De merito, quod est effectus gratiae cooperantis
Over de verdienste, het gevolg van de genade van bijstand
170Deinde considerandum est de Merito, quod est effectus gratiae cooperantis.
170Vervolgens wordt gehandeld over de verdienste, het gevolg van de genade van bijstand; en hieromtrent worden tien vragen gesteld :170Vervolgens wordt gehandeld over de verdienste, het gevolg van de genade van bijstand; en hieromtrent worden tien vragen gesteld:
Et circa hoc quaeruntur decem. 1. Utrum homo possit aliquid mereri a Deo. — 2. Utrum aliquis sine gratia possit mereri vitam aeternam. — 3. Utrum aliquis per gratiam possit mereri vitam aeternam ex condigno. — 4. Utrum gratia sit principium merendi, mediante charitate principaliter. — 5. Utrum homo possit sibi mereri primam gratiam. — 6. Utrum homo possit eam mereri alii. — 7. Utrum 171possit sibi aliquis mereri reparationem post lapsum. — 8. Utrum possit sibi aliquis mereri augmentum gratiae vel charitatis. — 9. Utrum possit sibi mereri finalem perseverantiam. — 10. Utrum bona temporalia cadant sub merito.
1. Kan de mensch iets van God verdienen? 2. Kan iemand zonder de genade het eeuwige leven verdienen? 3. Kan iemand rechtens door de genade het eeuwige leven verdienen? 4. Is de genade beginsel van verdienen, voornamelijk door middel van de liefde? 5. Kan de mensch voor zichzelf de eerste genade verdienen? 6. Ook voor een ander? 7. Kan iemand voor zich het herstel na den val verdienen? 1718. Kan iemand de vermeerdering der genade of der liefde verdienen? 9. Kan iemand de eindvolharding verdienen? 10. Vallen de tijdelijke goederen onder de verdienste?1. Kan de mens iets van God verdienen? 2. Kan iemand zonder de genade het eeuwige leven verdienen? 3. Kan iemand rechtens door de genade het eeuwige leven verdienen? 4. Is de genade beginsel van verdienen, voornamelijk door middel van de liefde? 5. Kan de mens voor zichzelf de eerste genade verdienen? 6. Ook voor een ander? 7. Kan iemand voor zich het herstel na de val verdienen? 1718. Kan iemand de vermeerdering van de genade of van de liefde verdienen? 9. Kan iemand de eindvolharding verdienen? 10. Vallen de tijdelijke goederen onder de verdienste?
Utrum homo possit aliquid mereri a Deo
Kan de mensch iets van God verdienen?Kan de mens iets van God verdienen?
Ad primum sic proceditur. Videtur, quod homo non possit aliquid mereri a Deo : nullus enim videtur mercedem mereri ex hoc, quod reddit alteri quod debet. Sed per omnia bona, quae facimus, non possumus sufficienter recompensare Deo quod debemus, quin semper amplius debeamus, ut etiam Philosophus dicit in 8. Eth. [cap. 14] ; unde et Luc. 17 [v. 10] dicitur : « Cum omnia, quae praecepta sunt, feceritis, dicite : Servi inutiles 172sumus; quod debuimus facere, fecimus. » Ergo homo non potest aliquid mereri a Deo.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de mensch niet iets van God kan verdienen. 1. Niemand toch kan hierdoor verdiensten verwerven, dat hij aan een ander geeft wat hij verschuldigd is. Welnu met al het goede, wat we doen, kunnen we aan God niet voldoende teruggeven, voor wat we Hem verschuldigd zijn, zoodat we altijd nog méér verschuldigd zijn, zooals ook de Wijsgeer zegt in het 8e Boek zijner Ethica (14e H.). Vandaar ook dat bij Lucas (17, 10) gezegd wordt : « Wanneer ge al wat u bevolen is gedaan hebt, zegt dan : We zijn onnutte dienstknechten, wat we verplicht waren te doen hebben we gedaan. »Bedenkingen. — Men beweert, dat de mens niet iets van God kan verdienen. 1. Niemand toch kan hierdoor verdiensten verwerven, dat hij aan een ander geeft wat hij verschuldigd is. Welnu met al het goede, wat we doen, kunnen we aan God niet voldoende teruggeven, voor wat we Hem verschuldigd zijn, zodat we altijd nog méér verschuldigd zijn, zoals ook de Wijsgeer zegt in het 8e Boek van zijn Ethica (14e H.). Vandaar ook dat bij Lukas (17, 10) gezegd wordt: “Wanneer ge al wat u bevolen is gedaan hebt, zegt dan: We zijn onnutte dienstknechten, wat we verplicht waren te doen hebben we gedaan.”
2. Praeterea, ex eo quod aliquis sibi proficit, nihil videtur mereri apud eum, cui nihil proficit. Sed homo bene operando sibi proficit, vel alteri homini, non autem Deo : dicitur enim Job 35 [v. 7] : « Si juste egeris, quid donabis ei, aut quid de manu tua accipiet? » Ergo homo non potest aliquid a Deo mereri.
1722. Wanneer iemand ergens voordeel bij heeft, dan kan hij daardoor niets verdienen bij hem, wien dat niet voordeelig is. Welnu, dat een mensch goed doet, is wel voor hemzelf of voor een anderen mensch voordeelig, maar niet voor God. Want in het Boek Job (35, 7) staat geschreven : « Als ge rechtvaardig handeldet wat gaaft ge hem nog? of wat zal hij uit uw hand ontvangen? » Dus kan een mensch niets van God verdienen.1722. Wanneer iemand ergens voordeel bij heeft, dan kan hij daardoor niets verdienen bij hem, wie dat niet voordelig is. Welnu, dat een mens goed doet, is wel voor hemzelf of voor een anderen mens voordelig, maar niet voor God. Want in het Boek Job (35, 7) staat geschreven: “Als ge rechtvaardig handeldet wat gaaft ge hem nog? of wat zal hij uit uw hand ontvangen?” Dus kan een mens niets van God verdienen.
3. Praeterea, quicumque apud aliquem aliquid meretur, constituit eum sibi debitorem : debitum enim est, ut aliquis merenti mercedem rependat. Sed Deus nulli est debitor; unde dicitur Rom. 11 [v. 35] : « Quis prior dedit ei, et retribuetur ei? » Ergo nullus a Deo potest aliquid mereri.
3. Ieder, die van iemand iets verdient, verplicht dezen aan zich, want verplichting is het, dat men het loon geeft aan wie loon verdient. God echter heeft aan niemand verplichting, vandaar wordt er gezegd in den Brief aan de Romeinen (11, 35) : « Wie heeft hem eerst gegeven, dat het hem zou vergolden worden? » Dus kan niemand iets van God verdienen.3. Ieder, die van iemand iets verdient, verplicht deze aan zich, want verplichting is het, dat men het loon geeft aan wie loon verdient. God echter heeft aan niemand verplichting, vandaar wordt er gezegd in de Brief aan de Romeinen (11, 35): “Wie heeft hem eerst gegeven, dat het hem zou vergolden worden?” Dus kan niemand iets van God verdienen.
Sed contra est, quod dicitur Jer. 31 [v. 16] : « Est merces operi tuo. » Sed merces dicitur, quod merito redditur. Ergo videtur, quod homo possit a Deo mereri.
Daartegenover staat echter het gezegde uit het Boek Jeremias (31, 16) : « Na uw werk bestaat er belooning. » Welnu men noemt belooning wat bij wijze van verdienste gegeven wordt. Dus kan een mensch bij God verdienen.Daartegenover staat echter het gezegde uit het Boek Jeremia (31, 16): “Na uw werk bestaat er beloning.” Welnu men noemt beloning wat bij wijze van verdienste gegeven wordt. Dus kan een mens bij God verdienen.
173Respondeo dicendum, quod meritum et merces ad idem referuntur : id enim merces dicitur, quod alicui recompensatur pro retributione operis vel laboris, quasi quoddam pretium ipsius; unde sicut reddere justum pretium pro re accepta ab aliquo est actus justitiae, ita etiam recompensare mercedem operis vel laboris, est actus justitiae. Justitia autem aequalitas quaedam est, ut patet per Philosophum in 5. Ethicor. [cap. 3.] et ideo simpliciter est justitia inter eos, quorum est simpliciter aequalitas; eorum vero, quorum non est simpliciter aequalitas, non est simpliciter justitia, sed quidam justitiae modus potest esse, sicut dicitur quoddam jus paternum, sive dominativum, ut in eodem libro [cap. 6.] Philosophus dicit. Et propter hoc in his, in quibus est simpliciter justum, est etiam simpliciter ratio meriti et mercedis; in quibus autem est secundum quid justum, et non simpliciter, in his etiam non simpliciter est ratio meriti, sed secundum quid, inquantum salvatur ibi justitiae ratio : sic enim et filius meretur aliquid a patre, et servus a domino.
173Leerstelling. — Verdienste en loon worden tot hetzelfde teruggebracht. Loon immers noemt men wat iemand ter vergelding van zijn werk of zijn arbeid teruggegeven wordt, als de prijs er voor. Vandaar is het een daad van rechtvaardigheid, loon uit te keeren voor werk en arbeid, zooals het ook een daad van rechtvaardigheid is, iemand den rechtmatigen prijs te betalen voor wat men van hem ontving. Welnu, zooals blijkt bij den Wijsgeer (in het 5e Boek zijner Ethica, 3e H.), is de rechtvaardigheid een zekere gelijkheid, en bijgevolg bestaat er rechtvaardigheid zonder meer tusschen hen tusschen wie gelijkheid zonder meer wordt gevonden; tusschen hen echter, tusschen wie niet zonder meer gelijkheid gevonden wordt, bestaat er ook geen rechtvaardigheid zonder meer, maar kan er alleen een zekere manier van rechtvaardigheid zijn, zooals men ook spreekt van een zeker vaderrecht of heerrecht, gelijk de Wijsgeer zegt in hetzelfde Boek (6e H.). Daarom ook bestaat er bij hen, bij wie men van rechtvaardigheid spreekt zonder meer, ook zonder meer verdienste en loon; maar bij hen, bij wie er sprake is van rechtvaardigheid in een of ander opzicht, en niet zonder meer, is er ook niet zonder meer verdienste, maar alleen in een of ander opzicht, in zoover er nl. rechtvaardigheid is, zooals een zoon iets kan verdienen van zijn vader, en een knecht van zijn heer.173Leerstelling. — Verdienste en loon worden tot hetzelfde teruggebracht. Loon immers noemt men wat iemand ter vergelding van zijn werk of zijn arbeid teruggegeven wordt, als de prijs er voor. Vandaar is het een daad van rechtvaardigheid, loon uit te keren voor werk en arbeid, zoals het ook een daad van rechtvaardigheid is, iemand de rechtmatige prijs te betalen voor wat men van hem ontving. Welnu, zoals blijkt bij de Wijsgeer (in het 5e Boek van zijn Ethica, 3e H.), is de rechtvaardigheid een zekere gelijkheid, en bijgevolg bestaat er rechtvaardigheid zonder meer tussen hen tussen wie gelijkheid zonder meer wordt gevonden; tussen hen echter, tussen wie niet zonder meer gelijkheid gevonden wordt, bestaat er ook geen rechtvaardigheid zonder meer, maar kan er alleen een zekere manier van rechtvaardigheid zijn, zoals men ook spreekt van een zeker vaderrecht of heerrecht, gelijk de Wijsgeer zegt in hetzelfde Boek (6e H.). Daarom ook bestaat er bij hen, bij wie men van rechtvaardigheid spreekt zonder meer, ook zonder meer verdienste en loon; maar bij hen, bij wie er sprake is van rechtvaardigheid in een of ander opzicht, en niet zonder meer, is er ook niet zonder meer verdienste, maar alleen in een of ander opzicht, in zover er nl. rechtvaardigheid is, zoals een zoon iets kan verdienen van zijn vader, en een knecht van zijn heer.
174Manifestum est autem, quod inter Deum et hominem est maxima inaequalitas (in infinitum enim distant) : totum quod est hominis bonum, est a Deo; unde non potest hominis ad Deum esse justitia secundum absolutam aequalitatem, sed secundum proportionem quamdam, inquantum scilicet uterque operatur secundum modum suum. Modus autem et mensura humanae virtutis hominis est a Deo, et ideo meritum hominis apud Deum esse non potest, nisi secundum praesuppositionem divinae ordinationis, ita scilicet ut id homo consequatur a Deo per suam operationem, quasi mercedem, ad quod Deus ei virtutem operandi deputavit; sicut etiam res naturales hoc consequuntur per proprios motus, et operationes, ad quod a Deo sunt ordinatae; differenter tamen, quia creatura rationalis seipsam movet ad agendum per liberum arbitrium; unde sua actio habet rationem meriti, quod non est in aliis creaturis.
174Nu is het duidelijk, dat tusschen God en mensch de grootste ongelijkheid bestaat (want ze staan oneindig ver van elkaar af) ; al het goede, wat een mensch heeft, is geheel van God. Vandaar kan er tusschen mensch en God geen rechtvaardigheid zijn krachtens volkomen gelijkheid maar krachtens een zekere verhouding, voorzoover beiden nl. werken op hun eigen wijze. Welnu wijze en maat der menschelijke deugd bij een mensch is van God, en daarom kan er van verdienste van een mensch bij God slechts sprake zijn in de veronderstelling van een goddelijke verordening, met dien verstande nl. dat de mensch door zijn werken van God datgene bij wijze van zijn loon verkrijgt, waartoe God hem kracht gegeven heeft om te werken, zooals ook de natuurdingen door hun eigen bewegen en werken datgene bereiken, waartoe ze door God bestemd zijn, met dit verschil, dat een redelijk schepsel zichzelf tot handelen beweegt door zijn vrijen wil, waarom het dan ook door zijn handeling verdiensten kan verwerven, wat bij de andere schepselen niet is.174Nu is het duidelijk, dat tussen God en mens de grootste ongelijkheid bestaat (want ze staan oneindig ver van elkaar af); al het goede, wat een mens heeft, is geheel van God. Vandaar kan er tussen mens en God geen rechtvaardigheid zijn krachtens volkomen gelijkheid maar krachtens een zekere verhouding, voorzover beiden nl. werken op hun eigen wijze. Welnu wijze en maat van de menselijke deugd bij een mens is van God, en daarom kan er van verdienste van een mens bij God slechts sprake zijn in de veronderstelling van een goddelijke verordening, met die verstande nl. dat de mens door zijn werken van God datgene bij wijze van zijn loon verkrijgt, waartoe God hem kracht gegeven heeft om te werken, zoals ook de natuurdingen door hun eigen bewegen en werken datgene bereiken, waartoe ze door God bestemd zijn, met dit verschil, dat een redelijk schepsel zichzelf tot handelen beweegt door zijn vrijen wil, waarom het dan ook door zijn handeling verdiensten kan verwerven, wat bij de andere schepselen niet is.
Ad primum ergo dicendum, quod homo, inquantum propria voluntate facit illud quod debet, meretur; alioquin actus justitiae, quo quis reddit debitum, non esset meritorius.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. De mensch verdient in zoover hij uit eigen wil datgene doet wat hij verplicht is, 175anders zou een daad van rechtvaardigheid, waardoor iemand zijn verplichting nakomt, niet verdienstelijk zijn.Antwoord op de bedenkingen. — 1. De mens verdient in zover hij uit eigen wil datgene doet wat hij verplicht is, 175anders zou een daad van rechtvaardigheid, waardoor iemand zijn verplichting nakomt, niet verdienstelijk zijn.
175Ad secundum dicendum, quod Deus ex bonis nostris non quaerit utilitatem, sed gloriam, idest manifestationem suae bonitatis, quod etiam ex suis operibus quaerit; ex hoc autem quod eum colimus, nihil ei accrescit, sed nobis; et ideo meremur aliquid a Deo, non quasi ex nostris operibus aliquid ei accrescat, sed inquantum propter ejus gloriam operamur.
2. God verwacht van onze goede werken geen voordeel, maar Hij zoekt Zijn glorie, d. i. de openbaring van Zijn goedheid, wat hij ook bedoelt met Zijn eigen werken. Uit het feit dat we Hem eer brengen, wint Hij niets bij, wel wij, en zóó verdienen we bij God iets voor zoover wij werken om Zijn verheerlijking, en niet voor zoover Hij tengevolge van ons werken iets erbij krijgt.2. God verwacht van onze goede werken geen voordeel, maar Hij zoekt Zijn glorie, d.i. de openbaring van Zijn goedheid, wat hij ook bedoelt met Zijn eigen werken. Uit het feit dat we Hem eer brengen, wint Hij niets bij, wel wij, en zó verdienen we bij God iets voor zover wij werken om Zijn verheerlijking, en niet voor zover Hij tengevolge van ons werken iets erbij krijgt.
Ad tertium dicendum, quod quia actio nostra non habet rationem meriti, nisi ex praesuppositione divinae ordinationis, non sequitur quod Deus efficiatur simpliciter debitor nobis, sed sibi ipsi, inquantum debitum est, ut sua ordinatio impleatur.
3. Uit het feit, dat wij door ons handelen geen verdienste verwerven tenzij in de veronderstelling van een goddelijke verordening, volgt nog niet, dat God zonder meer onze schuldenaar wordt, maar Hij wordt het aan zichzelf, in zoover er verplichting bestaat om aan Zijn eigen verordening gevolg te geven.3. Uit het feit, dat wij door ons handelen geen verdienste verwerven tenzij in de veronderstelling van een goddelijke verordening, volgt nog niet, dat God zonder meer onze schuldenaar wordt, maar Hij wordt het aan zichzelf, in zover er verplichting bestaat om aan Zijn eigen verordening gevolg te geven.
Utrum aliquis sine gratia possit mereri vitam aeternam
Kan iemand zonder de genade het eeuwige leven verdienen?
Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod aliquis sine gratia possit 176mereri vitam aeternam : illud enim homo a Deo meretur, ad quod divinitus ordinatur, sicut dictum est [art. praec.]. Sed homo secundum suam naturam ordinatur ad beatitudinem sicut ad finem; unde etiam naturaliter appetit esse beatus. Ergo homo per sua naturalia absque gratia mereri potest beatitudinem, quae est vita aeterna.
Bedenkingen. — Men beweert, dat iemand zonder de genade het eeuwig leven kan verdienen. 1. Zooals immers (in het 176vorig Artikel) gezegd is, verdient de mensch bij God datgene waartoe hij door God bestemd is. Welnu de mensch is van nature bestemd tot de zaligheid als tot zijn doel, en daarom is zijn streven om gelukkig te zijn iets natuurlijks. Dus kan een mensch door zijn natuurlijke aanleg en zonder de genade de zaligheid verdienen, die is het eeuwige leven.Bedenkingen. — Men beweert, dat iemand zonder de genade het eeuwig leven kan verdienen. 1. Zoals immers (in het 176vorig Artikel) gezegd is, verdient de mens bij God datgene waartoe hij door God bestemd is. Welnu de mens is van nature bestemd tot de zaligheid als tot zijn doel, en daarom is zijn streven om gelukkig te zijn iets natuurlijks. Dus kan een mens door zijn natuurlijke aanleg en zonder de genade de zaligheid verdienen, die is het eeuwige leven.
2. Praeterea, idem opus quanto est minus debitum, tanto est magis meritorium. Sed minus debitum est bonum, quod fit ab eo, qui minoribus beneficiis est praeventus. Cum igitur ille, qui habet solum bona naturalia, minora beneficia sit consecutus a Deo, quam ille, qui cum naturalibus habet gratuita, videtur quod ejus opera sint apud Deum magis meritoria. Et ita, si ille, qui habet gratiam, potest mereri aliquo modo vitam aeternam, multo magis ille, qui non habet.
2. Hoe minder een en hetzelfde werk verplicht is, des te verdienstelijker is het. Welnu een goed werk, dat verricht wordt door hem, die te voren mindere weldaden heeft ontvangen, is minder verplicht. Daar dus hij, die slechts zijn natuurlijke goederen heeft, minder weldaden van God verkregen dan die behalve die natuurlijke ook onverdiende heeft, schijnen zijn werken bij God ook verdienstelijker te zijn. En daarom indien iemand, die de genade bezit, op eenigerlei wijze het eeuwige leven kan verdienen, dan des te meer hij, die ze niet bezit.2. Hoe minder een en hetzelfde werk verplicht is, des te verdienstelijker is het. Welnu een goed werk, dat verricht wordt door hem, die te voren mindere weldaden heeft ontvangen, is minder verplicht. Daar dus hij, die slechts zijn natuurlijke goederen heeft, minder weldaden van God verkregen dan die behalve die natuurlijke ook onverdiende heeft, schijnen zijn werken bij God ook verdienstelijker te zijn. En daarom indien iemand, die de genade bezit, op enigerlei wijze het eeuwige leven kan verdienen, dan des te meer hij, die ze niet bezit.
3. Praeterea, misericordia et liberalitas Dei in infinitum excedit misericordiam et liberalitatem humanam. Sed unus homo potest apud alium mereri, etiamsi numquam suam gratiam ante habuerit. Ergo videtur, quod multo magis homo absque gratia vitam aeternam possit a Deo mereri.
3. De barmhartigheid Gods en Zijn vrijgevigheid overtreffen op oneindige wijze de barmhartigheid en de vrijgevigheid der menschen. De eene mensch nu kan bij den andere verdienen, ook zonder dat hij diens gunst ooit te voren bezat. Het schijnt dus dat een mensch veel eer bij God zonder de genade het eeuwige leven kan verdienen.3. De barmhartigheid Gods en Zijn vrijgevigheid overtreffen op oneindige wijze de barmhartigheid en de vrijgevigheid van de mensen. De ene mens nu kan bij de andere verdienen, ook zonder dat hij diens gunst ooit te voren bezat. Het schijnt dus dat een mens veel eer bij God zonder de genade het eeuwige leven kan verdienen.
177Sed contra est, quod Apostolus dicit Rom. 6 [v. 23] : « Gratia Dei vita aeterna. »
177Maar daartegenover staat, wat de Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (6, 23) : « Het Eeuwige Leven is Gods genade. »177Maar daartegenover staat, wat de Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (6, 23): “Het Eeuwige Leven is Gods genade.”
Respondeo dicendum, quod hominis sine gratia duplex status considerari potest, sicut supra dictum est [q. 109. art. 2.] : unus quidem naturae integrae, qualis fuit in Adam ante peccatum; alius autem naturae corruptae, sicut est in nobis ante reparationem gratiae. Si ergo loquamur de homine quoad primum statum, sic una ratione non potest homo mereri absque gratia vitam aeternam per pura naturalia, quia scilicet meritum hominis dependet ex praeordinatione divina. Actus autem cujuscumque rei non ordinatur divinitus ad aliquid excedens proportionem virtutis, quae est principium actus; hoc enim est ex institutione divinae providentiae, ut nihil agat ultra suam virtutem; vita autem aeterna est quoddam bonum excedens proportionem naturae creatae; quia etiam excedit cognitionem et desiderium ejus, secundum illud 1. ad Cor. 2 [v. 9] : « Nec oculus vidit, nec auris audivit, nec in cor 178hominis ascendit ». Et inde est, quod nulla natura creata est sufficiens principium actus meritorii vitae aeternae, nisi superaddatur aliquod supernaturale donum, quod gratia dicitur.
Leerstelling. — Men kan, zooals boven gezegd is (109e Kw., 2e Art.), een dubbelen toestand onderscheiden van den mensch zonder genade : ten eerste, den toestand der ongeschonden natuur, waarin Adam leefde vóór de zonde, en ten tweede, den toestand der bedorven natuur, zooals die in ons is vóór het herstel der genade. Als wij dus over den mensch in den eersten toestand spreken, kan hij om één reden het eeuwige leven enkel met zijn natuurgoederen niet verdienen zonder de genade, omdat nl. 's menschen verdienste afhangt van de goddelijke voorbeschikking. Het werken van ieder ding is krachtens goddelijke verordening niet aangelegd op iets wat het evenredige kunnen, het beginsel van het handelen, te boven gaat, want juist heeft de goddelijke voorzienigheid bepaald dat niets boven zijn krachten werkt. Welnu, het eeuwige leven is een goed, dat de evenredigheid der geschapen natuur te boven gaat, omdat het de kennis en het verlangen er van overtreft, volgens het bekende woord uit den 1n Brief aan de Corinthiërs (2, 9) : « Geen oog heeft gezien, 178geen oor gehoord, in geen menschenhart is het opgekomen. » Vandaar komt het ook, dat geen enkel geschapen natuur een voldoende beginsel is voor een daad, die het eeuwige leven verdient, tenzij er een bovennatuurlijke gave aan toegevoegd wordt, die men genade noemt.Leerstelling. — Men kan, zoals boven gezegd is (109e Kw., 2e Art.), een dubbelen toestand onderscheiden van de mens zonder genade: ten eerste, de toestand van de ongeschonden natuur, waarin Adam leefde vóór de zonde, en ten tweede, de toestand van de bedorven natuur, zoals die in ons is vóór het herstel van de genade. Als wij dus over de mens in de eerste toestand spreken, kan hij om één reden het eeuwige leven enkel met zijn natuurgoederen niet verdienen zonder de genade, omdat nl. 's mensen verdienste afhangt van de goddelijke voorbeschikking. Het werken van ieder ding is krachtens goddelijke verordening niet aangelegd op iets wat het evenredige kunnen, het beginsel van het handelen, te boven gaat, want juist heeft de goddelijke voorzienigheid bepaald dat niets boven zijn krachten werkt. Welnu, het eeuwige leven is een goed, dat de evenredigheid van de geschapen natuur te boven gaat, omdat het de kennis en het verlangen er van overtreft, volgens het bekende woord uit de 1n Brief aan de Korintiërs (2, 9): “Geen oog heeft gezien, 178geen oor gehoord, in geen mensenhart is het opgekomen.” Vandaar komt het ook, dat geen enkel geschapen natuur een voldoende beginsel is voor een daad, die het eeuwige leven verdient, tenzij er een bovennatuurlijke gave aan toegevoegd wordt, die men genade noemt.
Si vero loquamur de homine sub peccato existente, additur cum hoc secunda ratio, propter impedimentum peccati : cum enim peccatum sit quaedam Dei offensa excludens a vita aeterna, ut patet per supradicta [q. 87, art. 3. sqq.], nullus in statu peccati existens potest vitam aeternam mereri, nisi prius Deo reconcilietur dimisso peccato, quod fit per gratiam : peccatori enim non debetur vita, sed mors, secundum illud Rom. 6 [v. 23.] : « Stipendia peccati mors. »
Als wij het echter hebben over den mensch, zooals hij leeft onder de zonde, is er daarenboven een tweede reden, nl. het beletsel van de zonde. Zooals immers uit het voorgaande blijkt (87e Kw., 3e Art. en vv.), is de zonde een beleediging van God, die uitsluit van het eeuwige leven, en daarom kan niemand, die in staat van zonde is, dat eeuwige leven verdienen, als zijn zonde niet eerst vergeven en hij met God verzoend is; dit nu gebeurt door de genade. Een zondaar toch heeft geen recht op het leven, maar op den dood, volgens het woord uit den Brief aan de Romeinen (6, 23) : « De prijs der zonde is de dood. »Als wij het echter hebben over de mens, zoals hij leeft onder de zonde, is er daarenboven een tweede reden, nl. het beletsel van de zonde. Zoals immers uit het voorgaande blijkt (87e Kw., 3e Art. en vv.), is de zonde een belediging van God, die uitsluit van het eeuwige leven, en daarom kan niemand, die in staat van zonde is, dat eeuwige leven verdienen, als zijn zonde niet eerst vergeven en hij met God verzoend is; dit nu gebeurt door de genade. Een zondaar toch heeft geen recht op het leven, maar op de dood, volgens het woord uit de Brief aan de Romeinen (6, 23): “De prijs van de zonde is de dood.”
Ad primum ergo dicendum, quod Deus ordinavit humanam naturam ad finem vitae aeternae consequendum, non propria virtute, sed per auxilium gratiae; et hoc modo ejus actus potest esse meritorius vitae aeternae.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. God bestemde de menschelijke natuur om haar doel, bestaande in het eeuwige leven, te bereiken, niet uit eigen kracht, doch door de hulp der genade, en zoo kan ook een handeling van den mensch het eeuwige leven verdienen.Antwoord op de bedenkingen. — 1. God bestemde de menselijke natuur om haar doel, bestaande in het eeuwige leven, te bereiken, niet uit eigen kracht, doch door de hulp van de genade, en zo kan ook een handeling van de mens het eeuwige leven verdienen.
179Ad secundum dicendum, quod homo sine gratia non potest habere aequale opus operi, quod ex gratia procedit, quia quanto est perfectius principium actionis, tanto est perfectior actio. Sequeretur autem ratio, supposita aequalitate operationis utrobique.
2. Een menschenwerk zonder de genade kan niet gelijk zijn 179aan het werk dat uit de genade voortkomt, omdat een handeling volmaakter is, naarmate het beginsel van handelen ook volmaakter is. De redeneering zou echter opgaan in de veronderstelling van de gelijkheid van het werk aan beide kanten.2. Een mensenwerk zonder de genade kan niet gelijk zijn 179aan het werk dat uit de genade voortkomt, omdat een handeling volmaakter is, naarmate het beginsel van handelen ook volmaakter is. De redenering zou echter opgaan in de veronderstelling van de gelijkheid van het werk aan beide kanten.
Ad tertium dicendum, quod, quantum ad primam rationem inductam, dissimiliter se habet in Deo, et in homine, nam homo omnem virtutem benefaciendi habet a Deo, non autem ab homine, et ideo a Deo non potest homo aliquid mereri, nisi per donum ejus. Quod Apostolus signanter exprimit, dicens : « Quis prior dedit ei, et retribuetur illi? » [ad Rom., c. 11, v. 35]. Sed ab homine potest quis mereri, antequam ab eo acceperit, per id quod accepit a Deo. Sed quantum ad secundam rationem sumptam ex impedimento peccati, simile est de homine et de Deo, quia etiam homo ab alio mereri non potest, quem offendit prius, nisi ei satisfaciens reconcilietur.
3. Wat de eerste aangevoerde reden betreft, is er tusschen God en den mensch dat verschil, dat de mensch alle macht om wel te doen van God heeft en niet van een mensch, en daarom kan een mensch van God niets verdienen tenzij door Zijn goedgunstigheid; wat ook de Apostel kernachtig uitdrukt, met te zeggen : « Wie heeft hem eerst gegeven, dat het hem zou vergolden worden. » (Brief aan de Romeinen, 11, 35). Maar bij een mensch kan iemand verdienen, voordat hij iets van hem ontvangen heeft, door datgene, wat hij ontving van God. Wat de tweede reden betreft uit het beletsel der zonde, ze gaat gelijkelijk op voor den mensch en voor God, omdat ook een mensch niet van een ander kan verdienen, dien hij te voren beleedigde, tenzij hij hem voldoening gaf en zich met hem verzoende.3. Wat de eerste aangevoerde reden betreft, is er tussen God en de mens dat verschil, dat de mens alle macht om wel te doen van God heeft en niet van een mens, en daarom kan een mens van God niets verdienen tenzij door Zijn goedgunstigheid; wat ook de Apostel kernachtig uitdrukt, met te zeggen: “Wie heeft hem eerst gegeven, dat het hem zou vergolden worden.” (Brief aan de Romeinen, 11, 35). Maar bij een mens kan iemand verdienen, voordat hij iets van hem ontvangen heeft, door datgene, wat hij ontving van God. Wat de tweede reden betreft uit het beletsel van de zonde, ze gaat gelijkelijk op voor de mens en voor God, omdat ook een mens niet van een ander kan verdienen, die hij te voren beledigde, tenzij hij hem voldoening gaf en zich met hem verzoende.
Utrum homo in gratia constitutus possit mereri vitam aeternam ex condigno
Kan iemand, die de genade heeft, rechtens het eeuwige leven verdienen?
180Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod homo in gratia constitutus non possit mereri vitam aeternam ex condigno : dicit enim Apostolus ad Rom. 8. [v. 18] : « Non sunt condignae passiones hujus temporis ad futuram gloriam, quae revelabitur in nobis. » Sed inter alia opera meritoria maxime videntur esse meritoriae sanctorum passiones. Ergo nulla opera hominum sunt meritoria vitae aeternae ex condigno.
180Bedenkingen. — Men beweert, dat de mensch in staat van genade niet rechtens het eeuwige leven kan verdienen. 1. De Apostel immers zegt in zijn Brief aan de Romeinen (8, 18) : « Het lijden van dezen tijd kan niet in vergelijking komen met de toekomstige heerlijkheid, die ons geopenbaard zal worden. » Welnu het lijden der heiligen schijnt onder de andere verdienstelijke werken een zeer groote plaats in te nemen. Dus kan geen menschelijk werk het eeuwige leven rechtens verdienen.180Bedenkingen. — Men beweert, dat de mens in staat van genade niet rechtens het eeuwige leven kan verdienen. 1. De Apostel immers zegt in zijn Brief aan de Romeinen (8, 18): “Het lijden van deze tijd kan niet in vergelijking komen met de toekomstige heerlijkheid, die ons geopenbaard zal worden.” Welnu het lijden van de heiligen schijnt onder de andere verdienstelijke werken een zeer grote plaats in te nemen. Dus kan geen menselijk werk het eeuwige leven rechtens verdienen.
2. Praeterea, super illud Rom. 6 [v. 23] : Gratia Dei vita aeterna, dicit Glos. [ord. Aug. lib. de Gr. et Lib. Arb. cap. 9.] : « Posset recte dicere : Stipendium justitiae vita aeterna, sed maluit dicere : Gratia Dei 181vita aeterna, ut intelligeremus Deum ad aeternam vitam pro sua miseratione nos perducere, non meritis nostris. » Sed id, quod ex condigno quis meretur, non ex miseratione, sed ex merito accipit. Ergo videtur, quod homo non possit per gratiam mereri vitam aeternam ex condigno.
2. Bij het woord uit den Brief aan de Romeinen (6, 23) : « De genade van God is het eeuwige leven » vindt men de Glossa (uit Augustinus, Over de Genade en den Vrijen Wil, 9e H.) : « Terecht had de Apostel kunnen zeggen : de prijs der rechtvaardigheid is het eeuwige leven, maar liever zei hij : Gods genade is het eeuwige leven, opdat wij zouden inzien, dat God 181ons leidt naar het eeuwige leven door Zijn ontfermen, en niet tengevolge van onze verdiensten. » Welnu, wat iemand rechtens verdient, ontvangt hij naar verdiensten en niet uit ontfermen. Dus kan een mensch niet rechtens het eeuwige leven verdienen door de genade.2. Bij het woord uit de Brief aan de Romeinen (6, 23): “De genade van God is het eeuwige leven” vindt men de Glossa (uit Augustinus, Over de Genade en de Vrije Wil, 9e H.): “Terecht had de Apostel kunnen zeggen: de prijs van de rechtvaardigheid is het eeuwige leven, maar liever zei hij: Gods genade is het eeuwige leven, opdat wij zouden inzien, dat God 181ons leidt naar het eeuwige leven door Zijn ontfermen, en niet tengevolge van onze verdiensten.” Welnu, wat iemand rechtens verdient, ontvangt hij naar verdiensten en niet uit ontfermen. Dus kan een mens niet rechtens het eeuwige leven verdienen door de genade.
3. Praeterea, illud meritum videtur esse condignum, quod aequatur mercedi. Sed nullus actus praesentis vitae potest aequari vitae aeternae, quae cognitionem et desiderium nostrum excedit; excedit etiam charitatem, vel dilectionem viae, sicut et excedit naturam. Ergo homo non potest per gratiam mereri vitam aeternam ex condigno.
3. Slechts die verdienste schijnt rechtens, die met het loon gelijk is. Welnu geen enkele daad van dit leven kan het eeuwige evenaarden, wat immers onze kennis en ons verlangen te boven gaat. Ook overtreft het de liefde en het beminnen van den mensch op aarde, zooals het ook de natuur overtreft. Dus kan de mensch niet rechtens door de genade het eeuwige leven verdienen.3. Slechts die verdienste schijnt rechtens, die met het loon gelijk is. Welnu geen enkele daad van dit leven kan het eeuwige evenaarden, wat immers onze kennis en ons verlangen te boven gaat. Ook overtreft het de liefde en het beminnen van de mens op aarde, zoals het ook de natuur overtreft. Dus kan de mens niet rechtens door de genade het eeuwige leven verdienen.
Sed contra, id quod redditur secundum justum judicium, videtur esse merces condigna. Sed vita aeterna redditur a Deo secundum judicium justitiae, secundum illud 2. ad Timoth. 4 [v. 8] : « In reliquo reposita est mihi corona justitiae, quam reddet mihi Dominus in illa die justus judex. » Ergo homo meretur vitam aeternam ex condigno.
Maar daartegenover staat, dat iets, wat volgens een rechtvaardig oordeel wordt gegeven, een loon is, dat rechtens wordt gegeven. Welnu het eeuwig leven wordt door God gegeven overeenkomstig een rechtvaardig oordeel, volgens de woorden uit den 2e Brief aan Timotheus (4, 8) : « Overigens is mij weggelegd de kroon der gerechtigheid, die de Heer, de rechtvaardige rechter, mij op dien dag zal geven. » Dus verdient de mensch rechtens het eeuwige leven.Maar daartegenover staat, dat iets, wat volgens een rechtvaardig oordeel wordt gegeven, een loon is, dat rechtens wordt gegeven. Welnu het eeuwig leven wordt door God gegeven overeenkomstig een rechtvaardig oordeel, volgens de woorden uit de 2e Brief aan Timoteüs (4, 8): “Overigens is mij weggelegd de kroon van de gerechtigheid, die de Heer, de rechtvaardige rechter, mij op die dag zal geven.” Dus verdient de mens rechtens het eeuwige leven.
182Respondeo dicendum, quod opus meritorium hominis dupliciter considerari potest : uno modo, secundum quod procedit ex libero arbitrio; alio modo, secundum quod procedit ex gratia Spiritus Sancti. Si consideretur secundum substantiam operis et secundum quod procedit ex libero arbitrio, sic non potest ibi esse condignitas, propter maximam inaequalitatem, sed est ibi congruitas propter quamdam aequalitatem proportionis. Videtur enim congruum, ut homini operanti secundum suam virtutem Deus recompenset secundum excellentiam suae virtutis.
182Leerstelling. — Men kan het verdienstelijke werk van den mensch op twee manieren beschouwen : vooreerst, voor zoover het komt van den vrijen wil, en ten tweede voor zoover het voortkomt uit de genade van den H. Geest. Als men het werk beschouwt, wat zijn inhoud betreft en als komende van den vrijen wil, dan kan er geen sprake zijn van rechtens verdienen, om de uiterste ongelijkheid; er is echter wel een billijkheid om een gelijkheid van verhouding. Het is immers billijk, dat God een mensch, die naar vermogen werkt, beloont naar de mate van Zijn kracht.182Leerstelling. — Men kan het verdienstelijke werk van de mens op twee manieren beschouwen: vooreerst, voor zover het komt van de vrije wil, en ten tweede voor zover het voortkomt uit de genade van de H. Geest. Als men het werk beschouwt, wat zijn inhoud betreft en als komende van de vrije wil, dan kan er geen sprake zijn van rechtens verdienen, om de uiterste ongelijkheid; er is echter wel een billijkheid om een gelijkheid van verhouding. Het is immers billijk, dat God een mens, die naar vermogen werkt, beloont naar de mate van Zijn kracht.
Si autem loquamur de opere meritorio, secundum quod procedit ex gratia Spiritus Sancti, sic est meritorium vitae aeternae ex condigno : sic enim valor meriti attenditur secundum virtutem Spiritus Sancti moventis nos in vitam aeternam, secundum illud Joan. 4. [v. 14] : « Fiet in eo fons aquae salientis in vitam aeternam. » Attenditur etiam pretium operis secundum dignitatem gratiae, per quam homo consors factus divinae naturae 183adoptatur in filium Dei, cui debetur haereditas ex ipso jure adoptionis, secundum illud Rom. 8 [v. 17] : « Si filii, et haeredes. »
Maar als we spreken over het verdienstelijke werk, in zoover het voortkomt van de genade des H. Geestes, dan verdient het rechtens het eeuwige loon, want zóó wordt bij de waarde der verdienste de kracht des H. Geestes in acht genomen, die ons leidt naar het eeuwige leven, zooals er geschreven is bij Johannes (4, 14) : « Hij zal in hem worden tot een bron van springend water ten eeuwigen leven. » Voor de waarde van het werk wordt ook de waardigheid der genade in acht genomen, waardoor de mensch als deelgenoot aan Gods natuur, tot zoon Gods wordt aangenomen, wien de erfenis toekomt uit recht der aanneming zelf, volgens het woord uit den Brief aan de Romeinen (8, 17) : « Indien zonen, dan ook erfgenamen. »Maar als we spreken over het verdienstelijke werk, in zover het voortkomt van de genade van de H. Geest, dan verdient het rechtens het eeuwige loon, want zó wordt bij de waarde van de verdienste de kracht van de H. Geest in acht genomen, die ons leidt naar het eeuwige leven, zoals er geschreven is bij Johannes (4, 14): “Hij zal in hem worden tot een bron van springend water ten eeuwigen leven.” Voor de waarde van het werk wordt ook de waardigheid van de genade in acht genomen, waardoor de mens als deelgenoot aan Gods natuur, tot zoon Gods wordt aangenomen, wie de erfenis toekomt uit recht van de aanneming zelf, volgens het woord uit de Brief aan de Romeinen (8, 17): “Indien zonen, dan ook erfgenamen.”
Ad primum ergo dicendum, quod Apostolus loquitur de passionibus sanctorum secundum eorum substantiam.
183Antwoord op de bedenkingen. — 1. De Apostel spreekt bij het lijden der heiligen over den inhoud daarvan.183Antwoord op de bedenkingen. — 1. De Apostel spreekt bij het lijden van de heiligen over de inhoud daarvan.
Ad secundum dicendum, quod verbum illius Glossae intelligendum est quantum ad primam causam perveniendi ad vitam aeternam, quae est miseratio Dei; meritum autem nostrum est causa subsequens.
2. Men moet die Glossa zóó verstaan, dat ze de eerste oorzaak aangeeft, om te komen tot het eeuwige leven, nl. Gods erbarming. Onze verdienste is maar een volgende oorzaak.2. Men moet die Glossa zó verstaan, dat ze de eerste oorzaak aangeeft, om te komen tot het eeuwige leven, nl. Gods erbarming. Onze verdienste is maar een volgende oorzaak.
Ad tertium dicendum, quod gratia Spiritus Sancti, quam in praesenti habemus, etsi non sit aequalitas gloriae in actu, est tamen aequalis in virtute, sicut semen arborum, in quo est virtus ad totam arborem. Et similiter per gratiam inhabitat hominem Spiritus Sanctus, qui est sufficiens causa vitae aeternae; unde et dicitur esse pignus haereditatis nostrae 2. ad Cor. 1. [v. 22].
3. De genade van den H. Geest, die wij in dit leven bezitten, is, ofschoon niet daadwerkelijk gelijk aan de verheerlijking, toch wel gelijkwaardig met deze in vermogen, zooals het zaad van een boom, waarin het vermogen ligt tot den geheelen boom. En zóó woont de H. Geest, die de voldoende oorzaak is van het eeuwige leven, door de genade van den mensch, waarom Hij, in den Tweeden Brief aan de Corinthiërs (1, 22) ook wordt genoemd het onderpand van onze erfenis.3. De genade van de H. Geest, die wij in dit leven bezitten, is, ofschoon niet daadwerkelijk gelijk aan de verheerlijking, toch wel gelijkwaardig met deze in vermogen, zoals het zaad van een boom, waarin het vermogen ligt tot de gehele boom. En zó woont de H. Geest, die de voldoende oorzaak is van het eeuwige leven, door de genade van de mens, waarom Hij, in de Tweede Brief aan de Korintiërs (1, 22) ook wordt genoemd het onderpand van onze erfenis.
Utrum gratia sit principium meriti principalius per charitatem, quam per alias virtutes
Is de genade beginsel van het verdienen, voornamelijk door de liefde, meer dan door de andere deugden?
184Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod gratia non sit principium meriti principalius per charitatem, quam per alias virtutes : merces enim operi debetur, secundum illud Matth. 20 [v. 8] : « Voca operarios, et redde illis mercedem suam. » Sed quaelibet virtus est principium alicujus operis : est enim virtus habitus operativus, ut supra habitum est [q. 55. art. 2.]. Ergo quaelibet virtus est aequaliter principium merendi.
184Bedenkingen. — Men beweert, dat de genade niet méér beginsel van verdienste is door de liefde, dan door de andere deugden. 1. Loon immers is men verschuldigd aan werk, volgens Mattheus (20, 8) : « Roep de werklieden en geef hun ieder zijn loon. » Welnu iedere deugd is het beginsel van een of ander werk, want de deugd is een hebbelijkheid om te werken, zooals vroeger gezegd is (55e Kw., 2e Art.). Dus is iedere deugd op gelijke wijze beginsel van verdienste.184Bedenkingen. — Men beweert, dat de genade niet méér beginsel van verdienste is door de liefde, dan door de andere deugden. 1. Loon immers is men verschuldigd aan werk, volgens Matteüs (20, 8): “Roep de werklieden en geef hun ieder zijn loon.” Welnu iedere deugd is het beginsel van een of ander werk, want de deugd is een hebbelijkheid om te werken, zoals vroeger gezegd is (55e Kw., 2e Art.). Dus is iedere deugd op gelijke wijze beginsel van verdienste.
2. Praeterea, Apostolus dicit 1. ad Cor. 3 [v. 8] : « Unusquisque propriam mercedem accipiet secundum proprium laborem ». Sed charitas magis diminuit laborem, quam augeat, quia, sicut Augustinus dicit in lib. 185de Verbis Dom. [serm. 9. cap. 3.], omnia saeva et immania, facilia et prope nulla facit amor. Ergo charitas non est principalius principium merendi, quam alia virtus.
2. De Apostel zegt in den 1n Corinthiërbrief (3, 8) : « Ieder ontvangt zijn eigen loon, overeenkomstig zijn eigen arbeid. » Welnu de liefde vermindert eerder den arbeid, dan dat ze hem vermeerdert, want, zooals Augustinus zegt in zijn Boek Over de Woorden des Heeren (9e B., 3e H.), maakt de liefde al het 185vreeselijke en ontzaglijke gemakkelijk en brengt het tot niets terug. Dus is de liefde niet voornamelijk het beginsel van verdienste, meer dan een andere deugd.2. De Apostel zegt in de 1n Korintiërbrief (3, 8): “Ieder ontvangt zijn eigen loon, overeenkomstig zijn eigen arbeid.” Welnu de liefde vermindert eerder de arbeid, dan dat ze hem vermeerdert, want, zoals Augustinus zegt in zijn Boek Over de Woorden van de Heer (9e B., 3e H.), maakt de liefde al het 185vreselijke en ontzaglijke gemakkelijk en brengt het tot niets terug. Dus is de liefde niet voornamelijk het beginsel van verdienste, meer dan een andere deugd.
3. Praeterea, illa virtus videtur principalius esse principium merendi, cujus actus sunt maxime meritorii. Sed maxime meritorii videntur esse actus fidei et patientiae, sive fortitudinis, sicut patet in martyribus, qui pro fide patienter et fortiter usque ad mortem certaverunt. Ergo aliae virtutes principalius sunt principium merendi, quam charitas.
3. Het voornaamste verdienstebeginsel is die deugd, wier daden ook het verdienstelijkst zijn. Welnu het verdienstelijkst zijn daden van geloof en lijdzaamheid of sterkte, zooals blijkt bij de martelaren, die voor het geloof met lijdzaamheid en sterkte hebben gestreden tot aan den dood. Dus zijn andere deugden dan de liefde meer voorname beginselen der verdienste.3. Het voornaamste verdienstebeginsel is die deugd, wier daden ook het verdienstelijkst zijn. Welnu het verdienstelijkst zijn daden van geloof en lijdzaamheid of sterkte, zoals blijkt bij de martelaren, die voor het geloof met lijdzaamheid en sterkte hebben gestreden tot aan de dood. Dus zijn andere deugden dan de liefde meer voorname beginselen van de verdienste.
Sed contra est, quod Dominus Joann. 14 [v. 21] dicit : « Si quis diligit me, diligetur a Patre meo, et ego diligam eum, et manifestabo ei meipsum. » Sed in manifesta Dei cognitione consistit vita aeterna, secundum illud Joan. 17 [v. 3] : « Haec est vita aeterna, ut cognoscant te, solum Deum verum et vivum. » Ergo meritum vitae aeternae maxime residet penes charitatem.
Maar daartegenover staat het gezegde van den Heer (Johannes, 14, 21) : « Als iemand Mij bemint, zal Mijn Vader hem beminnen; en Ik zal hem beminnen en hem Mijzelf openbaren. » Welnu het eeuwige leven bestaat in de geopenbaarde kennis Gods, volgens het woord van Johannes (17, 3) : « Dit is het eeuwig leven, dat ze U, den eenigen waren en levenden God kennen. » Dus moet men het verdienen van het eeuwige leven voornamelijk bij de liefde zoeken.Maar daartegenover staat het gezegde van de Heer (Johannes, 14, 21): “Als iemand Mij bemint, zal Mijn Vader hem beminnen; en Ik zal hem beminnen en hem Mijzelf openbaren.” Welnu het eeuwige leven bestaat in de geopenbaarde kennis Gods, volgens het woord van Johannes (17, 3): “Dit is het eeuwig leven, dat ze U, de enige waren en levenden God kennen.” Dus moet men het verdienen van het eeuwige leven voornamelijk bij de liefde zoeken.
Respondeo dicendum, quod, sicut ex dictis accipi potest [art. 1.], 186humanus actus habet rationem merendi ex duobus : primo quidem et principaliter ex divina ordinatione, secundum quod actus dicitur esse meritorius illius boni, ad quod homo divinitus ordinatur; secundo vero ex parte liberi arbitrii, inquantum scilicet homo habet prae caeteris creaturis, ut per se agat voluntarie agens. Et quantum ad utrumque principalitas meriti penes charitatem consistit. Primo enim considerandum est, quod vita aeterna in Dei fruitione consistit; motus autem humanae mentis ad fruitionem divini boni est proprius actus charitatis, per quem omnes actus aliarum virtutum ordinantur in hunc finem, secundum quod aliae virtutes imperantur a charitate. Et ideo meritum vitae aeternae primo pertinet ad charitatem, ad alias autem virtutes secundario, secundum quod eorum actus a charitate imperantur. Similiter etiam manifestum est, quod id quod ex amore facimus, maxime voluntarie facimus. Unde etiam secundum quod ad rationem meriti requiritur, quod sit voluntarium, principaliter meritum charitati attribuitur.
Leerstelling. — Uit wat gezegd is (1e Art.) kan men 186afleiden, dat er in de menschelijke daad een dubbele grond tot verdienste te vinden is, vooreerst en voornamelijk de verordening Gods, volgens welke men door een daad dat goed verdient, waartoe God den mensch bestemd heeft. En ten tweede de vrije wil, nl. voor zoover boven alle andere schepselen de mensch de macht heeft om uit zichzelf willens te handelen. En wat beide gronden van verdienste betreft, bestaat de verdienste voornamelijk in de liefde. Vooreerst moet men bedenken, dat het eeuwig leven in de Godsgenieting bestaat. Nu is het streven van 's menschen geest naar de genieting van het goddelijk goed een eigen daad der liefde, waardoor alle daden der andere deugden op dit doel worden gericht, in zoover die andere deugden door de liefde worden bevolen. Het verdienen van het eeuwige leven behoort dus allereerst tot de liefde, en op de tweede plaats tot de andere deugden, in zoover hun daden door de liefde bevolen worden. Ten tweede is het duidelijk, dat we datgene wat we uit liefde doen, het meest willens doen. En omdat voor de verdienste vereischt wordt, dat ze willens is, wordt de verdienste voornamelijk aan de liefde toegeschreven.Leerstelling. — Uit wat gezegd is (1e Art.) kan men 186afleiden, dat er in de menselijke daad een dubbele grond tot verdienste te vinden is, vooreerst en voornamelijk de verordening Gods, volgens welke men door een daad dat goed verdient, waartoe God de mens bestemd heeft. En ten tweede de vrije wil, nl. voor zover boven alle andere schepselen de mens de macht heeft om uit zichzelf willens te handelen. En wat beide gronden van verdienste betreft, bestaat de verdienste voornamelijk in de liefde. Vooreerst moet men bedenken, dat het eeuwig leven in de Godsgenieting bestaat. Nu is het streven van 's mensen geest naar de genieting van het goddelijk goed een eigen daad van de liefde, waardoor alle daden van de andere deugden op dit doel worden gericht, in zover die andere deugden door de liefde worden bevolen. Het verdienen van het eeuwige leven behoort dus allereerst tot de liefde, en op de tweede plaats tot de andere deugden, in zover hun daden door de liefde bevolen worden. Ten tweede is het duidelijk, dat we datgene wat we uit liefde doen, het meest willens doen. En omdat voor de verdienste vereist wordt, dat ze willens is, wordt de verdienste voornamelijk aan de liefde toegeschreven.
187Ad primum ergo dicendum, quod charitas, inquantum habet ultimum finem pro objecto, movet alias virtutes ad operandum : semper enim habitus, ad quem pertinet finis, imperat habitibus, ad quos pertinent ea quae sunt ad finem, ut ex supra dictis patet [q. 9. art. 1.].
Antwoord op de bedenkingen. — 1. De liefde beweegt de andere deugden tot werken, in zoover zij het laatste doel tot 187voorwerp heeft. Want altijd beweegt de hebbelijkheid, waaronder het doel valt, de hebbelijkheid waaronder de middelen vallen, zooals uit het voorgaande duidelijk is (9e Kw., 1e Art.).Antwoord op de bedenkingen. — 1. De liefde beweegt de andere deugden tot werken, in zover zij het laatste doel tot 187voorwerp heeft. Want altijd beweegt de hebbelijkheid, waaronder het doel valt, de hebbelijkheid waaronder de middelen vallen, zoals uit het voorgaande duidelijk is (9e Kw., 1e Art.).
Ad secundum dicendum, quod opus aliquod potest esse laboriosum et difficile dupliciter : uno modo ex magnitudine operis, et sic magnitudo laboris pertinet ad augmentum meriti; et sic charitas non diminuit laborem, imo facit aggredi opera maxima; magna enim operatur, si est, ut Gregorius dicit in quadam homilia [30 in Evang.]. Alio modo ex defectu ipsius operantis : unicuique enim est laboriosum et difficile, quod non prompta voluntate facit. Et talis labor diminuit meritum, et a charitate tollitur.
2. Een werk kan moeilijk en lastig zijn op twee manieren. Op de eerste plaats door de grootte van 't werk, en zoo draagt de grootte van den arbeid bij tot vermeerdering der verdienste. In dien zin vermindert de liefde den arbeid niet, maar integendeel doet zij groote werken volbrengen. « Groote werken worden verricht, als zij er is », zegt Gregorius in een zijner Homelieën (30e Hom.). Op de tweede plaats door een tekort in den werker zelf, want ieder vindt datgene lastig en moeilijk, wat hij niet bereidwillig doet, en zulke moeite vermindert de verdienste en wordt door de liefde opgeheven.2. Een werk kan moeilijk en lastig zijn op twee manieren. Op de eerste plaats door de grootte van 't werk, en zo draagt de grootte van de arbeid bij tot vermeerdering van de verdienste. In die zin vermindert de liefde de arbeid niet, maar integendeel doet zij grote werken volbrengen. “Grote werken worden verricht, als zij er is”, zegt Gregorius in een van zijn Homelieën (30e Hom.). Op de tweede plaats door een tekort in de werker zelf, want ieder vindt datgene lastig en moeilijk, wat hij niet bereidwillig doet, en zulke moeite vermindert de verdienste en wordt door de liefde opgeheven.
Ad tertium dicendum, quod fidei actus non est meritorius, nisi fides per dilectionem operetur, ut dicitur ad Gal. 5 [v. 6]. Similiter etiam actus patientiae et fortitudinis non est meritorius, nisi aliquis ex charitate haec operetur, secundum illud 1. ad Cor. 13 [v. 3] : « Si tradidero corpus meum, ita ut ardeam, charitatem autem non habuero, nihil mihi prodest. »
3. De geloofsdaad is niet verdienstelijk, als het geloof niet werkt door de liefde, zooals gezegd wordt in den Brief aan de Galaten (5, 6). Zoo ook is een daad van lijdzaamheid en sterkte niet verdienstelijk, tenzij men deze stelt uit liefde, volgens het bekende woord uit den 1e Corinthiërbrief (13, 3) : « Al lever ik mijn lichaam over om te branden, maar ik heb geen liefde, het baat tot niets. »3. De geloofsdaad is niet verdienstelijk, als het geloof niet werkt door de liefde, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Galaten (5, 6). Zo ook is een daad van lijdzaamheid en sterkte niet verdienstelijk, tenzij men deze stelt uit liefde, volgens het bekende woord uit de 1e Korintiërbrief (13, 3): “Al lever ik mijn lichaam over om te branden, maar ik heb geen liefde, het baat tot niets.”
Utrum homo possit sibi mereri primam gratiam
Kan de mensch voor zichzelf de eerste genade verdienen?Kan de mens voor zichzelf de eerste genade verdienen?
188Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod homo possit sibi mereri primam gratiam : quia, ut Augustinus dicit [Ep. 186, al. 106, cap. 3.], « fides meretur justificationem. » Justificatur autem homo per primam gratiam. Ergo homo potest mereri sibi primam gratiam.
188Bedenkingen. — Men beweert, dat de mensch voor zichzelf de eerste genade kan verdienen. 1. Immers het geloof verdient de rechtvaardigmaking, zooals Augustinus zegt (in zijn 186e of 106e Brief, 3e H.). Welnu de mensch wordt rechtvaardig gemaakt door de eerste genade. Dus kan de mensch voor zichzelf de eerste genade verdienen.188Bedenkingen. — Men beweert, dat de mens voor zichzelf de eerste genade kan verdienen. 1. Immers het geloof verdient de rechtvaardigmaking, zoals Augustinus zegt (in zijn 186e of 106e Brief, 3e H.). Welnu de mens wordt rechtvaardig gemaakt door de eerste genade. Dus kan de mens voor zichzelf de eerste genade verdienen.
2. Praeterea, Deus non dat gratiam nisi dignis. Sed non dicitur aliquis dignus aliquo bono, nisi qui ipsum promeruit ex condigno. Ergo aliquis ex condigno potest mereri primam gratiam.
2. God geeft alleen de genade aan de waardigen. Welnu niemand wordt eenig goed waardig gekeurd, als hij dat niet rechtens verdiend heeft. Dus kan iemand rechtens de eerste genade verdienen.2. God geeft alleen de genade aan de waardigen. Welnu niemand wordt enig goed waardig gekeurd, als hij dat niet rechtens verdiend heeft. Dus kan iemand rechtens de eerste genade verdienen.
3. Praeterea, apud homines aliquis potest promereri donum jam acceptum, sicut qui accepit equum a domino, meretur ipsum bene utendo eo 189in servitio domini. Sed Deus liberalior est quam homo. Ergo multo magis primam gratiam jam susceptam potest homo promereri a Deo per subsequentia opera.
3. Bij de menschen kan iemand een reeds ontvangen gave verdienen; b. v. iemand die van zijn meester een paard kreeg, verdient het ook door er een goed gebruik van te maken in den dienst van zijn meester. God echter is vrijgeviger dan de menschen. 189Dus zoo veel meer kan de mensch de reeds ontvangen eerste genade van God verdienen door de werken die volgen.3. Bij de mensen kan iemand een reeds ontvangen gave verdienen; bv. iemand die van zijn meester een paard kreeg, verdient het ook door er een goed gebruik van te maken in de dienst van zijn meester. God echter is vrijgeviger dan de mensen. 189Dus zo veel meer kan de mens de reeds ontvangen eerste genade van God verdienen door de werken die volgen.
Sed contra est, quod ratio gratiae repugnat mercedi operum, secundum illud Rom. 4 [v. 4] : « Ei, qui operatur, merces non imputatur secundum gratiam, sed secundum debitum. » Sed illud meretur homo, quod imputatur sibi secundum debitum, quasi merces operum ejus. Ergo primam gratiam non potest homo mereri.
Maar daartegenover staat, dat het begrip zelf der genade in strijd is met het loon voor de werken, volgens het woord uit den Brief aan de Romeinen (4, 4) : « Hem die werkt, zal het loon aangerekend worden, niet overeenkomstig de genade, maar volgens verplichting. » Welnu, de mensch verdient juist datgene, wat hem aangerekend wordt uit verplichting, als het loon voor zijn werk. Dus kan de mensch de eerste genade niet verdienen.Maar daartegenover staat, dat het begrip zelf van de genade in strijd is met het loon voor de werken, volgens het woord uit de Brief aan de Romeinen (4, 4): “Hem die werkt, zal het loon aangerekend worden, niet overeenkomstig de genade, maar volgens verplichting.” Welnu, de mens verdient juist datgene, wat hem aangerekend wordt uit verplichting, als het loon voor zijn werk. Dus kan de mens de eerste genade niet verdienen.
Respondeo dicendum, quod donum gratiae considerari potest dupliciter: uno modo secundum rationem gratuiti doni, et sic manifestum est, quod omne meritum repugnat gratiae, quia, ut ad Roman. 11 [v. 6] Apostolus dicit : « Si autem gratia, jam non ex operibus. » Alio modo potest considerari secundum naturam ipsius rei, quae donatur, et sic etiam non potest cadere 190sub merito non habentis gratiam, tum quia excedit proportionem naturae, tum etiam quia ante gratiam in statu peccati homo habet impedimentum promerendi gratiam, scilicet ipsum peccatum. Postquam autem jam aliquis habet gratiam, non potest gratia jam habita sub merito cadere, quia merces est terminus operis, gratia vero est principium cujuslibet boni operis in nobis, ut supra dictum est [q. 109.]. Si vero aliud donum gratuitum aliquis mereatur virtute gratiae praecedentis, jam non erit prima. Unde manifestum est, quod nullus potest sibi mereri primam gratiam.
Leerstelling. — Men kan de gave der genade op twee manieren beschouwen : eerst overeenkomstig het karakter van een gave om niet; en zóó is het duidelijk, dat al wat verdienste is met de genade in strijd is, omdat, zooals de Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (11, 6) : « Indien genade, dan ook niet als gevolg van de werken. » Men kan ze ook anders beschouwen, overeenkomstig de natuur der zaak, die gegeven wordt; en zoo kan ze ook niet onder de verdienste vallen van iemand die de genade niet heeft, zoowel omdat ze de natuurverhouding te boven gaat, alsook omdat de mensch, vóór dat hij de genade 190heeft, in staat van zonde, een beletsel heeft om de genade te verdienen, nl. juist de zonde. Indien iemand echter de genade reeds heeft, kan de reeds verkregen genade niet onder de verdienste vallen, omdat het loon de bekroning van het werk is, en de genade juist het beginsel van ieder goed werk in ons, zooals boven is gezegd (109e Kw.). Maar indien iemand een andere onverplichte gave verdient krachtens een voorgaande genade, is die al geen eerste meer. En zoo is het duidelijk, dat niemand voor zichzelf de eerste genade kan verdienen.Leerstelling. — Men kan de gave van de genade op twee manieren beschouwen: eerst overeenkomstig het karakter van een gave om niet; en zó is het duidelijk, dat al wat verdienste is met de genade in strijd is, omdat, zoals de Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (11, 6): “Indien genade, dan ook niet als gevolg van de werken.” Men kan ze ook anders beschouwen, overeenkomstig de natuur van de zaak, die gegeven wordt; en zo kan ze ook niet onder de verdienste vallen van iemand die de genade niet heeft, zowel omdat ze de natuurverhouding te boven gaat, alsook omdat de mens, vóór dat hij de genade 190heeft, in staat van zonde, een beletsel heeft om de genade te verdienen, nl. juist de zonde. Indien iemand echter de genade reeds heeft, kan de reeds verkregen genade niet onder de verdienste vallen, omdat het loon de bekroning van het werk is, en de genade juist het beginsel van ieder goed werk in ons, zoals boven is gezegd (109e Kw.). Maar indien iemand een andere onverplichte gave verdient krachtens een voorgaande genade, is die al geen eerste meer. En zo is het duidelijk, dat niemand voor zichzelf de eerste genade kan verdienen.
Ad primum ergo dicendum, quod, sicut Augustinus dicit in lib. 1. Retract. [cap. 23.], ipse aliquando in hoc fuit deceptus, quod credidit initium fidei esse ex nobis, sed consummationem nobis dari ex Deo, quod ipse ibidem retractat, et ad hunc sensum videtur pertinere, quod fides justificationem mereatur. Sed si supponamus, sicut fidei veritas habet, quod initium fidei sit in nobis a Deo, jam etiam ipse actus fidei consequitur 191primam gratiam, et ita non potest esse meritorius primae gratiae. Per fidem igitur justificatur homo, non quasi homo credendo mereatur justificationem, sed quia dum justificatur, credit, eo quod motus fidei requiritur ad justificationem impii, ut supra dictum est [q. 113. art. 4.].
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Zooals Augustinus zegt (Retractationes, 1e B., 23e H.), had hij zich vroeger hierin vergist, toen hij geloofde, dat het begin van het geloof uit ons zelf voortkwam en God ons de voleinding gaf, wat hij nu op die plaats terugtrekt, en in dien zin moet men nu zijn bewering verstaan, dat het geloof de rechtvaardigmaking verdient. Maar als we veronderstellen, zooals ook het geloof leert, dat het begin van het geloof in ons van God is, dan volgt deze geloofsdaad reeds op de eerste genade en kan ze die niet verdienen. Want wel wordt de mensch door het geloof rechtvaardig gemaakt, maar niet als verdiende de mensch de rechtvaardigmaking door te gelooven, maar hij gelooft juist, wijl hij rechtvaardig gemaakt 191wordt, omdat voor de rechtvaardigmaking van den niet-rechtvaardige een daad van geloof gevorderd wordt, zooals boven gezegd is (113e Kw., 4e Art.).Antwoord op de bedenkingen. — 1. Zoals Augustinus zegt (Retractationes, 1e B., 23e H.), had hij zich vroeger hierin vergist, toen hij geloofde, dat het begin van het geloof uit onszelf voortkwam en God ons de voleinding gaf, wat hij nu op die plaats terugtrekt, en in die zin moet men nu zijn bewering verstaan, dat het geloof de rechtvaardigmaking verdient. Maar als we veronderstellen, zoals ook het geloof leert, dat het begin van het geloof in ons van God is, dan volgt deze geloofsdaad reeds op de eerste genade en kan ze die niet verdienen. Want wel wordt de mens door het geloof rechtvaardig gemaakt, maar niet als verdiende de mens de rechtvaardigmaking door te geloven, maar hij gelooft juist, wijl hij rechtvaardig gemaakt 191wordt, omdat voor de rechtvaardigmaking van de niet-rechtvaardige een daad van geloof gevorderd wordt, zoals boven gezegd is (113e Kw., 4e Art.).
Ad secundum dicendum, quod Deus non dat gratiam nisi dignis, non tamen ita quod prius digni fuerint, sed quia ipse per gratiam eos facit dignos, qui solus « potest facere mundum de immundo conceptum semine. » [Job. 14. v. 4].
2. Dat God de genade alleen geeft aan die het waardig zijn, moet niet zóó verstaan worden, dat zij het te voren waardig waren, maar zóó, dat Hij ze juist door de genade waardig maakt, Hij die alleen « zuiver kan maken alwie uit onzuiver zaad ontvangen is. » (Job, 14, 4).2. Dat God de genade alleen geeft aan die het waardig zijn, moet niet zó verstaan worden, dat zij het te voren waardig waren, maar zó, dat Hij ze juist door de genade waardig maakt, Hij die alleen “zuiver kan maken alwie uit onzuiver zaad ontvangen is.” (Job, 14, 4).
Ad tertium dicendum, quod omne bonum opus hominis procedit a prima gratia sicut a principio, non autem procedit a quocumque humano dono; et ideo non est similis ratio de dono gratiae, et de dono humano.
3. Ieder goed werk van den mensch komt van de eerste genade, als beginsel, maar niet van iedere menschelijke gave; en daarom gaat niet dezelfde redeneering op voor de gave der genade als voor een menschelijke gave.3. Ieder goed werk van de mens komt van de eerste genade, als beginsel, maar niet van iedere menselijke gave; en daarom gaat niet dezelfde redenering op voor de gave van de genade als voor een menselijke gave.
Utrum homo possit alteri mereri primam gratiam
Kan de mensch voor een ander de eerste genade verdienen?Kan de mens voor een ander de eerste genade verdienen?
Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod homo possit alteri mereri 192primam gratiam, quia Matth. 9. super illud : Videns Jesus fidem illorum, etc. dicit Glos. [ordin.] : « Quantum valet apud Deum fides propria, apud quem sic valuit aliena, ut intus et extra sanaret hominem? » Sed interior sanatio hominis est per primam gratiam. Ergo homo potest alteri mereri primam gratiam.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de mensch voor een 192ander de eerste genade kan verdienen. 1. De Glossa ordinaria bij den tekst van Mattheus (9e H.) : « Jezus, hun geloof ziende », enz. zegt immers : « Hoe waardeert God het geloof van den mensch zelf, bij wien dat van een ander zóóveel waarde heeft, dat het den mensch in- en uitwendig gezond maakt! » Welnu de innerlijke genezing van den mensch geschiedt door de eerste genade. Dus kan de mensch voor een ander de eerste genade verdienen.Bedenkingen. — Men beweert, dat de mens voor een 192ander de eerste genade kan verdienen. 1. De Glossa ordinaria bij de tekst van Matteüs (9e H.): “Jezus, hun geloof ziende”, enz. zegt immers: “Hoe waardeert God het geloof van de mens zelf, bij wie dat van een ander zóveel waarde heeft, dat het de mens in- en uitwendig gezond maakt!” Welnu de innerlijke genezing van de mens geschiedt door de eerste genade. Dus kan de mens voor een ander de eerste genade verdienen.
2. Praeterea, orationes justorum non sunt vacuae, sed efficaces, secundum illud Jac. ult. [v. 16] : « Multum valet deprecatio justi assidua. » Sed ibidem praemittitur : « Orate pro invicem, ut salvemini. » Cum igitur salus hominis non possit esse nisi per gratiam, videtur quod unus homo possit alteri mereri primam gratiam.
2. Het gebed der rechtvaardigen is niet nutteloos, maar werkdadig, volgens het woord uit den Brief van Jacobus (5, 16) : « Veel vermag het smeeken der rechtvaardigen, » terwijl hij er aan laat voorafgaan : « Bidt voor elkander opdat gij behouden wordt. » Welnu het heil van den mensch komt alleen van de genade voort, en bijgevolg kan de eene mensch voor den anderen de eerste genade verdienen.2. Het gebed van de rechtvaardigen is niet nutteloos, maar werkdadig, volgens het woord uit de Brief van Jacobus (5, 16): “Veel vermag het smeken van de rechtvaardigen,” terwijl hij er aan laat voorafgaan: “Bidt voor elkander opdat gij behouden wordt.” Welnu het heil van de mens komt alleen van de genade voort, en bijgevolg kan de ene mens voor de anderen de eerste genade verdienen.
3. Praeterea, Lucae 16 [v. 9] dicitur : « Facite vobis amicos de mammona iniquitatis, ut cum defeceritis, recipiant vos in aeterna tabernacula. » Sed nullus recipitur in aeterna tabernacula, nisi per gratiam, per quam solam aliquis meretur vitam aeternam, ut supra dictum est [art. 2. 193huj. q. et q. 109. art. 5.]. Ergo unus homo potest alteri acquirere merendo primam gratiam.
3. Bij Lucas (16, 9) wordt gezegd : « Maakt u vrienden van de mammon der ongerechtigheid, opdat, wanneer gij in de verdrukking zijt, zij u opnemen in de eeuwige woontenten. » Welnu niemand wordt in de eeuwige woontenten opgenomen, tenzij door de genade, waardoor men alleen het eeuwig leven verdient, zooals boven gezegd is (2e Art., en 109e Kw., 5e Art.). Dus kan de eene mensch voor den ander de eerste genade verwerven door te verdienen.3. Bij Lukas (16, 9) wordt gezegd: “Maakt u vrienden van de mammon van de ongerechtigheid, opdat, wanneer gij in de verdrukking zijt, zij u opnemen in de eeuwige woontenten.” Welnu niemand wordt in de eeuwige woontenten opgenomen, tenzij door de genade, waardoor men alleen het eeuwig leven verdient, zoals boven gezegd is (2e Art., en 109e Kw., 5e Art.). Dus kan de ene mens voor de ander de eerste genade verwerven door te verdienen.
Sed contra est, quod dicitur Jerem. 15 [v. 1] : « Si steterit Moyses et Samuel coram me, non est anima mea ad populum istum », qui tamen fuerunt maximi meriti apud Deum. Videtur ergo, quod nullus possit alteri mereri primam gratiam.
193Maar daartegenover staat het woord van Jeremias (15, 1) : « Wanneer Mozes en Samuel voor mijn aangezicht staan, is mijn ziel niet tot dit volk gewend. » Dezen nu waren toch groot van verdienste bij God. Vandaar schijnt niemand voor een ander de eerste genade te kunnen verdienen.193Maar daartegenover staat het woord van Jeremia (15, 1): “Wanneer Mozes en Samuel voor mijn aangezicht staan, is mijn ziel niet tot dit volk gewend.” Deze nu waren toch groot van verdienste bij God. Vandaar schijnt niemand voor een ander de eerste genade te kunnen verdienen.
Respondeo dicendum, quod, sicut ex supradictis patet [art. 1, 3 et 4.], opus nostrum habet rationem meriti ex duobus : primo quidem ex vi motionis divinae, et sic meretur aliquis ex condigno; alio modo habet rationem meriti, secundum quod procedit ex libero arbitrio, inquantum voluntarie aliquid facimus, et ex hac parte est meritum congrui, quia congruum est, ut, dum homo bene utitur sua virtute, Deus secundum superexcellentem virtutem excellentius operetur. Ex quo patet, quod merito condigni nullus potest mereri alteri primam gratiam, nisi solus Christus, quia unusquisque nostrum movetur a Deo per donum gratiae, ut ipse ad vitam aeternam perveniat; et 194ideo meritum condigni ultra hanc motionem non se extendit. Sed anima Christi mota est a Deo per gratiam, non solum ut ipse perveniret ad gloriam vitae aeternae, sed etiam ut alios in eam adduceret, inquantum est caput Ecclesiae et auctor salutis humanae, secundum illud ad Hebr. 2 [v. 10] : « Qui multos filios in gloriam adduxerat, auctorem salutis » etc.
Leerstelling. — Zooals uit het voorgaande duidelijk is (1e, 3e en 4e Art.), heeft ons werk een tweevoudigen grond van verdienste : vooreerst krachtens de goddelijke beweging, en zóó verdient men rechtens; en ten tweede, voor zoover zij voortkomt uit den vrijen wil, waardoor wij willens handelen. Van dezen kant bezien, is het een verdienste volgens billijkheid, omdat het billijk is, dat, als de mensch een goed gebruik maakt van zijn krachten, God, overeenkomstig Zijn alles overtreffende kracht, nog uitstekender zal werken. En hieruit blijkt, dat niemand rechtens voor een ander de eerste genade kan verdienen, behalve Christus, want ieder van ons beweegt God door de gave Zijner genade, om het eeuwige leven te bereiken, en daarom strekt het rechtens verdiende zich niet verder uit dan dit bewogen worden. De ziel van Christus 194echter wordt door Gods genade bewogen, niet alleen opdat Hij zelf tot de heerlijkheid van het eeuwige leven zou komen, maar opdat Hij ook anderen daarheen zou voeren, als hoofd der Kerk en bewerker van 's menschen heil, volgens den Hebreërbrief (2, 10) : « Die vele zonen tot de heerlijkheid heeft gebracht, de bewerker des heils », enz.Leerstelling. — Zoals uit het voorgaande duidelijk is (1e, 3e en 4e Art.), heeft ons werk een tweevoudigen grond van verdienste: vooreerst krachtens de goddelijke beweging, en zó verdient men rechtens; en ten tweede, voor zover zij voortkomt uit de vrije wil, waardoor wij willens handelen. Van deze kant bezien, is het een verdienste volgens billijkheid, omdat het billijk is, dat, als de mens een goed gebruik maakt van zijn krachten, God, overeenkomstig Zijn alles overtreffende kracht, nog uitstekender zal werken. En hieruit blijkt, dat niemand rechtens voor een ander de eerste genade kan verdienen, behalve Christus, want ieder van ons beweegt God door de gave Van zijn genade, om het eeuwige leven te bereiken, en daarom strekt het rechtens verdiende zich niet verder uit dan dit bewogen worden. De ziel van Christus 194echter wordt door Gods genade bewogen, niet alleen opdat Hij zelf tot de heerlijkheid van het eeuwige leven zou komen, maar opdat Hij ook anderen daarheen zou voeren, als hoofd van de Kerk en bewerker van 's mensen heil, volgens de Hebreërbrief (2, 10): “Die vele zonen tot de heerlijkheid heeft gebracht, de bewerker van het heil”, enz.
Sed merito congrui potest aliquis alteri mereri primam gratiam. Quia enim homo in gratia constitutus implet Dei voluntatem, congruum est, secundum amicitiae proportionem, ut Deus impleat hominis voluntatem in salvatione alterius, licet quandoque possit habere impedimentum ex parte illius, cujus aliquis sanctus justificationem desiderat. Et in hoc casu loquitur auctoritas Jeremiae ultimo adducta.
Volgens billijkheid echter kan men de eerste genade voor een ander verdienen. Daar immers de mensch in staat van genade Gods wil vervult, is het billijk, dat God, overeenkomstig de verhouding der vriendschap, toestemt in den wil van een mensch om een ander zalig te zien, ofschoon er soms een beletsel kan zijn van den kant van hem, voor wien een rechtvaardige de rechtvaardigmaking verlangt. En voor zoo'n geval spreekt zich de tekst van Jeremias uit.Volgens billijkheid echter kan men de eerste genade voor een ander verdienen. Daar immers de mens in staat van genade Gods wil vervult, is het billijk, dat God, overeenkomstig de verhouding van de vriendschap, toestemt in de wil van een mens om een ander zalig te zien, ofschoon er soms een beletsel kan zijn van de kant van hem, voor wie een rechtvaardige de rechtvaardigmaking verlangt. En voor zo'n geval spreekt zich de tekst van Jeremia uit.
Ad primum ergo dicendum, quod fides aliorum valet alii ad salutem, merito congrui, non merito condigni.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het geloof van den eenen helpt den anderen tot zijn heil, overeenkomstig de verdienste uit billijkheid, niet uit rechtmatigheid.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het geloof van de ene helpt de anderen tot zijn heil, overeenkomstig de verdienste uit billijkheid, niet uit rechtmatigheid.
Ad secundum dicendum, quod impetratio orationis innititur misericordiae, meritum autem condigni innititur justitiae; et ideo multa orando 195impetrat homo ex divina misericordia, quae tamen non meretur secundum justitiam, secundum illud Danielis 9 [v. 18] : « Neque enim in justificationibus nostris prosternimus preces ante faciem tuam, sed in miserationibus tuis multis. »
2. Het afsmeekende gebed steunt op de barmhartigheid, maar de rechtmatige verdienste op de rechtvaardigheid; en daarom kan 195de mensch door te bidden veel verkrijgen van de goddelijke barmhartigheid, wat hij niet volgens de rechtvaardigheid verdient, zooals geschreven staat bij Daniël (9,18) : « Want niet om onze gerechte werken leggen wij de gebeden neer voor uw aangezicht, maar om uw vele barmhartigheden. »2. Het afsmekende gebed steunt op de barmhartigheid, maar de rechtmatige verdienste op de rechtvaardigheid; en daarom kan 195de mens door te bidden veel verkrijgen van de goddelijke barmhartigheid, wat hij niet volgens de rechtvaardigheid verdient, zoals geschreven staat bij Daniël (9,18): “Want niet om onze gerechte werken leggen wij de gebeden neer voor uw aangezicht, maar om uw vele barmhartigheden.”
Ad tertium dicendum, quod pauperes eleemosynas recipientes dicuntur recipere alios in aeterna tabernacula, vel impetrando eis veniam orando, vel merendo per alia bona ex congruo, vel etiam materialiter loquendo, quia per ipsa opera misericordiae, quae quis in pauperes exercet, meretur recipi in aeterna tabernacula.
3. Armen, die een aalmoes krijgen, nemen anderen op in de eeuwige woontenten, zegt men, ofwel omdat ze door hun gebed vergiffenis voor dezen afsmeeken, ofwel omdat ze door andere goede werken uit billijkheid verdienen, of ook omdat men, door de werken van barmhartigheid, die men ten behoeve van de armen uitoefent, verdient opgenomen te worden in de eeuwige woontenten.3. Armen, die een aalmoes krijgen, nemen anderen op in de eeuwige woontenten, zegt men, ofwel omdat ze door hun gebed vergiffenis voor deze afsmeken, ofwel omdat ze door andere goede werken uit billijkheid verdienen, of ook omdat men, door de werken van barmhartigheid, die men ten behoeve van de armen uitoefent, verdient opgenomen te worden in de eeuwige woontenten.
Utrum homo possit sibi mereri reparationem post lapsum
Kan iemand voor zichzelf het herstel na den val verdienen?Kan iemand voor zichzelf het herstel na de val verdienen?
Ad septimum sic proceditur. Videtur, quod aliquis possit sibi mereri reparationem post lapsum : illud enim, quod juste a Deo petitur, homo videtur 196posse mereri. Sed nihil justius a Deo petitur, ut Augustinus dicit [implic. enarrat. 1. super haec verba Psal.], quam quod reparetur post lapsum, secundum illud Psalmi 70 [v. 9] : « Cum defecerit virtus mea, ne derelinquas me, Domine. » Ergo homo potest mereri, ut reparetur post lapsum.
Bedenkingen. — Men beweert, dat men voor zichzelf het herstel na den val kan verdienen. 1. Immers, wat men rechtmatig van 196God vraagt, schijnt de mensch te kunnen verdienen. Welnu men kan niets rechtmatiger van God vragen, zooals Augustinus zegt (in zijn Verhandeling over de Psalmen), dan het herstel na den val, volgens het woord van den Psalmist (Ps. 70, 9) : « Dat Gij, God, mij toch niet moogt verlaten, als mijn krachten bezwijken. » Dus kan de mensch het herstel na den val verdienen.Bedenkingen. — Men beweert, dat men voor zichzelf het herstel na de val kan verdienen. 1. Immers, wat men rechtmatig van 196God vraagt, schijnt de mens te kunnen verdienen. Welnu men kan niets rechtmatiger van God vragen, zoals Augustinus zegt (in zijn Verhandeling over de Psalmen), dan het herstel na de val, volgens het woord van de Psalmist (Ps. 70, 9)a: “Dat Gij, God, mij toch niet moogt verlaten, als mijn krachten bezwijken.” Dus kan de mens het herstel na de val verdienen.
2. Praeterea, multo magis homini prosunt opera sua, quam prosint alii. Sed homo potest aliquo modo alteri mereri reparationem post lapsum, sicut et primam gratiam. Ergo multo magis sibi mereri potest ut reparetur post lapsum.
2. Iemands goede werken zijn veel voordeeliger voor hem zelf dan voor een ander. Welnu een mensch kan eenigszins voor een ander het herstel na den val verdienen, zooals ook de eerste genade. Dus kan hij veel meer voor zichzelf het herstel na den val verdienen.2. Iemands goede werken zijn veel voordeliger voor hemzelf dan voor een ander. Welnu een mens kan enigszins voor een ander het herstel na de val verdienen, zoals ook de eerste genade. Dus kan hij veel meer voor zichzelf het herstel na de val verdienen.
3. Praeterea, homo, qui aliquando fuit in gratia, per bona opera, quae fecit, meruit sibi vitam aeternam, ut ex supradictis patet [art. 2. huj. q. et q. 109. art. 5.]. Sed ad vitam aeternam non potest quis pervenire, nisi reparetur per gratiam. Ergo videtur, quod sibi meruit reparationem per gratiam.
3. Iemand, die eens in de genade geweest is, heeft door de goede werken, die hij deed, zijn eeuwig leven verdiend, zooals uit het bovengezegde blijkt (2e Art. en 109e Kw., 5e Art.). Welnu niemand kan tot het eeuwig leven komen, tenzij na het herstel door de genade. Dus schijnt hij zijn herstel door de genade verdiend te hebben.3. Iemand, die eens in de genade geweest is, heeft door de goede werken, die hij deed, zijn eeuwig leven verdiend, zoals uit het bovengezegde blijkt (2e Art. en 109e Kw., 5e Art.). Welnu niemand kan tot het eeuwig leven komen, tenzij na het herstel door de genade. Dus schijnt hij zijn herstel door de genade verdiend te hebben.
Sed contra est, quod dicitur Ezech. 18 [v. 24] : « Si averterit se justus a justitia sua et fecerit iniquitatem, omnes justitiae ejus, quas fecerat, 197non recordabuntur. » Ergo nihil valebunt ei praecedentia merita ad hoc, quod resurgat. Non ergo aliquis potest sibi mereri reparationem post lapsum futurum.
Maar daartegenover staat het woord van Ezechiel (18, 24) : « Als de rechtvaardige zich van zijn gerechtigheid heeft 197afgewend en onrecht bedreven, zal al het rechtvaardige, wat hij deed, niet meer in herinnering komen. » Dus baten hem zijn voorgaande verdiensten niets tot zijn opstanding, en bijgevolg kan iemand zijn herstel na een toekomstigen val niet verdienen.Maar daartegenover staat het woord van Ezechiël (18, 24): “Als de rechtvaardige zich van zijn gerechtigheid heeft 197afgewend en onrecht bedreven, zal al het rechtvaardige, wat hij deed, niet meer in herinnering komen.” Dus baten hem zijn voorgaande verdiensten niets tot zijn opstanding, en bijgevolg kan iemand zijn herstel na een toekomstigen val niet verdienen.
Respondeo dicendum, quod nullus potest sibi mereri reparationem post lapsum futurum, neque merito condigni, neque merito congrui. Merito quidem condigni hoc sibi mereri non potest, quia ratio hujus meriti dependet ex motione divinae gratiae; quae quidem motio interrumpitur per sequens peccatum. Unde omnia beneficia, quae postmodum aliquis a Deo consequitur quibus reparatur, non cadunt sub merito, tamquam motione prioris gratiae usque ad haec non se extendente; meritum etiam congrui, quo quis alteri primam gratiam meretur, impeditur ne consequatur effectum propter impedimentum peccati in eo, cui quis meretur. Multo igitur magis impeditur talis meriti efficacia per impedimentum, quod est et in eo qui meretur, et in eo 198cui meretur : hic enim utrumque in unam personam concurrit. Et ideo nullo modo aliquis potest sibi mereri reparationem post lapsum.
Leerstelling. — Niemand kan voor zichzelf het herstel na een toekomstigen val verdienen, noch rechtens, noch volgens billijkheid. Niet rechtens, omdat de grond van deze verdienste afhangt van de beweging door de goddelijke genade, en die beweging onderbroken wordt door de zonde. Vandaar dat al de weldaden, die iemand daarna van God verkrijgt en waardoor hij hersteld wordt, niet onder de verdienste vallen, wijl de beweging der voorgaande genade zich niet zoover uitstrekt. De verdienste volgens billijkheid, waardoor iemand voor een ander de eerste genade verdient, ondervindt een beletsel, zoodat zij haar gevolg niet bereikt om de zonde in dengene voor wien men verdient. Veel grooter beletsel ondervindt dan de krachtdadigheid van zulk een verdienste in een beletsel zoowel van den kant van hem die verdient, als van den kant van hem voor wien verdiend wordt, want deze beiden komen op één persoon neer. En bijgevolg kan op geen enkele wijze iemand voor zichzelf het herstel na den val verdienen.Leerstelling. — Niemand kan voor zichzelf het herstel na een toekomstigen val verdienen, noch rechtens, noch volgens billijkheid. Niet rechtens, omdat de grond van deze verdienste afhangt van de beweging door de goddelijke genade, en die beweging onderbroken wordt door de zonde. Vandaar dat al de weldaden, die iemand daarna van God verkrijgt en waardoor hij hersteld wordt, niet onder de verdienste vallen, wijl de beweging van de voorgaande genade zich niet zover uitstrekt. De verdienste volgens billijkheid, waardoor iemand voor een ander de eerste genade verdient, ondervindt een beletsel, zodat zij haar gevolg niet bereikt om de zonde in dengene voor wie men verdient. Veel groter beletsel ondervindt dan de krachtdadigheid van zulk een verdienste in een beletsel zowel van de kant van hem die verdient, als van de kant van hem voor wie verdiend wordt, want deze beiden komen op één persoon neer. En bijgevolg kan op geen enkele wijze iemand voor zichzelf het herstel na de val verdienen.
Ad primum ergo dicendum, quod desiderium, quo quis desiderat reparationem post lapsum, justum dicitur, et similiter oratio, quia tendit ad justitiam; non tamen ita quod justitiae innitatur per modum meriti, sed solum misericordiae.
198Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het verlangen naar het herstel na den val, en ook het gebed is rechtmatig, omdat het streeft naar gerechtigheid, niet echter als zou het steunen op de rechtvaardigheid, bij wijze van verdienste, maar alleen op de barmhartigheid.198Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het verlangen naar het herstel na de val, en ook het gebed is rechtmatig, omdat het streeft naar gerechtigheid, niet echter als zou het steunen op de rechtvaardigheid, bij wijze van verdienste, maar alleen op de barmhartigheid.
Ad secundum dicendum, quod aliquis potest alteri mereri ex congruo primam gratiam, quia non est ibi impedimentum, saltem ex parte merentis; quod invenitur, dum aliquis post meritum gratiae a justitia recedit.
2. Iemand kan voor een ander de eerste genade verdienen, volgens billijkheid, omdat er hier, tenminste van den kant van hem die verdient, geen beletsel is, wat wel gevonden wordt bij iemand die, na de verdienste der genade te hebben ontvangen, zich afwendt van de gerechtigheid.2. Iemand kan voor een ander de eerste genade verdienen, volgens billijkheid, omdat er hier, tenminste van de kant van hem die verdient, geen beletsel is, wat wel gevonden wordt bij iemand die, na de verdienste van de genade te hebben ontvangen, zich afwendt van de gerechtigheid.
Ad tertium dicendum, quod quidam dixerunt, quod nullus meretur absolute vitam aeternam, nisi per actum finalis gratiae, sed solum sub conditione, si perseverat. Sed hoc irrationabiliter dicitur, quia quandoque actus ultimae gratiae non est magis meritorius, sed minus quam actus praecedentes, propter aegritudinis oppressionem. Unde dicendum, quod quilibet actus charitatis meretur absolute vitam aeternam; sed per peccatum sequens ponitur 199impedimentum praecedenti merito, ut non sortiatur effectum, sicut etiam causae naturales deficiunt a suis effectibus propter superveniens impedimentum.
3. Sommigen hebben beweerd, dat, met uitzondering van de daadwerkelijke eindgenade, niemand het eeuwig leven volstrekt verdient, maar alleen onder voorwaarde dat men volhardt. Dit is echter niet waar, want soms is de daadwerkelijke eindgenade niet van meer verdienste, maar integendeel minder verdienstelijk dan de voorgaande daden, om de gedrukte stemming, waarin de ziekte ons brengt. Daarom moet men zeggen : door iedere liefdedaad verdient men volstrekt het eeuwig leven, maar door een later bedreven zonde kan de voorgaande verdienste haar gevolg niet 199bereiken, zooals ook de natuuroorzaken hun gevolgen soms niet bereiken door een beletsel dat er over heenkomt.3. Sommigen hebben beweerd, dat, met uitzondering van de daadwerkelijke eindgenade, niemand het eeuwig leven volstrekt verdient, maar alleen onder voorwaarde dat men volhardt. Dit is echter niet waar, want soms is de daadwerkelijke eindgenade niet van meer verdienste, maar integendeel minder verdienstelijk dan de voorgaande daden, om de gedrukte stemming, waarin de ziekte ons brengt. Daarom moet men zeggen: door iedere liefdedaad verdient men volstrekt het eeuwig leven, maar door een later bedreven zonde kan de voorgaande verdienste haar gevolg niet 199bereiken, zoals ook de natuuroorzaken hun gevolgen soms niet bereiken door een beletsel dat er over heenkomt.
Utrum homo possit mereri augmentum gratiae vel charitatis
Kan iemand de vermeerdering der genade of der liefde verdienen?Kan iemand de vermeerdering van de genade of van de liefde verdienen?
Ad octavum sic proceditur. Videtur, quod homo non possit mereri augmentum gratiae vel charitatis : cum enim aliquis receperit praemium quod meruit, non debetur ei alia merces, sicut de quibusdam dicitur Matth. 6 [v. 5] : « Receperunt mercedem suam. » Si igitur aliquis mereretur augmentum charitatis vel gratiae, sequeretur quod, gratia augmentata, non posset ulterius expectare aliud praemium, quod est inconveniens.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de mensch geen vermeerdering kan verdienen van genade of liefde. 1. Als iemand immers eenmaal het verdiende loon ontvangen heeft, is men hem geen verder loon meer schuldig, zooals bij Mattheus (6, 5) van sommigen gezegd wordt : « Ze hebben hun loon reeds ontvangen. » Als men dus de vermeerdering zou verdienen van liefde of genade, zou eruit volgen, dat men na de vermeerdering van genade, geen verder loon zou te verwachten hebben, wat bezwaarlijk kan worden aangenomen.Bedenkingen. — Men beweert, dat de mens geen vermeerdering kan verdienen van genade of liefde. 1. Als iemand immers eenmaal het verdiende loon ontvangen heeft, is men hem geen verder loon meer schuldig, zoals bij Matteüs (6, 5) van sommigen gezegd wordt: “Ze hebben hun loon reeds ontvangen.” Als men dus de vermeerdering zou verdienen van liefde of genade, zou eruit volgen, dat men na de vermeerdering van genade, geen verder loon zou te verwachten hebben, wat bezwaarlijk kan worden aangenomen.
2. Praeterea, nihil agit ultra suam speciem. Sed principium meriti est gratia vel charitas, ut ex supradictis patet [art. 2. et 4.]. Ergo nullus potest majorem gratiam vel charitatem mereri, quam habeat.
2. Niets handelt boven de kracht van zijn soort. Welnu zooals uit het voorgaande blijkt (2e en 4e Art.), is de genade of de liefde 200het beginsel der verdienste. Dus kan niemand een grootere genade of liefde verdienen, dan hij al heeft.2. Niets handelt boven de kracht van zijn soort. Welnu zoals uit het voorgaande blijkt (2e en 4e Art.), is de genade of de liefde 200het beginsel van de verdienste. Dus kan niemand een grotere genade of liefde verdienen, dan hij al heeft.
2003. Praeterea, id quod cadit sub merito, meretur homo per quemlibet actum a gratia vel charitate procedentem, sicut per quemlibet talem actum meretur homo vitam aeternam. Si igitur augmentum gratiae vel charitatis cadat sub merito, videtur quod per quemlibet actum charitate informatum aliquis mereatur augmentum charitatis. Sed id quod homo meretur, infallibiliter a Deo consequitur, nisi impediatur per peccatum sequens : dicitur enim 2. ad Timotheum 1 [v. 12] : « Scio, cui credidi, et certus sum, quia potens est depositum meum servare. » Sic ergo sequeretur, quod per quemlibet actum meritorium gratia vel charitas augeretur; quod videtur inconveniens, cum quandoque actus meritorii non sint multum ferventes ita quod sufficiant ad charitatis augmentum. Non ergo augmentum charitatis cadit sub merito.
3. Wat onder de verdienste valt, verdient de mensch met iedere daad, die voortkomt van de genade of van de liefde, zooals ook door iedere dergelijke daad de mensch het eeuwig leven verdient. Als dus de vermeerdering van de genade of van de liefde onder de verdienste valt, dan zou men door iedere daad, die bevrucht wordt door de liefde, vermeerdering van de liefde verdienen. Welnu wat de mensch verdient, krijgt hij onfeilbaar van God, tenzij het verhinderd wordt door een later bedreven zonde, zooals gezegd wordt in den 2n Brief aan Timotheus (1, 12) : « Ik weet in wien ik geloof, en ben overtuigd, dat Hij machtig is te bewaren wat ik hem in bewaring geef. » Zoo zou dus volgen, dat door iedere verdienstelijke daad de genade of de liefde toeneemt, wat onredelijk schijnt, daar soms verdienstelijke daden niet zóó vurig zijn, dat ze toereikend zouden zijn om de liefde te vermeerderen. Dus valt de vermeerdering der liefde niet onder de verdienste.3. Wat onder de verdienste valt, verdient de mens met iedere daad, die voortkomt van de genade of van de liefde, zoals ook door iedere dergelijke daad de mens het eeuwig leven verdient. Als dus de vermeerdering van de genade of van de liefde onder de verdienste valt, dan zou men door iedere daad, die bevrucht wordt door de liefde, vermeerdering van de liefde verdienen. Welnu wat de mens verdient, krijgt hij onfeilbaar van God, tenzij het verhinderd wordt door een later bedreven zonde, zoals gezegd wordt in de 2n Brief aan Timoteüs (1, 12): “Ik weet in wie ik geloof, en ben overtuigd, dat Hij machtig is te bewaren wat ik hem in bewaring geef.” Zo zou dus volgen, dat door iedere verdienstelijke daad de genade of de liefde toeneemt, wat onredelijk schijnt, daar soms verdienstelijke daden niet zó vurig zijn, dat ze toereikend zouden zijn om de liefde te vermeerderen. Dus valt de vermeerdering van de liefde niet onder de verdienste.
Sed contra est, quod Augustinus dicit super epist. Joan. [Epist. 201186, al. 106, cap. 3.], quod « charitas meretur augeri, ut aucta mereatur et perfici. » Ergo augmentum charitatis vel gratiae cadit sub merito.
Maar daartegenover staat het woord van Augustinus (in zijn Verhandeling over den Brief van Johannes, 186e of 106e Brief) : « De liefde verdient haar vermeerdering, en eenmaal vermeerderd, 201verdient ze ook haar voleinding. » Dus valt de vermeerdering van de liefde of de genade onder de verdienste.Maar daartegenover staat het woord van Augustinus (in zijn Verhandeling over de Brief van Johannes, 186e of 106e Brief): “De liefde verdient haar vermeerdering, en eenmaal vermeerderd, 201verdient ze ook haar voleinding.” Dus valt de vermeerdering van de liefde of de genade onder de verdienste.
Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [art. 3, 6. et 7.], illud cadit sub merito condigni, ad quod motio gratiae se extendit; motio autem alicujus moventis non solum se extendit ad ultimum terminum motus, sed etiam ad totum progressum in motu. Terminus autem motus gratiae est vita aeterna; progressus autem in hoc motu est secundum augmentum charitatis vel gratiae, secundum illud Proverb. 4 [v. 18] : « Justorum semita quasi lux splendens procedit, et crescit usque ad perfectum diem », qui est dies gloriae. Sic igitur augmentum gratiae cadit sub merito condigni.
Leerstelling. — Zooals boven gezegd werd (3e, 4e en 7e Art.), valt datgene waartoe de beweging der genade zich uitstrekt onder het rechtens verdiende. Welnu de beweging van iemand die iets beweegt strekt zich niet alleen tot het eindpunt der beweging uit, maar ook tot geheel den voortgang van de beweging. Het eindpunt der genadebeweging nu is het eeuwig leven. De voortgang in dit bewegen bestaat in de vermeerdering der liefde of der genade, volgens het Boek der Spreuken (4, 18) : « De paden der rechtvaardigheid zijn als stralend licht, ze maken voortgang en groeien tot de volheid van den dag », nl. van den dag der heerlijkheid. Zoo valt dus de vermeerdering der genade onder al wat rechtens verdiend wordt.Leerstelling. — Zoals boven gezegd werd (3e, 6e en 7e Art.), valt datgene waartoe de beweging van de genade zich uitstrekt onder het rechtens verdiende. Welnu de beweging van iemand die iets beweegt strekt zich niet alleen tot het eindpunt van de beweging uit, maar ook tot geheel de voortgang van de beweging. Het eindpunt van de genadebeweging nu is het eeuwig leven. De voortgang in dit bewegen bestaat in de vermeerdering van de liefde of van de genade, volgens het Boek van de Spreuken (4, 18): “De paden van de rechtvaardigheid zijn als stralend licht, ze maken voortgang en groeien tot de volheid van de dag”, nl. van de dag van de heerlijkheid. Zo valt dus de vermeerdering van de genade onder al wat rechtens verdiend wordt.
Ad primum ergo dicendum, quod praemium est terminus meriti : est autem duplex terminus motus, scilicet ultimus, et medius, qui est et principium, et terminus; et talis ultimus terminus est merces augmenti. Merces 202autem favoris humani est sicut ultimus terminus his, qui finem in hoc constituunt; unde tales nullam aliam mercedem recipiunt.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het loon is het eindpunt der verdienste. Maar er is een tweevoudig eindpunt, nl. een laatste, en een middelste, wat tegelijk begin en einde is, en zulk een eindpunt is de vermeerdering van het loon. Het loon nu van menschelijk gunstbetoon maakt het eindpunt uit voor hen, 202die daarin hun doel gesteld hebben, en daarom verdienen zij geen verder loon.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het loon is het eindpunt van de verdienste. Maar er is een tweevoudig eindpunt, nl. een laatste, en een middelste, wat tegelijk begin en einde is, en zulk een eindpunt is de vermeerdering van het loon. Het loon nu van menselijk gunstbetoon maakt het eindpunt uit voor hen, 202die daarin hun doel gesteld hebben, en daarom verdienen zij geen verder loon.
Ad secundum dicendum, quod augmentum gratiae non est supra virtutem praeexistentis gratiae, licet sit supra quantitatem ipsius, sicut arbor, etsi sit supra quantitatem seminis, non est tamen supra virtutem ipsius.
2. De vermeerdering der genade gaat de macht van de te voren bestaande genade niet te boven, ofschoon wel haar hoeveelheid, zooals een boom wel de grootte van het zaad overtreft, maar niet de kracht er van.2. De vermeerdering van de genade gaat de macht van de te voren bestaande genade niet te boven, ofschoon wel haar hoeveelheid, zoals een boom wel de grootte van het zaad overtreft, maar niet de kracht er van.
Ad tertium dicendum, quod quolibet actu meritorio meretur homo augmentum gratiae, sicut et gratiae consummationem, quae est vita aeterna. Sed sicut vita aeterna non statim redditur, sed suo tempore, ita nec gratia statim augetur, sed suo tempore, cum scilicet aliquis sufficienter fuerit dispositus ad gratiae augmentum.
3. Door iedere verdienstelijke daad verdient de mensch vermeerdering van genade, en ook de voleinding der genade, of het eeuwig leven. Maar evenals men het eeuwig leven niet onmiddellijk intreedt, doch op bepaalden tijd, zoo wordt ook de genade niet onmiddellijk vermeerderd, maar te zijner tijd, wanneer men er nl. voldoende is toe voorbereid.3. Door iedere verdienstelijke daad verdient de mens vermeerdering van genade, en ook de voleinding van de genade, of het eeuwig leven. Maar evenals men het eeuwig leven niet onmiddellijk intreedt, doch op bepaalden tijd, zo wordt ook de genade niet onmiddellijk vermeerderd, maar te zijn tijd, wanneer men er nl. voldoende is toe voorbereid.
Utrum homo possit perseverantiam mereri
Kan de mensch de eindvolharding verdienen?Kan de mens de eindvolharding verdienen?
Ad nonum sic proceditur. Videtur, quod aliquis possit perseverantiam mereri : illud enim, quod homo obtinet petendo, potest cadere sub merito 203habentis gratiam. Sed perseverantiam petendo homines a Deo obtinent; alioquin frustra peteretur a Deo in petitionibus orationis Dominicae, ut Augustinus exponit in libro de Dono Perseverantiae [cap. 2. et sqq.]. Ergo perseverantia potest cadere sub merito habentis gratiam.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de mensch de eindvolharding kan verdienen. 1. Wat de mensch immers verkrijgt met 203vragen, kan onder de verdienste vallen van iemand die de genade heeft. Welnu door te vragen verkrijgt de mensch van God de volharding; anders zou men haar, zooals Augustinus uitlegt in zijn Boek Over de Gave van Volharding (2e H. en vv.), tevergeefs in het Gebed des Heeren vragen. Dus kan de eindvolharding onder de verdienste vallen van iemand, die de genade heeft.Bedenkingen. — Men beweert, dat de mens de eindvolharding kan verdienen. 1. Wat de mens immers verkrijgt met 203vragen, kan onder de verdienste vallen van iemand die de genade heeft. Welnu door te vragen verkrijgt de mens van God de volharding; anders zou men haar, zoals Augustinus uitlegt in zijn Boek Over de Gave van Volharding (2e H. en vv.), tevergeefs in het Gebed van de Heer vragen. Dus kan de eindvolharding onder de verdienste vallen van iemand, die de genade heeft.
2. Praeterea, magis est non posse peccare, quam non peccare. Sed non posse peccare cadit sub merito : meretur enim aliquis vitam aeternam, de cujus ratione est impeccabilitas. Ergo multo magis potest aliquis mereri ut non peccet, quod est perseverare.
2. Het beteekent meer : niet te kunnen zondigen, dan niet te zondigen. Welnu, niet-kunnen-zondigen valt onder de verdienste, want iemand kan het eeuwige leven verdienen, en daarbij hoort de onzondigbaarheid. Dus kan men veel eerder verdienen, dat men niet zondigt, en dit is de eindvolharding verdienen.2. Het betekent meer: niet te kunnen zondigen, dan niet te zondigen. Welnu, niet-kunnen-zondigen valt onder de verdienste, want iemand kan het eeuwige leven verdienen, en daarbij hoort de onzondigbaarheid. Dus kan men veel eerder verdienen, dat men niet zondigt, en dit is de eindvolharding verdienen.
3. Praeterea, majus est augmentum gratiae, quam perseverantia in gratia, quam quis habet. Sed homo potest mereri augmentum gratiae, ut supra dictum est [art. praec.]. Ergo multo magis potest mereri perseverantiam in gratia, quam quis habet.
3. Vermeerdering der genade is méér als volharding in de genade, die men bezit. Welnu de vermeerdering van genade kan door den mensch verdiend worden, zooals boven (in het voorgaande Artikel) gezegd is. Dus veel meer de eindvolharding in de reeds ontvangen genade.3. Vermeerdering van de genade is méér als volharding in de genade, die men bezit. Welnu de vermeerdering van genade kan door de mens verdiend worden, zoals boven (in het voorgaande Artikel) gezegd is. Dus veel meer de eindvolharding in de reeds ontvangen genade.
Sed contra est, quod omne quod quis meretur, a Deo consequitur, nisi impediatur per peccatum. Sed multi habent opera meritoria, qui non 204consequuntur perseverantiam; nec potest dici, quod hoc fiat propter impedimentum peccati, quia hoc ipsum quod est peccare, opponitur perseverantiae, ita quod si aliquis perseverantiam mereretur, Deus non permitteret aliquem cadere in peccatum. Non igitur perseverantia cadit sub merito.
Maar daar staat tegenover, dat men alles wat men verdient, van God verkrijgt als het maar niet belet wordt door de zonde. Nu verrichten veel menschen verdienstelijke werken, die echter geen eindvolharding verkrijgen, terwijl men toch ook niet kan 204zeggen, dat dit komt van de verhinderende zonde, want zondigen staat juist lijnrecht tegenover volharden. Daarom als iemand de volharding zou verdienen, zou God niet meer toestaan, dat hij in zonde viel. Dus valt de eindvolharding niet onder de verdienste.Maar daar staat tegenover, dat men alles wat men verdient, van God verkrijgt als het maar niet belet wordt door de zonde. Nu verrichten veel mensen verdienstelijke werken, die echter geen eindvolharding verkrijgen, terwijl men toch ook niet kan 204zeggen, dat dit komt van de verhinderende zonde, want zondigen staat juist lijnrecht tegenover volharden. Daarom als iemand de volharding zou verdienen, zou God niet meer toestaan, dat hij in zonde viel. Dus valt de eindvolharding niet onder de verdienste.
Respondeo dicendum, quod cum homo naturaliter habeat liberum arbitrium flexibile ad bonum et ad malum, dupliciter potest aliquis perseverantiam in bono obtinere a Deo : uno quidem modo per hoc, quod liberum arbitrium determinatur ad bonum per gratiam consummatam, quod erit in gloria; alio modo ex parte motionis divinae, quae hominem inclinat ad bonum usque ad finem. Sicut autem ex dictis patet [art. 5. et 8. praec.], illud cadit sub humano merito, quod comparatur ad motum liberi arbitrii directi a Deo movente, sicut terminus, non autem id quod comparatur ad praedictum motum, sicut principium. Unde patet, quod perseverantia gloriae, quae est terminus praedicti motus, cadit sub merito; perseverantia autem viae non cadit sub merito, quia dependet solum ex motione divina, quae est 205principium omnis meriti. Sed Deus gratis perseverantiae bonum largitur, cuicumque illud largitur.
Leerstelling. — De mensch heeft van nature een vrijen wil, die zich laat trekken tot goed en kwaad. Daarom kan men de volharding in het goed op twee manieren van God verkrijgen. Vooreerst, doordat de vrije wil bepaald wordt tot het goed door de voleindingsgenade, wat gebeurt in de eeuwige heerlijkheid; en ten tweede, van den kant van de beweging Gods, die den mensch tot het goede richt tot op het einde. Want, gelijk uit het hierbovengezegde blijkt (5e en 8e Art.), valt datgene onder de verdiensten van den mensch, wat zich tot de beweging van den door Gods onmiddellijke werking bewogen vrijen wil verhoudt als eindpunt en niet als begin. Vandaar is het duidelijk, dat de volharding der eeuwige heerlijkheid, als eindpunt van genoemde beweging, onder de verdienste valt, maar die van dît leven niet, omdat ze slechts afhangt van Gods werking, die het beginsel is van alle 205verdienste. God echter geeft de gave van volharding om niet aan hem, aan wie Hij ze geeft.Leerstelling. — De mens heeft van nature een vrijen wil, die zich laat trekken tot goed en kwaad. Daarom kan men de volharding in het goed op twee manieren van God verkrijgen. Vooreerst, doordat de vrije wil bepaald wordt tot het goed door de voleindingsgenade, wat gebeurt in de eeuwige heerlijkheid; en ten tweede, van de kant van de beweging Gods, die de mens tot het goede richt tot op het einde. Want, gelijk uit het hierbovengezegde blijkt (5e en 8e Art.), valt datgene onder de verdiensten van de mens, wat zich tot de beweging van de door Gods onmiddellijke werking bewogen vrijen wil verhoudt als eindpunt en niet als begin. Vandaar is het duidelijk, dat de volharding van de eeuwige heerlijkheid, als eindpunt van genoemde beweging, onder de verdienste valt, maar die van dît leven niet, omdat ze slechts afhangt van Gods werking, die het beginsel is van alle 205verdienste. God echter geeft de gave van volharding om niet aan hem, aan wie Hij ze geeft.
Ad primum ergo dicendum, quod etiam ea quae non meremur, orando impetramus, nam et peccatores Deus audit peccatorum veniam petentes, quam non merentur, ut patet per Augustinum super illud Joan. 9. : Scimus, quia peccatores Deus non exaudit [tract. 44. in Joan.]. Alioquin frustra dixisset Publicanus : Deus propitius esto mihi peccatori, ut dicitur Luc. 18. [v. 13], et similiter perseverantiae donum aliquis petendo a Deo impetrat vel sibi, vel alii, quamvis sub merito non cadat.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Door te bidden verkrijgen wij zelfs wat we niet verdienen, want ook de zondaars, die Hem om vergeving smeeken, verhoort God, en toch verdienen ze dit niet, zooals blijkt uit de aanteekeningen van Augustinus (in zijn 44e Verhandeling op Johannes) bij de woorden van Johannes (9, 31) : « Wij weten dat God de zondaars niet verhoort. » Anders zeide de tollenaar tevergeefs : « Heer, wees mij, zondaar, genadig » (Lucas, 18, 13). En zóó verkrijgt men door te vragen van God de gave der volharding voor zich of voor een ander, ofschoon ze onder de verdienste niet valt.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Door te bidden verkrijgen wij zelfs wat we niet verdienen, want ook de zondaars, die Hem om vergeving smeken, verhoort God, en toch verdienen ze dit niet, zoals blijkt uit de aantekeningen van Augustinus (in zijn 44e Verhandeling op Johannes) bij de woorden van Johannes (9, 31): “Wij weten dat God de zondaars niet verhoort.” Anders zeide de tollenaar tevergeefs: “Heer, wees mij, zondaar, genadig” (Lukas, 18, 13). En zó verkrijgt men door te vragen van God de gave van de volharding voor zich of voor een ander, ofschoon ze onder de verdienste niet valt.
Ad secundum dicendum, quod perseverantia, quae erit in gloria, comparatur ad motum liberi arbitrii meritorium, sicut terminus, non autem perseverantia viae, ratione praedicta [in corp.].
2. De toekomstige volharding der eeuwige heerlijkheid verhoudt zich tot de verdienstelijke beweging van den vrijen wil als eindpunt, maar niet, zooals uit de in de Leerstelling gegeven reden blijkt, de volharding op deze wereld.2. De toekomstige volharding van de eeuwige heerlijkheid verhoudt zich tot de verdienstelijke beweging van de vrije wil als eindpunt, maar niet, zoals uit de in de Leerstelling gegeven reden blijkt, de volharding op deze wereld.
Et similiter dicendum est ad tertium de augmento gratiae, ut per praedicta patet (ibid. et art. praec.).
3. Zooals in het voorgaande (Leerstelling en vorig Artikel) duidelijk is, gaat hetzelfde op voor de vermeerdering der genade.3. Zoals in het voorgaande (Leerstelling en vorig Artikel) duidelijk is, gaat hetzelfde op voor de vermeerdering van de genade.
Utrum temporalia bona cadant sub merito
Vallen de tijdelijke goederen onder de verdienste?
206Ad decimum sic proceditur. Videtur, quod temporalia bona cadant sub merito : illud enim, quod promittitur aliquibus ut praemium justitiae, cadit sub merito. Sed temporalia bona promissa sunt in lege veteri sicut merces justitiae, ut patet Deut. 28. Ergo videtur, quod bona temporalia cadant sub merito.
206Bedenkingen. — Men beweert, dat de tijdelijke goederen onder de verdienste vallen. 1. Immers wat beloofd wordt als loon der gerechtigheid, valt onder de verdienste. Nu zijn in de Oude Wet tijdelijke goederen beloofd als loon der gerechtigheid, zooals blijkt uit Deuteronomium (28). Dus vallen de tijdelijke goederen onder de verdienste.206Bedenkingen. — Men beweert, dat de tijdelijke goederen onder de verdienste vallen. 1. Immers wat beloofd wordt als loon van de gerechtigheid, valt onder de verdienste. Nu zijn in de Oude Wet tijdelijke goederen beloofd als loon van de gerechtigheid, zoals blijkt uit Deuteronomium (28). Dus vallen de tijdelijke goederen onder de verdienste.
2. Praeterea, illud videtur sub merito cadere, quod Deus alicui retribuit pro aliquo servitio, quod fecit. Sed Deus aliquando recompensat hominibus pro servitio sibi facto aliqua bona temporalia : dicit enim Exod. 1. [v. 21]: « Et quia timuerunt obstetrices Deum, aedificavit illis domos » etc., ubi Glos. Gregorii [lib. 18. Moral. cap. 4.] dicit, quod benignitatis earum merces potuit in aeterna vita retribui. Sed culpa mendacii terrenam 207recompensationem accepit. Et Ezech. 29 [v. 18 sqq.] dicitur : « Rex Babylonis servire fecit exercitum suum servitute magna adversus Tyrum, et merces non est reddita ei », et postea subdit : « Erit merces exercitui illius, et dedi ei terram Aegypti, pro eo quod laboraverit mihi. » Ergo bona temporalia cadunt sub merito.
2. Wat God aan iemand vergeldt voor een verrichten dienst, schijnt onder de verdienste te vallen. Welnu God vergeldt soms den mensch om een verrichten dienst met eenige tijdelijke goederen. Want er staat geschreven in Exodus (1,21) : « En omdat de vroedvrouwen God vreesden, liet Hij haar huizen bouwen », enz., waarbij de Glossa (uit Gregorius' Zedekundige Verhandelingen, 18e B., 4e H.) aanmerkt : « Het loon voor haar goedgunstigheid kon in het eeuwig leven vergolden worden, maar als straf voor 207haar leugen werd het een aardsche belooning. » Er staat ook geschreven bij Ezechiel (29, 18 vv.) : « De koning van Babylon liet zijn leger zware diensten verrichten tegen Tyrus, maar loon werd niet gegeven », en later wordt er aan toegevoegd : « Zijn leger zal loon gegeven worden, ik heb hem Egypteland gegeven, omdat hij voor mij gewerkt heeft. » Dus vallen de tijdelijke goederen onder de verdienste.2. Wat God aan iemand vergeldt voor een verrichten dienst, schijnt onder de verdienste te vallen. Welnu God vergeldt soms de mens om een verrichten dienst met enige tijdelijke goederen. Want er staat geschreven in Exodus (1,21): “En omdat de vroedvrouwen God vreesden, liet Hij haar huizen bouwen”, enz., waarbij de Glossa (uit Gregorius' Zedekundige Verhandelingen, 18e B., 4e H.) aanmerkt: “Het loon voor haar goedgunstigheid kon in het eeuwig leven vergolden worden, maar als straf voor 207haar leugen werd het een aardse beloning.” Er staat ook geschreven bij Ezechiël (29, 18 vv.): “De koning van Babylon liet zijn leger zware diensten verrichten tegen Tyrus, maar loon werd niet gegeven”, en later wordt er aan toegevoegd: “Zijn leger zal loon gegeven worden, ik heb hem Egypteland gegeven, omdat hij voor mij gewerkt heeft.” Dus vallen de tijdelijke goederen onder de verdienste.
3. Praeterea, sicut bonum se habet ad meritum, ita malum se habet ad demeritum. Sed propter demeritum peccati aliqui puniuntur a Deo temporalibus poenis, sicut patet de Sodomitis, Gen. 19. Ergo et bona temporalia cadunt sub merito.
3. Zooals goed zich verhoudt tot de verdienste, zoo verhoudt kwaad zich tot strafwaardigheid. Welnu God straft sommigen met tijdelijke straffen, om strafwaardige zonden, zooals blijkt bij de Sodomiten (Genesis, 19). Dus vallen ook de tijdelijke goederen onder de verdienste.3. Zoals goed zich verhoudt tot de verdienste, zo verhoudt kwaad zich tot strafwaardigheid. Welnu God straft sommigen met tijdelijke straffen, om strafwaardige zonden, zoals blijkt bij de Sodomiten (Genesis, 19). Dus vallen ook de tijdelijke goederen onder de verdienste.
Sed contra est, quod illa quae cadunt sub merito, non similiter se habent ad omnes. Sed bona temporalia et mala similiter se habent ad bonos et malos, secundum illud Eccle. 9. [v. 2] : « Universa aeque eveniunt justo et impio, bono et malo, mundo et immundo, immolanti victimas et sacrificia contemnenti. » Ergo bona temporalia non cadunt sub merito.
Maar daartegenover staat, dat al wat onder de verdienste valt, geen gelijke verhouding zegt tot iedereen. Tijdelijke goederen en kwalen echter verhouden zich gelijkelijk tot goeden en kwaden, volgens het woord van Ecclesiastes (9, 2) : « Alles wedervaart gelijkelijk den gerechtige en den goddelooze, den goede en den kwade, den reine en den onreine, hem die slachtoffers opdraagt en hem die het offeren versmaadt. » Dus vallen de tijdelijke goederen niet onder de verdienste.Maar daartegenover staat, dat al wat onder de verdienste valt, geen gelijke verhouding zegt tot iedereen. Tijdelijke goederen en kwalen echter verhouden zich gelijkelijk tot goeden en kwaden, volgens het woord van Prediker (9, 2): “Alles wedervaart gelijkelijk de gerechtige en de goddeloze, de goede en de kwade, de reine en de onreine, hem die slachtoffers opdraagt en hem die het offeren versmaadt.” Dus vallen de tijdelijke goederen niet onder de verdienste.
208Respondeo dicendum quod illud, quod sub merito cadit, est praemium vel merces, quod habet rationem alicujus boni. Bonum autem hominis est duplex : unum simpliciter, aliud secundum quid. Bonum hominis simpliciter est ultimus finis ejus, secundum illud Ps. 72 [v. 28] : « Mihi autem adhaerere Deo bonum est », et per consequens omnia illa, quae ordinantur ut ducentia ad hunc finem; et talia simpliciter cadunt sub merito. Bonum autem secundum quid et non simpliciter hominis est, quod est bonum ei ut nunc, vel quod ei est secundum quid bonum; et hujusmodi non cadunt sub merito simpliciter, sed secundum quid.
208Leerstelling. — Wat onder de verdienste valt is de prijs of het loon, wat het karakter van een goed heeft. Het menschelijk goed nu is tweevoudig, volstrekt, en in een of ander opzicht. Het volstrekte menschelijk goed is zijn laatste doel, volgens het woord van den Psalmist (Ps. 72, 28) : « God aan te hangen is mij goed », en bijgevolg is alles goed wat verordend wordt als leidend tot dit doel. Zulke goederen vallen zonder meer onder de verdienste. Het niet volstrekte maar in een of ander opzicht goede echter is wat nu op dit oogenblik of in een bepaald opzicht goed is voor den mensch, en deze goederen vallen niet onder de verdienste zonder meer, maar in een bepaald opzicht.208Leerstelling. — Wat onder de verdienste valt is de prijs of het loon, wat het karakter van een goed heeft. Het menselijk goed nu is tweevoudig, volstrekt, en in een of ander opzicht. Het volstrekte menselijk goed is zijn laatste doel, volgens het woord van de Psalmist (Ps. 72, 28)a: “God aan te hangen is mij goed”, en bijgevolg is alles goed wat verordend wordt als leidend tot dit doel. Zulke goederen vallen zonder meer onder de verdienste. Het niet volstrekte maar in een of ander opzicht goede echter is wat nu op dit ogenblik of in een bepaald opzicht goed is voor de mens, en deze goederen vallen niet onder de verdienste zonder meer, maar in een bepaald opzicht.
Secundum hoc ergo dicendum est, quod si temporalia bona considerentur, prout sunt utilia ad opera virtutum, quibus perducimur in vitam aeternam, secundum hoc directe et simpliciter cadunt sub merito, sicut et augmentum gratiae, et omnia illa, quibus homo adjuvatur ad perveniendum in beatitudinem post primam gratiam : tantum enim dat Deus viris justis de bonis temporalibus et etiam de malis, quantum eis expedit ad perveniendum ad vitam aeternam, et in tantum sunt simpliciter bona hujusmodi temporalia; unde dicitur in Psalm. 33 [v. 11] : « Timentes autem Dominum non 209minuentur omni bono », et alibi : « Non vidi justum derelictum » etc., Ps. 36 [v. 25].
Zoo moet men dus zeggen, wanneer men de tijdelijke goederen beschouwt als nuttig voor de deugddaden, waardoor men tot het eeuwig leven komt, dat ze, zóó beschouwd, onmiddellijk en zonder meer onder de verdienste vallen, zooals ook de vermeerdering der genade, en alles wat den mensch tot de zaligheid helpt komen, na de eerste genade. God toch geeft aan de rechtvaardigen zooveel aan tijdelijk goed en ook aan kwaad als dienstig is om het eeuwig leven te bereiken, en in zoover zijn zulke tijdelijke zaken zonder meer goed. Vandaar zegt de Psalmist (Ps. 33, 11) : « Die den 209Heer vreezen zal geen goed ontbreken » en (Ps. 36, 25) : « Nooit heb ik een rechtvaardige verlaten gezien », enz.Zo moet men dus zeggen, wanneer men de tijdelijke goederen beschouwt als nuttig voor de deugddaden, waardoor men tot het eeuwig leven komt, dat ze, zó beschouwd, onmiddellijk en zonder meer onder de verdienste vallen, zoals ook de vermeerdering van de genade, en alles wat de mens tot de zaligheid helpt komen, na de eerste genade. God toch geeft aan de rechtvaardigen zoveel aan tijdelijk goed en ook aan kwaad als dienstig is om het eeuwig leven te bereiken, en in zover zijn zulke tijdelijke zaken zonder meer goed. Vandaar zegt de Psalmist (Ps. 33, 11)b: “Die de 209Heer vrezen zal geen goed ontbreken” en (Ps. 36, 25)c: “Nooit heb ik een rechtvaardige verlaten gezien”, enz.
Si autem considerentur hujusmodi temporalia bona secundum se, sic non sunt simpliciter bona hominis, sed secundum quid, et ita non simpliciter cadunt sub merito, sed secundum quid, inquantum scilicet homines moventur a Deo ad aliqua temporaliter agenda in quibus suum propositum consequuntur Deo favente, ut, sicut vita aeterna est simpliciter praemium operum justitiae per relationem ad motionem divinam, sicut supra dictum est [art. 3. et 6.], ita temporalia bona in se considerata habeant rationem mercedis, habito respectu ad motionem divinam, qua voluntates hominum moventur ad haec prosequenda, licet interdum in his non habeant homines rectam intentionem.
Beschouwt men echter zulke tijdelijke goederen op zichzelf, dan zijn zij niet zonder meer goed voor den mensch, maar alleen in een bepaald opzicht, en zóó beschouwd vallen ze dan ook niet zonder meer onder de verdienste, maar alleen in een of ander opzicht, nl. in zoover de menschen door God bewogen worden om tijdelijke zaken te doen, en met Gods hulp slagen zij in hun opzet; want zooals het eeuwige leven zonder meer de belooning is voor werken der gerechtigheid, nl. als in betrekking staande tot Gods bewegen, zooals hierboven gezegd is (3e en 6e Art.), zoo ook dragen de tijdelijke goederen, op zichzelf beschouwd, het karakter van loon, in het oog gehouden de beweging Gods, die den menschelijken wil beweegt, om dit na te streven, toegegeven dat af en toe bij de menschen niet de juiste meening voorzit.Beschouwt men echter zulke tijdelijke goederen op zichzelf, dan zijn zij niet zonder meer goed voor de mens, maar alleen in een bepaald opzicht, en zó beschouwd vallen ze dan ook niet zonder meer onder de verdienste, maar alleen in een of ander opzicht, nl. in zover de mensen door God bewogen worden om tijdelijke zaken te doen, en met Gods hulp slagen zij in hun opzet; want zoals het eeuwige leven zonder meer de beloning is voor werken van de gerechtigheid, nl. als in betrekking staande tot Gods bewegen, zoals hierboven gezegd is (3e en 6e Art.), zo ook dragen de tijdelijke goederen, op zichzelf beschouwd, het karakter van loon, in het oog gehouden de beweging Gods, die de menselijke wil beweegt, om dit na te streven, toegegeven dat af en toe bij de mensen niet de juiste mening voorzit.
Ad primum ergo dicendum, quod, sicut Augustinus dicit contra Faustum lib. 4. [cap. 2.], in illis temporalibus promissis figurae fuerunt futurorum spiritualium, quae implentur in nobis : carnalis enim populus promissis vitae praesentis inhaerebat, et illorum non tantum lingua, sed etiam vita prophetica fuit.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Zooals Augustinus zegt (Tegen Faustus, 4e B., 2e H.), was in deze tijdelijke beloften de voorafbeelding gegeven der toekomstige geestelijke dingen, die 210in ons vervuld zijn. Een vleeschelijk volk hield vast aan de beloften van het tegenwoordige leven, en zij spraken niet slechts een profetischè taal, maar zelfs hun leven was een voorbeduiding.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Zoals Augustinus zegt (Tegen Faustus, 4e B., 2e H.), was in deze tijdelijke beloften de voorafbeelding gegeven van de toekomstige geestelijke dingen, die 210in ons vervuld zijn. Een vleselijk volk hield vast aan de beloften van het tegenwoordige leven, en zij spraken niet slechts een profetischè taal, maar zelfs hun leven was een voorbeduiding.
210Ad secundum dicendum, quod illae retributiones dicuntur esse divinitus factae secundum comparationem ad divinam motionem, non autem secundum respectum ad malitiam voluntatis, praecipue quantum ad regem Babylonis, qui non impugnavit Tyrum, quasi volens Deo servire, sed potius ut sibi dominium usurparet. Similiter etiam obstetrices, licet habuerint bonam voluntatem, quantum ad liberationem puerorum, non tamen fuit earum recta voluntas, quantum ad hoc quod mendacium confinxerunt.
2. Die belooningen waren door God gegeven, overeenkomstig Gods beweging, en niet als gevolg van den kwaden wil, vooral van den koning van Babylon, die Tyrus niet bestreden had, alsof hij dienstbaar wilde zijn aan God, maar veeleer om zich het heerschersrecht er over toe te eigenen. Zoo ook de vroedvrouwen, want al waren ze van goeden wil met betrekking tot de verlossing van die jongentjes, haar wil was toch niet goed, toen ze die leugen verzonnen.2. Die beloningen waren door God gegeven, overeenkomstig Gods beweging, en niet als gevolg van de kwade wil, vooral van de koning van Babylon, die Tyrus niet bestreden had, alsof hij dienstbaar wilde zijn aan God, maar veeleer om zich het heersersrecht er over toe te eigenen. Zo ook de vroedvrouwen, want al waren ze van goeden wil met betrekking tot de verlossing van die jongentjes, haar wil was toch niet goed, toen ze die leugen verzonnen.
Ad tertium dicendum, quod temporalia mala infliguntur in poenam impiis, inquantum per ea non adjuvantur ad consecutionem vitae aeternae. Justis autem, qui per hujusmodi mala juvantur, non sunt poenae, sed magis medicinae, ut supra dictum est [q. 87. art. 7 et 8].
3. Tijdelijk kwaad wordt tot straf voor de ongerechten, in zoover het hun nl. niets helpt om het eeuwige leven te bereiken. De gerechte echter, die juist in zulk kwaad een hulp ziet, ondervindt het niet als straf, maar als geneesmiddel, zooals boven is gezegd (87e Kw., 7e en 8e Art.).3. Tijdelijk kwaad wordt tot straf voor de ongerechten, in zover het hun nl. niets helpt om het eeuwige leven te bereiken. De gerechte echter, die juist in zulk kwaad een hulp ziet, ondervindt het niet als straf, maar als geneesmiddel, zoals boven is gezegd (87e Kw., 7e en 8e Art.).
Ad quartum dicendum quod omnia aeque eveniunt bonis et malis, quantum ad ipsam substantiam bonorum vel malorum temporalium, sed non quantum ad finem, quia boni per hujusmodi manuducuntur ad beatitudinem, non autem mali.
4. Alles overkomt de goeden en kwaden gelijkelijk, wat den inhoud van tijdelijk goed of kwaad betreft, maar niet wat het doel betreft, omdat de goeden hiermee hun voordeel doen ter zaligheid, niet echter de kwaden.4. Alles overkomt de goeden en kwaden gelijkelijk, wat de inhoud van tijdelijk goed of kwaad betreft, maar niet wat het doel betreft, omdat de goeden hiermee hun voordeel doen ter zaligheid, niet echter de kwaden.
Et haec de Moralibus in communi dicta sufficiant.
En dat volstaat over het zedelijke in het algemeen.