simpliciter, sed in genere bonorum participabilium a creatura.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Met betrekking tot het objekt, is het geluk het hoogste goed, zonder eenige beperking; met betrekking echter tot den kenakt, is het in de schepselen niet het hoogste goed zonder beperking, maar alleen onder dat goed waaraan een schepsel kan deel hebben.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Met betrekking tot het object, is het geluk het hoogste goed, zonder enige beperking; met betrekking echter tot de kenakt, is het in de schepselen niet het hoogste goed zonder beperking, maar alleen onder dat goed waaraan een schepsel kan deel hebben.
Ad secundum dicendum, quod finis est duplex, scilicet cujus, et quo, ut 722Philosophus dicit [l. 2. De anima c. 4, S. Th., l. 7] : scilicet ipsa res, et usus rei. Sicut avaro est finis pecunia, et acquisitio pecuniae. Creaturae igitur rationalis est quidem Deus finis ultimus, ut res; beatitudo autem creata, ut usus, vel magis fruitio rei.
2. Men kan het doel op twee manieren beschouwen, nl. als iets 722wat men wil, en als iets waardoor men iets wil, zooals de Wijsgeer zegt in het IIe Boek Over de Ziel (IVe H., Nr 5), of m. a. w. het ding zelf dat men wil, en het gebruik dat men er van maakt. Zoo ziet de vrek én het geld voor zijn doel aan, én het bezit er van. Spreekt men van het wezen, dat men nastreeft, dan is God het laatste doel van het redelijk schepsel; spreekt men van het bezitten of liever van het genieten van dit wezen, dan is een geschapen geluk het laatste doel.2. Men kan het doel op twee manieren beschouwen, nl. als iets 722wat men wil, en als iets waardoor men iets wil, zoals de Wijsgeer zegt in het 2e Boek Over de Ziel (4e H., Nr 5), of m. a. w. het ding zelf dat men wil, en het gebruik dat men er van maakt. Zo ziet de vrek én het geld voor zijn doel aan, én het bezit er van. Spreekt men van het wezen, dat men nastreeft, dan is God het laatste doel van het redelijk schepsel; spreekt men van het bezitten of liever van het genieten van dit wezen, dan is een geschapen geluk het laatste doel.
Utrum in Dei beatitudine omnis beatitudo includatur
Sluit het geluk van God alle geluk in?
Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod beatitudo divina non complectatur omnes beatitudines. Sunt enim quaedam beatitudines falsae : sed in Deo nihil potest esse falsum; ergo divina beatitudo non complectitur omnem beatitudinem.
Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat het geluk van God alle geluk niet insluit. Er is immers ook een valsch geluk. Welnu, in God is er niets valsch. Dus sluit het geluk van God alle geluk niet in.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat het geluk van God alle geluk niet insluit. Er is immers ook een vals geluk. Welnu, in God is er niets vals. Dus sluit het geluk van God alle geluk niet in.
2. Praeterea, quaedam beatitudo secundum quosdam consistit in rebus corporalibus, sicut voluptatibus, divitiis, et hujusmodi. Quae quidem Deo 723convenire non possunt, cum sit incorporeus; ergo beatitudo ejus non complectitur omnem beatitudinem.
2. Voor sommigen bestaat het geluk in stoffelijke dingen, zooals zingenot, rijkdom, enz. Maar die dingen kunnen aan God niet 723toekomen, want Hij is onstoffelijk. Dus sluit zijn geluk alle geluk niet in.2. Voor sommigen bestaat het geluk in stoffelijke dingen, zoals zingenot, rijkdom, enz. Maar die dingen kunnen aan God niet 723toekomen, want Hij is onstoffelijk. Dus sluit zijn geluk alle geluk niet in.
Sed contra est, quod beatitudo est perfectio quaedam : divina autem perfectio complectitur omnem perfectionem, ut supra ostensum est [q. 4. art. 2.] ; ergo divina beatitudo complectitur omnem beatitudinem.
Daartegenover staat echter, dat het geluk een zekere volmaaktheid is. Welnu, de volmaaktheid van God sluit iedere volmaaktheid in, zooals hierboven werd bewezen (IVe Kw., IIe Art.). Bijgevolg sluit het geluk van God elk ander geluk in.Daartegenover staat echter, dat het geluk een zekere volmaaktheid is. Welnu, de volmaaktheid van God sluit iedere volmaaktheid in, zoals hierboven werd bewezen (4e Kw., 2e Art.). Bijgevolg sluit het geluk van God elk ander geluk in.
Respondeo dicendum, quod quidquid est desiderabile in quacumque beatitudine vel vera, vel falsa, totum eminentius in divina beatitudine praeexistit. De contemplativa enim felicitate habet continuam, et certissimam contemplationem sui, et omnium aliorum : de activa vero gubernationem totius universi. De terrena vero felicitate, quae consistit in voluptate, divitiis, potestate, dignitate, et fama, secundum Boetium in 3. de Consol. [pr. 2] habet gaudium de se, et de omnibus aliis pro delectatione; pro divitiis habet omnimodam sufficientiam, quam divitiae promittunt; pro potestate omnipotentiam; pro dignitate omnium regimen; pro fama vero admirationem totius creaturae.
Leerstelling. — Al wat begeerlijk is in welk ander geluk ook, hetzij waar of valsch, bestaat op meer verheven wijze vooraf in het geluk van God; het geluk der beschouwing, daar Hij onafgebroken de zekerste beschouwing geniet van zichzelf en van al het andere; het geluk van het werkend leven, daar Hij het wereldbestuur in handen heeft; het aardsch geluk, dat, zooals Boëtius zegt in zijn Boek Over de Vertroosting van de Wijsbegeerte (3, 11) bestaat in zingenot, rijkdom, macht, waardigheid, roem, ook dat geluk kent God, want in de plaats van het zingenot geniet Hij de vreugde om zichzelf en al het andere; in de plaats van den rijkdom bezit Hij alle volheid, die de rijkdom kan beloven; zijn macht is de almacht; zijn waardigheid is het bestuur 724van alles; en zijn roem bestaat in de bewondering van heel de schepping.Leerstelling. — Al wat begeerlijk is in welk ander geluk ook, hetzij waar of vals, bestaat op meer verheven wijze vooraf in het geluk van God; het geluk van de beschouwing, daar Hij onafgebroken de zekerste beschouwing geniet van zichzelf en van al het andere; het geluk van het werkend leven, daar Hij het wereldbestuur in handen heeft; het aards geluk, dat, zoals Boëtius zegt in zijn Boek Over de Vertroosting van de Wijsbegeerte (3, 11) bestaat in zingenot, rijkdom, macht, waardigheid, roem, ook dat geluk kent God, want in de plaats van het zingenot geniet Hij de vreugde om zichzelf en al het andere; in de plaats van de rijkdom bezit Hij alle volheid, die de rijkdom kan beloven; zijn macht is de almacht; zijn waardigheid is het bestuur 724van alles; en zijn roem bestaat in de bewondering van heel de schepping.
724Ad primum ergo dicendum, quod beatitudo aliqua secundum hoc est falsa, secundum quod deficit a ratione verae beatitudinis, et sic non est in Deo : sed quidquid habet de similitudine, quantumcumque tenui, beatitudinis, totum praeexsistit in divina beatitudine.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het geluk is valsch, in zoover het afwijkt van het ware geluk, en zoo is het niet in God. Maar alles wat ook maar eenige overeenkomst heeft met het ware geluk, dat bestaat vooraf in Gods geluk.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het geluk is vals, in zover het afwijkt van het ware geluk, en zo is het niet in God. Maar alles wat ook maar enige overeenkomst heeft met het ware geluk, dat bestaat vooraf in Gods geluk.
Ad secundum dicendum, quod bona, quae sunt in corporalibus corporaliter, in Deo sunt spiritualiter secundum modum suum.
2. Het goede, dat in de stoffelijke dingen op stoffelijke wijze bestaat, bestaat op geestelijke wijze in God, daar Hij geestelijk is.
Et haec dicta sufficiant de his, quae pertinent ad divinae essentiae unitatem.
Daarmee besluiten we onze verhandeling over de eenheid van Gods wezen.