Theologische Summa · Prima Pars · De wil van GodSumma · I · De wil van GodSumma · I · Kw. 20Kw. 20
Quaestio XX

De amore Dei

Kwestie 20

Over de liefde van God

(Vier artikelen)

572Deinde considerandum est de his, quae absolute ad voluntatem Dei pertinent. In parte autem appetitiva inveniuntur in nobis et passiones animae, ut gaudium, amor, et hujusmodi; et habitus moralium virtutem, ut justitia, fortitudo, et hujusmodi. Unde primo considerabimus de amore Dei; secundo de justitia Dei, et misericordia ejus.

572Nu beschouwen we wat op volstrekte wijze tot Gods wil behoort. En daar er bij ons in het streefvermogen hartstochten zijn, zooals vreugde, liefde, en dergelijke, en zedelijke deugden, zooals de rechtvaardigheid, de sterkte, en dergelijke, handelen we eerst over de liefde van God, en daarna over zijn rechtvaardigheid en zijn barmhartigheid.572Nu beschouwen we wat op volstrekte wijze tot Gods wil behoort. En daar er bij ons in het streefvermogen hartstochten zijn, zoals vreugde, liefde, en dergelijke, en zedelijke deugden, zoals de rechtvaardigheid, de sterkte, en dergelijke, handelen we eerst over de liefde van God, en daarna over zijn rechtvaardigheid en zijn barmhartigheid.

Circa primum quaeruntur quatuor : 1. Utrum in Deo sit amor. — 2. Utrum amet omnia. — 3. Utrum magis amet unum, quam aliud. — 4. Utrum meliora magis amet.

Over de liefde stellen we vier vragen : 1) Is er liefde in God ? 2) Bemint God alles ? 3) Bemint God het een meer dan het ander ? 4) Draagt God het beste steeds de grootste liefde toe?Over de liefde stellen we vier vragen: 1. Is er liefde in God? 2. Bemint God alles? 3. Bemint God het een meer dan het ander? 4. Draagt God het beste steeds de grootste liefde toe?

Articulus I

Utrum amor sit in Deo

[Infr., q. 82, art. 5. ad 1. et 3. Dist 32, art. 1. ad 1. et lib. 1. Contr. g., cap. 89, 90, 91 et 96. et lib. 4, cap. 19.]
Ie Artikel

Is er Liefde in God?

antwoord 1 ↓

573Ad primum sic proceditur. Videtur, quod amor non sit in Deo. Nulla enim passio est in Deo; sed amor est passio; ergo amor non est in Deo.

573Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat er geen liefde is in God. In God zijn er immers geen hartstochten. Welnu de liefde is een hartstocht. Dus er is geen liefde in God.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, amor, ira, tristitia, et hujusmodi contra se dividuntur : sed tristitia et ira non dicuntur de Deo, nisi metaphorice; ergo nec amor.

2. Liefde, gramschap en droefheid zijn verschillende leden van eenzelfde verdeeling. Welnu, droefheid en gramschap worden aan God slechts op figuurlijke wijze toegeschreven. Dus ook de liefde.2. Liefde, gramschap en droefheid zijn verschillende leden van eenzelfde verdeling. Welnu, droefheid en gramschap worden aan God slechts op figuurlijke wijze toegeschreven. Dus ook de liefde.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Dionysius dicit 4. cap. de Div. Nom : « Amor est vis unitiva, et concretiva » : hoc autem in Deo locum habere non potest. cum sit simplex; ergo in Deo non est amor.

3. « De liefde, zegt Dionysius in zijn Boek Over de Goddelijke Namen (IVe H.), vereenigt en verbindt. » Maar dat kan in God niet gebeuren, daar Hij enkelvoudig is. Bijgevolg is er in God geen liefde.3. “De liefde, zegt Dionysius in zijn Boek Over de Goddelijke Namen (4e H.), verenigt en verbindt.” Maar dat kan in God niet gebeuren, daar Hij enkelvoudig is. Bijgevolg is er in God geen liefde.

Sed contra est, quod dicitur prima Joan. 4 [v. 16] : « Deus caritas est ».

Daartegenover staat echter, dat Johannes zegt: « God is liefde » (1e Johannesbrief, 4,16).Daartegenover staat echter, dat Johannes zegt: “God is liefde” (1e Johannesbrief, 4,16).

574Respondeo dicendum, quod necesse est ponere amorem in Deo. Primus enim motus voluntatis et cujuslibet appetitivae virtutis est amor. Cum enim actus voluntatis et cujuslibet appetitivae virtutis tendat in bonum et malum, sicut in propria objecta, bonum autem principalius, et per se est objectum voluntatis et appetitus, malum autem secundario, et per aliud, inquantum scilicet opponitur bono, oportet naturaliter esse priores actus voluntatis, et appetitus, qui respiciunt bonum, his qui respiciunt malum, ut gaudium, quam tristitia, et amor, quam odium. Semper enim quod est per se, prius est eo, quod est per aliud.

574Leerstelling. — We moeten aan God liefde toekennen. De liefde immers is de eerste beweging van den wil en van elk streefvermogen, want de wilsakt en de akt van elk streefvermogen streeft naar het goed en naar het kwaad, als naar zijn eigen voorwerp: naar het goed, in de voornaamste plaats en uiteraard, naar het kwaad, op bijkomstige wijze en om iets anders, in zoover het nl. tegengesteld is aan een goed. Natuurlijk moeten de wilsakten en de akten van het streefvermogen waardoor naar het goed wordt gestreefd, die akten voorafgaan, waardoor naar het kwaad wordt gestreefd, zooals de vreugde vóór het leed komt, en de liefde vóór den haat, want alles wat van nature zóó is, komt vóór datgene wat slechts door een ander zóó is.574Leerstelling. — We moeten aan God liefde toekennen. De liefde immers is de eerste beweging van de wil en van elk streefvermogen, want de wilsact en de act van elk streefvermogen streeft naar het goed en naar het kwaad, als naar zijn eigen voorwerp: naar het goed, in de voornaamste plaats en uiteraard, naar het kwaad, op bijkomstige wijze en om iets anders, in zover het nl. tegengesteld is aan een goed. Natuurlijk moeten de wilsacten en de acten van het streefvermogen waardoor naar het goed wordt gestreefd, die acten voorafgaan, waardoor naar het kwaad wordt gestreefd, zoals de vreugde vóór het leed komt, en de liefde vóór de haat, want alles wat van nature zó is, komt vóór datgene wat slechts door een ander zó is.

Rursus, quod est communius, naturaliter est prius. Unde et intellectus per prius habet ordinem ad verum commune, quam ad particularia quaedam vera. Sunt autem quidam actus voluntatis et appetitus respicientes bonum sub aliqua speciali conditione : sicut gaudium, et delectatio est de bono praesenti, et habito; desiderium autem, et spes de bono nondum adepto. Amor autem respicit bonum in communi, sive habitum, sive non habitum : unde amor naturaliter est primus actus voluntatis, et appetitus.

Daarenboven gaat het meest algemeene van nature vooraf : het verstand kent eerst het algemeene, en pas daarna zekere ware dingen in het bizonder. Welnu, ook sommige akten van den wil en van het zinnelijk streefvermogen zijn op het goede gericht in een of ander bizonder opzicht, zooals vreugde en genot gericht zijn op het tegenwoordig en reeds bereikte goed, verlangen en hoop daarentegen op het nog onbereikte; de liefde echter streeft naar het goed in 't algemeen, of het al dan niet bereikt is, en 575daarom is de liefde de eerste akt van den wil en van het zinnelijk streefvermogen.Daarenboven gaat het meest algemene van nature vooraf: het verstand kent eerst het algemene, en pas daarna zekere ware dingen in het bizonder. Welnu, ook sommige acten van de wil en van het zinnelijk streefvermogen zijn op het goede gericht in een of ander bizonder opzicht, zoals vreugde en genot gericht zijn op het tegenwoordig en reeds bereikte goed, verlangen en hoop daarentegen op het nog onbereikte; de liefde echter streeft naar het goed in 't algemeen, of het al dan niet bereikt is, en 575daarom is de liefde de eerste act van de wil en van het zinnelijk streefvermogen.

575Et propter hoc omnes alii motus appetitivi praesupponunt amorem, quasi primam radicem. Nullus enim desiderat aliquid, nisi bonum amatum ; neque aliquis gaudet, nisi de bono amato. Odium etiam non est, nisi de eo quod contrariatur rei amatae. Et similiter tristitiam, et caetera hujusmodi manifestum est in amorem referri, sicut in primum principium; unde in quocumque est voluntas, vel appetitus, oportet esse amorem. Remoto enim primo, removentur alia. Ostensum est autem [q. 19. art. 1.] in Deo esse voluntatem; unde necesse est in eo ponere amorem.

Daarom veronderstellen al de andere akten van het streefvermogen de liefde als hun oorsprong: niemand toch begeert iets, tenzij een goed dat hij bemint, en niemand verheugt zich om iets, tenzij om een goed, dat hij bemint; haat vat men slechts op voor iets wat aan het beminde is tegengesteld, terwijl het duidelijk is, dat droefheid en dergelijke hartstochten tot de liefde moeten herleid worden, als tot hun eerste beginsel. Bijgevolg moet er in al wie een wil heeft of een zinnelijk streefvermogen, liefde zijn, en indien het eerste er niet is, dan ontbreekt ook het andere. Wanneer immers datgene ontbreekt, wat het andere moet voorafgaan, dan ontbreekt ook het andere. Welnu, vroeger hebben we bewezen (XIXe Kw., 1e Art.), dat er in God een wil is. Bijgevolg is er ook liefde in Hem.Daarom veronderstellen al de andere acten van het streefvermogen de liefde als hun oorsprong: niemand toch begeert iets, tenzij een goed dat hij bemint, en niemand verheugt zich om iets, tenzij om een goed, dat hij bemint; haat vat men slechts op voor iets wat aan het beminde is tegengesteld, terwijl het duidelijk is, dat droefheid en dergelijke hartstochten tot de liefde moeten herleid worden, als tot hun eerste beginsel. Bijgevolg moet er in al wie een wil heeft of een zinnelijk streefvermogen, liefde zijn, en indien het eerste er niet is, dan ontbreekt ook het andere. Wanneer immers datgene ontbreekt, wat het andere moet voorafgaan, dan ontbreekt ook het andere. Welnu, vroeger hebben we bewezen (19e Kw., 1e Art.), dat er in God een wil is. Bijgevolg is er ook liefde in Hem.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod vis cognitiva non movet, nisi mediante appetitiva; et sicut in nobis ratio universalis movet mediante ratione particulari, ut dicitur in 3. de Anima [cap. 9, S. Th, l. 16], ita appetitus intellectivus, qui dicitur voluntas, movet in nobis mediante appetitu sensitivo; unde proximum motivum corporis in nobis est appetitus sensitivus. Unde semper actum appetitus sensitivi concomitatur aliqua transmutatio corporis, et 576maxime circa cor, quod est primum principium motus in animali. Sic igitur actus appetitus sensitivi, inquantum habent transmutationem corporalem annexam, passiones dicuntur, non autem actus voluntatis. Amor igitur, et gaudium, et delectatio, secundum quod significant actus appetitus sensitivi, passiones sunt; non autem secundum quod significant actus appetitus intellectivi : et sic ponuntur in Deo. Unde dicit Philosophus in 7. Ethic. [cap. 14], quod Deus una, et simplici operatione gaudet : et eadem ratione sine passione amat.

Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het kenvermogen kan niet bewegen, tenzij door bemiddeling van het streefvermogen. Evenals nu bij ons de « algemeene rede » beweegt door bemiddeling van de « bizondere rede », zooals we lezen in het IIe Boek Over de Ziel (XIe H., Nr 4), zoo beweegt ook in ons 576het verstandelijk streefvermogen, of de wil, door bemiddeling van het zinnelijk streefvermogen. Daarom is de onmiddellijke beweegkracht van ons lichaam het zinnelijk streefvermogen, en ondergaan we, bij iederen akt van het zinnelijk streefvermogen, een organische verandering, op de eerste plaats in het hart, het eerste bewegingsbeginsel van het dier. En in zoover de akt van het zinnelijk streefvermogen met organische verandering gepaard gaat, noemt men hem hartstocht en geen wil. Liefde echter, vreugde en genot kunnen hartstochten genoemd worden, in zoover ze de akt van het zinnelijk streefvermogen zijn, maar niet in zoover ze de akt zijn van het verstandelijk streefvermogen. Welnu, op die laatste wijze schrijven we ze toe aan God. Daarom zegt de Wijsgeer in het VIIe Boek der Ethica (XIVe H., Nr 8), dat Gods vreugde bestaat in één enkelen enkelvoudigen akt. En om dezelfde reden bemint Hij zonder hartstocht.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het kenvermogen kan niet bewegen, tenzij door bemiddeling van het streefvermogen. Evenals nu bij ons de “algemene rede” beweegt door bemiddeling van de “bizondere rede”, zoals we lezen in het 2e Boek Over de Ziel (11e H., Nr 4), zo beweegt ook in ons 576het verstandelijk streefvermogen, of de wil, door bemiddeling van het zinnelijk streefvermogen. Daarom is de onmiddellijke beweegkracht van ons lichaam het zinnelijk streefvermogen, en ondergaan we, bij iedere act van het zinnelijk streefvermogen, een organische verandering, op de eerste plaats in het hart, het eerste bewegingsbeginsel van het dier. En in zover de act van het zinnelijk streefvermogen met organische verandering gepaard gaat, noemt men hem hartstocht en geen wil. Liefde echter, vreugde en genot kunnen hartstochten genoemd worden, in zover ze de act van het zinnelijk streefvermogen zijn, maar niet in zover ze de act zijn van het verstandelijk streefvermogen. Welnu, op die laatste wijze schrijven we ze toe aan God. Daarom zegt de Wijsgeer in het 7e Boek van de Ethica (14e H., Nr 8), dat Gods vreugde bestaat in één enkelen enkelvoudigen act. En om dezelfde reden bemint Hij zonder hartstocht.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod in passionibus sensitivi appetitus est considerare aliquid quasi materiale, scilicet corporalem transmutationem, et aliquid quasi formale, quod est ex parte appetitus. Sicut in ira, ut dicitur in 1. de Anima [cap. 1, S. Th., l. 2], materiale est ascensio sanguinis circa cor, vel aliquid hujusmodi, formale vero appetitus vindictae : sed rursus ex parte ejus, quod est formale, in quibusdam horum designatur aliqua imperfectio : sicut in desiderio, quod est boni non habiti, in tristitia, quae est mali habiti, 577et eadem ratio est de ira, quae tristitiam supponit. Quaedam vero nullam inperfectionem designant, ut amor, et gaudium. Cum igitur nihil horum Deo conveniat secundum illud, quod est materiale in eis, ut dictum est [in resp. ad arg. 1m], illa quae imperfectionem important, etiam formaliter, Deo convenire non possunt, nisi metaphorice, propter similitudinem effectus, ut supra dictum est [q. 3. art. 2. ad 2. et q. 19. art. 2.]. Quae autem imperfectionem non important, de Deo proprie dicuntur, ut amor, et gaudium, tamen sine passione, ut dictum est. [In resp. ad arg. praec,]

2. In de hartstochten van het zinnelijk streefvermogen kan men iets materieels beschouwen, nl. de organische verandering, en iets formeels, dat van het streefvermogen zelf komt: zoo is in de gramschap het materieele, de opdrang van het bloed naar het hart, of iets dergelijks, zooals we lezen in het Ie Boek Over de Ziel (Ie H., Nr 2), en het formeele, het verlangen om zich te 577wreken. Daarbij duidt het formeele element van sommige hartstochten iets onvolmaakts aan, zooals het verlangen, dat streeft naar een nog niet bereikt goed, en de smart, die ontstaat uit een aanwezig kwaad, en hetzelfde geldt voor de gramschap, die de smart veronderstelt. Andere hartstochten daarentegen, zooals de liefde en de vreugde, duiden in het geheel geen onvolmaaktheid aan. Die hartstochten zijn echter bij God uitgesloten naar hun materieel element, zooals we hierboven gezegd hebben (Antw. op de voorg. Bed.), en wat in hun formeel element onvolmaakt is, mag men aan God niet toekennen, tenzij op figuurlijke wijze, om de gelijkenis nl. in het uitwerksel, zooals we hierboven gezegd hebben (IIIe Kw., IIe Art., en XIXe Kw., IIe Art.). Wat echter geen onvolmaaktheid insluit, zooals liefde en vreugde, kan aan God toegeschreven worden in eigenlijken zin, hoewel zonder hartstocht, zooals we hierboven reeds zeiden (Antw. op de voorg. Bed.).2. In de hartstochten van het zinnelijk streefvermogen kan men iets materieels beschouwen, nl. de organische verandering, en iets formeels, dat van het streefvermogen zelf komt: zo is in de gramschap het materiële, de opdrang van het bloed naar het hart, of iets dergelijks, zoals we lezen in het 1e Boek Over de Ziel (1e H., Nr 2), en het formele, het verlangen om zich te 577wreken. Daarbij duidt het formele element van sommige hartstochten iets onvolmaakts aan, zoals het verlangen, dat streeft naar een nog niet bereikt goed, en de smart, die ontstaat uit een aanwezig kwaad, en hetzelfde geldt voor de gramschap, die de smart veronderstelt. Andere hartstochten daarentegen, zoals de liefde en de vreugde, duiden in het geheel geen onvolmaaktheid aan. Die hartstochten zijn echter bij God uitgesloten naar hun materieel element, zoals we hierboven gezegd hebben (Antw. op de voorg. Bed.), en wat in hun formeel element onvolmaakt is, mag men aan God niet toekennen, tenzij op figuurlijke wijze, om de gelijkenis nl. in het uitwerksel, zoals we hierboven gezegd hebben (3e Kw., 2e Art., en 19e Kw., 2e Art.). Wat echter geen onvolmaaktheid insluit, zoals liefde en vreugde, kan aan God toegeschreven worden in eigenlijke zin, hoewel zonder hartstocht, zoals we hierboven reeds zeiden (Antw. op de voorg. Bed.).

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod actus amoris semper tendit in duo, scilicet in bonum, quod quis vult alicui; et in eum, cui vult bonum. Hoc enim est proprie amare aliquem, velle ei bonum. Unde in eo, quod aliquis amat se, vult bonum sibi. Et sic illud bonum quaerit sibi unire, inquantum potest. Et pro tanto dicitur amor vis unitiva etiam in Deo, sed absque compositione : quia illud bonum, quod vult sibi, non est aliud, quam ipse, qui est per suam 578essentiam bonus, ut supra ostensum est [q. 6. art. 3]. In hoc vero, quod aliquis amat alium, vult bonum illi. Et sic utitur eo tamquam seipso, referens bonum ad illum, sicut ad seipsum. Et pro tanto dicitur amor vis concretiva, quia alium aggregat sibi, habens se ad eum, sicut ad seipsum. Et sic etiam amor divinus est vis concretiva absque compositione, quae sit in Deo, inquantum aliis bona vult.

3. De liefde-akt is steeds op twee dingen gericht, nl. op het goed, dat men voor iemand wil, en op hem voor wien men dat goed wil; want dat is toch wel iemand beminnen: hem goed willen doen. Welnu, wie zichzelf bemint, wil daarom juist zijn eigen goed, en tracht naar best vermogen zich dit goed eigen te maken. 578Daarom noemt men de liefde een vereenigde kracht, zelf in God, maar dan zonder samenstelling, want het goed dat Hij voor zichzelf wil is Hij zelf, die naar zijn wezen goed is, zooals hierboven gezegd is (VIe Kw., IIIe Art.). Maar wanneer we een ander beminnen, dan willen we zijn goed: we beschouwen hem dan als ons zelf, en dragen dit goed op hem over als op ons zelf. En in dat opzicht noemt men de liefde een vereenigende kracht, daar ze een ander met ons verbindt, en zich tot hem verhoudt als tot ons zelf. En in zoover God het goed van anderen wil, is ook de goddelijke liefde een vereenigende kracht, hoewel ze geen samenstelling meebrengt in God.3. De liefde-act is steeds op twee dingen gericht, nl. op het goed, dat men voor iemand wil, en op hem voor wie men dat goed wil; want dat is toch wel iemand beminnen: hem goed willen doen. Welnu, wie zichzelf bemint, wil daarom juist zijn eigen goed, en tracht naar best vermogen zich dit goed eigen te maken. 578Daarom noemt men de liefde een verenigde kracht, zelf in God, maar dan zonder samenstelling, want het goed dat Hij voor zichzelf wil is Hij zelf, die naar zijn wezen goed is, zoals hierboven gezegd is (6e Kw., 3e Art.). Maar wanneer we een ander beminnen, dan willen we zijn goed: we beschouwen hem dan als onszelf, en dragen dit goed op hem over als op onszelf. En in dat opzicht noemt men de liefde een verenigende kracht, daar ze een ander met ons verbindt, en zich tot hem verhoudt als tot onszelf. En in zover God het goed van anderen wil, is ook de goddelijke liefde een verenigende kracht, hoewel ze geen samenstelling meebrengt in God.

Articulus II

Utrum Deus omnia amet

[1-2, q. 110, art 1. corp. et 3. Dist. 32, art. 1, 2 et 3. et lib. 1. Contr. g., cap. III, et lib. 3, cap. 150. princ. et Veri., q. 27, art, 1. corp. et de Virtut., q. 2. art. 7. ad 2.]
IIe Artikel

Bemint God alles?

antwoord 1 ↓

Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod Deus non omnia amet : quia secundum Dionysium 4. cap. de Div. Nom., amor amantem extra se ponit, 579et eum quodammodo in amatum transfert. Inconveniens autem est dicere, quod Deus extra se positus, in alia transferatur; ergo inconveniens est dicere, quod Deus alia a se amet.

Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God niet alles bemint. Wie immers bemint, treedt als het ware buiten zichzelf en verandert om zoo te zeggen in het beminde, zooals Dionysius zegt in zijn boek Over de Goddelijke Namen (IVe H.). Welnu, 579men kan niet zeggen, dat God buiten zichzelf treedt en in andere dingen verandert. Dus mag men ook niet zeggen, dat Hij de dingen buiten Hem bemint.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God niet alles bemint. Wie immers bemint, treedt als het ware buiten zichzelf en verandert om zo te zeggen in het beminde, zoals Dionysius zegt in zijn boek Over de Goddelijke Namen (4e H.). Welnu, 579men kan niet zeggen, dat God buiten zichzelf treedt en in andere dingen verandert. Dus mag men ook niet zeggen, dat Hij de dingen buiten Hem bemint.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, amor Dei aeternus est : sed ea, quae sunt alia a Deo, non sunt ab aeterno, nisi in Deo; ergo Deus non amat ea, nisi in seipso : sed secundum quod sunt in eo, non sunt aliud ab eo; ergo Deus non amat alia a seipso.

2. Gods liefde is eeuwig. Welnu, alles wat buiten God ligt, is niet eeuwig, tenzij in zoover het in God bestaat. Bijgevolg bemint God de dingen buiten Hem niet, tenzij in zichzelf. Maar beschouwd in zoover ze in Hem zijn, zijn ze niets anders dan God zelf. Dus bemint God de dingen niet buiten Hem.2. Gods liefde is eeuwig. Welnu, alles wat buiten God ligt, is niet eeuwig, tenzij in zover het in God bestaat. Bijgevolg bemint God de dingen buiten Hem niet, tenzij in zichzelf. Maar beschouwd in zover ze in Hem zijn, zijn ze niets anders dan God zelf. Dus bemint God de dingen niet buiten Hem.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, duplex est amor, scilicet concupiscentiae et amicitiae : sed Deus creaturas irrationales non amat amore concupiscentiae; quia nullius extra se eget : nec etiam amore amicitiae; quia non potest ad res irrationales haberi, ut patet per Philosophum in 8. Ethicorum [c. 2; S. Th., l. 2, 11]; ergo Deus non omnia amat.

3. Er is een dubbele liefde, nl. de begeerende en de welwillende liefde of vriendschap. Welnu, God bemint de redelooze wezens niet met begeerende liefde, want Hij heeft niets noodig van al wat buiten Hem ligt. Hij draagt ze ook geen vriendschap toe, want er is geen vriendschap mogelijk met betrekking tot onredelijke wezens, zooals blijkt uit de leer van den Wijsgeer (Ethica, VIIIe B., IIe H. Nr 3.). Bijgevolg bemint God niet alles.3. Er is een dubbele liefde, nl. de begerende en de welwillende liefde of vriendschap. Welnu, God bemint de redeloze wezens niet met begerende liefde, want Hij heeft niets nodig van al wat buiten Hem ligt. Hij draagt ze ook geen vriendschap toe, want er is geen vriendschap mogelijk met betrekking tot onredelijke wezens, zoals blijkt uit de leer van de Wijsgeer (Ethica, 8e B., 2e H. Nr 3.). Bijgevolg bemint God niet alles.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, in Ps. 5. [v. 7] dicitur : « Odisti omnes, qui operantur iniquitatem » : nihil autem simul odio habetur, et amatur; ergo Deus non omnia amat.

4. We lezen, Psalm 5,7: « Gij haat al wie kwaad bedrijft». Welnu, men kan onmogelijk iets haten en het beminnen. Dus bemint God niet alles.4. We lezen, Psalm 5,7: “Gij haat al wie kwaad bedrijft”. Welnu, men kan onmogelijk iets haten en het beminnen. Dus bemint God niet alles.

580Sed contra est, quod dicitur Sap. 11 [v. 25] : « Diligis omnia, quae sunt, et nihil odisti eorum; quae fecisti ».

580Daartegenover staat echter wat we lezen in het Boek der Wijsheid (11,25) : « Gij bemint alles wat is, en niets van alles wat Gij geschapen hebt, haat Gij. »580Daartegenover staat echter wat we lezen in het Boek van de Wijsheid (11,25): “Gij bemint alles wat is, en niets van alles wat Gij geschapen hebt, haat Gij.”

Respondeo dicendum, quod Deus omnia existentia amat : nam omnia exsistentia, inquantum sunt, bona sunt. Ipsum enim esse cujuslibet rei quoddam bonum est, et similiter quaelibet perfectio ipsius. Ostensum est autem supra [q. 19. art. 4.], quod voluntas Dei est causa omnium rerum. Et sic oportet, quod intantum habeat aliquid esse aut quodcumque bonum, inquantum est volitum a Deo. Cuilibet igitur exsistenti Deus vult aliquod bonum : unde, cum amare nihil aliud sit, quam velle bonum alicui, manifestum est, quod Deus omnia, quae sunt, amat.

Leerstelling. — God bemint al wat bestaat. Al wat bestaat immers is goed, in zoover het is; want het wezen der dingen en al hun volmaaktheden zijn iets goed. Welnu, hierboven hebben we bewezen (XIXe Kw., IVe Art.), dat Gods wil de oorzaak is van alles. Bijgevolg heeft niets wezen of welk goed-zijn ook, tenzij in zoover het door God gewild wordt. Daarom wil God, dat ieder bestaand wezen een of ander goed-zijn heeft. En daar iets beminnen niets anders is dan aan iets goed doen, is het duidelijk, dat God alles bemint, wat is.Leerstelling. — God bemint al wat bestaat. Al wat bestaat immers is goed, in zover het is; want het wezen van de dingen en al hun volmaaktheden zijn iets goed. Welnu, hierboven hebben we bewezen (19e Kw., 4e Art.), dat Gods wil de oorzaak is van alles. Bijgevolg heeft niets wezen of welk goed-zijn ook, tenzij in zover het door God gewild wordt. Daarom wil God, dat ieder bestaand wezen een of ander goed-zijn heeft. En daar iets beminnen niets anders is dan aan iets goed doen, is het duidelijk, dat God alles bemint, wat is.

Non tamen eo modo, sicut nos. Quia enim voluntas nostra non est causa bonitatis rerum, sed ab ea movetur sicut ab objecto, amor noster, quo bonum alicui volumus, non est causa bonitatis ipsius, sed e converso bonitas ejus vel vera, vel aestimata provocat amorem, quo ei volumus et bonum conservari, quod habet, et addi, quod non habet, et ad hoc operamur. Sed amor Dei est infundens, et creans bonitatem in rebus.

Toch bestaat er een verschil tusschen Gods liefde en de onze. Onze wil immers is de oorzaak niet van het goed in de dingen, maar wordt door dit goed bewogen als door zijn voorwerp; daarom is onze liefde, waardoor we iemands goed willen, de oorzaak niet van dit goed, maar is integendeel het waar of vermeend goed-zijn van de dingen de oorzaak van de liefde, waardoor we begeeren, dat het goede, wat het heeft, bewaard blijft en aangevuld wordt met wat het niet heeft, en dat is juist het 581doel van onze handelingen. Gods liefde echter schept het goede en stort in het de dingen uit.Toch bestaat er een verschil tussen Gods liefde en de onze. Onze wil immers is de oorzaak niet van het goed in de dingen, maar wordt door dit goed bewogen als door zijn voorwerp; daarom is onze liefde, waardoor we iemands goed willen, de oorzaak niet van dit goed, maar is integendeel het waar of vermeend goed-zijn van de dingen de oorzaak van de liefde, waardoor we begeren, dat het goede, wat het heeft, bewaard blijft en aangevuld wordt met wat het niet heeft, en dat is juist het 581doel van onze handelingen. Gods liefde echter schept het goede en stort in het de dingen uit.

↑ bedenking 1

581Ad primum ergo dicendum, quod amans sic fit extra se in amatum translatum, inquantum vult amato bonum, et operatur per suam providentiam, sicut et sibi. Unde dicit Dionysius 4. cap. de Div. Nom. : « Audendum est autem, et hoc pro veritate dicere, quod et ipse omnium causa per abundantiam amativae bonitatis extra se ipsum fit ad omnia exsistentia providentiis. »

Antwoord op de bedenkingen. — 1. Hij, die bemint, treedt buiten zichzelf en wordt omgezet in het beminde, in zoover hij het goed van den beminde wil, en voor het beminde zorgt zooals voor zichzelf. Daarom zegt Dionysius (Over de Goddelijke Namen, IVe H.) : « Men mag naar waarheid zeggen, dat de oorzaak van alle dingen, door overmaat van goedheid, buiten zichzelf treedt, in zoover ze zorg draagt voor alles wat bestaat. »Antwoord op de bedenkingen. — 1. Hij, die bemint, treedt buiten zichzelf en wordt omgezet in het beminde, in zover hij het goed van de beminde wil, en voor het beminde zorgt zoals voor zichzelf. Daarom zegt Dionysius (Over de Goddelijke Namen, 4e H.): “Men mag naar waarheid zeggen, dat de oorzaak van alle dingen, door overmaat van goedheid, buiten zichzelf treedt, in zover ze zorg draagt voor alles wat bestaat.”

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod, licet creaturae ab aeterno non fuerint, nisi in Deo; tamen per hoc, quod ab aeterno in Deo fuerunt, ab aeterno Deus cognovit res in propriis naturis, et eadem ratione amavit : sicut et nos per similitudines rerum, quae in nobis sunt, cognoscimus res in seipsis exsistentes.

2. Hoewel de schepselen niet eeuwig zijn, tenzij in God, toch kent God ze in hun eigen wezen van alle eeuwigheid af, in zoover ze juist van alle eeuwigheid af in Hem zijn, en om dezelfde reden bemint Hij ze. Wij zelf kennen toch ook de dingen in zichzelf, door afbeeldingen er van in ons.2. Hoewel de schepselen niet eeuwig zijn, tenzij in God, toch kent God ze in hun eigen wezen van alle eeuwigheid af, in zover ze juist van alle eeuwigheid af in Hem zijn, en om dezelfde reden bemint Hij ze. Wij zelf kennen toch ook de dingen in zichzelf, door afbeeldingen er van in ons.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod amicitia non potest haberi, nisi ad rationales creaturas, in quibus contingit esse redamationem, et communicationem in operibus vitae, et quibus contingit bene evenire, vel male secundum fortunam, et felicitatem, sicut est ad eas proprie benevolentia. Creaturae autem inrationales non possunt pertingere ad amandum Deum, neque ad 582communicationem intellectualis, et beatae vitae, qua Deus vivit. Sic igitur Deus, proprie loquendo, non amat creaturas irrationales amore amicitiae, sed amore quasi concupiscentiae, inquantum ordinat eas ad rationales creaturas, et etiam ad seipsum, non quasi eis indigeat, sed propter suam bonitatem, et nostram utilitatem. Concupiscimus enim aliquid et nobis, et aliis.

3. Vriendschap is alleen mogelijk met redelijke wezens; bij hen alleen immers is er wederliefde, met hen alleen kunnen we een gemeenschappelijk leven leiden in voor- en tegenspoed, volgens het goed of slecht gaat; ook kan men alleen voor redelijke wezens waarlijk welwillend zijn. De redelooze daarentegen kunnen God niet beminnen, ze kunnen het verstandelijk en gelukkig 582leven met Hem niet deelen. En daarom strekt zijn vriendschap zich tot die wezens niet uit, maar Hij bemint ze met een zekere begeerende liefde, in zoover Hij ze nl. ordent tot de redelijke wezens en tot zichzelf. Dat doet Hij echter niet omdat Hij ze noodig heeft, maar om zijn eigen goed-zijn en tot ons nut; wij kunnen immers iets begeeren óf voor onszelf, óf voor anderen.3. Vriendschap is alleen mogelijk met redelijke wezens; bij hen alleen immers is er wederliefde, met hen alleen kunnen we een gemeenschappelijk leven leiden in voor- en tegenspoed, volgens het goed of slecht gaat; ook kan men alleen voor redelijke wezens waarlijk welwillend zijn. De redeloze daarentegen kunnen God niet beminnen, ze kunnen het verstandelijk en gelukkig 582leven met Hem niet delen. En daarom strekt zijn vriendschap zich tot die wezens niet uit, maar Hij bemint ze met een zekere begerende liefde, in zover Hij ze nl. ordent tot de redelijke wezens en tot zichzelf. Dat doet Hij echter niet omdat Hij ze nodig heeft, maar om zijn eigen goed-zijn en tot ons nut; wij kunnen immers iets begeren óf voor onszelf, óf voor anderen.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod nihil prohibet unum, et idem secundum aliquid amari, et secundum aliquid odio haberi. Deus autem peccatores, inquantum sunt naturae quaedam, amat. Sic enim et sunt, et ab ipso sunt. Inquantum vero peccatores sunt, non sunt, sed ab esse deficiunt, et hoc in eis a Deo non est. Unde secundum hoc ab ipso odio habentur.

4. Men kan eenzelfde ding beminnen en haten, in een verschillend opzicht. God bemint de zondaars, in zoover ze een zekere natuur hebben: zóó beschouwd, zijn ze, en zijn ze door Hem. In zoover ze echter zondaars zijn, zijn ze niet, maar wijken ze af van het zijn, en die afwijking komt niet van God. En in dit opzicht worden de zondaars gehaat.4. Men kan eenzelfde ding beminnen en haten, in een verschillend opzicht. God bemint de zondaars, in zover ze een zekere natuur hebben: zó beschouwd, zijn ze, en zijn ze door Hem. In zover ze echter zondaars zijn, zijn ze niet, maar wijken ze af van het zijn, en die afwijking komt niet van God. En in dit opzicht worden de zondaars gehaat.

Articulus III

Utrum Deus aequaliter diligat omnia

[Dist. 26, art. 1. ad 2. et 3. Dist 19, art. 5, q. 1. et Dist. 32, art 4. et lib. 1. Contr. g., cap. 91.]
IIIe Artikel

Bemint God het een meer dan het ander?

antwoord 1 ↓

Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod Deus aequaliter diligat omnia. Dicitur enim Sap. 6 [v. 8] : « Aequaliter est ei cura de omnibus » ; sed 583providentia Dei quam habet de rebus, est ex amore, quo amat res; ergo aequaliter amat omnia.

Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God het een niet meer bemint dan het ander. « God draagt een gelijke zorg voor 583alles », zegt het boek der Wijsheid, (6, 8). Welnu, Gods voorzienigheid spruit uit zijn liefde. Dus heeft Hij een gelijke liefde voor alles.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God het een niet meer bemint dan het ander. “God draagt een gelijke zorg voor 583alles”, zegt het boek van de Wijsheid, (6, 8). Welnu, Gods voorzienigheid spruit uit zijn liefde. Dus heeft Hij een gelijke liefde voor alles.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, amor Dei est ejus essentia : sed essentia Dei magis, et minus non recipit; ergo nec amor ejus. Non igitur quaedam aliis magis amat.

2. Gods liefde is zijn wezen. Welnu in Gods wezen is er geen meerdere of mindere graad, en dus ook niet in zijn liefde. Hij bemint dus het een niet meer dan het ander.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, sicut amor Dei se extendit ad res creatas, ita scientia, et voluntas : sed Deus non dicitur scire quaedam magis, quam alia, neque magis velle : ergo nec magis quaedam aliis diligit.

3. Zooals de liefde van God alle schepselen omvat, zoo strekt zich ook zijn kennis en zijn wil over alles uit. Welnu, we zeggen niet, dat God het een meer kent of wil dan het ander. Dus bemint Hij ook het een niet meer dan het ander.3. Zoals de liefde van God alle schepselen omvat, zo strekt zich ook zijn kennis en zijn wil over alles uit. Welnu, we zeggen niet, dat God het een meer kent of wil dan het ander. Dus bemint Hij ook het een niet meer dan het ander.

Sed contra est, quod dicit Augustinus super Joan. [Tract. 110] : « Omnia diligit Deus, quae fecit, et inter ea magis diligit creaturas rationales, et de illis eas amplius, quae sunt membra Unigeniti sui, et multo magis ipsum Unigenitum suum. »

Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt in zijn Commentaar op Johannes (CXe Verhandel.) : « God bemint al wat Hij geschapen heeft, maar het meest van al de redelijke wezens; en daaronder diegenen het meest, welke ledematen zijn van zijn eigen Zoon, en nog veel meer zijn eigen Zoon zelf. »Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt in zijn Commentaar op Johannes (110e Verhandel.): “God bemint al wat Hij geschapen heeft, maar het meest van al de redelijke wezens; en daaronder diegenen het meest, welke ledematen zijn van zijn eigen Zoon, en nog veel meer zijn eigen Zoon zelf.”

Respondeo dicendum, quod, cum amare sit velle bonum alicui, duplici ratione potest aliquid magis, vel minus amari. Uno modo ex parte ipsius actus voluntatis, qui est magis, vel minus intensus. Et sic Deus non magis quaedam 584aliis amat, quia omnia amat uno et simplici actu voluntatis, et semper eodem modo se habente. Alio modo ex parte ipsius boni, quod aliquis vult amato. Et sic dicimur aliquem magis alio amare, cui volumus majus bonum, quamvis non magis intensa voluntate. Et hoc modo necesse est dicere, quod Deus quaedam aliis magis amat. Cum enim amor Dei sit causa bonitatis rerum, ut dictum est [art. praec.] non esset aliquid alio melius, si Deus non vellet uni majus bonum, quam alteri.

Leerstelling. — Daar beminnen iemands goed willen is, kan iets in een dubbel opzicht meer of minder bemind worden. Ten eerste, door den wilsakt zelf, die meer of minder krachtig is. En zóó beschouwd, bemint God het een niet meer dan het 584ander, daar Hij alles bemint door een enkelvoudigen en onveranderlijken wilsakt. Ten tweede, door het goed dat men aan het beminde wil schenken. We beminnen iemand meer dan een ander, wanneer we hem een grooter goed toewenschen, zelf indien de wilsakt niet krachtiger is. En in dit opzicht moet men houden, dat God sommige dingen meer dan andere bemint, want daar Zijn liefde de oorzaak van de dingen is, zooals we hierboven gezegd hebben (voorg. Art.), zou het één niet volmaakter zijn dan het ander, wanneer God aan het een geen grooter goed toewenschte dan aan het ander.Leerstelling. — Daar beminnen iemands goed willen is, kan iets in een dubbel opzicht meer of minder bemind worden. Ten eerste, door de wilsact zelf, die meer of minder krachtig is. En zó beschouwd, bemint God het een niet meer dan het 584ander, daar Hij alles bemint door een enkelvoudigen en onveranderlijken wilsact. Ten tweede, door het goed dat men aan het beminde wil schenken. We beminnen iemand meer dan een ander, wanneer we hem een groter goed toewensen, zelf indien de wilsact niet krachtiger is. En in dit opzicht moet men houden, dat God sommige dingen meer dan andere bemint, want daar Zijn liefde de oorzaak van de dingen is, zoals we hierboven gezegd hebben (voorg. Art.), zou het één niet volmaakter zijn dan het ander, wanneer God aan het een geen groter goed toewenste dan aan het ander.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod dicitur Deo aequaliter esse cura de omnibus, non quia aequalia bona sua cura omnibus dispenset, se quia ex aequali sapientia, et bonitate omnia administrat.

Antwoord op de bedenkingen. — 1. God draagt voor alles gelijke zorg, niet omdat Hij aan alle dingen dezelfde volmaaktheid mededeelt, maar omdat Hij alles bestuurt met dezelfde wijsheid en goedheid.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod ratio illa procedit de intensione amoris ex parte actus voluntatis, qui est divina essentia. Bonum autem, quod Deus creaturae vult, non est divina essentia. Unde nihil prohibet illud intendi, vel remitti.

2. Die tegenwerping gaat uit van de vurigheid van Gods liefde, in zoover ze afhangt van den wilsakt, die het goddelijk wezen zelf is. Maar het goede dat God aan de schepselen toewenscht, is zijn wezen niet. Dus kan Hij meer of minder beminnen.2. Die tegenwerping gaat uit van de vurigheid van Gods liefde, in zover ze afhangt van de wilsact, die het goddelijk wezen zelf is. Maar het goede dat God aan de schepselen toewenst, is zijn wezen niet. Dus kan Hij meer of minder beminnen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod intelligere, et velle significant solum actus; 585non autem in sua significatione includunt aliqua objecta, ex quorum diversitate possit dici Deus magis, vel minus scire, aut velle, sicut circa amorem dictum est [in corp. art.].

3. De woorden kennen en willen duiden alleen handelingen aan, en sluiten in hun beteekenis de voorwerpen niet in, die door 585hun onderscheid de uitdrukking zouden kunnen wettigen, dat God meer of minder kent of wil, zooals het met de liefde gebeurt. We wezen daar reeds op in de Leerstelling.3. De woorden kennen en willen duiden alleen handelingen aan, en sluiten in hun betekenis de voorwerpen niet in, die door 585hun onderscheid de uitdrukking zouden kunnen wettigen, dat God meer of minder kent of wil, zoals het met de liefde gebeurt. We wezen daar reeds op in de Leerstelling.

Articulus IV

An Deus semper magis diligat meliora

[3. Dist. 32, art. 5, q. 1, 2, 3 et 4. et Dist. 31, q. 2, art 3, q. 3. et Sent. 52, art. 5.]
IVe Artikel

Bemint God steeds het beste met de grootste liefde?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod Deus non semper magis diligat meliora. Manifestum est enim, quod Christus est melior toto genere humano, cum sit Deus et homo : sed Deus magis dilexit genus humanum, quam Christum, quia dicitur Rom. 8 [v. 32] : « Proprio Filio suo non pepercit, sed pro nobis omnibus tradidit illum. » Ergo Deus non semper magis diligit meliora.

Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God niet steeds het beste met de grootste liefde bemint. Christus immers is God en mensch, en is dus volmaakter dan heel het menschdom. Welnu God beminde het menschdom meer dan Christus, want we lezen in den Brief aan de Romeinen (8,32) : « God heeft zijn eigen Zoon niet gespaard, maar Hem voor ons allen overgeleverd ». Bijgevolg bemint God niet steeds het beste met de grootste liefde.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God niet steeds het beste met de grootste liefde bemint. Christus immers is God en mens, en is dus volmaakter dan heel het mensdom. Welnu God beminde het mensdom meer dan Christus, want we lezen in de Brief aan de Romeinen (8,32): “God heeft zijn eigen Zoon niet gespaard, maar Hem voor ons allen overgeleverd”. Bijgevolg bemint God niet steeds het beste met de grootste liefde.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, angelus est melior homine. Unde in Ps. 8 [v. 6] dicitur de homine : « Minuisti eum paulo minus ab angelis » : sed Deus plus dilexit 586hominem, quam angelum. Dicitur enim Hebr. 2 [v. 16] : « Nusquam angelos apprehendit, sed semen Abrahae apprehendit » ; ergo Deus non semper magis diligit meliora.

2. De engelen zijn volmaakter dan de menschen. We lezen immers Psalm 8,6 : « Ge hebt den mensch beneden de Engelen geplaatst. » Toch beminde God de menschen meer dan de 586engelen, zooals we lezen in den Brief aan de Hebreën (2, 16) : « God kwam nooit de engelen, maar wel Abrahams geslacht ter hulp. » Dus bemint God het beste niet steeds met de grootste liefde.2. De engelen zijn volmaakter dan de mensen. We lezen immers Psalm 8,6: “Ge hebt de mens beneden de Engelen geplaatst.” Toch beminde God de mensen meer dan de 586engelen, zoals we lezen in de Brief aan de Hebreën (2, 16): “God kwam nooit de engelen, maar wel Abrahams geslacht ter hulp.” Dus bemint God het beste niet steeds met de grootste liefde.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Petrus fuit melior Joanne, quia plus Christum dilexit : unde Dominus sciens hoc esse verum, interrogavit Petrum, dicens : « Simon Joannis, diligis me plus his?» Sed tamen Christus plus dilexit Joannem, quam Petrum; ut enim dicit Augustinus super illud Joan. 21 [tract. 124] Simon Joannis diligis me? hoc ipso Joannes a caeteris discipulis discernitur : non quod solum eum, sed quod plus eum caeteris diligebat; non ergo semper magis diligit meliora.

3. Petrus was beter dan Johannes, want hij had Christus meer lief. Daarom vroeg de Heer, die dit wist, aan Petrus: « Bemint ge me meer dan de anderen? » (Johannes, 21, 15). Toch beminde Christus Johannes meer dan Petrus. Augustinus zegt dan ook in zijn Commentaar op Johannes 21, 20 (CXXIVe Verhand.) aangaande de woorden: Simon, zoon van Johannes, bemint Ge mij?: « Door dit teeken wordt Johannes van de anderen onderscheiden, niet omdat Christus Hem alleen beminde, maar omdat Hij hem meer beminde dan de anderen. » Bijgevolg bemint God het beste niet steeds met de grootste liefde.3. Petrus was beter dan Johannes, want hij had Christus meer lief. Daarom vroeg de Heer, die dit wist, aan Petrus: “Bemint ge me meer dan de anderen?” (Johannes, 21, 15). Toch beminde Christus Johannes meer dan Petrus. Augustinus zegt dan ook in zijn Commentaar op Johannes 21, 20 (124e Verhand.) aangaande de woorden: Simon, zoon van Johannes, bemint Ge mij?: “Door dit teken wordt Johannes van de anderen onderscheiden, niet omdat Christus Hem alleen beminde, maar omdat Hij hem meer beminde dan de anderen.” Bijgevolg bemint God het beste niet steeds met de grootste liefde.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, melior est innocens poenitente, cum poenitentia sit secunda tabula post naufragium, ut dicit Hieronymus. Sed Deus plus diligit poenitentem, quam innocentem, quia plus de eo gaudet. Dicitur enim Luc. 15 [v. 7] : « Dico vobis, quod majus gaudium erit in coelo super uno peccatore poenitentiam agente, quam super nonaginta novem justis, qui non indigent poenitentia » ; ergo Deus non semper magis diligit meliora.

4. Een onschuldige is beter dan een boeteling, want de boetvaardigheid is maar de tweede redplank na de schipbreuk, zooals Hieronymus zegt. Toch bemint God de boetelingen meer dan de onschuldigen, want Hij verheugt er zich meer over, zooals we lezen bij Lucas, 15,7: « Ik zeg het U, er zal in hemel meer vreugde zijn om één zondaar, die zich bekeert, dan om negen en 587negentig rechtvaardigen, die zich niet hoeven te bekeeren. » Bijgevolg bemint God niet steeds het beste met de grootste liefde.4. Een onschuldige is beter dan een boeteling, want de boetvaardigheid is maar de tweede redplank na de schipbreuk, zoals Hieronymus zegt. Toch bemint God de boetelingen meer dan de onschuldigen, want Hij verheugt er zich meer over, zoals we lezen bij Lukas, 15,7: “Ik zeg het U, er zal in hemel meer vreugde zijn om één zondaar, die zich bekeert, dan om negen en 587negentig rechtvaardigen, die zich niet hoeven te bekeren.” Bijgevolg bemint God niet steeds het beste met de grootste liefde.

antwoord 5 ↓

5875. Praeterea, melior est justus praescitus, quam peccator praedestinatus : sed Deus plus diligit peccatorem praedestinatum, quia vult ei majus bonum, scilicet vitam aeternam; ergo Deus non semper magis diligit meliora.

5. Een rechtvaardige, die God alleen vooraf kent, is beter dan een zondaar, die voorbestemd is tot de zaligheid. Welnu, God bemint den zondaar, die voorbestemd is, met de grootste liefde, want Hij wil hem het grootste goed, nl. het eeuwig leven. Dus bemint God het beste niet steeds met de grootste liefde.5. Een rechtvaardige, die God alleen vooraf kent, is beter dan een zondaar, die voorbestemd is tot de zaligheid. Welnu, God bemint de zondaar, die voorbestemd is, met de grootste liefde, want Hij wil hem het grootste goed, nl. het eeuwig leven. Dus bemint God het beste niet steeds met de grootste liefde.

Sed contra, unumquodque diligit sibi simile, ut patet per illud, quod habetur Eccli. 13 [v. 19] : « Omne animal diligit sibi simile » ; sed intantum aliquid est melius, inquantum est Deo similius; ergo meliora magis diliguntur a Deo.

Daartegenover staat echter, dat we lezen in Prediker (13,19) : « Ieder bemint zijns gelijke. » Welnu, iets is des te volmaakter, naarmate het meer op God gelijkt. Bijgevolg bemint God steeds het beste met de grootste liefde.Daartegenover staat echter, dat we lezen in Prediker (13,19): “Ieder bemint zijns gelijke.” Welnu, iets is des te volmaakter, naarmate het meer op God gelijkt. Bijgevolg bemint God steeds het beste met de grootste liefde.

Respondeo dicendum, quod necesse est dicere, secundum praedicta, quod Deus magis diligat meliora. Dictum est enim [art. praec.] quod Deum diligere magis aliquid, nihil aliud est, quam ei majus bonum velle. Voluntas enim Dei est causa bonitatis in rebus. Et sic ex hoc sunt aliqua meliora, quod Deus eis majus bonum vult; unde sequitur, quod meliora plus amet.

Leerstelling. — Uit het vorig Artikel blijkt, dat God het beste met de grootste liefde bemint. We zeiden immers, dat God iets meer kan beminnen, in zoover Hij er een grooter goed aan toewenscht. Gods wil toch is de oorzaak van het goede in de dingen. Sommige dingen zijn beter dan andere, omdat God er een grooter goed aan toewenscht. Dus bemint God altijd het beste met de grootste liefde.Leerstelling. — Uit het vorig Artikel blijkt, dat God het beste met de grootste liefde bemint. We zeiden immers, dat God iets meer kan beminnen, in zover Hij er een groter goed aan toewenst. Gods wil toch is de oorzaak van het goede in de dingen. Sommige dingen zijn beter dan andere, omdat God er een groter goed aan toewenst. Dus bemint God altijd het beste met de grootste liefde.

↑ bedenking 1

588Ad primum ergo dicendum, quod Deus Christum diligit, non solum plus, quam totum humanum genus, sed etiam magis, quam totam universitatem creaturarum : quia scilicet ei majus bonum voluit, quia dedit ei nomen, quod est super omne nomen [Philipp. 2, v. 9] ut verus Deus esset. Nec ejus excellentiae deperiit ex hoc, quod Deus dedit eum in mortem pro salute humani generis : quinimmo ex hoc factus est victor gloriosus : factus enim est principatus super humerum ejus, ut dicitur Isa. 9. [v. 6]

588Antwoord op de bedenkingen. — 1. God bemint Christus niet alleen meer dan heel het menschdom, maar zelf meer dan heel de schepping. Hij wou Hem immers meer goed, want zooals we lezen in den Brief aan de Philippiërs (2, 9), gaf Hij Hem een naam boven alle namen, zoodat Hij waarlijk God is. Dat God Hem nu heeft overgeleverd voor het heil der menschen, schaadt zijn volmaaktheid niet; integendeel, daardoor werd Hij een glorierijk overwinnaar en draagt Hij een koningsmantel om zijn schouders, zooals Isaias zegt (9, 6).588Antwoord op de bedenkingen. — 1. God bemint Christus niet alleen meer dan heel het mensdom, maar zelf meer dan heel de schepping. Hij wou Hem immers meer goed, want zoals we lezen in de Brief aan de Filippenzen (2, 9), gaf Hij Hem een naam boven alle namen, zodat Hij waarlijk God is. Dat God Hem nu heeft overgeleverd voor het heil van de mensen, schaadt zijn volmaaktheid niet; integendeel, daardoor werd Hij een glorierijk overwinnaar en draagt Hij een koningsmantel om zijn schouders, zoals Jesaja zegt (9, 6).

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod naturam humanam assumptam a Dei Verbo in persona Christi, secundum praedicta [resp. ad arg. praec.], Deus plus amat, quam omnes Angelos; et melior est, maxime ratione unionis : sed loquendo de humana natura communiter, eam angelicae comparando, secundum ordinem ad gratiam et gloriam, aequalitas invenitur, cum eadem sit mensura hominis, et Angeli, ut dicitur Apoc. 21 [v. 17], ita tamen, quod quidam Angeli quibusdam hominibus, et quidam homines quibusdam Angelis, quantum ad hoc, potiores inveniuntur. Sed, quantum ad conditionem 589naturae, Angelus est melior homine : nec ideo naturam humanam assumpsit Deus, quia hominem absolute plus diligeret, sed quia plus indigebat. Sicut bonus paterfamilias aliquid pretiosius dat servo aegrotanti, quod non dat filio sano.

2. God heeft de menschelijke natuur, door Gods Woord aangenomen in den persoon van Christus, meer bemind dan al de engelen, zooals we hierboven gezegd hebben (Antw. op de voorg. Bed.). Ze is ook volmaakter, vooral om haar vereeniging met den goddelijken persoon. Vergelijkt men echter de menschelijke natuur in het algemeen met de natuur der engelen, met het oog op hun verhouding tot de genade en de glorie, dan staan ze op eenzelfde lijn, want de maat van menschen en van engelen is dezelfde, zooals de Openbaring zegt (21, 17), hoewel sommige engelen grooter glorie zullen genieten dan sommige menschen, en sommige menschen meer verheerlijkt zullen worden dan sommige engelen. Maar met het oog op de natuur, zijn de engelen 589volmaakter dan de menschen. Wanneer God nu de menschelijke natuur heeft aangenomen, dan is het niet omdat Hij den mensch, volstrekt beschouwd, meer beminde, maar omdat de mensch hulpbehoevender was. Zoo geeft ook een goede huisvader iets kostbaarder aan een zieken knecht dan aan een gezond kind.2. God heeft de menselijke natuur, door Gods Woord aangenomen in de persoon van Christus, meer bemind dan al de engelen, zoals we hierboven gezegd hebben (Antw. op de voorg. Bed.). Ze is ook volmaakter, vooral om haar vereniging met de goddelijke persoon. Vergelijkt men echter de menselijke natuur in het algemeen met de natuur van de engelen, met het oog op hun verhouding tot de genade en de glorie, dan staan ze op eenzelfde lijn, want de maat van mensen en van engelen is dezelfde, zoals de Openbaring zegt (21, 17), hoewel sommige engelen groter glorie zullen genieten dan sommige mensen, en sommige mensen meer verheerlijkt zullen worden dan sommige engelen. Maar met het oog op de natuur, zijn de engelen 589volmaakter dan de mensen. Wanneer God nu de menselijke natuur heeft aangenomen, dan is het niet omdat Hij de mens, volstrekt beschouwd, meer beminde, maar omdat de mens hulpbehoevender was. Zo geeft ook een goede huisvader iets kostbaarder aan een zieken knecht dan aan een gezond kind.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod haec dubitatio de Petro et Joanne multipliciter solvitur. Augustinus namque [tract. 124] refert hoc ad mysterium, dicens, quod vita activa, quae significatur per Petrum, plus diligit Deum, quam vita contemplativa, quae significatur per Joannem; quia magis sentit praesentis vitae angustias, et aestuantius ab eis liberari desiderat, et ad Deum ire. Contemplativam vero vitam Deus plus diligit, quia magis eam conservat; non enim finitur simul cum vita corporis, sicut vita activa. Quidam vero dicunt, quod Petrus plus dilexit Christum in membris, et sic etiam a Christo plus fuit dilectus : unde ei Ecclesiam commendavit. Joannes vero plus dilexit Christum in seipso, et sic etiam plus ab eo fuit dilectus; unde ei commendavit Matrem. Alii vero dicunt, quod incertum est, quis horum plus Christum 590dilexerit amore caritatis; et similiter, quem Deus plus dilexerit in ordine ad majorem gloriam vitae aeternae; sed Petrus dicitur plus dilexisse, quantum ad quandam promptitudinem, vel fervorem : Joannes vero plus dilectus, quantum ad quaedam familiaritatis indicia, quae Christus ei magis demonstrabat propter ejus juventutem, et puritatem. Alii vero dicunt, quod Christus plus dilexit Petrum quantum ad excellentius donum caritatis : Joannem vero plus, quantum ad donum intellectus. Unde simpliciter Petrus fuit melior, et magis dilectus : sed Joannes secundum quid. Praesumptuosum tamen videtur hoc dijudicare, quia, ut dicitur Proverb. 16 [v. 2] : « Spirituum ponderator est Dominus », et non alius.

3. Die moeilijkheid wordt op verschillende wijzen opgelost. Augustinus ziet er een symbool in : Petrus, zegt hij (t. a. pl.), stelt het werkende, Joannes het beschouwende leven voor. Omdat het werkende leven meer gedrukt gaat onder den last van dit leven, en er vuriger naar verlangt om er van verlost te zijn en bij God te zijn, daarom bemint men God meer in dat leven. Maar God bemint meer het beschouwende leven, omdat het langer duurt, daar het niet ophoudt met het leven van het lichaam, zooals het werkende leven. Anderen zeggen, dat Petrus Christus meer beminde in zijn ledematen, en in dit opzicht beminde Christus hem op zijn beurt méér, en droeg Hij hem de zorg over voor zijn Kerk. Joannes echter beminde Christus' persoon méér, en in dit opzicht beminde Christus hem méér, en vertrouwde Hij hem zijn Moeder toe. Anderen echter zeggen, dat het onzeker is voor wien van beide Christus meer liefde had, en wie van beiden 590Christus meer beminde, zoodat Hij hem meer glorie schonk in het eeuwig leven. Men zegt, dat Petrus meer beminde, omdat zijn liefde spontaner en vuriger was, maar dat Joannes meer bemind werd, omdat Christus met hem op meer vertrouwelijke wijze omging, om zijn jeugd en om zijn zuiverheid. Nog anderen zeggen eindelijk, dat Christus Petrus meer liefhad, met betrekking tot de hoogerstaande gave der liefde, maar Joannes meer beminde, met betrekking tot de gave van verstand. Petrus was volmaakter, en Christus was hem het meest lief, absoluut gesproken, maar in een zeker opzicht was Joannes de volmaaktste en de vurigst beminde. Wij echter meenen, dat het vermetel zou zijn, om over die dingen een oordeel te vellen, want zooals het Boek der Schepping zegt (16, 2) : « God is het, die de geesten doorgrondt », en geen ander buiten Hem.3. Die moeilijkheid wordt op verschillende wijzen opgelost. Augustinus ziet er een symbool in: Petrus, zegt hij (t.a.p.), stelt het werkende, Johannes het beschouwende leven voor. Omdat het werkende leven meer gedrukt gaat onder de last van dit leven, en er vuriger naar verlangt om er van verlost te zijn en bij God te zijn, daarom bemint men God meer in dat leven. Maar God bemint meer het beschouwende leven, omdat het langer duurt, daar het niet ophoudt met het leven van het lichaam, zoals het werkende leven. Anderen zeggen, dat Petrus Christus meer beminde in zijn ledematen, en in dit opzicht beminde Christus hem op zijn beurt méér, en droeg Hij hem de zorg over voor zijn Kerk. Johannes echter beminde Christus' persoon méér, en in dit opzicht beminde Christus hem méér, en vertrouwde Hij hem zijn Moeder toe. Anderen echter zeggen, dat het onzeker is voor wie van beide Christus meer liefde had, en wie van beiden 590Christus meer beminde, zodat Hij hem meer glorie schonk in het eeuwig leven. Men zegt, dat Petrus meer beminde, omdat zijn liefde spontaner en vuriger was, maar dat Johannes meer bemind werd, omdat Christus met hem op meer vertrouwelijke wijze omging, om zijn jeugd en om zijn zuiverheid. Nog anderen zeggen eindelijk, dat Christus Petrus meer liefhad, met betrekking tot de hogerstaande gave van de liefde, maar Johannes meer beminde, met betrekking tot de gave van verstand. Petrus was volmaakter, en Christus was hem het meest lief, absoluut gesproken, maar in een zeker opzicht was Johannes de volmaaktste en de vurigst beminde. Wij echter menen, dat het vermetel zou zijn, om over die dingen een oordeel te vellen, want zoals het Boek van de Schepping zegt (16, 2): “God is het, die de geesten doorgrondt”, en geen ander buiten Hem.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod poenitentes, et innocentes se habent sicut excedentia, et excessa. Nam sive sint innocentes, sive poenitentes, illi sunt meliores, et magis dilecti, qui plus habent de gratia : caeteris tamen paribus innocentia dignior est, et magis dilecta. Dicitur tamen Deus plus gaudere de poenitente, quam de innocente, quia plerumque poenitentes cautiores, 591humiliores, et ferventiores resurgunt. Unde Gregorius dicit ibid. [hom. 34. in Evang.] quod dux in praelio eum militem plus diligit, qui post fugam conversus, fortiter hostem premit, quam qui nunquam fugit, nec unquam fortiter fecit. Vel alia ratione, quia aequale donum gratiae plus est comparatum poenitenti, qui meruit poenam, quam innocenti, qui non meruit. Sicut centum marchae majus donum est, si dentur pauperi, quam si dentur regi.

4. Zoowel een boeteling als een onschuldige kan de beste zijn. De besten immers en de meest beminden zijn zij, die het meest genade ontvingen, of ze nu onschuldigen zijn of boetelingen. Wanneer ze echter in elk ander opzicht gelijk zijn, dan staat een onschuldige hooger, en wordt hij méér bemind. Toch zegt men, dat God zich meer verheugt om een boeteling dan om een onschuldige, omdat een boeteling gewoonlijk voorzichtiger, 591nederiger en vuriger uit de zonde opstaat. Daarom zegt Gregorius in zijn XXXIVe Homelie op het Evangelie, dat een legeroverste hem méér bemint, die na de vlucht terugkomt en onverschrokken doorvecht, dan hem, die nooit gevlucht is, maar die ook nooit moedig heeft gestreden. Men kan ook zeggen, dat dezelfde genade grooter is, wanneer ze aan een boetvaardige wordt geschonken dan wanneer ze aan een onschuldige geschonken wordt, daar de boetvaardige straf verdiende, en de onschuldige niet. Honderd zilverstukken is méér, wanneer ze aan een arme gegeven worden, dan wanneer ze aan een koning worden gegeven.4. Zowel een boeteling als een onschuldige kan de beste zijn. De besten immers en de meest beminden zijn zij, die het meest genade ontvingen, of ze nu onschuldigen zijn of boetelingen. Wanneer ze echter in elk ander opzicht gelijk zijn, dan staat een onschuldige hoger, en wordt hij méér bemind. Toch zegt men, dat God zich meer verheugt om een boeteling dan om een onschuldige, omdat een boeteling gewoonlijk voorzichtiger, 591nederiger en vuriger uit de zonde opstaat. Daarom zegt Gregorius in zijn 34e Homelie op het Evangelie, dat een legeroverste hem méér bemint, die na de vlucht terugkomt en onverschrokken doorvecht, dan hem, die nooit gevlucht is, maar die ook nooit moedig heeft gestreden. Men kan ook zeggen, dat dezelfde genade groter is, wanneer ze aan een boetvaardige wordt geschonken dan wanneer ze aan een onschuldige geschonken wordt, daar de boetvaardige straf verdiende, en de onschuldige niet. Honderd zilverstukken is méér, wanneer ze aan een arme gegeven worden, dan wanneer ze aan een koning worden gegeven.

↑ bedenking 5

Ad quintum dicendum, quod, cum voluntas Dei sit causa bonitatis in rebus secundum illud tempus pensanda est bonitas ejus, qui amatur a Deo, secundum quod dandum est ei ex bonitate divina aliquod bonum. Secundum ergo illud tempus, quo praedestinato peccatori dandum est ex divina voluntate majus bonum, melior est, licet secundum aliquod aliud tempus sit pejor; quia et secundum aliquod tempus non est nec bonus, neque malus.

5. Daar Gods wil de oorzaak is van het goede in de dingen, moeten we de volmaaktheid van iemand, die door God bemind wordt, beoordeelen volgens het oogenblik, waarop God hem een of ander goed schenkt. Wanneer men let op den tijd, waarop door Gods beschikking een grooter goed moet gegeven worden aan een tot de zaligheid voorbestemden zondaar, dan is hij beter, hoewel hij slechter is, met het oog op een anderen tijd, zooals hij met betrekking tot een anderen tijd noch goed, noch slecht is.5. Daar Gods wil de oorzaak is van het goede in de dingen, moeten we de volmaaktheid van iemand, die door God bemind wordt, beoordelen volgens het ogenblik, waarop God hem een of ander goed schenkt. Wanneer men let op de tijd, waarop door Gods beschikking een groter goed moet gegeven worden aan een tot de zaligheid voorbestemden zondaar, dan is hij beter, hoewel hij slechter is, met het oog op een anderen tijd, zoals hij met betrekking tot een anderen tijd noch goed, noch slecht is.