De Dei aeternitate
Over de eeuwigheid van God
191Deinde quaeritur de aeternitate.
191We moeten nu Gods eeuwigheid beschouwen en ons afvragen:
Et circa hoc quaeruntur sex : 1. Quid sit aeternitas. — 2. Utrum Deus sit aeternus. — 3. Utrum esse aeternum sit proprium Dei. — 4. Utrum aeternitas differat a tempore. — 5. De differentia aevi et temporis. — 6. Utrum sit unum aevum tantum, sicut est unum tempus, et una aeternitas.
1°) Wat is de eeuwigheid? 2°) Is God eeuwig? 3°) Komt het aan God alleen toe, eeuwig te zijn? 4°) Verschilt de eeuwigheid van het « aevum » en den tijd? 5°) Wel verschil is er tusschen het « aevum » en den tijd? 6°) Is er maar één « aevum », zooals er maar één eeuwigheid is en één tijd?1. Wat is de eeuwigheid? 2. Is God eeuwig? 3. Komt het aan God alleen toe, eeuwig te zijn? 4. Verschilt de eeuwigheid van het “aevum” en de tijd? 5. Wel verschil is er tussen het “aevum” en de tijd? 6. Is er maar één “aevum”, zoals er maar één eeuwigheid is en één tijd?
Utrum convenienter definiatur aeternitas, quod est interminabilis vitae tota simul, et perfecta possessio
Is deze begripsbepaling van de eeuwigheid goed : « Het geheel en onverdeeld volkomen bezit van een nooit-eindigend leven » ?Is deze begripsbepaling van de eeuwigheid goed: “Het geheel en onverdeeld volkomen bezit van een nooit-eindigend leven”?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod non sit conveniens definitio aeternitatis, quam Boetius ponit, 5. de consol. [prosa 6] dicens, quod 192« aeternitas est interminabilis vitae tota simul et perfecta possessio. » Interminabile enim negative dicitur. Sed negatio non est de ratione nisi eorum quae sunt deficientia : quod aeternitati non competit. Ergo in definitione aeternitatis non debet poni interminabile.
192Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat Boëtius in zijn werk Over de Vertroosting van de Wijsbegeerte (Ve B., 6e afdeeling), geen goede begripsbepaling geeft, wanneer hij zegt, dat de eeuwigheid het geheel en onverdeeld volkomen bezit van een nooit-eindigend leven is. Wie immers zegt « nooit-eindigend », spreekt van iets negatiefs. Maar iets negatiefs behoort alleen tot het begrip van de vergankelijke wezens, en de eeuwigheid is geen wezen van dien aard. Het woord « onophoudelijk » moet dus niet voorkomen in de bepaling van de eeuwigheid.192Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat Boëtius in zijn werk Over de Vertroosting van de Wijsbegeerte (5e B., zesde afdeling), geen goede begripsbepaling geeft, wanneer hij zegt, dat de eeuwigheid het geheel en onverdeeld volkomen bezit van een nooit-eindigend leven is. Wie immers zegt “nooit-eindigend”, spreekt van iets negatiefs. Maar iets negatiefs behoort alleen tot het begrip van de vergankelijke wezens, en de eeuwigheid is geen wezen van die aard. Het woord “onophoudelijk” moet dus niet voorkomen in de bepaling van de eeuwigheid.
2. Praeterea, aeternitas durationem quamdam significat. Duratio autem magis respicit esse quam vitam. Ergo non debuit poni in definitione aeternitatis vita, sed magis esse.
2. De eeuwigheid drukt een duur uit. Maar een duur slaat eerder op het zijn dan op het leven, en daarom moet in de bepaling van de eeuwigheid niet gesproken worden van het leven, maar wel van het zijn.
3. Praeterea, totum dicitur quod habet partes. Hoc autem aeternitati non competit, cum sit simplex. Ergo inconvenienter dicitur tota.
3. Alleen iets wat deelen heeft wordt een geheel genoemd. Maar de eeuwigheid is enkelvoudig en zonder deelen. Men mag dus van geen « geheel » spreken in de bepaling er van.3. Alleen iets wat delen heeft wordt een geheel genoemd. Maar de eeuwigheid is enkelvoudig en zonder delen. Men mag dus van geen “geheel” spreken in de bepaling er van.
4. Praeterea, plures dies non possunt esse simul, nec plura tempora. Sed in aeternitate pluraliter dicuntur dies et tempora; dicitur enim Mich. 5 [v. 2] : « Egressus ejus ab initio a diebus aeternitatis »; et ad Romanos 16 [v. 25] : « Secundum revelationem mysterii temporibus aeternis taciti ». Ergo aeternitas non est tota simul.
4. Verschillende dagen en verschillende tijdstippen kunnen onmogelijk onverdeeld, d. i. tegelijk bestaan. Maar met betrekking tot de eeuwigheid spreekt men van verschillende dagen en tijden. Bij Micheas (5, 2) lezen we immers : « Zijn uitgang is van het begin af aan, van in de dagen der eeuwigheid », en in den Brief 193aan de Romeinen (16, 25) : « Volgens de openbaring van het geheim dat in de tijden der eeuwigheid verzwegen werd ». Bijgevolg bestaat de eeuwigheid niet in haar geheel tegelijk of onverdeeld.4. Verschillende dagen en verschillende tijdstippen kunnen onmogelijk onverdeeld, d.i. tegelijk bestaan. Maar met betrekking tot de eeuwigheid spreekt men van verschillende dagen en tijden. Bij Micheas (5, 2) lezen we immers: “Zijn uitgang is van het begin af aan, van in de dagen van de eeuwigheid”, en in de Brief 193aan de Romeinen (16, 25): “Volgens de openbaring van het geheim dat in de tijden van de eeuwigheid verzwegen werd”. Bijgevolg bestaat de eeuwigheid niet in haar geheel tegelijk of onverdeeld.
1935. Praeterea, totum et perfectum sunt idem. Posito igitur quod sit tota, superflue additur quod sit perfecta.
5. Geheel zijn en volkomen zijn is hetzelfde. Als men dan reeds gezegd heeft, dat de eeuwigheid geheel is, dan hoeft er niet meer aan toegevoegd, dat ze volkomen is.
6. Praeterea, possessio ad durationem non pertinet. Aeternitas autem duratio quaedam est. Ergo aeternitas non est possessio.
6. Een duur kan men niet bezitten. Maar de eeuwigheid is een duur. Dus is ze geen bezit.
Respondeo dicendum quod, sicut in cognitionem simplicium oportet nos venire per composita, ita in cognitionem aeternitatis oportet nos venire per tempus; quod nihil est aliud quam numerus motus secundum prius et posterius. Cum enim in quolibet motu sit successio, et una pars post alteram, ex hoc quod numeramus prius et posterius in motu, apprehendimus tempus; quod nihil est aliud quam numerus prioris et posterioris in motu. In eo autem quod caret motu, et semper eodem modo se habet, non est accipere prius et posterius. Sicut igitur ratio temporis consistit in numeratione prioris et posterioris in motu, ita in apprehensione uniformitatis ejus quod est omnino extra motum, consistit ratio aeternitatis.
Leerstelling. — Gelijk wij de enkelvoudige dingen moeten leeren kennen door de samengestelde, zoo ook moeten we de eeuwigheid leeren begrijpen door den tijd. De tijd is niets anders dan het getal van de beweging, berekend volgens de opeenvolging die wij er in waarnemen. In iedere beweging toch is er opeenvolging, en komt er een deel na het ander; doordat wij in de beweging een eerste deel optellen en een later deel, komen we tot het begrip : tijd. Tijd toch is niets anders dan het getal van het voorafgaande en het achternakomende in de beweging. In iets wat echter niet beweegt en steeds gelijk blijft, kan men geen onderscheid maken tusschen wat voorafgaat en wat achterna komt. 194Gelijk dan de tijd bestaat in het samenvoegen van wat in de beweging vooraan en achterna komt, zoo bestaat het begrip eeuwigheid in het waarnemen van de eenvoudigheid van hetgeen boven iedere beweging verheven is.Leerstelling. — Gelijk wij de enkelvoudige dingen moeten leren kennen door de samengestelde, zo ook moeten we de eeuwigheid leren begrijpen door de tijd. De tijd is niets anders dan het getal van de beweging, berekend volgens de opeenvolging die wij er in waarnemen. In iedere beweging toch is er opeenvolging, en komt er een deel na het ander; doordat wij in de beweging een eerste deel optellen en een later deel, komen we tot het begrip: tijd. Tijd toch is niets anders dan het getal van het voorafgaande en het achternakomende in de beweging. In iets wat echter niet beweegt en steeds gelijk blijft, kan men geen onderscheid maken tussen wat voorafgaat en wat achterna komt. 194Gelijk dan de tijd bestaat in het samenvoegen van wat in de beweging vooraan en achterna komt, zo bestaat het begrip eeuwigheid in het waarnemen van de eenvoudigheid van hetgeen boven iedere beweging verheven is.
194Item, ea dicuntur tempore mensurari, quae principium et finem habent in tempore, ut dicitur in 4. Physic. [cap. 12] : et hoc ideo, quia in omni eo quod movetur, est accipere aliquod principium et aliquem finem. Quod vero est omnino immutabile, sicut nec successionem, ita nec principium, nec finem habere potest.
Daarenboven zegt men, dat die dingen door den tijd gemeten worden, die een begin en een einde hebben in den tijd, zooals gezegd wordt in het IVe Boek der Physica (XIIe H. Nr 13). De reden hiervan is, dat men in al wat beweegt iets kan aanwijzen als het begin, en iets anders als het einde. Wat echter geheel onveranderlijk is, kan noch begin, noch einde hebben, zooals er ook geen opeenvolging in gevonden wordt.Daarenboven zegt men, dat die dingen door de tijd gemeten worden, die een begin en een einde hebben in de tijd, zoals gezegd wordt in het 4e Boek van de Fysica (12e H. Nr 13). De reden hiervan is, dat men in al wat beweegt iets kan aanwijzen als het begin, en iets anders als het einde. Wat echter geheel onveranderlijk is, kan noch begin, noch einde hebben, zoals er ook geen opeenvolging in gevonden wordt.
Sic ergo ex duobus notificatur aeternitas. Primo, ex hoc quod illud quod est in aeternitate, est interminabile, idest principio et fine carens, (ut terminus ad utrumque referatur). Secundo, ex hoc quod ipsa aeternitas successione caret, tota simul existens.
Twee kenmerken behooren dus tot het begrip eeuwigheid : ten eerste, dat het eeuwige onbegrensd is, d. i. begin noch einde heeft: het begin toch kan evengoed een grens genoemd worden als het einde. Ten tweede, dat de eeuwigheid geen opeenvolging kent, maar in haar geheel tegelijk bestaat.Twee kenmerken behoren dus tot het begrip eeuwigheid: ten eerste, dat het eeuwige onbegrensd is, d.i. begin noch einde heeft: het begin toch kan evengoed een grens genoemd worden als het einde. Ten tweede, dat de eeuwigheid geen opeenvolging kent, maar in haar geheel tegelijk bestaat.
Ad primum ergo dicendum quod simplicia consueverunt per negationem definiri, sicut punctus est « cujus pars non est ». Quod non ideo est, quia negatio sit de essentia eorum : sed quia intellectus noster, qui primo apprehendit composita, in cognitionem simplicium pervenire non potest, nisi per remotionem compositionis.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. De enkelvoudige dingen worden gewoonlijk door ontkenningen bepaald. Zoo is b. v. een punt iets wat geen deelen heeft. Hiermee bedoelt men echter niet dat de ontkenning tot de wezenheid van zulke dingen 195zou behooren, maar zoo spreekt men omdat ons verstand, dat eerst de samengestelde dingen leert kennen, de onsamengestelde alleen begrijpt door de samenstelling te loochenen.Antwoord op de bedenkingen. — 1. De enkelvoudige dingen worden gewoonlijk door ontkenningen bepaald. Zo is bv. een punt iets wat geen delen heeft. Hiermee bedoelt men echter niet dat de ontkenning tot de wezenheid van zulke dingen 195zou behoren, maar zo spreekt men omdat ons verstand, dat eerst de samengestelde dingen leert kennen, de onsamengestelde alleen begrijpt door de samenstelling te loochenen.
195Ad secundum dicendum quod illud quod est vere aeternum, non solum est ens, sed vivens : et ipsum vivere se extendit quodammodo ad operationem, non autem esse. Processio autem durationis videtur attendi secundum operationem, magis quam secundum esse : unde et tempus est numerus motus.
2. Wat waarlijk eeuwig is, is niet alleen een zijnde maar ook een levend wezen. Het leven nu is in een zekeren zin een werking, wat het geval niet is met het bestaan. Spreekt men van het ophouden van den duur, dan heeft men eerder de werking in het oog dan het bestaan, en daarom is de tijd het getal der beweging.2. Wat waarlijk eeuwig is, is niet alleen een zijnde maar ook een levend wezen. Het leven nu is in een zekeren zin een werking, wat het geval niet is met het bestaan. Spreekt men van het ophouden van de duur, dan heeft men eerder de werking in het oog dan het bestaan, en daarom is de tijd het getal van de beweging.
Ad tertium dicendum quod aeternitas dicitur tota, non quia habet partes, sed inquantum nihil ei deest.
3. Men spreekt van het geheel der eeuwigheid, niet omdat ze deelen heeft, maar wel omdat niets er aan ontbreekt.3. Men spreekt van het geheel van de eeuwigheid, niet omdat ze delen heeft, maar wel omdat niets er aan ontbreekt.
Ad quartum dicendum quod, sicut Deus, cum sit incorporeus, nominibus rerum corporalium metaphorice in Scripturis nominatur, sic aeternitas, tota simul exsistens, nominibus temporalibus successivis.
4. Gelijk God, die geheel onlichamelijk is, in de H. Schrift op figuurlijke wijze benoemd wordt door namen die aan de lichamelijke dingen ontleend zijn, zoo wordt ook de eeuwigheid, al bestaat ze in haar geheel tegelijk, door namen aangeduid die een opeenvolging uitdrukken in den tijd.4. Gelijk God, die geheel onlichamelijk is, in de H. Schrift op figuurlijke wijze benoemd wordt door namen die aan de lichamelijke dingen ontleend zijn, zo wordt ook de eeuwigheid, al bestaat ze in haar geheel tegelijk, door namen aangeduid die een opeenvolging uitdrukken in de tijd.
Ad quintum dicendum quod in tempore est duo considerare : scilicet ipsum tempus, quod est successivum : et nunc temporis, quod est imperfectum. Dicit ergo tota simul ad removendum tempus : et perfecta, ad excludendum nunc temporis.
5. In den tijd vallen er twee dingen te beschouwen, nl. de tijd zelf, die iets opeenvolgends is, en het tegenwoordig oogenblik, dat iets onvolkomen is. Van de eeuwigheid zegt men, dat ze in haar geheel tegelijk bestaat, om den tijd uit te sluiten, en dat ze volkomen is, om het tegenwoordig oogenblik uit te sluiten.5. In de tijd vallen er twee dingen te beschouwen, nl. de tijd zelf, die iets opeenvolgends is, en het tegenwoordig ogenblik, dat iets onvolkomen is. Van de eeuwigheid zegt men, dat ze in haar geheel tegelijk bestaat, om de tijd uit te sluiten, en dat ze volkomen is, om het tegenwoordig ogenblik uit te sluiten.
196Ad sextum dicendum quod illud quod possidetur, firmiter et quiete habetur. Ad designandam ergo immutabilitatem et indeficientiam aeternitatis, usus est nomine possessionis.
1966. Wat in iemands bezit is, behoort hem op bestendige en onverstoorde wijze toe. Daarom gebruikt men het woord « bezit » om de onveranderlijkheid en het onophoudelijk voortduren der eeuwigheid uit te drukken.1966. Wat in iemands bezit is, behoort hem op bestendige en onverstoorde wijze toe. Daarom gebruikt men het woord “bezit” om de onveranderlijkheid en het onophoudelijk voortduren van de eeuwigheid uit te drukken.
Utrum Deus sit aeternus
Is God eeuwig?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod Deus non sit aeternus. Nihil enim factum potest dici de Deo. Sed aeternitas est aliquid factum. Dicit enim Boetius, [de Trinitate, cap. 4] quod « nunc fluens facit tempus, nunc stans facit aeternitatem »; et Augustinus dicit in lib. 83 quaest. [q. 23] quod « Deus est auctor aeternitatis ». Ergo Deus non est aeternus.
Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God niet eeuwig is. Iets wat gemaakt is, kan men immers aan God niet toeschrijven. Maar de eeuwigheid is iets wat gemaakt werd. Zegt immers Boëtius niet in zijn werk Over de Drieëenheid (IVe H.), dat het tegenwoordig oogenblik den tijd uitmaakt, als het wegvloeit, en de eeuwigheid uitmaakt, als het blijft staan. En Augustinus zegt in zijn werk Over de Drie en tachtig Kwesties (XXIIIe Kw.), dat God de eeuwigheid gemaakt heeft. Bijgevolg is God niet eeuwig.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God niet eeuwig is. Iets wat gemaakt is, kan men immers aan God niet toeschrijven. Maar de eeuwigheid is iets wat gemaakt werd. Zegt immers Boëtius niet in zijn werk Over de Drieëenheid (4e H.), dat het tegenwoordig ogenblik de tijd uitmaakt, als het wegvloeit, en de eeuwigheid uitmaakt, als het blijft staan. En Augustinus zegt in zijn werk Over de Drie en tachtig Kwesties (23e Kw.), dat God de eeuwigheid gemaakt heeft. Bijgevolg is God niet eeuwig.
2. Praeterea, quod est ante aeternitatem et post aeternitatem, non mensuratur aeternitate. Sed Deus est ante aeternitatem, ut dicitur in libro de 197Causis [prop. 2] : et post aeternitatem; dicitur enim Ex. 15 [v. 18] quod « Dominus regnabit in aeternum et ultra ». Ergo esse aeternum non convenit Deo.
2. Wat vóór en na de eeuwigheid bestaat, wordt door de eeuwigheid niet gemeten. Maar in het Boek Over de Oorzaken (IIe 197Stelling) wordt er gezegd, dat God vóór en na de eeuwigheid bestaat. En in het Boek van den Uittocht (15, 18) lezen we, dat « God zal heerschen in alle eeuwigheid, en na de eeuwigheid ». De eeuwigheid komt dus niet aan God toe.2. Wat vóór en na de eeuwigheid bestaat, wordt door de eeuwigheid niet gemeten. Maar in het Boek Over de Oorzaken (2e 197Stelling) wordt er gezegd, dat God vóór en na de eeuwigheid bestaat. En in het Boek van de Uittocht (15, 18) lezen we, dat “God zal heersen in alle eeuwigheid, en na de eeuwigheid”. De eeuwigheid komt dus niet aan God toe.
1973. Praeterea, aeternitas mensura quaedam est. Sed Deo non convenit esse mensuratum. Ergo non competit ei esse aeternum.
3. De eeuwigheid is een maat. Maar God kan niet gemeten worden. Hij is dus niet eeuwig.
4. Praeterea, in aeternitate non est praesens, praeteritum vel futurum, cum sit tota simul, ut dictum est [art. praec.] Sed de Deo dicuntur in Scripturis verba praesentis temporis; praeteriti vel futuri. Ergo Deus non est aeternus.
4. De eeuwigheid bestaat in haar geheel tegelijk, en kent noch tegenwoordigen tijd, noch verleden, noch toekomst, zooals hierboven gezegd werd (Ie Art.). De Schrift kent aan God echter een tegenwoordigen, verleden of toekomstigen tijd toe, en zoo blijkt het dat God niet eeuwig is.4. De eeuwigheid bestaat in haar geheel tegelijk, en kent noch tegenwoordigen tijd, noch verleden, noch toekomst, zoals hierboven gezegd werd (1e Art.). De Schrift kent aan God echter een tegenwoordigen, verleden of toekomstigen tijd toe, en zo blijkt het dat God niet eeuwig is.
Sed contra est quod dicit Athanasius [in Symb.] : « Aeternus Pater, aeternus Filius, aeternus Spiritus Sanctus. »
Tegen dit besluit staan echter de woorden van Athanasius : « Eeuwig is de Vader, eeuwig is de Zoon, eeuwig is de Heilige Geest ».Tegen dit besluit staan echter de woorden van Athanasius: “Eeuwig is de Vader, eeuwig is de Zoon, eeuwig is de Heilige Geest”.
Respondeo dicendum quod ratio aeternitatis consequitur immutabilitatem, sicut ratio temporis consequitur motum, ut ex dictis patet [art. praec.]. Unde, cum Deus sit maxime immutabilis, sibi maxime competit esse aeternum. 198Nec solum est aeternus, sed est sua aeternitas : cum tamen nulla alia res sit sua duratio, quia non est suum esse. Deus autem est suum esse uniforme. Unde, sicut est sua essentia, ita est sua aeternitas.
Leerstelling. — De eeuwigheid is het noodzakelijk gevolg van de onveranderlijkheid, gelijk de tijd het noodzakelijk gevolg is van de beweging, zooals uit het voorgaande blijkt (Ie Art.). Daar God geheel onveranderlijk is, komt ook de eeuwigheid 198Hem op de meest volkomen wijze toe. Niet alleen is Hij eeuwig, maar Hij is ook zijn eeuwig-zijn zelf. Buiten God is geen enkel wezen hetzelfde als het voortbestaan er van, en dit omdat voor geen enkel wezen buiten God het wezen hetzelfde is als het bestaan. Daar God echter op alle wijzen hetzelfde is als zijn bestaan, is Hij hetzelfde als zijn eeuwigheid, zooals Hij ook hetzelfde is als zijn wezen.Leerstelling. — De eeuwigheid is het noodzakelijk gevolg van de onveranderlijkheid, gelijk de tijd het noodzakelijk gevolg is van de beweging, zoals uit het voorgaande blijkt (1e Art.). Daar God geheel onveranderlijk is, komt ook de eeuwigheid 198Hem op de meest volkomen wijze toe. Niet alleen is Hij eeuwig, maar Hij is ook zijn eeuwig-zijn zelf. Buiten God is geen enkel wezen hetzelfde als het voortbestaan er van, en dit omdat voor geen enkel wezen buiten God het wezen hetzelfde is als het bestaan. Daar God echter op alle wijzen hetzelfde is als zijn bestaan, is Hij hetzelfde als zijn eeuwigheid, zoals Hij ook hetzelfde is als zijn wezen.
Ad primum ergo dicendum quod « nunc stans » dicitur facere aeternitatem secundum nostram apprehensionem. Sicut enim causatur in nobis apprehensio temporis, eo quod apprehendimus fluxum ipsius nunc, ita causatur in nobis apprehensio aeternitatis, inquantum apprehendimus nunc stans. Quod autem dicit Augustinus [loc. cit. in arg.] quod « Deus est auctor aeternitatis », intelligitur de aeternitate participata : eo enim modo communicat Deus suam aeternitatem aliquibus, quo et suam immutabilitatem.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Als we zeggen, dat het stilstaande tegenwoordig oogenblik de eeuwigheid uitmaakt, dan drukken we de wijze uit waarop wij tot de kennis van de eeuwigheid komen. Want gelijk wij het begrip aanwerven van « tijd », door het vervliegen na te gaan van het tegenwoordig oogenblik, zoo komen we tot het begrip « eeuwigheid », door ons het stilstaan van het tegenwoordig oogenblik voor te stellen. Wanneer Augustinus t. a. pl. zegt, dat God de eeuwigheid gemaakt heeft, dan bedoelt hij daarmede de meegedeelde eeuwigheid. Want gelijk God aan sommige schepselen zijn onveranderlijkheid meedeelt, zoo maakt Hij ze ook aan de eeuwigheid deelachtigAntwoord op de bedenkingen. — 1. Als we zeggen, dat het stilstaande tegenwoordig ogenblik de eeuwigheid uitmaakt, dan drukken we de wijze uit waarop wij tot de kennis van de eeuwigheid komen. Want gelijk wij het begrip aanwerven van “tijd”, door het vervliegen na te gaan van het tegenwoordig ogenblik, zo komen we tot het begrip “eeuwigheid”, door ons het stilstaan van het tegenwoordig ogenblik voor te stellen. Wanneer Augustinus t.a.p. zegt, dat God de eeuwigheid gemaakt heeft, dan bedoelt hij daarmede de meegedeelde eeuwigheid. Want gelijk God aan sommige schepselen zijn onveranderlijkheid meedeelt, zo maakt Hij ze ook aan de eeuwigheid deelachtig
Et per hoc patet solutio ad secundum. Nam Deus dicitur esse ante aeternitatem, prout participatur a substantiis immaterialibus. Unde et ibidem 199dicitur quod « intelligentia parificatur aeternitati ». Quod autem dicitur in Exodo « Dominus regnabit in aeternum et ultra », sciendum, quod aeternum accipitur ibi pro saeculo, sicut habet alia translatio. Sic igitur dicitur quod Deus regnat ultra aeternum : quia durat ultra quodcumque saeculum, idest ultra quamcumque durationem datam : nihil est enim aliud saeculum quam periodus cujuslibet rei, ut dicitur in lib. 1 de Caelo [cap. 9]. Vel dicitur etiam ultra aeternum regnare : quia, si etiam aliquid aliud semper esset (ut motus caeli secundum quosdam philosophos), tamen Deus ultra regnat, inquantum ejus regnum est totum simul.
2. Uit dit antwoord blijkt hoe de tweede bedenking moet weerlegd. Zegt men immers, dat God vóór de eeuwigheid bestond, dan bedoelt men eveneens de eeuwigheid die aan de 199onstoffelijke zelfstandigheden werd meegedeeld. In dien zin wordt t. a. pl. dan ook gezegd, dat de intellektueele wezens gelijkstaan met de eeuwige. En als het Boek van den Uittocht zegt : « God zal heerschen in alle eeuwigheid, en na de eeuwigheid », dan staat « eeuwigheid » daar voor « eeuwen », zooals we ook in een andere vertaling lezen. Men zegt, dat God na de eeuwigheid nog zal heerschen, omdat Hij nog blijft voortbestaan na iedere eeuw, d. i. na om het even welken duur. Een eeuw toch is niets anders dan een tijdstip van om het even welk wezen, gelijk gezegd wordt in het Ie Boek Over den hemel (IXe H., Nr 10). Dat God over de eeuwigheid heen heet te heerschen, kan ook hierom zijn, dat, zelfs indien er iets anders altijd voortbestond (zooals volgens sommige wijsgeeren met de bewegingen der hemellichamen het geval zou zijn), God dan nog steeds langer zou heerschen, omdat zijn rijk geheel tegelijk bestaat.2. Uit dit antwoord blijkt hoe de tweede bedenking moet weerlegd. Zegt men immers, dat God vóór de eeuwigheid bestond, dan bedoelt men eveneens de eeuwigheid die aan de 199onstoffelijke zelfstandigheden werd meegedeeld. In die zin wordt t.a.p. dan ook gezegd, dat de intellectuele wezens gelijkstaan met de eeuwige. En als het Boek van de Uittocht zegt: “God zal heersen in alle eeuwigheid, en na de eeuwigheid”, dan staat “eeuwigheid” daar voor “eeuwen”, zoals we ook in een andere vertaling lezen. Men zegt, dat God na de eeuwigheid nog zal heersen, omdat Hij nog blijft voortbestaan na iedere eeuw, d.i. na om het even welke duur. Een eeuw toch is niets anders dan een tijdstip van om het even welk wezen, gelijk gezegd wordt in het 1e Boek Over de hemel (9e H., Nr 10). Dat God over de eeuwigheid heen heet te heersen, kan ook hierom zijn, dat, zelfs indien er iets anders altijd voortbestond (zoals volgens sommige wijsgeren met de bewegingen van de hemellichamen het geval zou zijn), God dan nog steeds langer zou heersen, omdat zijn rijk geheel tegelijk bestaat.
Ad tertium dicendum quod aeternitas non est aliud quam ipse Deus. Unde non dicitur Deus aeternus, quasi sit aliquo modo mensuratus : sed accipitur ibi ratio mensurae secundum apprehensionem nostram tantum.
3. De eeuwigheid is God zelf. Daarom noemt men God niet eeuwig, als zou Hij op eenige wijze gemeten worden; spreekt men hier van een maat, dan ligt dit alleen hieraan, dat wij ons een maat denken.3. De eeuwigheid is God zelf. Daarom noemt men God niet eeuwig, als zou Hij op enige wijze gemeten worden; spreekt men hier van een maat, dan ligt dit alleen hieraan, dat wij ons een maat denken.
Ad quartum dicendum quod verba diversorum temporum attribuuntur Deo, inquantum ejus aeternitas omnia tempora includit : non ita quod ipse varietur per praesens, praeteritum et futurum.
4. Het bestaan wordt aan God op verschillende tijden toegekend, omdat zijn eeuwigheid alle tijden insluit, want Hij zelf 200ondergaat de verandering niet van tegenwoordigen, verleden en toekomstigen tijd.
Utrum esse aeternum sit proprium Dei
Is eeuwig te zijn eigen aan God alleen?
200Ad tertium sic proceditur. Videtur quod esse aeternum non sit soli Deo proprium. Dicitur enim Daniel, 12 [v. 3] quod « qui ad justitiam erudiunt multos, erunt quasi stellae in perpetuas aeternitates ». Non autem essent plures aeternitates, si solus Deus aeternus esset. Non igitur solus Deus est aeternus.
Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat eeuwig te zijn niet eigen is aan God alleen. In het boek Daniël lezen we immers (12, 3) : « Zij die er anderen zullen onderricht hebben in de gerechtigheid, zullen schitteren als sterren in de voortdurende eeuwigheden ». Was God alleen eeuwig, dan waren er geen verschillende eeuwigheden, en zoo blijkt het, dat God niet alleen eeuwig is.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat eeuwig te zijn niet eigen is aan God alleen. In het boek Daniël lezen we immers (12, 3): “Zij die er anderen zullen onderricht hebben in de gerechtigheid, zullen schitteren als sterren in de voortdurende eeuwigheden”. Was God alleen eeuwig, dan waren er geen verschillende eeuwigheden, en zo blijkt het, dat God niet alleen eeuwig is.
2. Praeterea, Matthaei 25 [v. 41] dicitur : « Ite, maledicti, in ignem aeternum ». Non igitur solus Deus aeternus est.
2. Bij Mattheus lezen we (25, 41) : « Weg, vervloekten, in het eeuwig vuur ». Dus is God niet alleen eeuwig.2. Bij Matteüs lezen we (25, 41): “Weg, vervloekten, in het eeuwig vuur”. Dus is God niet alleen eeuwig.
3. Praeterea, omne necessarium est aeternum. Sed multa sunt necessaria, sicut omnia principia demonstrationis, et omnes propositiones demonstrativae. Ergo non solus Deus est aeternus.
3. Alles wat noodzakelijk is, is eeuwig. Maar er zijn veel noodzakelijke dingen, zooals al de beginselen in de bewijsvoeringen, en al de stellingen die waarlijk bewezen zijn. Dus is God niet alleen eeuwig.3. Alles wat noodzakelijk is, is eeuwig. Maar er zijn veel noodzakelijke dingen, zoals al de beginselen in de bewijsvoeringen, en al de stellingen die waarlijk bewezen zijn. Dus is God niet alleen eeuwig.
201Sed contra est quod dicit Hieronymus ad Marcellam : « Deus solus est qui exordium non habet ». Quidquid autem exordium habet, non est aeternum. Solus ergo Deus est aeternus.
201Hiertegenover echter staat wat Hieronymus zegt in zijn Brief aan Marcella : « God is de eenige, die geen begin heeft ». Wat echter een begin heeft, is niet eeuwig, en bijgevolg is God alleen eeuwig.201Hiertegenover echter staat wat Hieronymus zegt in zijn Brief aan Marcella: “God is de enige, die geen begin heeft”. Wat echter een begin heeft, is niet eeuwig, en bijgevolg is God alleen eeuwig.
Respondeo dicendum quod aeternitas vere et proprie in solo Deo est. Quia aeternitas immutabilitatem consequitur, ut ex dictis patet [art. 1] : solus autem Deus est omnino immutabilis, ut superius ostensum est [q. 9, art. 2]. Secundum tamen quod aliqua ab ipso immutabilitatem percipiunt, secundum hoc aliqua ejus aeternitatem participant.
Leerstelling. — De eeuwigheid, in eigenlijken zin genomen, komt toe aan God alleen. Zooals immers uit het voorgaande blijkt (Ie Art.), is de eeuwigheid een gevolg van de onveranderlijkheid. Welnu, gelijk vroeger werd bewezen (IXe Kw., 2e Art.), is God alleen onveranderlijk. Andere wezens kunnen echter aan zijn onveranderlijkheid deelachtig worden, en zoo ook deelhebben aan zijn eeuwigheid.Leerstelling. — De eeuwigheid, in eigenlijke zin genomen, komt toe aan God alleen. Zoals immers uit het voorgaande blijkt (1e Art.), is de eeuwigheid een gevolg van de onveranderlijkheid. Welnu, gelijk vroeger werd bewezen (9e Kw., 2e Art.), is God alleen onveranderlijk. Andere wezens kunnen echter aan zijn onveranderlijkheid deelachtig worden, en zo ook deelhebben aan zijn eeuwigheid.
Quaedam ergo quantum ad hoc immutabilitatem sortiuntur a Deo, quod numquam esse desinunt, et secundum hoc dicitur Eccle. 1 [v. 4] de terra, quod « in aeternum stat ». Quaedam etiam aeterna in Scripturis dicuntur propter diuturnitatem durationis, licet corruptibilia sint : sicut in Psalmo 75 [v. 5] dicuntur « montes aeterni », et Deuteron. 33 [v. 15] etiam dicitur : « de pomis collium aeternorum ». Quaedam autem amplius participant de 202ratione aeternitatis, inquantum habent intransmutabilitatem, vel secundum esse, vel ulterius secundum operationem : sicut angeli et beati, qui Verbo fruuntur : quia quantum ad illam visionem Verbi non sunt in Sanctis « volubiles cogitationes », ut dicit Augustinus 15. de Trinitate [cap. 16]. Unde et videntes Deum dicuntur habere vitam aeternam, secundum illud Joan. 17 [v. 3] : « Haec est vita aeterna, ut cognoscant », etc.
Sommige wezens toch zijn aan Gods onveranderlijkheid hierin deelachtig, dat ze nooit ophouden te bestaan; zoo zegt de Ecclesiast (1, 4) van de aarde, dat ze in alle eeuwigheid blijft bestaan. Andere dingen worden in de Schrift eeuwig genoemd, omdat ze lang bestaan, al zijn ze dan ook vergankelijk. Zoo worden, Psalm 75, 5, de bergen eeuwig genoemd, en Deuteronomium, 33, 15, wordt er gesproken van « de vruchten der eeuwige heuvelen ». Nog andere wezens zijn aan de eeuwigheid nog 202meer deelachtig, in zoover ze onveranderlijk zijn, hetzij naar hun wezen, hetzij daarbij nog naar hun handeling, gelijk de engelen en de gelukzaligen, die de aanschouwing van het Woord genieten, want met het oog op de aanschouwing van het Woord, zijn er, naar de uitdrukking van Augustinus in zijn Boek Over de Drieéénheid (XVe B., XVIe H.), in de heiligen geen wankelbare gedachten. Daarom wordt van hen die God aanschouwen gezegd, dat zij het eeuwig leven bezitten, volgens het woord van Johannes (17, 3) : « Dit is het eeuwig leven, dat ze », enz.Sommige wezens toch zijn aan Gods onveranderlijkheid hierin deelachtig, dat ze nooit ophouden te bestaan; zo zegt de Ecclesiast (1, 4) van de aarde, dat ze in alle eeuwigheid blijft bestaan. Andere dingen worden in de Schrift eeuwig genoemd, omdat ze lang bestaan, al zijn ze dan ook vergankelijk. Zo worden, Psalm 75, 5a, de bergen eeuwig genoemd, en Deuteronomium, 33, 15, wordt er gesproken van “de vruchten van de eeuwige heuvelen”. Nog andere wezens zijn aan de eeuwigheid nog 202meer deelachtig, in zover ze onveranderlijk zijn, hetzij naar hun wezen, hetzij daarbij nog naar hun handeling, gelijk de engelen en de gelukzaligen, die de aanschouwing van het Woord genieten, want met het oog op de aanschouwing van het Woord, zijn er, naar de uitdrukking van Augustinus in zijn Boek Over de Drie-eenheid (15e B., 16e H.), in de heiligen geen wankelbare gedachten. Daarom wordt van hen die God aanschouwen gezegd, dat zij het eeuwig leven bezitten, volgens het woord van Johannes (17, 3): “Dit is het eeuwig leven, dat ze”, enz.
Ad primum ergo dicendum quod dicuntur multae aeternitates, secundum quod multi sunt participantes aeternitatem ex ipsa Dei contemplatione.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Er wordt gesproken van vele eeuwigheden, omdat er velen zijn, die door het aanschouwen van God aan de eeuwigheid deel hebben.
Ad secundum dicendum quod ignis inferni dicitur aeternus propter interminabilitatem tantum. Est tamen in poenis eorum transmutatio secundum illud Job 24 [v. 19] : « Ad nimium calorem transibunt ab aquis nivium ». Unde in inferno non est vera aeternitas, sed magis tempus; unde illud Psal. 80 [v. 16] : « Erit tempus eorum in saecula ».
2. Het vuur der hel wordt eeuwig genoemd, omdat het nooit uitgaat. De pijnen der verdoemden veranderen echter wel, want Job zegt (24, 19) : « Van de koude gaan ze naar de hitte over ». Ook komt de eigenlijke eeuwigheid aan de hel niet toe, maar veeleer de tijd, volgens Psalm 80, 16: « Hun tijd strekt zich uit over de eeuwen ».2. Het vuur van de hel wordt eeuwig genoemd, omdat het nooit uitgaat. De pijnen van de verdoemden veranderen echter wel, want Job zegt (24, 19): “Van de koude gaan ze naar de hitte over”. Ook komt de eigenlijke eeuwigheid aan de hel niet toe, maar veeleer de tijd, volgens Psalm 80, 16b: “Hun tijd strekt zich uit over de eeuwen”.
Ad tertium dicendum quod necessarium significat quemdam modum 203veritatis. Verum autem, secundum Philosophum, 6 Metaph. [L. 5, cap. 4], est in intellectu. Secundum hoc igitur vera et necessaria sunt aeterna, quia sunt in intellectu aeterno, qui est intellectus divinus solus. Unde non sequitur quod aliquid extra Deum sit aeternum.
3. Het woord « noodzakelijk » drukt een wijze uit waarop 203iets waar kan zijn. Volgens de leer van den Wijsgeer in het VIe Boek der Metaphysica (Ve B., IVe H., Nr 1), is de waarheid in het verstand, en hiermee overeenkomstig wordt datgene wat waar en noodzakelijk is, eeuwig genoemd, omdat het nl. in een eeuwig verstand gevonden wordt. Daar nu alleen Gods verstand eeuwig is, mag niet aangenomen worden, dat er buiten God nog iets eeuwig is.3. Het woord “noodzakelijk” drukt een wijze uit waarop 203iets waar kan zijn. Volgens de leer van de Wijsgeer in het 6e Boek van de Metafysica (5e B., 4e H., Nr 1), is de waarheid in het verstand, en hiermee overeenkomstig wordt datgene wat waar en noodzakelijk is, eeuwig genoemd, omdat het nl. in een eeuwig verstand gevonden wordt. Daar nu alleen Gods verstand eeuwig is, mag niet aangenomen worden, dat er buiten God nog iets eeuwig is.
Utrum aeternitas differat a tempore
Is er verschil tusschen de eeuwigheid en den tijd?Is er verschil tussen de eeuwigheid en de tijd?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod aeternitas non sit aliud a tempore. Impossibile est enim esse duas mensuras durationis simul, nisi una sit pars alterius : non enim sunt simul duo dies vel duae horae; sed dies et hora sunt simul, quia hora est pars diei. Sed aeternitas et tempus sunt simul : quorum utrumque quodammodo mensuram durationis importat. Cum igitur 204aeternitas non sit pars temporis, quia aeternitas excedit tempus et includit ipsum, videtur quod tempus sit pars aeternitatis et non aliud ab aeternitate.
Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat er geen verschil is tusschen de eeuwigheid en den tijd. Er kunnen immers geen twee maten tegelijk zijn van een duur, tenzij wanneer de eene een deel is van de andere. Er zijn toch geen twee dagen of geen twee uren tegelijk, maar wel kunnen dag en uur tegelijk zijn, omdat het uur een deel is van den dag. De eeuwigheid en de tijd bestaan 204echter tegelijk, en beide zijn de maat van den duur. Nu is echter de eeuwigheid geen deel van den tijd, want ze strekt zich verder uit dan de tijd en omvat hem. Dus moet de tijd een deel zijn van de eeuwigheid en kan hij er niet van verschillen.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat er geen verschil is tussen de eeuwigheid en de tijd. Er kunnen immers geen twee maten tegelijk zijn van een duur, tenzij wanneer de ene een deel is van de andere. Er zijn toch geen twee dagen of geen twee uren tegelijk, maar wel kunnen dag en uur tegelijk zijn, omdat het uur een deel is van de dag. De eeuwigheid en de tijd bestaan 204echter tegelijk, en beide zijn de maat van de duur. Nu is echter de eeuwigheid geen deel van de tijd, want ze strekt zich verder uit dan de tijd en omvat hem. Dus moet de tijd een deel zijn van de eeuwigheid en kan hij er niet van verschillen.
2. Praeterea, secundum Philosophum in 4 Phys. [cap. 11 et 13], nunc temporis manet idem in toto tempore. Sed hoc videtur constituere rationem aeternitatis, quod sit idem indivisibiliter se habens in toto decursu temporis. Ergo aeternitas est nunc temporis. Sed nunc temporis non est aliud secundum substantiam a tempore. Ergo aeternitas non est aliud secundum substantiam a tempore.
2. Volgens de leer van den Wijsgeer in het IVe Boek der Physica (XIe H., Nr 8, en XIIIe H., Nr 1), blijft het tegenwoordig oogenblik van den tijd hetzelfde in geheel den tijd. Maar dit is juist de eeuwigheid, dat hetzelfde op ondeelbare wijze bestaat in het geheele verloop van den tijd. De eeuwigheid is bijgevolg het tegenwoordig oogenblik van den tijd. Maar het tegenwoordig oogenblik van den tijd is in wezen hetzelfde als de tijd, en zoo blijkt het, dat de eeuwigheid niet wezenlijk verschilt van den tijd.2. Volgens de leer van de Wijsgeer in het 4e Boek van de Fysica (11e H., Nr 8, en 13e H., Nr 1), blijft het tegenwoordig ogenblik van de tijd hetzelfde in geheel de tijd. Maar dit is juist de eeuwigheid, dat hetzelfde op ondeelbare wijze bestaat in het gehele verloop van de tijd. De eeuwigheid is bijgevolg het tegenwoordig ogenblik van de tijd. Maar het tegenwoordig ogenblik van de tijd is in wezen hetzelfde als de tijd, en zo blijkt het, dat de eeuwigheid niet wezenlijk verschilt van de tijd.
3. Praeterea, sicut mensura primi motus est mensura omnium motuum, ut dicitur in 4. Phys. [cap. 14], ita videtur quod mensura primi esse sit mensura omnis esse. Sed aeternitas est mensura primi esse, quod est esse divinum. Ergo aeternitas est mensura omnis esse. Sed esse rerum corruptibilium mensuratur tempore. Ergo tempus vel est aeternitas, vel aliquid aeternitatis.
3. Gelijk de maat van de eerste beweging de maat is van elke beweging, zooals gezegd wordt in het IVe Boek der Physica (XIVe H., Nr 4), zoo moet ook de maat van het eerste bestaan de maat zijn van elk bestaan. Nu is de maat van het eerste bestaan, dat Gods bestaan is, de eeuwigheid. Bijgevolg is de eeuwigheid de maat van elk bestaan. De maat echter van het bestaan der vergankelijke dingen is de tijd. Dus is de tijd ófwel hetzelfde als de eeuwigheid, ófwel een deel er van.3. Gelijk de maat van de eerste beweging de maat is van elke beweging, zoals gezegd wordt in het 4e Boek van de Fysica (14e H., Nr 4), zo moet ook de maat van het eerste bestaan de maat zijn van elk bestaan. Nu is de maat van het eerste bestaan, dat Gods bestaan is, de eeuwigheid. Bijgevolg is de eeuwigheid de maat van elk bestaan. De maat echter van het bestaan van de vergankelijke dingen is de tijd. Dus is de tijd ófwel hetzelfde als de eeuwigheid, ófwel een deel er van.
205Sed contra est quod aeternitas est tota simul : in tempore autem est prius et posterius. Ergo tempus et aeternitas non sunt idem.
205Hier kan echter tegen ingebracht worden, dat de eeuwigheid in haar geheel tegelijk bestaat, terwijl er in den tijd een verschil is tusschen wat voorafgaat en wat volgt. Dus zijn tijd en eeuwigheid niet hetzelfde.205Hier kan echter tegen ingebracht worden, dat de eeuwigheid in haar geheel tegelijk bestaat, terwijl er in de tijd een verschil is tussen wat voorafgaat en wat volgt. Dus zijn tijd en eeuwigheid niet hetzelfde.
Respondeo dicendum quod manifestum est tempus et aeternitatem non esse idem. Sed hujus diversitatis rationem quidam assignaverunt ex hoc quod aeternitas caret principio et fine, tempus autem habet principium et finem. Sed haec est differentia per accidens, et non per se. Quia dato quod tempus semper fuerit et semper futurum sit, secundum positionem eorum qui ponunt motum caeli sempiternum, adhuc remanebit differentia inter aeternitatem et tempus, ut dicit Boetius in lib. de Consolat. [lib. 5, prosa 6], ex hoc quod aeternitas est tota simul, quod tempori non convenit : quia aeternitas est mensura esse permanentis, tempus vero est mensura motus.
Leerstelling. — Dat tijd en eeuwigheid niet hetzelfde zijn, is klaarblijkelijk. De reden van dit onderscheid zou echter volgens sommigen hierin liggen, dat de eeuwigheid geen begin heeft en geen einde, de tijd daarentegen wel. Maar dit onderscheid is alleen toevallig, en komt aan tijd en eeuwigheid niet uiteraard toe. Veronderstellen we, volgens de meening van diegenen die beweren dat de beweging des hemels altijddurend is, dat de tijd immer geweest is en altijd blijven zal, dan zal de eeuwigheid nog hierin van den tijd verschillen, dat ze in haar geheel tegelijk bestaat, zooals Boëtius zegt in zijn Boek Over de Vertroosting van de Wijsbegeerte (Ve B., 6). Dit komt echter aan den tijd niet toe, want de tijd is de maat van de beweging, terwijl de eeuwigheid de maat is van het onveranderlijk wezen.Leerstelling. — Dat tijd en eeuwigheid niet hetzelfde zijn, is klaarblijkelijk. De reden van dit onderscheid zou echter volgens sommigen hierin liggen, dat de eeuwigheid geen begin heeft en geen einde, de tijd daarentegen wel. Maar dit onderscheid is alleen toevallig, en komt aan tijd en eeuwigheid niet uiteraard toe. Veronderstellen we, volgens de mening van diegenen die beweren dat de beweging van de hemel altijddurend is, dat de tijd immer geweest is en altijd blijven zal, dan zal de eeuwigheid nog hierin van de tijd verschillen, dat ze in haar geheel tegelijk bestaat, zoals Boëtius zegt in zijn Boek Over de Vertroosting van de Wijsbegeerte (5e B., 6). Dit komt echter aan de tijd niet toe, want de tijd is de maat van de beweging, terwijl de eeuwigheid de maat is van het onveranderlijk wezen.
Si tamen praedicta differentia attendatur quantum ad mensurata, et non quantum ad mensuras, sic habet aliam rationem : quia solum illud 206mensuratur tempore, quod habet principium et finem in tempore, ut dicitur in 4. Physic. [cap. 12]. Unde, si motus caeli semper duraret, tempus non mensuraret ipsum secundum totam suam durationem, cum infinitum non sit mensurabile, sed mensuraret quamlibet circulationem, quae habet principium et finem in tempore.
Past men echter het aangegeven onderscheid toe, niet op den maatstaf die aangelegd wordt, maar op de dingen die gemeten 206worden, dan gaat het beter op : alleen datgene toch wordt door den tijd gemeten, wat een begin en een einde heeft in den tijd, gelijk gezegd wordt in het IVe Boek der Physica (XIIe H., Nr 13). Moest dan de beweging des hemels altijddurend zijn, dan zou de tijd haar niet in haar geheel afmeten, want het oneindige kan niet afgemeten worden; hij zou echter elken rondgang afmeten, want die zou een begin en een einde hebben in den tijd.Past men echter het aangegeven onderscheid toe, niet op de maatstaf die aangelegd wordt, maar op de dingen die gemeten 206worden, dan gaat het beter op: alleen datgene toch wordt door de tijd gemeten, wat een begin en een einde heeft in de tijd, gelijk gezegd wordt in het 4e Boek van de Fysica (12e H., Nr 13). Moest dan de beweging van de hemel altijddurend zijn, dan zou de tijd haar niet in haar geheel afmeten, want het oneindige kan niet afgemeten worden; hij zou echter elken rondgang afmeten, want die zou een begin en een einde hebben in de tijd.
Potest tamen et aliam rationem habere ex parte istarum mensurarum, si accipiatur principium et finis in potentia. Quia etiam dato quod tempus semper duret, tamen possibile est signare in tempore et principium et finem, accipiendo aliquas partes ipsius, sicut dicimus principium et finem diei vel anni : quod non contingit in aeternitate.
De aangegeven grond voor het onderscheid tusschen tijd en eeuwigheid gaat ook wel op, zelfs wanneer men tijd en eeuwigheid beschouwt als maatstaf, op voorwaarde, dat men zich een begin en een einde denkt, die slechts in aanleg bestaan. Gesteld, dat de tijd altijd zou duren, dan kan men er immers steeds een begin en een einde in aantoonen, door er maar een deel van te beschouwen, gelijk we b. v. spreken van het einde van een dag of van een jaar, en dit kunnen we voor de eeuwigheid niet doen.De aangegeven grond voor het onderscheid tussen tijd en eeuwigheid gaat ook wel op, zelfs wanneer men tijd en eeuwigheid beschouwt als maatstaf, op voorwaarde, dat men zich een begin en een einde denkt, die slechts in aanleg bestaan. Gesteld, dat de tijd altijd zou duren, dan kan men er immers steeds een begin en een einde in aantonen, door er maar een deel van te beschouwen, gelijk we bv. spreken van het einde van een dag of van een jaar, en dit kunnen we voor de eeuwigheid niet doen.
Sed istae differentiae consequuntur eam quae est per se et primo differentiam, per hoc quod aeternitas est tota simul, non autem tempus.
Dit onderscheid is echter alleen maar een gevolg van het onderscheid dat uiteraard bestaat tusschen tijd en eeuwigheid, en dat hierin ligt, dat de eeuwigheid in haar geheel tegelijk bestaat, en de tijd niet.Dit onderscheid is echter alleen maar een gevolg van het onderscheid dat uiteraard bestaat tussen tijd en eeuwigheid, en dat hierin ligt, dat de eeuwigheid in haar geheel tegelijk bestaat, en de tijd niet.
Ad primum ergo dicendum quod ratio illa procederet, si tempus et 207aeternitas essent mensurae unius generis : quod patet esse falsum ex his quorum est tempus et aeternitas mensura.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Die redeneering zou opgaan, als tijd en eeuwigheid maten waren van denzelfden aard; 207maar dit is niet het geval, wat blijkt als men de wezens beschouwt waarop tijd of eeuwigheid als maatstaf worden toegepast.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Die redenering zou opgaan, als tijd en eeuwigheid maten waren van dezelfde aard; 207maar dit is niet het geval, wat blijkt als men de wezens beschouwt waarop tijd of eeuwigheid als maatstaf worden toegepast.
207Ad secundum dicendum quod nunc temporis est idem subjecto in toto tempore, sed differens ratione : eo quod, sicut tempus respondet motui, ita nunc temporis respondet mobili; mobile autem est idem subjecto in toto decursu temporis, sed differt ratione, inquantum est hic et ibi. Et ista alternatio ejus est motus. Similiter fluxus ipsius nunc, secundum quod alternatur ratione, est tempus. Aeternitas autem manet eadem et subjecto et ratione. Unde aeternitas non est idem quod nunc temporis.
2. Het tegenwoordig oogenblik van den tijd blijft in geheel het verloop van den tijd hetzelfde naar het subjekt, maar het verschilt naar de wijze waarop het beschouwd wordt. Zooals immers de tijd overeenstemt met de beweging, zoo stemt het tegenwoordig oogenblik overeen met het bewogene. Het bewogene nu blijft in geheel het tijdsverloop hetzelfde naar het subjekt, maar het verschilt door de beschouwingswijze, in zoover het nu hier, dan daar is. Die overgang is juist de beweging, zooals het heenvloeien van het tegenwoordig oogenblik, in zoover het verandert, wat betreft de beschouwingswijze, de tijd is. In tegenstelling echter met den tijd blijft de eeuwigheid dezelfde, én naar het subjekt, én naar de wijze van beschouwing, en daarom kan ze onmogelijk hetzelfde zijn als het tegenwoordig oogenblik van den tijd.2. Het tegenwoordig ogenblik van de tijd blijft in geheel het verloop van de tijd hetzelfde naar het subject, maar het verschilt naar de wijze waarop het beschouwd wordt. Zoals immers de tijd overeenstemt met de beweging, zo stemt het tegenwoordig ogenblik overeen met het bewogene. Het bewogene nu blijft in geheel het tijdsverloop hetzelfde naar het subject, maar het verschilt door de beschouwingswijze, in zover het nu hier, dan daar is. Die overgang is juist de beweging, zoals het heenvloeien van het tegenwoordig ogenblik, in zover het verandert, wat betreft de beschouwingswijze, de tijd is. In tegenstelling echter met de tijd blijft de eeuwigheid dezelfde, én naar het subject, én naar de wijze van beschouwing, en daarom kan ze onmogelijk hetzelfde zijn als het tegenwoordig ogenblik van de tijd.
Ad tertium dicendum quod, sicut aeternitas est propria mensura ipsius esse, ita tempus est propria mensura motus. Unde, secundum quod aliquod esse recedit a permanentia essendi et subditur transmutationi, secundum hoc recedit ab aeternitate et subditur tempori. Esse ergo rerum corruptibilium quia 208est transmutabile, non mensuratur aeternitate, sed tempore. Tempus enim mensurat non solum quae transmutantur in actu, sed quae sunt transmutabilia. Unde non solum mensurat motum, sed etiam quietem; quae est ejus quod natum est moveri, et non movetur.
3. Gelijk de eeuwigheid de eigen maatstaf is van het zijn zelf, zoo is de tijd de eigen maatstaf der beweging. Daaruit volgt, dat een wezen in die maat van de eeuwigheid afwijkt en den tijd ondergaat, waarin het wezensstandvastigheid mist en aan verandering is onderworpen. Daar nu het zijn van de vergankelijke wezens aan verandering onderworpen is, is niet de eeuwigheid, 208maar wel de tijd de maatstaf er van. De tijd toch is niet alleen de maat van wat metterdaad verandert, maar ook van wat kan veranderen, en daarom wordt niet alleen de beweging door den tijd gemeten, maar ook de rust, die juist een eigenschap is van iets wat kan bewegen, maar niet beweegt.3. Gelijk de eeuwigheid de eigen maatstaf is van het zijn zelf, zo is de tijd de eigen maatstaf van de beweging. Daaruit volgt, dat een wezen in die maat van de eeuwigheid afwijkt en de tijd ondergaat, waarin het wezensstandvastigheid mist en aan verandering is onderworpen. Daar nu het zijn van de vergankelijke wezens aan verandering onderworpen is, is niet de eeuwigheid, 208maar wel de tijd de maatstaf er van. De tijd toch is niet alleen de maat van wat metterdaad verandert, maar ook van wat kan veranderen, en daarom wordt niet alleen de beweging door de tijd gemeten, maar ook de rust, die juist een eigenschap is van iets wat kan bewegen, maar niet beweegt.
De differentia aevi et temporis
Over het verschil tusschen het « aevum » en den tijdOver het verschil tussen het “aevum” en de tijd
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod aevum non sit aliud a tempore. Dicit enim Augustinus 8. super Gen. ad lit. [cap. 20, 22] quod « Deus movet creaturam spiritualem per tempus ». Sed aevum dicitur esse mensura substantiarum spiritualium. Ergo tempus non differt ab aevo.
Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat « aevum » en tijd niet verschillen. Augustinus zegt immers in zijn Letterlijke Verklaring van het Boek der Schepping (VIIIe B., XXe en XXIIe H.), dat God de geestelijke schepselen door den tijd heen beweegt. Maar het « aevum » is juist de maat van de geestelijke zelfstandigheden. Het is dus hetzelfde als de tijd.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat “aevum” en tijd niet verschillen. Augustinus zegt immers in zijn Letterlijke Verklaring van het Boek van de Schepping (8e B., 20e en 22e H.), dat God de geestelijke schepselen door de tijd heen beweegt. Maar het “aevum” is juist de maat van de geestelijke zelfstandigheden. Het is dus hetzelfde als de tijd.
2. Praeterea, de ratione temporis est quod habeat prius et posterius : de ratione vero aeternitatis est quod sit tota simul, ut dictum est [art. 1. 209hujus quaest.]. Sed aevum non est aeternitas : dicitur enim Eccli. 1 [v. 1] quod sapientia aeterna est «ante aevum». Ergo non est totum simul, sed habet prius et posterius : et ita est tempus.
2. Het behoort tot het begrip van den tijd, dat er opeenvolging in is; tot het begrip van de eeuwigheid, dat ze in haar geheel tegelijk is, zooals hierboven reeds gezegd werd (Ie Art.). Welnu, het « aevum » is niet hetzelfde als de eeuwigheid. Het boek 209De Prediker zegt immers (1, 1), dat de eeuwige wijsheid vóór het « aevum » is. Het « aevum » is dus niet in zijn geheel tegelijk, maar met opeenvolging. Het is dus hetzelfde als de tijd.2. Het behoort tot het begrip van de tijd, dat er opeenvolging in is; tot het begrip van de eeuwigheid, dat ze in haar geheel tegelijk is, zoals hierboven reeds gezegd werd (1e Art.). Welnu, het “aevum” is niet hetzelfde als de eeuwigheid. Het boek 209De Prediker zegt immers (1, 1), dat de eeuwige wijsheid vóór het “aevum” is. Het “aevum” is dus niet in zijn geheel tegelijk, maar met opeenvolging. Het is dus hetzelfde als de tijd.
2093. Praeterea, si in aevo non est prius et posterius, sequitur quod in aeviternis non differat esse vel fuisse, vel futurum esse. Cum igitur impossibile sit aeviterna non fuisse, sequitur quod impossibile sit, ea non futura esse. Quod falsum est, cum Deus possit ea reducere in nihilum.
3. Als er in het « aevum » geen opeenvolging is, dan is voor een wezen dat er door gemeten wordt : zijn, geweest zijn, en zullen zijn hetzelfde. Daar het nu onmogelijk is, dat zulke wezens eenmaal niet geweest zijn, zou het ook onmogelijk zijn, dat ze eenmaal niet zullen zijn, wat een verkeerde gevolgtrekking is, aangezien God zulke wezens kan vernietigen.3. Als er in het “aevum” geen opeenvolging is, dan is voor een wezen dat er door gemeten wordt: zijn, geweest zijn, en zullen zijn hetzelfde. Daar het nu onmogelijk is, dat zulke wezens eenmaal niet geweest zijn, zou het ook onmogelijk zijn, dat ze eenmaal niet zullen zijn, wat een verkeerde gevolgtrekking is, aangezien God zulke wezens kan vernietigen.
4. Praeterea, cum duratio aeviternorum sit infinita ex parte post, si aevum sit simul totum, sequitur quod aliquod creatum sit infinitum in actu : quod est impossibile. Non ergo differt aevum a tempore.
4. De duur van de wezens die door het « aevum » gemeten worden is eeuwig in dien zin, dat er nooit een einde aan komt. Als het « aevum » in zijn geheel tegelijk bestaat, dan is er een geschapen wezen dat metterdaad oneindig is, en dit is onmogelijk. Het « aevum » is dus hetzelfde als de tijd.4. De duur van de wezens die door het “aevum” gemeten worden is eeuwig in die zin, dat er nooit een einde aan komt. Als het “aevum” in zijn geheel tegelijk bestaat, dan is er een geschapen wezen dat metterdaad oneindig is, en dit is onmogelijk. Het “aevum” is dus hetzelfde als de tijd.
Sed contra est quod dicit Boetius [lib. 3. de Consol. metr. 9] « Qui tempus ab aevo ire jubes ».
Daar kan echter tegen ingebracht worden, wat Boëtius zegt in zijn werk Over de Vertroosting van de Wijsbegeerte (IIIe B., 9) : « Gij die den tijd van het « aevum » doet uitgaan ».Daar kan echter tegen ingebracht worden, wat Boëtius zegt in zijn werk Over de Vertroosting van de Wijsbegeerte (3e B., 9): “Gij die de tijd van het ‘aevum’ doet uitgaan”.
Respondeo dicendum quod aevum differt a tempore et aeternitate, sicut medium existens inter illa. Sed horum differentiam aliqui sic assignant, 210dicentes quod aeternitas caret principio et fine; aevum habet principium, sed non finem; tempus autem habet principium et finem. Sed haec differentia est per accidens, sicut supra dictum est [art. praec.] : quia si etiam aeviterna semper fuissent et semper futura essent, ut aliqui ponunt; vel etiam si quandoque deficerent, quod Deo possibile esset; adhuc aevum distingueretur ab aeternitate et tempore.
Leerstelling. — Het « aevum » verschilt zoowel van den tijd als van de eeuwigheid, en staat er midden tusschenin. 210Sommigen nu vatten het verschil zóó op, dat de eeuwigheid noch begin noch einde heeft; het « aevum » heeft een begin en geen einde; de tijd heeft een begin en een einde. Dit verschil is echter geheel bijkomstig, zooals we vroeger zeiden (IVe Art.), want zelfs als de door het « aevum » gemeten wezens altijd geweest zijn en steeds zullen zijn, zooals sommigen meenen, of als ze eenmaal moesten ophouden te zijn, wat in Gods macht ligt, dan nog zou het « aevum » verschillen van tijd en eeuwigheid.Leerstelling. — Het “aevum” verschilt zowel van de tijd als van de eeuwigheid, en staat er midden tussenin. 210Sommigen nu vatten het verschil zó op, dat de eeuwigheid noch begin noch einde heeft; het “aevum” heeft een begin en geen einde; de tijd heeft een begin en een einde. Dit verschil is echter geheel bijkomstig, zoals we vroeger zeiden (4e Art.), want zelfs als de door het “aevum” gemeten wezens altijd geweest zijn en steeds zullen zijn, zoals sommigen menen, of als ze eenmaal moesten ophouden te zijn, wat in Gods macht ligt, dan nog zou het “aevum” verschillen van tijd en eeuwigheid.
Alii vero assignant differentiam inter haec tria per hoc quod aeternitas non habet prius et posterius; tempus autem habet prius et posterius cum innovatione et veteratione; aevum habet prius et posterius sine innovatione et veteratione. Sed haec positio implicat contradictoria. Quod quidem manifeste apparet, si innovatio et veteratio referantur ad ipsam mensuram. Cum enim prius et posterius durationis non possint esse simul, si aevum habet prius et posterius, oportet quod priore parte aevi recedente, posterior de novo adveniat : et sic erit innovatio in ipso aevo, sicut est in tempore. Si vero referantur ad mensurata, adhuc sequitur inconveniens. Ex hoc 211enim res temporalis inveteratur tempore, quod habet esse transmutabile : et ex transmutabilitate mensurati est prius et posterius in mensura, ut patet ex 4. Phys. [cap. 12]. Si igitur ipsum aeviternum non sit inveterabile nec innovabile, hoc erit quia esse ejus est intransmutabile. Mensura ergo ejus non habebit prius et posterius.
Daarom beweren anderen, dat het verschil hierin ligt, dat er in de eeuwigheid geen opeenvolging is; in den tijd is er opeenvolging, vernieuwing en verouderen; in het « aevum » is er wel opeenvolging, maar geen vernieuwing noch verouderen. Die bewering is echter ongerijmd, en dit blijkt duidelijk, wanneer men van vernieuwing en verouderen spreekt, met betrekking tot den maatstaf zelf. De elkaar opvolgende deelen van eenzelfden duur kunnen immers niet te zamen zijn. Als er dan in het « aevum » opeenvolging is, dan moet er een nieuw deel van zijn duur aan de rest toegevoegd worden, zoo dikwijls als een vroeger deel er van voorbijgaat. Maar op die wijze vindt er in het « aevum » zelf vernieuwing plaats, zoowel als in den tijd. Spreekt 211men van vernieuwing en verouderen, met betrekking tot de wezens die door een tijdmaatstaf gemeten worden, dan is er een ander bezwaar. Hierom toch veroudert iets wat door den tijd gemeten wordt, omdat zijn wezen veranderlijk is; en daarom is er opeenvolging in den maatstaf, omdat er veranderlijkheid is in het gemetene, zooals blijkt uit het IVe Boek der Physica (XIIe H., Nr 3 en 10). Wanneer er bijgevolg in het door het « aevum » gemetene zelf noch verouderen noch vernieuwing is, dan is de reden daarvan, dat het wezen van het gemetene onveranderlijk is. En om dezelfde reden zal er in zijn maatstaf geen opeenvolging zijn.Daarom beweren anderen, dat het verschil hierin ligt, dat er in de eeuwigheid geen opeenvolging is; in de tijd is er opeenvolging, vernieuwing en verouderen; in het “aevum” is er wel opeenvolging, maar geen vernieuwing noch verouderen. Die bewering is echter ongerijmd, en dit blijkt duidelijk, wanneer men van vernieuwing en verouderen spreekt, met betrekking tot de maatstaf zelf. De elkaar opvolgende delen van eenzelfde duur kunnen immers niet te zamen zijn. Als er dan in het “aevum” opeenvolging is, dan moet er een nieuw deel van zijn duur aan de rest toegevoegd worden, zo dikwijls als een vroeger deel er van voorbijgaat. Maar op die wijze vindt er in het “aevum” zelf vernieuwing plaats, zowel als in de tijd. Spreekt 211men van vernieuwing en verouderen, met betrekking tot de wezens die door een tijdmaatstaf gemeten worden, dan is er een ander bezwaar. Hierom toch veroudert iets wat door de tijd gemeten wordt, omdat zijn wezen veranderlijk is; en daarom is er opeenvolging in de maatstaf, omdat er veranderlijkheid is in het gemetene, zoals blijkt uit het 4e Boek van de Fysica (12e H., Nr 3 en 10). Wanneer er bijgevolg in het door het “aevum” gemetene zelf noch verouderen noch vernieuwing is, dan is de reden daarvan, dat het wezen van het gemetene onveranderlijk is. En om dezelfde reden zal er in zijn maatstaf geen opeenvolging zijn.
Est ergo dicendum quod cum aeternitas sit mensura esse permanentis, secundum quod aliquid recedit a permanentia essendi, secundum hoc recedit ab aeternitate. Quaedam autem sic recedunt a permanentia essendi, quod esse eorum est subjectum transmutationi, vel in transmutatione consistit : et hujusmodi mensurantur tempore; sicut omnis motus, et etiam esse omnium corruptibilium. Quaedam vero recedunt minus a permanentia essendi, quia eorum esse nec in transmutatione consistit, nec est subjectum transmutationi : tamen habent transmutationem adjunctam, vel in actu vel in potentia. Sicut patet in corporibus caelestibus, quorum esse substantiale est intransmutabile : tamen esse intransmutabile habent cum transmutabilitate secundum locum. 212Et similiter patet de Angelis, quod habent esse intransmutabile cum transmutabilitate secundum electionem, quantum ad naturam eorum pertinet; et cum transmutabilitate intelligentiarum et affectionum, et locorum suo modo. Et ideo hujusmodi mensurantur aevo, quod est medium inter aeternitatem et tempus. Esse autem quod mensuratur aeternitate nec est mutabile, nec mutabilitati adjunctum. Sic ergo tempus habet prius et posterius : aevum autem non habet in se prius et posterius, sed ei conjungi possunt : aeternitas autem non habet prius neque posterius, neque ea compatitur.
Men moet dus besluiten dat, aangezien de eeuwigheid de maat is van het onveranderlijk zijn, een wezen in die maat van de eeuwigheid afwijkt waarin het zijnsstandvastigheid mist. Sommige wezens nu missen die standvastigheid zóó zeer, dat hun zijn ófwel het subjekt is van verandering, ófwel in de verandering zelf bestaat : zulke wezens worden gemeten door den tijd, en dit is het geval met iedere beweging en met het zijn van alle vergankelijke wezens. Andere wezens missen de zijnsstandvastigheid in mindere mate, want hun zijn zelf bestaat niet in verandering, en ze 212zijn ook geen subjekt van verandering, maar toch gaat een verandering met hun wezen gepaard, hetzij metterdaad, hetzij in aanleg. Dit is het geval met de hemellichamen, waarvan het zijn wel onveranderlijk is, maar gepaard gaat met verandering van de plaats die ze innemen. En hetzelfde geldt voor de engelen: zij toch hebben ook een onveranderlijk zijn, maar ze zijn veranderlijk in hun vrije wilsbeslissingen, voor zoover het de natuur betreft, alsook in hun verstandsakten en gevoelens, en wat betreft de plaats die ze bekleeden, voor zoover althans de engelen ruimte beslaan. En zulke wezens worden gemeten door het « aevum », wat middenin staat tusschen tijd en eeuwigheid. Het zijn echter, wat door de eeuwigheid gemeten wordt, is niet veranderlijk, en gaat ook niet met veranderlijkheid gepaard. Zoo blijkt het ook, dat er in den tijd opeenvolging is; in het « aevum » zelf is er geen opeenvolging, maar ze kan er mee gepaard gaan; in de eeuwigheid echter is er geen opeenvolging, en ze kan er niet mee gepaard gaan.Men moet dus besluiten dat, aangezien de eeuwigheid de maat is van het onveranderlijk zijn, een wezen in die maat van de eeuwigheid afwijkt waarin het zijnsstandvastigheid mist. Sommige wezens nu missen die standvastigheid zó zeer, dat hun zijn ófwel het subject is van verandering, ófwel in de verandering zelf bestaat: zulke wezens worden gemeten door de tijd, en dit is het geval met iedere beweging en met het zijn van alle vergankelijke wezens. Andere wezens missen de zijnsstandvastigheid in mindere mate, want hun zijn zelf bestaat niet in verandering, en ze 212zijn ook geen subject van verandering, maar toch gaat een verandering met hun wezen gepaard, hetzij metterdaad, hetzij in aanleg. Dit is het geval met de hemellichamen, waarvan het zijn wel onveranderlijk is, maar gepaard gaat met verandering van de plaats die ze innemen. En hetzelfde geldt voor de engelen: zij toch hebben ook een onveranderlijk zijn, maar ze zijn veranderlijk in hun vrije wilsbeslissingen, voor zover het de natuur betreft, alsook in hun verstandsacten en gevoelens, en wat betreft de plaats die ze bekleden, voor zover althans de engelen ruimte beslaan. En zulke wezens worden gemeten door het “aevum”, wat middenin staat tussen tijd en eeuwigheid. Het zijn echter, wat door de eeuwigheid gemeten wordt, is niet veranderlijk, en gaat ook niet met veranderlijkheid gepaard. Zo blijkt het ook, dat er in de tijd opeenvolging is; in het “aevum” zelf is er geen opeenvolging, maar ze kan er mee gepaard gaan; in de eeuwigheid echter is er geen opeenvolging, en ze kan er niet mee gepaard gaan.
Ad primum ergo dicendum quod creaturae spirituales, quantum ad affectiones et intelligentias, in quibus est successio, mensurantur tempore. Unde et Augustinus ibidem [cap. 20] dicit quod per tempus moveri, est per 213affectiones moveri. Quantum vero ad eorum esse naturale, mensurantur aevo. Sed quantum ad visionem gloriae participant aeternitatem.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. De geestelijke schepselen worden gemeten door den tijd, wat betreft hun gevoelens en hun verstandsakten. Hierin toch is er opeenvolging. Daarom zegt Augustinus t. a. pl. (XXe H.), dat door den tijd heen bewogen te worden hetzelfde is als bewogen te worden door zijn 213gevoelens. Wat echter het zijn van hun natuur betreft, worden de geestelijke wezens gemeten door het « aevum ». Wat eindelijk het aanschouwen van het Licht der eeuwige Glorie betreft, zijn ze aan de eeuwigheid deelachtig.Antwoord op de bedenkingen. — 1. De geestelijke schepselen worden gemeten door de tijd, wat betreft hun gevoelens en hun verstandsacten. Hierin toch is er opeenvolging. Daarom zegt Augustinus t.a.p. (20e H.), dat door de tijd heen bewogen te worden hetzelfde is als bewogen te worden door zijn 213gevoelens. Wat echter het zijn van hun natuur betreft, worden de geestelijke wezens gemeten door het “aevum”. Wat eindelijk het aanschouwen van het Licht van de eeuwige Glorie betreft, zijn ze aan de eeuwigheid deelachtig.
213Ad secundum dicendum quod aevum est totum simul : non tamen est aeternitas, quia compatitur secum prius et posterius.
2. Het « aevum » bestaat in zijn geheel tegelijk. En toch is het niet hetzelfde als de eeuwigheid, omdat er opeenvolging mee kan gepaard gaan.2. Het “aevum” bestaat in zijn geheel tegelijk. En toch is het niet hetzelfde als de eeuwigheid, omdat er opeenvolging mee kan gepaard gaan.
Ad tertium dicendum quod in ipso esse angeli in se considerato, non est differentia praeteriti et futuri, sed solum secundum adjunctas mutationes. Sed quod dicimus angelum esse vel fuisse vel futurum esse, differt secundum acceptionem intellectus nostri, qui accipit esse angeli per comparationem ad diversas partes temporis. Et cum dicit angelum esse vel fuisse, supponit aliquid cum quo ejus oppositum non subditur divinae potentiae : cum vero dicit futurum esse, nondum supponit aliquid. Unde, cum esse et non esse angeli subsit divinae potentiae, absolute considerando, potest Deus facere, quod esse angeli non sit futurum : tamen non potest facere quod non sit dum est, vel quod non fuerit postquam fuit.
3. Het onderscheid tusschen het voorbije en het toekomstige bestaat inderdaad niet voor de engelen, wat betreft hun zijn op zichzelf beschouwd. Het bestaat immers alleen wat de veranderingen betreft, die met hun zijn gepaard gaan. Als we dan zeggen, dat een engel is, of geweest is, of zijn zal, dan komt het onderscheid voort uit een opvatting van ons verstand, dat het zijn van de engelen beschouwt in verband met verschillende tijdruimten. Zeggen we b. v., dat een engel is of geweest is, dan denken wij ons iets waarvan het tegendeel door Gods macht niet kan verwezenlijkt worden. Zeggen we daarentegen dat een engel zal zijn, dan veronderstellen we niets. Maar het zijn en het niet-zijn van de engelen valt binnen het gebied van Gods macht. Daarom moet gezegd dat, in volstrekten zin, God kan bewerken, dat het zijn van een engel niet zal zijn. Hij kan echter niet bewerken dat 214het niet is, terwijl het is, noch dat het niet zou geweest zijn, nadat het geweest is.3. Het onderscheid tussen het voorbije en het toekomstige bestaat inderdaad niet voor de engelen, wat betreft hun zijn op zichzelf beschouwd. Het bestaat immers alleen wat de veranderingen betreft, die met hun zijn gepaard gaan. Als we dan zeggen, dat een engel is, of geweest is, of zijn zal, dan komt het onderscheid voort uit een opvatting van ons verstand, dat het zijn van de engelen beschouwt in verband met verschillende tijdruimten. Zeggen we bv., dat een engel is of geweest is, dan denken wij ons iets waarvan het tegendeel door Gods macht niet kan verwezenlijkt worden. Zeggen we daarentegen dat een engel zal zijn, dan veronderstellen we niets. Maar het zijn en het niet-zijn van de engelen valt binnen het gebied van Gods macht. Daarom moet gezegd dat, in volstrekte zin, God kan bewerken, dat het zijn van een engel niet zal zijn. Hij kan echter niet bewerken dat 214het niet is, terwijl het is, noch dat het niet zou geweest zijn, nadat het geweest is.
214Ad quartum dicendum quod duratio aevi est infinita, quia non finitur tempore. Sic autem esse aliquod creatum infinitum, quia non est finitum quodam alio, non est inconveniens.
4. De duur van het « aevum » is oneindig, in dien zin, dat geen tijd er een einde aan stelt. Dat nu een of ander geschapen zijn in dien zin oneindig zou zijn, dat niets anders er een einde aan stelt, levert in 't geheel geen bezwaar op.4. De duur van het “aevum” is oneindig, in die zin, dat geen tijd er een einde aan stelt. Dat nu een of ander geschapen zijn in die zin oneindig zou zijn, dat niets anders er een einde aan stelt, levert in 't geheel geen bezwaar op.
Utrum sit unum aevum tantum
Is er maar één enkel « aevum »?Is er maar één enkel “aevum”?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod non sit tantum unum aevum. Dicitur enim in apocryphis Esdrae [lib. 3, cap. 4] : « Majestas et potestas aevorum est apud te, Domine ».
Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat er meer dan één « aevum » is. In het IIIe (apokrief) Boek Esdras (4, 40) lezen we immers : « De majesteit en de macht van de « aevums » is bij U, Heer ».Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat er meer dan één “aevum” is. In het derde (apocrief) Boek Esdras (4, 40)a lezen we immers: “De majesteit en de macht van de ‘aevums’ is bij U, Heer”.
2. Praeterea, diversorum generum sunt diversae mensurae. Sed quaedam aeviterna sunt in genere corporum, scilicet corpora caelestia : quaedam vero sunt spirituales substantiae, scilicet angeli. Non ergo est unum aevum tantum.
2. Wat tot verschillende soorten behoort, wordt door soortelijk verschillende maten gemeten. Maar van de wezens die door het « aevum » gemeten worden, zijn er sommige lichamelijk, nl. de hemellichamen; andere daarentegen zijn geestelijke zelfstandigheden, te weten de engelen. Er is bijgevolg meer dan één « aevum ».2. Wat tot verschillende soorten behoort, wordt door soortelijk verschillende maten gemeten. Maar van de wezens die door het “aevum” gemeten worden, zijn er sommige lichamelijk, nl. de hemellichamen; andere daarentegen zijn geestelijke zelfstandigheden, te weten de engelen. Er is bijgevolg meer dan één “aevum”.
2153. Praeterea, cum aevum sit nomen durationis, quorum est unum aevum, est una duratio. Sed non omnium aeviternorum est una duratio : quia quaedam post alia esse incipiunt, ut maxime in animabus humanis patet. Non ergo est unum aevum tantum.
2153. Het woord « aevum » duidt een duur aan. De wezens die tot hetzelfde « aevum » behooren, hebben dus eenzelfden duur. Maar niet al de door het « aevum » gemeten wezens hebben eenzelfden duur, want sommige vangen na de andere aan, zooals voornamelijk bij de menschenzielen valt waar te nemen. Bijgevolg is er meer dan één « aevum ».2153. Het woord “aevum” duidt een duur aan. De wezens die tot hetzelfde “aevum” behoren, hebben dus eenzelfden duur. Maar niet al de door het “aevum” gemeten wezens hebben eenzelfden duur, want sommige vangen na de andere aan, zoals voornamelijk bij de mensenzielen valt waar te nemen. Bijgevolg is er meer dan één “aevum”.
4. Praeterea, ea quae non dependent ab invicem, non videntur habere unam mensuram durationis : propter hoc enim omnium temporalium videtur esse unum tempus quia omnium motuum quodammodo causa est primus motus, qui prius tempore mensuratur. Sed aeviterna non dependent ab invicem : quia unus angelus non est causa alterius. Ergo non est unum aevum tantum.
4. Wezens die van elkander niet afhangen, hebben niet eenzelfde maat voor hun duur. Wanneer er immers voor alle aan den tijd onderworpen dingen maar één tijd is, dan komt dit hierdoor, dat de eerste beweging, die vóór elke andere door den tijd gemeten wordt, in een zekeren zin de oorzaak is van elke beweging. Maar de wezens die onder het « aevum » vallen, hangen van elkander niet af : de eene engel is immers de oorzaak niet van den anderen. Er is dus meer dan één aevum.4. Wezens die van elkander niet afhangen, hebben niet eenzelfde maat voor hun duur. Wanneer er immers voor alle aan de tijd onderworpen dingen maar één tijd is, dan komt dit hierdoor, dat de eerste beweging, die vóór elke andere door de tijd gemeten wordt, in een zekeren zin de oorzaak is van elke beweging. Maar de wezens die onder het “aevum” vallen, hangen van elkander niet af: de ene engel is immers de oorzaak niet van de anderen. Er is dus meer dan één aevum.
Sed contra, aevum est simplicius tempore, et propinquius se habens ad aeternitatem. Sed tempus est unum tantum. Ergo multo magis aevum.
Daartegenover staat echter, dat het « aevum » eenvoudiger is dan de tijd, en de eeuwigheid dichter benadert. Welnu, er is maar één tijd. Dus kan er ook maar een « aevum » zijn.Daartegenover staat echter, dat het “aevum” eenvoudiger is dan de tijd, en de eeuwigheid dichter benadert. Welnu, er is maar één tijd. Dus kan er ook maar een “aevum” zijn.
Respondeo dicendum quod circa hoc est duplex opinio : quidam enim dicunt, quod est unum aevum tantum; quidam autem quod multa. Quid 216autem horum verius sit, oportet considerare ex causa unitatis temporis : in cognitionem enim spiritualium per corporalia devenimus.
Leerstelling. — Op de vraag die we hier stellen wordt een dubbel antwoord gegeven : sommigen zeggen immers, dat er 216maar één « aevum » is; anderen, dat er verschillende zijn. Om nu te weten welk antwoord het juiste is, moet men bedenken waarom er maar één tijd is : de geestelijke dingen kennen we immers door de lichamelijke.Leerstelling. — Op de vraag die we hier stellen wordt een dubbel antwoord gegeven: sommigen zeggen immers, dat er 216maar één “aevum” is; anderen, dat er verschillende zijn. Om nu te weten welk antwoord het juiste is, moet men bedenken waarom er maar één tijd is: de geestelijke dingen kennen we immers door de lichamelijke.
Dicunt enim quidam esse unum tempus omnium temporalium, propter hoc quod est unus numerus omnium numeratorum : cum tempus sit numerus secundum Philosophum, 4. Phys. [cap. 11]. Sed hoc non sufficit : quia tempus non est numerus ut abstractus extra numeratum, sed ut in numerato existens : alioquin non esset continuus; quia decem ulnae panni continuitatem habent, non ex numero, sed ex numerato. Numerus autem in numerato existens non est idem omnium, sed diversus diversorum.
Sommigen dan zeggen, dat er voor alle tijdelijke dingen maar één tijd is, omdat er maar één getal is voor al de getelde dingen: de tijd toch is een getal, zooals de Wijsgeer zegt in het IVe Boek der Physica (XIe H., Nr 5). Die verklaring voldoet ons echter niet, want de tijd is geen getal dat buiten de getelde dingen gedacht wordt, maar wordt opgevat als in de getelde dingen bestaande. Was het anders, dan zou de tijd geen onafgebroken getal zijn : tien ellen laken b. v. zijn immers iets onafgebroken, niet om het getal, maar wel om het getelde. Het getal nu dat in het getelde bestaat, is niet hetzelfde voor alle dingen, maar verschilt voor elk verschillend ding.Sommigen dan zeggen, dat er voor alle tijdelijke dingen maar één tijd is, omdat er maar één getal is voor al de getelde dingen: de tijd toch is een getal, zoals de Wijsgeer zegt in het 4e Boek van de Fysica (11e H., Nr 5). Die verklaring voldoet ons echter niet, want de tijd is geen getal dat buiten de getelde dingen gedacht wordt, maar wordt opgevat als in de getelde dingen bestaande. Was het anders, dan zou de tijd geen onafgebroken getal zijn: tien ellen laken bv. zijn immers iets onafgebroken, niet om het getal, maar wel om het getelde. Het getal nu dat in het getelde bestaat, is niet hetzelfde voor alle dingen, maar verschilt voor elk verschillend ding.
Unde alii assignant causam unitatis temporis ex unitate aeternitatis, quae est principium omnis durationis. Et sic, omnes durationes sunt unum, si consideretur eorum principium : sunt vero multae, si consideretur diversitas eorum quae recipiunt durationem ex influxu primi principii. Alii vero assignant causam unitatis temporis ex parte materiae primae, quae est primum 217subjectum motus, cujus mensura est tempus. Sed neutra assignatio sufficiens videtur : quia ea quae sunt unum principio vel subjecto, et maxime remoto, non sunt unum simpliciter, sed secundum quid.
Daarom zeggen anderen, dat de tijd één is, omdat de eeuwigheid, die het beginsel is van iederen duur, één is. Zoo is er voor alle wezens maar één duur, gelet op het beginsel van den duur. Let men echter op het onderscheid tusschen de wezens die door den invloed van het eerste beginsel een eigen duur hebben, dan is er meer dan één duur. Nog anderen meenen, dat de oorzaak van 217de eenheid van den tijd te zoeken is in de eerste stof, die het eerste subjekt is van de beweging die door den tijd gemeten wordt. Ook die twee verklaringen moeten afgewezen worden. Die dingen toch die één zijn door het beginsel of door het subjekt — voornamelijk door het verwijderd beginsel of subjekt — zijn alleen maar in een zeker opzicht één, en niet volstrekt genomen.Daarom zeggen anderen, dat de tijd één is, omdat de eeuwigheid, die het beginsel is van iedere duur, één is. Zo is er voor alle wezens maar één duur, gelet op het beginsel van de duur. Let men echter op het onderscheid tussen de wezens die door de invloed van het eerste beginsel een eigen duur hebben, dan is er meer dan één duur. Nog anderen menen, dat de oorzaak van 217de eenheid van de tijd te zoeken is in de eerste stof, die het eerste subject is van de beweging die door de tijd gemeten wordt. Ook die twee verklaringen moeten afgewezen worden. Die dingen toch die één zijn door het beginsel of door het subject — voornamelijk door het verwijderd beginsel of subject — zijn alleen maar in een zeker opzicht één, en niet volstrekt genomen.
Est ergo ratio unitatis temporis, unitas primi motus, secundum quem, cum sit simplicissimus, omnes alii mensurantur, ut dicitur in 10. Metaphys. [lib. 9, cap. 1]. Sic igitur tempus ad illum motum comparatur non solum ut mensura ad mensuratum, sed etiam ut accidens ad subjectum; et sic ab eo recipit unitatem. Ad alios autem motus comparatur solum ut mensura ad mensuratum. Unde secundum eorum multitudinem non multiplicatur : quia una mensura separata multa mensurari possunt.
De ware oorzaak van de eenheid van den tijd is de eenheid der eerste beweging, die de maatstaf is welke op alle bewegingen wordt aangelegd, om zijn groote enkelvoudigheid, gelijk in het Xe Boek der Metaphysica gezegd wordt (IXe B., Ie H., Nr 10). De tijd verhoudt zich tot die beweging, niet alleen zooals een maatstaf zich verhoudt tot het gemetene, maar ook zooals een bijkomstigheid zich verhoudt tot haar subjekt, en op die wijze is de tijd één door de eenheid van die beweging. Tot de andere bewegingen verhoudt de tijd zich alleen zooals de maatstaf zich verhoudt tot het gemetene. En juist daarom wordt hij er niet mee vermenigvuldigd : een maatstaf toch die van de dingen afgescheiden is, kan vele dingen afmeten.De ware oorzaak van de eenheid van de tijd is de eenheid van de eerste beweging, die de maatstaf is welke op alle bewegingen wordt aangelegd, om zijn grote enkelvoudigheid, gelijk in het 10e Boek van de Metafysica gezegd wordt (9e B., 1e H., Nr 10). De tijd verhoudt zich tot die beweging, niet alleen zoals een maatstaf zich verhoudt tot het gemetene, maar ook zoals een bijkomstigheid zich verhoudt tot haar subject, en op die wijze is de tijd één door de eenheid van die beweging. Tot de andere bewegingen verhoudt de tijd zich alleen zoals de maatstaf zich verhoudt tot het gemetene. En juist daarom wordt hij er niet mee vermenigvuldigd: een maatstaf toch die van de dingen afgescheiden is, kan vele dingen afmeten.
Hoc igitur habito, sciendum quod de substantiis spiritualibus duplex fuit opinio. Quidam enim dixerunt quod omnes processerunt a Deo in quadam aequalitate, ut Origenes dixit [lib. 1. Peri Archon, cap. 8]; vel etiam multae earum, ut quidam posuerunt. Alii vero dixerunt quod omnes 218substantiae spirituales processerunt a Deo quodam gradu et ordine. Et hoc videtur sentire Dionysius, qui dicit, cap. 4 et 10 Caelest. hier., quod inter substantias spirituales sunt primae, mediae et ultimae, etiam in uno ordine angelorum. Secundum igitur primam opinionem, necesse est dicere quod sunt plura aeviterna prima aequalia. Secundum autem secundam opinionem, oportet dicere quod sit unum aevum tantum : quia, cum unumquodque mensuretur simplicissimo sui generis, ut in 10. Metaph. dicitur [L. 9, cap. 1], oportet quod esse omnium aeviternorum mensuretur per simplicius esse primi aeviterni, quod tanto est simplicius, quanto prius. Et quia secunda opinio verior est, ut infra ostendetur [q. 47, art. 2; q. 50, art. 4], concedimus ad praesens esse unum aevum tantum.
Nu dit eerste punt opgehelderd is, moet er nog aan toegevoegd, dat er met betrekking tot de geestelijke zelfstandigheden een tweevoudige meening werd voorgestaan. Sommigen immers zeiden, dat 218al die zelfstandigheden uit God uitvloeien met eenzelfde volmaaktheid: dit is de meening van Origenes in zijn Boek Over de Beginselen (Ie B., VIIIe H.). Anderen zeiden, dat vele geestelijke zelfstandigheden met dezelfde volmaaktheid uit God ontsproten. Anderen daarentegen zeiden, dat de geestelijke zelfstandigheden uit God voortkomen met een zeker onderscheid in den graad van volmaaktheid en volgens een bepaalde orde. En dit schijnt de meening te zijn van Dionysius, die in zijn Boek Over de Hemelrijen (IVe en Xe H.) zegt, dat zelfs in één en dezelfde engelenrij, sommige geestelijke zelfstandigheden de eerste plaats bekleeden, andere de laatste, nog andere middenin staan. Houdt men de eerste meening, dan moet men aannemen, dat er verschillende « aevums » zijn, en wel zooveel als er door het « aevum » gemeten wezens zijn, die den eersten rang bekleeden onder in volmaaktheid gelijke. Houdt men zich aan de tweede meening, dan moet men aannemen, dat er maar één «aevum» is: aangezien immers alles gemeten wordt naar datgene wat het enkelvoudigst is in de soort waar het toe behoort, gelijk in het Xe Boek der Metaphysica gezegd wordt (IXe B., Ie H., Nr 9, 13), moet het zijn van alle onder het « aevum » vallende wezens gemeten worden door het zijn van het eerste onder het « aevum » vallende wezen, dat des te enkelvoudiger is, naarmate men hooger opstijgt. Daar nu de tweede meening meer overeenkomstig de waarheid is, zooals later zal aangetoond worden (XLVIIe Kw., 2e Art. en Le Kw., 4e Art.), meenen we, dat er maar één « aevum » is.Nu dit eerste punt opgehelderd is, moet er nog aan toegevoegd, dat er met betrekking tot de geestelijke zelfstandigheden een tweevoudige mening werd voorgestaan. Sommigen immers zeiden, dat 218al die zelfstandigheden uit God uitvloeien met eenzelfde volmaaktheid: dit is de mening van Origenes in zijn Boek Over de Beginselen (1e B., 8e H.). Anderen zeiden, dat vele geestelijke zelfstandigheden met dezelfde volmaaktheid uit God ontsproten. Anderen daarentegen zeiden, dat de geestelijke zelfstandigheden uit God voortkomen met een zeker onderscheid in de graad van volmaaktheid en volgens een bepaalde orde. En dit schijnt de mening te zijn van Dionysius, die in zijn Boek Over de Hemelrijen (4e en 10e H.) zegt, dat zelfs in één en dezelfde engelenrij, sommige geestelijke zelfstandigheden de eerste plaats bekleden, andere de laatste, nog andere middenin staan. Houdt men de eerste mening, dan moet men aannemen, dat er verschillende “aevums” zijn, en wel zoveel als er door het “aevum” gemeten wezens zijn, die de eerste rang bekleden onder in volmaaktheid gelijke. Houdt men zich aan de tweede mening, dan moet men aannemen, dat er maar één “aevum” is: aangezien immers alles gemeten wordt naar datgene wat het enkelvoudigst is in de soort waar het toe behoort, gelijk in het 10e Boek van de Metafysica gezegd wordt (9e B., 1e H., Nr 9, 13), moet het zijn van alle onder het “aevum” vallende wezens gemeten worden door het zijn van het eerste onder het “aevum” vallende wezen, dat des te enkelvoudiger is, naarmate men hoger opstijgt. Daar nu de tweede mening meer overeenkomstig de waarheid is, zoals later zal aangetoond worden (47e Kw., 2e Art. en 50e Kw., 4e Art.), menen we, dat er maar één “aevum” is.
219Ad primum ergo dicendum quod aevum aliquando accipitur pro saeculo, quod est periodus durationis alicujus rei : et sic dicuntur multa aeva, sicut multa saecula.
219Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het woord «aevum» staat dikwijls in de plaats van eeuw, d. i. een tijdstip uit den duur van een of ander ding, en zoo wordt van meerdere « aevums » gesproken, gelijk men van verschillende eeuwen spreekt.219Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het woord “aevum” staat dikwijls in de plaats van eeuw, d.i. een tijdstip uit de duur van een of ander ding, en zo wordt van meerdere “aevums” gesproken, gelijk men van verschillende eeuwen spreekt.
Ad secundum dicendum quod, licet corpora caelestia et spiritualia differant in genere naturae, tamen conveniunt in hoc quod habent esse intransmutabile. Et sic mensurantur aevo.
2. Hoewel de hemellichamen en de geestelijke wezens onderling verschillen, wat hun natuur betreft, toch komen ze hierin met elkaar overeen, dat ze beide onveranderlijk zijn in hun zijn, en daarom worden ze beide door het « aevum » gemeten.2. Hoewel de hemellichamen en de geestelijke wezens onderling verschillen, wat hun natuur betreft, toch komen ze hierin met elkaar overeen, dat ze beide onveranderlijk zijn in hun zijn, en daarom worden ze beide door het “aevum” gemeten.
Ad tertium dicendum quod nec omnia temporalia simul incipiunt, et tamen omnium est unum tempus, propter primum quod mensuratur tempore. Et sic omnia aeviterna habent unum aevum propter primum, etiam si non omnia simul incipiunt.
3. Ook al de tijden beginnen niet tegelijk, en toch is er maar één tijd voor alles, ter oorzake van het eerste wat door den tijd gemeten wordt. Op gelijke wijze is er maar één « aevum » voor de wezens die onder dien maatstaf vallen, zelfs als ze niet alle tegelijk beginnen te zijn.3. Ook al de tijden beginnen niet tegelijk, en toch is er maar één tijd voor alles, ter oorzake van het eerste wat door de tijd gemeten wordt. Op gelijke wijze is er maar één “aevum” voor de wezens die onder die maatstaf vallen, zelfs als ze niet alle tegelijk beginnen te zijn.
Ad quartum dicendum quod ad hoc quod aliqua mensurentur per aliquod unum, non requiritur quod illud unum sit causa omnium eorum. sed quod sit simplicius.
4. Opdat verschillende dingen door één maat zouden gemeten worden, wordt niet vereischt, dat die maat de oorzaak zou zijn van al wat ze afmeet, maar wel dat ze iets enkelvoudigers zou zijn.4. Opdat verschillende dingen door één maat zouden gemeten worden, wordt niet vereist, dat die maat de oorzaak zou zijn van al wat ze afmeet, maar wel dat ze iets enkelvoudigers zou zijn.