Theologische Summa · Prima Pars · Hoe God niet isSumma · I · Hoe God niet isSumma · I · Kw. 11Kw. 11
Quaestio XI

De unitate Dei

Kwestie 11

Over de eenheid van God

(Vier Artikelen)

220Post praemissa, considerandum est de divina unitate.

220We gaan nu over tot het beschouwen van Gods eenheid. En hierover stellen we vier vragen :220We gaan nu over tot het beschouwen van Gods eenheid. En hierover stellen we vier vragen:

Et circa hoc quaeruntur quatuor : 1. Utrum unum addat aliquid supra ens. — 2. Utrum opponantur unum, et multa. — 3. Utrum Deus sit unus. — 4. Utrum sit maxime unus.

1°) Voegt de eenheid iets toe aan het zijnde? 2°) Zijn eenheid en veelheid tegenstrijdige dingen? 3°) Is God één? 4°) Is God het meest één van alle dingen?1. Voegt de eenheid iets toe aan het zijnde? 2. Zijn eenheid en veelheid tegenstrijdige dingen? 3. Is God één? 4. Is God het meest één van alle dingen?

Articulus I

Utrum unum addat aliquid supra ens

[Infra, q. 30, art. 3; 1 Sent., Dist. 19, q. 4, art. 1, ad 2; Dist., 24, art. 3; De Pot., q. 9, art. 7; Quodl. 10, q. 1, art. 1 : 4 Metaph., lect. 2; 10, lect. 3.]
Ie Artikel

Voegt de eenheid iets toe aan het zijnde?

antwoord 1 ↓

Ad primum sic proceditur. Videtur quod unum addat aliquid supra ens. Omne enim quod est in aliquo genere determinato, se habet ex 221additione ad ens, quod circuit omnia genera. Sed unum est in genere determinato : est enim principium numeri, qui est species quantitatis. Ergo unum addit aliquid supra ens.

Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat de eenheid iets toevoegt aan het zijnde. Alles toch wat tot een bepaald geslacht 221behoort, ontstaat door iets toe te voegen aan het zijnde, dat alle geslachten doorloopt. Maar de eenheid behoort tot een bepaald geslacht, want ze is het beginsel van het getal, dat een soort is der hoegrootheid. Bijgevolg voegt de eenheid aan het zijnde iets toe.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat de eenheid iets toevoegt aan het zijnde. Alles toch wat tot een bepaald geslacht 221behoort, ontstaat door iets toe te voegen aan het zijnde, dat alle geslachten doorloopt. Maar de eenheid behoort tot een bepaald geslacht, want ze is het beginsel van het getal, dat een soort is van de hoegrootheid. Bijgevolg voegt de eenheid aan het zijnde iets toe.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, quod dividit aliquid commune, se habet ex additione ad illud. Sed ens dividitur per unum et multa. Ergo unum addit aliquid supra ens.

2. Wat iets gemeenschappelijks verdeelt, ontstaat door er iets aan toe te voegen. Maar het zijnde wordt verdeeld in één en veel. Dus voegt de eenheid iets toe aan het zijnde.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, si unum non addit supra ens, idem esset dicere unum et ens. Sed nugatorie dicitur ens ens. Ergo nugatio esset dicere ens unum, quod est falsum. Addit igitur unum supra ens.

3. Wanneer de eenheid aan het zijnde niets toevoegt, dan is het hetzelfde, te zeggen : één, en te zeggen : zijnde. En zooals het geen zin heeft, te zeggen : het zijnde zijnde, zoo had het dan ook geen zin, te spreken van een één zijnde. Maar dit laatste heeft wel een zin, en bijgevolg voegt de eenheid aan het zijnde iets toe.3. Wanneer de eenheid aan het zijnde niets toevoegt, dan is het hetzelfde, te zeggen: één, en te zeggen: zijnde. En zoals het geen zin heeft, te zeggen: het zijnde zijnde, zo had het dan ook geen zin, te spreken van een één zijnde. Maar dit laatste heeft wel een zin, en bijgevolg voegt de eenheid aan het zijnde iets toe.

Sed contra est quod dicit Dionysius, ult. cap. de Div. nom. [S. Th., l. 2]: « Nihil est exsistentium non participans uno » : quod non esset, si unum adderet supra ens quod contraheret ipsum. Ergo unum non habet se ex additione ad ens.

Dit is echter strijd met wat Dionysius zegt in het laatste hoofdstuk van zijn werk Over de Goddelijke Namen : « Van alles wat bestaat is er niets wat niet deelachtig is aan de eenheid ». Dit nu was het geval niet, wanneer de eenheid aan het zijnde iets toevoegde, wat het beperkt. Dus voegt de eenheid aan het zijnde niets toe.Dit is echter strijd met wat Dionysius zegt in het laatste hoofdstuk van zijn werk Over de Goddelijke Namen: “Van alles wat bestaat is er niets wat niet deelachtig is aan de eenheid”. Dit nu was het geval niet, wanneer de eenheid aan het zijnde iets toevoegde, wat het beperkt. Dus voegt de eenheid aan het zijnde niets toe.

222Respondeo dicendum quod unum non addit supra ens rem aliquam, sed tantum negationem divisionis : unum enim nihil aliud significat quam ens indivisum. Et ex hoc ipso apparet quod unum convertitur cum ente. Nam omne ens aut est simplex, aut est compositum. Quod autem est simplex, est indivisum et actu et potentia. Quod autem est compositum, non habet esse quamdiu partes ejus sunt divisae, sed postquam constituunt et componunt ipsum. Unde manifestum est quod esse cujuslibet rei consistit in indivisione. Et inde est quod unumquodque, sicut custodit suum esse, ita custodit suam unitatem.

222Leerstelling. — De eenheid voegt aan het zijnde niets positiefs toe, maar alleen de loochening van een verdeeling. Iets eens beteekent immers niets anders dan een onverdeeld zijnde. Hieruit blijkt echter, dat één en zijnde omkeerbaar zijn. Ieder zijnde toch is ófwel enkelvoudig, ófwel samengesteld. Wat enkelvoudig is, is onverdeeld, én metterdaad, én wat zijn aanleg betreft. Wat samengesteld is, heeft geen zijn, zoolang zijn deelen gescheiden zijn, maar alleen als ze samengevoegd worden en het samengestelde ding vormen. Zoo is het duidelijk, dat het zijn van ieder ding bestaat in de onverdeeldheid, en dat ieder zijnde zijn eenheid bewaart zoolang het z'n zijn bewaart.222Leerstelling. — De eenheid voegt aan het zijnde niets positiefs toe, maar alleen de loochening van een verdeling. Iets eens betekent immers niets anders dan een onverdeeld zijnde. Hieruit blijkt echter, dat één en zijnde omkeerbaar zijn. Ieder zijnde toch is ófwel enkelvoudig, ófwel samengesteld. Wat enkelvoudig is, is onverdeeld, én metterdaad, én wat zijn aanleg betreft. Wat samengesteld is, heeft geen zijn, zolang zijn delen gescheiden zijn, maar alleen als ze samengevoegd worden en het samengestelde ding vormen. Zo is het duidelijk, dat het zijn van ieder ding bestaat in de onverdeeldheid, en dat ieder zijnde zijn eenheid bewaart zolang het z'n zijn bewaart.

↑ bedenking 1

Ad primum igitur dicendum quod quidam, putantes idem esse unum quod convertitur cum ente, et quod est principium numeri, divisi sunt in contrarias positiones. Pythagoras enim et Plato videntes, quod unum quod convertitur cum ente, non addit aliquam rem supra ens, sed significat substantiam entis prout est indivisa, existimaverunt sic se habere de uno quod est 223principium numeri. Et quia numerus componitur ex unitatibus, crediderunt quod numeri essent substantiae omnium rerum. E contrario Avicenna, considerans quod unum quod est principium numeri, addit rem aliquam supra substantiam entis : alias numerus compositus ex unitatibus non esset species quantitatis, credidit quod unum quod convertitur cum ente, addat rem aliquam supra substantiam entis, sicut album supra hominem. Sed hoc manifeste falsum est: quia quaelibet res est una per suam substantiam. Si enim per aliquid aliud esset una quaelibet res, cum illud iterum sit unum, si esset iterum unum per aliquid aliud, esset abire in infinitum. Unde standum est in primo. Sic igitur dicendum est quod unum quod convertitur cum ente, non addit rem aliquam supra ens : sed unum quod est principium numeri, addit aliquid supra ens, ad genus quantitatis pertinens.

Antwoord op de bedenkingen. — 1. Sommigen hebben gemeend, dat het ééne, wat omkeerbaar is met het zijnde, hetzelfde is als het ééne dat het beginsel is van het getal, maar zijn verder tot tegenstrijdige gevolgtrekkingen gekomen. Pythagoras en Plato immers merkten op, dat het ééne, wat omkeerbaar is met het zijnde, aan het zijnde niets toevoegt, maar de zelfstandigheid van het zijnde uitdrukt in zoover ze onverdeeld is, en meenden, dat dit ook het geval was met het ééne, wat het beginsel is 223van het getal. En omdat het getal uit eenheden bestaat, dachten ze, dat getallen de zelfstandigheid uitmaakten van alle dingen. Daarentegen meende Avicenna, dat het ééne wat het beginsel is van het getal, aan de zelfstandigheid van het zijnde iets toevoegt (anders toch was het getal, dat juist uit eenheden samengesteld is, geen soort van de hoegrootheid). Daarvan uitgaande, meende hij dat het ééne, wat omkeerbaar is met het zijnde, aan de zelfstandigheid van het zijnde iets toevoegt, zooals het witte iets toevoegt aan den mensch. Dit is echter klaarblijkelijk verkeerd, want elk ding is één door zijn zelfstandigheid, en als een ding door iets anders één was, dan zou dit andere ook één zijn, en als dàt ook door iets anders één was, zou men moeten opstijgen tot in het oneindige. Men moet bijgevolg aannemen, dat elk ding door zijn zelfstandigheid één is. We besluiten dus dat het ééne, dat omkeerbaar is met het zijnde, aan het zijnde geen nieuw ding toevoegt. Maar het ééne, dat het beginsel is van het getal, voegt aan het zijnde iets toe wat tot het geslacht van de hoegrootheid behoort.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Sommigen hebben gemeend, dat het éne, wat omkeerbaar is met het zijnde, hetzelfde is als het éne dat het beginsel is van het getal, maar zijn verder tot tegenstrijdige gevolgtrekkingen gekomen. Pythagoras en Plato immers merkten op, dat het éne, wat omkeerbaar is met het zijnde, aan het zijnde niets toevoegt, maar de zelfstandigheid van het zijnde uitdrukt in zover ze onverdeeld is, en meenden, dat dit ook het geval was met het éne, wat het beginsel is 223van het getal. En omdat het getal uit eenheden bestaat, dachten ze, dat getallen de zelfstandigheid uitmaakten van alle dingen. Daarentegen meende Avicenna, dat het éne wat het beginsel is van het getal, aan de zelfstandigheid van het zijnde iets toevoegt (anders toch was het getal, dat juist uit eenheden samengesteld is, geen soort van de hoegrootheid). Daarvan uitgaande, meende hij dat het éne, wat omkeerbaar is met het zijnde, aan de zelfstandigheid van het zijnde iets toevoegt, zoals het witte iets toevoegt aan de mens. Dit is echter klaarblijkelijk verkeerd, want elk ding is één door zijn zelfstandigheid, en als een ding door iets anders één was, dan zou dit andere ook één zijn, en als dàt ook door iets anders één was, zou men moeten opstijgen tot in het oneindige. Men moet bijgevolg aannemen, dat elk ding door zijn zelfstandigheid één is. We besluiten dus dat het éne, dat omkeerbaar is met het zijnde, aan het zijnde geen nieuw ding toevoegt. Maar het éne, dat het beginsel is van het getal, voegt aan het zijnde iets toe wat tot het geslacht van de hoegrootheid behoort.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod nihil prohibet id quod est uno modo divisum, esse alio modo indivisum; sicut quod est divisum numero, est indivisum secundum speciem : et sic contingit aliquid esse uno modo unum, alio 224modo multa. Sed tamen si sit indivisum simpliciter; vel quia est indivisum secundum id quod pertinet ad essentiam rei, licet sit divisum quantum ad ea quae sunt extra essentiam rei, sicut quod est unum subjecto et multa secundum accidentia; vel quia est indivisum in actu, et divisum in potentia, sicut quod est unum toto et multa secundum partes : hujusmodi erit unum simpliciter, et multa secundum quid. Si vero e converso aliquid sit indivisum secundum quid, et divisum simpliciter; utpote quia est divisum secundum essentiam, et indivisum secundum rationem, vel secundum principium sive causam : erit multa simpliciter, et unum secundum quid; sicut quae sunt multa numero et unum specie, vel unum principio. Sic igitur ens dividitur per unum et multa, quasi per unum simpliciter, et multa secundum quid. Nam et ipsa multa non continentur sub ente, nisi secundum quod aliquo modo continentur sub uno. Dicit enim Dionysius, ult. cap. de Div. Nom. [S. Th., l. 2], quod « non est multitudo non participans uno : sed quae 225sunt multa partibus, sunt unum toto; et quae sunt multa accidentibus, sunt unum subjecto; et quae sunt multa numero, sunt unum specie; et quae sunt multa specie sunt unum genere; et quae sunt multa processibus, sunt unum principio ».

2. Er is niets tegen, dat iets wat in één opzicht verdeeld is, in een ander opzicht onverdeeld zou zijn, gelijk iets wat numerisch verdeeld is, soortelijk onverdeeld kan zijn; en zoo 224gebeurt het, dat iets in een zeker opzicht één is, en in een ander opzicht veelvoudig. Iets kan ook volstrekt beschouwd één zijn, ófwel omdat het onverdeeld is naar datgene wat tot zijn wezenheid behoort, laat het dan ook verdeeld zijn naar die dingen, die buiten zijn wezenheid vallen: zoo kan iets één zijn door het subjekt, en veelvoudig door de bijkomstigheden; ófwel omdat het onverdeeld is metterdaad, maar verdeeld in aanleg, gelijk iets wat één is, als geheel, veelvoudig is door zijn deelen. In dit laatste geval zal het wezen, volstrekt genomen, één zijn, maar in een bepaald opzicht veelvoudig. Omgekeerd kan iets, volstrekt genomen, verdeeld zijn, en onverdeeld in een bepaald opzicht, zooals iets, wat naar zijn wezenheid verdeeld is, onverdeeld kan zijn naar het begrip of naar het beginsel of de oorzaak; zulk ding is, volstrekt genomen, veelvoudig, en in een bepaald opzicht één, gelijk het b. v. het geval is met de dingen die numerisch veelvoudig zijn en één naar de soort of naar het beginsel. Het zijnde wordt dus zóó onderscheiden door éénheid en veelheid, dat het, volstrekt genomen, door de eenheid verdeeld wordt, en in een zeker opzicht genomen, door de veelheid. Het vele zelf toch zou geen zijnde zijn, indien het niet op een of andere wijze tot het ééne herleid werd. Daarom zegt Dionysius t. a. pl., dat er 225geen veelheid is die aan de eenheid niet deelachtig is; wat immers veelvoudig is door zijn deelen, is één door zijn geheel; wat veelvoudig is door de bijkomstigheden, is één door het subjekt; wat numerisch veelvoudig is, is één door de soort; wat veelvoudig is door de soort, is één door het geslacht, en wat veelvoudig is in zijn uitgang, is één in zijn beginsel.2. Er is niets tegen, dat iets wat in één opzicht verdeeld is, in een ander opzicht onverdeeld zou zijn, gelijk iets wat numerisch verdeeld is, soortelijk onverdeeld kan zijn; en zo 224gebeurt het, dat iets in een zeker opzicht één is, en in een ander opzicht veelvoudig. Iets kan ook volstrekt beschouwd één zijn, ófwel omdat het onverdeeld is naar datgene wat tot zijn wezenheid behoort, laat het dan ook verdeeld zijn naar die dingen, die buiten zijn wezenheid vallen: zo kan iets één zijn door het subject, en veelvoudig door de bijkomstigheden; ófwel omdat het onverdeeld is metterdaad, maar verdeeld in aanleg, gelijk iets wat één is, als geheel, veelvoudig is door zijn delen. In dit laatste geval zal het wezen, volstrekt genomen, één zijn, maar in een bepaald opzicht veelvoudig. Omgekeerd kan iets, volstrekt genomen, verdeeld zijn, en onverdeeld in een bepaald opzicht, zoals iets, wat naar zijn wezenheid verdeeld is, onverdeeld kan zijn naar het begrip of naar het beginsel of de oorzaak; zulk ding is, volstrekt genomen, veelvoudig, en in een bepaald opzicht één, gelijk het bv. het geval is met de dingen die numerisch veelvoudig zijn en één naar de soort of naar het beginsel. Het zijnde wordt dus zó onderscheiden door éénheid en veelheid, dat het, volstrekt genomen, door de eenheid verdeeld wordt, en in een zeker opzicht genomen, door de veelheid. Het vele zelf toch zou geen zijnde zijn, indien het niet op een of andere wijze tot het éne herleid werd. Daarom zegt Dionysius t.a.p., dat er 225geen veelheid is die aan de eenheid niet deelachtig is; wat immers veelvoudig is door zijn delen, is één door zijn geheel; wat veelvoudig is door de bijkomstigheden, is één door het subject; wat numerisch veelvoudig is, is één door de soort; wat veelvoudig is door de soort, is één door het geslacht, en wat veelvoudig is in zijn uitgang, is één in zijn beginsel.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod ideo non est nugatio cum dicitur ens unum, quia unum addit aliquid secundum rationem supra ens.

3. Het is niet zonder zin, te spreken van een één zijnde, want het ééne voegt aan het zijnde iets toe naar het begrip.3. Het is niet zonder zin, te spreken van een één zijnde, want het éne voegt aan het zijnde iets toe naar het begrip.

Articulus II

Utrum unum et multa opponantur

[1 Sent., Dist. 24, q. 1, art. 3, ad 4; de Pot., q. 3, art. 16, ad 3; q. 9, art. 7, ad 14 sqq; 10 Metaph., l. 4.]
IIe Artikel

Zijn één en veel strijdig met elkander?

antwoord 1 ↓

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod unum et multa non opponantur. Nullum enim oppositum praedicatur de suo opposito. Sed omnis multitudo est quodammodo unum, ut ex dictis patet [art. praec.]. Ergo unum non opponitur multitudini.

Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat één en veel met elkander niet strijdig zijn. Wat immers met iets strijdig is, wordt er niet aan toegekend. Welnu, zooals uit het voorgaande blijkt (Ie Art.), is iedere veelheid op zekere wijze één. Eén en veel zijn dus onderling niet strijdig.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat één en veel met elkander niet strijdig zijn. Wat immers met iets strijdig is, wordt er niet aan toegekend. Welnu, zoals uit het voorgaande blijkt (1e Art.), is iedere veelheid op zekere wijze één. Eén en veel zijn dus onderling niet strijdig.

antwoord 2 ↓

2262. Praeterea, nullum oppositum constituitur ex suo opposito. Sed unum constituit multitudinem. Ergo non opponitur multitudini.

2262. Niets wat in strijd is met iets anders, wordt er door samengesteld. Maar het ééne stelt de veelheid samen, en is er dus niet mee in strijd.2262. Niets wat in strijd is met iets anders, wordt er door samengesteld. Maar het éne stelt de veelheid samen, en is er dus niet mee in strijd.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, uni unum est oppositum. Sed multo opponitur paucum. Ergo non opponitur ei unum.

3. Er is maar één ding, wat in verhouding van tegenstelling staat met iets anders. Welnu, met veel staat weinig in verhouding van tegenstelling. Dus staat het ééne er niet tegenover.3. Er is maar één ding, wat in verhouding van tegenstelling staat met iets anders. Welnu, met veel staat weinig in verhouding van tegenstelling. Dus staat het éne er niet tegenover.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, si unum opponitur multitudini, opponitur ei sicut indivisum diviso : et sic opponitur ei, ut privatio habitui. Hoc autem videtur inconveniens, quia sequeretur quod unum sit posterius multitudine, et definiatur per eam; cum tamen multitudo definiatur per unum. Unde erit circulus in definitione : quod est inconveniens. Non ergo unum et multa sunt opposita.

4. Staat het ééne tegenover de veelheid, dan staat het er tegenover, zooals het onverdeelde tegenover het verdeelde, en zoo is het er mee in strijd, gelijk het gemis in strijd is met de hebbelijkheid. Het levert echter bezwaar op, dat in dit geval het ééne pas na de veelheid zou komen en door de veelheid zou bepaald worden, terwijl toch omgekeerd de veelheid bepaald wordt door de eenheid. Zoo zouden we rondloopen in een cirkel, wat moet vermeden worden. Eén en veel zijn dus niet strijdig met elkaar.4. Staat het éne tegenover de veelheid, dan staat het er tegenover, zoals het onverdeelde tegenover het verdeelde, en zo is het er mee in strijd, gelijk het gemis in strijd is met de hebbelijkheid. Het levert echter bezwaar op, dat in dit geval het éne pas na de veelheid zou komen en door de veelheid zou bepaald worden, terwijl toch omgekeerd de veelheid bepaald wordt door de eenheid. Zo zouden we rondlopen in een cirkel, wat moet vermeden worden. Eén en veel zijn dus niet strijdig met elkaar.

Sed contra, quorum rationes sunt oppositae, ipsa sunt opposita. Sed ratio unius consistit in indivisibilitate : ratio vero multitudinis divisionem continet. Ergo unum et multa sunt opposita.

Daartegenover staat echter, dat als de begrippen van twee dingen tegengesteld zijn, die dingen dan ook tegengesteld zijn. Welnu, het begrip van het ééne bestaat in de onverdeelbaarheid, het begrip van het vele sluit de verdeeling in. Dus staan één en veel tot elkaar in verhouding van tegenstelling.Daartegenover staat echter, dat als de begrippen van twee dingen tegengesteld zijn, die dingen dan ook tegengesteld zijn. Welnu, het begrip van het éne bestaat in de onverdeelbaarheid, het begrip van het vele sluit de verdeling in. Dus staan één en veel tot elkaar in verhouding van tegenstelling.

227Respondeo dicendum quod unum opponitur multis, sed diversimode. Nam unum quod est principium numeri, opponitur multitudini quae est numerus, ut mensura mensurato : unum enim habet rationem primae mensurae, et numerus est multitudo mensurata per unum, ut patet ex 10. Metaph. [l. 9, c. 1 & 6]. Unum vero quod convertitur cum ente, opponitur multitudini per modum privationis, ut indivisum diviso.

227Leerstelling. — Het ééne staat tegenover het vele, maar niet altijd op dezelfde wijze. Tegenover het vele wat een getal is, staat het ééne wat het beginsel is van het getal, gelijk de maatstaf tegenover de maat staat. Het ééne toch is de eerste maatstaf, en het getal is een veelheid die door het ééne gemeten wordt, zooals uit het Xe Boek der Metaphysica blijkt (IXe B., Ie H., Nr 7, 9, 13; VIe H., Nr 8). Het ééne wat omkeerbaar is met het zijnde, staat tegenover de veelheid als een gemis, zooals het onverdeelde staat tegenover het verdeelde.227Leerstelling. — Het éne staat tegenover het vele, maar niet altijd op dezelfde wijze. Tegenover het vele wat een getal is, staat het éne wat het beginsel is van het getal, gelijk de maatstaf tegenover de maat staat. Het éne toch is de eerste maatstaf, en het getal is een veelheid die door het éne gemeten wordt, zoals uit het 10e Boek van de Metafysica blijkt (9e B., 1e H., Nr 7, 9, 13; 6e H., Nr 8). Het éne wat omkeerbaar is met het zijnde, staat tegenover de veelheid als een gemis, zoals het onverdeelde staat tegenover het verdeelde.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod nulla privatio tollit totaliter esse, quia privatio est negatio in subjecto, secundum Philosophum. Sed tamen omnis privatio tollit aliquod esse. Et ideo in ente, ratione suae communitatis, accidit quod privatio entis fundatur in ente : quod non accidit in privationibus formarum specialium, ut visus vel albedinis, vel alicujus hujusmodi. Et sicut est de ente, ita est de uno et bono, quae convertuntur cum ente : nam privatio boni fundatur in aliquo bono, et similiter remotio unitatis fundatur 228in aliquo uno. Et exinde contingit quod multitudo est quoddam unum, et malum est quoddam bonum, et non ens est quoddam ens. Non tamen oppositum praedicatur de opposito : quia alterum est simpliciter, et alterum secundum quid. Quod enim secundum quid est ens, ut in potentia, est non ens simpliciter, idest actu : vel quod est ens simpliciter in genere substantiae, est non ens secundum quid, quantum ad aliquod esse accidentale. Similiter ergo quod est bonum secundum quid, est malum simpliciter; vel e converso. Et similiter quod est unum simpliciter, est multa secundum quid; et e converso.

Antwoord op de bedenkingen. — 1. Geen enkel gemis doet ieder zijn missen, omdat het gemis de ontkenning is van iets in een subjekt, zooals de Wijsgeer zegt. Natuurlijk doet ieder gemis een zeker zijn missen, en daarom gebeurt het toevallig, dat bij een zijnde het gemis berust in het zijn; de reden daarvan is de algemeenheid van het zijnde, zoodat dit het geval niet is met het gemis van bizondere wezensvormen, zooals het gezicht, of de witheid, of iets dergelijks. En wat geldt voor het zijnde, geldt ook voor het ééne en voor het goede, die met het zijnde omkeerbaar zijn. Het gemis van een goed toch berust in een of ander goed, en het gemis van de eenheid, in een of andere eenheid. En zoo is de veelheid een zekere eenheid, en het kwaad een 228zeker goed, en het niet-zijnde een zeker zijnde. Dit is nochtans niet van twee tegenstrijdige dingen het eene toeschrijven aan het ander, want het eene wordt volstrekt beschouwd, en het ander in een bepaald opzicht. Wat immers in een zeker opzicht een zijnde is, omdat het in aanleg is, is geen zijnde in volstrekten zin, d. i. metterdaad; en wat in volstrekten zin een zijnde is in de orde der zelfstandigheid, kan een niet-zijnde zijn in een zeker opzicht, nl. met betrekking tot het bijkomstig zijn. Op gelijke wijze is iets wat in een bizonder opzicht goed is, volstrekt genomen, slecht, en omgekeerd; en is iets wat volstrekt genomen één is, in een bizonder opzicht veelvoudig, en omgekeerd.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Geen enkel gemis doet ieder zijn missen, omdat het gemis de ontkenning is van iets in een subject, zoals de Wijsgeer zegt. Natuurlijk doet ieder gemis een zeker zijn missen, en daarom gebeurt het toevallig, dat bij een zijnde het gemis berust in het zijn; de reden daarvan is de algemeenheid van het zijnde, zodat dit het geval niet is met het gemis van bizondere wezensvormen, zoals het gezicht, of de witheid, of iets dergelijks. En wat geldt voor het zijnde, geldt ook voor het éne en voor het goede, die met het zijnde omkeerbaar zijn. Het gemis van een goed toch berust in een of ander goed, en het gemis van de eenheid, in een of andere eenheid. En zo is de veelheid een zekere eenheid, en het kwaad een 228zeker goed, en het niet-zijnde een zeker zijnde. Dit is nochtans niet van twee tegenstrijdige dingen het ene toeschrijven aan het ander, want het ene wordt volstrekt beschouwd, en het ander in een bepaald opzicht. Wat immers in een zeker opzicht een zijnde is, omdat het in aanleg is, is geen zijnde in volstrekte zin, d.i. metterdaad; en wat in volstrekte zin een zijnde is in de orde van de zelfstandigheid, kan een niet-zijnde zijn in een zeker opzicht, nl. met betrekking tot het bijkomstig zijn. Op gelijke wijze is iets wat in een bizonder opzicht goed is, volstrekt genomen, slecht, en omgekeerd; en is iets wat volstrekt genomen één is, in een bizonder opzicht veelvoudig, en omgekeerd.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod duplex est totum : quoddam homogeneum, quod componitur ex similibus partibus; quoddam vero heterogeneum, quod ex dissimilibus partibus componitur. In quolibet autem toto homogeneo, totum constituitur ex partibus habentibus formam totius, sicut quaelibet pars aquae est aqua : et talis est constitutio continui ex suis partibus. In quolibet 229autem toto heterogeneo, quaelibet pars caret forma totius : nulla enim pars domus est domus, nec aliqua pars hominis est homo. Et tale totum est multitudo. Inquantum ergo pars ejus non habet formam multitudinis, componitur multitudo ex unitatibus, sicut domus ex non domibus : non quod unitates constituant multitudinem secundum id quod habent de ratione indivisionis, prout opponuntur multitudini; sed secundum hoc quod habent de entitate : sicut et partes domus constituunt domum per hoc quod sunt quaedam corpora, non per hoc quod sunt non domus.

2. Er is een dubbel geheel : een gelijksoortig geheel, dat bestaat uit deelen van denzelfden aard, en een ongelijksoortig geheel, dat bestaat uit deelen van verschillenden aard. In elk gelijksoortig geheel is het geheel samengesteld uit deelen die denzelfden vorm hebben als het geheel, gelijk elk deel van een watermassa water is, en op die wijze is een onafgebroken hoegrootheid uit haar deelen samengesteld. In een ongelijksoortig geheel daarentegen mist elk deel den vorm van het geheel : zoo is b. v. geen enkel deel van een huis, een huis, en is geen enkel deel van een mensch, mensch. Welnu, de veelheid is een ongelijksoortig 229geheel. Gelijk een huis samengesteld is uit dingen die elk op zich genomen geen huizen zijn, zoo is ook de veelheid samengesteld uit eenheden, aangezien elk deel van de veelheid den vorm der veelheid niet heeft. Dit mag men echter niet zóó opvatten, als maakten de eenheden de veelheid uit, in zoover ze onverdeeld zijn en aan de veelheid tegenovergesteld zijn; maar zóó, dat ze de veelheid uitmaken in zoover ze een zijnde zijn, zooals de deelen van een huis het huis niet samenstellen in zoover ze zelf geen huis zijn, maar wel in zoover ze iets lichamelijks zijn.2. Er is een dubbel geheel: een gelijksoortig geheel, dat bestaat uit delen van dezelfde aard, en een ongelijksoortig geheel, dat bestaat uit delen van verschillenden aard. In elk gelijksoortig geheel is het geheel samengesteld uit delen die dezelfde vorm hebben als het geheel, gelijk elk deel van een watermassa water is, en op die wijze is een onafgebroken hoegrootheid uit haar delen samengesteld. In een ongelijksoortig geheel daarentegen mist elk deel de vorm van het geheel: zo is bv. geen enkel deel van een huis, een huis, en is geen enkel deel van een mens, mens. Welnu, de veelheid is een ongelijksoortig 229geheel. Gelijk een huis samengesteld is uit dingen die elk op zich genomen geen huizen zijn, zo is ook de veelheid samengesteld uit eenheden, aangezien elk deel van de veelheid de vorm van de veelheid niet heeft. Dit mag men echter niet zó opvatten, als maakten de eenheden de veelheid uit, in zover ze onverdeeld zijn en aan de veelheid tegenovergesteld zijn; maar zó, dat ze de veelheid uitmaken in zover ze een zijnde zijn, zoals de delen van een huis het huis niet samenstellen in zover ze zelf geen huis zijn, maar wel in zover ze iets lichamelijks zijn.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod multum accipitur dupliciter. Uno modo absolute : et sic opponitur uni. Alio modo, secundum quod importat excessum quemdam: et sic opponitur pauco. Unde primo modo duo sunt multa; non autem secundo.

3. Het vele kan in een dubbel opzicht beschouwd worden: én op volstrekte wijze, en zoo wordt het aan het ééne tegenovergesteld, én in zoover er een zeker teveel in ligt, en zoo staat het tegenover het weinige. Op die wijze is twee « veel », wanneer men het vele op de eerste, maar niet wanneer men het op de tweede wijze beschouwt.3. Het vele kan in een dubbel opzicht beschouwd worden: én op volstrekte wijze, en zo wordt het aan het éne tegenovergesteld, én in zover er een zeker teveel in ligt, en zo staat het tegenover het weinige. Op die wijze is twee “veel”, wanneer men het vele op de eerste, maar niet wanneer men het op de tweede wijze beschouwt.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod unum opponitur privative multis, inquantum in ratione multorum est, quod sint divisa. Unde oportet quod divisio sit 230prius unitate non simpliciter, sed secundum rationem nostrae apprehensionis. Apprehendimus enim simplicia per composita : unde definimus punctum, cujus pars non est, vel principium lineae. Sed multitudo, etiam secundum rationem, consequenter se habet ad unum : quia divisa non intelligimus habere rationem multitudinis, nisi per hoc quod unicuique divisorum attribuimus unitatem. Unde unum ponitur in definitione multitudinis, non autem multitudo in definitione unius. Sed divisio cadit in intellectu ex ipsa negatione entis. Ita quod primo cadit in intellectu ens; secundo, quod hoc ens non est illud ens, et sic secundo apprehendimus divisionem; tertio unum; quarto multitudinem.

4. Het ééne wordt tegenover het vele gesteld bij wijze van een gemis, omdat het tot het begrip van vele behoort, dat het verdeeld is. Daarom gaat de verdeeling aan de eenheid vooraf, niet volstrekt, maar gelet op de wijze waarop wij ons de dingen voorstellen. De enkelvoudige dingen toch stellen wij ons voor door middel van de samengestelde. Daarom bepalen wij ook het punt als iets 230wat geen deelen heeft, of als het beginsel van de lijn. Integendeel komt de veelheid na het ééne, óók gelet op de wijze waarop wij ons de dingen voorstellen : dat de verdeelde wezens een veelheid uitmaken, stellen we ons immers alleen voor door aan elk van de deelen de eenheid toe te kennen. Daarom bepalen we de veelheid door de eenheid, maar niet de eenheid door veelheid. De verdeeldheid echter stellen wij ons voor door het zijnde; daarna zien we in, dat dít zijnde dàt zijnde niet is, en zoo vatten we de verdeeldheid op; ten derde vatten we het ééne op, en ten vierde, de veelheid.4. Het éne wordt tegenover het vele gesteld bij wijze van een gemis, omdat het tot het begrip van vele behoort, dat het verdeeld is. Daarom gaat de verdeling aan de eenheid vooraf, niet volstrekt, maar gelet op de wijze waarop wij ons de dingen voorstellen. De enkelvoudige dingen toch stellen wij ons voor door middel van de samengestelde. Daarom bepalen wij ook het punt als iets 230wat geen delen heeft, of als het beginsel van de lijn. Integendeel komt de veelheid na het éne, óók gelet op de wijze waarop wij ons de dingen voorstellen: dat de verdeelde wezens een veelheid uitmaken, stellen we ons immers alleen voor door aan elk van de delen de eenheid toe te kennen. Daarom bepalen we de veelheid door de eenheid, maar niet de eenheid door veelheid. De verdeeldheid echter stellen wij ons voor door het zijnde; daarna zien we in, dat dít zijnde dàt zijnde niet is, en zo vatten we de verdeeldheid op; ten derde vatten we het éne op, en ten vierde, de veelheid.

Articulus III

Utrum Deus sit unus

[Infra, q. 103, art. 3; 1 Sent., Dist. 2, art. 1; 2 Sent., 2, Dist. 1, q. 1, art. 1; 1 Cont. Gent., cap. 42; de Pot., q. 3, art. 6; Comp. Theol., cap. 15; 12 Metaphys., lect. 12.]
IIIe Artikel

Is God één?

antwoord 1 ↓

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod Deus non sit unus. Dicitur enim 1. ad Corinth. 8 [v. 5] : « Siquidem sunt dii multi et domini multi. »

Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God niet één is. In den eersten Corinthiërbrief (8. 5), wordt immers gezegd : « Zoo zijn er vele goden en vele heerschers ».Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God niet één is. In de eerste Korintiërbrief (8, 5), wordt immers gezegd: “Zo zijn er vele goden en vele heersers”.

antwoord 2 ↓

2312. Praeterea, unum quod est principium numeri, non potest praedicari de Deo, cum nulla quantitas de Deo praedicetur. Similiter nec unum quod convertitur cum ente : quia importat privationem, et omnis privatio imperfectionem, quae Deo non competit. Non est igitur dicendum quod Deus sit unus.

2312. Het ééne wat het beginsel is van het getal, kan aan God niet toegeschreven worden, daar geen enkele hoegrootheid van God zegbaar is. Maar ook het ééne, wat met het zijnde omkeerbaar is, kan niet aan God worden toegeschreven, want het sluit een gemis in, en ieder gemis is een onvolmaaktheid, en de onvolmaaktheid komt aan God niet toe. God mag dus niet één genoemd worden.2312. Het éne wat het beginsel is van het getal, kan aan God niet toegeschreven worden, daar geen enkele hoegrootheid van God zegbaar is. Maar ook het éne, wat met het zijnde omkeerbaar is, kan niet aan God worden toegeschreven, want het sluit een gemis in, en ieder gemis is een onvolmaaktheid, en de onvolmaaktheid komt aan God niet toe. God mag dus niet één genoemd worden.

Sed contra est quod dicitur Deut. 6 [v. 4]: « Audi, Israel, Dominus Deus tuus unus est. »

Daartegenover staat echter wat in het Deuteronomium gezegd wordt (6, 4) : « Luister, Israël, de Heer uw God is één ».Daartegenover staat echter wat in het Deuteronomium gezegd wordt (6, 4): “Luister, Israël, de Heer uw God is één”.

Respondeo dicendum quod Deum esse unum, ex tribus demonstratur. Primo quidem ex ejus simplicitate. Manifestum est enim quod id unde aliquid singulare est hoc aliquid, nullo modo est multis communicabile. Illud enim unde Socrates est homo, multis communicari potest : sed id unde est hic homo, non potest communicari nisi uni tantum. Si igitur Socrates per id 232esse homo per quod est hic homo, sicut non possunt esse plures Socrates. ita non possent esse plures homines. Hoc autem convenit Deo : nam ipse Deus est sua natura, ut supra ostensum est [q. 3, art. 3]. Secundum igitur idem est Deus, et hic Deus. Impossibile est igitur plures esse Deos.

Leerstelling. — Dat God één is, wordt op drie wijzen bewezen : Ten eerste, door zijn enkelvoudigheid. Het is immers duidelijk, dat datgene waardoor een bepaald wezen juist dít bepaald wezen is, op geen enkele wijze aan meerdere dingen kan medegedeeld worden. Kan van den eenen kant datgene waardoor Sokrates een mensch is, aan velen worden meegedeeld, dan kan daarentegen datgene waardoor hij díe mensch is, maar aan één enkelen worden medegedeeld. En wanneer nu Sokrates mensch was door datgene waardoor hij díe mensch is, dan zou er maar één mensch kunnen zijn, zooals er ook maar één Sokrates kan zijn. Maar dit 232is juist het geval met God. God is immers zijn natuur zelf, zooals we hierboven bewezen hebben (IIIe Kw., 3e Art.). Hij is dus God door hetzelfde waardoor Hij díe God is, en daarom is het onmogelijk, dat er meerdere goden zouden zijn.Leerstelling. — Dat God één is, wordt op drie wijzen bewezen: Ten eerste, door zijn enkelvoudigheid. Het is immers duidelijk, dat datgene waardoor een bepaald wezen juist dít bepaald wezen is, op geen enkele wijze aan meerdere dingen kan medegedeeld worden. Kan van de ene kant datgene waardoor Socrates een mens is, aan velen worden meegedeeld, dan kan daarentegen datgene waardoor hij díe mens is, maar aan één enkelen worden medegedeeld. En wanneer nu Socrates mens was door datgene waardoor hij díe mens is, dan zou er maar één mens kunnen zijn, zoals er ook maar één Socrates kan zijn. Maar dit 232is juist het geval met God. God is immers zijn natuur zelf, zoals we hierboven bewezen hebben (3e Kw., 3e Art.). Hij is dus God door hetzelfde waardoor Hij díe God is, en daarom is het onmogelijk, dat er meerdere goden zouden zijn.

Secundo vero, ex infinitate ejus perfectionis. Ostensum est enim supra [q. 4, art 2] quod Deus comprehendit in se totam perfectionem essendi. Si ergo essent plures dii, oporteret eos differre. Aliquid ergo conveniret uni, quod non conveniret alteri. Et si hoc esset, privatio ei inesset, et non esset simpliciter perfectus. Impossibile est igitur esse plures Deos. Unde et antiqui philosophi, quasi ab ipsa veritate coacti, ponentes principium infinitum, posuerunt unum tantum principium.

Ten tweede blijkt dit uit zijn oneindige volmaaktheid. We hebben immers hierboven bewezen (IVe Kw., 2e Art.), dat God elke volmaaktheid van het zijn bezit. Wanneer er nu meerdere Goden waren, dan moesten ze van elkander verschillen, en zou er aan een onder hen iets eigen zijn, dat een ander niet heeft. Was dit een gemis, dan zou de eerste niet volstrekt volmaakt zijn; was het integendeel een volmaaktheid, dan kwam die den tweede niet toe. Er kunnen dus onmogelijk meerdere goden zijn. Geen wonder dan ook, dat de oude Wijsgeeren, die een oneindig beginsel aannamen, ook aangenomen hebben, door de waarheid als het ware gedwongen, dat dit beginsel één was.Ten tweede blijkt dit uit zijn oneindige volmaaktheid. We hebben immers hierboven bewezen (4e Kw., 2e Art.), dat God elke volmaaktheid van het zijn bezit. Wanneer er nu meerdere Goden waren, dan moesten ze van elkander verschillen, en zou er aan een onder hen iets eigen zijn, dat een ander niet heeft. Was dit een gemis, dan zou de eerste niet volstrekt volmaakt zijn; was het integendeel een volmaaktheid, dan kwam die de tweede niet toe. Er kunnen dus onmogelijk meerdere goden zijn. Geen wonder dan ook, dat de oude Wijsgeren, die een oneindig beginsel aannamen, ook aangenomen hebben, door de waarheid als het ware gedwongen, dat dit beginsel één was.

Tertio ab unitate mundi. Omnia enim quae sunt, inveniuntur esse ordinata ad invicem, dum quaedam quibusdam deserviunt. Quae autem diversa sunt, in unum ordinem non convenirent, nisi ab aliquo uno ordinarentur. Melius 233enim multa reducuntur in unum ordinem per unum, quam per multa : quia per se unius unum est causa, et multa non sunt causa unius nisi per accidens, inquantum scilicet sunt aliquo modo unum. Cum igitur id quod est primum, sit perfectissimum et per se, non per accidens, oportet quod primum reducens omnia in unum ordinem sit unum tantum. Et hoc est Deus.

Ten derde blijkt dit uit de éénheid van de wereld. We nemen immers waar, dat al de bestaande dingen op elkander berekend zijn, en dat sommige aan andere dienstbaar zijn. Maar wat onderscheiden is, wordt niet in één orde samengebracht, tenzij door een ordenend beginsel. Welnu, van elkaar verschillende dingen worden beter in één orde samengebracht door een enkel 233ordenend beginsel dan door meerdere. Het ééne toch brengt de eenheid uiteraard voort, terwijl meerdere dingen alleen bij toeval de eenheid voortbrengen, in zoover ze nl. in een zeker opzicht één zijn. Aangezien nu het eerste ook het meest volmaakte is, en aangezien het uiteraard is, en niet toevallig, daarom moet datgene wat alles tot één orde herleidt, één zijn, en dit wezen noemen we God.Ten derde blijkt dit uit de éénheid van de wereld. We nemen immers waar, dat al de bestaande dingen op elkander berekend zijn, en dat sommige aan andere dienstbaar zijn. Maar wat onderscheiden is, wordt niet in één orde samengebracht, tenzij door een ordenend beginsel. Welnu, van elkaar verschillende dingen worden beter in één orde samengebracht door een enkel 233ordenend beginsel dan door meerdere. Het éne toch brengt de eenheid uiteraard voort, terwijl meerdere dingen alleen bij toeval de eenheid voortbrengen, in zover ze nl. in een zeker opzicht één zijn. Aangezien nu het eerste ook het meest volmaakte is, en aangezien het uiteraard is, en niet toevallig, daarom moet datgene wat alles tot één orde herleidt, één zijn, en dit wezen noemen we God.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod dicuntur dii multi secundum errorem quorumdam qui multos deos colebant, existimantes planetas et alias stellas esse deos, vel etiam singulas partes mundi. Unde subdit [v. 6] : « Nobis autem unus Deus, etc. »

Antwoord op de bedenkingen. — 1. Van meerdere goden wordt hier gesproken, om de verkeerde meening weer te geven van diegenen die in den waan verkeerden, dat de planeten en de andere sterren, of andere werelddeelen, goden waren, en dan ook verschillende goden vereerden. Daarom wordt aan de aangehaalde woorden toegevoegd : « Wij echter kennen maar één God ».Antwoord op de bedenkingen. — 1. Van meerdere goden wordt hier gesproken, om de verkeerde mening weer te geven van diegenen die in de waan verkeerden, dat de planeten en de andere sterren, of andere werelddelen, goden waren, en dan ook verschillende goden vereerden. Daarom wordt aan de aangehaalde woorden toegevoegd: “Wij echter kennen maar één God”.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod unum secundum quod est principium numeri, non praedicatur de Deo; sed solummodo de his quae habent esse in materia. Unum enim quod est principium numeri, est de genere mathematicorum; quae habent esse in materia, sed sunt secundum rationem a materia 234abstracta. Unum vero quod convertitur cum ente, est quoddam metaphysicum, quod secundum esse non dependet a materia. Et licet in Deo non sit aliqua privatio, tamen, secundum modum apprehensionis nostrae, non cognoscitur a nobis nisi per modum privationis et remotionis. Et sic nihil prohibet aliqua privative dicta de Deo praedicari, sicut quod est incorporeus, infinitus. Et similiter de Deo dicitur quod sit unus.

2. Het ééne dat het beginsel is van het getal, wordt aan God niet toegekend, maar alleen aan de wezens die in iets stoffelijks bestaan. Dit ééne behoort immers tot de wiskundige wezens, en die zijn iets stoffelijks, maar worden door ons beschouwd als van de materie afgescheiden. Het ééne integendeel dat met het zijnde omkeerbaar is, is een metaphysische grootheid, die naar haar 234wezen niet afhangt van de stof. En hoewel er in God geen privatie is, toch brengt de wijze waarop wij Hem ons voorstellen mee, dat wij Hem slechts kennen door een methode van ontkenning en verwijdering. Er is dus geen bezwaar bij, dat sommige privaties aan God worden toegeschreven, b. v. dat hij onlichamelijk of oneindig is. En op dergelijke wijze zeggen we van God dat Hij één is.2. Het éne dat het beginsel is van het getal, wordt aan God niet toegekend, maar alleen aan de wezens die in iets stoffelijks bestaan. Dit één behoort immers tot de wiskundige wezens, en die zijn iets stoffelijks, maar worden door ons beschouwd als van de materie afgescheiden. Het éne integendeel dat met het zijnde omkeerbaar is, is een metafysische grootheid, die naar haar 234wezen niet afhangt van de stof. En hoewel er in God geen privatie is, toch brengt de wijze waarop wij Hem ons voorstellen mee, dat wij Hem slechts kennen door een methode van ontkenning en verwijdering. Er is dus geen bezwaar bij, dat sommige privaties aan God worden toegeschreven, bv. dat hij onlichamelijk of oneindig is. En op dergelijke wijze zeggen we van God dat Hij één is.

Articulus IV

Utrum Deus sit maxime unus

[1 Sent., Dist. 24, q. 1, art. 1; De Div. Nom., cap. 13, lect. 3.]
IVe Artikel

Is God het meest één van alles?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod Deus non sit maxime unus. Unum enim dicitur secundum privationem divisionis. Sed privatio non recipit magis et minus. Ergo Deus non dicitur magis unus quam alia quae sunt unum.

Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God niet het meest één is van alles. Men noemt iets één in zoover het iedere verdeeling mist. Welnu, voor het gemis bestaat er geen meerdere of mindere graad. Dus wordt God niet met meer recht één genoemd dan de andere wezens die één zijn.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God niet het meest één is van alles. Men noemt iets één in zover het iedere verdeling mist. Welnu, voor het gemis bestaat er geen meerdere of mindere graad. Dus wordt God niet met meer recht één genoemd dan de andere wezens die één zijn.

antwoord 2 ↓

2352. Praeterea, nihil videtur esse magis indivisibile quam id quod est indivisibile actu et potentia, cujusmodi est punctus et unitas. Sed intantum dicitur aliquid magis unum, inquantum est indivisibile. Ergo Deus non est magis unum quam unitas et punctus.

2352. Niets is meer onverdeelbaar dan iets wat én metterdaad, én naar zijn aanleg onverdeelbaar is, gelijk het punt en de eenheid. Welnu, iets wordt één genoemd, in zoover het onverdeelbaar is. Dus is God niet met meer recht één dan de eenheid of het punt.2352. Niets is meer onverdeelbaar dan iets wat én metterdaad, én naar zijn aanleg onverdeelbaar is, gelijk het punt en de eenheid. Welnu, iets wordt één genoemd, in zover het onverdeelbaar is. Dus is God niet met meer recht één dan de eenheid of het punt.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, quod est per essentiam bonum, est maxime bonum : ergo quod est per essentiam suam unum, est maxime unum. Sed omne ens est unum per suam essentiam, ut patet per Philosophum in 4. Metaph. [L. 3, c. 2]. Ergo omne ens est maxime unum. Deus igitur non est magis unum quam alia entia.

3. Wat door zijn wezenheid goed is, is goed in de hoogste mate. Wat door zijn wezenheid één is, is bijgevolg ook één in de hoogste mate. Welnu, zooals blijkt uit het IVe Boek der Metaphysica (IIIe B., IIe H., Nr 5), is ieder zijnde één door zijn wezenheid. Dus is ieder wezen in de hoogste mate één, en is God niet met meer recht één dan de andere wezens.3. Wat door zijn wezenheid goed is, is goed in de hoogste mate. Wat door zijn wezenheid één is, is bijgevolg ook één in de hoogste mate. Welnu, zoals blijkt uit het 4e Boek van de Metafysica (3e B., 2e H., Nr 5), is ieder zijnde één door zijn wezenheid. Dus is ieder wezen in de hoogste mate één, en is God niet met meer recht één dan de andere wezens.

Sed contra est quod dicit Bernardus [lib. 5. de Consid., cap. 8] quod « inter omnia quae unum dicuntur, arcem tenet unitas divinae Trinitatis ».

Daartegenover staat echter wat Bernardus zegt in zijn werk Over de Overweging (Ve B., VIIIe H.), dat nl. de eenheid der goddelijke Drievuldigheid de hoogste plaats bekleedt onder al de dingen die één zijn.Daartegenover staat echter wat Bernardus zegt in zijn werk Over de Overweging (5e B., 8e H.), dat nl. de eenheid van de goddelijke Drievuldigheid de hoogste plaats bekleedt onder al de dingen die één zijn.

Respondeo dicendum quod, cum unum sit ens indivisum, ad hoc quod aliquid sit maxime unum, oportet quod sit et maxime ens et maxime 236indivisum. Utrumque autem competit Deo. Est enim maxime ens, inquantum est non habens aliquod esse determinatum per aliquam naturam cui adveniat, sed est ipsum esse subsistens, omnibus modis indeterminatum. Est etiam maxime indivisum, inquantum neque dividitur actu neque potentia secundum quemcumque modum divisionis, cum sit omnibus modis simplex, ut supra ostensum est [q. 3, art. 7]. Unde manifestum est quod Deus est maxime unus.

Leerstelling. — Aangezien het ééne een onverdeeld zijnde is, moet iets, om in de hoogste mate één te zijn, in de hoogste mate een zijnde zijn, en in de hoogste mate onverdeeld. Welnu, het een zoowel als het ander komt toe aan God : Hij is immers in de 236hoogste mate een zijnde, daar Hij geen zijn heeft dat beperkt wordt door een of andere natuur waar het zijn aan toegevoegd wordt, maar het op zichzelf staande zijn is, op geen enkele wijze beperkt. Hij is ook in de hoogste mate onverdeeld, en dit met het oog op welke verdeeling dan ook. Zooals we immers hierboven bewezen hebben (IIIe Kw., 7e Art.), is Hij in elk opzicht enkelvoudig. Zoo is het duidelijk, dat God in de hoogste mate één is.Leerstelling. — Aangezien het éne een onverdeeld zijnde is, moet iets, om in de hoogste mate één te zijn, in de hoogste mate een zijnde zijn, en in de hoogste mate onverdeeld. Welnu, het een zowel als het ander komt toe aan God: Hij is immers in de 236hoogste mate een zijnde, daar Hij geen zijn heeft dat beperkt wordt door een of andere natuur waar het zijn aan toegevoegd wordt, maar het op zichzelf staande zijn is, op geen enkele wijze beperkt. Hij is ook in de hoogste mate onverdeeld, en dit met het oog op welke verdeling dan ook. Zoals we immers hierboven bewezen hebben (3e Kw., 7e Art.), is Hij in elk opzicht enkelvoudig. Zo is het duidelijk, dat God in de hoogste mate één is.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod, licet privatio secundum se non recipiat magis et minus, tamen secundum quod ejus oppositum recipit magis et minus, etiam ipsa privativa dicuntur secundum magis et minus. Secundum igitur quod aliquid est magis divisum vel divisibile, vel minus, vel nullo modo, secundum hoc aliquid dicitur magis et minus, vel maxime unum.

Antwoord op de bedenkingen. — 1. Hoewel het missen van iets op zichzelf niet vatbaar is voor een meerderen of minderen graad, toch wordt met betrekking tot het gemis van meerdere of mindere mate besproken, naar den meerderen of minderen graad van datgene wat er aan tegenovergesteld is. Iets wordt dan meer of minder één genoemd, of het meest ééne van al, naarmate het meer of minder verdeeld of verdeelbaar is, of in het geheel niet verdeeld kan worden.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Hoewel het missen van iets op zichzelf niet vatbaar is voor een meerderen of minderen graad, toch wordt met betrekking tot het gemis van meerdere of mindere mate besproken, naar de meerderen of minderen graad van datgene wat er aan tegenovergesteld is. Iets wordt dan meer of minder één genoemd, of het meest één van al, naarmate het meer of minder verdeeld of verdeelbaar is, of in het geheel niet verdeeld kan worden.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod punctus et unitas quae est principium numeri, non sunt maxime entia, cum non habeant esse nisi in subjecto aliquo. 237Unde neutrum eorum est maxime unum. Sicut enim subjectum non est maxime unum, propter diversitatem accidentis et subjecti, ita nec accidens.

2. Noch het punt, noch de eenheid die het beginsel is van het getal, zijn in de hoogste mate een zijnde, daar ze alleen in een subjekt bestaan. Daarom is geen van beide in de hoogste mate 237één. Want gelijk een subjekt niet in de hoogste mate één is, ter oorzake van het onderscheid tusschen het subjekt en de bijkomstigheid [De vertaling van «ita nec accidens» ontbreekt in de uitgave.] niet in de hoogste mate één.2. Noch het punt, noch de eenheid die het beginsel is van het getal, zijn in de hoogste mate een zijnde, daar ze alleen in een subject bestaan. Daarom is geen van beide in de hoogste mate 237één. Want gelijk een subject niet in de hoogste mate één is, ter oorzake van het onderscheid tussen het subject en de bijkomstigheid [De vertaling van “ita nec accidens” ontbreekt in de uitgave.] niet in de hoogste mate één.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod, licet omne ens sit unum per suam substantiam, non tamen aequaliter se habet substantia cujuslibet ad unitatem, quia substantia quorumdam est ex multis composita, quorumdam vero non.

3. Al is elk zijnde één door zijn zelfstandigheid, toch mogen niet alle zelfstandigheden op één lijn gesteld worden, voor zoover het 't voortbrengen van de éenheid betreft, want sommige zelfstandigheden zijn uit verschillende deelen samengesteld, andere daarentegen niet.3. Al is elk zijnde één door zijn zelfstandigheid, toch mogen niet alle zelfstandigheden op één lijn gesteld worden, voor zover het 't voortbrengen van de éenheid betreft, want sommige zelfstandigheden zijn uit verschillende delen samengesteld, andere daarentegen niet.