Theologische Summa · Prima Pars · Hoe God niet isSumma · I · Hoe God niet isSumma · I · Kw. 3Kw. 3
Quaestio III

De Dei simplicitate

Kwestie 3

Over Gods enkelvoudigheid

(Acht artikelen)

57Cognito de aliquo an sit, inquirendum restat quomodo sit, ut sciatur de eo quid sit. Sed quia de Deo scire non possumus quid sit, sed quid non sit, non possumus considerare de Deo quomodo sit, sed potius quomodo non sit.

57Wanneer wij van een wezen eenmaal weten dat het bestaat, dienen wij na te gaan hoedanig het is, om zijn wezenheid te leeren kennen. Aangezien wij echter van God niet kunnen weten wat Hij is, maar alleen wat Hij niet is, kunnen wij eigenlijk niet onderzoeken hoedanig God is, maar wel hoedanig Hij niet is, en vragen wij ons af :57Wanneer wij van een wezen eenmaal weten dat het bestaat, dienen wij na te gaan hoedanig het is, om zijn wezenheid te leren kennen. Aangezien wij echter van God niet kunnen weten wat Hij is, maar alleen wat Hij niet is, kunnen wij eigenlijk niet onderzoeken hoedanig God is, maar wel hoedanig Hij niet is, en vragen wij ons af:

Primo ergo considerandum est quomodo non sit; secundo, quomodo a nobis cognoscatur; tertio, quomodo nominetur.

1° Hoedanig Hij niet is; 2° Hoe wij Hem kennen; 3° Hoe wij Hem noemen.1. Hoedanig Hij niet is; 2. Hoe wij Hem kennen; 3. Hoe wij Hem noemen.

Potest autem ostendi de Deo quomodo non sit, removendo ab eo ea quae ei non conveniunt, utpote compositionem, motum, et alia hujusmodi. Primo ergo inquiretur de simplicitate ipsius, per quam removetur ab eo compositio. Et quia simplicia in rebus corporalibus sunt imperfecta et partes, 58secundo inquiretur de perfectione ipsius; tertio, de infinitate ejus; quarto, de immutabilitate; quinto, de unitate.

Nu kan men aantoonen hoedanig God niet is, door van Hem uit te sluiten wat Hem niet toekomt, zooals samenstelling, verandering, en dergelijke. Wij dienen dus eerst te handelen over zijn enkelvoudigheid, waardoor de samenstelling wordt uitgesloten. En aangezien de enkelvoudige dingen in de stoffelijke wereld onvolmaakt zijn en uit deelen bestaan, moeten we ten 2e over Gods volmaaktheid handelen, ten 3e zijn oneindigheid, ten 4e zijn onveranderlijkheid, en ten 5e zijn eenheid beschouwen.Nu kan men aantonen hoedanig God niet is, door van Hem uit te sluiten wat Hem niet toekomt, zoals samenstelling, verandering, en dergelijke. Wij dienen dus eerst te handelen over zijn enkelvoudigheid, waardoor de samenstelling wordt uitgesloten. En aangezien de enkelvoudige dingen in de stoffelijke wereld onvolmaakt zijn en uit delen bestaan, moeten we ten tweede over Gods volmaaktheid handelen, ten derde zijn oneindigheid, ten vierde zijn onveranderlijkheid, en ten vijfde zijn eenheid beschouwen.

Circa primum quaeruntur octo : 1. Utrum Deus sit corpus, scilicet compositionem habens ex partibus quantitatis. — 2. Utrum sit in eo compositio materiae et formae. — 3. Utrum sit in eo compositio quidditatis, sive essentiae vel naturae, et subjecti. — 4. Utrum sit in eo compositio quae est ex essentia et esse. — 5. Utrum sit in eo compositio generis et differentiae. — 6. Utrum sit in eo compositio subjecti et accidentis. — 7. Utrum sit quocumque modo compositus, vel totaliter simplex. — 8. Utrum veniat in compositionem cum aliis.

58De eerste verhandeling wordt uitgewerkt in acht artikelen : 1e Is God lichamelijk, d. i. samengesteld uit kwantitatieve deelen? 2e Is Hij samengesteld uit stof en vorm? 3e Is er bij Hem samenstelling van de watheid, wezenheid, of natuur, met het subjekt? 4e Is er bij Hem samenstelling van wezenheid en bestaan? 5e Is er bij Hem samenstelling van geslacht en soortelijk verschil? 6e Is er bij Hem samenstelling van subjekt en bijkomstigheid? 7e Is Hij eenigerwijze samengesteld of geheel enkelvoudig? 8e Maakt Hij deel uit van andere wezens?58De eerste verhandeling wordt uitgewerkt in acht artikelen: 1. Is God lichamelijk, d.i. samengesteld uit kwantitatieve delen? 2. Is Hij samengesteld uit stof en vorm? 3. Is er bij Hem samenstelling van de watheid, wezenheid, of natuur, met het subject? 4. Is er bij Hem samenstelling van wezenheid en bestaan? 5. Is er bij Hem samenstelling van geslacht en soortelijk verschil? 6. Is er bij Hem samenstelling van subject en bijkomstigheid? 7. Is Hij enigerwijze samengesteld of geheel enkelvoudig? 8. Maakt Hij deel uit van andere wezens?

Articulus I

Utrum Deus sit corpus

[1 Cont. Gent., cap. 20; 2, cap. 3; Compend. Theol., cap. 16.]
Ie Artikel

Is God lichamelijk?

antwoord 1 ↓

Ad primum sic proceditur. Videtur quod Deus sit corpus. Corpus enim est quod habet trinam dimensionem. Sed sacra Scriptura attribuit Deo trinam 59dimensionem : dicitur enim Job 11 [v. 8] : « Excelsior caelo est, et quid facies? profundior inferno, et unde cognosces? longior terra mensura ejus, et latior mari. » Ergo Deus est corpus.

Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God een lichamelijk wezen is. Immers al wat de driedubbele afmeting bezit is 59lichamelijk. Welnu, de H. Schrift kent aan God een driedubbele afmeting toe. We lezen immers bij Job (11, 8 vv.) : « Hij is boven de hemelen verheven, en wat kunt gij doen? dieper dan de afgrond, en hoe kunt gij hem kennen? Hij strekt zich verder uit dan de aarde en de zee ». God is dus een lichaam.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God een lichamelijk wezen is. Immers al wat de driedubbele afmeting bezit is 59lichamelijk. Welnu, de H. Schrift kent aan God een driedubbele afmeting toe. We lezen immers bij Job (11, 8 vv.): “Hij is boven de hemelen verheven, en wat kunt gij doen? dieper dan de afgrond, en hoe kunt gij hem kennen? Hij strekt zich verder uit dan de aarde en de zee”. God is dus een lichaam.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, omne figuratum est corpus, cum figura sit qualitas circa quantitatem. Sed Deus videtur esse figuratus, cum scriptum sit Gen. 1, [v. 26] : « Faciamus hominem ad imaginem et similitudinem nostram » : figura enim imago dicitur, secundum illud Heb. 1 [v. 3] : « Cum sit splendor gloriae, et figura substantiae ejus », idest imago. Ergo Deus est corpus.

2. Al wat een zekere gedaante heeft is lichamelijk, daar de gedaante een hoedanigheid der hoegrootheid is. Welnu God heeft een zekere gedaante, aangezien in het Boek der Schepping (1, 26) gezegd wordt : « Maken wij den mensch naar ons beeld en gelijkenis. » Beeld nu is hetzelfde als gedaante, naar den Brief aan de Hebreërs (1, 3) : « Aangezien hij de luister zijner glorie is en de gedaante zijner zelfstandigheid », d. i. het beeld. God is dus een lichaam.2. Al wat een zekere gedaante heeft is lichamelijk, daar de gedaante een hoedanigheid van de hoegrootheid is. Welnu God heeft een zekere gedaante, aangezien in het Boek van de Schepping (1, 26) gezegd wordt: “Maken wij de mens naar ons beeld en gelijkenis.” Beeld nu is hetzelfde als gedaante, naar de Brief aan de Hebreërs (1, 3): “Aangezien hij de luister van zijn glorie is en de gedaante van zijn zelfstandigheid”, d.i. het beeld. God is dus een lichaam.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, omne quod habet partes corporeas, est corpus. Sed semper Scriptura attribuit Deo partes corporeas : dicitur enim Job 40, [v. 4] : « Si habes brachium ut Deus »; et in Psal. 33 [v. 16] et 117 [v. 16] : « Oculi Domini super justos »; et, « dextera Domini fecit virtutem ». Ergo Deus est corpus.

3. Lichaam is al wat lichamelijke deelen heeft. Welnu de H. Schrift kent aan God lichamelijke deelen toe, b. v. bij Job (40, 4) : « Hebt gij een arm zooals God? », en in Psalm 33, 16, of 117, 16 : « Gods oogen zijn gericht op de rechtvaardigen, en Gods rechterhand heeft kracht vertoond ». God is dus een lichaam.3. Lichaam is al wat lichamelijke delen heeft. Welnu de H. Schrift kent aan God lichamelijke delen toe, bv. bij Job (40, 4)b: “Hebt gij een arm zoals God?”, en in Psalm 33, 16a, of 117, 16: “Gods ogen zijn gericht op de rechtvaardigen, en Gods rechterhand heeft kracht vertoond”. God is dus een lichaam.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, situs non competit nisi corpori. Sed ea quae ad situm 60pertinent, in Scripturis dicuntur de Deo : dicitur enim Isa. 6, [v. 1] : « Vidi Dominum sedentem »; et Isa. 3, [v. 13] : « Stat ad judicandum Dominus ». Ergo Deus est corpus.

4. Alleen de lichamelijke dingen hebben een houding. Welnu 60volgens de H. Schrift heeft ook God een houding. We lezen b.v. bij Isaïas (6, 1) : « Ik heb God gezien, neergezeten », en (3, 13) : « De Heer staat recht om te oordeelen ». God is dus lichamelijk.4. Alleen de lichamelijke dingen hebben een houding. Welnu 60volgens de H. Schrift heeft ook God een houding. We lezen bv. bij Jesaja (6, 1): “Ik heb God gezien, neergezeten”, en (3, 13): “De Heer staat recht om te oordelen”. God is dus lichamelijk.

antwoord 5 ↓

5. Praeterea, nihil potest esse terminus localis a quo vel ad quem, nisi sit corpus vel aliquid corporeum. Sed Deus in Scriptura dicitur esse terminus localis ut ad quem, secundum illud Psalm. 33, [v. 6] : « Accedite ad eum, et illuminamini »; et ut a quo, secundum illud Jerem. 17, [v. 13] : « Recedentes a te in terra scribentur ». Ergo Deus est corpus.

5. Alleen een lichaam of iets lichamelijks kan uitgangspunt of eindpunt zijn van plaatselijke beweging. Welnu, God wordt in de Schriftuur voorgesteld als het eindpunt van plaatselijke beweging. Psalm 33, 6, lezen we immers : « Nadert tot Hem, en gij zult verlicht worden ». Ook als een uitgangspunt van plaatselijke beweging stelt de Schrift God voor. Jeremias zegt immers (17, 13) : « Zij die zich van U verwijderen, zullen op de aarde opgeschreven worden. » God is dus een lichaam.5. Alleen een lichaam of iets lichamelijks kan uitgangspunt of eindpunt zijn van plaatselijke beweging. Welnu, God wordt in de Schriftuur voorgesteld als het eindpunt van plaatselijke beweging. Psalm 33, 6c, lezen we immers: “Nadert tot Hem, en gij zult verlicht worden”. Ook als een uitgangspunt van plaatselijke beweging stelt de Schrift God voor. Jeremia zegt immers (17, 13): “Zij die zich van U verwijderen, zullen op de aarde opgeschreven worden.” God is dus een lichaam.

Sed contra est quod dicitur Joan. 4, [v. 24] : « Spiritus est Deus ».

Dit is echter onaannemelijk, want we lezen bij Johannes (4, 24) : « God is een geest ».Dit is echter onaannemelijk, want we lezen bij Johannes (4, 24): “God is een geest”.

Respondeo dicendum absolute Deum non esse corpus. Quod quidem tripliciter ostendi potest. Primo quidem, quia nullum corpus movet non motum : ut patet inducendo per singula. Ostensum est autem supra [qu. 2, art. 3] quod Deus est primum movens immobile. Unde manifestum est quod Deus non est corpus.

Leerstelling. — God is volstrekt geen lichaam, wat op een drievoudige wijze kan bewezen worden : 1e Een lichaam kan niet bewegen zonder bewogen te worden, zooals de ervaring het ons aanhoudend leert. Welnu, hierboven (IIe Kw., 3e Art.) werd bewezen dat God de eerste onbewogen beweger is. Het is dus duidelijk dat God niet lichamelijk is.Leerstelling. — God is volstrekt geen lichaam, wat op een drievoudige wijze kan bewezen worden: eerste Een lichaam kan niet bewegen zonder bewogen te worden, zoals de ervaring het ons aanhoudend leert. Welnu, hierboven (2e Kw., 3e Art.) werd bewezen dat God de eerste onbewogen beweger is. Het is dus duidelijk dat God niet lichamelijk is.

61Secundo vero modo, quia necesse est id quod est primum ens, esse in actu, et nullo modo in potentia. Licet enim in uno et eodem quod exit de potentia in actum, prius sit potentia quam actus; simpliciter tamen actus prior est potentia : quia quod est in potentia, non reducitur in actum, nisi per ens actu. Ostensum est autem [q. praec., art. 3] quod Deus est primum ens. Impossibile igitur est quod in Deo sit aliquid in potentia. Omne autem corpus est in potentia : quia continuum, inquantum hujusmodi; est divisibile. Impossibile est igitur Deum esse corpus.

612e Het eerste wezen moet noodzakelijk in akt zijn en volstrekt niet in aanleg. Hoewel in een en hetzelfde wezen dat overgaat van potentie tot akt, de potentie den akt voorafgaat naar den tijd, komt toch de akt op zich zelf vóór den aanleg. Wat immers in potentie is, kan maar overgaan tot akt door een in akt zijnde wezen. Welnu, we hebben hierboven (t. a. pl.) bewezen, dat God het eerste wezen is. Het is dus onmogelijk dat er in God iets in aanleg zou zijn. Elk lichaam echter is een in aanleg zijnde wezen : een aaneensluitende uitgebreidheid immers is tot in het oneindige verdeelbaar, en zoo blijkt het, dat God geen lichaam wezen kan.61tweede Het eerste wezen moet noodzakelijk in act zijn en volstrekt niet in aanleg. Hoewel in een en hetzelfde wezen dat overgaat van potentie tot act, de potentie de act voorafgaat naar de tijd, komt toch de act op zichzelf vóór de aanleg. Wat immers in potentie is, kan maar overgaan tot act door een in act zijnde wezen. Welnu, we hebben hierboven (t.a.p.) bewezen, dat God het eerste wezen is. Het is dus onmogelijk dat er in God iets in aanleg zou zijn. Elk lichaam echter is een in aanleg zijnde wezen: een aaneensluitende uitgebreidheid immers is tot in het oneindige verdeelbaar, en zo blijkt het, dat God geen lichaam wezen kan.

Tertio, quia Deus est id quod est nobilissimum in entibus, ut ex dictis patet [q. praec., art. 3]. Sed impossibile est aliquod corpus esse nobilissimum in entibus. Quia corpus aut est vivum, aut non vivum. Corpus autem vivum, manifestum est quod est nobilius corpore non vivo. Corpus autem vivum non vivit inquantum corpus, quia sic omne corpus viveret : oportet igitur quod vivat per aliquid aliud, sicut corpus nostrum vivit per animam. Illud autem per quod vivit corpus, est nobilius quam corpus. Impossibile est igitur Deum esse corpus.

3e God is het edelste van alle wezens, zooals uit het voorgaande blijkt (IIe Kw., 3e Art.). Welnu het is onmogelijk dat een lichaam het edelste van alle wezens zou zijn. Dit lichaam immers is ofwel levend, ofwel niet levend. Zeker is een levend lichaam edeler dan een niet-levend. Maar een levend lichaam bezit het leven niet in zoover het een lichaam is, want dan zouden alle lichamen leven. Het is dus het leven verschuldigd aan een ander beginsel, zooals ons lichaam aan de ziel. Maar datgene waardoor het lichaam leeft is edeler dan het lichaam. Het is dus onmogelijk dat God een lichaam is.derde God is het edelste van alle wezens, zoals uit het voorgaande blijkt (2e Kw., 3e Art.). Welnu het is onmogelijk dat een lichaam het edelste van alle wezens zou zijn. Dit lichaam immers is ofwel levend, ofwel niet levend. Zeker is een levend lichaam edeler dan een niet-levend. Maar een levend lichaam bezit het leven niet in zover het een lichaam is, want dan zouden alle lichamen leven. Het is dus het leven verschuldigd aan een ander beginsel, zoals ons lichaam aan de ziel. Maar datgene waardoor het lichaam leeft is edeler dan het lichaam. Het is dus onmogelijk dat God een lichaam is.

↑ bedenking 1

62Ad primum ergo dicendum quod, sicut supra dictum est [q. 1, art 9], sacra Scriptura tradit nobis spiritualia et divina sub similitudinibus corporalium. Unde, cum trinam dimensionem Deo attribuit, sub similitudine quantitatis corporeae, quantitatem virtualem ipsius designat : utpote per profunditatem, virtutem ad cognoscendum occulta; per altitudinem, excellentiam virtutis super omnia; per longitudinem, durationem sui esse; per latitudinem, effectum dilectionis ad omnia. Vel, ut dicit Dionysius, c. 9 de Div. Nom. [lect. 2] : « Per profunditatem Dei intelligitur incomprehensibilitas essentiae ipsius; per longitudinem, processus virtutis ipsius, omnia penetrantis; per latitudinem vero, super-extensio ejus ad omnia, inquantum scilicet sub ejus protectione omnia continentur ».

62Antwoord op de bedenkingen. — 1. Zooals hierboven gezegd werd (Ie Kw., 9e Art.), stelt de H. Schrift de geestelijke dingen voor in zinnebeelden aan de lichamen ontleend. Wanneer zij dus aan God de driedubbele afmeting toekent, dan wordt door een aan de lichamelijke hoegrootheid ontleend beeld de verhevenheid van zijn macht uitgedrukt, b. v. door de diepte, zijn macht om de verborgen dingen te kennen; door de hoogte, de verhevenheid van zijn macht boven alles; door de lengte, de duur van zijn bestaan; door de breedte, het gevoel zijner liefde tot alles. Ofwel, zooals Dionysius zegt in zijn werk Over de Goddelijke namen (9e H.) : « We verstaan onder de diepte van God, de onbegrijpelijkheid zijner wezenheid; onder zijn lengte, zijn kracht die alles doordringt; onder zijn breedte, hoe Hij alles omvademt : alles immers staat onder zijn bescherming ».62Antwoord op de bedenkingen. — 1. Zoals hierboven gezegd werd (1e Kw., 9e Art.), stelt de H. Schrift de geestelijke dingen voor in zinnebeelden aan de lichamen ontleend. Wanneer zij dus aan God de driedubbele afmeting toekent, dan wordt door een aan de lichamelijke hoegrootheid ontleend beeld de verhevenheid van zijn macht uitgedrukt, bv. door de diepte, zijn macht om de verborgen dingen te kennen; door de hoogte, de verhevenheid van zijn macht boven alles; door de lengte, de duur van zijn bestaan; door de breedte, het gevoel van zijn liefde tot alles. Ofwel, zoals Dionysius zegt in zijn werk Over de Goddelijke namen (9e H.): “We verstaan onder de diepte van God, de onbegrijpelijkheid van zijn wezenheid; onder zijn lengte, zijn kracht die alles doordringt; onder zijn breedte, hoe Hij alles omvademt: alles immers staat onder zijn bescherming”.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod homo dicitur esse ad imaginem Dei, non secundum corpus, sed secundum id quo homo excellit alia animalia. Unde Genes. 1 [v. 26] postquam dictum est : « Faciamus hominem ad imaginem et similitudinem nostram », subditur : « ut praesit piscibus maris ». Excellit autem homo omnia alia animalia quantum ad rationem et intellectum. Unde 63secundum intellectum et rationem, quae sunt incorporea, homo est ad imaginem Dei.

2. De mensch is geschapen naar Gods gelijkenis, niet naar het lichaam, maar naar datgene waardoor hij de andere dieren overtreft. Daarom gaat het boek Genesis, na gezegd te hebben : « Maken wij den mensch naar ons beeld en gelijkenis », voort als volgt: « Opdat hij gebiede aan de visschen der zee », enz. Welnu de mensch overtreft al de dieren door zijn rede en zijn verstand. 63De mensch gelijkt dus aan God naar zijn rede en zijn verstand, die onlichamelijk zijn.2. De mens is geschapen naar Gods gelijkenis, niet naar het lichaam, maar naar datgene waardoor hij de andere dieren overtreft. Daarom gaat het boek Genesis, na gezegd te hebben: “Maken wij de mens naar ons beeld en gelijkenis”, voort als volgt: “Opdat hij gebiede aan de vissen van de zee”, enz. Welnu de mens overtreft al de dieren door zijn rede en zijn verstand. 63De mens gelijkt dus aan God naar zijn rede en zijn verstand, die onlichamelijk zijn.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod partes corporeae attribuuntur Dei in Scripturis ratione suorum actuum secundum quamdam similitudinem. Sicut actus oculi est videre : unde oculus de Deo dictus significat virtutem ejus ad videndum modo intelligibili, non sensibili. Et simile est de aliis partibus.

3. In de H. Schrift worden aan God lichamelijke ledematen toegeschreven, om, volgens een zekere gelijkenis, zijn handelingen uit te drukken : zoo is het oog er voor om te zien, en wanneer er gewag gemaakt wordt van Gods oog, dan wordt zijn vermogen bedoeld om op geestelijke wijze, niet op zintuigelijke wijze te zien. En hetzelfde geldt voor het overige.3. In de H. Schrift worden aan God lichamelijke ledematen toegeschreven, om, volgens een zekere gelijkenis, zijn handelingen uit te drukken: zo is het oog er voor om te zien, en wanneer er gewag gemaakt wordt van Gods oog, dan wordt zijn vermogen bedoeld om op geestelijke wijze, niet op zintuigelijke wijze te zien. En hetzelfde geldt voor het overige.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum quod etiam ea quae ad situm pertinent, non attribuuntur Deo nisi secundum quamdam similitudinem : sicut dicitur sedens, propter suam immobilitatem et auctoritatem; et stans, propter suam fortitudinem ad debellandum omne quod adversatur.

4. Wat met de houding in verband staat, wordt aan God alleen op zinnebeeldige wijze toegekend. Zoo zegt men: God is neergezeten, om zijn onbeweeglijkheid en zijn gezag aan te duiden; God staat, om de sterkte uit te drukken, waarmee Hij al zijn vijanden verslaat.4. Wat met de houding in verband staat, wordt aan God alleen op zinnebeeldige wijze toegekend. Zo zegt men: God is neergezeten, om zijn onbeweeglijkheid en zijn gezag aan te duiden; God staat, om de sterkte uit te drukken, waarmee Hij al zijn vijanden verslaat.

↑ bedenking 5

Ad quintum dicendum quod ad Deum non acceditur passibus corporalibus, cum ubique sit, sed affectibus mentis : et eodem modo ab eo receditur. Et sic accessus et recessus, sub similitudine localis motus, designant spiritualem affectum.

5. Daar God overal is, naderen wij tot Hem niet met lichamelijke schreden, maar door de liefdesuitingen van onze ziel; en op dezelfde wijze verwijderen wij ons van Hem. Terugkeeren en zich afwenden duiden, onder het zinnebeeld der beweging in de ruimte, de zielsbewegingen aan.5. Daar God overal is, naderen wij tot Hem niet met lichamelijke schreden, maar door de liefdesuitingen van onze ziel; en op dezelfde wijze verwijderen wij ons van Hem. Terugkeren en zich afwenden duiden, onder het zinnebeeld van de beweging in de ruimte, de zielsbewegingen aan.

Articulus II

Utrum in Deo sit compositio materiae et formae

[1 Sent., Dist. 35, Q. 1, art. 1; 1 Cont. Gent., cap. 17; Compend. Theol. cap. 17.]
IIe Artikel

Is God samengesteld uit vorm en stof?

antwoord 1 ↓

64Ad secundum sic proceditur. Videtur quod in Deo sit compositio materiae et formae. Omne enim quod habet animam, est compositum ex materia et forma : quia anima est forma corporis. Sed Scriptura attribuit Deo animam : introducitur enim ad Hebr. 10 [v. 38], ex persona Dei : « Justus autem meus ex fide vivit; quod si subtraxerit se, non placebit animae meae ». Ergo Deus est compositus ex materia et forma.

64Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God samengesteld is uit vorm en stof. Alles immers wat een ziel heeft, is uit vorm en stof samengesteld, aangezien de ziel de vorm is van het lichaam. Welnu, volgens de H. Schrift heeft God een ziel. God wordt immers in den Hebreërbrief (10, 38) op de volgende wijze sprekend ingeleid: « Mijn rechtvaardige leeft van zijn geloof; trekt hij zich terug, dan zal hij aan mijn ziel niet behagen ». God is dus samengesteld uit vorm en stof.64Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God samengesteld is uit vorm en stof. Alles immers wat een ziel heeft, is uit vorm en stof samengesteld, aangezien de ziel de vorm is van het lichaam. Welnu, volgens de H. Schrift heeft God een ziel. God wordt immers in de Hebreërbrief (10, 38) op de volgende wijze sprekend ingeleid: “Mijn rechtvaardige leeft van zijn geloof; trekt hij zich terug, dan zal hij aan mijn ziel niet behagen”. God is dus samengesteld uit vorm en stof.

antwoord 2 ↓

Praeterea, ira, gaudium, et hujusmodi sunt passiones conjuncti, ut dicitur 1. de Anima [cap. 1, lect. 2]. Sed hujusmodi attribuuntur Deo in Scriptura : dicitur enim in Ps. 105 [v. 40] : « Iratus est furore Dominus in populum suum ». Ergo Deus ex materia et forma est compositus.

2. Gramschap, vreugde en dergelijke zijn driften van den uit stof en vorm samengestelden mensch (Ie Boek Over de ziel, Ie H., Nr 9). Welnu, ze worden in de H. Schrift ook aan God toegekend, we lezen immers Psalm 105, 40 : « De Heer is in gramschap ontstoken tegen zijn volk ». God is dus samengesteld uit vorm en stof.2. Gramschap, vreugde en dergelijke zijn driften van de uit stof en vorm samengestelden mens (1e Boek Over de ziel, 1e H., Nr 9). Welnu, ze worden in de H. Schrift ook aan God toegekend, we lezen immers Psalm 105, 40a: “De Heer is in gramschap ontstoken tegen zijn volk”. God is dus samengesteld uit vorm en stof.

antwoord 3 ↓

653. Praeterea, materia est principium individuationis. Sed Deus videtur esse individuum : non enim de multis praedicatur. Ergo est compositus ex materia et forma.

653. De stof is het beginsel van het individueele zijn. Welnu God is een enkeling of individu; het kan immers niet van velen gezegd worden, dat ze God zijn. God is dus samengesteld uit vorm en stof.653. De stof is het beginsel van het individuele zijn. Welnu God is een enkeling of individu; het kan immers niet van velen gezegd worden, dat ze God zijn. God is dus samengesteld uit vorm en stof.

Sed contra, omne compositum ex materia et forma est corpus : quantitas enim dimensiva est quae primo inhaeret materiae. Sed Deus non est corpus, ut ostensum est [art. praec.]. Ergo Deus non est compositus ex materia et forma.

Daartegenover staat echter, dat al wat uit stof en vorm samengesteld is, een lichaam is; de meetbare hoegrootheid toch is dat wat aan de stof het eerst eigen is. Welnu, God is geen lichaam. Dus is Hij niet samengesteld uit stof en vorm.

Respondeo dicendum quod impossibile est in Deo esse materiam. Primo quidem, quia materia est id quod est in potentia. Ostensum est autem [q. 2, art. 3] quod Deus est purus actus, non habens aliquid de potentialitate. Unde impossibile est quod Deus sit compositus ex materia et forma.

Leerstelling. — Het is onmogelijk, dat er in God stof is. 1° De stof is hetgeen in aanleg is. Welnu, hierboven (IIe Kw., 3e Art.) werd bewezen, dat God zuivere akt is, zonder eenige potentialiteit. Het is dus onmogelijk dat God uit stof en vorm is samengesteld.Leerstelling. — Het is onmogelijk, dat er in God stof is. 1° De stof is hetgeen in aanleg is. Welnu, hierboven (2e Kw., 3e Art.) werd bewezen, dat God zuivere act is, zonder enige potentialiteit. Het is dus onmogelijk dat God uit stof en vorm is samengesteld.

Secundo, quia omne compositum ex materia et forma est perfectum et bonum per suam formam : unde oportet, quod sit bonum per participationem, secundum quod materia participat formam. Primum autem quod est bonum et optimum, quod Deus est, non est bonum per participationem : 66quia est bonum per essentiam, et quod est bonum per essentiam est prius bono per participationem. Unde impossibile est quod Deus sit compositus ex materia et forma.

2° Ieder uit vorm en stof samengesteld wezen is volmaakt en goed door zijn vorm; dus is het goed door deelgenootschap, doordat de stof deelgenoot is van den vorm. Welnu, het eerste goed 66en het beste, God, is niet goed door deelgenootschap, want wat goed is naar het wezenseigene, gaat het medegedeelde goed vooraf. God kan dus niet samengesteld zijn uit vorm en stof.2° Ieder uit vorm en stof samengesteld wezen is volmaakt en goed door zijn vorm; dus is het goed door deelgenootschap, doordat de stof deelgenoot is van de vorm. Welnu, het eerste goed 66en het beste, God, is niet goed door deelgenootschap, want wat goed is naar het wezenseigene, gaat het medegedeelde goed vooraf. God kan dus niet samengesteld zijn uit vorm en stof.

Tertio, quia unumquodque agens agit per suam formam : unde secundum quod aliquid se habet ad formam, sic se habet ad hoc quod sit agens. Quod igitur primum est et per se agens, oportet quod sit primo et per se forma. Deus autem est primum agens, cum sit prima causa efficiens, ut ostensum est [q. praec., art 3]. Est igitur per essentiam suam forma; et non compositus ex materia et forma.

3° Alles wat werkt, werkt door zijn vorm. De werking staat dus in wezenlijke verhouding tot den vorm. Wat dus onmiddellijk en door zichzelf werkt, moet ook onmiddellijk en door zichzelf vorm zijn. Welnu, God is het eerste werkende wezen, aangezien hij de eerste werkende oorzaak is, zooals hierboven werd bewezen (IIe Kw., 3e Art.). Hij is dus vorm door zijn wezenheid, en niet samengesteld uit vorm en stof.3° Alles wat werkt, werkt door zijn vorm. De werking staat dus in wezenlijke verhouding tot de vorm. Wat dus onmiddellijk en door zichzelf werkt, moet ook onmiddellijk en door zichzelf vorm zijn. Welnu, God is het eerste werkende wezen, aangezien hij de eerste werkende oorzaak is, zoals hierboven werd bewezen (2e Kw., 3e Art.). Hij is dus vorm door zijn wezenheid, en niet samengesteld uit vorm en stof.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod anima attribuitur Deo per similitudinem actus. Si enim volumus aliquid nobis, ex anima nostra est : unde illud dicitur esse placitum animae Dei, quod est placitum voluntati ejus.

Antwoord op de bedenkingen. — 1. Men kent aan God een ziel toe als zinnebeeld van een handeling. Wat wij willen komt uit onze ziel. En daarom wordt alles wat aan Gods wil behaagt, aangenaam aan zijn ziel genoemd.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod ira et hujusmodi attribuuntur Deo secundum similitudinem effectus : quia enim proprium est irati punire, ira ejus punitio metaphorice vocatur.

2. Gramschap en dergelijke aandoeningen worden aan God toegekend om de overeenkomende gevolgen. Het is immers eigen aan hem die vertoornd is, te straffen; daarom wordt op overdrachtelijke wijze de straf gramschap genoemd.

↑ bedenking 3

67Ad tertium dicendum quod formae quae sunt receptibiles in materia, individuantur per materiam, quae non potest esse in alio, cum sit primum subjectum : forma vero, quantum est de se, nisi aliquid aliud impediat, recipi potest a pluribus. Sed illa forma quae non est receptibilis in materia, sed est per se subsistens, ex hoc ipso individuatur, quod non potest recipi in alio : et hujusmodi forma est Deus. Unde non sequitur quod habeat materiam.

673. De vormen die in de stof ontvangen kunnen worden, hebben hun individueel zijn door de stof, die in niets anders kan zijn, daar ze het eerste subjekt is dat onder den vorm staat en dezen draagt. Maar de vorm kan, op zich zelf beschouwd, en indien er anderzijds geen beletsel is, in velen worden opgenomen. De vorm echter welke in de stof niet ontvangen kan worden, maar zelfstandig-staande is, is individueel door het feit zelf, dat hij in geen stof kan opgenomen worden. God nu is zulk een vorm, en dus is er geen stof in Hem.673. De vormen die in de stof ontvangen kunnen worden, hebben hun individueel zijn door de stof, die in niets anders kan zijn, daar ze het eerste subject is dat onder de vorm staat en deze draagt. Maar de vorm kan, op zichzelf beschouwd, en indien er anderzijds geen beletsel is, in velen worden opgenomen. De vorm echter welke in de stof niet ontvangen kan worden, maar zelfstandig-staande is, is individueel door het feit zelf, dat hij in geen stof kan opgenomen worden. God nu is zulk een vorm, en dus is er geen stof in Hem.

Articulus III

Utrum sit idem Deus quod sua essentia vel natura

[1 Sent., Dist. 34, Q. 1, art. 1; 1 Cont. Gent., cap. 21; De Un. Verbi, art. 1; de Anima, art. 17, ad 10; Quodl. 2, q. 2, art. 2; Compend. Theol., cap. 10.]
IIIe Artikel

Is God hetzelfde als zijn wezenheid of zijn natuur?

antwoord 1 ↓

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod non sit idem Deus quod sua essentia vel natura. Nihil enim est in seipso. Sed essentia vel natura Dei, quae est deitas, dicitur esse in Deo. Ergo videtur quod Deus non sit idem quod sua essentia vel natura.

Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God zijn eigen wezenheid of natuur niet is. Niets is immers in zich zelf. Welnu, de wezenheid of de natuur van God, die zijn godheid is, is in God. Hij is dus zijn eigen wezenheid of natuur niet.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God zijn eigen wezenheid of natuur niet is. Niets is immers in zichzelf. Welnu, de wezenheid of de natuur van God, die zijn godheid is, is in God. Hij is dus zijn eigen wezenheid of natuur niet.

antwoord 2 ↓

682. Praeterea, effectus assimilatur suae causae : quia omne agens agit sibi simile. Sed in rebus creatis non est idem suppositum quod sua natura : non enim idem est homo quod sua humanitas. Ergo nec Deus est idem quod sua deitas.

682. Het uitwerksel is gelijk aan de oorzaak, want ieder werkend wezen brengt zijns gelijke voort. Welnu, in de geschapene dingen is de natuur niet hetzelfde als de drager er van; een mensch is niet hetzelfde als zijn mensch-zijn. God is dus niet hetzelfde als zijn godheid.682. Het uitwerksel is gelijk aan de oorzaak, want ieder werkend wezen brengt zijns gelijke voort. Welnu, in de geschapene dingen is de natuur niet hetzelfde als de drager er van; een mens is niet hetzelfde als zijn mens-zijn. God is dus niet hetzelfde als zijn godheid.

Sed contra, de Deo dicitur quod est vita, et non solum quod est vivens, ut patet Joan. 14 [v. 6] : « Ego sum via, veritas et vita ». Sicut autem se habet vita ad viventem, ita deitas ad Deum. Ergo Deus est ipsa deitas.

Daartegenover staat echter, dat van God gezegd wordt dat Hij het leven is, en niet enkel leven hebbend. Bij Johannes toch lezen we (14, 6) : « Ik ben de weg, de waarheid en het leven ». Dezelfde betrekking echter bestaat er tusschen de godheid en God als tusschen het leven en dengene die leeft. Dus is God zijn eigen godheid.Daartegenover staat echter, dat van God gezegd wordt dat Hij het leven is, en niet enkel leven hebbend. Bij Johannes toch lezen we (14, 6): “Ik ben de weg, de waarheid en het leven”. Dezelfde betrekking echter bestaat er tussen de godheid en God als tussen het leven en dengene die leeft. Dus is God zijn eigen godheid.

Respondeo dicendum quod Deus est idem quod sua essentia vel natura. Ad cujus intellectum sciendum est, quod in rebus compositis ex materia et forma, necesse est quod differant natura vel essentia, et suppositum. Quia essentia vel natura comprehendit in se illa tantum quae cadunt in definitione speciei : sicut humanitas comprehendit in se illa tantum quae cadunt in definitione hominis : his enim homo est homo, et hoc significat humanitas, hoc 69scilicet quo homo est homo. Sed materia individualis, cum accidentibus omnibus individuantibus ipsam, non cadit in definitione speciei; non enim in definitione hominis cadunt hae carnes et haec ossa, aut albedo vel nigredo, vel aliquid hujusmodi. Unde hae carnes et haec ossa, et accidentia designantia hanc materiam, non includuntur in humanitate. Et tamen in eo qui est homo, includuntur : unde id quod est homo, habet in se aliquid quod non habet humanitas. Et propter hoc non totaliter idem est homo et humanitas; sed humanitas significatur ut pars formalis hominis; quia principia definientia habent se formaliter respectu materiae individuantis.

Leerstelling. — God is één en hetzelfde als zijn wezenheid of natuur. In de dingen die samengesteld zijn uit vorm en stof, moet er een onderscheid zijn tusschen de natuur of de wezenheid, en den drager er van, en dit om de volgende reden. De wezenheid of natuur bevat enkel hetgeen in de begripsbepaling wordt opgenomen: zoo behoort b. v. tot de menschheid alleen datgene wat in de bepaling van den mensch staat; daardoor toch is 69de mensch inderdaad mensch, en dit is de beteekenis van het mensch-zijn, nl. datgene waardoor een mensch mensch is. De individueele stof echter, met de bijkomstigheden welke haar tot iets individueels maken, wordt in de begripsbepaling niet opgenomen. In de definitie van den mensch staat er dan ook niet, dat hij dàt vleesch en dié beenderen heeft, blank of zwart is, of iets dergelijks. Dit bepaald vleesch en déze beenderen, evenals de bijkomstigheden die deze bepaalde stof teekenen, vallen buiten het « algemeen mensch-zijn », maar behooren tot hem, die mensch is, zoodat een bepaalde mensch iets heeft wat aan het mensch-zijn als zoodanig niet toekomt. En zoo dekken « mensch » en « het mensch-zijn » elkander niet volkomen. Het mensch-zijn toch is het formeele deel van den mensch, omdat de wezensbeginselen die in de bepaling worden opgenomen, in een formeele verhouding staan tot de eenlingmakende stof.Leerstelling. — God is één en hetzelfde als zijn wezenheid of natuur. In de dingen die samengesteld zijn uit vorm en stof, moet er een onderscheid zijn tussen de natuur of de wezenheid, en de drager er van, en dit om de volgende reden. De wezenheid of natuur bevat enkel hetgeen in de begripsbepaling wordt opgenomen: zo behoort bv. tot de mensheid alleen datgene wat in de bepaling van de mens staat; daardoor toch is 69de mens inderdaad mens, en dit is de betekenis van het mens-zijn, nl. datgene waardoor een mens mens is. De individuele stof echter, met de bijkomstigheden welke haar tot iets individueels maken, wordt in de begripsbepaling niet opgenomen. In de definitie van de mens staat er dan ook niet, dat hij dàt vlees en dié beenderen heeft, blank of zwart is, of iets dergelijks. Dit bepaald vlees en déze beenderen, evenals de bijkomstigheden die deze bepaalde stof tekenen, vallen buiten het “algemeen mens-zijn”, maar behoren tot hem, die mens is, zodat een bepaalde mens iets heeft wat aan het mens-zijn als zodanig niet toekomt. En zo dekken “mens” en “het mens-zijn” elkander niet volkomen. Het mens-zijn toch is het formele deel van de mens, omdat de wezensbeginselen die in de bepaling worden opgenomen, in een formele verhouding staan tot de eenlingmakende stof.

In his igitur quae non sunt composita ex materia et forma, in quibus individuatio non est per materiam individualem, idest per hanc materiam, sed ipsae formae per se individuantur, oportet quod ipsae formae sint supposita subsistentia. Unde in eis non differt suppositum a natura. Et sic, cum Deus 70non sit compositus ex materia et forma, ut ostensum est [art. praec.], oportet quod Deus sit sua deitas, sua vita, et quidquid aliud sic de Deo praedicatur.

In die wezens echter welke niet samengesteld zijn uit stof en vorm, waarin dus het individueele zijn niet teweeggebracht wordt door de individueele stof, d. i. door déze stof, maar waarin de vormen zichzelf individualiseeren, moeten de vormen zelve zelfstandig-staande dragers der wezenheid zijn. Bij hen geen onderscheid dus tusschen de natuur en den drager er van. Daar God nu niet 70samengesteld is uit vorm en stof, moet God zijn : zijn godheid, zijn leven, en al wat van Hem gezegd wordt.In die wezens echter welke niet samengesteld zijn uit stof en vorm, waarin dus het individuele zijn niet teweeggebracht wordt door de individuele stof, d.i. door déze stof, maar waarin de vormen zichzelf individualiseren, moeten de vormen zelve zelfstandig-staande dragers van de wezenheid zijn. Bij hen geen onderscheid dus tussen de natuur en de drager er van. Daar God nu niet 70samengesteld is uit vorm en stof, moet God zijn: zijn godheid, zijn leven, en al wat van Hem gezegd wordt.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod de rebus simplicibus loqui non possumus, nisi per modum compositorum, a quibus cognitionem accipimus. Et ideo, de Deo loquentes, utimur nominibus concretis, ut significemus ejus subsistentiam, quia apud nos non subsistunt nisi composita : et utimur nominibus abstractis, ut significemus ejus simplicitatem. Quod ergo dicitur deitas vel vita, vel aliquid hujusmodi, esse in Deo, referendum est ad diversitatem quae est in acceptione intellectus nostri; et non ad aliquam diversitatem rei.

Antwoord op de bedenkingen. — 1. Wij kunnen alleen over de enkelvoudige dingen spreken in zoover we onze kennis ontleenen aan de samengestelde. Wanneer we dus van God spreken, dan gebruiken we konkrete namen als uitdrukking van zijn zelfstandig-staan. Bij ons nu bestaan alleen samengestelde dingen op zich zelf, en daarom gebruiken we abstrakte namen, om Gods enkelvoudigheid uit te drukken. Spreken we dus van de godheid, het leven of iets dergelijks, als bestaande in God, dan is dit een onderscheid, dat we met ons verstand maken, maar dat in de werkelijkheid niet wordt teruggevonden.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Wij kunnen alleen over de enkelvoudige dingen spreken in zover we onze kennis ontlenen aan de samengestelde. Wanneer we dus van God spreken, dan gebruiken we concrete namen als uitdrukking van zijn zelfstandig-staan. Bij ons nu bestaan alleen samengestelde dingen op zichzelf, en daarom gebruiken we abstracte namen, om Gods enkelvoudigheid uit te drukken. Spreken we dus van de godheid, het leven of iets dergelijks, als bestaande in God, dan is dit een onderscheid, dat we met ons verstand maken, maar dat in de werkelijkheid niet wordt teruggevonden.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod effectus Dei imitantur ipsum, non perfecte, sed secundum quod possunt. Et hoc ad defectum imitationis pertinet, quod id quod est simplex et unum, non potest repraesentari nisi per multa : et sic accidit in eis compositio, ex qua provenit quod in eis non est idem suppositum quod natura.

2. Gods uitwerkselen zijn Hem niet volkomen gelijk, maar alleen voor zoover het mogelijk is. Dit immers is een gebrek in de nabeelding, dat iets wat enkelvoudig en één is, slechts door iets veelvuldigs kan worden afgebeeld. En zoo ontstaat daarin samenstelling, waaruit het onderscheid voorkomt tusschen de natuur en haar drager.2. Gods uitwerkselen zijn Hem niet volkomen gelijk, maar alleen voor zover het mogelijk is. Dit immers is een gebrek in de nabeelding, dat iets wat enkelvoudig en één is, slechts door iets veelvuldigs kan worden afgebeeld. En zo ontstaat daarin samenstelling, waaruit het onderscheid voorkomt tussen de natuur en haar drager.

Articulus IV

Utrum in Deo sit idem essentia et esse

[1 Sent., Dist. 8, Q. 4, art. 1, 2; Q. 5, art. 2; Dist. 34, Q. 1, art. 1; 2 Sent., Dist. 1, Q. 1, art. 1; De Ente et Essent., cap. 5; 1 Cont. Gent., cap. 22, 42; De Pot., Q. 7, art. 2; De Spir. Creat., art. 1; Compend Theol., cap, 11.]
IVe Artikel

Is in God de wezenheid hetzelfde als het bestaan?

antwoord 1 ↓

71Ad quartum sic proceditur. Videtur quod in Deo non sit idem essentia et esse. Si enim hoc sit, tunc ad esse divinum nihil additur. Sed esse cui nulla fit additio, est esse commune quod de omnibus praedicatur : sequitur ergo quod Deus sit ens commune praedicabile de omnibus. Hoc autem est falsum, secundum illud Sap. 14 [v. 21] : « Incommunicabile nomen lignis et lapidibus imposuerunt ». Ergo esse Dei non est ejus essentia.

71Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat in God het bestaan niet hetzelfde is als zijn wezenheid of natuur. Was dit immers zoo, dan zou er aan het goddelijk zijn niets kunnen toegevoegd worden. Welnu, het zijn waar niets aan toegevoegd wordt, is het algemeen zijn, van alles zegbaar, en God zou dus het algemeen-zegbaar zijn wezen. Maar dit druischt in tegen het gezag van het Boek der Wijsheid, waarin we lezen (14, 21) : « Aan hout en steen hebben de menschen een naam geschonken, die aan niets kon meegedeeld worden ».71Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat in God het bestaan niet hetzelfde is als zijn wezenheid of natuur. Was dit immers zo, dan zou er aan het goddelijk zijn niets kunnen toegevoegd worden. Welnu, het zijn waar niets aan toegevoegd wordt, is het algemeen zijn, van alles zegbaar, en God zou dus het algemeen-zegbaar zijn wezen. Maar dit druist in tegen het gezag van het Boek van de Wijsheid, waarin we lezen (14, 21): “Aan hout en steen hebben de mensen een naam geschonken, die aan niets kon meegedeeld worden”.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, de Deo scire possumus an sit, ut supra dictum est [q. 2, art. 2, ad 3]. Non autem possumus scire quid sit. Ergo non est idem esse Dei, et quod quid est ejus, sive quidditas vel natura.

2. Wij kunnen van God weten óf hij is, maar niet wàt Hij is. Dus is zijn bestaan niet hetzelfde als zijn wezenheid of natuur.

72Sed contra est quod Hilarius dicit in 7 de Trinit. [n. 2] : « Esse non est accidens in Deo, sed subsistens veritas ». Id ergo quod subsistit in Deo, est suum esse.

72Daartegenover staat echter wat Hilarius zegt in het VIIe Boek Over de Drieéénheid (Nr 2) : « Het bestaan is geen bijkomstigheid in God, maar de zelfstandige waarheid ». Wat dus in God zelfstandig is, is zijn bestaan.72Daartegenover staat echter wat Hilarius zegt in het 7e Boek Over de Drie-eenheid (Nr 2): “Het bestaan is geen bijkomstigheid in God, maar de zelfstandige waarheid”. Wat dus in God zelfstandig is, is zijn bestaan.

Respondeo dicendum quod Deus non solum est sua essentia, ut ostensum est [art. praec.], sed etiam suum esse. Quod quidem multipliciter ostendi potest. Primo quidem, quia quidquid est in aliquo quod est praeter essentiam ejus, oportet esse causatum vel a principiis essentiae, sicut propria accidentia consequentia speciem, ut risibile consequitur hominem et causatur ex principiis essentialibus speciei; vel ab aliquo exteriori, sicut calor in aqua causatur ab igne. Si igitur ipsum esse rei sit aliud ab ejus essentia, necesse est quod esse illius rei vel sit causatum ab aliquo exteriori, vel a principiis essentialibus ejusdem rei. Impossibile est autem quod esse sit causatum a principiis tantum essentialibus rei, quia nulla res sufficit quod sit sibi causa essendi, si habeat esse causatum. Oportet igitur quod illud 73cujus esse est aliud ab essentia sua, habeat esse causatum ab alio. Hoc autem non potest dici de Deo : quia Deum dicimus esse primam causam efficientem. Impossibile est ergo quod in Deo sit aliud esse, et aliud ejus essentia.

Leerstelling. — God is niet alleen zijn eigen wezenheid, maar ook zijn eigen bestaan, wat op meerdere wijzen kan aangetoond worden : 1° Al wat wij bij een ding opmerken, en niet tot zijn wezen behoort, is veroorzaakt, ófwel door de beginselen der wezenheid zelve, zooals de bijkomstigheden die eigen zijn aan de soort en er onmiddellijk uit voortvloeien. Zoo b. v. de eigenschap van den mensch dat hij kan lachen : die eigenschap toch vloeit voort uit het mensch-zijn en wordt veroorzaakt door beginselen, die essentieel tot het wezen behooren. Ofwel wordt datgene wat niet tot de wezenheid behoort veroorzaakt door een beginsel dat buiten de wezenheid ligt : zoo wordt de warmte van het water veroorzaakt door het vuur. Is nu het bestaan van een ding onderscheiden van zijn wezenheid, dan moet dit bestaan veroorzaakt zijn, óf door een beginsel buiten de wezenheid, óf door een beginsel dat tot de wezenheid behoort. Het is echter onmogelijk dat het bestaan 73alleen zou te danken zijn aan de wezensbeginselen van het ding, omdat geen enkel ding dat veroorzaakt is, de oorzaak van zijn eigen bestaan kan zijn. Ieder wezen dus, waarvan het bestaan onderscheiden is van zijn wezenheid, ontvangt het bestaan van een ander wezen. Dit is echter niet het geval met God, daar God de eerste werkende oorzaak is. Het is dus onmogelijk dat er in God een onderscheid is tusschen zijn bestaan en zijn wezenheid.Leerstelling. — God is niet alleen zijn eigen wezenheid, maar ook zijn eigen bestaan, wat op meerdere wijzen kan aangetoond worden: 1° Al wat wij bij een ding opmerken, en niet tot zijn wezen behoort, is veroorzaakt, ófwel door de beginselen van de wezenheid zelve, zoals de bijkomstigheden die eigen zijn aan de soort en er onmiddellijk uit voortvloeien. Zo bv. de eigenschap van de mens dat hij kan lachen: die eigenschap toch vloeit voort uit het mens-zijn en wordt veroorzaakt door beginselen, die essentieel tot het wezen behoren. Ofwel wordt datgene wat niet tot de wezenheid behoort veroorzaakt door een beginsel dat buiten de wezenheid ligt: zo wordt de warmte van het water veroorzaakt door het vuur. Is nu het bestaan van een ding onderscheiden van zijn wezenheid, dan moet dit bestaan veroorzaakt zijn, óf door een beginsel buiten de wezenheid, óf door een beginsel dat tot de wezenheid behoort. Het is echter onmogelijk dat het bestaan 73alleen zou te danken zijn aan de wezensbeginselen van het ding, omdat geen enkel ding dat veroorzaakt is, de oorzaak van zijn eigen bestaan kan zijn. Ieder wezen dus, waarvan het bestaan onderscheiden is van zijn wezenheid, ontvangt het bestaan van een ander wezen. Dit is echter niet het geval met God, daar God de eerste werkende oorzaak is. Het is dus onmogelijk dat er in God een onderscheid is tussen zijn bestaan en zijn wezenheid.

Secundo, quia esse est actualitas omnis formae vel naturae : non enim bonitas vel humanitas significatur in actu, nisi prout significamus eam esse. Oportet igitur quod ipsum esse comparetur ad essentiam quae est aliud ab ipso, sicut actus ad potentiam. Cum igitur in Deo nihil sit potentiale, ut ostensum est supra [art. 1], sequitur quod non sit in eo aliud essentia quam suum esse. Sua igitur essentia est suum esse.

2° Omdat het bestaan de laatste actualiteit is van elken vorm of van iedere natuur. Het goed-zijn en het mensch-zijn kunnen slechts actueel zijn in zoover ze bestaan. Dezelfde verhouding bestaat er dus tusschen wezenheid en bestaan als tusschen akt en potentie. Daar er nu bij God niets potentieels is, zooals hierboven is aangeduid (Ie Art.), volgt hieruit, dat in Hem de wezenheid niets anders is dan zijn bestaan. Zijn wezenheid is dus zijn bestaan.2° Omdat het bestaan de laatste actualiteit is van elke vorm of van iedere natuur. Het goed-zijn en het mens-zijn kunnen slechts actueel zijn in zover ze bestaan. Dezelfde verhouding bestaat er dus tussen wezenheid en bestaan als tussen act en potentie. Daar er nu bij God niets potentieels is, zoals hierboven is aangeduid (1e Art.), volgt hieruit, dat in Hem de wezenheid niets anders is dan zijn bestaan. Zijn wezenheid is dus zijn bestaan.

Tertio, quia sicut illud quod habet ignem et non est ignis, est ignitum per participationem, ita illud quod habet esse et non est esse, est ens per participationem. Deus autem est sua essentia, ut ostensum est [art 3, hujus q.]. Si igitur non sit suum esse, erit ens per participationem, et non per 74essentiam. Non ergo erit primum ens : quod absurdum est dicere. Est igitur Deus suum esse, et non solum sua essentia.

3° Evenals iets wat warmte heeft, maar zelf geen vuur is, warm is door deelgenootschap, zoo is ook datgene wat het bestaan bezit, maar zijn bestaan niet is, een wezen door deelgenootschap. God nu is zijn eigen wezenheid, zooals hierboven gezegd werd (3e Art.). Is Hij echter zijn eigen bestaan niet, dan is Hij een wezen door deelgenootschap aan iets anders en niet door eigen wezenheid. Maar dan is Hij ook niet het eerste wezen, wat een dwaze 74bewering zou zijn. God is dus niet enkel zijn eigen wezenheid, maar ook zijn eigen bestaan.3° Evenals iets wat warmte heeft, maar zelf geen vuur is, warm is door deelgenootschap, zo is ook datgene wat het bestaan bezit, maar zijn bestaan niet is, een wezen door deelgenootschap. God nu is zijn eigen wezenheid, zoals hierboven gezegd werd (3e Art.). Is Hij echter zijn eigen bestaan niet, dan is Hij een wezen door deelgenootschap aan iets anders en niet door eigen wezenheid. Maar dan is Hij ook niet het eerste wezen, wat een dwaze 74bewering zou zijn. God is dus niet enkel zijn eigen wezenheid, maar ook zijn eigen bestaan.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod aliquid cui non fit additio potest intelligi dupliciter. Uno modo, ut de ratione ejus sit quod non fiat ei additio; sicut de ratione animalis irrationalis est, quod sit sine ratione. Alio modo intelligitur aliquid cui non fit additio, quia non est de ratione ejus quod sibi fiat additio : sicut animal commune est sine ratione, quia non est de ratione animalis communis ut habeat rationem; sed nec de ratione ejus est ut careat ratione. Primo igitur modo esse sine additione, est esse divinum : secundo modo esse sine additione, est esse commune.

Antwoord op de bedenkingen. — 1. Een wezen waar niets aan toegevoegd wordt, kan men zich op twee verschillende wijzen denken : 1° als een wezen waarvan de eigen aard zelf de toevoeging uitsluit : zoo b. v. zijn de onredelijke schepselen uiteraard zonder rede; 2° als een wezen waarvan de eigen aard de toevoeging niet insluit: zoo is in het algemeen begrip « dier » het redelijke niet gegeven; maar het is er uiteraard ook niet uitgesloten. Het goddelijk wezen nu is zonder toevoeging in den eersten zin; terwijl het eigen is aan het « algemeen zijn » geen toevoeging te kennen in den tweeden zin.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Een wezen waar niets aan toegevoegd wordt, kan men zich op twee verschillende wijzen denken: 1° als een wezen waarvan de eigen aard zelf de toevoeging uitsluit: zo bv. zijn de onredelijke schepselen uiteraard zonder rede; 2° als een wezen waarvan de eigen aard de toevoeging niet insluit: zo is in het algemeen begrip “dier” het redelijke niet gegeven; maar het is er uiteraard ook niet uitgesloten. Het goddelijk wezen nu is zonder toevoeging in de eerste zin; terwijl het eigen is aan het “algemeen zijn” geen toevoeging te kennen in de tweede zin.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod esse dupliciter dicitur : uno modo, significat actum essendi; alio modo, significat compositionem propositionis, quam anima adinvenit conjungens praedicatum subjecto. Primo igitur modo accipiendo esse, non possumus scire esse Dei, sicut nec ejus essentiam, sed solum secundo modo. Scimus enim quod haec propositio quam formamus de 75Deo, cum dicimus : Deus est, vera est. Et hoc scimus ex ejus effectibus, ut supra dictum est [q. 2, art. 2].

2. « Zijn » heeft een tweevoudige beteekenis : 1e de daad van het zijn, of het bestaan; 2e, de door ons verstand voortgebrachte vereeniging van onderwerp en gezegde in een volzin. In de eerste beteekenis van het woord « zijn » kunnen wij noch Gods bestaan, noch zijn wezenheid kennen, maar alleen in de tweede beteekenis. Wij weten immers dat deze zin over God: God is, 75waar is; en dit weten wij uit zijn uitwerkselen, zooals hierboven werd bewezen (IIe Kw., 2e Art.).2. “Zijn” heeft een tweevoudige betekenis: eerste de daad van het zijn, of het bestaan; tweede, de door ons verstand voortgebrachte vereniging van onderwerp en gezegde in een volzin. In de eerste betekenis van het woord “zijn” kunnen wij noch Gods bestaan, noch zijn wezenheid kennen, maar alleen in de tweede betekenis. Wij weten immers dat deze zin over God: God is, 75waar is; en dit weten wij uit zijn uitwerkselen, zoals hierboven werd bewezen (2e Kw., 2e Art.).

Articulus V

Utrum Deus sit in genere aliquo

[1 Sent., Dist. 8, Q. 4, art. 2; Dist. 19, Q. 4, art. 2; De Ente et Essent., cap. 6; 1 Cont. Gent., cap. 25; De Pot., Q. 7, art. 3; Compend. Theol., cap. 12.]
Ve Artikel

Behoort God tot een geslacht?

antwoord 1 ↓

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod Deus sit in genere aliquo. Substantia enim est per se subsistens. Hoc autem maxime Deo convenit. Ergo Deus est in genere substantiae.

Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God tot een geslacht behoort. Een zelfstandigheid toch is een op zich zelf staand wezen. Welnu dit komt boven alles toe aan God. Hij behoort dus tot het geslacht der zelfstandigheid.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God tot een geslacht behoort. Een zelfstandigheid toch is een op zichzelf staand wezen. Welnu dit komt boven alles toe aan God. Hij behoort dus tot het geslacht van de zelfstandigheid.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, unumquodque mensuratur per aliquid sui generis; sicut longitudines per longitudinem, et numeri per numerum. Sed Deus est mensura omnium substantiarum, ut patet per Commentatorem, 10 Metaph. [comment. 7]. Ergo Deus est in genere substantiae.

2. Alles wordt gemeten door iets van hetzelfde geslacht, zooals de lengte door een lengte, en de getallen door een getal. Welnu God is de maat van alle zelfstandigheid, zooals de Commentator (Averroës) zegt in het Xe Boek van zijn Metaphysica. Dus behoort Hij tot het geslacht der zelfstandigheid.2. Alles wordt gemeten door iets van hetzelfde geslacht, zoals de lengte door een lengte, en de getallen door een getal. Welnu God is de maat van alle zelfstandigheid, zoals de Commentator (Averroës) zegt in het 10e Boek van zijn Metafysica. Dus behoort Hij tot het geslacht van de zelfstandigheid.

76Sed contra, genus est prius, secundum intellectum, eo quod in genere continetur. Sed nihil est prius Deo, nec secundum rem, nec secundum intellectum. Ergo Deus non est in aliquo genere.

76Daarmee is echter niet overeen te brengen, dat een geslacht naar het begrip datgene voorafgaat wat er in vervat is. Welnu niets gaat aan God vooraf, noch naar het begrip, noch in de werkelijkheid. God behoort dus niet tot een geslacht.

Respondeo dicendum quod aliquid est in genere dupliciter. Uno modo, simpliciter et proprie; sicut species, quae sub genere continentur. Alio modo, per reductionem, sicut principia et privationes : sicut punctum et unitas reducuntur ad genus quantitatis, sicut principia; caecitas autem, et omnis privatio, reducuntur ad genus sui habitus. Neutro autem modo Deus est in genere. Quod enim non possit esse species alicujus generis, tripliciter ostendi potest. Primo quidem, quia species constituitur ex genere et differentia. Semper autem id a quo sumitur differentia constituens speciem, se habet ad illud, unde sumitur genus, sicut actus ad potentiam. Animal enim sumitur a natura sensitiva per modum concretionis: hoc enim dicitur 77animal, quod naturam sensitivam habet; rationale vero sumitur a natura intellectiva. quia rationale est quod naturam intellectivam habet : intellectivum autem comparatur ad sensitivum, sicut actus ad potentiam. Et similiter manifestum est in aliis. Unde, cum in Deo non adjungatur potentia actui, impossibile est quod sit in genere tamquam species.

Leerstelling. — Iets kan op tweevoudige wijze deel uitmaken van een geslacht : 1° volstrekt en in eigenlijken zin; zoo maken de soorten deel uit van het geslacht waaronder ze vervat zijn; 2° omdat ze tot een geslacht herleid worden, zooals de beginselen en de privaties; het punt en de eenheid worden als beginsel herleid tot het geslacht van de hoeveelheid, de blindheid evenals iedere andere privatie, tot het geslacht van de hoedanigheid die door de privatie ontkend wordt. Op geen enkele van deze wijzen nu behoort God tot een geslacht. Niet op de eerste wijze, als een soort van een geslacht, en dit om een drievoudige reden : 1° omdat de soort bestaat uit het geslacht en het verschil. Er heerscht immers altijd een verhouding van akt tot aanleg tusschen het soortelijk verschil en het geslacht. Zoo is « dier » de konkreetgenomen zintuigelijke natuur : een wezen immers dat een zintuigelijke natuur heeft, wordt « dier » genoemd. Het « redelijke » daarentegen wordt ontleend aan de verstandelijke 77natuur : een redelijk wezen toch is een wezen dat een verstandelijke natuur heeft. Nu bestaat er juist, tusschen het verstandelijke en het zintuigelijke, de verhouding van akt tot aanleg. Aangezien er echter in God geen potentie is, kan Hij niet als een soort behooren tot een geslacht.Leerstelling. — Iets kan op tweevoudige wijze deel uitmaken van een geslacht: 1° volstrekt en in eigenlijke zin; zo maken de soorten deel uit van het geslacht waaronder ze vervat zijn; 2° omdat ze tot een geslacht herleid worden, zoals de beginselen en de privaties; het punt en de eenheid worden als beginsel herleid tot het geslacht van de hoeveelheid, de blindheid evenals iedere andere privatie, tot het geslacht van de hoedanigheid die door de privatie ontkend wordt. Op geen enkele van deze wijzen nu behoort God tot een geslacht. Niet op de eerste wijze, als een soort van een geslacht, en dit om een drievoudige reden: 1° omdat de soort bestaat uit het geslacht en het verschil. Er heerst immers altijd een verhouding van act tot aanleg tussen het soortelijk verschil en het geslacht. Zo is “dier” de concreetgenomen zintuigelijke natuur: een wezen immers dat een zintuigelijke natuur heeft, wordt “dier” genoemd. Het “redelijke” daarentegen wordt ontleend aan de verstandelijke 77natuur: een redelijk wezen toch is een wezen dat een verstandelijke natuur heeft. Nu bestaat er juist, tussen het verstandelijke en het zintuigelijke, de verhouding van act tot aanleg. Aangezien er echter in God geen potentie is, kan Hij niet als een soort behoren tot een geslacht.

Secundo, quia, cum esse Dei sit ejus essentia, ut ostensum est [art. praec.], si Deus esset in aliquo genere, oporteret quod genus ejus esset ens : nam genus significat essentiam rei, cum praedicetur in eo quod quid est. Ostendit autem Philos., in 3 Metaph. [lib. 2, cap. 3], quod ens non potest esse genus alicujus : omne enim genus habet differentias quae non participant essentiam generis; nulla autem differentia posset inveniri, quae esset extra ens; quia non ens non potest esse differentia. Unde relinquitur quod Deus non sit in genere.

2° Zooals hierboven (nl. in het voorgaand artikel) bewezen werd, is Gods bestaan zijn eigen wezenheid. Zou God tot een geslacht behooren, dan zou Hij behooren tot het geslacht van het « zijnde ». Het geslacht immers geeft de wezenheid van een ding aan, want het geeft aan wat een ding is. Het « zijnde » nu, naar het getuigenis van den Wijsgeer in het IIIe Boek der Metaphysica (IIe B., IIIe H., Nr 8), kan geen geslacht uitmaken. Elk geslacht toch bevat verschillen, die buiten de wezenheid van het geslacht liggen. Maar er is geen enkel verschil dat buiten het « zijnde » zou vallen : het niet-zijnde kan immers het verschil niet geven. God behoort dus tot geen geslacht.2° Zoals hierboven (nl. in het voorgaand artikel) bewezen werd, is Gods bestaan zijn eigen wezenheid. Zou God tot een geslacht behoren, dan zou Hij behoren tot het geslacht van het “zijnde”. Het geslacht immers geeft de wezenheid van een ding aan, want het geeft aan wat een ding is. Het “zijnde” nu, naar het getuigenis van de Wijsgeer in het 3e Boek van de Metafysica (2e B., 3e H., Nr 8), kan geen geslacht uitmaken. Elk geslacht toch bevat verschillen, die buiten de wezenheid van het geslacht liggen. Maar er is geen enkel verschil dat buiten het “zijnde” zou vallen: het niet-zijnde kan immers het verschil niet geven. God behoort dus tot geen geslacht.

Tertio, quia omnia quae sunt in genere uno, communicant in quidditate vel essentia generis, quod praedicatur de eis in eo quod quid est. Differunt 78autem secundum esse : non enim est idem esse hominis et equi, nec hujus hominis et illius hominis. Et sic oportet quod quaecumque sunt in genere, differant in eis esse et quod quid est, idest essentia. In Deo autem non differunt, ut ostensum est [art. praeced.]. Unde manifestum est quod Deus non est in genere sicut species. Ex hoc patet quod non habet genus, neque differentias; neque est definitio ipsius; neque demonstratio, nisi per effectum : quia definitio est ex genere et differentia, demonstrationis autem medium est definitio.

3° Alle dingen die onder eenzelfde geslacht vallen, komen hierin overeen, dat ze alle de watheid of wezenheid van hun geslacht hebben, die men hun dan ook toekent om aan te geven wat ze zijn. Maar zulke dingen verschillen van elkander naar het bestaan : het bestaan toch verschilt van mensch tot dier, en van 78mensch tot mensch. Bij alle dingen die tot eenzelfde geslacht behooren is er dan ook een onderscheid tusschen het bestaan en dat wat bestaat, d.i. de wezenheid. Bij God echter is er geen onderscheid. Hij behoort dus tot geen geslacht als een soort er van, en hieruit volgt dat Hem noch geslacht noch verschil toekomen, dat er geen begripsbepaling van Hem te geven is, en dat er van zijn bestaan geen ander bewijs mogelijk is dan door de uitwerkselen. De begripsbepaling bestaat immers uit geslacht en soortelijk verschil, en de middenterm van de bewijsvoering is juist de definitie.3° Alle dingen die onder eenzelfde geslacht vallen, komen hierin overeen, dat ze alle de watheid of wezenheid van hun geslacht hebben, die men hun dan ook toekent om aan te geven wat ze zijn. Maar zulke dingen verschillen van elkander naar het bestaan: het bestaan toch verschilt van mens tot dier, en van 78mens tot mens. Bij alle dingen die tot eenzelfde geslacht behoren is er dan ook een onderscheid tussen het bestaan en dat wat bestaat, d.i. de wezenheid. Bij God echter is er geen onderscheid. Hij behoort dus tot geen geslacht als een soort er van, en hieruit volgt dat Hem noch geslacht noch verschil toekomen, dat er geen begripsbepaling van Hem te geven is, en dat er van zijn bestaan geen ander bewijs mogelijk is dan door de uitwerkselen. De begripsbepaling bestaat immers uit geslacht en soortelijk verschil, en de middenterm van de bewijsvoering is juist de definitie.

Quod autem Deus non sit in genere per reductionem ut principium, manifestum est ex eo quod principium quod reducitur in aliquod genus, non se extendit ultra genus illud : sicut punctum non est principium nisi quantitatis continuae, et unitas quantitatis discretae. Deus autem est principium totius esse, ut infra ostendetur [q. 44, art. 1]. Unde non continetur in aliquo genere sicut principium.

Dat God nu ook niet tot een geslacht kan herleid worden als een beginsel, blijkt hieruit, dat het beginsel dat tot een bepaald geslacht herleid wordt, zich niet verder uitstrekt dan dit geslacht: zoo is het punt alleen het beginsel der ononderbroken hoegrootheid, en de eenheid het beginsel der onderbroken hoegrootheid. God nu is het beginsel van al wat is, zooals later aangetoond wordt (XLIVe Kw., 1e Art.). Hij behoort dus tot geen enkel geslacht als een beginsel.Dat God nu ook niet tot een geslacht kan herleid worden als een beginsel, blijkt hieruit, dat het beginsel dat tot een bepaald geslacht herleid wordt, zich niet verder uitstrekt dan dit geslacht: zo is het punt alleen het beginsel van de ononderbroken hoegrootheid, en de eenheid het beginsel van de onderbroken hoegrootheid. God nu is het beginsel van al wat is, zoals later aangetoond wordt (44e Kw., 1e Art.). Hij behoort dus tot geen enkel geslacht als een beginsel.

↑ bedenking 1

Ad primum dicendum quod substantiae nomen non significat hoc solum quod est per se esse : quia hoc quod est esse, non potest esse genus, ut 79ostensum est [in corp. art.]. Sed significat essentiam cui competit sic esse, idest per se esse: quod tamen esse non est ipsa ejus essentia. Et sic patet quod Deus non est in genere substantiae.

Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het woord zelfstandigheid beteekent niet enkel het op zichzelf zijn of bestaan, 79want het zijn valt onder geen geslacht, maar een wezenheid die op zich zelf bestaat, zóó nochtans dat haar bestaan niet hetzelfde is als haar wezenheid. God behoort dus niet tot het geslacht der zelfstandigheid.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het woord zelfstandigheid betekent niet enkel het op zichzelf zijn of bestaan, 79want het zijn valt onder geen geslacht, maar een wezenheid die op zichzelf bestaat, zó nochtans dat haar bestaan niet hetzelfde is als haar wezenheid. God behoort dus niet tot het geslacht van de zelfstandigheid.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod objectio illa procedit de mensura proportionata : hanc enim oportet esse homogeneam mensurato, Deus autem non est mensura proportionata alicui. Dicitur tamen mensura omnium, ex eo quod unumquodque tantum habet de esse, quantum ei appropinquat.

2. Die opwerping gaat uit van de beschouwing van de ge-evenredigde maat, die inderdaad van denzelfden aard moet zijn als het gemetene. God is echter geen maat die met een bepaald wezen geëvenredigd is, maar wordt gezegd de maat te zijn van alles, omdat alles wezen heeft in zoover het Hem benadert.2. Die opwerping gaat uit van de beschouwing van de ge-evenredigde maat, die inderdaad van dezelfde aard moet zijn als het gemetene. God is echter geen maat die met een bepaald wezen geëvenredigd is, maar wordt gezegd de maat te zijn van alles, omdat alles wezen heeft in zover het Hem benadert.

Articulus VI

Utrum in Deo sint aliqua accidentia

[1 Sent., Dist. 8, Q. 4, art. 3; 1 Cont. Gent., cap. 23; De Pot., q. 7, art. 4; Compend. Theol., cap. 23.]
VIe Artikel

Zijn er bijkomstigheden in God?

antwoord 1 ↓

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod in Deo sint aliqua accidentia. Substantia enim nulli est accidens, ut dicitur in 7 Physic. [cap. 3, n. 6, 9]. Quod ergo in uno est accidens, in alio non potest esse substantia : sicut 80probatur quod calor non sit forma substantialis ignis, quia in aliis est accidens. Sed sapientia, virtus, et hujusmodi, quae in nobis sunt accidentia, Deo attribuuntur. Ergo et in Deo sunt accidentia.

Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat er in God bijkomstigheden zijn. De zelfstandigheid toch kan bij geen enkel wezen een bijkomstigheid zijn, zooals gezegd wordt in het Ie Boek der Physica (VIIe H., Nr 6, 9). Wat dus bij het eene wezen bijkomstigheid is, kan in een ander geen zelfstandigheid zijn. De warmte 80is de zelfstandige vorm van het vuur niet, omdat het in andere dingen een bijkomstigheid is. Welnu, wijsheid, deugd en dergelijke, die bij ons bijkomstigheden zijn, komen aan God ook toe. Dus zijn er bijkomstigheden in God.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat er in God bijkomstigheden zijn. De zelfstandigheid toch kan bij geen enkel wezen een bijkomstigheid zijn, zoals gezegd wordt in het 1e Boek van de Fysica (7e H., Nr 6, 9). Wat dus bij het ene wezen bijkomstigheid is, kan in een ander geen zelfstandigheid zijn. De warmte 80is de zelfstandige vorm van het vuur niet, omdat het in andere dingen een bijkomstigheid is. Welnu, wijsheid, deugd en dergelijke, die bij ons bijkomstigheden zijn, komen aan God ook toe. Dus zijn er bijkomstigheden in God.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, in quolibet genere est unum primum. Multa autem sunt genera accidentium. Si ergo prima illorum generum non sunt in Deo, erunt multa prima extra Deum : quod est inconveniens.

2. In ieder geslacht is er iets het eerste. Nu zijn er echter ook vele geslachten van bijkomstigheden. Indien datgene wat het eerste is in die geslachten aan God niet toekomt, dan zullen er veel eerste dingen Hem niet toekomen, wat wel eenig bezwaar schijnt op te leveren.2. In ieder geslacht is er iets het eerste. Nu zijn er echter ook vele geslachten van bijkomstigheden. Indien datgene wat het eerste is in die geslachten aan God niet toekomt, dan zullen er veel eerste dingen Hem niet toekomen, wat wel enig bezwaar schijnt op te leveren.

Sed contra, omne accidens est in subjecto. Deus autem non potest esse subjectum : quia forma simplex subjectum esse non potest, ut dicit Boetius in lib. de Trin. [cap. 2]. Ergo in Deo non potest esse accidens.

Daar is echter tegen aan te voeren, dat elke bijkomstigheid in een subjekt is. Welnu God kan geen subjekt zijn, omdat volgens het woord van Boëtius in het Boek Over de Drieeenheid (IIe H.), een enkelvoudige vorm geen subjekt kan zijn. Dus is er geen bijkomstigheid in God.Daar is echter tegen aan te voeren, dat elke bijkomstigheid in een subject is. Welnu God kan geen subject zijn, omdat volgens het woord van Boëtius in het Boek Over de Drieeenheid (2e H.), een enkelvoudige vorm geen subject kan zijn. Dus is er geen bijkomstigheid in God.

Respondeo dicendum quod, secundum praemissa, manifeste apparet quod in Deo accidens esse non potest. Primo quidem, quia subjectum comparatur ad accidens, sicut potentia ad actum : subjectum enim secundum accidens est aliquo modo in actu. Esse autem in potentia omnino removetur a Deo, ut ex praedictis patet [art. 1].

Leerstelling. — Volgens het voorafgaande kan er in God geen bijkomstigheid zijn, 1°, omdat het subjekt in dezelfde verhouding staat tot de bijkomstigheid als de potentie tot den akt. Het subjekt is immers door de bijkomstigheid eenigerwijze in akt. Welnu, bij God is er geen potentialiteit.Leerstelling. — Volgens het voorafgaande kan er in God geen bijkomstigheid zijn, 1°, omdat het subject in dezelfde verhouding staat tot de bijkomstigheid als de potentie tot de act. Het subject is immers door de bijkomstigheid enigerwijze in act. Welnu, bij God is er geen potentialiteit.

81Secundo, quia Deus est suum esse, ut Boetius dicit in lib. de Hebd. « Licet id quod est, aliquid aliud possit habere adjunctum, tamen ipsum esse nihil aliud adjunctum habere potest » : sicut quod est calidum, potest habere aliquid extraneum quam calidum, ut albedinem; sed ipse calor nihil habet praeter calorem.

812° Omdat God één is met z'n zijn. Zooals nu Boëtius zegt in zijn Boek Over de Tijdstippen, kan wel datgene wat is, iets bijkomends hebben, maar met het zijn zelf kan dit het geval niet zijn. Zoo kan wel iets wat warm is, iets anders zijn dan warm, b.v. wit, doch aan de warmte zelf kan er niets buiten de warmte toekomen.812° Omdat God één is met z'n zijn. Zoals nu Boëtius zegt in zijn Boek Over de Tijdstippen, kan wel datgene wat is, iets bijkomends hebben, maar met het zijn zelf kan dit het geval niet zijn. Zo kan wel iets wat warm is, iets anders zijn dan warm, bv. wit, doch aan de warmte zelf kan er niets buiten de warmte toekomen.

Tertio, quia omne quod est per se, prius est eo quod est per accidens. Unde, cum Deus sit simpliciter primum ens, nihil in eo potest esse per accidens. Sed nec accidentia per se in eo esse possunt, sicut risibile est per se accidens hominis, quia hujusmodi accidentia causantur ex principiis subjecti: in Deo autem nihil potest esse causatum, cum sit causa prima. Unde relinquitur quod in Deo nullum sit accidens.

3° Al wat uit zich zelf is, gaat aan het bijkomstige vooraf. Daar nu God in alle opzichten het eerste wezen is, kan er niets bijkomstigs zijn in Hem; zelfs kunnen er in Hem geen bijkomstigheden zijn, die Hem noodzakelijk zouden toekomen, zooals het vermogen om te lachen een bijkomstigheid is die den mensch noodzakelijk toekomt. En aangezien dergelijke bijkomstigheden veroorzaakt worden door de beginselen van het subjekt, en er bij God niets veroorzaakt is, — Hij is immers de eerste oorzaak, — is er ook in Hem geen enkele bijkomstigheid.3° Al wat uit zichzelf is, gaat aan het bijkomstige vooraf. Daar nu God in alle opzichten het eerste wezen is, kan er niets bijkomstigs zijn in Hem; zelfs kunnen er in Hem geen bijkomstigheden zijn, die Hem noodzakelijk zouden toekomen, zoals het vermogen om te lachen een bijkomstigheid is die de mens noodzakelijk toekomt. En aangezien dergelijke bijkomstigheden veroorzaakt worden door de beginselen van het subject, en er bij God niets veroorzaakt is, — Hij is immers de eerste oorzaak, — is er ook in Hem geen enkele bijkomstigheid.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod virtus et sapientia non univoce dicuntur de Deo et de nobis, ut infra patebit [q. 13, art. 5]. Unde non sequitur quod sint accidentia in Deo, sicut in nobis.

Antwoord op de bedenkingen. — 1. Deugd en wijsheid worden niet éénzinnig van God en van de menschen gezegd, zooals verder blijken zal (XIIIe Kw., 5e Art.). Daarom zijn zij bij God geen bijkomstigheden, zooals bij ons.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Deugd en wijsheid worden niet eenzinnig van God en van de mensen gezegd, zoals verder blijken zal (13e Kw., 5e Art.). Daarom zijn zij bij God geen bijkomstigheden, zoals bij ons.

↑ bedenking 2

82Ad secundum dicendum quod, cum substantia sit prior accidentibus, principia accidentium reducuntur in principia substantiae sicut in priora. Quamvis Deus non sit primum contentum in genere substantiae, sed primum extra omne genus, respectu totius esse.

822. Daar de zelfstandigheid voornamer is dan de bijkomstigheden, worden de beginselen van de bijkomstigheden herleid tot de beginselen der zelfstandigheid als tot het voornaamste. God toch is niet de hoogste in het geslacht der zelfstandigheid, maar de hoogste buiten ieder geslacht en geheel het zijn.822. Daar de zelfstandigheid voornamer is dan de bijkomstigheden, worden de beginselen van de bijkomstigheden herleid tot de beginselen van de zelfstandigheid als tot het voornaamste. God toch is niet de hoogste in het geslacht van de zelfstandigheid, maar de hoogste buiten ieder geslacht en geheel het zijn.

Articulus VII

Utrum Deus sit omnino simplex

[1 Sent., Dist. 8, Q. 4, art. 1; 1 Cont. Gent., cap. 16, 18; De Pot., q. 7, art. 1; De Causis, lect. 21; Compend. Theol., cap. 9.]
VIIe Artikel

Is God geheel enkelvoudig?

antwoord 1 ↓

Ad septimum sic proceditur. Videtur quod Deus non sit omnino simplex. Ea enim quae sunt a Deo, imitantur ipsum : unde a primo ente sunt omnia entia, et a primo bono sunt omnia bona. Sed in rebus quae sunt a Deo, nihil est omnino simplex. Ergo Deus non est omnino simplex.

Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God niet volstrekt enkelvoudig is. Wat immers van God komt, bootst Hem na. Welnu, al de wezens komen van het eerste wezen, en alles wat goed is komt van het eerste goed. Maar in de dingen die van God afkomstig zijn is er niets geheel enkelvoudig. Dus is God het ook niet.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, omne quod est melius, Deo est attribuendum. Sed, apud nos, composita sunt meliora simplicibus : sicut corpora mixta elementis, et 83elementa suis partibus. Ergo non est dicendum quod Deus sit omnino simplex.

2. Al het betere is aan God toe te schrijven. Welnu bij ons zijn de samengestelde dingen beter dan de enkelvoudige : zoo 83zijn de samengestelde stoffen beter dan de elementen er van, en de dieren beter dan de samenstellende deelen er van. God is dus niet geheel enkelvoudig.2. Al het betere is aan God toe te schrijven. Welnu bij ons zijn de samengestelde dingen beter dan de enkelvoudige: zo 83zijn de samengestelde stoffen beter dan de elementen er van, en de dieren beter dan de samenstellende delen er van. God is dus niet geheel enkelvoudig.

Sed contra est quod Augustinus dicit, 6 de Trinit. [cap. 6] : « Deus vere et summe simplex est ».

Dit is echter strijdig met wat Augustinus zegt in het VIe Boek Over de Drieeenheid (VIe H.) : « God is werkelijk en in de hoogste mate enkelvoudig ».Dit is echter strijdig met wat Augustinus zegt in het 6e Boek Over de Drieeenheid (6e H.): “God is werkelijk en in de hoogste mate enkelvoudig”.

Respondeo dicendum quod Deum omnino esse simplicem, multipliciter potest esse manifestum. Primo quidem per supradicta. Cum enim in Deo non sit compositio, neque quantitativarum partium, quia corpus non est; neque compositio formae et materiae; neque in eo sit aliud natura et suppositum; neque aliud natura et esse; neque in eo sit compositio generis et differentiae; neque subjecti et accidentis : manifestum est quod Deus nullo modo compositus est, sed omnino simplex. Secundo, quia omne compositum est posterius suis componentibus, et dependens ex eis. Deus autem est primum ens, ut supra ostensum est [q. 2, art. 3]. Tertio, quia omne compositum 84causam habet : quae enim secundum se diversa sunt, non conveniunt in unum, nisi per aliquam causam adunantem ipsa. Deus autem non habet causam, ut supra ostensum est [q. 2, art. 3], cum sit prima causa efficiens. Quarto, quia in omni composito oportet esse potentiam et actum, quod in Deo non est : quia vel partium una est actus alterius; vel saltem omnes partes sunt sicut in potentia respectu totius. Quinto, quia omne compositum est aliquid quod non convenit alicui suarum partium. Et quidem in totis dissimilium partium, manifestum est : nulla enim partium hominis est homo, neque aliqua partium pedis est pes. In totis vero similium partium, licet aliquid quod dicitur de toto, dicatur de parte, sicut pars aeris est aer, et aquae aqua; aliquid tamen dicitur de toto, quod non convenit alicui partium : non enim si tota aqua est bicubita, et pars ejus. Sic igitur in omni composito est aliquid quod non est ipsum. Hoc autem etsi possit dici de habente formam, quod scilicet habeat aliquid quod non est ipsum, puta in albo est 85aliquid quod non pertinet ad rationem albi : tamen in ipsa forma nihil est alienum. Unde, cum Deus sit ipsa forma, vel potius ipsum esse, nullo modo compositus esse potest. Et hanc rationem tangit Hilarius 7 de Trinit. dicens: « Deus, qui virtus est, ex infirmis non continetur, neque qui lux est, ex obscuris coaptatur ».

Leerstelling. — Gods volstrekte enkelvoudigheid kan op velerlei wijze aangetoond worden : 1° In verband met wat hierboven werd uiteengezet. In God is immers geen samenstelling van quantitatieve deelen, daar Hij geen lichaam is; ook is er geen samenstelling van stof en vorm; daarbij is zijn natuur één met zijn persoon, en zijn wezenheid met zijn bestaan; samenstelling van geslacht en verschil, van subjekt en bijkomstigheden is er ook niet in Hem. Hij is dus op geen enkele wijze samengesteld, maar geheel enkelvoudig. 2° Al wat samengesteld is komt na de samenstellende deelen en hangt er van af. Welnu God is het eerste wezen, zooals hierboven werd bewezen (IIe Kw., 3e Art.). 3° Al wat samengesteld is heeft een oorzaak, omdat dingen die 84uit zich zelf verschillen, alleen kunnen samenkomen door de werking van een oorzaak die ze vereenigt. God echter, we bewezen het reeds (IIe Kw., 3e Art.), heeft geen oorzaak, daar Hij zelf de eerste werkende oorzaak is. 4° In al wat samengesteld is, is er aanleg en werkdadelijkheid: ofwel is een der deelen akt tegenover een ander, ofwel zijn minstens al de deelen in potentie tegenover het geheel. Dit nu heeft niet plaats bij God. 5° Ieder samengesteld wezen heeft een hoedanigheid die niet toekomt aan een der deelen. Dit blijkt vooreerst in een geheel dat samengesteld is uit ongelijke deelen. Geen enkel deel van den mensch toch is een mensch, en geen enkel deel van den voet is een voet. Wat nu een geheel betreft dat uit gelijke deelen is samengesteld, zijn er wel dingen die én van het geheel, én van de deelen gezegd worden : een deel der lucht is lucht, een deel van het water is water. Toch wordt er iets van het geheel gezegd wat niet op de deelen toepasselijk is : indien al het water bijeen twee maten meet, dan is dit niet toepasselijk op een deel er van. Zoo is er inderdaad in elk samengesteld wezen iets, wat er vreemd aan is. Maar hoewel nu eveneens kan gezegd worden van een ding dat een vorm heeft, dat het iets vreemds heeft (in een wit voorwerp 85kan er b. v. iets anders zijn dan wit), toch geldt dit niet van den vorm zelf. Daarom kan God op geenerlei wijze samengesteld zijn, omdat Hij zuivere vorm is, of beter zuiver zijn. En dit bewijs vinden we ook bij Hilarius, VIIe Boek Over de Drieeenheid (Nr 27), waar hij zegt : « God die een kracht is, is niet gemaakt uit zwakheid; Hij die licht is, is niet samengesteld uit duisternis ».Leerstelling. — Gods volstrekte enkelvoudigheid kan op velerlei wijze aangetoond worden: 1° In verband met wat hierboven werd uiteengezet. In God is immers geen samenstelling van kwantitatieve delen, daar Hij geen lichaam is; ook is er geen samenstelling van stof en vorm; daarbij is zijn natuur één met zijn persoon, en zijn wezenheid met zijn bestaan; samenstelling van geslacht en verschil, van subject en bijkomstigheden is er ook niet in Hem. Hij is dus op geen enkele wijze samengesteld, maar geheel enkelvoudig. 2° Al wat samengesteld is komt na de samenstellende delen en hangt er van af. Welnu God is het eerste wezen, zoals hierboven werd bewezen (2e Kw., 3e Art.). 3° Al wat samengesteld is heeft een oorzaak, omdat dingen die 84uit zichzelf verschillen, alleen kunnen samenkomen door de werking van een oorzaak die ze verenigt. God echter, we bewezen het reeds (2e Kw., 3e Art.), heeft geen oorzaak, daar Hij zelf de eerste werkende oorzaak is. 4° In al wat samengesteld is, is er aanleg en werkdadelijkheid: ofwel is een van de delen act tegenover een ander, ofwel zijn minstens al de delen in potentie tegenover het geheel. Dit nu heeft niet plaats bij God. 5° Ieder samengesteld wezen heeft een hoedanigheid die niet toekomt aan een van de delen. Dit blijkt vooreerst in een geheel dat samengesteld is uit ongelijke delen. Geen enkel deel van de mens toch is een mens, en geen enkel deel van de voet is een voet. Wat nu een geheel betreft dat uit gelijke delen is samengesteld, zijn er wel dingen die én van het geheel, én van de delen gezegd worden: een deel van de lucht is lucht, een deel van het water is water. Toch wordt er iets van het geheel gezegd wat niet op de delen toepasselijk is: indien al het water bijeen twee maten meet, dan is dit niet toepasselijk op een deel er van. Zo is er inderdaad in elk samengesteld wezen iets, wat er vreemd aan is. Maar hoewel nu eveneens kan gezegd worden van een ding dat een vorm heeft, dat het iets vreemds heeft (in een wit voorwerp 85kan er bv. iets anders zijn dan wit), toch geldt dit niet van de vorm zelf. Daarom kan God op generlei wijze samengesteld zijn, omdat Hij zuivere vorm is, of beter zuiver zijn. En dit bewijs vinden we ook bij Hilarius, 7e Boek Over de Drieeenheid (Nr 27), waar hij zegt: “God die een kracht is, is niet gemaakt uit zwakheid; Hij die licht is, is niet samengesteld uit duisternis”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod ea quae sunt a Deo, imitantur ipsum sicut causata primam causam. Est autem hoc de ratione causati, quod sit aliquo modo compositum : quia ad minus ejus esse est aliud quam quod quid est, ut infra patebit [q. 50, art. 3, resp. ad 3].

Antwoord op de bedenkingen. — 1. De dingen die van God afkomstig zijn bootsen Hem na als veroorzaakte dingen, die op de eerste oorzaak gelijken. Dit nu hoort tot het wezen zelf van het veroorzaakte, dat het eenigerwijze samengesteld is, minstens wat de wezenheid en het bestaan betreft, zooals verder blijken zal. (Le Kw., 3e Art., antw. op de 3e bed.)Antwoord op de bedenkingen. — 1. De dingen die van God afkomstig zijn bootsen Hem na als veroorzaakte dingen, die op de eerste oorzaak gelijken. Dit nu hoort tot het wezen zelf van het veroorzaakte, dat het enigerwijze samengesteld is, minstens wat de wezenheid en het bestaan betreft, zoals verder blijken zal. (50e Kw., 3e Art., antw. op de 3e bed.)

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod apud nos composita sunt meliora simplicibus, quia perfectio bonitatis creaturae non invenitur in uno simplici, sed in multis. Sed perfectio divinae bonitatis invenitur in uno simplici, ut infra ostendetur [q. 4, art. 2, resp. ad 1].

2. Inderdaad zijn bij ons de samengestelde dingen beter dan de enkelvoudige, omdat de volmaakte goedheid van het geschapene niet in één schepsel, maar alleen in vele gevonden wordt. Maar de volmaaktheid van het goddelijk goed-zijn is in één enkelvoudig wezen, zooals later zal blijken (IVe Kw., 2e Art., antw. op de 1e bed.).2. Inderdaad zijn bij ons de samengestelde dingen beter dan de enkelvoudige, omdat de volmaakte goedheid van het geschapene niet in één schepsel, maar alleen in vele gevonden wordt. Maar de volmaaktheid van het goddelijk goed-zijn is in één enkelvoudig wezen, zoals later zal blijken (4e Kw., 2e Art., antw. op de 1e bed.).

Articulus VIII

Utrum Deus in compositionem aliorum veniat

[1 Sent., Dist. 8. Q. 1, art. 2; 1 Cont. Gent., cap. 17, 26, 27; 3, cap 51; De Verit., q. 21. art. 4; De Pot., q. 6, art. 6; Compend. Theol., cap. 12, 13, 14.]
VIIIe Artikel

Maakt God deel uit van de dingen buiten Hem?

antwoord 1 ↓

86Ad octavum sic proceditur. Videtur quod Deus in compositionem aliorum veniat. Dicit enim Dionysius 4 cap. Caelest. Hierar. : « Esse omnium est, quae super esse est deitas ». Sed esse omnium intrat compositionem uniuscujusque. Ergo Deus in compositionem aliorum venit.

86Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God deel uitmaakt van de dingen buiten Hem. Dionysius zegt immers in zijn Boek Over de Hemelkoren (IVe H.) : « God, het zijn boven alle zijn, is het zijn van alles ». Het zijn nu van alles maakt deel uit van de zijnde dingen. Bijgevolg maakt God deel uit van de dingen buiten Hem.86Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God deel uitmaakt van de dingen buiten Hem. Dionysius zegt immers in zijn Boek Over de Hemelkoren (4e H.): “God, het zijn boven alle zijn, is het zijn van alles”. Het zijn nu van alles maakt deel uit van de zijnde dingen. Bijgevolg maakt God deel uit van de dingen buiten Hem.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Deus est forma : dicit enim Augustinus in lib. de Verb. Domini [serm. 38, cap. 2], quod « Verbum Dei (quod est Deus), est forma quaedam non formata ». Sed forma est pars compositi. Ergo Deus est pars alicujus compositi.

2. God is een vorm. Augustinus zegt immers in zijn werk Over de woorden des Heeren (IIe H.), dat het Woord Gods (dat God is) een soort ongevormde vorm is. Welnu de vorm maakt deel uit van het samengesteld wezen. God maakt dus deel uit van een samengesteld wezen.2. God is een vorm. Augustinus zegt immers in zijn werk Over de woorden van de Heer (2e H.), dat het Woord Gods (dat God is) een soort ongevormde vorm is. Welnu de vorm maakt deel uit van het samengesteld wezen. God maakt dus deel uit van een samengesteld wezen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, quaecumque sunt et nullo modo differunt, sunt idem. Sed Deus et materia prima sunt, et nullo modo differunt. Ergo penitus sunt 87idem. Sed materia prima intrat compositionem rerum. Ergo et Deus. Probatio mediae : quaecumque differunt, aliquibus differentiis differunt, et ita oportet ea esse composita; sed Deus et materia prima sunt omnino simplicia; ergo nullo modo differunt.

3. Alle dingen die zonder verschil zijn, zijn gelijk. Welnu God en de eerste stof verschillen niet. Dus zijn ze volkomen gelijk. 87Maar de eerste stof maakt deel uit van het samengestelde wezen, en bijgevolg ook God. De minderzin wordt bewezen als volgt : Alle dingen die verschillen, verschillen door een of ander verschil, en moeten daarom samengesteld zijn. Welnu God en de eerste stof zijn volkomen enkelvoudig. Dus verschillen ze niet.3. Alle dingen die zonder verschil zijn, zijn gelijk. Welnu God en de eerste stof verschillen niet. Dus zijn ze volkomen gelijk. 87Maar de eerste stof maakt deel uit van het samengestelde wezen, en bijgevolg ook God. De minderzin wordt bewezen als volgt: Alle dingen die verschillen, verschillen door een of ander verschil, en moeten daarom samengesteld zijn. Welnu God en de eerste stof zijn volkomen enkelvoudig. Dus verschillen ze niet.

Sed contra est quod dicit Dionysius 2 cap. de Div. Nom. quod « neque tactus est ejus (scilicet Dei), neque alia quaedam ad partes commiscendi communio ». Praeterea dicitur in libro De Causis [propos. 20], quod causa prima regit omnes res, praeterquam quod commisceatur eis.

Dit is echter in strijd met het getuigenis van Dionysius die in zijn Boek Over de Goddelijke Namen (IIe H.) zegt: « God is noch door aanraking, noch op eenige andere wijze met de dingen verbonden, als een deel er van ». Ook zegt het Boek Over de Oorzaken (20e stelling) : « De eerste oorzaak bestuurt alle dingen, zonder er deel van uit te maken ».Dit is echter in strijd met het getuigenis van Dionysius die in zijn Boek Over de Goddelijke Namen (2e H.) zegt: “God is noch door aanraking, noch op enige andere wijze met de dingen verbonden, als een deel er van”. Ook zegt het Boek Over de Oorzaken (20e stelling): “De eerste oorzaak bestuurt alle dingen, zonder er deel van uit te maken”.

Respondeo dicendum quod circa hoc fuerunt tres errores. Quidam enim posuerunt quod Deus esset anima mundi, ut patet per Augustinum, in lib. 7 de Civ. Dei [cap. 6] : et ad hoc etiam reducitur quod quidam etiam dixerunt Deum esse animam primi caeli. Alii dixerunt Deum esse 88principium formale omnium rerum. Et haec dicitur fuisse opinio Almarianorum. Tertius error fuit David de Dinando, qui stultissime posuit Deum esse materiam primam. Omnia enim haec manifestam continent falsitatem : neque est possibile Deum aliquo modo in compositionem alicujus venire, nec sicut principium formale, nec sicut principium materiale.

Leerstelling. — Aangaande deze kwestie heerscht er een drievoudige dwaling. Enkelen immers hebben gemeend, dat God de wereldziel was, zooals blijkt uit Augustinus in het VIIe Boek van zijn Godsstad (VIe H.). Hiertoe brengt men ook hen terug, die gezegd hebben dat God de ziel was van den eersten hemel. Anderen, nl. de Almaricianen, hebben gemeend dat God het vormelijk beginsel is van alle dingen. Ook David van Dinant dwaalde met op allerdwaaste wijze God als de eerste stof te beschouwen. Deze drie meeningen nu zijn klaarblijkelijk 88verkeerd, omdat God onmogelijk deel kan uitmaken van de dingen buiten Hem, en dit noch als vormelijk, noch als stoffelijk beginsel.Leerstelling. — Aangaande deze kwestie heerst er een drievoudige dwaling. Enkelen immers hebben gemeend, dat God de wereldziel was, zoals blijkt uit Augustinus in het 7e Boek van zijn Godsstad (6e H.). Hiertoe brengt men ook hen terug, die gezegd hebben dat God de ziel was van de eerste hemel. Anderen, nl. de Almaricianen, hebben gemeend dat God het vormelijk beginsel is van alle dingen. Ook David van Dinant dwaalde met op allerdwaaste wijze God als de eerste stof te beschouwen. Deze drie meningen nu zijn klaarblijkelijk 88verkeerd, omdat God onmogelijk deel kan uitmaken van de dingen buiten Hem, en dit noch als vormelijk, noch als stoffelijk beginsel.

Primo quidem, quia supra diximus [q. 2, art. 3] Deum esse primam causam efficientem. Causa autem efficiens cum forma rei factae non incidit in idem numero, sed solum in idem specie : homo enim generat hominem. Materia vero cum causa efficiente non incidit in idem numero, neque in idem specie : quia hoc est in potentia, illud vero in actu.

1. God is de eerste werkende oorzaak, gelijk we hierboven gezegd hebben (IIe Kw., 3e Art.). De werkende oorzaak nu is nooit één en hetzelfde wezen als de vorm van het uitwerksel, maar komt er alleen maar naar de soort mee overeen : de mensch brengt een anderen mensch voort, en de stof valt niet alleen niet samen met de werkende oorzaak, maar ze komt er zelfs niet soortelijk mee overeen, omdat de stof in aanleg, de werkende oorzaak in akt is.1. God is de eerste werkende oorzaak, gelijk we hierboven gezegd hebben (2e Kw., 3e Art.). De werkende oorzaak nu is nooit één en hetzelfde wezen als de vorm van het uitwerksel, maar komt er alleen maar naar de soort mee overeen: de mens brengt een anderen mens voort, en de stof valt niet alleen niet samen met de werkende oorzaak, maar ze komt er zelfs niet soortelijk mee overeen, omdat de stof in aanleg, de werkende oorzaak in act is.

Secundo, quia, cum Deus sit prima causa efficiens, ejus est primo et per se agere. Quod autem venit in compositionem alicujus, non est primo et per se agens, sed magis compositum : non enim manus agit, sed homo per manum, et ignis calefacit per calorem. Unde Deus non potest esse pars alicujus compositi.

2. God, die de eerste werkende oorzaak is, handelt onmiddellijk en uit zich zelf. Maar wat met iets anders wordt samengesteld, handelt zelf niet onmiddellijk en door zich zelf, wel het heele samengestelde ding : de hand werkt niet, maar de mensch werkt met zijn hand, en het vuur verwarmt door de warmte. God kan dus geen deel uitmaken van een samengesteld wezen.2. God, die de eerste werkende oorzaak is, handelt onmiddellijk en uit zichzelf. Maar wat met iets anders wordt samengesteld, handelt zelf niet onmiddellijk en door zichzelf, wel het hele samengestelde ding: de hand werkt niet, maar de mens werkt met zijn hand, en het vuur verwarmt door de warmte. God kan dus geen deel uitmaken van een samengesteld wezen.

Tertio, quia nulla pars compositi potest esse simpliciter prima in entibus; neque etiam materia et forma, quae sunt primae partes compositorum. Nam 89materia est in potentia : potentia autem est posterior actu simpliciter, ut ex dictis patet [art. 1]. Forma autem quae est pars compositi est forma participata : sicut autem participans est posterius eo quod est per essentiam, ita et ipsum participatum; sicut ignis in ignitis est posterior eo quod est per essentiam. Ostensum est autem [q. 2, art. 3] quod Deus est primum ens simpliciter.

3. Geen enkel deel van een samengesteld wezen kan het volstrekt allereerste zijn onder de dingen, ook niet de stof en de vorm, die de eerste samenstellende deelen zijn. De stof toch is in aanleg, 89en de aanleg komt in ieder opzicht na den akt, zooals uit het voorgaande blijkt (IIIe Kw., 1e Art.). De vorm nu, die deel uitmaakt van het samengestelde wezen, is een deelhebbende vorm. Evenals nu het deelhebbende komt na hetgeen van nature is, zoo geldt dit ook voor wat medegedeeld is. Zoo komt het vuur in de dingen die van « vurigen » aard zijn, nà het vuur op zich zelf. Welnu, hierboven (IIe Kw., 3e Art.), werd aangetoond, dat God het zonder eenige beperking eerste wezen is.3. Geen enkel deel van een samengesteld wezen kan het volstrekt allereerste zijn onder de dingen, ook niet de stof en de vorm, die de eerste samenstellende delen zijn. De stof toch is in aanleg, 89en de aanleg komt in ieder opzicht na de act, zoals uit het voorgaande blijkt (3e Kw., 1e Art.). De vorm nu, die deel uitmaakt van het samengestelde wezen, is een deelhebbende vorm. Evenals nu het deelhebbende komt na hetgeen van nature is, zo geldt dit ook voor wat medegedeeld is. Zo komt het vuur in de dingen die van “vurigen” aard zijn, nà het vuur op zichzelf. Welnu, hierboven (2e Kw., 3e Art.), werd aangetoond, dat God het zonder enige beperking eerste wezen is.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod deitas dicitur esse omnium, effective et exemplariter : non autem per essentiam.

Antwoord op de bedenkingen. — 1. God is het zijn van alle dingen als werkende en oerbeeld-oorzaak, maar niet door zijn wezenheid.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod Verbum est forma exemplaris, non autem forma quae est pars compositi.

2. Het Woord is een oerbeeld-vorm, en geen vorm, die een deel is van een samengesteld wezen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod simplicia non differunt aliquibus aliis differentiis : hoc enim compositorum est. Homo enim et equus differunt rationali et irrationali differentiis : quae quidem differentiae non differunt 90amplius ab invicem aliis differentiis. Unde, si fiat vis in verbo, non proprie dicuntur differre, sed diversa esse: nam, secundum Philosophum 10 Metaph. [lib. 9, cap. 3] : « Diversum absolute dicitur, sed omne differens aliquo differt ». Unde, si fiat vis in verbo, materia prima et Deus non differunt, sed sunt diversa seipsis. Unde non sequitur quod sint idem.

3. Enkelvoudige dingen verschillen inderdaad niet door een of ander verschil, want dit is aan de samengestelde dingen eigen. Zoo zijn de mensch en het paard onderscheiden door het soortelijk verschil van redelijk en niet-redelijk. Maar die soortelijke verschillen zijn verder niet door andere verschillen onderscheiden. Willen we nauwkeurig spreken, dan mogen we niet zeggen, dat ze van elkaar verschillen, maar moeten we zeggen, dat het andere dingen 90zijn. Daarom zegt ook de Wijsgeer in het Xe Boek van de Metaphysica (IXe B., IIIe H., Nr 6) : « Anders zijn wordt volstrekt gezegd; verschillen, met betrekking tot iets ». Willen we dus nauwkeurig spreken, dan moet gezegd, dat God en de eerste stof niet verschillen, maar iets anders zijn, en wel door zichzelf; zij zijn dus niet één en hetzelfde.3. Enkelvoudige dingen verschillen inderdaad niet door een of ander verschil, want dit is aan de samengestelde dingen eigen. Zo zijn de mens en het paard onderscheiden door het soortelijk verschil van redelijk en niet-redelijk. Maar die soortelijke verschillen zijn verder niet door andere verschillen onderscheiden. Willen we nauwkeurig spreken, dan mogen we niet zeggen, dat ze van elkaar verschillen, maar moeten we zeggen, dat het andere dingen 90zijn. Daarom zegt ook de Wijsgeer in het 10e Boek van de Metafysica (9e B., 3e H., Nr 6): “Anders zijn wordt volstrekt gezegd; verschillen, met betrekking tot iets”. Willen we dus nauwkeurig spreken, dan moet gezegd, dat God en de eerste stof niet verschillen, maar iets anders zijn, en wel door zichzelf; zij zijn dus niet één en hetzelfde.