De voluntate Dei
Over den wil van GodOver de wil van God
519Post considerationem eorum, quae ad divinam scientiam pertinent, considerandum est de his, quae pertinent ad voluntatem divinam, ut sit prima consideratio de ipsa Dei voluntate : secunda de his, quae ad voluntatem absolute pertinent : tertia de his, quae ad intellectum in ordine ad voluntatem pertinent.
519Tot hiertoe behandelden we wat betrekking heeft op de kennis van God; nu gaan we over tot wat zijn wil betreft. Eerst beschouwen we Gods wil zelf; ten tweede, alles wat behoort tot Gods wil, op zichzelf genomen; ten derde, wat behoort tot Gods verstand in betrekking met zijn wil.
Circa ipsam autem voluntatem quaeruntur duodecim : 1. Utrum in Deo sit voluntas. — 2. Utrum Deus velit alia a se. — 3. Utrum quidquid Deus vult, ex necessitate velit. — 4. Utrum voluntas Dei sit causa rerum. — 5. Utrum voluntatis divinae sit assignare aliquam causam. — 6. Utrum voluntas divina semper impleatur. — 7. Utrum voluntas Dei sit mutabilis. — 8. Utrum 520voluntas Dei necessitatem rebus volitis imponat. — 9. Utrum in Deo sit voluntas malorum. — 10. Utrum Deus habeat liberum arbitrium. — 11. Utrum sit distinguenda in Deo voluntas signi. — 12 Utrum convenienter circa divinam voluntatem ponantur quinque signa.
Over Gods wil zelf stellen we twaalf vragen: 1.) Heeft God een wil? 2.) Wil God de dingen, die buiten Hem liggen? 3.) Wil God alles wat Hij wil, noodzakelijk? 4.) Is Gods wil de oorzaak van de dingen? 5.) Is Gods wil afhankelijk van een of andere oorzaak? 6.) Wordt Gods wil steeds verwezenlijkt? 7.) Is Gods wil onveranderlijk? 8.) Is alles noodzakelijk omdat het door God gewild is? 5209.) Wil God het kwaad? 10.) Is God vrij? 11.) Mag men in God een « willen van het teeken » aannemen ? 12.) Kan God op vijf verschillende wijzen zijn wil te kennen geven?Over Gods wil zelf stellen we twaalf vragen: 1.) Heeft God een wil? 2.) Wil God de dingen, die buiten Hem liggen? 3.) Wil God alles wat Hij wil, noodzakelijk? 4.) Is Gods wil de oorzaak van de dingen? 5.) Is Gods wil afhankelijk van een of andere oorzaak? 6.) Wordt Gods wil steeds verwezenlijkt? 7.) Is Gods wil onveranderlijk? 8.) Is alles noodzakelijk omdat het door God gewild is? 5209.) Wil God het kwaad? 10.) Is God vrij? 11.) Mag men in God een “willen van het teken” aannemen? 12.) Kan God op vijf verschillende wijzen zijn wil te kennen geven?
Utrum in Deo sit voluntas
Heeft God een wil?
Ad primum sic proceditur. Videtur, quod in Deo non sit voluntas. Objectum enim voluntatis est finis, et bonum : sed Dei non est assignare aliquem finem; ergo voluntas non est in Deo.
Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God geen wil heeft. Het voorwerp van den wil is immers het doel en het goede. Welnu, God heeft geen doel. Dus heeft hij ook geen wil.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God geen wil heeft. Het voorwerp van de wil is immers het doel en het goede. Welnu, God heeft geen doel. Dus heeft hij ook geen wil.
2. Praeterea, voluntas est appetitus quidam; appetitus autem, cum sit rei non habitae, imperfectionem designat, quae Deo non competit; ergo voluntas non est in Deo.
2. De wil is een streefvermogen. Maar het streefvermogen is een bewijs van onvolmaaktheid, want men streeft alleen naar wat men niet bezit. Bij God kan echter van geen onvolmaaktheid sprake zijn, en bijgevolg heeft Hij geen wil.
5213. Praeterea, secundum Philosophum in tertio de Anima [c. 10, S. Th., l. 15], voluntas est movens motum : sed Deus est primum movens immobile, ut probatur 8. Physic. [c. 4, 5, 6; S. Th., l. 7] ; ergo in Deo non est voluntas.
5213. In het IIIe Boek Over de Ziel (Xe H., Nr 7) zegt de Wijsgeer, dat de wil een bewogen beweger is. Welnu, God is de eerste onbewogen beweger, zooals in het VIIIe Boek der Physica bewezen wordt (IVe, Ve en VIe H.) . Dus kan God geen wil hebben.5213. In het 3e Boek Over de Ziel (10e H., Nr 7) zegt de Wijsgeer, dat de wil een bewogen beweger is. Welnu, God is de eerste onbewogen beweger, zoals in het 8e Boek van de Fysica bewezen wordt (4e, 5e en 6e H.) . Dus kan God geen wil hebben.
Sed contra est, quod dicit Apost. ad Rom. 12 [v. 2.] : « Ut probetis, quae sit voluntas Dei. »
Daar staat echter tegenover, dat de Apostel schrijft in zijn Brief aan de Romeinen (12,2) : « Opdat ge zoudt ondervinden wat God wil. »Daar staat echter tegenover, dat de Apostel schrijft in zijn Brief aan de Romeinen (12,2): “Opdat ge zoudt ondervinden wat God wil.”
Respondeo dicendum in Deo voluntatem esse, sicut et in eo est intellectus. Voluntas enim intellectum consequitur. Sicut enim res naturalis habet esse in actu per suam formam, ita intellectus est intelligens actu per suam formam intelligibilem. Quaelibet autem res ad suam formam naturalem hanc habet habitudinem, ut quando non habet ipsam, tendat in eam, et quando habet ipsam, quiescat in ea, et idem est de qualibet perfectione naturali, quod est bonum naturae. Et haec habitudo ad bonum in rebus carentibus cognitione 522vocatur appetitus naturalis. Unde et natura intellectualis ad bonum apprehensum per formam intelligibilem similem habitudinem habet, ut scilicet cum habet ipsum, quiescat in illo, cum vero non habet, quaerat ipsum; et utrumque pertinet ad voluntatem. Unde in quolibet habente intellectum est voluntas, sicut in quolibet habente sensum est appetitus animalis. Et sic oportet in Deo esse voluntatem, cum sit in eo intellectus. Et sicut suum intelligere est suum esse, ita et suum velle.
Leerstelling. — God heeft een wil, evenals Hij een verstand heeft, want de wil volgt op het verstand. Inderdaad, zooals het natuurding in akt is door zijn eigen vorm, zoo kent het verstand in akt door zijn verstandelijken kenvorm. Welnu, de verhouding van ieder natuurding tot zijn vorm is zóó, dat het er naar streeft wanneer het hem mist, en er zijn rust in vindt, wanneer het hem bezit; en hetzelfde geldt voor elke natuurvolmaaktheid, die het goed is van de natuur. In de niet-kennende wezens noemen we die verhouding tot eigen natuurgoed: natuuraandrang. Maar de verstandelijke wezens staan in dezelfde verhouding tot het goed dat ze door hun verstandelijken kenvorm kennen: wie het bezit, vindt er zijn rust in, wie het niet bezit, streeft er naar. Dit rusten en 522streven nu zijn wilsakten, en daarom heeft elk met verstand begaafd wezen een wil, evenals elk zintuigelijk kennend wezen een zinnelijk streefvermogen heeft. Er moet dus ook in God een wil zijn, daar Hij een verstand heeft. En evenals zijn kennen, zoo is ook zijn wil hetzelfde als Zijn zijn.Leerstelling. — God heeft een wil, evenals Hij een verstand heeft, want de wil volgt op het verstand. Inderdaad, zoals het natuurding in act is door zijn eigen vorm, zo kent het verstand in act door zijn verstandelijken kenvorm. Welnu, de verhouding van ieder natuurding tot zijn vorm is zó, dat het er naar streeft wanneer het hem mist, en er zijn rust in vindt, wanneer het hem bezit; en hetzelfde geldt voor elke natuurvolmaaktheid, die het goed is van de natuur. In de niet-kennende wezens noemen we die verhouding tot eigen natuurgoed: natuuraandrang. Maar de verstandelijke wezens staan in dezelfde verhouding tot het goed dat ze door hun verstandelijken kenvorm kennen: wie het bezit, vindt er zijn rust in, wie het niet bezit, streeft er naar. Dit rusten en 522streven nu zijn wilsacten, en daarom heeft elk met verstand begaafd wezen een wil, evenals elk zintuigelijk kennend wezen een zinnelijk streefvermogen heeft. Er moet dus ook in God een wil zijn, daar Hij een verstand heeft. En evenals zijn kennen, zo is ook zijn wil hetzelfde als Zijn zijn.
Ad primum ergo dicendum, quod, licet nihil aliud a Deo sit finis Dei, tamen ipsemet est finis respectu omnium, quae ab eo fiunt, et hoc per suam essentiam, cum per suam essentiam sit bonus, ut supra ostensum est [q. 4. ar. 3.] : finis enim habet rationem boni.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Hoewel niets wat buiten God ligt, Gods doel kan zijn, toch is Hij zelf het doel van al wat door Hem gemaakt is, en wel naar zijn wezenheid, daar Hij naar zijn wezenheid goed is, zooals hierboven werd aangetoond (IVe Kw., 3e Art.), en goed zijn eigen is aan het doel.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Hoewel niets wat buiten God ligt, Gods doel kan zijn, toch is Hij zelf het doel van al wat door Hem gemaakt is, en wel naar zijn wezenheid, daar Hij naar zijn wezenheid goed is, zoals hierboven werd aangetoond (4e Kw., 3e Art.), en goed zijn eigen is aan het doel.
Ad secundum dicendum, quod voluntas in nobis pertinet ad appetitivam partem; quae, licet ab appetendo nominetur, non tamen hunc solum habet actum, ut appetat quae non habet; sed etiam ut amet, quod habet et delectetur in illo : et quantum ad hoc voluntas in Deo ponitur, quae semper habet bonum, quod est ejus objectum, cum sit indifferens ab eo secundum essentiam, ut dictum est [in resp. ad 1.].
2. Bij ons is de wil een streefvermogen. Ofschoon nu dit vermogen zóó genoemd wordt naar het streven, toch moet men daarom niet meenen, dat de eenige akt van den wil is, te streven naar iets, wat hij niet bezit. Hij kan immers ook datgene, wat hij reeds bereikte, beminnen, en er van genieten. En in dezen zin schrijven we aan God een wil toe: steeds toch geniet Hij van zijn eigen goed-zijn, het Hem eigen wilsvoorwerp, van zijn natuur niet onderscheiden, zooals hierboven gezegd werd. (Antw. op de 1e Bedenking) .2. Bij ons is de wil een streefvermogen. Ofschoon nu dit vermogen zó genoemd wordt naar het streven, toch moet men daarom niet menen, dat de enige act van de wil is, te streven naar iets, wat hij niet bezit. Hij kan immers ook datgene, wat hij reeds bereikte, beminnen, en er van genieten. En in deze zin schrijven we aan God een wil toe: steeds toch geniet Hij van zijn eigen goed-zijn, het Hem eigen wilsvoorwerp, van zijn natuur niet onderscheiden, zoals hierboven gezegd werd. (Antw. op de 1e Bedenking) .
523Ad tertium dicendum, quod voluntas, cujus objectum principale est bonum, quod est extra voluntatem, oportet, quod sit mota ab aliquo : sed objectum divinae voluntatis est bonitas sua, quae est ejus essentia : unde, cum voluntas Dei sit ejus essentia, non movetur ab alio a se, sed a se tantum, eo modo loquendi, quo intelligere, et velle dicitur motus. Et secundum hoc Plato dixit [Phaed., c. 24], quod primum movens movet seipsum.
5233. Het spreekt vanzelf, dat een wil waarvan het voornaamste voorwerp een goed is, dat buiten den wil ligt, van buiten af bewogen wordt. Maar het voorwerp van Gods wil is integendeel zijn eigen goed-zijn, dat zijn wezen zelf is. Daarom wordt Gods wil, één met zijn wezen, door niets buiten Hem bewogen, doch alleen door zichzelf. We gebruiken hier het woord bewegen in den zin waarin begrijpen en willen een beweging genoemd worden; zoo zei ook Plato in zijn Phaedrus (XXIVe H.) , dat de eerste beweger zich zelf beweegt.5233. Het spreekt vanzelf, dat een wil waarvan het voornaamste voorwerp een goed is, dat buiten de wil ligt, van buiten af bewogen wordt. Maar het voorwerp van Gods wil is integendeel zijn eigen goed-zijn, dat zijn wezen zelf is. Daarom wordt Gods wil, één met zijn wezen, door niets buiten Hem bewogen, doch alleen door zichzelf. We gebruiken hier het woord bewegen in de zin waarin begrijpen en willen een beweging genoemd worden; zo zei ook Plato in zijn Phaedrus (24e H.), dat de eerste beweger zichzelf beweegt.
Utrum Deus velit alia a se
Wil God de dingen, die buiten Hem liggen?
Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod Deus non velit alia a se. Velle enim divinum est ejus esse : sed Deus non est aliud a se; ergo non vult aliud a se.
Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God de dingen niet wil, die buiten Hem liggen. Gods wil immers is zijn wezen. Maar God is niets wat buiten Hem ligt. Dus wil Hij niet wat buiten Hem ligt.
2. Praeterea, volitum movet voluntatem, sicut appetibile appetitum, ut 524dicitur in 3. de Anima [c. 10, S. Th., l. 15]. Si igitur Deus velit aliquid aliud a se, movebitur ejus voluntas ab aliquo alio, quod est impossibile.
2. Het gewilde beweegt den wil, gelijk het begeerlijke het 524streefvermogen, zooals gezegd wordt in het IIIe Boek Over de Ziel (Xe H., Nr 7) . Indien bijgevolg God iets wil wat buiten Hem ligt, dan wordt Hij bewogen door iets wat buiten Hem ligt, en dat is onmogelijk.2. Het gewilde beweegt de wil, gelijk het begeerlijke het 524streefvermogen, zoals gezegd wordt in het 3e Boek Over de Ziel (10e H., Nr 7) . Indien bijgevolg God iets wil wat buiten Hem ligt, dan wordt Hij bewogen door iets wat buiten Hem ligt, en dat is onmogelijk.
3. Praeterea, cuicumque voluntati sufficit aliquod volitum, nihil quaerit extra illud : sed Deo sufficit sua bonitas, et voluntas ejus ex ea satiatur; ergo Deus non vult aliquid aliud a se.
3. Voldoet een gewild voorwerp den wil, dan verlangt men verder niets. Welnu, Gods goed-zijn voldoet Hem, en zijn wil is er door verzadigd. Bijgevolg wil God niets wat buiten hem ligt.3. Voldoet een gewild voorwerp de wil, dan verlangt men verder niets. Welnu, Gods goed-zijn voldoet Hem, en zijn wil is er door verzadigd. Bijgevolg wil God niets wat buiten hem ligt.
4. Praeterea, actus voluntatis multiplicantur secundum volita. Ei igitur Deus velit se, et alia a se, sequitur, quod actus voluntatis ejus sit multiplex, et per consequens ejus esse, quod est ejus velle : hoc autem est impossibile; non ergo vult alia a se.
4. De wilsakten worden vermenigvuldigd volgens de gewilde voorwerpen. Indien God én zich zelf wil, én het andere, dan moeten er meerdere wilsakten zijn in Hem. Maar dan is ook zijn wezen samengesteld, daar zijn wezen hetzelfde is als zijn wil. Maar Gods wezen kan onmogelijk samengesteld zijn, en daarom wil God niets wat buiten Hem ligt.4. De wilsacten worden vermenigvuldigd volgens de gewilde voorwerpen. Indien God én zichzelf wil, én het andere, dan moeten er meerdere wilsacten zijn in Hem. Maar dan is ook zijn wezen samengesteld, daar zijn wezen hetzelfde is als zijn wil. Maar Gods wezen kan onmogelijk samengesteld zijn, en daarom wil God niets wat buiten Hem ligt.
Sed contra est, quod Apostolus dicit 1. Thess. 4 [v. 3] : « Haec est voluntas Dei, sanctificatio vestra. »
Dit is echter in strijd met wat de Apostel zegt in zijn Eersten Brief aan de Thessaloniërs (4, 3) : « God wil dat gij heilig wordt. »Dit is echter in strijd met wat de Apostel zegt in zijn Eersten Brief aan de Tessalonicenzen (4, 3): “God wil dat gij heilig wordt.”
Respondeo dicendum, quod Deus non solum se vult, sed etiam alia a se, quod apparet a simili prius inducto. Res enim naturalis non solum habet 525naturalem inclinationem respectu proprii boni, ut acquirat ipsum, cum non habet, vel ut quiescat in illo, cum habet; sed etiam ut proprium bonum in alia diffundat, secundum quod possibile est. Unde videmus, quod omne agens, inquantum est actu et perfectum, facit sibi simile. Unde et hoc pertinet ad rationem voluntatis, ut bonum, quod quis habet, aliis communicet, secundum quod possibile est. Et hoc praecipue pertinet ad voluntatem divinam, a qua per quandam similitudinem derivatur omnis perfectio. Unde, si res naturales, inquantum perfectae sunt, suum bonum aliis communicant, multo magis pertinet ad voluntatem divinam, ut bonum suum aliis per similitudinem communicet, secundum quod possibile est. Sic igitur vult et se esse, et alia : sed se, ut finem : alia vero, ut ad finem, inquantum condecet divinam bonitatem etiam alia ipsam participare.
Leerstelling. — God wil niet alleen zich zelf, maar ook dingen buiten Hem. Dit blijkt uit de gronden die we hierboven reeds hebben aangevoerd (1e Art.) . Het natuurding heeft immers 525niet alleen een natuuraandrang naar zijn eigen goed, waardoor het dit goed wil verwerven, wanneer het dit niet bezit, en er zijn rust in vindt, wanneer het dit wel bezit; maar het heeft ook een natuuraandrang om, naar vermogen, zijn eigen goed in andere wezens uit te storten. We zien dan ook hoe ieder handelend wezen zijns gelijke voortbrengst, in zoover het in akt is. Ook dit naar vermogen mededeelen van eigen goed behoort tot het begrip van den wil. Welnu, die mededeelzaamheid moet voornamelijk toegeschreven worden aan den goddelijken wil, waaruit elke volmaaktheid voortspruit naar een zekere gelijkvormigheid met Gods volmaaktheid. Indien dus de natuurwezens hun eigen goed aan anderen mededeelen, in zoover ze zelf volmaakt zijn, komt het des te meer aan Gods wil toe het goddelijk goed door gelijkvormigheid aan anderen mede te deelen, voor zoover het mogelijk is. Daarom wil God, én zichzelf, én het andere: zich zelf als doel, het andere om het doel, in zoover het met zijn goed-zijn overeenstemt, dat anderen aan zijn volmaaktheid deelachtig zijn.Leerstelling. — God wil niet alleen zichzelf, maar ook dingen buiten Hem. Dit blijkt uit de gronden die we hierboven reeds hebben aangevoerd (1e Art.) . Het natuurding heeft immers 525niet alleen een natuuraandrang naar zijn eigen goed, waardoor het dit goed wil verwerven, wanneer het dit niet bezit, en er zijn rust in vindt, wanneer het dit wel bezit; maar het heeft ook een natuuraandrang om, naar vermogen, zijn eigen goed in andere wezens uit te storten. We zien dan ook hoe ieder handelend wezen zijns gelijke voortbrengst, in zover het in act is. Ook dit naar vermogen mededelen van eigen goed behoort tot het begrip van de wil. Welnu, die mededeelzaamheid moet voornamelijk toegeschreven worden aan de goddelijke wil, waaruit elke volmaaktheid voortspruit naar een zekere gelijkvormigheid met Gods volmaaktheid. Indien dus de natuurwezens hun eigen goed aan anderen mededelen, in zover ze zelf volmaakt zijn, komt het des te meer aan Gods wil toe het goddelijk goed door gelijkvormigheid aan anderen mede te delen, voor zover het mogelijk is. Daarom wil God, én zichzelf, én het andere: zichzelf als doel, het andere om het doel, in zover het met zijn goed-zijn overeenstemt, dat anderen aan zijn volmaaktheid deelachtig zijn.
Ad primum ergo dicendum, quod, licet divinum velle sit ejus esse secundum rem, tamen differt ratione, secundum diversum modum intelligendi et 526significandi, ut ex superioribus patet [q. 13. art. 4.]. In hoc enim, quod dico, Deum esse, non importatur habitudo ad aliquid, sicut in hoc, quod dico, Deum velle. Et ideo, licet non sit aliquid aliud a se, vult tamen aliquid aliud a se.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Hoewel in werkelijkheid Gods wil hetzelfde is als zijn wezen, toch verschillen ze naar de wijze waarop wij ze opvatten en te kennen geven, zooals uit het 526voorgaande blijkt (XIIIe Kw., 4e Art.) . Wanneer men zegt: God is, dan drukt men geen betrekking uit tot iets anders, zooals wel het geval is wanneer men zegt: God wil. Hoewel God dus niets is wat buiten Hem ligt, toch wil Hij iets buiten Hem.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Hoewel in werkelijkheid Gods wil hetzelfde is als zijn wezen, toch verschillen ze naar de wijze waarop wij ze opvatten en te kennen geven, zoals uit het 526voorgaande blijkt (13e Kw., 4e Art.) . Wanneer men zegt: God is, dan drukt men geen betrekking uit tot iets anders, zoals wel het geval is wanneer men zegt: God wil. Hoewel God dus niets is wat buiten Hem ligt, toch wil Hij iets buiten Hem.
Ad secundum dicendum, quod in his, quae volumus propter finem, tota ratio movendi est finis : et hoc est, quod movet voluntatem. Et hoc maxime apparet in his, quae volumus tantum propter finem. Qui enim vult sumere potionem amaram, nihil in ea vult, nisi sanitatem : et hoc solum est, quod movet ejus voluntatem. Secus autem est in eo, qui sumit potionem dulcem, quam non solum propter sanitatem, sed etiam propter se aliquis velle potest. Unde, cum Deus alia a se non velit, nisi propter finem, qui est sua bonitas, ut dictum est [corp.], non sequitur, quod aliquid aliud moveat voluntatem ejus, nisi bonitas sua. Et sic, sicut alia a se intelligit intelligendo essentiam suam, ita alia a se vult volendo bonitatem suam.
2. Willen we iets om een doel, dan is het doel de eenige beweegreden van ons willen. Het doel beweegt dus den wil. En dit valt voornamelijk op in die dingen, welke wij alleen willen om een doel. Wil iemand b. v. een bitteren drank gebruiken, dan wil hij niets anders dan de gezondheid, die hem alleen tot willen beweegt. Maar iemand die een zoeten drank gebruikt, kan hem niet alleen willen om zijn gezondheid, maar ook om den drank zelf. Daar God nu de dingen buiten Hem niet wil, tenzij om het doel, dat zijn eigen goed-zijn zelf is, zooals in de Leerstelling gezegd is, daarom wordt Gods wil door niets anders bewogen dan door Gods goed-zijn. En evenals Hij alle andere wezens kent in de kennis van zijn eigen wezen, zoo wil Hij de dingen buiten Hem in het willen van zijn eigen goed-zijn.2. Willen we iets om een doel, dan is het doel de enige beweegreden van ons willen. Het doel beweegt dus de wil. En dit valt voornamelijk op in die dingen, welke wij alleen willen om een doel. Wil iemand bv. een bitteren drank gebruiken, dan wil hij niets anders dan de gezondheid, die hem alleen tot willen beweegt. Maar iemand die een zoeten drank gebruikt, kan hem niet alleen willen om zijn gezondheid, maar ook om de drank zelf. Daar God nu de dingen buiten Hem niet wil, tenzij om het doel, dat zijn eigen goed-zijn zelf is, zoals in de Leerstelling gezegd is, daarom wordt Gods wil door niets anders bewogen dan door Gods goed-zijn. En evenals Hij alle andere wezens kent in de kennis van zijn eigen wezen, zo wil Hij de dingen buiten Hem in het willen van zijn eigen goed-zijn.
Ad tertium dicendum, quod ex hoc, quod voluntati divinae sufficit sua bonitas, non sequitur, quod nihil aliud velit, sed quod nihil aliud vult, nisi 527ratione suae bonitatis. Sicut etiam intellectus divinus, licet sit perfectus ex hoc ipso, quod essentiam divinam cognoscit, tamen in ea cognoscit alia.
3. Gods wil is voldaan door zijn eigen goed-zijn. Daar volgt echter niet uit, dat Hij niets wil buiten Hem, maar alleen, dat Hij niets wil, tenzij om zijn eigen goed-zijn. Zoo is ook het goddelijk 527verstand volmaakt door de kennis van Gods wezen, en toch kent het in die kennis al het overige.3. Gods wil is voldaan door zijn eigen goed-zijn. Daar volgt echter niet uit, dat Hij niets wil buiten Hem, maar alleen, dat Hij niets wil, tenzij om zijn eigen goed-zijn. Zo is ook het goddelijk 527verstand volmaakt door de kennis van Gods wezen, en toch kent het in die kennis al het overige.
Ad quartum dicendum, quod sicut intelligere divinum est unum, quia multa non videt, nisi in uno; ita velle divinum est unum, et simplex : quia multa non vult, nisi per unum, quod est bonitas sua.
4. Evenals het goddelijk kennen één blijft, omdat God het vele ziet in iets wat één is, zoo blijft ook Gods wil één en enkelvoudig, omdat God het vele niet wil, tenzij door iets ééns, nl. door zijn eigen goed-zijn.4. Evenals het goddelijk kennen één blijft, omdat God het vele ziet in iets wat één is, zo blijft ook Gods wil één en enkelvoudig, omdat God het vele niet wil, tenzij door iets ééns, nl. door zijn eigen goed-zijn.
Utrum quidquid Deus vult, ex necessitate velit
Wil God alles wat Hij wil, noodzakelijk?
Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod quidquid Deus vult, ex necessitate velit. Omne enim aeternum est necessarium : sed quidquid Deus vult, ab aeterno vult; alias voluntas ejus esset mutabilis; ergo quidquid vult ex necessitate vult.
Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God alles wat Hij wil, noodzakelijk wil. Alles immers wat eeuwig is, is noodzakelijk. Welnu, wat God wil, wil Hij van eeuwigheid af: anders toch was zijn wil veranderlijk. Dus wil Hij wat Hij wil, noodzakelijk.
2. Praeterea, Deus vult alia a se, inquantum vult bonitatem suam : sed Deus bonitatem suam ex necessitate vult; ergo alia a se ex necessitate vult.
2. God wil de dingen buiten Hem, in zoover Hij zijn eigen goed-zijn wil. Welnu, Zijn eigen goed-zijn wil God noodzakelijk. Dus wil Hij ook noodzakelijk de dingen buiten Hem.2. God wil de dingen buiten Hem, in zover Hij zijn eigen goed-zijn wil. Welnu, Zijn eigen goed-zijn wil God noodzakelijk. Dus wil Hij ook noodzakelijk de dingen buiten Hem.
5283. Praeterea, quidquid est Deo naturale, est necessarium; quia Deus est per se necesse esse, et principium omnis necessitatis, ut supra ostensum est [q. 2. art. 3.] : sed naturale est ei velle quidquid vult : quia in Deo nihil potest esse praeter naturam, ut dicitur in 5. Metaph. [l. 4, c. 5] ; ergo quidquid vult, ex necessitate vult.
5283. Wat voor God natuurlijk is, is ook noodzakelijk, want God is het uiteraard-noodzakelijk zijn, en de oorzaak van elke noodzakelijkheid, zooals hierboven bewezen werd (IIe Kw., 3e Art.) . Welnu, al wat God wil, wil Hij door zijn natuur: in God toch kan er niets gevonden worden, wat niet behoort tot zijn natuur, zooals gezegd wordt in het Ve Boek der Metaphysica (IVe B., Ve H., Nr 6) . Dus wil God alles wat Hij wil, noodzakelijk.5283. Wat voor God natuurlijk is, is ook noodzakelijk, want God is het uiteraard-noodzakelijk zijn, en de oorzaak van elke noodzakelijkheid, zoals hierboven bewezen werd (2e Kw., 3e Art.) . Welnu, al wat God wil, wil Hij door zijn natuur: in God toch kan er niets gevonden worden, wat niet behoort tot zijn natuur, zoals gezegd wordt in het 5e Boek van de Metafysica (4e B., 5e H., Nr 6) . Dus wil God alles wat Hij wil, noodzakelijk.
4. Praeterea, non necesse esse, et possibile non esse, aequipollent. Si igitur non necesse est, Deum velle aliquid eorum, quae vult, possibile est etiam eum non velle illud, et possibile est eum velle illud, quod non vult; ergo voluntas divina est contingens ad utrumlibet, et sic imperfecta, quia omne contingens est imperfectum, et mutabile.
4. Het komt op hetzelfde neer, of we zeggen: « Iets is niet noodzakelijk », ofwel: « Het is mogelijk dat iets niet is ». Indien het dus niet noodzakelijk is, dat God een of ander ding wil van de dingen, die Hij wil, dan is het mogelijk, dat Hij het niet wil, alsook, dat Hij iets wil, wat Hij niet wil. Bijgevolg kan Gods wil onverschillig het een of het ander kiezen, en daarom is Hij onvolmaakt, daar het onverschillige onvolmaakt en veranderlijk is.4. Het komt op hetzelfde neer, of we zeggen: “Iets is niet noodzakelijk”, ofwel: “Het is mogelijk dat iets niet is”. Indien het dus niet noodzakelijk is, dat God een of ander ding wil van de dingen, die Hij wil, dan is het mogelijk, dat Hij het niet wil, alsook, dat Hij iets wil, wat Hij niet wil. Bijgevolg kan Gods wil onverschillig het een of het ander kiezen, en daarom is Hij onvolmaakt, daar het onverschillige onvolmaakt en veranderlijk is.
5. Praeterea, ab eo, quod est ad utrumlibet, non sequitur aliqua actio, nisi ab aliquo alio inclinetur ad unum, ut dicit Commentator in 2. Phys. [comm. 48] ; si ergo voluntas Dei in aliquibus se habet ad utrumlibet, sequitur, quod ab aliquo alio determinetur ad effectum, et sic habet aliquam causam priorem.
5. Wie onverschillig staat vóór een keus, gaat niet over tot de handeling, tenzij wanneer iets van buiten af hem tot één ding bepaalt, zooals de Commentator (Averroës) zegt in zijn commentaar op het IIe Boek der Physica (Nr 48) . Staat Gods wil dus onverschillig vóór verschillende dingen, dan wordt zijn wil bewogen door iets wat buiten Hem ligt, en is Hij aan een hoogere oorzaak ondergeschikt.5. Wie onverschillig staat vóór een keus, gaat niet over tot de handeling, tenzij wanneer iets van buiten af hem tot één ding bepaalt, zoals de Commentator (Averroës) zegt in zijn commentaar op het 2e Boek van de Fysica (Nr 48) . Staat Gods wil dus onverschillig vóór verschillende dingen, dan wordt zijn wil bewogen door iets wat buiten Hem ligt, en is Hij aan een hogere oorzaak ondergeschikt.
5296. Praeterea, quidquid Deus scit, ex necessitate scit : sed sicut scientia divina est ejus essentia, ita voluntas divina; ergo quidquid Deus vult, ex necessitate vult.
5296. Alles wat God weet, weet Hij noodzakelijk. Welnu, Gods kennis is zijn wezen, en evenzoo zijn wil. Bijgevolg wil Hij noodzakelijk alles wat Hij wil.5296. Alles wat God weet, weet Hij noodzakelijk. Welnu, Gods kennis is zijn wezen, en evenzo zijn wil. Bijgevolg wil Hij noodzakelijk alles wat Hij wil.
Sed contra est, quod dicit Apostolus, Ephes. 1 [v. 11] : « Qui operatur omnia secundum consilium voluntatis suae ». Quod autem operamur ex consilio voluntatis, non ex necessitate volumus; non ergo quidquid Deus vult, ex necessitate vult.
Daartegenover staat echter wat Paulus zegt in zijn Brief aan de Ephesiërs (1, 11) : « Hij werkt alles uit, volgens het overleggen van zijn Wil ». Maar wanneer men iets uitwerkt na overleg, dan wil men dat niet noodzakelijk. Dus wil God niet noodzakelijk alles wat Hij wil.Daartegenover staat echter wat Paulus zegt in zijn Brief aan de Efesiërs (1, 11): “Hij werkt alles uit, volgens het overleggen van zijn Wil”. Maar wanneer men iets uitwerkt na overleg, dan wil men dat niet noodzakelijk. Dus wil God niet noodzakelijk alles wat Hij wil.
Respondeo dicendum, quod necessarium dicitur aliquid dupliciter, scilicet absolute, et ex suppositione. Necessarium absolute judicatur aliquid ex habitudine terminorum; utpote quia praedicatum est in definitione subjecti, sicut necessarium est hominem esse animal : vel quia subjectum est de ratione praedicati, sicut hoc est necessarium, numerum esse parem, vel imparem; sic autem non est necessarium Socratem sedere. Unde non est necessarium absolute, sed potest dici necessarium ex suppositione. Supposito enim quod sedeat, necesse est eum sedere, dum sedet.
Leerstelling. — Laten wij opmerken, dat iets op tweevoudige wijze noodzakelijk kan zijn: óf volstrekt, óf voorwaardelijk. We achten iets volstrekt noodzakelijk om de verhouding van de termen, en dit op twee wijzen: ofwel omdat het gezegde behoort tot de bepaling van het onderwerp, zooals het b.v. noodzakelijk is, dat een mensch een dier is; ofwel omdat het onderwerp behoort tot het begrip van het gezegde, zooals een getal even of oneven moet zijn. Op die wijze is het b. v. niet noodzakelijk, dat Socrates zit; dit is niet absoluut noodzakelijk, maar alleen voorwaardelijk: in de veronderstelling, dat hij zit, zit hij noodzakelijk, zoolang hij zit.Leerstelling. — Laten wij opmerken, dat iets op tweevoudige wijze noodzakelijk kan zijn: óf volstrekt, óf voorwaardelijk. We achten iets volstrekt noodzakelijk om de verhouding van de termen, en dit op twee wijzen: ofwel omdat het gezegde behoort tot de bepaling van het onderwerp, zoals het bv. noodzakelijk is, dat een mens een dier is; ofwel omdat het onderwerp behoort tot het begrip van het gezegde, zoals een getal even of oneven moet zijn. Op die wijze is het bv. niet noodzakelijk, dat Socrates zit; dit is niet absoluut noodzakelijk, maar alleen voorwaardelijk: in de veronderstelling, dat hij zit, zit hij noodzakelijk, zolang hij zit.
530Circa divina igitur volita hoc considerandum est, quod aliquid Deum velle est necessarium absolute, non tamen hoc est verum de omnibus, quae vult. Voluntas enim divina necessariam habitudinem habet ab bonitatem suam, quae est proprium ejus objectum. Unde bonitatem suam esse Deus ex necessitate vult, sicut et voluntas nostra ex necessitate vult beatitudinem; sicut et quaelibet alia potentia necessariam habitudinem habet ad proprium, et principale objectum, ut visus ad colorem, quia de sui ratione est, ut in illud tendat. Alia autem a se Deus vult, inquantum ordinantur ad suam bonitatem, ut in finem. Ea autem, quae sunt ad finem, non ex necessitate volumus volentes finem, nisi sint talia, sine quibus finis esse non potest : sicut volumus cibum, volentes conservationem vitae, et navem, volentes transfretare. Non sic autem ex necessitate volumus ea, sine quibus finis esse potest, sicut equum ad ambulandum, quia sine hoc possumus ire : et eadem ratio est in aliis. Unde, cum bonitas Dei sit perfecta, et esse possit sine aliis, cum nihil ei perfectionis ex aliis accrescat, sequitur, quod alia a se eum velle non sit 531necessarium absolute, et tamen necessarium est ex suppositione. Supposito enim, quod velit, non potest non velle, quia non potest voluntas ejus mutari.
530Die begrippen nu moeten we toepassen op datgene wat God wil. Zeker moet God iets volstrekt-noodzakelijk willen, maar niet alles. Volstrekt-noodzakelijk wil God zijn eigen goed-zijn: het is het eigen voorwerp van zijn wil, en daarom wil God noodzakelijk zijn goed-zijn, zooals ook onze wil noodzakelijk het geluk wil, en zooals elk vermogen in noodzakelijk verband staat met zijn eigen en voornaamste voorwerp, zooals het oog met de kleur: het streven naar het eigen voorwerp ligt immers in den aard van het vermogen. Wat echter buiten God ligt, dat wil Hij alleen, in zoover het tot zijn goed-zijn geordend is als tot een doel. Welnu, bij ons sluit het willen van het doel niet noodzakelijk het willen van de middelen in, tenzij wanneer het onontbeerlijke middelen zijn, zooals wij ons willen voeden, wanneer we willen blijven leven, en wij naar een schip uitzien, wanneer we de zee willen oversteken. Wanneer echter het doel zonder dit middel kan bereikt worden, dan willen wij het middel niet noodzakelijk: om een uitstapje te maken, hebben we niet volstrekt een paard noodig, daar men ook zonder paard uit kan gaan; en die reden gaat ook op voor de andere gevallen. Aangezien nu Gods goed-zijn volmaakt is en zonder wat anders ook kan bestaan, daar niets zijn volmaaktheid kan vermeerderen, wil God niet volstrekt noodzakelijk 531wat buiten Hem ligt. Toch wil Hij dit voorwaardelijk-noodzakelijk : in de veronderstelling nl., dat God iets wil, is het Hem niet mogelijk het niet te willen, daar zijn wil onveranderlijk is.530Die begrippen nu moeten we toepassen op datgene wat God wil. Zeker moet God iets volstrekt-noodzakelijk willen, maar niet alles. Volstrekt-noodzakelijk wil God zijn eigen goed-zijn: het is het eigen voorwerp van zijn wil, en daarom wil God noodzakelijk zijn goed-zijn, zoals ook onze wil noodzakelijk het geluk wil, en zoals elk vermogen in noodzakelijk verband staat met zijn eigen en voornaamste voorwerp, zoals het oog met de kleur: het streven naar het eigen voorwerp ligt immers in de aard van het vermogen. Wat echter buiten God ligt, dat wil Hij alleen, in zover het tot zijn goed-zijn geordend is als tot een doel. Welnu, bij ons sluit het willen van het doel niet noodzakelijk het willen van de middelen in, tenzij wanneer het onontbeerlijke middelen zijn, zoals wij ons willen voeden, wanneer we willen blijven leven, en wij naar een schip uitzien, wanneer we de zee willen oversteken. Wanneer echter het doel zonder dit middel kan bereikt worden, dan willen wij het middel niet noodzakelijk: om een uitstapje te maken, hebben we niet volstrekt een paard nodig, daar men ook zonder paard uit kan gaan; en die reden gaat ook op voor de andere gevallen. Aangezien nu Gods goed-zijn volmaakt is en zonder wat anders ook kan bestaan, daar niets zijn volmaaktheid kan vermeerderen, wil God niet volstrekt noodzakelijk 531wat buiten Hem ligt. Toch wil Hij dit voorwaardelijk-noodzakelijk: in de veronderstelling nl., dat God iets wil, is het Hem niet mogelijk het niet te willen, daar zijn wil onveranderlijk is.
Ad primum ergo dicendum, quod ex hoc quod Deus vult ab aeterno quidquid vult, non sequitur, quod necesse est eum illud velle, nisi ex suppositione.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Uit het feit, dat God iets wil van alle eeuwigheid af, volgt niet, dat Hij het noodzakelijk wil; dit volgt alleen uit een bizondere veronderstelling.
Ad secundum dicendum, quod licet Deus ex necessitate velit bonitatem suam, non tamen ex necessitate vult ea, quae vult propter bonitatem suam : quia bonitas ejus potest esse sine aliis.
2. Hoewel God zijn eigen goed-zijn noodzakelijk wil, toch wil Hij niet noodzakelijk datgene wat Hij om zijn goedheid wil, want zijn goed-zijn is zonder de dingen die buiten Hem liggen, ook mogelijk.
Ad tertium dicendum, quod non est naturale Deo velle aliquid aliorum, quae non ex necessitate vult; neque tamen innaturale, aut contra naturam, sed est voluntarium.
3. Als God dingen wil buiten Hem, die Hij niet noodzakelijk wil, dan vloeit dit niet voort uit zijn natuur zelf. Daarom is het echter niet onnatuurlijk voor Hem, noch druischt het tegen zijn natuur in, want het is een gevolg van zijn vrijen wil.3. Als God dingen wil buiten Hem, die Hij niet noodzakelijk wil, dan vloeit dit niet voort uit zijn natuur zelf. Daarom is het echter niet onnatuurlijk voor Hem, noch druist het tegen zijn natuur in, want het is een gevolg van zijn vrijen wil.
Ad quartum dicendum, quod aliquando aliqua causa necessaria habet non necessariam habitudinem ad aliquem effectum, quod est propter defectum effectus, et non propter defectum causae. Sicut virtus solis habet non necessariam habitudinem ad aliquid eorum, quae contingenter hic eveniunt, non 532propter defectum virtutis solaris, sed propter defectum effectus non necessario ex causa provenientis. Et similiter, quod Deus non ex necessitate velit aliquid eorum, quae vult, non accidit ex defectu voluntatis divinae, sed ex defectu, qui competit volito secundum suam rationem, quia scilicet est tale, ut sine eo esse possit perfecta bonitas Dei. Qui quidem defectus consequitur omne bonum creatum.
4. Het gebeurt, dat een noodzakelijke oorzaak niet in noodzakelijke verhouding staat tot haar gevolg; dit komt van de gebrekkigheid van het gevolg, en niet van die van de oorzaak. De zonnekracht b. v. staat niet in noodzakelijke verhouding tot de wisselvallige dingen, die op aarde gebeuren, niet om de ontoereikendheid van de zonnekracht, maar om de onvolkomenheid van het 532uitwerksel zelf, dat niet noodzakelijk uit zijn oorzaak voortvloeit. En evenzoo is het niet door een onvolmaaktheid van Gods wil, dat God een van de dingen, die Hij wil, niet noodzakelijk wil, maar wel door de onvolmaakte natuur van het gewilde, waarvan de aard zóó is, dat het tot Gods volmaaktheid niet vereischt wordt, en een dergelijke onvolmaaktheid is eigen aan elk geschapen goed.4. Het gebeurt, dat een noodzakelijke oorzaak niet in noodzakelijke verhouding staat tot haar gevolg; dit komt van de gebrekkigheid van het gevolg, en niet van die van de oorzaak. De zonnekracht bv. staat niet in noodzakelijke verhouding tot de wisselvallige dingen, die op aarde gebeuren, niet om de ontoereikendheid van de zonnekracht, maar om de onvolkomenheid van het 532uitwerksel zelf, dat niet noodzakelijk uit zijn oorzaak voortvloeit. En evenzo is het niet door een onvolmaaktheid van Gods wil, dat God een van de dingen, die Hij wil, niet noodzakelijk wil, maar wel door de onvolmaakte natuur van het gewilde, waarvan de aard zó is, dat het tot Gods volmaaktheid niet vereist wordt, en een dergelijke onvolmaaktheid is eigen aan elk geschapen goed.
Ad quintum dicendum, quod causa, quae est ex se contingens, oportet, ut determinetur ab aliquo exteriori ad effectum : sed voluntas divina, quae ex se necessitatem habet, determinat seipsam ad volitum, ad quod habet habitudinem non necessariam.
5. Een van nature wisselvallige oorzaak moet tot haar uitwerksel bepaald worden door iets wat buiten haar ligt. Doch Gods wil, die zijn noodzakelijkheid uit zichzelf heeft, bepaalt zichzelf tot ieder wilsobjekt, waartoe hij in geen noodzakelijke verhouding staat.5. Een van nature wisselvallige oorzaak moet tot haar uitwerksel bepaald worden door iets wat buiten haar ligt. Doch Gods wil, die zijn noodzakelijkheid uit zichzelf heeft, bepaalt zichzelf tot ieder wilsobject, waartoe hij in geen noodzakelijke verhouding staat.
Ad sextum dicendum, quod, sicut divinum esse in se est necessarium, ita et divinum velle, et divinum scire; sed divinum scire habet necessariam habitudinem ad scita, non autem divinum velle ad volita : quod ideo est, quia scientia habetur de rebus, secundum quod sunt in sciente; voluntas autem comparatur ad res, secundum quod sunt in seipsis. Quia igitur omnia 533alia habent necessarium esse, secundum quod sunt in Deo, non autem secundum quod sunt in seipsis habent necessitatem absolutam, ita quod sint per seipsa necessaria : propter hoc Deus quaecumque scit, ex necessitate scit; non autem quaecumque vult, ex necessitate vult.
6. Zooals Gods wezen in zichzelf noodzakelijk is, zoo is ook Gods willen en kennen noodzakelijk. Maar al is de verhouding tusschen het goddelijk kennen en het kenvoorwerp noodzakelijk, toch kan hetzelfde niet gezegd worden van de verhouding tusschen Gods willen en zijn wilsvoorwerp. Wij kennen immers de dingen zooals ze in ons zijn, maar we willen de dingen zooals ze op zichzelf zijn. Maar omdat alles noodzakelijk is, in zoover het in God is, en niet zooals het op zichzelf bestaat, zoodat het uit zichzelf noodzakelijk zou zijn, daarom kent God noodzakelijk 533alles wat Hij kent, maar wil Hij niet noodzakelijk alles wat Hij wil.6. Zoals Gods wezen in zichzelf noodzakelijk is, zo is ook Gods willen en kennen noodzakelijk. Maar al is de verhouding tussen het goddelijk kennen en het kenvoorwerp noodzakelijk, toch kan hetzelfde niet gezegd worden van de verhouding tussen Gods willen en zijn wilsvoorwerp. Wij kennen immers de dingen zoals ze in ons zijn, maar we willen de dingen zoals ze op zichzelf zijn. Maar omdat alles noodzakelijk is, in zover het in God is, en niet zoals het op zichzelf bestaat, zodat het uit zichzelf noodzakelijk zou zijn, daarom kent God noodzakelijk 533alles wat Hij kent, maar wil Hij niet noodzakelijk alles wat Hij wil.
Utrum voluntas Dei sit causa rerum
Is Gods wil de oorzaak van de dingen?
Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod voluntas Dei non sit causa rerum. Dicit enim Dionysius cap. 4. de Div. Nom. [S. Th., l. 1] : « Sicut noster sol non ratiocinans, aut praeeligens, sed per ipsum esse illuminat omnia participare lumen ipsius valentia : ita et bonum divinum per ipsam essentiam omnibus exsistentibus immittit bonitatis suae radios. » Sed omne, quod agit per voluntatem, agit ut ratiocinans, et praeeligens; ergo Deus non agit per voluntatem; ergo voluntas Dei non est causa rerum.
Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat Gods wil de oorzaak van de dingen niet is. « Zooals de zon, zegt Dionysius, in zijn boek « Over de goddelijke Namen » (IVe H.), redeneert noch kiest, doch door haar wezen belicht alles wat vatbaar is voor licht, zoo laat ook het goddelijk goed-zijn door zijn wezen zelf de stralen van zijn goed-zijn nedervallen op alles wat bestaat ». Welnu, alles wat door zijn wil handelt, redeneert en kiest. Dus handelt God niet door zijn wil, en is zijn wil de oorzaak van de dingen niet.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat Gods wil de oorzaak van de dingen niet is. “Zoals de zon, zegt Dionysius, in zijn boek ‘Over de goddelijke Namen’ (4e H.), redeneert noch kiest, doch door haar wezen belicht alles wat vatbaar is voor licht, zo laat ook het goddelijk goed-zijn door zijn wezen zelf de stralen van zijn goed-zijn nedervallen op alles wat bestaat”. Welnu, alles wat door zijn wil handelt, redeneert en kiest. Dus handelt God niet door zijn wil, en is zijn wil de oorzaak van de dingen niet.
2. Praeterea, id, quod est per essentiam, est primum in quolibet ordine; sicut in ordine ignitorum est primum, quod est ignis per essentiam : sed Deus 534est primum agens; ergo est agens per essentiam suam, quae est natura ejus. Agit igitur per naturam, et non per voluntatem : voluntas igitur divina non est causa rerum.
2. In elke orde is datgene het eerste, wat door zijn wezen zoodanig is. Zoo is datgene, wat door zijn wezen vuur is, het 534eerste in de reeks der dingen die branden. Welnu God is de eerste werkende oorzaak. Hij is het dus door zijn wezen, dat zijn natuur zelf is. Bijgevolg handelt Hij door zijn natuur, en niet door zijn wil, en is zijn wil de oorzaak van de dingen niet.2. In elke orde is datgene het eerste, wat door zijn wezen zodanig is. Zo is datgene, wat door zijn wezen vuur is, het 534eerste in de reeks van de dingen die branden. Welnu God is de eerste werkende oorzaak. Hij is het dus door zijn wezen, dat zijn natuur zelf is. Bijgevolg handelt Hij door zijn natuur, en niet door zijn wil, en is zijn wil de oorzaak van de dingen niet.
3. Praeterea, quidquid est causa alicujus, per hoc, quod est tale, est causa per naturam, et non per voluntatem. Ignis enim causa est calefactionis, quia est calidus : sed artifex est causa domus, quia vult eam facere : sed Augustinus dicit in 1. de Doctr. Christ. quod, quia Deus bonus est, sumus; ergo Deus per suam naturam est causa rerum, et non per voluntatem.
3. Wat iets veroorzaakt, juist omdat het die bepaalde natuur heeft, is geen oorzaak krachtens zijn wil, maar krachtens zijn natuur. Het vuur is b. v. de oorzaak der verwarming omdat het warm is, terwijl de bouwmeester de oorzaak is van het huis, omdat hij het bouwen wil. Welnu Augustinus zegt in zijn boek « Over de Christelijke Leering » (Ie B., XXXIIe H.) : « Omdat God goed is, daarom zijn wij ». Dus is God door zijn natuur de oorzaak van de dingen, en niet door zijn wil.3. Wat iets veroorzaakt, juist omdat het die bepaalde natuur heeft, is geen oorzaak krachtens zijn wil, maar krachtens zijn natuur. Het vuur is bv. de oorzaak van de verwarming omdat het warm is, terwijl de bouwmeester de oorzaak is van het huis, omdat hij het bouwen wil. Welnu Augustinus zegt in zijn boek “Over de Christelijke Lering” (1e B., 32e H.): “Omdat God goed is, daarom zijn wij”. Dus is God door zijn natuur de oorzaak van de dingen, en niet door zijn wil.
4. Praeterea, unius rei una est causa : sed rerum creatarum est causa scientia Dei, ut supra dictum est [q. 14. art. 8.] ; ergo voluntas Dei non debet poni causa rerum.
4. Elk ding heeft slechts één oorzaak. Welnu, Gods kennis is de oorzaak van de dingen, zooals hierboven bewezen werd (XIVe Kw., 8e Art.) . Dus kan zijn wil het niet zijn.4. Elk ding heeft slechts één oorzaak. Welnu, Gods kennis is de oorzaak van de dingen, zoals hierboven bewezen werd (14e Kw., 8e Art.) . Dus kan zijn wil het niet zijn.
Sed contra est. quod dicitur Sapient. 11 [v. 26] : « Quomodo posset aliquid permanere, nisi tu voluisses? »
Dit is echter in strijd met de woorden van het Boek der Wijsheid (11, 26) : « Hoe kan iets voortbestaan, zoo Gij het niet wilt? »Dit is echter in strijd met de woorden van het Boek van de Wijsheid (11, 26): “Hoe kan iets voortbestaan, zo Gij het niet wilt?”
Respondeo dicendum, quod necesse est dicere, voluntatem Dei esse 535causam rerum, et Deum agere per voluntatem, non per necessitatem naturae, ut quidam existimaverunt. Quod quidem apparere potest tripliciter. Primo quidem ex ipso ordine causarum agentium. Cum enim propter finem agant intellectus, et natura, ut probatur in 2. Phys. [c. 5, 8; S. Th., l. 8, 12] necesse est, ut agenti per naturam praedeterminetur finis, et media necessaria ad finem ab aliquo superiori intellectu : sicut sagittae praedeterminatur finis, et certus motus a sagittante. Unde necesse est, quod agens per intellectum, et voluntatem sit prius agente per naturam. Unde, cum primum in ordine agentium sit Deus, necesse est, quod per intellectum, et voluntatem agat.
Leerstelling. — We moeten noodzakelijk aannemen, dat 535Gods wil de oorzaak van de dingen is, en dat God handelt door zijn wil, en niet, zooals sommigen meenden, door natuurnoodzakelijkheid. Dit blijkt op drie wijzen : Ten eerste, uit de opeenvolging der werkende oorzaken. Zoowel een met kennis begaafd wezen als een blind natuurding handelt om een doel, zooals bewezen wordt in het IIe Boek der Physica (Ve H., Nr 2; VIIIe H.) ; maar voor het wezen dat handelt uit natuuraandrang, moeten én het doel, én de onontbeerlijke middelen worden bepaald door een verhevener verstand. Zoo wordt voor een pijl het doel en de richting bepaald door den schutter. Bijgevolg moet een oorzaak, die met verstand en wil begaafd is, komen vóór een oorzaak, die handelt uit natuuraandrang. En daar God in de reeks der oorzaken de eerste is, moet Hij handelen door verstand en wil.Leerstelling. — We moeten noodzakelijk aannemen, dat 535Gods wil de oorzaak van de dingen is, en dat God handelt door zijn wil, en niet, zoals sommigen meenden, door natuurnoodzakelijkheid. Dit blijkt op drie wijzen: Ten eerste, uit de opeenvolging van de werkende oorzaken. Zowel een met kennis begaafd wezen als een blind natuurding handelt om een doel, zoals bewezen wordt in het 2e Boek van de Fysica (5e H., Nr 2; 8e H.); maar voor het wezen dat handelt uit natuuraandrang, moeten én het doel, én de onontbeerlijke middelen worden bepaald door een verhevener verstand. Zo wordt voor een pijl het doel en de richting bepaald door de schutter. Bijgevolg moet een oorzaak, die met verstand en wil begaafd is, komen vóór een oorzaak, die handelt uit natuuraandrang. En daar God in de reeks van de oorzaken de eerste is, moet Hij handelen door verstand en wil.
Secundo, ex ratione naturalis agentis, ad quod pertinet, ut unum effectum producat, quia natura uno, et eodem modo operatur, nisi impediatur. Et hoc ideo, quia, secundum quod est tale, agit : unde, quandiu est tale, non facit nisi tale : omne enim agens per naturam habet esse determinatum. Cum igitur esse divinum non sit determinatum, sed contineat in se totam perfectionem essendi, non potest esse quod agat per necessitatem naturae, nisi forte causaret 536aliquid indeterminatum, et infinitum in essendo : quod est impossibile, ut ex superioribus patet [q. 7. art. 2.]. Non igitur agit per necessitatem naturae, sed effectus determinati ab infinita ipsius perfectione procedunt secundum determinationem voluntatis, et intellectus ipsius.
Ten tweede, uit den aard van de natuurlijke werkende oorzaken. Die oorzaken zijn beperkt tot één enkel uitwerksel, daar de natuur steeds op dezelfde wijze werkt, tenzij wanneer ze verhinderd wordt. De reden daarvan is, dat elk ding handelt volgens zijn eigen aard; verandert die aard niet, dan is er ook maar één uitwerksel. Welnu, elk wezen, dat handelt krachtens zijn natuur, heeft een beperkt zijn. Gods wezen echter is niet beperkt, 536maar sluit in zich iedere wezensvolmaaktheid in; daarom is het onmogelijk, dat God zou handelen uit natuurnoodzakelijkheid, tenzij Hij soms iets onbepaalds en in wezen oneindig zou veroorzaken, maar dat is ook onmogelijk, zooals we hierboven bewezen hebben (VIIe Kw., 2e Art.) . Bijgevolg handelt God niet uit natuurnoodzakelijkheid, maar volgens de beschikking van zijn wil en zijn verstand vloeien bepaalde uitwerkselen uit zijn oneindige volmaaktheid voort.Ten tweede, uit de aard van de natuurlijke werkende oorzaken. Die oorzaken zijn beperkt tot één enkel uitwerksel, daar de natuur steeds op dezelfde wijze werkt, tenzij wanneer ze verhinderd wordt. De reden daarvan is, dat elk ding handelt volgens zijn eigen aard; verandert die aard niet, dan is er ook maar één uitwerksel. Welnu, elk wezen, dat handelt krachtens zijn natuur, heeft een beperkt zijn. Gods wezen echter is niet beperkt, 536maar sluit in zich iedere wezensvolmaaktheid in; daarom is het onmogelijk, dat God zou handelen uit natuurnoodzakelijkheid, tenzij Hij soms iets onbepaalds en in wezen oneindig zou veroorzaken, maar dat is ook onmogelijk, zoals we hierboven bewezen hebben (7e Kw., 2e Art.) . Bijgevolg handelt God niet uit natuurnoodzakelijkheid, maar volgens de beschikking van zijn wil en zijn verstand vloeien bepaalde uitwerkselen uit zijn oneindige volmaaktheid voort.
Tertio ex habitudine effectum ad causam; secundum hoc enim effectus procedunt a causa agente, secundum quod praeexistunt in ea; quia omne agens agit sibi simile. Praeexistunt autem effectus in causa secundum modum causae : unde, cum esse divinum sit ipsum ejus intelligere, praeexistunt in eo effectus ejus secundum modum intelligibilem, et per modum intelligibilem procedunt ab eo, et sic per consequens per modum voluntatis : nam inclinatio ejus ad agendum quod intellectu conceptum est, pertinet ad voluntatem; voluntas igitur Dei est causa rerum.
Ten derde blijkt onze stelling uit de verhouding van de uitwerkselen tot hun oorzaak. De uitwerkselen vloeien uit de werkende oorzaken voort, zooals zij er in voorafbestaan : iedere oorzaak toch brengt haars gelijke voort. Welnu, de uitwerkselen bestaan vooraf in hun oorzaken, naar den aard van de oorzaken. Gods natuur is echter hetzelfde als Gods kennis; bijgevolg bestaan de uitwerkselen er in vooraf op verstandelijke wijze, en vloeien zij er op verstandelijke wijze uit voort. Ze zijn dus ook gewild, want steven naar het verwezenlijken van een gedachte is een wilsakt. Dus is Gods wil de oorzaak van de dingen.Ten derde blijkt onze stelling uit de verhouding van de uitwerkselen tot hun oorzaak. De uitwerkselen vloeien uit de werkende oorzaken voort, zoals zij er in voorafbestaan: iedere oorzaak toch brengt haars gelijke voort. Welnu, de uitwerkselen bestaan vooraf in hun oorzaken, naar de aard van de oorzaken. Gods natuur is echter hetzelfde als Gods kennis; bijgevolg bestaan de uitwerkselen er in vooraf op verstandelijke wijze, en vloeien zij er op verstandelijke wijze uit voort. Ze zijn dus ook gewild, want steven naar het verwezenlijken van een gedachte is een wilsact. Dus is Gods wil de oorzaak van de dingen.
Ad primum ergo dicendum, quod Dionysius per verba illa non intendit excludere electionem a Deo simpliciter, sed secundum quid, inquantum 537scilicet non quibusdam solum bonitatem suam communicat, sed omnibus, prout scilicet electio discretionem quamdam importat.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Die woorden van Dionysius sluiten niet iedere keuze uit bij God, maar slechts een 537bepaalde keus, in zoover nl. God zijn goed-zijn mededeelt aan alle, en niet slechts aan sommige wezens. Dionysius spreekt van een keus, waardoor een onderscheid wordt gemaakt.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Die woorden van Dionysius sluiten niet iedere keuze uit bij God, maar slechts een 537bepaalde keus, in zover nl. God zijn goed-zijn mededeelt aan alle, en niet slechts aan sommige wezens. Dionysius spreekt van een keus, waardoor een onderscheid wordt gemaakt.
Ad secundum dicendum, quod quia essentia Dei est ejus intelligere, et velle, ex hoc ipso, quod per essentiam suam agit, sequitur, quod agat per modum intellectus, et voluntatis.
2. Gods wezen is zijn kennen en zijn willen, en daarom handelt Hij door zijn verstand en door zijn wil, door het feit zelf, dat Hij door zijn wezen handelt.
Ad tertium dicendum, quod bonum est objectum voluntatis. Pro tanto ergo dicitur, quia Deus bonus est, sumus, inquantum sua bonitas est ei ratio volendi omnia alia, ut supra dictum est [art. 2.].
3. Het goede is het voorwerp van den wil. Men kan zeggen, dat we zijn omdat God goed is, in zoover zijn goed-zijn voor Hem een reden is om al het andere te willen, zooals hierboven gezegd werd (2e Art.) .3. Het goede is het voorwerp van de wil. Men kan zeggen, dat we zijn omdat God goed is, in zover zijn goed-zijn voor Hem een reden is om al het andere te willen, zoals hierboven gezegd werd (2e Art.) .
Ad quartum dicendum, quod unius, et ejusdem effectus etiam in nobis est causa scientia ut dirigens, qua concipitur forma operis; et voluntas, ut imperans : quia forma, ut est in intellectu tantum, non determinatur ad hoc, quod sit, vel non sit in effectu, nisi per voluntatem. Unde intellectus speculativus nihil dicit de operando : sed potentia est causa ut exequens, quia nominat immediatum principium operationis : sed haec omnia in Deo unum sunt.
4. Ook bij ons zijn verstand en wil de oorzaak van eenzelfde uitwerksel; het verstand heeft een besturende taak, door te bepalen wat moet worden uitgewerkt; de wil legt de daad op. Het door het verstand beraamde werk blijft immers onbepaald om verwezenlijkt te worden of niet, zoolang het in het verstand blijft opgesloten en de wil niet tusschenbeide komt. Daarom spreekt het bespiegelend verstand niet van het uitvoeren. Welnu, een vermogen is oorzaak in zoover het uitvoert, want het is het onmiddellijk beginsel van handelen. In God echter is dit alles één.4. Ook bij ons zijn verstand en wil de oorzaak van eenzelfde uitwerksel; het verstand heeft een besturende taak, door te bepalen wat moet worden uitgewerkt; de wil legt de daad op. Het door het verstand beraamde werk blijft immers onbepaald om verwezenlijkt te worden of niet, zolang het in het verstand blijft opgesloten en de wil niet tussenbeide komt. Daarom spreekt het bespiegelend verstand niet van het uitvoeren. Welnu, een vermogen is oorzaak in zover het uitvoert, want het is het onmiddellijk beginsel van handelen. In God echter is dit alles één.
Utrum voluntatis divinae sit assignare aliquam causam
Is Gods wil afhankelijk van een oorzaak?
538Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod voluntatis divinae sit assignare aliquam causam. Dicit enim Augustinus lib. 83. QQ. [q. 46.] : « Quis audeat dicere, Deum irrationabiliter omnia condidisse? » Sed agenti voluntario, quod est ratio operandi, est etiam causa volendi; ergo voluntas Dei habet aliquam causam.
538Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat Gods wil afhankelijk is van een oorzaak. « Wie durft het aan te beweren, dat God alles op onredelijke wijze heeft ingericht? », vraagt immers Augustinus in het Boek der drie en tachtig Vraagstukken (XLVIe Kw.) . Doch datgene wat iemand, die door zijn wil handelt, er toe aanzet om te handelen, is er ook oorzaak van, dat hij handelen wil. Dus is Gods wil afhankelijk van een oorzaak.538Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat Gods wil afhankelijk is van een oorzaak. “Wie durft het aan te beweren, dat God alles op onredelijke wijze heeft ingericht?”, vraagt immers Augustinus in het Boek van de drie en tachtig Vraagstukken (46e Kw.) . Doch datgene wat iemand, die door zijn wil handelt, er toe aanzet om te handelen, is er ook oorzaak van, dat hij handelen wil. Dus is Gods wil afhankelijk van een oorzaak.
2. Praeterea, in his, quae fiunt a volente, qui propter nullam causam aliquid vult, non oportet aliam causam assignare, nisi voluntatem volentis : sed voluntas Dei est causa omnium rerum, ut ostensum est [art. praec.]. Si igitur voluntatis ejus non sit aliqua causa, non oportebit in omnibus rebus naturalibus aliam causam quaerere, nisi solam voluntatem divinam. Et sic omnes scientiae essent supervacuae, quae causas aliquorum effectuum assignare 539nituntur : quod videtur inconveniens. Est igitur assignare causam voluntatis divinae.
2. Wat gewild wordt door iemand wiens willen geen oorzaak kent, heeft alleen den wil van den willende tot oorzaak. Welnu Gods wil is de oorzaak van alles wat bestaat, zooals hierboven werd bewezen (Voorg. Art.) . Heeft zijn willen geen oorzaak, dan moet men in de natuur geen oorzaak zoeken buiten zijn wil. Maar dan zijn alle wetenschappen, die de oorzaken der uitwerkselen willen bepalen, overbodig, wat men bezwaarlijk kan beweren. Dus is Gods wil afhankelijk van een oorzaak.2. Wat gewild wordt door iemand wiens willen geen oorzaak kent, heeft alleen de wil van de willende tot oorzaak. Welnu Gods wil is de oorzaak van alles wat bestaat, zoals hierboven werd bewezen (Voorg. Art.) . Heeft zijn willen geen oorzaak, dan moet men in de natuur geen oorzaak zoeken buiten zijn wil. Maar dan zijn alle wetenschappen, die de oorzaken van de uitwerkselen willen bepalen, overbodig, wat men bezwaarlijk kan beweren. Dus is Gods wil afhankelijk van een oorzaak.
3. Praeterea, quod fit a volente non propter aliquam causam, dependet ex simplici voluntate ejus ; si igitur voluntas Dei non habeat aliquam causam, sequitur, quod omnia, quae fiunt, dependeant ex simplici ejus voluntate, et non habeant aliquam aliam causam : quod est inconveniens.
5393. Wat door iemand zonder oorzaak gewild wordt, hangt alleen af van diens wil. Heeft Gods wil geen oorzaak, dan hangt alles alleen af van zijn wil, en heeft niets een andere oorzaak. Die bewering is echter onhoudbaar en bijgevolg is Gods wil afhankelijk van een oorzaak.
Sed contra est, quod dicit Augustinus in lib. 83. QQ. [q. 28] : « Omnis causa efficiens major est eo, quod efficitur; nihil tamen majus est voluntate Dei; non ergo causa ejus quaerenda est. »
Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in het Boek der drie en tachtig Vraagstukken (XXVIIIe Kw.) : « Iedere werkende oorzaak staat boven het uitwerksel, maar boven Gods wil staat niets. Men moet dus naar geen oorzaak zoeken voor Gods wil ».Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in het Boek van de drie en tachtig Vraagstukken (28e Kw.): “Iedere werkende oorzaak staat boven het uitwerksel, maar boven Gods wil staat niets. Men moet dus naar geen oorzaak zoeken voor Gods wil”.
Respondeo dicendum, quod nullo modo voluntas Dei causam habet. Ad cujus evidentiam considerandum est, quod, cum voluntas sequatur intellectum, eodem modo contingit esse causam alicujus volentis, ut velit, et alicujus intelligentis, ut intelligat. In intellectu autem sic est, quod, si seorsum intelligat principium, et seorsum conclusionem, intelligentia principii est causa scientiae 540conclusionis : sed, si intellectus in ipso principio inspiceret conclusionem, uno intuitu apprehendens utrumque, in eo scientia conclusionis non causaretur ab intellectu principiorum : quia idem non est causa sui ipsius; sed tamen intelligeret principia esse causas conclusionis. Similiter est ex parte voluntatis, circa quam sic se habet finis ad ea, quae sunt ad finem, sicut in intellectu principia ad conclusiones. Unde, si aliquis uno actu velit finem, et alio actu ea, quae sunt ad finem, velle finem erit ei causa volendi ea, quae sunt ad finem : sed, si uno actu velit finem, et ea, quae sunt ad finem, hoc esse non poterit : quia idem non est causa sui ipsius. Et tamen erit verum dicere, quod velit ordinare ea, quae sunt ad finem, in finem.
Leerstelling. — Gods wil heeft in het geheel geen oorzaak. Dat blijkt hieruit : Aangezien de wil volgt op het verstand, is iemand, die iets wil, op dezelfde wijze afhankelijk van een oorzaak, om te willen, als iemand, die iets kent, om te kennen. Wat het kennen betreft, is het zóó : wanneer het verstand het beginsel en de gevolgtrekking afzonderlijk begrijpt, dan is de kennis van het beginsel de oorzaak van de kennis van de gevolgtrekking; maar wanneer het verstand de gevolgtrekking ziet in het 540beginsel, en wel beide door éénzelfde inzicht, dan is de kennis van het beginsel de oorzaak niet van de kennis van de gevolgtrekking, daar niets zichzelf kan veroorzaken; toch zou men in dit geval inzien, dat die beginselen de oorzaak van die gevolgtrekkingen zijn. Iets dergelijks mag van het willen beweerd worden. Dezelfde verhouding immers bestaat er tusschen doel en middelen, wat den wil betreft, als tusschen beginsel en gevolgtrekking, wat het verstand betreft. Wanneer bijgevolg iemand het doel wil door een akt, en de middelen door een anderen akt, dan is het willen van het doel de oorzaak van het willen van de middelen. Maar wanneer men het doel en de middelen door eenzelfden wilsakt wil, dan is dit onmogelijk, want niets kan zichzelf veroorzaken. Wel mag men naar waarheid zeggen, dat men in dit geval de middelen wil ordenen tot het doel.Leerstelling. — Gods wil heeft in het geheel geen oorzaak. Dat blijkt hieruit: Aangezien de wil volgt op het verstand, is iemand, die iets wil, op dezelfde wijze afhankelijk van een oorzaak, om te willen, als iemand, die iets kent, om te kennen. Wat het kennen betreft, is het zó: wanneer het verstand het beginsel en de gevolgtrekking afzonderlijk begrijpt, dan is de kennis van het beginsel de oorzaak van de kennis van de gevolgtrekking; maar wanneer het verstand de gevolgtrekking ziet in het 540beginsel, en wel beide door éénzelfde inzicht, dan is de kennis van het beginsel de oorzaak niet van de kennis van de gevolgtrekking, daar niets zichzelf kan veroorzaken; toch zou men in dit geval inzien, dat die beginselen de oorzaak van die gevolgtrekkingen zijn. Iets dergelijks mag van het willen beweerd worden. Dezelfde verhouding immers bestaat er tussen doel en middelen, wat de wil betreft, als tussen beginsel en gevolgtrekking, wat het verstand betreft. Wanneer bijgevolg iemand het doel wil door een act, en de middelen door een anderen act, dan is het willen van het doel de oorzaak van het willen van de middelen. Maar wanneer men het doel en de middelen door eenzelfde wilsact wil, dan is dit onmogelijk, want niets kan zichzelf veroorzaken. Wel mag men naar waarheid zeggen, dat men in dit geval de middelen wil ordenen tot het doel.
Deus autem, sicut uno actu omnia in essentia sua intelligit, ita uno actu vult omnia in sua bonitate. Unde, sicut in Deo intelligere causam non est causa intelligendi effectus; sed ipse intelligit effectus in causa; ita velle finem non est ei causa volendi ea, quae sunt ad finem : sed tamen vult ea, 541quae sunt ad finem, ordinari in finem. Vult ergo hoc esse propter hoc; sed non propter hoc vult hoc.
Welnu, God, die door één enkelen kenakt alles in zijn eigen wezen kent, wil ook alles in zijn eigen goed-zijn, door één enkelen wilsakt. Evenals zijn kennis van de oorzaken de oorzaak niet is van zijn kennis van de uitwerkselen (Hij kent immers de uitwerkselen in hun oorzaak) , zoo is ook het willen van het doel niet de oorzaak van het willen van de middelen; toch wil Hij, dat de middelen zouden georderd zijn tot het doel; Hij wil, dat 541één dezer middelen zou zijn om het andere, maar Hij wil het een niet, omdat Hij het andere wil.Welnu, God, die door één enkelen kenakt alles in zijn eigen wezen kent, wil ook alles in zijn eigen goed-zijn, door één enkelen wilsact. Evenals zijn kennis van de oorzaken de oorzaak niet is van zijn kennis van de uitwerkselen (Hij kent immers de uitwerkselen in hun oorzaak), zo is ook het willen van het doel niet de oorzaak van het willen van de middelen; toch wil Hij, dat de middelen zouden georderd zijn tot het doel; Hij wil, dat 541één van deze middelen zou zijn om het andere, maar Hij wil het een niet, omdat Hij het andere wil.
Ad primum ergo dicendum, quod voluntas Dei rationabilis est, non quod aliquid sit Deo causa volendi, sed inquantum vult unum esse propter aliud.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Gods wil is redelijk, niet omdat iets de oorzaak er van is, dat God iets wil, maar wel omdat God wil, dat het een zou zijn om het andere.
Ad secundum dicendum, quod, cum velit Deus effectus sic esse, ut ex causis certis proveniant, ad hoc, quod servetur ordo in rebus, non est supervacuum etiam cum voluntate Dei alias causas quaerere. Esset tamen supervacuum, si aliae causae quaererentur, ut primae, et non dependentes a divina voluntate. Et sic loquitur Augustinus in tertio de Trinit. [cap. 2.] : « Placuit vanitati philosophorum etiam aliis causis effectus contingentes tribuere, cum omnino videre non possent superiorem caeteris omnibus causam, idest voluntatem Dei ».
2. God wil, dat de uitwerkselen uit bepaalde oorzaken voortvloeien, opdat er orde zou zijn in de dingen. Daarom is het niet verkeerd naast Gods wil nog andere oorzaken op te zoeken. Verkeerd zou het echter zijn, wanneer men andere eerste oorzaken trachtte te vinden, van Gods wil onafhankelijk. Daarom zegt Augustinus in het IIIe Boek Over de Drieëenheid (IIe H.) : « De wijsgeeren, die Gods wil niet hebben erkend als een oorzaak, die boven al de andere verheven is, hebben in hun ijdelen waan de wisselvallige uitwerkselen ook nog aan andere oorzaken toegeschreven ».2. God wil, dat de uitwerkselen uit bepaalde oorzaken voortvloeien, opdat er orde zou zijn in de dingen. Daarom is het niet verkeerd naast Gods wil nog andere oorzaken op te zoeken. Verkeerd zou het echter zijn, wanneer men andere eerste oorzaken trachtte te vinden, van Gods wil onafhankelijk. Daarom zegt Augustinus in het 3e Boek Over de Drieëenheid (2e H.): “De wijsgeren, die Gods wil niet hebben erkend als een oorzaak, die boven al de andere verheven is, hebben in hun ijdelen waan de wisselvallige uitwerkselen ook nog aan andere oorzaken toegeschreven”.
Ad tertium dicendum, quod, cum Deus velit effectus esse propter causas, quicumque effectus praesupponunt aliquem alium effectum, non dependent 542ex sola Dei voluntate, sed ex aliquo alio : sed primi effectus ex sola divina voluntate dependent : utpote si dicamus, quod Deus voluit hominem habere manus, ut deservirent intellectui operando diversa opera; et voluit eum habere intellectum ad hoc, quod esset homo; et voluit eum esse hominem, ut frueretur ipso, vel ad complementum universi. Quae quidem non est reducere ad alios fines creatos ulteriores. Unde hujusmodi dependent ex simplici voluntate Dei, alia vero ex ordine etiam aliarum causarum.
3. God wil, dat de uitwerkselen worden bewerkt door hun oorzaken. Wanneer er dan uitwerkselen zijn, die een ander uitwerksel veronderstellen, dan moeten die niet tot Gods wil alleen herleid worden, maar ook tot iets daarbuiten; alleen de eerste uitwerkselen moeten alleen aan God worden toegeschreven. Zoo 542wilde God b. v., dat de mensch handen zou hebben, opdat ze zijn verstand door het uitvoeren van verschillende werken ten dienste zouden staan; Hij wou, dat de mensch met verstand zou zijn toegerust, om mensch te zijn; en Hij wou, dat hij mensch zou zijn, om van God te genieten, of om de voltooïng van het heelal. Die laatste doeleinden nu kan men niet tot verdere geschapen doeleinden herleiden, maar hangen uitsluitend van Gods wil af; de voorgaande hangen daarentegen ook af van de reeks der ondergeschikte oorzaken.3. God wil, dat de uitwerkselen worden bewerkt door hun oorzaken. Wanneer er dan uitwerkselen zijn, die een ander uitwerksel veronderstellen, dan moeten die niet tot Gods wil alleen herleid worden, maar ook tot iets daarbuiten; alleen de eerste uitwerkselen moeten alleen aan God worden toegeschreven. Zo 542wilde God bv., dat de mens handen zou hebben, opdat ze zijn verstand door het uitvoeren van verschillende werken ten dienste zouden staan; Hij wou, dat de mens met verstand zou zijn toegerust, om mens te zijn; en Hij wou, dat hij mens zou zijn, om van God te genieten, of om de voltooiing van het heelal. Die laatste doeleinden nu kan men niet tot verdere geschapen doeleinden herleiden, maar hangen uitsluitend van Gods wil af; de voorgaande hangen daarentegen ook af van de reeks van de ondergeschikte oorzaken.
Utrum voluntas Dei semper impleatur
Wordt Gods wil altijd vervuld?
Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod voluntas Dei non semper impleatur. Dicit enim Apostolus 1. ad Thimoth. 2. [v. 4] quod Deus vult omnes homines salvos fieri, et ad agnitionem veritatis venire : sed hoc non ita evenit; ergo voluntas Dei non semper impletur.
Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat Gods wil niet altijd vervuld wordt. De Apostel zegt immers (Ie Brief aan Timotheus, 2,4) , dat God alle menschen wil zien zalig worden en tot de kennis der waarheid komen. In werkelijkheid gebeurt dit echter niet. Dus wordt Gods wil niet altijd vervuld.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat Gods wil niet altijd vervuld wordt. De Apostel zegt immers (1e Brief aan Timoteüs, 2,4), dat God alle mensen wil zien zalig worden en tot de kennis van de waarheid komen. In werkelijkheid gebeurt dit echter niet. Dus wordt Gods wil niet altijd vervuld.
5432. Praeterea, sicut se habet scientia ad verum, ita voluntas ad bonum : sed Deus scit omne verum; ergo vult omne bonum : sed non omne bonum fit, multa enim bona possunt fieri, quae non fiunt; non ergo voluntas Dei semper impletur.
5432. De wil verhoudt zich tot het goede, zooals de kennis tot het ware. Maar God kent al het ware; dus wil Hij al het goede. Welnu, niet al het goede wordt verwezenlijkt, want Hij kan veel goeds voortbrengen, dat Hij niet voortbrengt. Bijgevolg wordt Gods wil niet altijd vervuld.5432. De wil verhoudt zich tot het goede, zoals de kennis tot het ware. Maar God kent al het ware; dus wil Hij al het goede. Welnu, niet al het goede wordt verwezenlijkt, want Hij kan veel goeds voortbrengen, dat Hij niet voortbrengt. Bijgevolg wordt Gods wil niet altijd vervuld.
3. Praeterea, voluntas Dei, cum sit causa prima, non excludit causas medias, ut dictum est [art. praec.] : sed effectus causae primae potest impediri per defectum causae secundae; sicut effectus virtutis motivae impeditur propter debilitatem tibiae; ergo et effectus divinae voluntatis potest impediri propter defectum secundarum causarum; non ergo voluntas Dei semper impletur.
3. Gods wil, die de eerste oorzaak is, sluit de tusschenoorzaken niet uit, zooals hierboven gezegd is (Voorg. Art.). Welnu het uitwerksel der eerste oorzaak kan tegengehouden worden door een gemis in de ondergeschikte oorzaak, evenals iemands vermogen om te gaan belemmerd wordt door een gebrekkig been. Bijgevolg kunnen gebrekkige ondergeschikte oorzaken het uitwerken van Gods wil tegenhouden en wordt Gods wil niet in alles vervuld.3. Gods wil, die de eerste oorzaak is, sluit de tussenoorzaken niet uit, zoals hierboven gezegd is (Voorg. Art.). Welnu het uitwerksel van de eerste oorzaak kan tegengehouden worden door een gemis in de ondergeschikte oorzaak, evenals iemands vermogen om te gaan belemmerd wordt door een gebrekkig been. Bijgevolg kunnen gebrekkige ondergeschikte oorzaken het uitwerken van Gods wil tegenhouden en wordt Gods wil niet in alles vervuld.
Sed contra est, quod dicitur in Ps. 113 [v. 2.] : « Omnia, quaecumque voluit Deus, fecit. »
Dit is echter in strijd met het woord van Psalm 113, 2: « Alles wat God wil, werkt Hij uit ».Dit is echter in strijd met het woord van Psalm 113, 2a: “Alles wat God wil, werkt Hij uit”.
Respondeo dicendum, quod necesse est voluntatem Dei semper impleri. Ad cujus evidentiam considerandum est, quod, cum effectus conformetur agenti secundum suam formam, eadem ratio est in causis agentibus, quae 544est in causis formalibus. In formis autem sic est, quod, licet aliquid possit deficere ab aliqua forma particulari, tamen a forma universali nihil deficere potest. Potest enim esse aliquid, quod non est homo, vel vivum : non autem potest esse aliquid, quod non sit ens. Unde et hoc idem in causis agentibus contingere oportet : potest enim aliquid fieri extra ordinem alicujus causae particularis agentis, non autem extra ordinem alicujus causae universalis, sub qua omnes causae particulares comprehenduntur : quia si aliqua causa particularis deficiat a suo effectu, hoc est propter aliquam aliam causam particularem impedientem, quae continetur sub ordine causae universalis. Unde effectus ordinem causae universalis nullo modo potest exire. Et hoc etiam patet in corporalibus : potest enim impediri, quod aliqua stella non inducat suum effectum : sed tamen quicumque effectus ex causa corporea impediente in rebus corporalibus consequantur, oportet, quod reducatur per aliquas causas medias in universalem virtutem primi coeli.
Leerstelling. — Gods wil moet noodzakelijk altijd vervuld worden. Om dit in te zien moeten we de overeenkomst beschouwen tusschen de vorm-oorzaak en de werkende oorzaak, 544want het uitwerksel komt naar zijn vorm met zijn oorzaak overeen. Welnu, voor de vorm-oorzaken is het zóó, dat iets wel een bijzonderen vorm kan missen, maar niet den universeelen vorm; er kan immers wel iets zijn, wat geen mensch, of geen levend wezen is, maar er kan niets zijn, wat geen zijnde is. Iets dergelijks komt voor in de werkende oorzaken : er kan wel iets ontsnappen aan een bijzondere oorzaak, maar niet aan een algemeene oorzaak, die alle bizondere oorzaken in zich insluit. Een bizondere oorzaak bereikt soms haar doel niet, omdat een andere bizondere oorzaak haar werking verhindert, maar die verhinderde bizondere oorzaak valt onder de algemeene oorzaak, zoodat geen enkel uitwerksel aan de werking van die oorzaken kan ontsnappen. Dat kunnen we ook vaststellen in de werking van de lichamen; het kan immers gebeuren, dat een ster haar uitwerksel niet voortbrengt. Maar wat er ook in de lichamelijke dingen gebeurt door de belemmerende werking van een of ander lichaam, toch moet het door een of andere tusschenoorzaak teruggevoerd worden tot de algemeene kracht van den eersten hemel.Leerstelling. — Gods wil moet noodzakelijk altijd vervuld worden. Om dit in te zien moeten we de overeenkomst beschouwen tussen de vorm-oorzaak en de werkende oorzaak, 544want het uitwerksel komt naar zijn vorm met zijn oorzaak overeen. Welnu, voor de vorm-oorzaken is het zó, dat iets wel een bijzonderen vorm kan missen, maar niet de universele vorm; er kan immers wel iets zijn, wat geen mens, of geen levend wezen is, maar er kan niets zijn, wat geen zijnde is. Iets dergelijks komt voor in de werkende oorzaken: er kan wel iets ontsnappen aan een bijzondere oorzaak, maar niet aan een algemene oorzaak, die alle bizondere oorzaken in zich insluit. Een bizondere oorzaak bereikt soms haar doel niet, omdat een andere bizondere oorzaak haar werking verhindert, maar die verhinderde bizondere oorzaak valt onder de algemene oorzaak, zodat geen enkel uitwerksel aan de werking van die oorzaken kan ontsnappen. Dat kunnen we ook vaststellen in de werking van de lichamen; het kan immers gebeuren, dat een ster haar uitwerksel niet voortbrengt. Maar wat er ook in de lichamelijke dingen gebeurt door de belemmerende werking van een of ander lichaam, toch moet het door een of andere tussenoorzaak teruggevoerd worden tot de algemene kracht van de eerste hemel.
Cum igitur voluntas Dei sit universalis causa omnium rerum, impossibile est quod divina voluntas suum effectum non consequatur. Unde quod recedere 545videtur a divina voluntate secundum unum ordinem, relabitur in ipsam secundum alium. Sicut peccator, qui, quantum est in se, recedit a divina voluntate peccando, incidit in ordinem divinae voluntatis, dum per ejus justitiam punitur.
Welnu Gods wil is de algemeene oorzaak van alles, en daarom is het onmogelijk, dat de goddelijke wil zijn uitwerksel niet bereikt. Schijnt iets in een bepaald opzicht af te wijken van zijn 545wil, dan valt het er in een ander opzicht weer onder. De zondaar b. v., die door zijn zonde van Gods wil afwijkt zooveel hij kan, valt onder Gods wil, wanneer hij door Gods rechtvaardigheid gestraft wordt.Welnu Gods wil is de algemene oorzaak van alles, en daarom is het onmogelijk, dat de goddelijke wil zijn uitwerksel niet bereikt. Schijnt iets in een bepaald opzicht af te wijken van zijn 545wil, dan valt het er in een ander opzicht weer onder. De zondaar bv., die door zijn zonde van Gods wil afwijkt zoveel hij kan, valt onder Gods wil, wanneer hij door Gods rechtvaardigheid gestraft wordt.
Ad primum ergo dicendum, quod illud verbum Apostoli, quod Deus vult omnes homines salvos fieri, etc., potest tripliciter intelligi. Uno modo, ut sit accommoda distributio secundum hunc sensum : Deus vult salvos fieri omnes homines, qui salvantur, non quia nullus homo sit, quem salvum fieri non velit, sed quia nullus salvus fit, quem non velit salvum fieri, ut dicit Augustinus [Enchiridii cap. 103]. Secundo potest intelligi, ut fiat distributio pro generibus singulorum, et non pro singulis generum, secundum hunc sensum : Deus vult de quolibet statu hominum salvos fieri, mares, et foeminas, Judaeos, et Gentiles, parvos et magnos, non tamen omnes de singulis statibus.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Dit woord van den Apostel : « God wil, dat allen zalig worden », enz., kan op drie verschillende wijzen begrepen worden. Ten eerste zóó, dat het maar toegepast wordt op diegenen, die zalig worden, en zóó beteekent het : God wil, dat al diegenen, die zalig worden, zalig worden. Daarmee wil men niet uitsluiten, dat er zijn, wier zaligheid God niet wil, maar wel beweren, dat er niemand zalig wordt, waarvan God niet wil, dat hij zalig wordt, zooals Augustinus zegt in zijn Enchiridion (CIIIe H.) . Ten tweede zóó, dat men dat woord toepast op de soorten van allen, maar niet op allen uit iedere soort, zoodat de zin is: God wil, dat er uit iedere soort zalig worden, mannen en vrouwen, Joden en Heidenen, kleinen en grooten, — maar niet allen uit iedere soort.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Dit woord van de Apostel: “God wil, dat allen zalig worden”, enz., kan op drie verschillende wijzen begrepen worden. Ten eerste zó, dat het maar toegepast wordt op diegenen, die zalig worden, en zó betekent het: God wil, dat al diegenen, die zalig worden, zalig worden. Daarmee wil men niet uitsluiten, dat er zijn, wier zaligheid God niet wil, maar wel beweren, dat er niemand zalig wordt, waarvan God niet wil, dat hij zalig wordt, zoals Augustinus zegt in zijn Enchiridion (103e H.) . Ten tweede zó, dat men dat woord toepast op de soorten van allen, maar niet op allen uit iedere soort, zodat de zin is: God wil, dat er uit iedere soort zalig worden, mannen en vrouwen, Joden en Heidenen, kleinen en groten, — maar niet allen uit iedere soort.
546Tertio secundum Damascenum [lib. 2. Orth. Fid. cap. 29.] intelligitur de voluntate antecedente, non de voluntate consequente. Quae quidem distinctio non accipitur ex parte ipsius voluntatis divinae, in qua nihil est prius vel posterius, sed ex parte volitorum. Ad cujus intellectum considerandum est, quod unumquodque, secundum quod bonum est, sic est volitum a Deo. Aliquid autem potest esse in prima sui consideratione, secundum quod absolute consideratur, bonum, vel malum, quod tamen, prout cum aliquo adjuncto consideratur, quae est consequens consideratio ejus, e contrario se habet. Sicut hominem vivere est bonum, et hominem occidi est malum, secundum absolutam considerationem : sed si addatur circa aliquem hominem, quod sit homicida, vel vivens in periculum multitudinis, sic bonum est eum occidi, et malum est eum vivere : unde potest dici, quod judex justus antecedenter vult omnem hominem vivere, sed consequenter vult homicidam suspendi. Similiter Deus antecedenter vult omnem hominem salvari, sed consequenter vult quosdam damnari secundum exigentiam suae justitiae. Neque tamen id, quod antecedenter volumus, simpliciter volumus, sed secundum quid; quia 547voluntas comparatur ad res, secundum quod in seipsis sunt, in seipsis autem sunt in particulari. Unde simpliciter volumus aliquid, secundum quod volumus illud, consideratis omnibus circumstantiis particularibus, quod est consequenter velle. Unde potest dici, quod judex justus simpliciter vult homicidam suspendi, sed secundum quid vellet eum vivere, scilicet inquantum est homo. Unde magis potest dici velleitas, quam absoluta voluntas. Et sic patet, quod quidquid Deus simpliciter vult, fit, licet illud, quod antecedenter vult, non fiat.
Ten derde kan men het met Damascenus (in zijn Boek Over het ware Geloof, IIe B., XXIXe H.) betrekken op Gods 546voórafgaanden wil, niet op zijn nakomenden wil. Dit onderscheid wordt niet ingevoerd door den goddelijken wil zelf (in Gods wil gaat er immers niets vooraf en komt er niets achterna) , maar door de gewilde voorwerpen. Laten we, om dit duidelijk te maken, er aan herinneren, hoe alles door God gewild wordt, in zoover het goed is. Volstrekt beschouwd, kan iets op het eerste gezicht goed of slecht schijnen, terwijl het in een latere beschouwing zich om zekere bijkomende beschouwingen heel anders voordoet. Zoo is, wanneer men de zaken volstrekt beschouwt, het leven een goed voor een mensch en de dood een kwaad; maar voegt men er bij, dat die mensch een moordenaar is, en een gevaar voor het volk, dan is zijn dood een goed, en zijn leven een kwaad. Door zijn voorafgaanden wil, wil de rechtvaardige rechter het leven van alle menschen, doch door zijn nakomenden wil, wil hij, dat de moordenaar wordt opgeknoopt. Zoo ook wil God door zijn voorafgaanden wil de zaligheid van alle menschen, maar door zijn nakomenden wil, wil Hij, dat sommigen verloren gaan, in zoover nl. zijn rechtvaardigheid dit vereischt. Laten we nochtans opmerken, dat wat door voorafgaanden wil gewild wordt, niet volstrekt, doch slechts in een zeker opzicht gewild wordt. De wil immers 547streeft naar de dingen, zooals ze op zichzelf zijn, en op zichzelf zijn de dingen omkleed met al hun bizonderheden. Volstrekt gesproken willen we iets, wanneer wij het willen, met inachtneming van al de bijkomende omstandigheden, en dat is iets willen door nakomenden wil. Absoluut gesproken, wil de rechtvaardige rechter den moordenaar opknoopen, maar om een bijkomstige reden wil hij hem laten leven, nl. omdat hij een mensch is. Maar dat is eerder een « velleïteit » dan een absolute wil. Zoo is het duidelijk, dat alles verwezenlijkt wordt, wat God volstrekt wil, hoewel datgene, wat Hij wil door zijn nakomenden wil, niet gebeurt.Ten derde kan men het met Damascenus (in zijn Boek Over het ware Geloof, 2e B., 29e H.) betrekken op Gods 546voórafgaanden wil, niet op zijn nakomenden wil. Dit onderscheid wordt niet ingevoerd door de goddelijke wil zelf (in Gods wil gaat er immers niets vooraf en komt er niets achterna), maar door de gewilde voorwerpen. Laten we, om dit duidelijk te maken, er aan herinneren, hoe alles door God gewild wordt, in zover het goed is. Volstrekt beschouwd, kan iets op het eerste gezicht goed of slecht schijnen, terwijl het in een latere beschouwing zich om zekere bijkomende beschouwingen heel anders voordoet. Zo is, wanneer men de zaken volstrekt beschouwt, het leven een goed voor een mens en de dood een kwaad; maar voegt men er bij, dat die mens een moordenaar is, en een gevaar voor het volk, dan is zijn dood een goed, en zijn leven een kwaad. Door zijn voorafgaanden wil, wil de rechtvaardige rechter het leven van alle mensen, doch door zijn nakomenden wil, wil hij, dat de moordenaar wordt opgeknoopt. Zo ook wil God door zijn voorafgaanden wil de zaligheid van alle mensen, maar door zijn nakomenden wil, wil Hij, dat sommigen verloren gaan, in zover nl. zijn rechtvaardigheid dit vereist. Laten we nochtans opmerken, dat wat door voorafgaande wil gewild wordt, niet volstrekt, doch slechts in een zeker opzicht gewild wordt. De wil immers 547streeft naar de dingen, zoals ze op zichzelf zijn, en op zichzelf zijn de dingen omkleed met al hun bizonderheden. Volstrekt gesproken willen we iets, wanneer wij het willen, met inachtneming van al de bijkomende omstandigheden, en dat is iets willen door nakomende wil. Absoluut gesproken, wil de rechtvaardige rechter de moordenaar opknopen, maar om een bijkomstige reden wil hij hem laten leven, nl. omdat hij een mens is. Maar dat is eerder een “velleïteit” dan een absolute wil. Zo is het duidelijk, dat alles verwezenlijkt wordt, wat God volstrekt wil, hoewel datgene, wat Hij wil door zijn nakomenden wil, niet gebeurt.
Ad secundum dicendum, quod actus cognoscitivae virtutis est, secundum quod cognitum est in cognoscente; actus autem virtutis appetitivae est ordinatus ad res, secundum quod in seipsis sunt. Quidquid autem potest habere rationem entis et veri, totum est virtualiter in Deo, sed non totum exsistit in rebus creatis. Et ideo Deus cognoscit omne verum, non tamen vult omne bonum, nisi inquantum vult se, in quo virtualiter omne bonum exsistit.
2. De akt van het kenvermogen slaat op de dingen, zooals ze in den kennende zijn; maar de akt van het streefvermogen is gericht op de dingen, zooals ze op zichzelf zijn. Alles wat onder het begrip valt van het zijnde en van het ware, ligt in Gods macht opgesloten, maar wordt daarom nog niet verwezenlijkt in de schepping. Daarom kent God wel iedere waarheid, maar wil Hij niet ieder goed, tenzij in zoover Hij zichzelf wil, want alle goed ligt in zijn macht.2. De act van het kenvermogen slaat op de dingen, zoals ze in de kennende zijn; maar de act van het streefvermogen is gericht op de dingen, zoals ze op zichzelf zijn. Alles wat onder het begrip valt van het zijnde en van het ware, ligt in Gods macht opgesloten, maar wordt daarom nog niet verwezenlijkt in de schepping. Daarom kent God wel iedere waarheid, maar wil Hij niet ieder goed, tenzij in zover Hij zichzelf wil, want alle goed ligt in zijn macht.
Ad tertium dicendum, quod causa prima tunc potest impediri a suo effectu per defectum causae secundae, quando non est universaliter prima, 548sub se omnes causas comprehendens : quia sic effectus nullo modo posset suum ordinem evadere : et sic est de voluntate Dei, ut dictum est.
3. Een eerste oorzaak kan in het voortbrengen van een uitwerksel verhinderd worden door een onvolmaaktheid der 548ondergeschikte oorzaak, wanneer zij niet de algemeene eerste oorzaak is, die alle oorzaken onder haar heeft, want dan kan geen enkel uitwerksel aan haar oorzakelijkheid onttrokken worden. Maar zulk een oorzaak is Gods wil, zooals hierboven gezegd werd (Leerstelling) .3. Een eerste oorzaak kan in het voortbrengen van een uitwerksel verhinderd worden door een onvolmaaktheid van de 548ondergeschikte oorzaak, wanneer zij niet de algemene eerste oorzaak is, die alle oorzaken onder haar heeft, want dan kan geen enkel uitwerksel aan haar oorzakelijkheid onttrokken worden. Maar zulk een oorzaak is Gods wil, zoals hierboven gezegd werd (Leerstelling) .
Utrum voluntas Dei sit mutabilis
Is Gods wil veranderlijk?
Ad septimum sic proceditur. Videtur, quod voluntas Dei sit mutabilis : dicit enim Dominus Genes. 6 [v. 7] : « Poenitet me fecisse hominem » : sed quemcumque poenitet de eo, quod fecit, habet mutabilem voluntatem; ergo Deus habet mutabilem voluntatem.
Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat Gods wil veranderlijk is. In de Genesis lezen we immers, dat God sprak : « Ik heb er spijt over, dat ik den mensch geschapen heb » (6, 7) . Welnu, wie spijt heeft om wat hij gedaan heeft, laat blijken, dat zijn wil veranderlijk is. Bijgevolg is Gods wil veranderlijk.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat Gods wil veranderlijk is. In de Genesis lezen we immers, dat God sprak: “Ik heb er spijt over, dat ik de mens geschapen heb” (6, 7) . Welnu, wie spijt heeft om wat hij gedaan heeft, laat blijken, dat zijn wil veranderlijk is. Bijgevolg is Gods wil veranderlijk.
2. Praeterea, Jerem. 18. [v. 7, 8] ex persona Domini dicitur : « Loquar adversus gentem et adversus regnum, ut eradicem, et destruam, et disperdam illud : sed, si poenitentiam egerit gens illa a malo suo, agam et ego poenitentiam super malo, quod cogitavi, ut facerem ei. » Ergo Deus habet mutabilem voluntatem.
2. Bij Jeremias (18, 7-8) zegt God: « Tot volk en koning zal ik spreken, ik zal het uitroeien, vernietigen, uiteenslaan. Komt echter dit volk tot inkeer, dan zal ik ook berouw hebben over het kwaad, dat ik me voorstelde het aan te doen ». Dus is Gods wil veranderlijk.2. Bij Jeremia (18, 7-8) zegt God: “Tot volk en koning zal ik spreken, ik zal het uitroeien, vernietigen, uiteenslaan. Komt echter dit volk tot inkeer, dan zal ik ook berouw hebben over het kwaad, dat ik me voorstelde het aan te doen”. Dus is Gods wil veranderlijk.
5493. Praeterea, quidquid Deus facit, voluntarie facit : sed Deus non semper eadem facit : nam quandoque praecepit legalia observari, quandoque prohibuit : ergo habet mutabilem voluntatem.
5493. Alles wat God doet, is door Hem gewild. Doch Hij doet niet altijd hetzelfde : nu eens legt Hij de voorschriften der Wet op, dan weer verbiedt Hij ze te onderhouden. Dus verandert zijn wil.5493. Alles wat God doet, is door Hem gewild. Doch Hij doet niet altijd hetzelfde: nu eens legt Hij de voorschriften van de Wet op, dan weer verbiedt Hij ze te onderhouden. Dus verandert zijn wil.
4. Praeterea, Deus non ex necessitate vult, quod vult, ut supra dictum est [art. 3.] ; ergo potest velle, et non velle idem : sed omne, quod habet potentiam ad opposita, est mutabile; sicut quod potest esse, et non esse, est mutabile secundum substantiam : et quod potest esse hic, et non esse hic, est mutabile secundum locum; ergo Deus est mutabilis secundum voluntatem.
4. Wat God wil, wil Hij niet noodzakelijk, zooals hierboven gezegd werd (IIIe Art.) . Hij kan dus eenzelfde ding willen en niet willen. Welnu, alwie vóór een dubbele en strijdige mogelijkheid staat, is veranderlijk : zóó is iets veranderlijk naar zijn zelfstandigheid, wanneer het kan zijn en ook niet zijn; en is iets veranderlijk naar de plaats, wanneer het hier kan zijn, of elders. Dus is God veranderlijk naar zijn Wil.4. Wat God wil, wil Hij niet noodzakelijk, zoals hierboven gezegd werd (3e Art.) . Hij kan dus eenzelfde ding willen en niet willen. Welnu, alwie vóór een dubbele en strijdige mogelijkheid staat, is veranderlijk: zó is iets veranderlijk naar zijn zelfstandigheid, wanneer het kan zijn en ook niet zijn; en is iets veranderlijk naar de plaats, wanneer het hier kan zijn, of elders. Dus is God veranderlijk naar zijn Wil.
Sed contra est, quod dicitur Num. 23 [v. 19] : « Non est Deus quasi homo, ut mentiatur, neque ut filius hominis, ut mutetur. »
Dit is echter in strijd met wat gezegd wordt in het Boek der Getallen (23, 19) : « God is geen leugenaar, zooals de mensch, en Hij is niet veranderlijk, zooals de kinderen der menschen. »Dit is echter in strijd met wat gezegd wordt in het Boek van de Getallen (23, 19): “God is geen leugenaar, zoals de mens, en Hij is niet veranderlijk, zoals de kinderen van de mensen.”
Respondeo dicendum, quod voluntas Dei est omnino immutabilis. Sed circa hoc considerandum est, quod aliud est mutare voluntatem, et aliud est velle aliquarum rerum mutationem. Potest enim aliquis eadem voluntate 550immobiliter permanente velle, quod nunc fiat hoc, et postea fiat contrarium : sed tunc voluntas mutaretur, si aliquis inciperet velle, quod prius non voluit, vel desineret velle, quod voluit. Quod quidem accidere non potest, nisi praesupposita mutatione vel ex parte cognitionis, vel circa dispositionem substantiae ipsius volentis. Cum enim voluntas sit boni, aliquis de novo dupliciter potest incipere aliquid velle. Uno modo sic, quod de novo incipiat sibi illud esse bonum, quod non est absque mutatione ejus. Sicut adveniente frigore, incipit esse bonum sedere ad ignem, quod prius non erat. Alio modo sic, quod de novo cognoscat illud esse sibi bonum, cum prius hoc ignorasset. Ad hoc enim consiliamur ut sciamus, quid nobis sit bonum. Ostensum est autem supra [q. 9. art. 1. et q. 14. art. 15.], quod tam substantia Dei, quam ejus scientia est omnino immutabilis, unde oportet, voluntatem ejus omnino esse immutabilem.
Leerstelling. — We beweren, dat Gods wil volstrekt onveranderlijk is. Laten we, om dit duidelijk te maken, er op wijzen, dat het iets anders is, zijn wil te wijzigen, en een wijziging in de dingen te willen. Zonder zijn wil te veranderen, kan iemand 550willen, dat eerst dit zou gebeuren, en daarna het tegenovergestelde er van. De wil zelf wordt echter gewijzigd, wanneer men begint te willen wat men vroeger niet wilde, of ophoudt met te willen wat men vroeger wilde. Die verandering van den wil is onmogelijk zonder een wijziging, ófwel in de kennis, ófwel in de gesteltenis van hem, die wil. Het voorwerp van den wil is immers het goede; daarom kan men om twee redenen een bepaald goed opnieuw willen; ten eerste, omdat dit goed nu voor ons opnieuw een goed geworden is, — maar dit veronderstelt, dat de persoon zelf een verandering heeft ondergaan; indien men het b. v. nu goed vindt om bij het vuur te gaan zitten, en vroeger niet, dan is het, omdat het koud geworden is ; ten tweede, omdat men nu pas inziet, dat iets goed is, terwijl men het vroeger niet inzag; we overleggen ten andere juist bij onszelven, om te weten wat voor ons goed is. Maar zooals hierboven bewezen werd (IXe Kw. 1e Art. ; en XIVe Kw., 15e Art.) , kan God, noch naar zijn zelfstandigheid, noch naar zijn kennis veranderen; dus is zijn wil geheel onveranderlijk.Leerstelling. — We beweren, dat Gods wil volstrekt onveranderlijk is. Laten we, om dit duidelijk te maken, er op wijzen, dat het iets anders is, zijn wil te wijzigen, en een wijziging in de dingen te willen. Zonder zijn wil te veranderen, kan iemand 550willen, dat eerst dit zou gebeuren, en daarna het tegenovergestelde er van. De wil zelf wordt echter gewijzigd, wanneer men begint te willen wat men vroeger niet wilde, of ophoudt met te willen wat men vroeger wilde. Die verandering van de wil is onmogelijk zonder een wijziging, ófwel in de kennis, ófwel in de gesteltenis van hem, die wil. Het voorwerp van de wil is immers het goede; daarom kan men om twee redenen een bepaald goed opnieuw willen; ten eerste, omdat dit goed nu voor ons opnieuw een goed geworden is, — maar dit veronderstelt, dat de persoon zelf een verandering heeft ondergaan; indien men het bv. nu goed vindt om bij het vuur te gaan zitten, en vroeger niet, dan is het, omdat het koud geworden is; ten tweede, omdat men nu pas inziet, dat iets goed is, terwijl men het vroeger niet inzag; we overleggen ten andere juist bij onszelven, om te weten wat voor ons goed is. Maar zoals hierboven bewezen werd (9e Kw. 1e Art.; en 14e Kw., 15e Art.), kan God, noch naar zijn zelfstandigheid, noch naar zijn kennis veranderen; dus is zijn wil geheel onveranderlijk.
Ad primum ergo dicendum, quod illud verbum Domini metaphorice intelligendum est secundum similitudinem nostram. Cum enim nos poenitet, 551destruimus, quod fecimus, quamvis hoc esse possit absque mutatione voluntatis, cum etiam aliquis homo absque mutatione voluntatis interdum velit aliquid facere, simul intendens postea illud destruere. Sic igitur Deus poenituisse dicitur secundum similitudinem operationis, inquantum hominem, quem fecerat, per diluvium a facie terrae delevit.
Antwoord op de bedenkingen. — We moeten dit gezegde in figuurlijken zin verstaan, en in vergelijking met wat 551zich bij ons voordoet. Wanneer wij er spijt over hebben, dat we iets gemaakt hebben, dan vernietigen wij het. Maar daarom verandert onze wil niet noodzakelijk, want iemand kan iets willen maken met de bedoeling om het later te vernietigen. Indien we dus zeggen, dat het God berouwde den mensch te hebben geschapen, dan is het om die overeenkomst in de handelwijze, omdat Hij nl. het menschdom verdelgde door den zondvloed.Antwoord op de bedenkingen. — We moeten dit gezegde in figuurlijke zin verstaan, en in vergelijking met wat 551zich bij ons voordoet. Wanneer wij er spijt over hebben, dat we iets gemaakt hebben, dan vernietigen wij het. Maar daarom verandert onze wil niet noodzakelijk, want iemand kan iets willen maken met de bedoeling om het later te vernietigen. Indien we dus zeggen, dat het God berouwde de mens te hebben geschapen, dan is het om die overeenkomst in de handelwijze, omdat Hij nl. het mensdom verdelgde door de zondvloed.
Ad secundum dicendum, quod voluntas Dei, cum sit causa prima, et universalis, non excludit causas medias, in quarum virtute est, ut aliqui effectus producantur : sed quia omnes causae mediae non adaequant virtutem causae primae, multa sunt in virtute, et scientia, et voluntate divina, quae non continentur sub ordine causarum inferiorum, sicut resuscitatio Lazari. Unde aliquis respiciens ad causas inferiores dicere poterat : Lazarus non resurget; respiciens vero ad causam primam divinam poterat dicere : Lazarus resurget. Et utrumque horum Deus vult, scilicet quod aliquid quandoque sit futurum secundum causam inferiorem, quod tamen futurum non sit secundum causam superiorem, vel e converso. Sic ergo dicendum est, quod Deus aliquando praenuntiat aliquid futurum, secundum quod continetur in ordine causarum 552inferiorum, ut puta secundum dispositionem naturae vel meritorum, quod tamen non fit, quia aliter est in causa superiori divina. Sicut cum praedixit Ezechiae : « Dispone domui tuae, quia morieris, et non vives », ut habetur Isa. 38. [v. 1] ; neque tamen ita evenit, quia ab aeterno aliter fuit in scientia, et voluntate divina, quae immutabilis est. Propter quod dicit Gregorius [16 et 20. Mor.] quod Deus immutat sententiam, non tamen mutat consilium, scilicet voluntatis suae. Quod ergo dicit : « Poenitentiam agam ego », intelligitur metaphorice dictum; nam homines quando non implent, quod comminati sunt, poenitere videntur.
2. God, die de eerste en algemeene oorzaak is, sluit tusschenoorzaken niet uit, die een eigen kracht hebben om sommige uitwerkselen voort te brengen. Maar omdat al de tusschenoorzaken de kracht van de eerste oorzaak niet evenaren, vermag God, kent Hij, en wil Hij veel, wat onder de ondergeschikte oorzaken niet valt, zooals de verrijzenis van Lazarus. Hij, die aan de ondergeschikte oorzaken dacht, kon zeggen : Lazarus zal niet verrijzen, doch hij, die aan de eerste goddelijke oorzaak dacht, kon zeggen : Lazarus zal verrijzen. Welnu, God wil, én dat iets zou gebeuren volgens het verloop der ondergeschikte oorzakelijkheid, én dat het niet gebeurt volgens het verloop der goddelijke oorzakelijkheid, of andersom, en zóó voórspelt Hij 552soms iets, wat om reden van de ondergeschikte oorzaken, bv. de natuurkrachten of 's menschen verdiensten, moet gebeuren, en toch in de werkelijkheid niet plaats grijpt, omdat de goddelijke oorzaak er anders over beschikt. Zoo zeide Hij tot Ezechias : « Stel orde op uw huis, want ge gaat sterven. » (Isaias, 38,1) ; en toch stierf Ezechias niet, omdat van alle eeuwigheid af Gods onveranderlijke kennis en wil er anders over beschikt had. Daarom zegt Gregorius (Zedekundige Leerredenen, XVIe en XXe B.) , dat God zijn wilsafkondiging verandert, maar niet zijn wil. Indien God zegt: « Het zal me spijten », dan moet men dat figuurlijk verstaan, want wanneer wij niet doen waarmee we bedreigden, dan schijnen wij berouw te hebben.2. God, die de eerste en algemene oorzaak is, sluit tussenoorzaken niet uit, die een eigen kracht hebben om sommige uitwerkselen voort te brengen. Maar omdat al de tussenoorzaken de kracht van de eerste oorzaak niet evenaren, vermag God, kent Hij, en wil Hij veel, wat onder de ondergeschikte oorzaken niet valt, zoals de verrijzenis van Lazarus. Hij, die aan de ondergeschikte oorzaken dacht, kon zeggen: Lazarus zal niet verrijzen, doch hij, die aan de eerste goddelijke oorzaak dacht, kon zeggen: Lazarus zal verrijzen. Welnu, God wil, én dat iets zou gebeuren volgens het verloop van de ondergeschikte oorzakelijkheid, én dat het niet gebeurt volgens het verloop van de goddelijke oorzakelijkheid, of andersom, en zó voórspelt Hij 552soms iets, wat om reden van de ondergeschikte oorzaken, bv. de natuurkrachten of 's mensen verdiensten, moet gebeuren, en toch in de werkelijkheid niet plaats grijpt, omdat de goddelijke oorzaak er anders over beschikt. Zo zeide Hij tot Ezechias: “Stel orde op uw huis, want ge gaat sterven.” (Jesaja, 38,1); en toch stierf Ezechias niet, omdat van alle eeuwigheid af Gods onveranderlijke kennis en wil er anders over beschikt had. Daarom zegt Gregorius (Zedekundige Leerredenen, 16e en 20e B.), dat God zijn wilsafkondiging verandert, maar niet zijn wil. Indien God zegt: “Het zal me spijten”, dan moet men dat figuurlijk verstaan, want wanneer wij niet doen waarmee we bedreigden, dan schijnen wij berouw te hebben.
Ad tertium dicendum, quod ex ratione illa non potest concludi, quod Deus habeat mutabilem voluntatem, sed quod mutationem velit.
3. Die tegenwerping bewijst niet, dat Gods wil verandert, maar alleen dat Hij een verandering wil.
Ad quartum dicendum, quod licet Deum velle aliquid non sit necessarium absolute, tamen necessarium est ex suppositione, propter immutabilitatem divinae voluntatis, ut supra dictum est [art. 3.]
4. Het is niet volstrekt noodzakelijk, dat God iets wil, maar alleen in de veronderstelling, dat Hij iets wil, en dit juist om reden van zijn onveranderlijken wil, zooals hierboven gezegd werd. (3e Art.) .4. Het is niet volstrekt noodzakelijk, dat God iets wil, maar alleen in de veronderstelling, dat Hij iets wil, en dit juist om reden van zijn onveranderlijken wil, zoals hierboven gezegd werd. (3e Art.) .
Utrum voluntas Dei necessitatem rebus volitis imponat
Is alles noodzakelijk omdat het door God gewild is ?Is alles noodzakelijk omdat het door God gewild is?
553Ad octavum sic proceditur. Videtur, quod voluntas Dei rebus volitis necessitatem imponat. Dicit enim Augustinus in Enchir. [cap. 103.] : « Nullus fit salvus, nisi quem Deus voluerit salvari. Et ideo rogandus est, ut velit, quia necesse est fieri, si voluerit. »
553Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat alles noodzakelijk is omdat het door God gewild wordt. « Niemand, zegt Augustinus in zijn Enchiridion (CIIIe H.) , wordt zalig, tenzij hij, dien God wil zalig maken. Bijgevolg moeten we Hem vragen, dat Hij het zou willen, want wanneer Hij het wil, dan moet het noodzakelijk gebeuren. »553Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat alles noodzakelijk is omdat het door God gewild wordt. “Niemand, zegt Augustinus in zijn Enchiridion (103e H.), wordt zalig, tenzij hij, die God wil zalig maken. Bijgevolg moeten we Hem vragen, dat Hij het zou willen, want wanneer Hij het wil, dan moet het noodzakelijk gebeuren.”
2. Praeterea, omnis causa, quae non potest impediri, ex necessitate suum effectum producit, quia et natura semper idem operatur, nisi aliquid impediat, ut dicitur in 2. Phys. [c. 8, S. Th., l. 14] : sed voluntas Dei non potest impediri; dicit enim Apostolus ad Rom. 9 [v. 19] : « Voluntati enim ejus quis resistit? » Ergo voluntas Dei imponit rebus volitis necessitatem.
2. Iedere oorzaak, die men niet verhinderen kan, brengt noodzakelijk haar gevolg voort : de natuur immers handelt steeds op dezelfde wijze, indien ze niet verhinderd wordt, zooals gezegd wordt in het IIe Boek der Physica (VIIIe H., Nr 10) . Welnu, niets kan Gods wil verhinderen. De Apostel zegt immers in zijn Brief aan de Romeinen (9, 19) : « Wie weerstaat aan zijn wil? » Dus is alles wat God wil noodzakelijk.2. Iedere oorzaak, die men niet verhinderen kan, brengt noodzakelijk haar gevolg voort: de natuur immers handelt steeds op dezelfde wijze, indien ze niet verhinderd wordt, zoals gezegd wordt in het 2e Boek van de Fysica (8e H., Nr 10) . Welnu, niets kan Gods wil verhinderen. De Apostel zegt immers in zijn Brief aan de Romeinen (9, 19): “Wie weerstaat aan zijn wil?” Dus is alles wat God wil noodzakelijk.
5543. Praeterea, illud, quod habet necessitatem ex priori, est necessarium absolute; sicut animal mori est necessarium, quia est ex contrariis compositum : sed res creatae a Deo comparantur ad voluntatem divinam, sicut ad aliquid prius, a quo habent necessitatem : cum haec conditionalis sit vera : Si aliquid Deus vult, illud est : omnis autem conditionalis vera est necessaria; sequitur ergo, quod omne, quod Deus vult, sit necessarium absolute.
5543. Wat noodzakelijk is om iets wat voorafgaat, is volstrekt noodzakelijk: zoo moet een dier noodzakelijk sterven, omdat het samengesteld is uit tegenstrijdige elementen. Welnu, de geschapen dingen verhouden zich tot Gods wil als tot iets, wat voorafgaat en dat hun de noodzakelijkheid oplegt, want die voorwaardelijke zin is waar: « Indien God iets wil, dan is het ». Welnu, iedere voorwaardelijke volzin, die waar is, is noodzakelijk. Dus is alles wat God wil volstrekt noodzakelijk.5543. Wat noodzakelijk is om iets wat voorafgaat, is volstrekt noodzakelijk: zo moet een dier noodzakelijk sterven, omdat het samengesteld is uit tegenstrijdige elementen. Welnu, de geschapen dingen verhouden zich tot Gods wil als tot iets, wat voorafgaat en dat hun de noodzakelijkheid oplegt, want die voorwaardelijke zin is waar: “Indien God iets wil, dan is het”. Welnu, iedere voorwaardelijke volzin, die waar is, is noodzakelijk. Dus is alles wat God wil volstrekt noodzakelijk.
Sed contra, omnia bona, quae fiunt, Deus vult fieri. Si igitur ejus voluntas imponat rebus volitis necessitatem, sequitur, quod omnia bona ex necessitate eveniunt. Et sic perit liberum arbitrium, et consilium, et omnia hujusmodi.
Daar kan echter tegen aangevoerd worden, dat al het goede, wat ontstaat, door God gewild is. Indien dus Gods wil de dingen noodzakelijk maakt, dan ontstaat alle goed noodzakelijk. Maar dan is er geen vrijheid en geen overleg meer, of iets dergelijks.
Respondeo dicendum, quod divina voluntas quibusdam volitis necessitatem imponit, non autem omnibus. Cujus quidem rationem aliqui assignare voluerunt ex causis mediis : quia ea, quae producit per causas necessarias, 555sunt necessaria : ea vero, quae producit per causas contingentes, sunt contingentia : sed hoc non videtur sufficienter dictum propter duo. Primo quidem, quia effectus alicujus primae causae est contingens propter causam secundam ex eo, quod impeditur effectus causae primae per defectum causae secundae; sicut virtus solis per defectum plantae impeditur. Nullus autem defectus causae secundae impedire potest, quin voluntas Dei effectum suum producat. Secundo, quia, si distinctio contingentium a necessariis referatur solum in causas secundas, sequitur, hoc esse praeter intentionem, et voluntatem divinam : quod est inconveniens.
Leerstelling. — Gods wil maakt sommige dingen noodzakelijk, maar niet alle. Sommigen nu hebben de reden daarvan in de tusschenoorzaken gezocht: noodzakelijk, meenden ze, is datgene wat God door noodzakelijke oorzaken voortbrengt, toevallig, wat Hij door toevallige oorzaken voortbrengt. Maar 555die verklaring is onvoldoende, en wel om een dubbele reden : ten eerste, omdat het uitwerksel van een eerste oorzaak dan toevallig zou zijn om de tusschenoorzaken, wanneer nl. de werking van de eerste oorzaak door een onvolmaaktheid in de tusschenoorzaken belemmerd wordt: zoo kan de zon al haar kracht niet laten gelden op een zieke plant. Welnu, geen enkele onvolmaaktheid in de ondergeschikte oorzaken kan ooit verhinderen, dat Gods wil zijn uitwerksel zou veroorzaken. Ten tweede, omdat indien het onderscheid tusschen toevalligheid en noodzakelijkheid alleen tot de ondergeschikte oorzaken teruggevoerd wordt, dit onderscheid buiten Gods inzicht en wil valt, en dat is onmogelijk.Leerstelling. — Gods wil maakt sommige dingen noodzakelijk, maar niet alle. Sommigen nu hebben de reden daarvan in de tussenoorzaken gezocht: noodzakelijk, meenden ze, is datgene wat God door noodzakelijke oorzaken voortbrengt, toevallig, wat Hij door toevallige oorzaken voortbrengt. Maar 555die verklaring is onvoldoende, en wel om een dubbele reden: ten eerste, omdat het uitwerksel van een eerste oorzaak dan toevallig zou zijn om de tussenoorzaken, wanneer nl. de werking van de eerste oorzaak door een onvolmaaktheid in de tussenoorzaken belemmerd wordt: zo kan de zon al haar kracht niet laten gelden op een zieke plant. Welnu, geen enkele onvolmaaktheid in de ondergeschikte oorzaken kan ooit verhinderen, dat Gods wil zijn uitwerksel zou veroorzaken. Ten tweede, omdat indien het onderscheid tussen toevalligheid en noodzakelijkheid alleen tot de ondergeschikte oorzaken teruggevoerd wordt, dit onderscheid buiten Gods inzicht en wil valt, en dat is onmogelijk.
Et ideo melius dicendum est, quod hoc contingit propter efficaciam divinae voluntatis. Cum enim aliqua causa efficax fuerit ad agendum, effectus consequitur causam, non tantum secundum id, quod fit, sed etiam secundum modum fiendi, vel essendi. Ex debilitate enim virtutis activae in semine contingit, quod filius nascitur dissimilis patri in accidentibus, quae pertinent ad modum essendi. Cum igitur voluntas divina sit efficacissima, non solum 556sequitur, quod fiant ea, quae Deus vult fieri, sed et quod eo modo fiant, quo Deus ea fieri vult. Vult autem quaedam fieri Deus necessario et quaedam contingenter, ut sit ordo in rebus ad complementum universi. Et ideo quibusdam effectibus aptavit causas necessarias, quae deficere non possunt, ex quibus effectus de necessitate proveniunt : quibusdam autem aptavit causas contingentes defectibiles, ex quibus effectus contingenter eveniunt. Non igitur propterea effectus voliti a Deo eveniunt contingenter, quia causae proximae sunt contingentes : sed propterea quia Deus voluit eos contingenter evenire, contingentes causas ad eos praeparavit.
Daarom wordt het toevallig ontstaan van zekere dingen beter toegeschreven aan de kracht der onfeilbare goddelijke oorzakelijkheid. Wanneer immers een oorzaak een uitwerking heeft, dan vloeit het uitwerksel voort uit de oorzaak, niet alleen in dien zin, dat het gebeurt, maar ook in dien zin, dat het gebeurt op de manier waarop de oorzaak het wou laten gebeuren of zijn. Omdat de werkende kracht van het zaad te kort schiet, gebeurt het b. v., dat een kind van zijn vader verschilt in sommige bijkomstigheden, die tot de zijnswijze 556behooren; maar Gods wil heeft in de hoogste mate een onfeilbare uitwerking, en daarom gebeurt niet alleen wat God wil laten gebeuren, maar gebeurt het ook op die manier, waarop Hij wil. Welnu, God wil, dat sommige dingen op noodzakelijke en andere op wisselvallige wijze gebeuren, om de orde in de dingen en de volkomenheid van het heelal; en daarom voorzag Hij voor sommige uitwerkselen met noodzakelijkheid werkende oorzaken, die een onfeilbaar gevolg hebben, en waar de uitwerkselen noodzakelijk uit voortvloeien; voor andere uitwerkselen voorzag Hij daarentegen wisselvallige oorzaken, die geen onfeilbaar gevolg hebben, en waar de uitwerkselen op wisselvallige wijze uit voortvloeien. Daarom moet men niet zeggen, dat de door God gewilde uitwerkselen op wisselvallige wijze ontstaan, omdat hun onmiddellijke oorzaken wisselvallig zijn, maar wel, dat God wisselvallige oorzaken voorzag, omdat Hij wou, dat die gevolgen wisselvallig zouden zijn.Daarom wordt het toevallig ontstaan van zekere dingen beter toegeschreven aan de kracht van de onfeilbare goddelijke oorzakelijkheid. Wanneer immers een oorzaak een uitwerking heeft, dan vloeit het uitwerksel voort uit de oorzaak, niet alleen in die zin, dat het gebeurt, maar ook in die zin, dat het gebeurt op de manier waarop de oorzaak het wou laten gebeuren of zijn. Omdat de werkende kracht van het zaad te kort schiet, gebeurt het bv., dat een kind van zijn vader verschilt in sommige bijkomstigheden, die tot de zijnswijze 556behoren; maar Gods wil heeft in de hoogste mate een onfeilbare uitwerking, en daarom gebeurt niet alleen wat God wil laten gebeuren, maar gebeurt het ook op die manier, waarop Hij wil. Welnu, God wil, dat sommige dingen op noodzakelijke en andere op wisselvallige wijze gebeuren, om de orde in de dingen en de volkomenheid van het heelal; en daarom voorzag Hij voor sommige uitwerkselen met noodzakelijkheid werkende oorzaken, die een onfeilbaar gevolg hebben, en waar de uitwerkselen noodzakelijk uit voortvloeien; voor andere uitwerkselen voorzag Hij daarentegen wisselvallige oorzaken, die geen onfeilbaar gevolg hebben, en waar de uitwerkselen op wisselvallige wijze uit voortvloeien. Daarom moet men niet zeggen, dat de door God gewilde uitwerkselen op wisselvallige wijze ontstaan, omdat hun onmiddellijke oorzaken wisselvallig zijn, maar wel, dat God wisselvallige oorzaken voorzag, omdat Hij wou, dat die gevolgen wisselvallig zouden zijn.
Ad primum ergo dicendum, quod per illud verbum Augustini intelligenda est necessitas in rebus volitis a Deo non absoluta, sed conditionalis : necesse est enim hanc conditionalem veram esse : si Deus hoc vult, necesse est hoc esse.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Die woorden van Augustinus doelen niet op een volstrekte noodzakelijkheid in de door God gewilde dingen, maar op een voorwaardelijke noodzakelijkheid; die voorwaardelijke zin is immers noodzakelijk waar: Indien God dat wil, dan gebeurt het noodzakelijk.
557Ad secundum dicendum, quod ex hoc ipso, quod nihil voluntati divinae resistit, sequitur, quod non solum fiant ea, quae Deus vult fieri, sed quod fiant contingenter, vel necessario, quae sic fieri vult.
5572. Omdat niets weerstaat aan Gods wil, daarom gebeuren niet alleen de dingen die God laat gebeuren, maar gebeuren ze ook op noodzakelijke of op wisselvallige wijze, volgens Hij het wil.
Ad tertium dicendum, quod posteriora habent necessitatem a prioribus secundum modum priorum. Unde et ea, quae fiunt a voluntate divina, talem necessitatem habent, qualem Deus vult ea habere, scilicet vel absolutam, vel conditionalem tantum. Et sic non omnia sunt necessaria absolute.
3. Is iets noodzakelijk om iets wat voorafgaat, dan is het toch maar noodzakelijk, volgens den aard van wat voorafgaat. Bijgevolg zijn de dingen, die door Gods wil gebeuren, noodzakelijk in zoover God wil, dat ze noodzakelijk zijn, óf volstrekt, óf voorwaardelijk, en daarom is niet alles volstrekt noodzakelijk.3. Is iets noodzakelijk om iets wat voorafgaat, dan is het toch maar noodzakelijk, volgens de aard van wat voorafgaat. Bijgevolg zijn de dingen, die door Gods wil gebeuren, noodzakelijk in zover God wil, dat ze noodzakelijk zijn, óf volstrekt, óf voorwaardelijk, en daarom is niet alles volstrekt noodzakelijk.
Utrum voluntas Dei sit malorum
Wil God het kwaad ?Wil God het kwaad?
Ad nonum sic proceditur. Videtur, quod voluntas Dei sit malorum. Omne enim bonum, quod fit, Deus vult : sed mala fieri bonum est : dicit enim Augustinus in Enchir. [c. 96] : « Quamvis ea, quae mala sunt, inquantum mala 558sunt, non sint bona; tamen ut non solum sint bona, sed etiam ut sint mala, bonum est fieri »; ergo Deus vult mala.
Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God het kwaad wil. Al het goede immers dat gebeurt, is door God gewild. Welnu, het is een goed, dat er iets kwaads gebeurt, volgens het woord van Augustinus in zijn Enchiridion (XCVIe H.) : « Is 558het kwaad als zoodanig niet goed, toch is het goed, dat er niet alleen goed, maar ook kwaad gebeurt. »Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God het kwaad wil. Al het goede immers dat gebeurt, is door God gewild. Welnu, het is een goed, dat er iets kwaads gebeurt, volgens het woord van Augustinus in zijn Enchiridion (96e H.): “Is 558het kwaad als zodanig niet goed, toch is het goed, dat er niet alleen goed, maar ook kwaad gebeurt.”
2. Praeterea, dicit Dionysius 4. cap. de Div. Nom. [S. Th., l. 15] : « Erit malum ad omnis [idest universi] perfectionem conferens ». Et Augustinus dicit in Enchir. [cap. 10 et 11] : « Ex omnibus consistit universitatis admirabilis pulchritudo, in qua etiam illud, quod malum dicitur, bene ordinatum, et loco suo positum. eminentius commendat bona, ut magis placeant, et laudabiliora sint, dum comparantur malis. » Sed Deus vult omne illud, quod pertinet ad perfectionem, et decorem universi; quia hoc est, quod Deus maxime vult in creaturis; ergo Deus vult mala.
2. Dionysius zegt in zijn Boek Over de Goddelijke Namen (IVe H.) : « Het kwade draagt bij tot de volmaaktheid van het geheel », d. i. van het heelal. En Augustinus zegt in zijn Enchiridion (Xe H.) : « Er is niets wat niet bijdraagt tot de wonderbare schoonheid van het heelal, en indien het goed geordend is en op zijn plaats staat, verheft zelf hetgeen men kwaad noemt den luister van het goed, en maakt het door tegenstelling beminnelijker en lofwaardiger. » Welnu, God wil alles wat kan bijdragen tot de volmaaktheid en den luister van het heelal, want dat beoogt Hij vooral in de schepping. Dus wil Hij ook het kwaad.2. Dionysius zegt in zijn Boek Over de Goddelijke Namen (4e H.): “Het kwade draagt bij tot de volmaaktheid van het geheel”, d.i. van het heelal. En Augustinus zegt in zijn Enchiridion (10e H.): “Er is niets wat niet bijdraagt tot de wonderbare schoonheid van het heelal, en indien het goed geordend is en op zijn plaats staat, verheft zelf hetgeen men kwaad noemt de luister van het goed, en maakt het door tegenstelling beminnelijker en lofwaardiger.” Welnu, God wil alles wat kan bijdragen tot de volmaaktheid en de luister van het heelal, want dat beoogt Hij vooral in de schepping. Dus wil Hij ook het kwaad.
3. Praeterea, mala fieri, et non fieri sunt contradictorie opposita : sed Deus non vult mala non fieri; quia, cum mala quaedam fiant, non semper voluntas Dei impleretur; ergo Deus vult mala fieri.
3. Het gebeuren van het kwaad en het niet gebeuren zijn contradictorisch tegengesteld van elkaar. Welnu, God wil niet, dat het kwaad gebeurt, want daar er soms kwaad gebeurt, zou Gods wil niet immer vervuld worden. Bijgevolg wil God, dat er kwaad gebeurt.
Sed contra est, quod dicit Augustinus in lib. 83. QQ. [q. 3.] : « Nullo sapiente homine auctore fit homo deterior : est autem Deus omni sapiente 559homine praestantior; multo igitur minus Deo auctore fit aliquis deterior : illo autem auctore cum dicitur, illo volente dicitur »; non ergo volente Deo fit homo deterior : constat autem, quod quolibet malo fit aliquid deterius; ergo Deus non vult mala.
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt in het Boek der drie en tachtig Vraagstukken (IIIe Kw.) : « Nooit wordt 559iemand slechter onder een wijs bestuur. Maar God is veel wijzer dan alle menschen. Dus zal iemand onder Gods bestuur zeker niet slechter worden. Maar wat aan Gods bestuur wordt toegeschreven, wordt ook toegeschreven aan zijn wil. » Bijgevolg is Gods wil er de oorzaak niet van, dat iemand slechter wordt, maar wel een of ander kwaad. Dus wil God het kwaad niet.Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt in het Boek van de drie en tachtig Vraagstukken (3e Kw.): “Nooit wordt 559iemand slechter onder een wijs bestuur. Maar God is veel wijzer dan alle mensen. Dus zal iemand onder Gods bestuur zeker niet slechter worden. Maar wat aan Gods bestuur wordt toegeschreven, wordt ook toegeschreven aan zijn wil.” Bijgevolg is Gods wil er de oorzaak niet van, dat iemand slechter wordt, maar wel een of ander kwaad. Dus wil God het kwaad niet.
Respondeo dicendum, quod cum ratio boni sit ratio appetibilis, ut supra dictum est [q. 5. art. 1.], malum autem opponatur bono, impossibile est, quod aliquod malum, inquantum hujusmodi, appetatur neque appetitu naturali, neque animali, neque intellectuali, qui est voluntas, sed aliquod malum appetitur per accidens, in quantum consequitur ad aliquod bonum, et hoc apparet in quolibet appetitu. Non enim agens naturale intendit privationem, vel corruptionem, sed formam, cui conjungitur privatio alterius formae, et generationem unius, quae est corruptio alterius. Leo etiam occidens cervum intendit cibum, cui conjungitur occisio animalis : similiter fornicator intendit delectationem, cui conjungitur deformitas culpae.
Leerstelling. — Het goede is naar zijn begrip zelf het begeerlijke, zooals hierboven gezegd is. (Ve Kw., 1e Art.) . Welnu, het kwaad is tegengesteld aan het goed. Het is dus onmogelijk, dat het kwaad als zoodanig begeerlijk is, noch voor de natuurstreving, noch voor het zinnelijk, noch voor het verstandelijk streefvermogen of den wil. Wel kan iets kwaads begeerlijk zijn om bijkomstige redenen, omdat het nl. het gevolg is van iets goeds. En dat gebeurt met ieder streefvermogen : wat immers een werkende oorzaak beoogt, die werkt door haar natuur, is niet het gemis of het vergaan, maar wel het verwerven van den vorm, die met het gemis van den anderen vorm gepaard gaat, en het ontstaan van den vorm, die volgt uit het vergaan van den anderen. De leeuw die het hert doodt, doet het om zich te voeden, maar dat doel bereikt hij door het hert te verslinden; een 560onkuische mensch zondigt om het vleeschelijk genoegen, waarmee het leelijke der zonde gepaard gaat.Leerstelling. — Het goede is naar zijn begrip zelf het begeerlijke, zoals hierboven gezegd is. (5e Kw., 1e Art.) . Welnu, het kwaad is tegengesteld aan het goed. Het is dus onmogelijk, dat het kwaad als zodanig begeerlijk is, noch voor de natuurstreving, noch voor het zinnelijk, noch voor het verstandelijk streefvermogen of de wil. Wel kan iets kwaads begeerlijk zijn om bijkomstige redenen, omdat het nl. het gevolg is van iets goeds. En dat gebeurt met ieder streefvermogen: wat immers een werkende oorzaak beoogt, die werkt door haar natuur, is niet het gemis of het vergaan, maar wel het verwerven van de vorm, die met het gemis van de andere vorm gepaard gaat, en het ontstaan van de vorm, die volgt uit het vergaan van de anderen. De leeuw die het hert doodt, doet het om zich te voeden, maar dat doel bereikt hij door het hert te verslinden; een 560onkuise mens zondigt om het vleselijk genoegen, waarmee het lelijke van de zonde gepaard gaat.
560Malum autem, quod conjungitur alicui bono, est privatio alterius boni. Numquam igitur appeteretur malum, nec per accidens, nisi bonum, cui conjungitur malum, magis appeteretur quam bonum, quod privatur per malum. Nullum autem bonum Deus magis vult, quam suam bonitatem : vult tamen aliquod bonum magis, quam aliud quoddam bonum. Unde malum culpae, quod privat ordinem ad bonum divinum, Deus nullo modo vult ; sed malum naturalis defectus, vel malum poenae vult, volendo aliquod bonum cui conjungitur tale malum. Sicut volendo justitiam vult poenam, et volendo ordinem naturae servari, vult quaedam naturaliter corrumpi.
Welnu, het kwaad, dat met een of ander goed gepaard gaat, is slechts het gemis van een ander goed, en daarom zou iets kwaads nooit nagestreefd worden, zelf niet om een bijkomstige reden, wanneer men het goede, dat met het kwaad verbonden is, niet veel meer bedoelde dan het goede, dat door het kwaad wordt weggenomen. Welnu, God wil geen enkel goed méér dan zijn eigen goed-zijn, hoewel Hij van wat buiten Hem ligt, het eene goed meer kan begeeren dan het ander. Daaruit besluiten we, dat God om geen enkele reden de zondeschuld kan willen, die van het streven naar het goddelijk goed-zijn berooft; wel kan Hij een natuurgebrek of de zondestraf willen, wanneer Hij nl. een goed wil, waarmee dit kwaad verbonden is: zoo wil Hij de straf, omdat Hij rechtvaardig wil zijn, en wil Hij het bederf van zekere dingen, omdat Hij de natuurorde wil bewaren.Welnu, het kwaad, dat met een of ander goed gepaard gaat, is slechts het gemis van een ander goed, en daarom zou iets kwaads nooit nagestreefd worden, zelf niet om een bijkomstige reden, wanneer men het goede, dat met het kwaad verbonden is, niet veel meer bedoelde dan het goede, dat door het kwaad wordt weggenomen. Welnu, God wil geen enkel goed méér dan zijn eigen goed-zijn, hoewel Hij van wat buiten Hem ligt, het ene goed meer kan begeren dan het ander. Daaruit besluiten we, dat God om geen enkele reden de zondeschuld kan willen, die van het streven naar het goddelijk goed-zijn berooft; wel kan Hij een natuurgebrek of de zondestraf willen, wanneer Hij nl. een goed wil, waarmee dit kwaad verbonden is: zo wil Hij de straf, omdat Hij rechtvaardig wil zijn, en wil Hij het bederf van zekere dingen, omdat Hij de natuurorde wil bewaren.
Ad primum ergo dicendum, quod quidam dixerunt, quod, licet Deus non velit mala, vult tamen mala esse, vel fieri; quia, licet mala non sint bona, bonum tamen est mala esse, vel fieri : quod ideo dicebant, quia ea, quae in se mala sunt, ordinantur ad aliquod bonum, quem quidem ordinem importari credebant in hoc, quod dicitur mala esse vel fieri : sed hoc non recte dicitur, 561quia malum non ordinatur ad bonum per se, sed per accidens. Praeter intentionem enim peccantis est, quod ex hoc sequatur aliquod bonum : sicut praeter intentionem tyrannorum fuit,quod ex eorum persecutionibus claresceret patientia Martyrum; et ideo non potest dici, quod talis ordo ad bonum importetur per hoc, quod dicitur, quod malum esse vel fieri sit bonum, quia nihil judicatur secundum illud, quod competit ei per accidens, sed secundum illud, quod competit ei per se.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Sommigen hebben beweerd, dat, ofschoon God het kwaad niet wil, Hij toch het bestaan en het ontstaan van het kwaad wil, want hoewel het kwaad niet goed is, toch is het bestaan en ontstaan van het 561kwaad goed. Dit zeiden ze, omdat ze inzagen, dat iets wat op zichzelf een kwaad is, tot een of ander goed georderd is, en ze meenden, dat die ordening uitgedrukt wordt, wanneer men zegt: het kwaad bestaat en ontstaat. Maar dit is verkeerd, want het kwaad is niet uiteraard tot het goed georderd, maar slechts op bijkomstige wijze. Zoo ligt het niet in de bedoeling van den zondaar, dat er iets goed voortkomt uit de zonde, evenmin als het in de bedoeling van de tyrannen ligt, dat door de vervolgingen het geduld der martelaren uitstraalt. Daarom drukt men de verhouding van het kwade tot het goede niet uit, door te zeggen, dat het goed is, dat het kwaad bestaat of ontstaat. De dingen moeten immers niet beoordeeld worden volgens wat ze op bijkomstige wijze zijn, maar wel volgens wat ze uiteraard zijn.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Sommigen hebben beweerd, dat, ofschoon God het kwaad niet wil, Hij toch het bestaan en het ontstaan van het kwaad wil, want hoewel het kwaad niet goed is, toch is het bestaan en ontstaan van het 561kwaad goed. Dit zeiden ze, omdat ze inzagen, dat iets wat op zichzelf een kwaad is, tot een of ander goed georderd is, en ze meenden, dat die ordening uitgedrukt wordt, wanneer men zegt: het kwaad bestaat en ontstaat. Maar dit is verkeerd, want het kwaad is niet uiteraard tot het goed georderd, maar slechts op bijkomstige wijze. Zo ligt het niet in de bedoeling van de zondaar, dat er iets goed voortkomt uit de zonde, evenmin als het in de bedoeling van de tirannen ligt, dat door de vervolgingen het geduld van de martelaren uitstraalt. Daarom drukt men de verhouding van het kwade tot het goede niet uit, door te zeggen, dat het goed is, dat het kwaad bestaat of ontstaat. De dingen moeten immers niet beoordeeld worden volgens wat ze op bijkomstige wijze zijn, maar wel volgens wat ze uiteraard zijn.
Ad secundum dicendum, quod malum non operatur ad perfectionem, et decorem universi, nisi per accidens, ut dictum est [in solut. ad argum. praec.]. Unde et hoc, quod dicit Dionysius, quod malum est ad universi perfectionem conferens, concludit inducendo quasi ad inconveniens.
2. Het kwaad draagt slechts op bijkomstige wijze bij tot de volkomenheid en den luister van het heelal, zooals hierboven gezegd is (Ant. op de voorg. Bed.) . Daarom besluit Dionysius zijn beschouwing over de wijze waarop het kwaad de heerlijkheid van het heelal bevordert, door te wijzen op de slechte kanten daarvan.2. Het kwaad draagt slechts op bijkomstige wijze bij tot de volkomenheid en de luister van het heelal, zoals hierboven gezegd is (Ant. op de voorg. Bed.) . Daarom besluit Dionysius zijn beschouwing over de wijze waarop het kwaad de heerlijkheid van het heelal bevordert, door te wijzen op de slechte kanten daarvan.
Ad tertium dicendum, quod, licet mala fieri, et mala non fieri contradictorie opponantur, tamen velle mala fieri, et velle mala non fieri non opponuntur contradictorie, cum utrumque sit affirmativum. Deus igitur neque 562vult mala fieri, neque vult mala non fieri, sed vult permittere mala fieri, et hoc est bonum.
3. Dat het kwaad gebeurt, en dat het niet gebeurt, is 562contradictorisch tegengesteld; maar willen, dat het kwaad gebeurt, en willen, dat het kwaad niet gebeurt, is niet contradictorisch tegengesteld, want dat zijn twee bevestigende zinnen. Welnu, God wil, nóch dat het kwaad gebeurt, nóch dat het niet gebeurt, maar Hij wil toelaten, dat het gebeurt. En dit is iets goeds.3. Dat het kwaad gebeurt, en dat het niet gebeurt, is 562contradictorisch tegengesteld; maar willen, dat het kwaad gebeurt, en willen, dat het kwaad niet gebeurt, is niet contradictorisch tegengesteld, want dat zijn twee bevestigende zinnen. Welnu, God wil, nóch dat het kwaad gebeurt, nóch dat het niet gebeurt, maar Hij wil toelaten, dat het gebeurt. En dit is iets goeds.
Utrum Deus habeat liberum arbitrium
Is God vrij ?Is God vrij?
Ad decimum sic proceditur. Videtur, quod Deus non habeat liberum arbitrium. Dicit enim Hieronymus in homil. de Filio prodigo [epist. 21. ad Damasc.] : « Solus Deus est, in quem peccatum non cadit, nec cadere potest : caetera, cum sint liberi arbitrii, in utramque partem flecti possunt, sive suam flectere voluntatem ».
Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God niet vrij is. Hieronymus zegt immers in een van zijn Brieven (XVIe Brief) : « God alleen zondigt niet en kan niet zondigen. De anderen echter kunnen afwijken naar beide kanten, daar zij vrij zijn. »Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God niet vrij is. Hieronymus zegt immers in een van zijn Brieven (16e Brief): “God alleen zondigt niet en kan niet zondigen. De anderen echter kunnen afwijken naar beide kanten, daar zij vrij zijn.”
2. Praeterea, liberum arbitrium est facultas rationis, et voluntatis, qua bonum, et malum eligitur : sed Deus non vult malum, ut dictum est [art. praec.] ; ergo liberum arbitrium non est in Deo.
2. De vrijheid is een eigenschap van verstand en wil, waardoor wij het goed en het kwaad kunnen kiezen. Welnu, God wil het kwaad niet. Dus is Hij niet vrij.
563Sed contra est, quod dicit Ambrosius in lib. de Fide [cap. 6.] : « Spiritus Sanctus dividit singulis, prout vult, idest pro libero voluntatis arbitrio, non pro necessitatis obsequio. »
563Daartegenover staat echter, dat Ambrosius zegt in zijn Boek Over het Geloof (VIe H.) : « De H. Geest deelt zijn gaven aan iedereen mede, zooals het Hem behaagt, d. i. volgens de keus van zijn vrijen wil, en niet uit noodzaak. »563Daartegenover staat echter, dat Ambrosius zegt in zijn Boek Over het Geloof (6e H.): “De H. Geest deelt zijn gaven aan iedereen mede, zoals het Hem behaagt, d.i. volgens de keus van zijn vrijen wil, en niet uit noodzaak.”
Respondeo dicendum, quod liberum arbitrium habemus respectu eorum, quae non necessario volumus, vel naturali instinctu. Non enim ad liberum arbitrium pertinet, quod volumus esse felices, sed ad naturalem instinctum. Unde et alia animalia, quae naturali instinctu moventur ad aliquid, non dicuntur libero arbitrio moveri. Cum igitur Deus ex necessitate suam bonitatem velit, alia vero non ex necessitate, ut supra ostensum est [art. 3. huj. q.], respectu illorum, quae non ex necessitate vult, liberum arbitrium habet.
Leerstelling. — We zijn vrij ten opzichte van wat we noch noodzakelijk, noch uit natuuraandrang willen. Zoo streven we niet naar het geluk uit vrijen wil, maar door natuuraandrang; ook de dieren, die door natuuraandrang tot iets gedreven worden, worden niet vrij genoemd. Daar God noodzakelijk zichzelf wil, maar niet wat buiten Hem ligt, zooals hierboven bewezen is (IIIe Art.) , is Hij vrij ten opzichte van de dingen, die Hij niet noodzakelijk wil.Leerstelling. — We zijn vrij ten opzichte van wat we noch noodzakelijk, noch uit natuuraandrang willen. Zo streven we niet naar het geluk uit vrijen wil, maar door natuuraandrang; ook de dieren, die door natuuraandrang tot iets gedreven worden, worden niet vrij genoemd. Daar God noodzakelijk zichzelf wil, maar niet wat buiten Hem ligt, zoals hierboven bewezen is (3e Art.), is Hij vrij ten opzichte van de dingen, die Hij niet noodzakelijk wil.
Ad primum ergo dicendum, quod Hieronymus videtur excludere a Deo liberum arbitrium non simpliciter, sed solum quantum ad hoc, quod est deflecti in peccatum.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Hieronymus ontkent Gods vrijheid niet in elk opzicht, maar alleen in zoover men door de vrijheid afdwaalt tot de zonde.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Hieronymus ontkent Gods vrijheid niet in elk opzicht, maar alleen in zover men door de vrijheid afdwaalt tot de zonde.
Ad secundum dicendum, quod cum malum culpae dicatur per aversionem a bonitate divina, per quam Deus omnia vult, ut supra ostensum est 564[art. 2.], manifestum est, quod impossibile est eum malum culpae velle. Et tamen ad opposita se habet, in quantum velle potest hoc esse, vel non esse. Sicut et nos, non peccando, possumus velle sedere, et non velle sedere.
2. De zondeschuld is zich afwenden van het goddelijk goed-zijn, waardoor God alles wil, zooals hierboven bewezen is (IIe Art.) . Daaruit blijkt, dat het voor God onmogelijk is, de 564zondeschuld te willen. Toch kan zijn wil op tegengestelde dingen slaan, want Hij kan willen, dat iets gebeurt of niet gebeurt, zooals wij, zonder te zondigen, kunnen willen zitten en niet zitten.2. De zondeschuld is zich afwenden van het goddelijk goed-zijn, waardoor God alles wil, zoals hierboven bewezen is (2e Art.) . Daaruit blijkt, dat het voor God onmogelijk is, de 564zondeschuld te willen. Toch kan zijn wil op tegengestelde dingen slaan, want Hij kan willen, dat iets gebeurt of niet gebeurt, zoals wij, zonder te zondigen, kunnen willen zitten en niet zitten.
Utrum sit distinguenda in Deo voluntas signi
Moet men in God een « willen van het teeken » aannemen?Moet men in God een “willen van het teken” aannemen?
Ad undecimum sic proceditur. Videtur, quod non sit distinguenda in Deo voluntas signi. Sicut enim voluntas Dei est causa rerum, ita et scientia; sed non assignantur aliqua signa ex parte divinae scientiae; ergo neque debent assignari aliqua signa ex parte divinae voluntatis.
Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat men in God geen « willen van het teeken » moet aannemen. Evenals immers Gods wil de oorzaak is van de dingen, zoo is ook zijn kennis er de oorzaak van. Welnu, wij nemen in God geen « kennis van het teeken » aan. Dus moet men in God ook geen « willen van het teeken » aannemen.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat men in God geen “willen van het teken” moet aannemen. Evenals immers Gods wil de oorzaak is van de dingen, zo is ook zijn kennis er de oorzaak van. Welnu, wij nemen in God geen “kennis van het teken” aan. Dus moet men in God ook geen “willen van het teken” aannemen.
2. Praeterea, omne signum, quod non concordat ei, cujus est signum, est falsum. Si igitur signa, quae assignantur circa voluntatem divinam, non concordant divinae voluntati, sunt falsa : si autem concordant, superflue 565assignantur; non igitur sunt aliqua signa circa voluntatem divinam assignanda.
2. Een teeken, dat niet overeenstemt met wat het beteekent, is valsch. Wanneer dus de teekenen die God wil niet overeenkomen met zijn wil, dan zijn ze valsch; en wanneer zij er mee 565overeenkomen, dan zijn ze overbodig. We moeten dus geen « willen van het teeken » aannemen.2. Een teken, dat niet overeenstemt met wat het betekent, is vals. Wanneer dus de tekenen die God wil niet overeenkomen met zijn wil, dan zijn ze vals; en wanneer zij er mee 565overeenkomen, dan zijn ze overbodig. We moeten dus geen “willen van het teken” aannemen.
Sed contra est, quod voluntas Dei est una, cum ipsa sit Dei essentia : quandoque autem pluraliter significatur, ut cum dicitur Ps. 110 [v. 2] : « Magna opera Domini, exquisita in omnes voluntates ejus » ; ergo oportet, quod aliquando signum voluntatis pro voluntate accipiatur.
Daartegenover staat echter, dat Gods wil één is, daar hij hetzelfde is als zijn wezen. Toch wordt er soms in het meervoud gesproken van Gods wil; zooals wanneer men zegt: « Groot zijn Gods werken, verheven in al zijn willen » (Psalm 110,2) . We moeten dus een teeken van Gods wil aanzien voor Gods wil zelf.Daartegenover staat echter, dat Gods wil één is, daar hij hetzelfde is als zijn wezen. Toch wordt er soms in het meervoud gesproken van Gods wil; zoals wanneer men zegt: “Groot zijn Gods werken, verheven in al zijn willen” (Psalm 110,2)a . We moeten dus een teken van Gods wil aanzien voor Gods wil zelf.
Respondeo dicendum, quod in Deo quaedam dicuntur proprie, et quaedam secundum metaphoram, ut ex supra dictis patet [q. 13. art. 3.]. Cum autem aliquae passiones humanae in divinam praedicationem metaphorice assumuntur, hoc fit secundum similitudinem effectus. Unde illud, quod est signum talis passionis in nobis, in Deo nomine illius passionis metaphorice significatur. Sicut apud nos irati punire consueverunt : unde ipsa punitio est signum irae. Et propter hoc ipsa punitio nomine irae significatur, cum Deo 566attribuitur. Similiter id, quod solet esse in nobis signum voluntatis, quandoque metaphorice in Deo voluntas dicitur. Sicut, cum aliquis praecipit aliquid, signum est, quod velit illud fieri. Unde praeceptum divinum quandoque metaphorice voluntas Dei dicitur, secundum illud Matth. 6 [v. 10] : « Fiat voluntas tua, sicut in coelo, et in terra ». Sed hoc distat inter voluntatem et iram; quia ira de Deo nunquam proprie dicitur, cum in suo principali intellectu includat passionem : voluntas autem proprie de Deo dicitur. Et ideo in Deo distinguitur voluntas proprie, et metaphorice dicta. Voluntas enim proprie dicta vocatur voluntas beneplaciti. Voluntas autem metaphorice dicta, est voluntas signi, eo quod ipsum signum voluntas dicitur.
Leerstelling. — Aan God kunnen wij iets toeschrijven, óf in eigenlijken, óf in overdrachtelijken zin, zooals uit het voorgaande blijkt (XIIIe Kw., IIIe Art.) . Zoo worden sommige menschelijke hartstochten toegeschreven aan God, volgens de overeenkomst van de uitwerkselen, en wat bij ons het teeken is van een of anderen hartstocht, dat schrijven we figuurlijk toe aan God, door den naam van dien hartstocht toe te passen op God. Zoo straft een mensch gewoonlijk, wanneer hij vergramd is, en daarom is de straf zelf een teeken van gramschap, en wordt zij door gramschap bedoeld, wanneer we dat woord toepassen op God. En op dezelfde wijze wordt datgene, wat bij ons een teeken is van onze wilsakten, figuurlijk Gods wil genoemd. Indien iemand 566bv. iets beveelt, dan is dit bevel er een teeken van, dat hij wil, dat het gedaan wordt, en daarom wordt een bevel van God op figuurlijke wijze zijn wil genoemd, zooals bij Mattheus (6, 10) : « Uw wil geschiede op aarde zooals in den hemel. » Toch is er een verschil tusschen den wil en de gramschap: de gramschap is immers bij God uitgesloten in den eigenlijken zin van het woord, daar zij op de voornaamste plaats een hartstocht is, terwijl God wel een wil heeft in den eigenlijken zin van het woord. Daarom maken we onderscheid tusschen Gods wil in eigenlijken en in figuurlijken zin. Zijn wil in eigenlijken zin noemen we den wil van welbehagen; zijn wil in figuurlijken zin, den wil van het teeken; omdat het teeken van den wil zelf wil genoemd wordt.Leerstelling. — Aan God kunnen wij iets toeschrijven, óf in eigenlijken, óf in overdrachtelijke zin, zoals uit het voorgaande blijkt (13e Kw., 3e Art.) . Zo worden sommige menselijke hartstochten toegeschreven aan God, volgens de overeenkomst van de uitwerkselen, en wat bij ons het teken is van een of andere hartstocht, dat schrijven we figuurlijk toe aan God, door de naam van die hartstocht toe te passen op God. Zo straft een mens gewoonlijk, wanneer hij vergramd is, en daarom is de straf zelf een teken van gramschap, en wordt zij door gramschap bedoeld, wanneer we dat woord toepassen op God. En op dezelfde wijze wordt datgene, wat bij ons een teken is van onze wilsacten, figuurlijk Gods wil genoemd. Indien iemand 566bv. iets beveelt, dan is dit bevel er een teken van, dat hij wil, dat het gedaan wordt, en daarom wordt een bevel van God op figuurlijke wijze zijn wil genoemd, zoals bij Matteüs (6, 10): “Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.” Toch is er een verschil tussen de wil en de gramschap: de gramschap is immers bij God uitgesloten in de eigenlijke zin van het woord, daar zij op de voornaamste plaats een hartstocht is, terwijl God wel een wil heeft in de eigenlijke zin van het woord. Daarom maken we onderscheid tussen Gods wil in eigenlijken en in figuurlijke zin. Zijn wil in eigenlijke zin noemen we de wil van welbehagen; zijn wil in figuurlijke zin, de wil van het teken; omdat het teken van de wil zelf wil genoemd wordt.
Ad primum ergo dicendum, quod scientia non est causa eorum, quae fiunt, nisi per voluntatem. Non enim quae scimus, facimus, nisi velimus ; et ideo signum non attribuitur scientiae, sicut attribuitur voluntati.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. De kennis is geen oorzaak van de dingen, tenzij door den wil. We werken immers niet uit wat we kennen, wanneer wij het niet willen. Dus moet men niet spreken van het kennen van het teeken, zooals we spreken van het willen van het teeken.Antwoord op de bedenkingen. — 1. De kennis is geen oorzaak van de dingen, tenzij door de wil. We werken immers niet uit wat we kennen, wanneer wij het niet willen. Dus moet men niet spreken van het kennen van het teken, zoals we spreken van het willen van het teken.
Ad secundum dicendum, quod signa voluntatis dicuntur voluntates divinae, non quia sint signa, quod Deus velit : sed quia ea, quae in nobis 567solent esse signa volendi, in Deo divinae voluntates dicuntur. Sicut punitio non est signum, quod in Deo sit ira, sed punitio ex eo ipso, quod in nobis est signum irae, in Deo dicitur ira.
2. De teekenen van Gods wil noemt men « goddelijke willen », niet omdat ze aanduiden, dat God wil, maar omdat iets 567wat voor ons een teeken is van ons willen, wil genoemd wordt bij God. Zoo duidt de straf niet aan, dat God werkelijk vergramd is, maar wordt ze alleen bij God gramschap genoemd, omdat ze bij ons een teeken is van gramschap.2. De tekenen van Gods wil noemt men “goddelijke willen”, niet omdat ze aanduiden, dat God wil, maar omdat iets 567wat voor ons een teken is van ons willen, wil genoemd wordt bij God. Zo duidt de straf niet aan, dat God werkelijk vergramd is, maar wordt ze alleen bij God gramschap genoemd, omdat ze bij ons een teken is van gramschap.
Utrum convenienter circa divinam voluntatem ponantur quinque signa
Moet men in God vijf verschillende « willen van het teeken » aannemen ?Moet men in God vijf verschillende “willen van het teken” aannemen?
Ad duodecimum sic proceditur. Videtur, quod inconvenienter circa divinam voluntatem ponantur quinque signa, scilicet prohibitio, praeceptum, consilium, operatio, et permissio. Nam eadem, quae nobis praecipit Deus, vel consulit, in nobis quandoque operatur, et eadem, quae prohibet, quandoque permittit; ergo non debent ex opposito dividi.
Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat men in God de volgende vijf « willen van het teeken » niet moet aannemen: het verbod, het bevel, de raad, de werking, de toelating. God werkt immers soms in ons uit, wat Hij gebiedt of aanraadt, en wat Hij verbiedt laat Hij soms toe. Die teekenen moeten dus niet tegen elkaar gesteld worden.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat men in God de volgende vijf “willen van het teken” niet moet aannemen: het verbod, het bevel, de raad, de werking, de toelating. God werkt immers soms in ons uit, wat Hij gebiedt of aanraadt, en wat Hij verbiedt laat Hij soms toe. Die tekenen moeten dus niet tegen elkaar gesteld worden.
2. Praeterea, nihil Deus operatur, nisi volens, ut dicitur Sap. 11 [v. 56825, 26]. Sed voluntas signi distinguitur a voluntate beneplaciti; ergo operatio sub voluntate signi comprehendi non debet.
2. « God werkt niets uit, tenzij wanneer Hij het wil », zooals in het Boek der Wijsheid gezegd wordt (11,25-26) . Welnu de wil van het teeken verschilt van den wil van welbehagen. 568Bijgevolg moet de werking niet gerangschikt worden onder den wil van het teeken.2. “God werkt niets uit, tenzij wanneer Hij het wil”, zoals in het Boek van de Wijsheid gezegd wordt (11,25-26) . Welnu de wil van het teken verschilt van de wil van welbehagen. 568Bijgevolg moet de werking niet gerangschikt worden onder de wil van het teken.
3. Praeterea, operatio, et permissio communiter ad omnes creaturas pertinent; quia in omnibus Deus operatur, et in omnibus aliquid fieri permittit : sed praeceptum, consilium, et prohibitio pertinent ad solam rationalem creaturam; ergo non veniunt convenienter in unam divisionem, cum non sint unius ordinis.
3. Iets uitwerken en iets toelaten komt gewoonlijk voor met betrekking tot alle geschapen wezens, daar God in alles werkt, en met betrekking tot alles een of ander toelaat. Gebieden echter, aanraden en verbieden hebben alleen betrekking op de verstandelijke wezens. Dus mogen die verschillende teekenen niet in een zelfde opsomming voorkomen, want ze behooren niet tot dezelfde orde.3. Iets uitwerken en iets toelaten komt gewoonlijk voor met betrekking tot alle geschapen wezens, daar God in alles werkt, en met betrekking tot alles een of ander toelaat. Gebieden echter, aanraden en verbieden hebben alleen betrekking op de verstandelijke wezens. Dus mogen die verschillende tekenen niet in een zelfde opsomming voorkomen, want ze behoren niet tot dezelfde orde.
4. Praeterea, malum pluribus modis contingit, quam bonum; quia bonum contingit uno modo, sed malum omnifariam; ut patet per Philosophum in 2. Eth. [cap. 6.], et per Dionysium in 4. cap. de Div. Nom. Inconvenienter igitur respectu mali assignatur unum signum tantum, scilicet prohibitio; respectu vero boni duo signa, scilicet consilium et praeceptum.
4. Het kwaad gebeurt op meer verschillende manieren dan het goed. Het goed immers gebeurt maar op één manier, maar het kwaad gebeurt op allerlei manieren, zooals de Wijsgeer zegt in het IIe Boek der Ethica (VIe H., Nr 14) , en zooals ook Dionysius zegt in zijn werk Over de Goddelijke Namen (IVe H.) . Men kan dus bezwaarlijk aannemen, dat er maar één wil zou zijn van het teeken, met betrekking tot het kwaad, nl. het verbod, en twee met betrekking tot het goed, nl. de raad en het gebod.4. Het kwaad gebeurt op meer verschillende manieren dan het goed. Het goed immers gebeurt maar op één manier, maar het kwaad gebeurt op allerlei manieren, zoals de Wijsgeer zegt in het 2e Boek van de Ethica (6e H., Nr 14), en zoals ook Dionysius zegt in zijn werk Over de Goddelijke Namen (4e H.) . Men kan dus bezwaarlijk aannemen, dat er maar één wil zou zijn van het teken, met betrekking tot het kwaad, nl. het verbod, en twee met betrekking tot het goed, nl. de raad en het gebod.
Respondeo dicendum, quod hujusmodi signa voluntatis dicuntur ea, quibus consuevimus demonstrare nos aliquid velle. Potest autem aliquis 569declarare se velle aliquid vel per seipsum, vel per alium. Per seipsum quidem, inquantum facit aliquid vel directe, vel indirecte et per accidens. Directe quidem, cum per se aliquid operatur : et quantum ad hoc dicitur esse signum operatio. Indirecte autem, inquantum non impedit operationem : nam removens prohibens dicitur movens per accidens, ut dicitur in 8. Physic. [cap. 4. S. Th., l. 8]. Et quantum ad hoc dicitur signum permissio. Per alium autem declarat se aliquid velle, inquantum ordinat alium ad aliquid faciendum; vel necessaria inductione, quod fit praecipiendo, quod quis vult, et prohibendo contrarium; vel aliqua persuasoria inductione, quod pertinet ad consilium.
Leerstelling. — Datgene waardoor wij gewoonlijk aanduiden, dat we iets willen, noemen we teekenen van onzen wil. Welnu, men kan verklaren dat men iets wil, óf door zichzelf, óf 569door een ander. Op de eerste plaats door zichzelf, in zoover men iets uitwerkt, hetzij rechtstreeks, hetzij zijdelings en toevallig; rechtstreeks, wanneer men het zelf uitvoert, en dan is de werking zelf een teeken van den wil; zijdelings, wanneer men de werking niet verhindert: wie immers een beletsel wegneemt, wordt als een bijkomstige oorzaak aangezien, zooals gezegd wordt in het VIIIe Boek der Physica (IVe H., Nr 6) , en met het oog daarop, spreekt men van de toelating. Op de tweede plaats kan men uiting geven aan zijn wil, door een ander, in zoover men een ander er toe beweegt om iets te doen, hetzij door een bevel, dat aanduidt wat men wil, hetzij door het tegendeel te verbieden, hetzij door iemand trachten te overreden, en dat is de raad.Leerstelling. — Datgene waardoor wij gewoonlijk aanduiden, dat we iets willen, noemen we tekenen van onze wil. Welnu, men kan verklaren dat men iets wil, óf door zichzelf, óf 569door een ander. Op de eerste plaats door zichzelf, in zover men iets uitwerkt, hetzij rechtstreeks, hetzij zijdelings en toevallig; rechtstreeks, wanneer men het zelf uitvoert, en dan is de werking zelf een teken van de wil; zijdelings, wanneer men de werking niet verhindert: wie immers een beletsel wegneemt, wordt als een bijkomstige oorzaak aangezien, zoals gezegd wordt in het 8e Boek van de Fysica (4e H., Nr 6), en met het oog daarop, spreekt men van de toelating. Op de tweede plaats kan men uiting geven aan zijn wil, door een ander, in zover men een ander er toe beweegt om iets te doen, hetzij door een bevel, dat aanduidt wat men wil, hetzij door het tegendeel te verbieden, hetzij door iemand trachten te overreden, en dat is de raad.
Quia igitur his modis declaratur aliquem velle aliquid, propter hoc ista quinque nominantur interdum nomine voluntatis divinae tamquam signa voluntatis. Quod enim praeceptum, consilium, et prohibitio dicantur Dei voluntas, patet per id, quod dicitur Matth. 6 [v. 10] : « Fiat voluntas tua, sicut in coelo, et in terra. » Quod autem permissio, vel operatio dicantur Dei voluntas, patet per Augustinum qui dicit in Enchir. [cap. 95] : « Nihil fit, nisi Omnipotens fieri velit, vel sinendo, ut fiat, vel faciendo. »
Omdat nu op verschillende manieren wordt aangeduid, dat iemand iets wil, worden die vijf teekenen soms goddelijke willen genoemd, als teekenen van zijn wil. Dat het gebod, de raad en het verbod Gods wil genoemd worden, blijkt uit Mattheus (6,10) : « Uw wil geschiede op aarde, zooals in den hemel »; dat de toelating en de werking Gods wil genoemd worden, blijkt uit Augustinus, die in zijn Enchiridion (XCVe H.) zegt: « Niets 570gebeurt zonder den wil van den Almachtige, die het laat gebeuren of het uitwerkt. »Omdat nu op verschillende manieren wordt aangeduid, dat iemand iets wil, worden die vijf tekenen soms goddelijke willen genoemd, als tekenen van zijn wil. Dat het gebod, de raad en het verbod Gods wil genoemd worden, blijkt uit Matteüs (6,10): “Uw wil geschiede op aarde, zoals in de hemel”; dat de toelating en de werking Gods wil genoemd worden, blijkt uit Augustinus, die in zijn Enchiridion (95e H.) zegt: “Niets 570gebeurt zonder de wil van de Almachtige, die het laat gebeuren of het uitwerkt.”
570Vel potest dici, quod permissio, et operatio referuntur ad praesens; permissio quidem ad malum, operatio vero ad bonum : ad futurum vero prohibitio respectu mali; respectu vero boni necessarii praeceptum; respectu vero superabundantis boni consilium.
Men kan echter ook zeggen, dat de toelating en de werking betrekking hebben op het heden, zóó dat de toelating slaat op het kwaad, en de werking op het goed; ook kan men zeggen, dat het verbod, het gebod en de raad betrekking hebben op de toekomst; het verbod slaat op het kwaad, het gebod op het noodzakelijk goed, de raad op het niet opgelegde goed.Men kan echter ook zeggen, dat de toelating en de werking betrekking hebben op het heden, zó dat de toelating slaat op het kwaad, en de werking op het goed; ook kan men zeggen, dat het verbod, het gebod en de raad betrekking hebben op de toekomst; het verbod slaat op het kwaad, het gebod op het noodzakelijk goed, de raad op het niet opgelegde goed.
Ad primum ergo dicendum, quod nihil prohibet circa eandem rem aliquem diversimode declarare se aliquid velle; sicut inveniuntur multa nomina idem significantia. Unde nihil prohibet, idem subjacere praecepto, et consilio, et operationi, et prohibitioni, vel permissioni.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Er is niets bezwaarlijks in het feit, dat iemand met betrekking tot hetzelfde op verschillende wijzen zijn wil uitdrukt, zooals er ook verschillende namen zijn om eenzelfde ding aan te duiden. Eenzelfde ding kan bijgevolg het voorwerp zijn van een gebod, een raad, een werking, een verbod of een toelating.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Er is niets bezwaarlijks in het feit, dat iemand met betrekking tot hetzelfde op verschillende wijzen zijn wil uitdrukt, zoals er ook verschillende namen zijn om eenzelfde ding aan te duiden. Eenzelfde ding kan bijgevolg het voorwerp zijn van een gebod, een raad, een werking, een verbod of een toelating.
Ad secundum dicendum, quod, sicut Deus potest significari metaphorice velle id, quod non vult voluntate proprie accepta, ita potest metaphorice significari velle id, quod proprie vult. Unde nihil prohibet, de eodem esse voluntatem beneplaciti, et voluntatem signi : sed operatio semper est eadem cum voluntate beneplaciti, non autem praeceptum, vel consilium : tum quia haec est de praesenti, illud de futuro : tum quia haec per se est effectus voluntatis, illud autem per alium, ut dictum est [in corp. art.].
2. Evenals men in figuurlijken zin kan zeggen, dat God iets wil wat Hij in eigenlijken zin niet wil, zoo kan men ook op figuurlijke wijze iets aanduiden, wat Hij wil in den eigenlijken zin van het woord. Bijgevolg kan er voor hetzelfde ding een « wil van het teeken » en een « wil van welbehagen » zijn. De werking echter komt altijd overeen met den wil van welbehagen, 571maar niet het gebod of de raad, omdat de werking op het heden slaat, het gebod daarentegen op de toekomst, en ook omdat de werking uiteraard het gevolg is van den wil, terwijl het gebod en de raad den wil aanduiden door middel van een ander.2. Evenals men in figuurlijke zin kan zeggen, dat God iets wil wat Hij in eigenlijke zin niet wil, zo kan men ook op figuurlijke wijze iets aanduiden, wat Hij wil in de eigenlijke zin van het woord. Bijgevolg kan er voor hetzelfde ding een “wil van het teken” en een “wil van welbehagen” zijn. De werking echter komt altijd overeen met de wil van welbehagen, 571maar niet het gebod of de raad, omdat de werking op het heden slaat, het gebod daarentegen op de toekomst, en ook omdat de werking uiteraard het gevolg is van de wil, terwijl het gebod en de raad de wil aanduiden door middel van een ander.
571Ad tertium dicendum, quod creatura rationalis est domina sui actus, et ideo circa ipsam specialia quaedam signa divinae voluntatis assignantur, inquantum rationalem creaturam Deus ordinat ad agendum voluntarie, et per se : sed aliae creaturae non agunt, nisi motae ex operatione divina. Et ideo circa alias non habent locum, nisi operatio, et permissio.
3. De verstandelijke schepselen zijn meester over hun handelingen, en daarom worden er voor hen bizondere teekenen van Gods wil aangegeven, in zoover God het verstandelijk schepsel er toe ordent om vrijwillig en door zichzelf te handelen. De andere schepselen echter handelen niet, tenzij in zoover ze door God bewogen worden, en daarom kan er bij hen slechts spraak zijn van werking en toelating.3. De verstandelijke schepselen zijn meester over hun handelingen, en daarom worden er voor hen bizondere tekenen van Gods wil aangegeven, in zover God het verstandelijk schepsel er toe ordent om vrijwillig en door zichzelf te handelen. De andere schepselen echter handelen niet, tenzij in zover ze door God bewogen worden, en daarom kan er bij hen slechts spraak zijn van werking en toelating.
Ad quartum dicendum, quod omne malum culpae, licet multipliciter contingat, tamen in hoc convenit, quod discordat a voluntate divina. Et ideo unum signum respectu malorum assignatur, scilicet prohibitio : sed diversimode bona se habent ad bonitatem divinam, quia quaedam sunt, sine quibus fruitionem divinae bonitatis consequi non possumus; et respectu horum est praeceptum : quaedam vero sunt, quibus perfectius consequimur; et respectu horum est consilium. Vel dicendum, quod consilium est non solum de melioribus bonis assequendis, sed etiam de minoribus malis vitandis.
4. Hoewel de zonde op talrijke wijzen voorkomt, toch is het aan elke zonde eigen, af te wijken van Gods wil. En daarom is met betrekking tot het kwaad één teeken voldoende, nl. het verbod. Maar het goede verhoudt zich op verschillende wijze tot Gods goed-zijn, want er zijn sommige goede daden, zonder welke wij Gods goed-zijn niet kunnen genieten, en die daden worden ons dan ook opgelegd. Door andere daden komen we op volkomener wijze tot die Godsgenieting, en die daden worden ons aangeraden. Ofschoon men ook kan zeggen, dat de raad niet alleen betrekking heeft op het bereiken van een beter goed, maar ook op het vluchten van minder kwaad.4. Hoewel de zonde op talrijke wijzen voorkomt, toch is het aan elke zonde eigen, af te wijken van Gods wil. En daarom is met betrekking tot het kwaad één teken voldoende, nl. het verbod. Maar het goede verhoudt zich op verschillende wijze tot Gods goed-zijn, want er zijn sommige goede daden, zonder welke wij Gods goed-zijn niet kunnen genieten, en die daden worden ons dan ook opgelegd. Door andere daden komen we op volkomener wijze tot die Godsgenieting, en die daden worden ons aangeraden. Ofschoon men ook kan zeggen, dat de raad niet alleen betrekking heeft op het bereiken van een beter goed, maar ook op het vluchten van minder kwaad.