Theologische Summa · Prima Pars · Hoe God niet isSumma · I · Hoe God niet isSumma · I · Kw. 8Kw. 8
Quaestio VIII

De existentia Dei in rebus

Kwestie 8

Over Gods tegenwoordigheid in de schepping

(Vier Artikelen)

161Quia vero infinito convenire videtur quod ubique et in omnibus sit, considerandum est utrum hoc Deo conveniat.

161Het oneindige is overal en in alles tegenwoordig. Daarom moeten we onderzoeken of dit ook aan God eigen is, en ons afvragen :161Het oneindige is overal en in alles tegenwoordig. Daarom moeten we onderzoeken of dit ook aan God eigen is, en ons afvragen:

Et circa hoc quaeruntur quatuor : 1. Utrum Deus sit in omnibus rebus. — 2. Utrum Deus ubique sit. — 3. Utrum Deus sit ubique per essentiam, potentiam, et praesentiam. — 4. Utrum esse ubique sit proprium Dei.

1°) Of God in alles tegenwoordig is. 2°) Of Hij alomtegenwoordig is. 3°) Of Hij overal is door zijn wezen, door zijn macht en door zijn tegenwoordigheid. 4°) Of het Hem alleen toekomt, overal tegenwoordig te zijn.1. Of God in alles tegenwoordig is. 2. Of Hij alomtegenwoordig is. 3. Of Hij overal is door zijn wezen, door zijn macht en door zijn tegenwoordigheid. 4. Of het Hem alleen toekomt, overal tegenwoordig te zijn.

Articulus I

Utrum Deus sit in omnibus rebus

[1 Sent., Dist. 377 Q. 1, art. 1; 3 Contr. Gent., c. 68.]
Ie Artikel

Is God in alle dingen tegenwoordig?

antwoord 1 ↓

Ad primum sic proceditur. Videtur quod Deus non sit in omnibus rebus. Quod enim est supra omnia, non est in omnibus rebus. Sed Deus est supra 162omnia, secundum illud Psalm. 112 [v. 4] : « Excelsus super omnes gentes Dominus » etc. Ergo Deus non est in omnibus rebus.

Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God niet in alle dingen tegenwoordig is. Wat immers boven alles verheven is, is niet 162in alles aanwezig. Maar God is boven alles verheven. « De Heer is verheven boven alle volkeren », zegt de Psalmist. (Ps. 112, 4.) Dus is Hij niet in alles tegenwoordig.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God niet in alle dingen tegenwoordig is. Wat immers boven alles verheven is, is niet 162in alles aanwezig. Maar God is boven alles verheven. “De Heer is verheven boven alle volkeren”, zegt de Psalmist. (Ps. 112, 4.)a Dus is Hij niet in alles tegenwoordig.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, quod est in aliquo, continetur ab eo. Sed Deus non continetur a rebus, sed magis continet res. Ergo Deus non est in rebus, sed magis res sunt in eo. Unde Augustinus dicit in lib. Octoginta Trium Quaest. [q. 20] quod « in illo potius sunt omnia, quam ipse alicubi ».

2. Wat in iets is, is er in vervat. Maar God wordt door de dingen niet vervat : Hij bevat ze integendeel. Bijgevolg is God niet in de dingen, maar zij in Hem. Augustinus zegt dan ook, dat alles veeleer in Hem is, dan Hij zelf ergens is. (Boek De drie en tachtig Vraagstukken, XXe Vr.)2. Wat in iets is, is er in vervat. Maar God wordt door de dingen niet vervat: Hij bevat ze integendeel. Bijgevolg is God niet in de dingen, maar zij in Hem. Augustinus zegt dan ook, dat alles veeleer in Hem is, dan Hij zelf ergens is. (Boek De drie en tachtig Vraagstukken, 20e Vr.)

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, quanto aliquod agens est virtuosius, tanto ad magis distans ejus actio procedit. Sed Deus est virtuosissimum agens. Igitur ejus actio pertingere potest ad ea quae ab ipso distant : nec oportet quod sit in omnibus.

3. Hoe krachtiger iets is, des te verder reikt zijn werking. Maar God is allerkrachtigst. Dus kan zijn werking reiken tot aan dingen die van Hem verwijderd zijn, en moet Hij niet in alles tegenwoordig zijn.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, daemones res aliquae sunt. Nec tamen Deus est in daemonibus : non enim « est conventio lucis ad tenebras », ut dicitur 2 ad Corint. 6 [v. 14]. Ergo Deus non est in omnibus rebus.

4. De duivelen zijn iets. En toch is God niet in hen. « Er is geen gemeenschap tusschen het licht en de duisternis », lezen we immers in den IIen Corinthiërbrief (6, 14). Bijgevolg is God niet in alles.4. De duivelen zijn iets. En toch is God niet in hen. “Er is geen gemeenschap tussen het licht en de duisternis”, lezen we immers in de 2e Korintiërbrief (6, 14). Bijgevolg is God niet in alles.

Sed contra, ubicumque aliquid operatur, ibi est. Sed Deus operatur in omnibus, secundum illud Isaiae 26 [v. 12] : « Omnia opera nostra operatus es in nobis, Domine ». Ergo Deus est in omnibus rebus.

Daartegenover staat echter, dat iemand dàar is, waar hij zijn werking uitoefent. Welnu, God oefent zijn werking uit in alle dingen, volgens het woord van Isaïas (26, 12) : « Al onze 163werken hebt Gij in ons uitgewerkt, Heer ». Bijgevolg is God in alle dingen tegenwoordig.Daartegenover staat echter, dat iemand dàar is, waar hij zijn werking uitoefent. Welnu, God oefent zijn werking uit in alle dingen, volgens het woord van Jesaja (26, 12): “Al onze 163werken hebt Gij in ons uitgewerkt, Heer”. Bijgevolg is God in alle dingen tegenwoordig.

163Respondeo dicendum quod Deus est in omnibus rebus, non quidem sicut pars essentiae, vel sicut accidens, sed sicut agens adest ei in quod agit. Oportet enim omne agens conjungi ei in quod immediate agit, et sua virtute illud contingere : unde in 7. Physic. [cap. 2], probatur quod movens et motum oportet esse simul. Cum autem Deus sit ipsum esse per suam essentiam, oportet quod esse creatum sit proprius effectus ejus, sicut ignire est proprius effectus ipsius ignis. Hunc autem effectum causat Deus in rebus, non solum quando primo esse incipiunt, sed quamdiu in esse conservantur; sicut lumen causatur in aere a sole quamdiu aer illuminatus manet. Quamdiu igitur res habet esse, tamdiu oportet quod Deus adsit ei secundum modum quo esse habet. Esse autem est id quod est magis intimum cuilibet, et quod profundius omnibus inest : cum sit formale respectu omnium quae in re sunt, ut ex supra dictis patet [q. 4, art. 1]. Unde oportet quod Deus sit in omnibus rebus, et intime.

Leerstelling. — God is in alle dingen, maar niet zóó, als maakte Hij deel uit van iedere wezenheid, noch als was Hij een bijkomstigheid, maar wel gelijk iemand die een werking uitoefent, aanwezig is bij datgene waarop hij inwerkt. Elk werkend wezen toch moet vereenigd zijn met datgene waar het onmiddellijk op inwerkt, en moet het door zijn kracht beïnvloeden; ook wordt in het VIIe Boek der Physica (IIe H.) bewezen, dat de beweger en het bewogene vereenigd moeten zijn. Daar nu God door zijn wezenheid het zijn zelf is, moet het geschapen zijn Hem als zijn eigen uitwerksel toegeschreven worden, zooals verwarmen het eigen uitwerksel is van het vuur. Maar dit uitwerksel brengt God niet alleen voort, wanneer de dingen voor het eerst tot het bestaan komen, maar zoolang ze blijven voortbestaan, juist gelijk de zon het licht voortbrengt, zoolang de lucht verlicht is. God moet dus zoolang bij iets aanwezig zijn als het voortbestaat, en wel overeenkomstig de wijze waarop het is. Welnu, het zijn is juist datgene wat voor elk ding het meest innige is, en er het diepst in wortelt, want het staat in formeele verhouding tot alles wat in een 164ding is, zooals uit het voorgaande blijkt. (IVe Kw., 1e Art.) Bijgevolg moet God in het diepste van elk wezen tegenwoordig zijn.Leerstelling. — God is in alle dingen, maar niet zó, als maakte Hij deel uit van iedere wezenheid, noch als was Hij een bijkomstigheid, maar wel gelijk iemand die een werking uitoefent, aanwezig is bij datgene waarop hij inwerkt. Elk werkend wezen toch moet verenigd zijn met datgene waar het onmiddellijk op inwerkt, en moet het door zijn kracht beïnvloeden; ook wordt in het 7e Boek van de Fysica (2e H.) bewezen, dat de beweger en het bewogene verenigd moeten zijn. Daar nu God door zijn wezenheid het zijn zelf is, moet het geschapen zijn Hem als zijn eigen uitwerksel toegeschreven worden, zoals verwarmen het eigen uitwerksel is van het vuur. Maar dit uitwerksel brengt God niet alleen voort, wanneer de dingen voor het eerst tot het bestaan komen, maar zolang ze blijven voortbestaan, juist gelijk de zon het licht voortbrengt, zolang de lucht verlicht is. God moet dus zolang bij iets aanwezig zijn als het voortbestaat, en wel overeenkomstig de wijze waarop het is. Welnu, het zijn is juist datgene wat voor elk ding het meest innige is, en er het diepst in wortelt, want het staat in formele verhouding tot alles wat in een 164ding is, zoals uit het voorgaande blijkt. (4e Kw., 1e Art.) Bijgevolg moet God in het diepste van elk wezen tegenwoordig zijn.

↑ bedenking 1

164Ad primum ergo dicendum quod Deus est supra omnia per excellentiam suae naturae, et tamen est in omnibus ut creans esse omnium, sicut supra dictum est [in corp. art.].

Antwoord op de bedenkingen. — 1. God is boven alles verheven door de verhevenheid van zijn natuur. Toch is Hij in alle dingen, in zoover Hij het zijn voortbrengt van al wat is, zooals in de leerstelling gezegd is.Antwoord op de bedenkingen. — 1. God is boven alles verheven door de verhevenheid van zijn natuur. Toch is Hij in alle dingen, in zover Hij het zijn voortbrengt van al wat is, zoals in de leerstelling gezegd is.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod licet corporalia dicantur esse in aliquo sicut in continente, tamen spiritualia continent ea in quibus sunt, sicut anima continet corpus. Unde et Deus est in rebus, sicut continens res. Tamen per quamdam similitudinem corporalium dicuntur omnia esse in Deo, inquantum continentur ab ipso.

2. De lichamelijke dingen zijn in iets als in datgene wat ze bevat, maar de geestelijke dingen bevatten datgene waarin ze zijn, gelijk de ziel het lichaam. God is dan ook in de dingen zooals iets wat de dingen omvat. Bij wijze van vergelijking met het lichamelijke zegt men echter, dat alles in God is, in zoover alles door Hem omvat wordt.2. De lichamelijke dingen zijn in iets als in datgene wat ze bevat, maar de geestelijke dingen bevatten datgene waarin ze zijn, gelijk de ziel het lichaam. God is dan ook in de dingen zoals iets wat de dingen omvat. Bij wijze van vergelijking met het lichamelijke zegt men echter, dat alles in God is, in zover alles door Hem omvat wordt.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod nullius agentis, quantumcumque virtuosi, actio procedit ad aliquid distans, nisi inquantum in illud per media agit. Hoc autem ad maximam Dei virtutem pertinet, quod immediate in omnibus agit. Unde nihil est distans ab eo, quasi in se illud Deum non habeat. Dicuntur tamen res distare a Deo per dissimilitudinem naturae vel gratiae : sicut et ipse super omnia est per excellentiam suae naturae.

3. De werking van geen enkel wezen, hoe machtig het ook is, kan iets bereiken wat er van verwijderd is, tenzij door er op in te werken met bemiddeling van andere wezens. Nu komt het aan Gods allergrootste kracht toe, onmiddellijk op alles in te werken, en zoo is er niets van God verwijderd als zou het God in zich niet bezitten. Als we dan toch zeggen, dat de dingen van God verwijderd zijn, dan spreken wij van hun verschil met God door de natuur en de genade. Zeggen wij ook niet, dat Hij boven alles verheven is door de verhevenheid van zijn natuur?3. De werking van geen enkel wezen, hoe machtig het ook is, kan iets bereiken wat er van verwijderd is, tenzij door er op in te werken met bemiddeling van andere wezens. Nu komt het aan Gods allergrootste kracht toe, onmiddellijk op alles in te werken, en zo is er niets van God verwijderd als zou het God in zich niet bezitten. Als we dan toch zeggen, dat de dingen van God verwijderd zijn, dan spreken wij van hun verschil met God door de natuur en de genade. Zeggen wij ook niet, dat Hij boven alles verheven is door de verhevenheid van zijn natuur?

↑ bedenking 4

165Ad quartum dicendum quod in daemonibus intelligitur et natura, quae est a Deo, et deformitas culpae, quae non est ab ipso. Et ideo non est absolute concedendum quod Deus sit in daemonibus, sed cum hac additione : inquantum sunt res quaedam. In rebus autem quae nominant naturam non deformatam, absolute dicendum est Deum esse.

1654. Wij kunnen in de duivelen beschouwen : én hun natuur, die komt van God, én de misvorming door de zonde, die niet van Hem is. Wij kunnen dus niet zonder onderscheid toegeven, dat God in de duivelen is, maar alleen wanneer er bijgevoegd wordt: in zoover zij een wezen zijn. In de dingen echter waarvan de natuur niet misvormd is, kunnen we zonder onderscheid Gods tegenwoordigheid aannemen.1654. Wij kunnen in de duivelen beschouwen: én hun natuur, die komt van God, én de misvorming door de zonde, die niet van Hem is. Wij kunnen dus niet zonder onderscheid toegeven, dat God in de duivelen is, maar alleen wanneer er bijgevoegd wordt: in zover zij een wezen zijn. In de dingen echter waarvan de natuur niet misvormd is, kunnen we zonder onderscheid Gods tegenwoordigheid aannemen.

Articulus II

Utrum Deus sit ubique

[Infra, q. 16, art. 7, ad 2; q. 52, art. 2; I Sent., Dist. 37, q. 2, art. 1; 3 Contr. Gent., cap. 68; Quodl. 11, art. 1.]
IIe Artikel

Is God overal?

antwoord 1 ↓

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod Deus non sit ubique. Esse enim ubique significat esse in omni loco. Sed esse in omni loco non convenit Deo, cui non convenit esse in loco : nam incorporalia, ut dicit Boetius, lib. de Hebd., non sunt in loco. Ergo Deus non est ubique.

Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God niet overal is. Overal zijn toch beteekent : iedere ruimte vervullen. Maar dit komt aan God niet toe, want Hij neemt geen plaats in. De onlichamelijke wezens, zegt Boëtius immers in zijn Boek Over de Tijdstippen, nemen geen plaats in. Dus is God niet overal.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God niet overal is. Overal zijn toch betekent: iedere ruimte vervullen. Maar dit komt aan God niet toe, want Hij neemt geen plaats in. De onlichamelijke wezens, zegt Boëtius immers in zijn Boek Over de Tijdstippen, nemen geen plaats in. Dus is God niet overal.

antwoord 2 ↓

1662. Praeterea, sicut se habet tempus ad successiva, ita se habet locus ad permanentia. Sed unum indivisibile actionis vel motus non potest esse in diversis temporibus. Ergo nec unum indivisibile in genere rerum permanentium potest esse in omnibus locis. Esse autem divinum non est successivum, sed permanens. Ergo Deus non est in pluribus locis. Ergo non est ubique.

1662. De plaats is voor de wezens die iets blijvends zijn, wat de tijd is voor die wezens die een opeenvolging zijn. Maar een ondeelbare eenheid van een handeling of een beweging kan niet op verschillende tijden zijn. Dus kan een ondeelbare eenheid van een wezen dat iets blijvends is, niet op alle plaatsen zijn. Maar Gods wezen is geen opeenvolging, doch iets blijvends. Hij kan dus niet op verschillende plaatsen zijn, en is dus ook niet overal.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, quod est totum alicubi, nihil ejus est extra locum illum. Sed Deus, si est in aliquo loco, totus est ibi : non enim habet partes. Ergo nihil ejus est extra locum. Ergo Deus non est ubique.

3. Als iets in zijn geheel ergens is, dan is geen enkel deel van dit wezen daarbuiten. Maar als God ergens is, dan is Hij daar geheel, daar Hij geen deelen heeft. Geen enkel deel van zijn wezen is dus buiten de plaats waar Hij is. En zoo is Hij niet overal.3. Als iets in zijn geheel ergens is, dan is geen enkel deel van dit wezen daarbuiten. Maar als God ergens is, dan is Hij daar geheel, daar Hij geen delen heeft. Geen enkel deel van zijn wezen is dus buiten de plaats waar Hij is. En zo is Hij niet overal.

Sed contra est quod dicitur Jerem. 23 [v. 24] : « Caelum et terram ego impleo ».

Daartegenover staat echter het woord van Jeremias (23, 24) : « Hemel en aarde vervul ik ».Daartegenover staat echter het woord van Jeremia (23, 24): “Hemel en aarde vervul ik”.

Respondeo dicendum quod, cum locus sit res quaedam, esse aliquid in loco potest intelligi dupliciter : vel per modum aliarum rerum, idest sicut 167dicitur aliquid esse in aliis rebus quocumque modo, sicut accidentia loci sunt in loco; vel per modum proprium loci, sicut locata sunt in loco. Utroque autem modo, secundum aliquid, Deus est in omni loco, quod est esse ubique. Primo quidem, sicut est in omnibus rebus, ut dans eis esse et virtutem et operationem : sic enim est in omni loco, ut dans ei esse et virtutem locativam. Item, locata sunt in loco inquantum replent locum : et Deus omnem locum replet, non sicut corpus : corpus enim dicitur replere locum, inquantum non compatitur secum aliud corpus; sed per hoc quod Deus est in aliquo loco, non excluditur quin alia sint ibi : immo per hoc replet omnia loca, quod dat esse omnibus locatis quae replent omnia loca.

Leerstelling. — Daar de plaats ook een ding is, kan iets op twee wijzen ergens zijn : ófwel op de gewone wijze, zooals iets in iets is, hoe dan ook; en op die wijze zijn bijkomstigheden van plaats zelf ergens; ófwel naar de eigenlijke beteekenis van het woord « plaats », en zoo bekleeden de dingen die in de ruimte 167zijn een plaats. Op beide wijzen nu is God in een zekeren zin op alle plaatsen, d. i. overal. Ten eerste is Hij in alle wezens, omdat Hij er het zijn aan schenkt, en de kracht, en de werking, en op deze wijze is Hij op alle plaatsen, in zoover Hij aan de ruimte het wezen geeft en het vermogen om iets te bevatten. Ten tweede zijn ook de dingen ergens in zoover zij een zekere ruimte beslaan, en zoo ook is God overal; natuurlijk niet gelijk een lichaam, want van een lichaam zeggen we, dat het een plaats in de ruimte inneemt omdat het elk ander lichaam van diezelfde plaats uitsluit, terwijl Gods tegenwoordigheid die van andere wezens niet uitsluit. Wat meer is, Hij is juist overal omdat Hij het wezen geeft aan alle ruimtelijke dingen, die geheel de ruimte vervullen.Leerstelling. — Daar de plaats ook een ding is, kan iets op twee wijzen ergens zijn: ófwel op de gewone wijze, zoals iets in iets is, hoe dan ook; en op die wijze zijn bijkomstigheden van plaats zelf ergens; ófwel naar de eigenlijke betekenis van het woord “plaats”, en zo bekleden de dingen die in de ruimte 167zijn een plaats. Op beide wijzen nu is God in een zekeren zin op alle plaatsen, d.i. overal. Ten eerste is Hij in alle wezens, omdat Hij er het zijn aan schenkt, en de kracht, en de werking, en op deze wijze is Hij op alle plaatsen, in zover Hij aan de ruimte het wezen geeft en het vermogen om iets te bevatten. Ten tweede zijn ook de dingen ergens in zover zij een zekere ruimte beslaan, en zo ook is God overal; natuurlijk niet gelijk een lichaam, want van een lichaam zeggen we, dat het een plaats in de ruimte inneemt omdat het elk ander lichaam van diezelfde plaats uitsluit, terwijl Gods tegenwoordigheid die van andere wezens niet uitsluit. Wat meer is, Hij is juist overal omdat Hij het wezen geeft aan alle ruimtelijke dingen, die geheel de ruimte vervullen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod incorporalia non sunt in loco per contactum quantitatis dimensivae, sicut corpora : sed per contactum virtutis.

Antwoord op de bedenkingen. — 1. De onlichamelijke dingen nemen inderdaad geen plaats in, als zouden zij er door hun meetbare hoegrootheid in betrekking mee staan, zooals alleen de lichamen doen, maar wel zóó, dat zij haar door hun kracht bereiken.Antwoord op de bedenkingen. — 1. De onlichamelijke dingen nemen inderdaad geen plaats in, als zouden zij er door hun meetbare hoegrootheid in betrekking mee staan, zoals alleen de lichamen doen, maar wel zó, dat zij haar door hun kracht bereiken.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod indivisibile est duplex. Unum, quod est terminus continui, ut punctus in permanentibus, et momentum in successivis. 168Et hujusmodi indivisibile in permanentibus, quia habet determinatum situm, non potest esse in pluribus partibus loci, vel in pluribus locis : et similiter indivisibile actionis vel motus, quia habet determinatum ordinem in motu vel actione, non potest esse in pluribus partibus temporis. Aliud autem indivisibile est, quod est extra totum genus continui : et hoc modo substantiae incorporeae, ut Deus, anima et substantiae separatae dicuntur esse indivisibiles. Tale igitur indivisibile non applicatur ad continuum sicut aliquid ejus, sed inquantum contingit illud sua virtute. Unde secundum quod virtus sua se potest extendere ad unum vel multa, ad parvum vel magnum, secundum hoc est in uno vel pluribus locis, et in loco parvo vel magno.

2. Er is een tweevoudige ondeelbare eenheid. De eerste is de uiterste grens van een onafgebroken hoegrootheid. Voorbeelden 168daarvan zijn : het punt voor de wezens die iets blijvends zijn, en het oogenblik voor de wezens die een opeenvolging zijn. In de eerste wezens kan inderdaad een ondeelbare eenheid niet op verschillende plaatsen tegelijk zijn, noch op verschillende punten van eenzelfde plaats. De reden hiervan is, dat zulke wezens een bepaalde ligging hebben. Ook is het waar, dat een ondeelbaar deel van een handeling of een beweging niet op verschillende tijden tegelijk kan zijn, en wel omdat zulke ondeelbare eenheden een bepaalden rang bekleeden in de handeling of in de beweging. De tweede soort van ondeelbare eenheid vinden we bij de wezens, die met de onafgebroken hoegrootheid niets gemeens hebben, nl. bij de onstoffelijke wezens, God, de engelen, de ziel, die ook ondeelbaar zijn. Zulke ondeelbare eenheden zijn met een onafgebroken hoegrootheid niet vereenigd, als waren zij een deel er van, maar in zoover zij haar door hun kracht beïnvloeden. Een dergelijk wezen zal op één plaats of op verschillende plaatsen zijn, het zal een kleine of een groote ruimte vervullen, naar gelang zijn kracht één of meer wezens kan bereiken, kleine of groote dingen kan beïnvloeden.2. Er is een tweevoudige ondeelbare eenheid. De eerste is de uiterste grens van een onafgebroken hoegrootheid. Voorbeelden 168daarvan zijn: het punt voor de wezens die iets blijvends zijn, en het ogenblik voor de wezens die een opeenvolging zijn. In de eerste wezens kan inderdaad een ondeelbare eenheid niet op verschillende plaatsen tegelijk zijn, noch op verschillende punten van eenzelfde plaats. De reden hiervan is, dat zulke wezens een bepaalde ligging hebben. Ook is het waar, dat een ondeelbaar deel van een handeling of een beweging niet op verschillende tijden tegelijk kan zijn, en wel omdat zulke ondeelbare eenheden een bepaalden rang bekleden in de handeling of in de beweging. De tweede soort van ondeelbare eenheid vinden we bij de wezens, die met de onafgebroken hoegrootheid niets gemeens hebben, nl. bij de onstoffelijke wezens, God, de engelen, de ziel, die ook ondeelbaar zijn. Zulke ondeelbare eenheden zijn met een onafgebroken hoegrootheid niet verenigd, als waren zij een deel er van, maar in zover zij haar door hun kracht beïnvloeden. Een dergelijk wezen zal op één plaats of op verschillende plaatsen zijn, het zal een kleine of een grote ruimte vervullen, naar gelang zijn kracht één of meer wezens kan bereiken, kleine of grote dingen kan beïnvloeden.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod totum dicitur respectu partium. Est autem duplex pars : scilicet pars essentiae, ut forma et materia dicuntur partes compositi, et genus et differentia partes speciei; et est etiam pars 169quantitatis, in quam scilicet dividitur aliqua quantitas. Quod ergo est totum in aliquo loco totalitate quantitatis, non potest esse extra locum illum, quia quantitas locati commensuratur quantitati loci, unde non est totalitas quantitatis, si non sit totalitas loci. Unde non oportet quod id quod est totum totalitate essentiae in aliquo, nullo modo sit extra illud. Sicut apparet etiam in formis accidentalibus, quae secundum accidens quantitatem habent : albedo enim tota est in qualibet parte superficiei, si accipiatur totalitas essentiae, quia secundum perfectam rationem suae speciei invenitur in qualibet parte superficiei; si autem accipiatur totalitas secundum quantitatem, quam habet per accidens, sic non est tota in qualibet parte superficiei. In substantiis autem incorporeis non est totalitas, nec per se, nec per accidens, nisi secundum perfectam rationem essentiae. Et ideo, sicut anima est tota in qualibet parte corporis, ita Deus totus est in omnibus et singulis.

3. Men spreekt van een geheel met betrekking tot de deelen. Nu zijn er ten eerste wezensdeelen, zooals de vorm en de stof, die de deelen zijn van het samengesteld wezen, of ook het geslacht en 169het soortelijk verschil, die de deelen zijn van de soort; ten tweede zijn er hoegrootheidsdeelen, die men verkrijgt door een hoegrootheid te verdeelen. Sprekende over deze laatste soort van deelen, moet gezegd, dat iets wat in zijn geheel ergens is, onmogelijk ook buiten die plaats kan zijn. De hoegrootheid toch van een wezen dat een plaats inneemt, en de hoegrootheid van die plaats zelf komen geheel met elkaar overeen. Men heeft dus niet de geheele hoegrootheid, als men de geheele plaats niet heeft. Maar het is niet noodig, dat iets, wat met geheel zijn wezen in iets is, in het geheel niet daarbuiten is. Een voorbeeld hiervan vinden we in de bijkomstige vormen, die slechts bijkomstig hoegroot zijn. Als we spreken van het geheel der wezenheid, dan is de witheid geheel in elk deel van de oppervlakte : ze is er immers met al wat tot haar begrip behoort. Spreken we echter van het geheel der hoegrootheid, die aan de witheid bijkomstig toekomt, dan is ze niet geheel in elk deel van de oppervlakte. Sprekend over de onstoffelijke zelfstandige wezens mag men echter noch van een noodzakelijk, noch van een bijkomstig geheel spreken, maar alleen van dat geheel dat bestaat in het volledig begrip van de wezenheid. En gelijk de ziel geheel in elk deel van het lichaam is, zoo ook is God geheel in alles en in elk ding in het bizonder.3. Men spreekt van een geheel met betrekking tot de delen. Nu zijn er ten eerste wezensdelen, zoals de vorm en de stof, die de delen zijn van het samengesteld wezen, of ook het geslacht en 169het soortelijk verschil, die de delen zijn van de soort; ten tweede zijn er hoegrootheidsdelen, die men verkrijgt door een hoegrootheid te verdelen. Sprekende over deze laatste soort van delen, moet gezegd, dat iets wat in zijn geheel ergens is, onmogelijk ook buiten die plaats kan zijn. De hoegrootheid toch van een wezen dat een plaats inneemt, en de hoegrootheid van die plaats zelf komen geheel met elkaar overeen. Men heeft dus niet de gehele hoegrootheid, als men de gehele plaats niet heeft. Maar het is niet nodig, dat iets, wat met geheel zijn wezen in iets is, in het geheel niet daarbuiten is. Een voorbeeld hiervan vinden we in de bijkomstige vormen, die slechts bijkomstig hoegroot zijn. Als we spreken van het geheel van de wezenheid, dan is de witheid geheel in elk deel van de oppervlakte: ze is er immers met al wat tot haar begrip behoort. Spreken we echter van het geheel van de hoegrootheid, die aan de witheid bijkomstig toekomt, dan is ze niet geheel in elk deel van de oppervlakte. Sprekend over de onstoffelijke zelfstandige wezens mag men echter noch van een noodzakelijk, noch van een bijkomstig geheel spreken, maar alleen van dat geheel dat bestaat in het volledig begrip van de wezenheid. En gelijk de ziel geheel in elk deel van het lichaam is, zo ook is God geheel in alles en in elk ding in het bizonder.

Articulus III

Utrum Deus sit ubique per essentiam, praesentiam et potentiam

[1 Sent., Dist. 37, Q, 1, art. 2; et in exp. lit.]
IIIe Artikel

Is God overal door zijn wezenheid, zijn tegenwoordigheid en zijn macht?

antwoord 1 ↓

170Ad tertium sic proceditur. Videtur quod male assignentur modi existendi Deum in rebus, cum dicitur quod Deus est in rebus per essentiam, praesentiam et potentiam. Id enim per essentiam est in aliquo, quod essentialiter est eo. Deus autem non est essentialiter in rebus : non enim est de essentia alicujus rei. Ergo non debet dici quod Deus sit in rebus per essentiam, praesentiam et potentiam.

170Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat de wijzen waarop God in de dingen is, niet juist worden aangegeven wanneer men zegt, dat Hij overal is door zijn wezenheid, zijn tegenwoordigheid en zijn macht. Immers alleen dát wezen is door zijn wezenheid in iets, wat er zelfstandig mee vereenigd is. Maar God is met de dingen niet zelfstandig vereenigd, want Hij behoort niet tot hun wezenheid. Hij is dus niet in de dingen door zijn wezenheid, zijn tegenwoordigheid en zijn macht.170Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat de wijzen waarop God in de dingen is, niet juist worden aangegeven wanneer men zegt, dat Hij overal is door zijn wezenheid, zijn tegenwoordigheid en zijn macht. Immers alleen dát wezen is door zijn wezenheid in iets, wat er zelfstandig mee verenigd is. Maar God is met de dingen niet zelfstandig verenigd, want Hij behoort niet tot hun wezenheid. Hij is dus niet in de dingen door zijn wezenheid, zijn tegenwoordigheid en zijn macht.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, hoc est esse praesentem alicui rei, non deesse illi. Sed hoc est Deum esse per essentiam in omnibus, non deesse alicui rei. Ergo idem est esse Deum in omnibus per essentiam et praesentiam. Superfluum ergo fuit dicere quod Deus sit in rebus per praesentiam, essentiam et potentiam.

2. Zeggen, dat God in alles is door zijn wezenheid, is hetzelfde als te zeggen, dat Hij in alles is door zijn tegenwoordigheid. Immers, wanneer is iets in ons tegenwoordigheid? Als wij er niet ver van af zijn. En waarom is God door zijn wezenheid in de dingen? Omdat Hij er niet ver van af is. Die opsomming is dus verkeerd.

antwoord 3 ↓

1713. Praeterea, sicut Deus est principium omnium rerum per suam potentiam, ita per scientiam et voluntatem. Sed non dicitur Deus esse in rebus per scientiam et voluntatem. Ergo nec per potentiam.

1713. God is het beginsel van alles, zoowel door zijn kennis en zijn wil als door zijn macht. Daar Hem nu geen aanwezigheid wordt toegeschreven door zijn kennis en wil, moet men er Hem ook geen toeschrijven door zijn macht.1713. God is het beginsel van alles, zowel door zijn kennis en zijn wil als door zijn macht. Daar Hem nu geen aanwezigheid wordt toegeschreven door zijn kennis en wil, moet men er Hem ook geen toeschrijven door zijn macht.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, sicut gratia est quaedam perfectio superaddita substantiae rei, ita multae sunt aliae perfectiones superadditae. Si ergo Deus dicitur esse speciali modo in quibusdam per gratiam, videtur quod secundum quamlibet perfectionem debeat accipi specialis modus essendi Deum in rebus.

4. Als God door de genade op een bijzondere wijze in sommigen is, dan moeten wij Hem een bijzondere wijze van aanwezigheid toeschrijven voor elke meegedeelde volmaaktheid. Er zijn echter vele volmaaktheden die, zooals de genade, aan de zelfstandigheid worden toegevoegd, en volgens elk van die volmaaktheden zou er aan God een bijzondere wijze van tegenwoordigheid moeten toegeschreven worden.4. Als God door de genade op een bijzondere wijze in sommigen is, dan moeten wij Hem een bijzondere wijze van aanwezigheid toeschrijven voor elke meegedeelde volmaaktheid. Er zijn echter vele volmaaktheden die, zoals de genade, aan de zelfstandigheid worden toegevoegd, en volgens elk van die volmaaktheden zou er aan God een bijzondere wijze van tegenwoordigheid moeten toegeschreven worden.

Sed contra est, quod Gregorius dicit supra Cant. [Gloss. sup. c. 5, v. 17] quod « Deus communi modo est in omnibus rebus praesentia, potentia, et substantia : tamen familiari modo dicitur esse in aliquibus per gratiam ».

Dit is echter in strijd met wat Gregorius zegt in zijn Commentaar op het Hooglied (Glossa op 5, 17) : « God is op gewone wijze in elk wezen door zijn tegenwoordigheid, zijn macht en zijn wezenheid. Op een inniger wijze is Hij daarenboven in sommigen door de genade ».Dit is echter in strijd met wat Gregorius zegt in zijn Commentaar op het Hooglied (Glossa op 5, 17): “God is op gewone wijze in elk wezen door zijn tegenwoordigheid, zijn macht en zijn wezenheid. Op een inniger wijze is Hij daarenboven in sommigen door de genade”.

Respondeo dicendum quod Deus dicitur esse in re aliqua dupliciter. Uno modo, per modum causae agentis : et sic est in rebus omnibus creatis 172ab ipso. Alio modo, sicut objectum operationis est in operante : quod proprium est in operationibus animae, secundum quod cognitum est in cognoscente, et desideratum in desiderante. Hoc igitur secundo modo, Deus specialiter est in rationali creatura, quae cognoscit et diligit ipsum actu vel habitu. Et quia hoc habet rationalis creatura per gratiam, ut infra patebit [1-2, q. 109, art. 1, 3], dicitur esse hoc modo in sanctis per gratiam.

Leerstelling. — God kan op tweevoudige wijze in iets zijn : ten eerste, als werkende oorzaak, en zóó is Hij in al wat Hij geschapen heeft. Ten tweede, zooals het voorwerp van een werking is in dengene die werkt, een wijze van tegenwoordig zijn 172die alleen verwezenlijkt wordt in de verrichtingen van de ziel, en volgens welke het gekende in den kennende, en het begeerde in den begeerende is. Op die tweede wijze is God op een bizondere manier in het redelijk schepsel dat Hem kent en bemint, hetzij in akt, hetzij in hebbelijkheid. Dit is echter het werk van de genade, zooals verder zal blijken (Ia IIae, CIXe Kw., 1e en 3e Art.), en daarom zegt men, dat God op deze wijze met de heiligen vereenigd is.Leerstelling. — God kan op tweevoudige wijze in iets zijn: ten eerste, als werkende oorzaak, en zó is Hij in al wat Hij geschapen heeft. Ten tweede, zoals het voorwerp van een werking is in dengene die werkt, een wijze van tegenwoordig zijn 172die alleen verwezenlijkt wordt in de verrichtingen van de ziel, en volgens welke het gekende in de kennende, en het begeerde in de begerende is. Op die tweede wijze is God op een bizondere manier in het redelijk schepsel dat Hem kent en bemint, hetzij in act, hetzij in hebbelijkheid. Dit is echter het werk van de genade, zoals verder zal blijken (1-2, 109e Kw., 1e en 3e Art.), en daarom zegt men, dat God op deze wijze met de heiligen verenigd is.

In rebus vero aliis ab ipso creatis quomodo sit, considerandum est ex his quae in rebus humanis esse dicuntur. Rex enim dicitur esse per suam potentiam in toto regno suo, licet non sit ubique praesens. Per praesentiam vero suam dicitur aliquid esse in omnibus quae in conspectu ipsius sunt; sicut omnia quae sunt in aliqua domo, dicuntur praesentia alicui, qui tamen non est secundum suam substantiam in qualibet parte domus. Secundum vero substantiam vel essentiam, dicitur aliquid esse in loco in quo ejus substantia habetur.

Hoe is God nu tegenwoordig in zijn andere schepselen? Om dit uit te maken, moeten we letten op hetgeen ook aan de menschen wordt toegeschreven. Een koning, zegt men, is op alle plaatsen van zijn rijk, nl. door zijn macht, maar hij is niet op alle plaatsen tegenwoordig. Verder wordt iemand geacht daar te zijn door zijn tegenwoordigheid, waar zijn blik kan reiken. Zoo zegt men, dat alles wat in een huis is, in iemands tegenwoordigheid is, hoewel die man met zijn wezen niet op elke plaats is van het huis. Ten slotte zeggen wij, dat iets met zijn wezenheid of zelfstandigheid ergens is, als zijn zelfstandigheid werkelijk daar is.Hoe is God nu tegenwoordig in zijn andere schepselen? Om dit uit te maken, moeten we letten op hetgeen ook aan de mensen wordt toegeschreven. Een koning, zegt men, is op alle plaatsen van zijn rijk, nl. door zijn macht, maar hij is niet op alle plaatsen tegenwoordig. Verder wordt iemand geacht daar te zijn door zijn tegenwoordigheid, waar zijn blik kan reiken. Zo zegt men, dat alles wat in een huis is, in iemands tegenwoordigheid is, hoewel die man met zijn wezen niet op elke plaats is van het huis. Ten slotte zeggen wij, dat iets met zijn wezenheid of zelfstandigheid ergens is, als zijn zelfstandigheid werkelijk daar is.

Fuerunt ergo aliqui, scilicet Manichaei, qui dixerunt divinae potestati subjecta esse spiritualia et incorporalia : visibilia vero et corporalia subjecta 173esse dicebant potestati contrarii principii. Contra hos ergo oportet dicere quod Deus sit in omnibus per potentiam suam. — Fuerunt vero alii, qui licet crederent omnia subjecta esse divinae potentiae, tamen divinam providentiam usque ad haec inferiora corpora non extendebant, ex quorum persona dicitur Job 22 [v. 14] : « Circa cardines caeli perambulat, nec nostra considerat ». Et contra hos oportuit dicere quod Deus sit in omnibus per suam praesentiam. — Fuerunt vero alii, qui licet dicerent omnia spectare ad divinam providentiam, tamen posuerunt omnia non immediate esse a Deo creata : sed quod immediate creavit primas creaturas, et illae creaverunt alias. Et contra hos oportet dicere quod sit in omnibus per essentiam.

De Manichaeers beweerden, dat wel het geestelijke, het onstoffelijke aan Gods macht onderworpen is, maar het zichtbare 173en lichamelijke aan de macht van het beginsel van het kwaad. Tegen hen zeggen we, dat God overal is door zijn macht. Anderen meenden dat, hoewel alles aan Gods macht onderworpen is, de Goddelijke Voorzienigheid zich over de lichamelijke dingen hier beneden niet uitstrekt; naar hun zin wordt er in het Boek Job gezegd (22, 14) : « God bewandelt den omgang der hemelen, en met ons houdt Hij zich niet op ». En tegen dezen bevestigen wij, dat God overal is door zijn tegenwoordigheid. Nog anderen namen wel aan, dat Gods Voorzienigheid zich over alles uitstrekt, maar beweerden, dat niet alles onmiddellijk door God geschapen is; God zou onmiddellijk alleen de eerste schepselen geschapen hebben, en deze schiepen er andere. En in tegenstrijd met deze laatsten houden wij staande, dat God overal is door zijn wezenheid.De Manicheeërs beweerden, dat wel het geestelijke, het onstoffelijke aan Gods macht onderworpen is, maar het zichtbare 173en lichamelijke aan de macht van het beginsel van het kwaad. Tegen hen zeggen we, dat God overal is door zijn macht. Anderen meenden dat, hoewel alles aan Gods macht onderworpen is, de Goddelijke Voorzienigheid zich over de lichamelijke dingen hier beneden niet uitstrekt; naar hun zin wordt er in het Boek Job gezegd (22, 14): “God bewandelt de omgang van de hemelen, en met ons houdt Hij zich niet op”. En tegen deze bevestigen wij, dat God overal is door zijn tegenwoordigheid. Nog anderen namen wel aan, dat Gods Voorzienigheid zich over alles uitstrekt, maar beweerden, dat niet alles onmiddellijk door God geschapen is; God zou onmiddellijk alleen de eerste schepselen geschapen hebben, en deze schiepen er andere. En in tegenstrijd met deze laatsten houden wij staande, dat God overal is door zijn wezenheid.

Sic igitur est in omnibus per potentiam, inquantum omnia ejus potestati subduntur. Est in omnibus per praesentiam, inquantum omnia nuda et aperta sunt oculis ejus. Est in omnibus per essentiam, inquantum adest omnibus ut causa essendi, sicut dictum est [art. 1, huj. q.].

We besluiten, dat God in alles is door zijn macht, want alles is Hem onderworpen; door zijn tegenwoordigheid, want alles ligt open voor zijn oog; door zijn wezenheid, want Hij is de oorzaak van elk wezen, zooals hierboven gezegd werd. (1e Art.)We besluiten, dat God in alles is door zijn macht, want alles is Hem onderworpen; door zijn tegenwoordigheid, want alles ligt open voor zijn oog; door zijn wezenheid, want Hij is de oorzaak van elk wezen, zoals hierboven gezegd werd. (1e Art.)

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod Deus dicitur esse in omnibus per 174essentiam, non quidem rerum, quasi sit de essentia earum, sed per suam essentiam, quia substantia sua adest omnibus ut causa essendi, sicut dictum est [ibid.].

Antwoord op de bedenkingen. — 1. Als we zeggen, dat 174God in alles is door de wezenheid, dan meenen we niet : door de wezenheid van de dingen, alsof Hij er deel van uitmaakte, maar wel: door zijn eigen wezenheid. Daar Hij de oorzaak van ieder wezen is, moet Hij ook met zijn zelfstandigheid in ieder wezen zijn, zooals hierboven gezegd is (1e Art.).Antwoord op de bedenkingen. — 1. Als we zeggen, dat 174God in alles is door de wezenheid, dan menen we niet: door de wezenheid van de dingen, alsof Hij er deel van uitmaakte, maar wel: door zijn eigen wezenheid. Daar Hij de oorzaak van ieder wezen is, moet Hij ook met zijn zelfstandigheid in ieder wezen zijn, zoals hierboven gezegd is (1e Art.).

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod aliquid potest dici esse praesens alicui, inquantum subjacet ejus conspectui, quod tamen distat ab eo secundum substantiam, ut dictum est [in corp. art.]. Et ideo oportuit duos modos poni, scilicet per essentiam, et praesentiam.

2. Iets kan heel goed in iemands tegenwoordigheid zijn omdat het onder zijn oogen valt, en er toch door zijn wezenheid van verwijderd zijn, zooals in de Leerstelling gezegd is. En daarom moeten die twee wijzen van vereeniging onderscheiden worden, nl. door de wezenheid, en door de tegenwoordigheid.2. Iets kan heel goed in iemands tegenwoordigheid zijn omdat het onder zijn ogen valt, en er toch door zijn wezenheid van verwijderd zijn, zoals in de Leerstelling gezegd is. En daarom moeten die twee wijzen van vereniging onderscheiden worden, nl. door de wezenheid, en door de tegenwoordigheid.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod de ratione scientiae et voluntatis est, quod scitum sit in sciente, et volitum in volente : unde secundum scientiam et voluntatem, magis res sunt in Deo, quam Deus in rebus. Sed de ratione potentiae est, quod sit principium agendi in aliud : unde secundum potentiam agens comparatur, et applicatur rei exteriori. Et sic per potentiam potest dici agens esse in alio.

3. Kennis en wil brengen noodzakelijk mee, dat het gekende in den kennende en het gewilde in den willende is. Gelet op kennis en wil, zijn de dingen veeleer in God dan God in de dingen. Door de macht daarentegen werkt men in op iets anders, en zoo wordt iets door zijn macht op iets anders betrokken, waarom men dan ook zegt, dat hij die handelt in iets anders is.3. Kennis en wil brengen noodzakelijk mee, dat het gekende in de kennende en het gewilde in de willende is. Gelet op kennis en wil, zijn de dingen veeleer in God dan God in de dingen. Door de macht daarentegen werkt men in op iets anders, en zo wordt iets door zijn macht op iets anders betrokken, waarom men dan ook zegt, dat hij die handelt in iets anders is.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum quod nulla alia perfectio superaddita substantiae facit Deum esse in aliquo sicut objectum cognitum et amatum, nisi gratia : 175et ideo sola gratia facit singularem modum essendi Deum in rebus. Est autem alius singularis modus essendi Deum in homine per unionem : de quo modo suo loco agetur [3, q. 2, art. 1].

4. Buiten de genade heeft geen enkele aan de zelfstandigheid toegevoegde volkomenheid tot gevolg, dat God in iemand is, zooals het gekende en beminde voorwerp, en daarom brengt alleen de genade een bizondere wijze van inwoning mee. Die andere 175vereeniging van God met het schepsel, waarover wij verder handelen (IIIe Deel, IIe Kw., 1e Art.), is iets geheel bizonders.4. Buiten de genade heeft geen enkele aan de zelfstandigheid toegevoegde volkomenheid tot gevolg, dat God in iemand is, zoals het gekende en beminde voorwerp, en daarom brengt alleen de genade een bizondere wijze van inwoning mee. Die andere 175vereniging van God met het schepsel, waarover wij verder handelen (3e Deel, 2e Kw., 1e Art.), is iets geheel bizonders.

Articulus IV

Utrum esse ubique sit proprium Dei

[1 Sent., Dist. 37, Qu. 2, art. 2; et q. 3, art. 2 et 4; Cont. Gent., cap. 17; Quodl. 11, q. 1, art. 1.]
IVe Artikel

Is het aan God alleen eigen overal te zijn?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod esse ubique non sit proprium Dei. Universale enim, secundum Philosophum [1 Post., cap. 31], est ubique ac semper : et etiam prima materia, cum sit in omnibus corporibus, est ubique. Neutrum autem horum est Deus, ut ex praemissis patet [q. 3, art. 5, 8]. Ergo esse ubique non est proprium Dei.

Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat overal te zijn aan God alleen niet eigen is. Zooals de Wijsgeer zegt in zijn tweede werk Over het Oordeel (Ie B., XXXIe H., Nr 1), is het algemeene overal en altijd. Ook de eerste stof is overal, want ze is in alle lichamen. Welnu, geen van beide is God, zooals uit het voorgaande blijkt (IIIe Kw., 5e en 8e Art.), en daarom is overal te zijn niet eigen aan God alleen.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat overal te zijn aan God alleen niet eigen is. Zoals de Wijsgeer zegt in zijn tweede werk Over het Oordeel (1e B., 31e H., Nr 1), is het algemene overal en altijd. Ook de eerste stof is overal, want ze is in alle lichamen. Welnu, geen van beide is God, zoals uit het voorgaande blijkt (3e Kw., 5e en 8e Art.), en daarom is overal te zijn niet eigen aan God alleen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, numerus est in numeratis. Sed totum universum est constitutum in aliquo numero, ut patet Sap. 11 [v. 21]. Ergo aliquis numerus est, qui est in toto universo : et ita ubique.

2. De getallen zijn in de wezens die opgeteld worden. Maar uit het Boek der Wijsheid (11, 21) weten we, dat het heelal naar het getal vaststaat. Dus is er toch zeker één getal, dat in geheel de schepping is en overal is.2. De getallen zijn in de wezens die opgeteld worden. Maar uit het Boek van de Wijsheid (11, 21) weten we, dat het heelal naar het getal vaststaat. Dus is er toch zeker één getal, dat in geheel de schepping is en overal is.

antwoord 3 ↓

1763. Praeterea, totum universum est quoddam totum corpus perfectum, ut dicitur 1 de Caelo et Mundo [cap. 1]. Sed totum universum est ubique: quia extra ipsum nullus locus est. Non ergo solus Deus est ubique.

1763. Het heelal is een volmaakt lichaam, zooals gezegd wordt in het Ie Boek Over den hemel en over de aarde (Ie H., Nr 4). Maar het heelal is overal, want buiten het heelal bestaat er geen enkele ruimte. Dus is God niet alleen overal.1763. Het heelal is een volmaakt lichaam, zoals gezegd wordt in het 1e Boek Over de hemel en over de aarde (1e H., Nr 4). Maar het heelal is overal, want buiten het heelal bestaat er geen enkele ruimte. Dus is God niet alleen overal.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, si aliquod corpus esset infinitum, nullus locus esset extra ipsum. Ergo esset ubique. Et sic esse ubique non videtur proprium Dei.

4. Als er een oneindig lichaam was, dan zou er buiten dat lichaam geen ruimte zijn. [De vertaling van «Ergo esset ubique» ontbreekt in de uitgave.] Overal te zijn komt dus niet toe aan God alleen.4. Als er een oneindig lichaam was, dan zou er buiten dat lichaam geen ruimte zijn. [De vertaling van “Ergo esset ubique” ontbreekt in de uitgave.] Overal te zijn komt dus niet toe aan God alleen.

antwoord 5 ↓

5. Praeterea, anima, ut dicit Augustinus in 6 de Trin. [cap. 6] est « tota in toto corpore, et tota in qualibet ejus parte ». Si ergo non esset in mundo, nisi unum solum animal, anima ejus esset ubique. Et sic esse ubique non est proprium Dei.

5. Augustinus zegt in zijn Boek Over de Drieëenheid (VIe B., VIe H.), dat de ziel geheel en al in het lichaam is, en geheel in elk deel van het lichaam. Verondersteld, dat het heelal uit niets anders bestond, dan uit één enkel dier, dan zou de ziel van dit dier overal zijn. En zoo komt overal te zijn niet toe aan God alleen.5. Augustinus zegt in zijn Boek Over de Drieëenheid (6e B., 6e H.), dat de ziel geheel en al in het lichaam is, en geheel in elk deel van het lichaam. Verondersteld, dat het heelal uit niets anders bestond, dan uit één enkel dier, dan zou de ziel van dit dier overal zijn. En zo komt overal te zijn niet toe aan God alleen.

antwoord 6 ↓

6. Praeterea, ut Augustinus dicit in epist. ad Volusianum [cap. 2] : « Anima ubi videt, ibi sentit; et ubi sentit, ibi vivit; ubi vivit, ibi est ». Sed anima videt quasi ubique : quia successive videt etiam totum caelum. Ergo anima est ubique.

6. Augustinus zegt ook in zijn Brief aan Volusianus (IIe H.) : « Waar de ziel ziet, daar gevoelt ze, en waar ze gevoelt, daar leeft ze, en waar ze leeft, daar is ze ». Maar de ziel ziet overal, want ze ziet achtereenvolgens geheel den hemel. Bijgevolg is ze ook overal.6. Augustinus zegt ook in zijn Brief aan Volusianus (2e H.): “Waar de ziel ziet, daar gevoelt ze, en waar ze gevoelt, daar leeft ze, en waar ze leeft, daar is ze”. Maar de ziel ziet overal, want ze ziet achtereenvolgens geheel de hemel. Bijgevolg is ze ook overal.

Sed contra est quod Ambrosius dicit in libro de Spiritu Sancto [lib. 1, cap. 7] : « Quis audeat creaturam dicere Spiritum Sanctum, qui in omnibus et ubique semper est; quod utique deitatis est proprium? »

Voor een bevestigend antwoord pleit echter dit gezegde van Ambrosius in zijn Boek Over den H. Geest (Ie B., VIIe H.) : 177« Wie zou durven beweren, dat de H. Geest een schepsel is, Hij die in alles en overal en altijd is, wat toch aan de Godheid eigen is? »Voor een bevestigend antwoord pleit echter dit gezegde van Ambrosius in zijn Boek Over de H. Geest (1e B., 7e H.): 177“Wie zou durven beweren, dat de H. Geest een schepsel is, Hij die in alles en overal en altijd is, wat toch aan de Godheid eigen is?”

177Respondeo dicendum quod esse ubique primo et per se est proprium Dei. Dico autem esse ubique primo, quod secundum se totum est ubique. Si quid enim esset ubique secundum diversas partes in diversis locis existens, non esset primo ubique : quia quod convenit alicui ratione suae partis, non convenit ei primo; sicut si homo est albus dente, albedo non convenit primo homini, sed denti. Esse autem ubique per se dico illud cui non convenit esse ubique per accidens, propter aliquam positionem factam : quia sic granum milii esset ubique, si nullum aliud corpus esset. Per se ergo convenit esse ubique alicui, quando tale est quod, qualibet positione facta, sequitur illud esse ubique.

Leerstelling. — Overal te zijn, onmiddellijk en uiteraard, is aan God alleen eigen. Wat is nu overal te zijn, onmiddellijk en uiteraard? Ik zeg dat iets onmiddellijk overal is, als het overal is volgens geheel zijn wezenheid. Wanneer iets overal moest zijn, omdat zijn verschillende deelen op verschillende plaatsen zijn, dan zou het niet onmiddellijk overal zijn. Wat immers aan iets toekomt ter wille van een zijner deelen, komt aan dit wezen niet onmiddellijk toe. Als b. v. iemand witte tanden heeft, dan komt de witheid niet onmiddellijk aan den mensch toe, maar wel aan zijn tanden. Ik zeg verder, dat iets uiteraard overal is, als het niet overal is om een bijkomstige reden, b. v. om een bepaalde veronderstelling. Op zulke bijkomstige wijze zou zelf een graankorreltje overal zijn, als men vooropstelde, dat er daarbuiten geen enkel lichaam bestaat. Als echter iets van zulken aard is, dat het overal is, wat men ook vooropstelt, dan is het uiteraard overal.Leerstelling. — Overal te zijn, onmiddellijk en uiteraard, is aan God alleen eigen. Wat is nu overal te zijn, onmiddellijk en uiteraard? Ik zeg dat iets onmiddellijk overal is, als het overal is volgens geheel zijn wezenheid. Wanneer iets overal moest zijn, omdat zijn verschillende delen op verschillende plaatsen zijn, dan zou het niet onmiddellijk overal zijn. Wat immers aan iets toekomt ter wille van een van zijn delen, komt aan dit wezen niet onmiddellijk toe. Als bv. iemand witte tanden heeft, dan komt de witheid niet onmiddellijk aan de mens toe, maar wel aan zijn tanden. Ik zeg verder, dat iets uiteraard overal is, als het niet overal is om een bijkomstige reden, bv. om een bepaalde veronderstelling. Op zulke bijkomstige wijze zou zelf een graankorreltje overal zijn, als men vooropstelde, dat er daarbuiten geen enkel lichaam bestaat. Als echter iets van zulke aard is, dat het overal is, wat men ook vooropstelt, dan is het uiteraard overal.

Et hoc proprie convenit Deo. Quia quotcumque loca ponantur, etiamsi ponerentur infinita praeter ista quae sunt, oporteret in omnibus esse Deum : quia nihil potest esse nisi per ipsum. Sic igitur esse ubique primo et per 178se convenit Deo, et est proprium ejus : quia, quotcumque loca ponantur, oportet quod in quolibet sit Deus, non secundum partem, sed secundum seipsum.

En dit is aan God eigen in den echten zin van het woord. Welke plaats men ook als bestaande veronderstelt, zelf al dacht 178men, dat er een oneindig aantal plaatsen bestaan buiten de nu bestaande, dan zou God op al die plaatsen moeten zijn, daar niets kan zijn, tenzij door Hem. Overal te zijn onmiddellijk en uiteraard, komt bijgevolg aan God toe, en is een van zijn eigenschappen. Wat voor plaatsen men ook veronderstelt, toch moet God op die plaatsen zijn, niet met een deel van zijn wezen, maar met geheel zijn wezen zelf.En dit is aan God eigen in de echte zin van het woord. Welke plaats men ook als bestaande veronderstelt, zelf al dacht 178men, dat er een oneindig aantal plaatsen bestaan buiten de nu bestaande, dan zou God op al die plaatsen moeten zijn, daar niets kan zijn, tenzij door Hem. Overal te zijn onmiddellijk en uiteraard, komt bijgevolg aan God toe, en is een van zijn eigenschappen. Wat voor plaatsen men ook veronderstelt, toch moet God op die plaatsen zijn, niet met een deel van zijn wezen, maar met geheel zijn wezen zelf.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod universale et materia prima sunt quidem ubique, sed non secundum idem esse.

Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het algemeene en ook de eerste stof zijn overal, maar niet met één en hetzelfde zijn.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het algemene en ook de eerste stof zijn overal, maar niet met één en hetzelfde zijn.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod numerus, cum sit accidens, non est per se, sed per accidens in loco. Nec est totus in quolibet numeratorum, sed secundum partem. Et sic non sequitur quod sit primo et per se ubique.

2. Het getal is maar een bijkomstig wezen, en daarom is het niet noodzakelijk, maar slechts op bijkomstige wijze ergens. Ook is het niet geheel in elk van de getelde dingen, maar slechts met één van zijn deelen. Daaruit volgt, dat het noch onmiddellijk, noch uiteraard overal is.2. Het getal is maar een bijkomstig wezen, en daarom is het niet noodzakelijk, maar slechts op bijkomstige wijze ergens. Ook is het niet geheel in elk van de getelde dingen, maar slechts met één van zijn delen. Daaruit volgt, dat het noch onmiddellijk, noch uiteraard overal is.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod totum corpus universi est ubique, sed non primo : quia non totum est in quolibet loco, sed secundum suas partes. Nec iterum per se, quia si ponerentur aliqua alia loca, non esset in eis.

3. Ja, het heelal is overal, maar niet onmiddellijk, want het is niet in zijn geheel overal, maar slechts met zijn verschillende deelen. Ook is het niet uiteraard overal, want als er buiten het heelal andere ruimten bestonden, dan zou het die niet vervullen.3. Ja, het heelal is overal, maar niet onmiddellijk, want het is niet in zijn geheel overal, maar slechts met zijn verschillende delen. Ook is het niet uiteraard overal, want als er buiten het heelal andere ruimten bestonden, dan zou het die niet vervullen.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum quod, si esset corpus infinitum, esset ubique, sed secundum suas partes.

4. Ja, ook een lichaam zou overal zijn, maar door zijn verschillende deelen.4. Ja, ook een lichaam zou overal zijn, maar door zijn verschillende delen.

↑ bedenking 5

179Ad quintum dicendum quod, si esset unum solum animal, anima ejus esset ubique primo quidem, sed per accidens.

1795. Als er niets anders bestond dan dit ééne dier, dan zou zijn ziel wel onmiddellijk overal zijn, maar slechts op bijkomstige wijze.1795. Als er niets anders bestond dan dit één dier, dan zou zijn ziel wel onmiddellijk overal zijn, maar slechts op bijkomstige wijze.

↑ bedenking 6

Ad sextum dicendum quod, cum dicitur anima alicubi videre, potest intelligi dupliciter. Uno modo secundum quod hoc adverbium « alicubi » determinat actum videndi ex parte objecti. Et sic verum est quod, dum caelum videt, in caelo videt : et eadem ratione in caelo sentit. Non tamen sequitur quod in caelo vivat vel sit : quia vivere et esse non important actum transeuntem in exterius objectum. Alio modo potest intelligi secundum quod adverbium determinat actum videntis, secundum quod exit a vidente. Et sic verum est quod anima ubi sentit et videt, ibi est et vivit, secundum istum modum loquendi. Et ita non sequitur quod sit ubique.

6. Dat de ziel ergens ziet, kunnen wij op twee wijzen opvatten : eerst zóó, dat het bijwoord « ergens » de daad van het zien aanduidt door het geziene aan te wijzen; en zoo kan men zeggen dat, als de ziel den hemel ziet, zij in den hemel ziet, en dat zij er gevoelt; daaruit volgt echter niet, dat zij in den hemel leeft of is, want leven en zijn duiden geen overgankelijke werkingen aan. Ten tweede kan men het zóó opvatten, dat dit bijwoord de daad van het zien aanduidt in zoover ze juist een daad is van hem die ziet, en zoo is het waar, dat de ziel daar is en leeft, waar ze gevoelt en ziet. Daar volgt echter niet uit, dat ze overal is.6. Dat de ziel ergens ziet, kunnen wij op twee wijzen opvatten: eerst zó, dat het bijwoord “ergens” de daad van het zien aanduidt door het geziene aan te wijzen; en zo kan men zeggen dat, als de ziel de hemel ziet, zij in de hemel ziet, en dat zij er gevoelt; daaruit volgt echter niet, dat zij in de hemel leeft of is, want leven en zijn duiden geen overgankelijke werkingen aan. Ten tweede kan men het zó opvatten, dat dit bijwoord de daad van het zien aanduidt in zover ze juist een daad is van hem die ziet, en zo is het waar, dat de ziel daar is en leeft, waar ze gevoelt en ziet. Daar volgt echter niet uit, dat ze overal is.