Theologische Summa · Prima Secundae · De genadeSumma · I-II · De genadeSumma · I-II · Kw. 112Kw. 112
Quaestio CXII

De causa gratiae

Kwestie 112

Over de oorzaak der genadeOver de oorzaak van de genade

(Vijf Artikelen)

99Deinde considerandum est de causa gratiae.

99Vervolgens moet gehandeld worden over de oorzaak der genade.99Vervolgens moet gehandeld worden over de oorzaak van de genade.

Et circa hoc quaeruntur quinque : 1. Utrum solus Deus sit causa efficiens gratiae. — 2. Utrum requiratur aliqua dispositio ad gratiam ex parte recipientis ipsam per actum liberi arbitrii. — 3. Utrum talis dispositio possit esse necessitas ad gratiam. — 4. Utrum gratia sit aequalis in omnibus. — 5. Utrum aliquis possit scire se habere gratiam.

Hieromtrent stellen we vijf vragen : 1. Is alleen God werkoorzaak der genade? 2. Wordt van den kant van dengene, die de genade ontvangt, een bepaalde gesteltenis tot de genade vereischt door een vrije wilsdaad? 3. Kan deze gesteltenis een noodzakelijkheid tot de genade zijn? 4. Is de genade in allen gelijk? 5. Kan iemand weten of hij de genade heeft?Hieromtrent stellen we vijf vragen: 1. Is alleen God werkoorzaak van de genade? 2. Wordt van de kant van dengene, die de genade ontvangt, een bepaalde gesteltenis tot de genade vereist door een vrije wilsdaad? 3. Kan deze gesteltenis een noodzakelijkheid tot de genade zijn? 4. Is de genade in allen gelijk? 5. Kan iemand weten of hij de genade heeft?

Articulus I

Utrum solus Deus sit causa gratiae

[Supr. q. 109. art. 7. et part. 3. q. 62. art. 1. et 2. Dist. 16. art. 4. et Veri. q. 72. art. 3. et Ephes. 5. lect. 3.]
Ie Artikel

Is God alleen oorzaak der genade?Is God alleen oorzaak van de genade?

antwoord 1 ↓

100Ad primum sic proceditur. Videtur, quod non solus Deus sit causa gratiae : dicitur enim Joan. 1 [v. 17] : « Gratia et veritas per Jesum Christum facta est. » Sed in nomine Jesu Christi intelligitur non solum natura divina assumens, sed etiam natura creata assumpta. Ergo aliqua creatura potest esse causa gratiae.

100Bedenkingen. — Men beweert, dat niet alleen God oorzaak is der genade. — 1. In het Evangelie van Johannes (1, 17) immers wordt gezegd : « De genade en de waarheid is door Jezus-Christus gemaakt. » Welnu onder den naam van Jezus-Christus wordt niet alleen de aannemende goddelijke natuur verstaan, maar ook de aangenomen menschelijke natuur. Dus kan een schepsel oorzaak der genade zijn.100Bedenkingen. — Men beweert, dat niet alleen God oorzaak is van de genade. — 1. In het Evangelie van Johannes (1, 17) immers wordt gezegd: “De genade en de waarheid is door Jezus-Christus gemaakt.” Welnu onder de naam van Jezus-Christus wordt niet alleen de aannemende goddelijke natuur verstaan, maar ook de aangenomen menselijke natuur. Dus kan een schepsel oorzaak van de genade zijn.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, ista differentia ponitur inter sacramenta novae legis et veteris, quod sacramenta novae legis causant gratiam, quam sacramenta veteris legis solum significant. Sed sacramenta novae legis sunt quaedam visibilia elementa. Ergo non solus Deus est causa gratiae.

2. Dit onderscheid wordt er tusschen de sacramenten der Nieuwe Wet en die der Oude Wet aangenomen, dat de sacramenten der Nieuwe Wet de genade veroorzaken, welke de sacramenten der Oude Wet slechts beduidden. Welnu de sacramenten der Nieuwe Wet zijn zichtbare elementen. Dus is niet alleen God oorzaak der genade.2. Dit onderscheid wordt er tussen de sacramenten van de Nieuwe Wet en die van de Oude Wet aangenomen, dat de sacramenten van de Nieuwe Wet de genade veroorzaken, welke de sacramenten van de Oude Wet slechts beduidden. Welnu de sacramenten van de Nieuwe Wet zijn zichtbare elementen. Dus is niet alleen God oorzaak van de genade.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, secundum Dionysium in lib. Coel. Hier. [cap. 3. 4. 1017. 8.], Angeli purgant, et illuminant. et perficiunt, et Angelos inferiores, et etiam homines. Sed rationalis creatura purgatur, illuminatur, et perficitur per gratiam. Ergo non solus Deus est causa gratiae.

3. Volgens Dionysius (Over de Hemelsche Hierarchieën, 3e, 4e, 7e en 8e H.), zuiveren, verlichten en vervolmaken de 101Engelen zoowel de lagere Engelen als ook de menschen. Welnu het redelijk schepsel wordt gezuiverd, verlicht en vervolmaakt door de genade. Dus is niet alleen God oorzaak der genade.3. Volgens Dionysius (Over de Hemelse Hierarchieën, 3e, 4e, 7e en 8e H.), zuiveren, verlichten en vervolmaken de 101Engelen zowel de lagere Engelen als ook de mensen. Welnu het redelijk schepsel wordt gezuiverd, verlicht en vervolmaakt door de genade. Dus is niet alleen God oorzaak van de genade.

Sed contra est, quod in Psal. 83 [v. 12] dicitur : « Gratiam et gloriam dabit Dominus. »

Maar daartegenover staat, dat er in Psalm 83,12 gezegd wordt : « Genade en glorie zal de Heer geven. »Maar daartegenover staat, dat er in Psalm 83,12a gezegd wordt: “Genade en glorie zal de Heer geven.”

Respondeo dicendum, quod nulla res potest agere ultra suam speciem, quia semper oportet, quod causa potior sit effectu. Donum autem gratiae excedit omnem facultatem naturae creatae, cum nihil aliud sit, quam quaedam participatio divinae naturae, quae excedit omnem aliam naturam. Et ideo impossibile est, quod aliqua creatura gratiam causet. Sic enim necesse est quod solus Deus deificet, communicando consortium divinae naturae per quamdam similitudinis participationem, sicut impossibile est, quod aliquid igniat, nisi solus ignis.

Leerstelling. — Geen enkel ding kan boven zijn soort werken, omdat de oorzaak altijd machtiger moet zijn dan het gevolg. Welnu de genade-gave gaat de kracht van iedere geschapen natuur te boven, daar zij niets anders is, dan een deelhebbing aan de goddelijke natuur, welke iedere andere natuur te boven gaat. Daarom is het onmogelijk, dat een schepsel de genade veroorzaakt. Want het is even noodzakelijk, dat alleen God vergoddelijkt, door het deelgenootschap aan de goddelijke natuur mede te deelen door een deelhebbing van gelijkenis, als het onmogelijk is, dat iets anders verwarmt dan alleen het vuur.Leerstelling. — Geen enkel ding kan boven zijn soort werken, omdat de oorzaak altijd machtiger moet zijn dan het gevolg. Welnu de genade-gave gaat de kracht van iedere geschapen natuur te boven, daar zij niets anders is, dan een deelhebbing aan de goddelijke natuur, welke iedere andere natuur te boven gaat. Daarom is het onmogelijk, dat een schepsel de genade veroorzaakt. Want het is even noodzakelijk, dat alleen God vergoddelijkt, door het deelgenootschap aan de goddelijke natuur mede te delen door een deelhebbing van gelijkenis, als het onmogelijk is, dat iets anders verwarmt dan alleen het vuur.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod humanitas Christi est sicut quoddam organum divinitatis ejus, ut Damascenus dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 10219] ; instrumentum autem non agit actionem agentis principalis propria virtute, sed virtute principalis agentis; et ideo humanitas Christi non causat gratiam propria virtute, sed virtute divinitatis adjunctae, ex qua actiones humanitatis Christi sunt salutares.

Antwoord op de bedenkingen. — 1. De menschheid van Christus is als een werktuig van zijn godheid, zooals Damascenus 102zegt in zijn Boek Over het ware Geloof (3e B., 19e H.). Welnu een werktuig brengt de werking van den hoofdwerker niet uit eigen kracht voort, maar door de kracht van den hoofdwerker. Dus brengt de menschheid van Christus de genade niet voort uit eigen kracht, maar door de kracht van de verbonden Godheid, waardoor de daden van Christus' menschheid heilzaam zijn.Antwoord op de bedenkingen. — 1. De mensheid van Christus is als een werktuig van zijn godheid, zoals Damascenus 102zegt in zijn Boek Over het ware Geloof (3e B., 19e H.). Welnu een werktuig brengt de werking van de hoofdwerker niet uit eigen kracht voort, maar door de kracht van de hoofdwerker. Dus brengt de mensheid van Christus de genade niet voort uit eigen kracht, maar door de kracht van de verbonden Godheid, waardoor de daden van Christus' mensheid heilzaam zijn.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod, sicut in ipsa persona Christi humanitas causat salutem nostram per gratiam, virtute divina principaliter operante, ita etiam in sacramentis novae legis, quae derivantur a Christo, causatur gratia, instrumentaliter quidem per ipsa sacramenta, sed principaliter per virtutem Spiritus Sancti in sacramentis operantis, secundum illud Joan. 3 [v. 5] : « Nisi quis renatus fuerit ex aqua, et Spiritu Sancto », etc.

2. Gelijk in den persoon van Christus de menschheid ons heil veroorzaakt door de genade, terwijl de goddelijke kracht als hoofdwerker werkt, zoo ook wordt in de sacramenten van de Nieuwe Wet, die door Christus ingesteld zijn, de genade veroorzaakt, en wel door de sacramenten als door een werktuig, maar door de kracht van den H. Geest die in de sacramenten werkt, als door de hoofdoorzaak, volgens het woord van Johannes (3, 5) : « Tenzij iemand herboren wordt door het water van den H. Geest », enz.2. Gelijk in de persoon van Christus de mensheid ons heil veroorzaakt door de genade, terwijl de goddelijke kracht als hoofdwerker werkt, zo ook wordt in de sacramenten van de Nieuwe Wet, die door Christus ingesteld zijn, de genade veroorzaakt, en wel door de sacramenten als door een werktuig, maar door de kracht van de H. Geest die in de sacramenten werkt, als door de hoofdoorzaak, volgens het woord van Johannes (3, 5): “Tenzij iemand herboren wordt door het water van de H. Geest”, enz.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod angelus purgat, illuminat, et perficit angelum, vel hominem, per modum instructionis cujusdam, non autem justificando per gratiam; unde Dionysius dicit 7. cap. De Div. Nom., quod hujusmodi purgatio, illuminatio, et perfectio nihil est aliud, quam divinae scientiae assumptio.

3. De engel reinigt, verlicht en vervolmaakt een engel of een mensch door onderrichting, en niet door rechtvaardig te maken door genade. Vandaar zegt Dionysius in zijn Boek Over de Namen van God (7e H.) dat zulk een zuivering, verlichting en vervolmaking niets anders is, dan de aanname van de goddelijke kennis.3. De engel reinigt, verlicht en vervolmaakt een engel of een mens door onderrichting, en niet door rechtvaardig te maken door genade. Vandaar zegt Dionysius in zijn Boek Over de Namen van God (7e H.) dat zulk een zuivering, verlichting en vervolmaking niets anders is, dan de aanname van de goddelijke kennis.

Articulus II

Utrum requiratur aliqua praeparatio et dispositio ad gratiam ex parte hominis

[Infr. q. 113. art. 3. et 2-2. q. 24. art. 10, ad 3. et 4. Dist. 17. art. 2. et Hebr. 12. lect. 3.]
IIe Artikel

Wordt er van den kant van den mensch een zekere voorbereiding en gesteltenis tot de genade vereischt?Wordt er van de kant van de mens een zekere voorbereiding en gesteltenis tot de genade vereist?

antwoord 1 ↓

103Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod non requiratur aliqua praeparatio sive dispositio ad gratiam ex parte hominis quia, ut Apostolus dicit Rom. 4 [v. 4] : « Ei qui operatur, merces non imputatur secundum gratiam, sed secundum debitum. » Sed praeparatio hominis per liberum arbitrium non est nisi per aliquam operationem. Ergo tolleretur ratio gloriae1.

103Bedenkingen. — Men beweert, dat er van den kant van den mensch geen bepaalde voorbereiding of gesteltenis tot de genade vereischt wordt. — 1. De Apostel immers zegt in zijn Brief aan de Romeinen (4, 4) : « Aan iemand, die werkt, wordt het loon niet toegekend uit genade, maar uit recht. » Welnu de voorbereiding van den mensch door den vrijen wil geschiedt alleen door een werking. Dus valt het begrip van genade weg.103Bedenkingen. — Men beweert, dat er van de kant van de mens geen bepaalde voorbereiding of gesteltenis tot de genade vereist wordt. — 1. De Apostel immers zegt in zijn Brief aan de Romeinen (4, 4): “Aan iemand, die werkt, wordt het loon niet toegekend uit genade, maar uit recht.” Welnu de voorbereiding van de mens door de vrije wil geschiedt alleen door een werking. Dus valt het begrip van genade weg.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, ille qui in peccato progreditur, non se praeparat ad gratiam habendam. Sed aliquibus in peccato progredientibus data est gratia, sicut patet de Paulo, qui gratiam consecutus est, dum esset « spirans 104minarum et coedis in discipulos Domini », ut dicitur Act. 9 [v. 1]. Ergo nulla praeparatio ad gratiam requiritur ex parte hominis.

2. Hij die in de zonde volhardt, bereidt zich niet op het verkrijgen van de genade voor. Welnu aan sommigen, die in de zonden volhardden, is de genade gegeven, zooals bij Paulus blijkt, die de genade verwierf, terwijl hij bedreiging en moord tegen de leerlingen des Heeren ademde, zooals in de Handelingen (9, 1) 104gezegd wordt. Dus wordt er van den kant van den mensch geen voorbereiding tot de genade vereischt.2. Hij die in de zonde volhardt, bereidt zich niet op het verkrijgen van de genade voor. Welnu aan sommigen, die in de zonden volhardden, is de genade gegeven, zoals bij Paulus blijkt, die de genade verwierf, terwijl hij bedreiging en moord tegen de leerlingen van de Heer ademde, zoals in de Handelingen (9, 1) 104gezegd wordt. Dus wordt er van de kant van de mens geen voorbereiding tot de genade vereist.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, agens infinitae virtutis non requirit dispositionem in materia, cum nec ipsam materiam requirat, sicut in creatione apparet, cui collatio gratiae comparatur, quae dicitur « nova creatura » [ad Gal. ult., v. 15]. Sed solus Deus, qui est infinitae virtutis, gratiam causat, ut dictum est [art. praec.]. Ergo nulla praeparatio requiritur ex parte hominis ad gratiam consequendam.

3. Een werker met oneindige kracht heeft geen gesteltenis in de stof noodig, daar hij zelfs de stof niet noodig heeft, zooals bij de schepping blijkt, waarmee het toedienen der genade, welke een nieuwe schepping genoemd wordt (Brief aan de Galaten, 6, 15), vergeleken wordt. Welnu alleen God, die over een oneindige kracht beschikt, veroorzaakt de genade, zooals (in het vorig Artikel) gezegd is. Dus wordt er van den kant van den mensch geen voorbereiding vereischt om de genade te verkrijgen.3. Een werker met oneindige kracht heeft geen gesteltenis in de stof nodig, daar hij zelfs de stof niet nodig heeft, zoals bij de schepping blijkt, waarmee het toedienen van de genade, welke een nieuwe schepping genoemd wordt (Brief aan de Galaten, 6, 15), vergeleken wordt. Welnu alleen God, die over een oneindige kracht beschikt, veroorzaakt de genade, zoals (in het vorig Artikel) gezegd is. Dus wordt er van de kant van de mens geen voorbereiding vereist om de genade te verkrijgen.

Sed contra est, quod dicitur Amos 4 [v. 12] : « Praeparate in occursum Dei tui Israël », et 1. Reg [v. 3] dicitur : « Praeparate corda vestra Domino. »

Maar daartegenover staat het gezegde van Amos (4, 12) : « Bereidt u voor op de komst van Uw God, Israël », en in het 1e Boek der Koningen (7, 3) wordt gezegd : « Bereidt uw hart voor op den Heer. »Maar daartegenover staat het gezegde van Amos (4, 12): “Bereidt u voor op de komst van Uw God, Israël”, en in het 1e Boek van de Koningen (7, 3)a wordt gezegd: “Bereidt uw hart voor op de Heer.”

Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 111. art 2.], gratia dicitur dupliciter : quandoque quidem ipsum habituale donum Dei, quandoque autem auxilium Dei moventis animam ad bonum. Primo igitur 105modo accipiendo gratiam. praeexigitur ad gratiam aliqua gratiae praeparatio, quia nulla forma potest esse nisi in materia disposita. Sed si loquamur de gratia, secundum quod significat auxilium Dei moventis ad bonum, sic nulla praeparatio requiritur ex parte hominis, quasi praeveniens divinum auxilium, sed potius quaecumque praeparatio in homine esse potest, est ex auxilio Dei moventis animam ad bonum. Et secundum hoc ipse bonus motus liberi arbitrii, quo quis praeparatur ad donum gratiae suscipiendum, est actus liberi arbitrii moti a Deo. Et quantum ad hoc dicitur homo se praeparare, secundum illud Prov. 16. [v. 1] : « Hominis est praeparare animum » ; et est principaliter a Deo movente liberum arbitrium, et secundum hoc dicitur a Deo voluntas hominis praeparari [Prov. c. 8. v. 35, juxta vers. LXX] et a Domino gressus hominis dirigi [Ps. 36, v. 23].

Leerstelling. — Zooals hierboven gezegd is (111e Kw., 2e Art.), wordt er op twee manieren van genade gesproken : ten eerste als over een blijvende gave Gods, ten tweede als over een hulp van God, die de ziel tot het goede drijft. Indien men de 105genade in den eersten zin neemt, wordt er voor de genade een voorbereiding vereischt, omdat iedere vorm-oorzaak alleen kan zijn in een voorbereide stof. Maar indien men over de genade spreekt, in zoover zij de hulp Gods is, die tot de genade drijft, dan wordt er van den kant van den mensch geen enkele voorbereiding vereischt, welke als het ware aan de hulp van God zou voorafgaan. Veeleer komt iedere voorbereiding, welke in den mensch kan zijn, van de hulp van God, die de ziel drijft tot het goede. Hiermede overeenkomstig is de goede beweging zelf van den vrijen wil, waardoor iemand wordt voorbereid om de gave der genade te ontvangen, een daad van den vrijen wil, bewogen door God. En in dien zin zegt men, dat de mensch zich voorbereidt, volgens het woord uit het Boek der Spreuken (16,1) : « Eigen aan den mensch is het, de ziel voor te bereiden. » En dit komt ook, als van de hoofdoorzaak, van God, die den vrijen wil beweegt; en overeenkomstig hiermede zegt men (Boek der Spreuken 8, 35. vertaling der Zeventigen), dat de wil van den mensch wordt voorbereid door God, en dat de stappen van den mensch door den Heer geleid worden. (Psalm 36, 23.)Leerstelling. — Zoals hierboven gezegd is (111e Kw., 2e Art.), wordt er op twee manieren van genade gesproken: ten eerste als over een blijvende gave Gods, ten tweede als over een hulp van God, die de ziel tot het goede drijft. Indien men de 105genade in de eerste zin neemt, wordt er voor de genade een voorbereiding vereist, omdat iedere vorm-oorzaak alleen kan zijn in een voorbereide stof. Maar indien men over de genade spreekt, in zover zij de hulp Gods is, die tot de genade drijft, dan wordt er van de kant van de mens geen enkele voorbereiding vereist, welke als het ware aan de hulp van God zou voorafgaan. Veeleer komt iedere voorbereiding, welke in de mens kan zijn, van de hulp van God, die de ziel drijft tot het goede. Hiermede overeenkomstig is de goede beweging zelf van de vrije wil, waardoor iemand wordt voorbereid om de gave van de genade te ontvangen, een daad van de vrije wil, bewogen door God. En in die zin zegt men, dat de mens zich voorbereidt, volgens het woord uit het Boek van de Spreuken (16,1): “Eigen aan de mens is het, de ziel voor te bereiden.” En dit komt ook, als van de hoofdoorzaak, van God, die de vrije wil beweegt; en overeenkomstig hiermede zegt men (Boek van de Spreuken 8, 35. vertaling van de Zeventigen), dat de wil van de mens wordt voorbereid door God, en dat de stappen van de mens door de Heer geleid worden. (Psalm 36, 23.)b

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod praeparatio hominis ad gratiam habendam quaedam est simul cum ipsa infusione gratiae, et talis operatio est 106quidem meritoria, sed non gratiae, quae jam habetur, sed gloriae, quae nondum habetur. Est autem alia praeparatio gratiae imperfecta, quae aliquando praecedit donum gratiae gratum facientis, quae tamen est a Deo movente; sed ista non sufficit ad meritum nondum homine per gratiam justificato, quia nullum meritum potest esse nisi ex gratia, ut infra dicetur [q. 114. art. 2.].

Antwoord op de bedenkingen. — 1. De voorbereiding van den mensch om de genade te verkrijgen is soms tegelijk met 106de instorting der genade zelf. Zulk een werking is verdienstelijk, maar niet voor de genade, welke reeds in het bezit is, maar voor de glorie, welke nog niet in het bezit is. Echter is er een andere onvolmaakte voorbereiding tot de genade, welke soms aan de gave der heiligmakende genade voorafgaat, maar die van God als beweger komt. Deze echter is niet voldoende voor de verdienste, wanneer de mensch nog niet door de genade rechtvaardig gemaakt is, omdat er geen verdienste is tenzij door de genade, zooals verderop zal bewezen worden. (114e Kw., 2e Art.).Antwoord op de bedenkingen. — 1. De voorbereiding van de mens om de genade te verkrijgen is soms tegelijk met 106de instorting van de genade zelf. Zulk een werking is verdienstelijk, maar niet voor de genade, welke reeds in het bezit is, maar voor de glorie, welke nog niet in het bezit is. Echter is er een andere onvolmaakte voorbereiding tot de genade, welke soms aan de gave van de heiligmakende genade voorafgaat, maar die van God als beweger komt. Deze echter is niet voldoende voor de verdienste, wanneer de mens nog niet door de genade rechtvaardig gemaakt is, omdat er geen verdienste is tenzij door de genade, zoals verderop zal bewezen worden. (114e Kw., 2e Art.).

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod, cum homo ad gratiam se praeparare non possit, nisi Deo eum praeveniente et movente ad bonum, non refert utrum subito vel paulatim aliquis ad perfectam praeparationem perveniat : dicitur enim Eccli. 11 [v. 23] : « Facile est in oculis Dei subito honestare pauperem. » Contingit autem quandoque, quod Deus movet hominem ad aliquod bonum, non tamen perfectum, et talis praeparatio praecedit gratiam; sed quandoque statim perfecte movet ipsum ad bonum, et subito gratiam homo accipit, secundum illud Joan. 6 [v. 45] : « Omnis, qui audit a Patre, et didicit, venit ad me. » Et ita contigit Paulo, quia subito cum esset in 107progressu peccati, perfecte motum est cor ejus a Deo, audiendo et addiscendo, et veniendo. et ideo subito est gratiam consecutus.

2. Daar de mensch zich niet tot de genade kan voorbereiden, tenzij God hem voorkomt en tot het goede beweegt, doet het er niets aan af, of iemand plotseling, of langzaam tot de volmaakte voorbereiding komt, want in het Boek Ecclesiasticus (11, 23) wordt gezegd : « Gemakkelijk is het in de oogen van God den arme plotseling in eere te plaatsen. » Soms toch gebeurt het, dat God den mensch tot iets goeds beweegt, maar niet tot een volmaakt goed, en die voorbereiding gaat aan de genade vooraf. Maar soms beweegt Hij hem terstond volmaakt tot het goede, en dan ontvangt de mensch terstond de genade, volgens het woord uit het Evangelie van Johannes (6, 45) : « Alwie naar den Vader luistert en door Hem onderwezen wordt, komt tot Mij. » En zoo gebeurde het met Paulus, omdat zijn hart terstond, terwijl 107hij voortging in de zonde, volmaakt bewogen werd door God, want hij hoorde en leerde en kwam, en aldus kreeg hij terstond de genade.2. Daar de mens zich niet tot de genade kan voorbereiden, tenzij God hem voorkomt en tot het goede beweegt, doet het er niets aan af, of iemand plotseling, of langzaam tot de volmaakte voorbereiding komt, want in het Boek Sirach (11, 23) wordt gezegd: “Gemakkelijk is het in de ogen van God de arme plotseling in ere te plaatsen.” Soms toch gebeurt het, dat God de mens tot iets goeds beweegt, maar niet tot een volmaakt goed, en die voorbereiding gaat aan de genade vooraf. Maar soms beweegt Hij hem terstond volmaakt tot het goede, en dan ontvangt de mens terstond de genade, volgens het woord uit het Evangelie van Johannes (6, 45): “Alwie naar de Vader luistert en door Hem onderwezen wordt, komt tot Mij.” En zo gebeurde het met Paulus, omdat zijn hart terstond, terwijl 107hij voortging in de zonde, volmaakt bewogen werd door God, want hij hoorde en leerde en kwam, en aldus kreeg hij terstond de genade.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod agens infinitae virtutis non exigit materiam vel dispositionem materiae, quasi praesuppositam ex alterius causae actione, sed tamen oportet, quod secundum conditionem rei causandae in ipsa re causet et materiam. et dispositionem debitam ad formam. Et similiter ad hoc quod Deus gratiam infundat animae, nulla praeparatio exigitur, quam ipse non faciat.

3. Een werker met oneindige kracht heeft geen stof of geen gesteltenis der stof noodig, als vooraf voortgebracht door de werking van een andere oorzaak, maar hij moet, overeenkomstig den aard van het te veroorzaken ding, in de zaak zelf én de stof, én de vereischte gesteltenis tot de vorm-oorzaak voortbrengen. En evenzoo wordt er hiertoe, dat God zelf de genade instort in de ziel, geen voorbereiding vereischt, die hij zelf niet veroorzaakt.3. Een werker met oneindige kracht heeft geen stof of geen gesteltenis van de stof nodig, als vooraf voortgebracht door de werking van een andere oorzaak, maar hij moet, overeenkomstig de aard van het te veroorzaken ding, in de zaak zelf én de stof, én de vereiste gesteltenis tot de vorm-oorzaak voortbrengen. En evenzo wordt er hiertoe, dat God zelf de genade instort in de ziel, geen voorbereiding vereist, die hij zelf niet veroorzaakt.

Articulus III

Utrum necessario detur gratia se praeparanti ad gratiam, vel facienti quod in se est

[4. Dist. 17. q. 1. art. 2. et Dist. 20. q. 1. art. 1. corp.]
IIIe Artikel

Wordt aan hem, die zich tot de genade voorbereidt of die doet wat in zijne macht is, de genade noodzakelijk gegeven?Wordt aan hem, die zich tot de genade voorbereidt of die doet wat in zijn macht is, de genade noodzakelijk gegeven?

antwoord 1 ↓

107Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod ex necessitate detur gratia se praeparanti ad gratiam, vel facienti quod in se est, quia super illud Rom. 1085. [v. 1] : Justificati ex fide, pacem habeamus, etc. dicit Glos. [Rabani lib. 2. Comment. in hunc locum] : « Deus recipit eum, qui ad se confugit; aliter esset in eo iniquitas. » Sed impossibile est in Deo iniquitatem esse. Ergo est impossibile, quod Deus non recipiat eum, qui ad se confugit. Ex necessitate igitur gratiam assequitur.

107Bedenkingen. — Men beweert, dat de genade noodzakelijk gegeven wordt aan hem, die zich tot de genade voorbereidt of 108die doet wat in zijn macht is. — 1. Op het woord immers uit den Brief aan de Romeinen, (5, 1) : « Laten wij, die door het geloof gerechtvaardigd zijn, in vrede blijven », zegt de Glossa (Hrabanus, 2e Boek van zijn Commentaar) : « God ontvangt hem, die zich tot Hem keert; anders zou er in Hem ongerechtigheid zijn. » Welnu het is onmogelijk, dat er in God ongerechtigheid is. Dus is het onmogelijk, dat God hém niet ontvangt, die tot Hem zijn toevlucht neemt. Dus ontvangt hij noodzakelijk de genade.107Bedenkingen. — Men beweert, dat de genade noodzakelijk gegeven wordt aan hem, die zich tot de genade voorbereidt of 108die doet wat in zijn macht is. — 1. Op het woord immers uit de Brief aan de Romeinen, (5, 1): “Laten wij, die door het geloof gerechtvaardigd zijn, in vrede blijven”, zegt de Glossa (Hrabanus, 2e Boek van zijn Commentaar): “God ontvangt hem, die zich tot Hem keert; anders zou er in Hem ongerechtigheid zijn.” Welnu het is onmogelijk, dat er in God ongerechtigheid is. Dus is het onmogelijk, dat God hém niet ontvangt, die tot Hem zijn toevlucht neemt. Dus ontvangt hij noodzakelijk de genade.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Anselmus dicit in libro de Casu Diaboli [cap. 3.], quod ista est causa, quare Deus non concedit diabolo gratiam, quia ipse non voluit accipere, nec paratus fuit. Sed remota causa, necesse est removeri effectum. Ergo si aliquis velit accipere gratiam, necesse est quod ei detur.

2. In zijn Boek Over den Val van den Duivel (3e H.) zegt Anselmus, dat de reden, waarom God aan den duivel de genade niet geeft, is omdat hij haar niet wilde ontvangen, noch voorbereid was. Welnu als de oorzaak weggenomen is, moet ook het gevolg weggenomen worden. Indien iemand dus de genade wil ontvangen, moet zij hem noodzakelijk gegeven worden.2. In zijn Boek Over de Val van de Duivel (3e H.) zegt Anselmus, dat de reden, waarom God aan de duivel de genade niet geeft, is omdat hij haar niet wilde ontvangen, noch voorbereid was. Welnu als de oorzaak weggenomen is, moet ook het gevolg weggenomen worden. Indien iemand dus de genade wil ontvangen, moet zij hem noodzakelijk gegeven worden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, bonum est communicativum sui, ut patet per Dionysium in 4. cap. de Div. Nom. Sed bonum gratiae est melius, quam bonum naturae. Cum igitur forma naturalis ex necessitate adveniat materiae dispositae, videtur quod multo magis gratia ex necessitate detur praeparanti se ad gratiam.

3. Het goede is mededeelzaam, zooals blijkt uit de woorden van Dionysius in zijn Boek Over de Namen van God (4e H.). Welnu het goede der genade is beter dan het goede der natuur. Daar dus de natuurvorm noodzakelijk toevalt aan de geschikte stof, moet veel eerder de genade noodzakelijk gegeven worden aan die zich tot de genade voorbereidt.3. Het goede is mededeelzaam, zoals blijkt uit de woorden van Dionysius in zijn Boek Over de Namen van God (4e H.). Welnu het goede van de genade is beter dan het goede van de natuur. Daar dus de natuurvorm noodzakelijk toevalt aan de geschikte stof, moet veel eerder de genade noodzakelijk gegeven worden aan die zich tot de genade voorbereidt.

109Sed contra est, quod homo comparatur ad Deum, sicut lutum ad figulum, secundum illud Jerem. 18 [v. 6] : « Sicut lutum in manu figuli, sic vos in manu mea. » Sed lutum non ex necessitate accipit formam a figulo, quantumcumque sit praeparatum. Ergo neque homo recipit ex necessitate gratiam a Deo, quantumcumque se praeparet.

109Maar daartegenover staat, dat de mensch zich tot God verhoudt als het klei tot den pottenbakker, volgens het woord van Jeremias (18, 6) : « Gelijk het klei in de hand des pottenbakkers, zijt gij in mijn hand. » Welnu het klei ontvangt zijn vorm niet noodzakelijk van den pottenbakker, hoe het ook bereid is. Dus ontvangt ook de mensch van God niet noodzakelijk de genade, hoe hij zich ook voorbereidt.109Maar daartegenover staat, dat de mens zich tot God verhoudt als het klei tot de pottenbakker, volgens het woord van Jeremia (18, 6): “Gelijk het klei in de hand van de pottenbakker, zijt gij in mijn hand.” Welnu het klei ontvangt zijn vorm niet noodzakelijk van de pottenbakker, hoe het ook bereid is. Dus ontvangt ook de mens van God niet noodzakelijk de genade, hoe hij zich ook voorbereidt.

Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [art. praec.], praeparatio hominis ad gratiam est a Deo, sicut a movente; a libero autem arbitrio, sicut a moto. Potest igitur praeparatio dupliciter considerari : uno quidem modo, secundum quod est a libero arbitrio, et secundum hoc nullam necessitatem habet ad gratiae consecutionem, quia donum gratiae excedit omnem praeparationem virtutis humanae. Alio modo potest considerari, secundum quod est a Deo movente, et tunc habet necessitatem ad id, ad quod ordinatur a Deo, non quidem coactionis, sed infallibilitatis, quia intentio Dei deficere non potest, secundum quod Augustinus dicit in libro de 110Praedest. Sanct. [l. II, c. 14, cf. de dono Persev., cap. 14.] quod « per beneficia Dei certissime liberantur, quicumque liberantur. » Unde si ex intentione Dei moventis est, quod homo, cujus cor movet, gratiam consequatur, infallibiliter ipsam consequitur, secundum illud Joan. 6 [v. 45] : « Omnis, qui audit a Patre, et didicit, venit ad me. »

Leerstelling. — Gelijk hierboven (vorig Art.) gezegd is, komt de voorbereiding van den mensch tot de genade van God als beweger; van den vrijen wil echter als bewogen. Bijgevolg kan men de voorbereiding dubbel beschouwen : ten eerste voor zoover zij van den vrijen wil komt, en overeenkomstig hiermee heeft zij geen enkele noodzakelijkheid tot het verkrijgen van de genade, want de gave der genade gaat iedere voorbereiding der menschelijke deugd te boven. Ten tweede kan de voorbereiding beschouwd worden, voor zoover zij van God komt als beweger, en in dit geval heeft zij een noodzakelijkheid tot dat, waartoe zij door God geordend is, niet echter uit dwang, maar uit onfeilbaarheid, omdat nl. de bedoeling van God niet kan falen, 110overeenkomstig het woord van Augustinus in zijn Boek Over de Voorbestemming der Heiligen (2e B., 14e H. — Zie Over de gave der volharding, 14e H.), dat alwie door de weldaden van God wordt bevrijd, allerzekerst wordt bevrijd. Indien het dus overeenkomstig de bedoeling van God als beweger is, dat de mensch, wiens hart hij beweegt, de genade verkrijgt, dan verkrijgt hij ze onfeilbaar, volgens het woord uit het Evangelie van Johannes (6, 45) : « Alwie naar den Vader luistert en door Hem onderwezen is, komt tot Mij. »Leerstelling. — Gelijk hierboven (vorig Art.) gezegd is, komt de voorbereiding van de mens tot de genade van God als beweger; van de vrije wil echter als bewogen. Bijgevolg kan men de voorbereiding dubbel beschouwen: ten eerste voor zover zij van de vrije wil komt, en overeenkomstig hiermee heeft zij geen enkele noodzakelijkheid tot het verkrijgen van de genade, want de gave van de genade gaat iedere voorbereiding van de menselijke deugd te boven. Ten tweede kan de voorbereiding beschouwd worden, voor zover zij van God komt als beweger, en in dit geval heeft zij een noodzakelijkheid tot dat, waartoe zij door God geordend is, niet echter uit dwang, maar uit onfeilbaarheid, omdat nl. de bedoeling van God niet kan falen, 110overeenkomstig het woord van Augustinus in zijn Boek Over de Voorbestemming van de Heiligen (2e B., 14e H. — Zie Over de gave van de volharding, 14e H.), dat alwie door de weldaden van God wordt bevrijd, allerzekerst wordt bevrijd. Indien het dus overeenkomstig de bedoeling van God als beweger is, dat de mens, wiens hart hij beweegt, de genade verkrijgt, dan verkrijgt hij ze onfeilbaar, volgens het woord uit het Evangelie van Johannes (6, 45): “Alwie naar de Vader luistert en door Hem onderwezen is, komt tot Mij.”

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod Glossa illa loquitur de illo, qui confugit ad Deum per actum meritorium liberi arbitrii, jam per gratiam informati; quem si non reciperet, esset contra justitiam, quam ipse statuit. Vel si deferatur ad motum liberi arbitrii ante gratiam, loquitur secundum quod ipsum confugium hominis ad Deum est per motionem divinam quam justum est non deficere.

Antwoord op de bedenkingen. — 1. Die Glos spreekt van hem, die tot God zijn toevlucht neemt door een verdienstelijke daad van den vrijen wil, waarin reeds de genade is. Indien God hem niet ontvangen zou, dan zou het tegen de rechtvaardigheid zijn, die God zelf ingesteld heeft. Of indien de beweging van den vrijen wil vòór de genade bedoeld wordt, dan moet zij verklaard worden in dien zin, dat de toevlucht tot God door de goddelijke beweging is, die niet rechtmatig kan afwijken.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Die Glos spreekt van hem, die tot God zijn toevlucht neemt door een verdienstelijke daad van de vrije wil, waarin reeds de genade is. Indien God hem niet ontvangen zou, dan zou het tegen de rechtvaardigheid zijn, die God zelf ingesteld heeft. Of indien de beweging van de vrije wil vòór de genade bedoeld wordt, dan moet zij verklaard worden in die zin, dat de toevlucht tot God door de goddelijke beweging is, die niet rechtmatig kan afwijken.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod defectus gratiae prima causa est ex nobis, sed collationis gratiae prima causa est a Deo, secundum illud Oseae 13. [v. 9] : « Perditio tua Israël, tantummodo in me auxilium tuum. »

2. De eerste oorzaak van het ontbreken der genade ligt in ons, maar de eerste oorzaak van het geven der genade is God, volgens het woord uit Osee (13,9) : « Uw verderf, Israël; in Mij alleen uw hulp. »2. De eerste oorzaak van het ontbreken van de genade ligt in ons, maar de eerste oorzaak van het geven van de genade is God, volgens het woord uit Hosea (13,9): “Uw verderf, Israël; in Mij alleen uw hulp.”

↑ bedenking 3

111Ad tertium dicendum, quod etiam in rebus naturalibus dispositio materiae non ex necessitate consequitur formam, nisi per virtutem agentis, qui dispositionem causat.

1113. Ook in de natuurdingen volgt het mededeelen van de vorm-oorzaak niet noodzakelijk de geschikte gesteltenis der stof, tenzij door de kracht van die werkende oorzaak, welke die gesteltenis veroorzaakt.1113. Ook in de natuurdingen volgt het mededelen van de vorm-oorzaak niet noodzakelijk de geschikte gesteltenis van de stof, tenzij door de kracht van die werkende oorzaak, welke die gesteltenis veroorzaakt.

Articulus IV

Utrum gratia sit major in uno, quam in alio

[Supr. q. 66. art. 2. ad 1. et 2-2. q. 4. art. 4. ad 3.]
IVe Artikel

Is de genade grooter in den een dan in den ander?Is de genade groter in de een dan in de ander?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod gratia non sit major in uno, quam in alio : gratia enim causatur in nobis ex dilectione divina, ut dictum est [q. 110. art. 1.]. Sed Sap. 6 [v. 8] dicitur : « Pusillum et magnum ipse fecit, et aequaliter est illi cura de omnibus. » Ergo omnes aequaliter gratiam ab eo consequuntur.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de genade niet grooter is in den een dan in den ander. — 1. De genade immers wordt in ons veroorzaakt door de goddelijke liefde, zooals vroeger gezegd is (110e Kw., 1e Art.). Welnu in het Boek der Wijsheid (6, 8) wordt gezegd : « Het nietige en het groote heeft Hij gemaakt, en een gelijke zorg oefent hij over alles uit. » Dus verkrijgen allen gelijkelijk de genade van Hem.Bedenkingen. — Men beweert, dat de genade niet groter is in de een dan in de ander. — 1. De genade immers wordt in ons veroorzaakt door de goddelijke liefde, zoals vroeger gezegd is (110e Kw., 1e Art.). Welnu in het Boek van de Wijsheid (6, 8) wordt gezegd: “Het nietige en het grote heeft Hij gemaakt, en een gelijke zorg oefent hij over alles uit.” Dus verkrijgen allen gelijkelijk de genade van Hem.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, ea quae in summo dicuntur, non recipiunt magis, et minus. Sed gratia in summo dicitur, quia conjungit ultimo fini. Ergo non recipit magis et minus. Non est ergo major in uno, quam in alio.

2. Voor die dingen, die als het hoogste worden aangeduid, is er geen meerdere en mindere graad. Welnu de genade wordt als het hoogste aangeduid, omdat zij met het laatste doel 112verbindt. Dus is er voor haar geen meerdere en mindere graad, en is zij niet grooter in den een dan in den ander.2. Voor die dingen, die als het hoogste worden aangeduid, is er geen meerdere en mindere graad. Welnu de genade wordt als het hoogste aangeduid, omdat zij met het laatste doel 112verbindt. Dus is er voor haar geen meerdere en mindere graad, en is zij niet groter in de een dan in de ander.

antwoord 3 ↓

1123. Praeterea, gratia est vita animae, ut supra dictum est [q. 110. art. 1. ad 2.]. Sed vivere non dicitur secundum magis et minus. Ergo etiam neque gratia.

3. De genade is het leven der ziel, zooals hierboven gezegd is (110e Kw., 1e Art., 2e Art.). Welnu leven wordt niet meer en minder gezegd. Dus ook de genade niet.3. De genade is het leven van de ziel, zoals hierboven gezegd is (110e Kw., 1e Art., 2e Art.). Welnu leven wordt niet meer en minder gezegd. Dus ook de genade niet.

Sed contra est, quod dicitur ad Ephes. 4 [v. 7] : « Unicuique data est gratia secundum mensuram donationis Christi. » Quod autem mensurate datur, non omnibus aequaliter datur. Ergo non omnes aequalem gratiam habent.

Maar daartegenover staat, dat er in den Brief aan de Ephesiërs (4, 7) gezegd wordt : « Aan eenieder is de genade gegeven volgens de maat der vrijgevigheid van Christus. » Welnu wat met maat gegeven wordt, wordt niet aan allen gelijkelijk gegeven. Dus hebben niet allen gelijke genade.Maar daartegenover staat, dat er in de Brief aan de Efesiërs (4, 7) gezegd wordt: “Aan eenieder is de genade gegeven volgens de maat van de vrijgevigheid van Christus.” Welnu wat met maat gegeven wordt, wordt niet aan allen gelijkelijk gegeven. Dus hebben niet allen gelijke genade.

Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 52. art. 1. et 2. q. 66. art. 1. et 2.], habitus duplicem magnitudinem habere potest : unam ex parte finis vel objecti, secundum quod dicitur una virtus alia nobilior, inquantum ad majus bonum ordinatur; aliam vero ex parte subjecti, quod magis vel minus participat habitum inhaerentem. Secundum igitur primam magnitudinem gratia gratum faciens non potest esse major et minor, 113quia gratia secundum sui rationem conjungit hominem summo bono, quod est Deus. Sed ex parte subjecti gratia potest suscipere magis vel minus, prout scilicet unus perfectius illustratur a lumine gratiae, quam alius. Cujus diversitatis ratio quidem est aliqua ex parte praeparantis se ad gratiam; qui enim magis se ad gratiam praeparat, pleniorem gratiam accipit; sed ex hac parte non potest accipi prima ratio hujus diversitatis, quia preparatio ad gratiam non est hominis, nisi inquantum liberum arbitrium ejus praeparatur a Deo. Unde prima causa hujus diversitatis accipienda est ex parte ipsius Dei, qui diversimodo suae gratiae dona dispensat ad hoc, quod ex diversis gradibus pulchritudo et perfectio Ecclesiae consurgat, sicut etiam diversos gradus rerum instituit, ut esset universum perfectum: unde Apostolus ad Ephes. 4., postquam dixerat [v. 7] : « Unicuique data est gratia secundum mensuram donationis Christi », enumeratis diversis gratiis, subjungit [v. 12] : « Ad consummationem sanctorum in aedificationem corporis Christi. »

Leerstelling. — Zooals hierboven gezegd is (52e Kw, 1e en 2e Art., en 66e Kw., 1e en 2e Art.), kan een hebbelijkheid een tweevoudige grootte hebben : één van den kant van het doel of het voorwerp, zooals de eene deugd verhevener wordt genoemd dan de andere, voor zoover zij op een hooger goed gericht is; en één van den kant van den drager, die meer of minder aan de hebbelijkheid deelachtig is. Naar de eerste grootte kan de heiligmakende genade niet grooter en kleiner zijn, omdat de genade uitteraard den mensch verbindt met het hoogste goed, wat God 113is. Maar van den kant van den drager kan er voor de genade een meerdere of mindere graad zijn, voor zoover de eene meer door het genadelicht bestraald wordt dan de andere. De oorzaak van dit verschil komt eenigszins van den kant van dengene, die zich tot de genade voorbereidt, want wie zich meer op de genade voorbereidt, ontvangt een vollere genade. Dit kan echter de eerste oorzaak van dit verschil niet zijn, daar de voorbereiding van den mensch komt, tenzij voor zoover zijn vrije wil door God wordt voorbereid. Vandaar moet de eerste oorzaak van dit verschil God zelf zijn, die hierom de gaven van zijn genade verschillend verleent, opdat door de verschillende graden de schoonheid en volmaaktheid der Kerk grooter zouden worden, zooals hij ook verschillende graden in de dingen gemaakt heeft, opdat het heelal volmaakt zou zijn. Vandaar laat de Apostel in zijn Brief aan de Ephesiërs (4), nadat hij gezegd had (7) : « Aan eenieder is de genade gegeven, overeenkomstig de maat van de vrijgevigheid van Christus », en de verschillende genaden had opgesomd, volgen : « om de heiligen te voltooien, om het lichaam van Christus op te bouwen. »Leerstelling. — Zoals hierboven gezegd is (52e Kw, 1e en 2e Art., en 66e Kw., 1e en 2e Art.), kan een hebbelijkheid een tweevoudige grootte hebben: één van de kant van het doel of het voorwerp, zoals de ene deugd verhevener wordt genoemd dan de andere, voor zover zij op een hoger goed gericht is; en één van de kant van de drager, die meer of minder aan de hebbelijkheid deelachtig is. Naar de eerste grootte kan de heiligmakende genade niet groter en kleiner zijn, omdat de genade uitteraard de mens verbindt met het hoogste goed, wat God 113is. Maar van de kant van de drager kan er voor de genade een meerdere of mindere graad zijn, voor zover de ene meer door het genadelicht bestraald wordt dan de andere. De oorzaak van dit verschil komt enigszins van de kant van dengene, die zich tot de genade voorbereidt, want wie zich meer op de genade voorbereidt, ontvangt een vollere genade. Dit kan echter de eerste oorzaak van dit verschil niet zijn, daar de voorbereiding van de mens komt, tenzij voor zover zijn vrije wil door God wordt voorbereid. Vandaar moet de eerste oorzaak van dit verschil God zelf zijn, die hierom de gaven van zijn genade verschillend verleent, opdat door de verschillende graden de schoonheid en volmaaktheid van de Kerk groter zouden worden, zoals hij ook verschillende graden in de dingen gemaakt heeft, opdat het heelal volmaakt zou zijn. Vandaar laat de Apostel in zijn Brief aan de Efesiërs (4), nadat hij gezegd had (7): “Aan eenieder is de genade gegeven, overeenkomstig de maat van de vrijgevigheid van Christus”, en de verschillende genaden had opgesomd, volgen: “om de heiligen te voltooien, om het lichaam van Christus op te bouwen.”

↑ bedenking 1

114Ad primum ergo dicendum, quod cura divina dupliciter considerari potest : uno modo quantum ad ipsum divinum actum, qui est simplex et uniformis, et secundum hoc aequaliter se habet ejus cura ad omnes, quia scilicet uno actu simplici et majora et minora dispensat; alio modo potest considerari ex parte eorum, quae in creaturis ex divina cura proveniunt, et secundum hoc invenitur inaequalitas, inquantum scilicet Deus sua cura quibusdam majora, quibusdam minora providet dona.

114Antwoord op de bedenkingen. — 1. De goddelijke zorg kan dubbel verstaan worden. Ten eerste, met betrekking tot de goddelijke daad zelf, die eenvoudig is en gelijk. In dien zin verhoudt zich zijn zorg gelijkelijk tot alles, omdat hij nl. in één enkelvoudige daad én het groote én het kleine bedeelt. Ten tweede kan ze beschouwd worden van den kant van die dingen, die in de schepselen uitgewerkt worden door de goddelijke zorg. Hieromtrent bestaat er een ongelijkheid, voor zoover nl. God door zijn zorg voor sommigen grootere gaven, en voor anderen kleinere gaven voorziet.114Antwoord op de bedenkingen. — 1. De goddelijke zorg kan dubbel verstaan worden. Ten eerste, met betrekking tot de goddelijke daad zelf, die eenvoudig is en gelijk. In die zin verhoudt zich zijn zorg gelijkelijk tot alles, omdat hij nl. in één enkelvoudige daad én het grote én het kleine bedeelt. Ten tweede kan ze beschouwd worden van de kant van die dingen, die in de schepselen uitgewerkt worden door de goddelijke zorg. Hieromtrent bestaat er een ongelijkheid, voor zover nl. God door zijn zorg voor sommigen grotere gaven, en voor anderen kleinere gaven voorziet.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod ratio illa procedit secundum primum modum magnitudinis gratiae : non enim potest gratia secundum hoc major esse, quod ad majus bonum ordinet, sed ex eo, quod magis vel minus ordinet ad idem bonum magis vel minus participandum. Potest enim esse diversitas intensionis et remissionis, secundum participationem subjecti, et in ipsa gratia, et in finali gloria.

2. Die redeneering gaat uit van de eerste grootte der genade, want de genade kan niet grooter zijn, in dien zin, dat ze op een grooter goed gericht is, maar wel in dien zin, dat zij er meer of minder op gericht is, dat hetzelfde goed meer of minder gedeeld wordt. Want er kan een verscheidenheid zijn in den meerderen of minderen graad, volgens de deelhebbing van den drager, én in de genade zelf, en ook in de glorie.2. Die redenering gaat uit van de eerste grootte van de genade, want de genade kan niet groter zijn, in die zin, dat ze op een groter goed gericht is, maar wel in die zin, dat zij er meer of minder op gericht is, dat hetzelfde goed meer of minder gedeeld wordt. Want er kan een verscheidenheid zijn in de meerderen of minderen graad, volgens de deelhebbing van de drager, én in de genade zelf, en ook in de glorie.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod vita naturalis pertinet ad substantiam hominis, et ideo non recipit magis et minus. Sed vitam gratiae participat homo accidentaliter, et ideo eam potest homo magis vel minus habere.

3. Het natuurlijk leven behoort tot de zelfstandigheid van den mensch, en daarom is er geen meerdere of mindere graad in. Maar aan het leven der genade wordt de mensch bijkomstig deelachtig, en daarom kan hij het meer of minder bezitten.3. Het natuurlijk leven behoort tot de zelfstandigheid van de mens, en daarom is er geen meerdere of mindere graad in. Maar aan het leven van de genade wordt de mens bijkomstig deelachtig, en daarom kan hij het meer of minder bezitten.

Articulus V

Utrum homo possit scire se habere gratiam

[3. Dist. 16. q. 1. art. 1. ad 5. et 4. Dist. 21. q. 2. art. corp.]
Ve Artikel

Kan de mensch weten, dat hij de genade heeft?Kan de mens weten, dat hij de genade heeft?

antwoord 1 ↓

115Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod homo possit scire se habere gratiam : gratia enim est in anima per sui essentiam. Sed certissima cognitio animae est eorum. quae sunt in anima per sui essentiam, ut patet per Augustinum 12. super Gen. ad lit. [cap. 31]. Ergo gratia certissime potest cognosci ab eo qui gratiam habet.

115Bedenkingen. — Men beweert, dat de mensch kan weten, dat hij de genade heeft. — 1. De genade immers is naar haar wezen in de ziel. Welnu de allerzekerste kennis van de ziel heeft tot voorwerp die dingen, die naar hun wezen in de ziel zijn, zooals blijkt uit de leer van Augustinus in zijn Letterlijke Verklaring van het Boek der Schepping (12,31). Dus kan de genade allerzekerst gekend worden, door hem, die de genade heeft.115Bedenkingen. — Men beweert, dat de mens kan weten, dat hij de genade heeft. — 1. De genade immers is naar haar wezen in de ziel. Welnu de allerzekerste kennis van de ziel heeft tot voorwerp die dingen, die naar hun wezen in de ziel zijn, zoals blijkt uit de leer van Augustinus in zijn Letterlijke Verklaring van het Boek van de Schepping (12,31). Dus kan de genade allerzekerst gekend worden, door hem, die de genade heeft.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, sicut scientia est donum Dei, ita et gratia. Sed qui a Deo scientiam accipit, scit se scientiam habere, secundum illud Sap. 7 [v. 17] : « Dominus dedit mihi horum, quae sunt, veram scientiam. » Ergo pari ratione qui accipit gratiam a Deo, scit se gratiam habere.

2. Evenals de wetenschap een gave Gods is, zoo ook de genade. Welnu wie van God de wetenschap ontvangt, weet, dat hij die wetenschap heeft, volgens het woord uit het Boek der Wijsheid (7, 17) : « De Heer heeft mij van die dingen, die zijn, de ware wetenschap gegeven. » Iemand die de genade Gods ontvangt, weet dus om dezelfde reden, dat hij de genade heeft.2. Evenals de wetenschap een gave Gods is, zo ook de genade. Welnu wie van God de wetenschap ontvangt, weet, dat hij die wetenschap heeft, volgens het woord uit het Boek van de Wijsheid (7, 17): “De Heer heeft mij van die dingen, die zijn, de ware wetenschap gegeven.” Iemand die de genade Gods ontvangt, weet dus om dezelfde reden, dat hij de genade heeft.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, lumen est magis cognoscibile, quam tenebra, quia 116secundum Apostolum ad Ephes. 5 [v. 13] « Omne quod manifestatur, lumen est. » Sed peccatum, quod est spiritualis tenebra, per certitudinem potest sciri ab eo, qui habet peccatum. Ergo multo magis gratia, quae est spirituale lumen.

3. Het licht is meer kenbaar dan de duisternis, omdat volgens den Apostel (Brief aan de Ephesiërs, 5, 13), alles wat kenbaar 116wordt, licht is. Welnu de zonde, welke geestelijke duisternis is, kan met zekerheid gekend worden door hem, die de zonde heeft. Dus veel meer de genade, die het geestelijk licht is.3. Het licht is meer kenbaar dan de duisternis, omdat volgens de Apostel (Brief aan de Efesiërs, 5, 13), alles wat kenbaar 116wordt, licht is. Welnu de zonde, welke geestelijke duisternis is, kan met zekerheid gekend worden door hem, die de zonde heeft. Dus veel meer de genade, die het geestelijk licht is.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, Apostolus dicit 1. ad Cor. 2 [v. 12] : « Nos autem non spiritum hujus mundi accepimus, sed spiritum qui a Deo est, ut sciamus quae a Deo donata sunt nobis. » Sed gratia est primum donum Dei. Ergo homo, qui accipit gratiam per Spiritum Sanctum, per eumdem Spiritum scit gratiam esse sibi datam.

4. In zijn Eersten Brief aan de Corinthiërs (2, 12) zegt de Apostel : « Wij echter hebben den geest der wereld niet ontvangen, maar den geest, die uit God is, opdat wij de genade zouden kennen, die God ons gaf. » Welnu de genade is de eerste gave van God. Dus weet de mensch, die de genade van den H. Geest ontvangt, door denzelfden Geest, dat hem de genade gegeven is.4. In zijn Eersten Brief aan de Korintiërs (2, 12) zegt de Apostel: “Wij echter hebben de geest van de wereld niet ontvangen, maar de geest, die uit God is, opdat wij de genade zouden kennen, die God ons gaf.” Welnu de genade is de eerste gave van God. Dus weet de mens, die de genade van de H. Geest ontvangt, door dezelfde Geest, dat hem de genade gegeven is.

antwoord 5 ↓

5. Praeterea, Genes. 22 [v. 12] ex persona Domini dicitur ad Abraham : « Nunc cognovi, quod timeas Dominum », idest cognoscere te feci. Loquitur autem ibi de timore casto, qui non est sine gratia. Ergo homo potest cognoscere se habere gratiam.

5. In het Boek der Schepping (22, 12) wordt in Gods naam tot Abraham gezegd : « Nu weet ik, dat gij den Heer vreest », d. i. nu heb ik het U doen weten. Welnu, er is daar spraak van de heilige vrees, die niet zonder de genade is. Dus kan de mensch weten, dat hij de genade heeft.5. In het Boek van de Schepping (22, 12) wordt in Gods naam tot Abraham gezegd: “Nu weet ik, dat gij de Heer vreest”, d.i. nu heb ik het U doen weten. Welnu, er is daar spraak van de heilige vrees, die niet zonder de genade is. Dus kan de mens weten, dat hij de genade heeft.

Sed contra est, quod dicitur Eccle. 9 [v. 1] quod « nemo scit, utrum sit dignus odio vel amore. » Sed gratia gratum faciens facit hominem 117dignum Dei amore. Ergo nullus potest scire, utrum habeat gratiam gratum facientem.

Maar daartegenover staat, dat in het Boek Prediker (9, 1) gezegd wordt, dat niemand weet, of hij liefde dan wel haat waardig is. Welnu de heiligmakende genade maakt den mensch 117de liefde Gods waardig. Dus kan niemand weten of hij de heiligmakende genade heeft.Maar daartegenover staat, dat in het Boek Prediker (9, 1) gezegd wordt, dat niemand weet, of hij liefde dan wel haat waardig is. Welnu de heiligmakende genade maakt de mens 117de liefde Gods waardig. Dus kan niemand weten of hij de heiligmakende genade heeft.

Respondeo dicendum, quod tripliciter aliquid cognosci potest. Uno modo per revelationem, et hoc modo potest aliquis scire se habere gratiam : revelat enim Deus hoc aliquando aliquibus ex speciali privilegio, ut securitatis gaudium etiam in hac vita in eis incipiat, et confidentius et fortius magnifica opera prosequantur et mala praesentis vitae sustineant, sicut Paulo dictum est 2. ad Cor. 12 [v. 9] : « Sufficit tibi gratia mea. »

Leerstelling. — Op drie manieren kan iets gekend worden. Ten eerste door openbaring, en op die manier kan iemand weten of hij de genade heeft, want soms openbaart God dit aan sommige menschen krachtens een bijzonder voorrecht, opdat ook de vreugde der zekerheid reeds in dit leven in hen zou beginnen, en zij met meer vertrouwen en meer kracht groote werken tot stand zouden brengen en het kwade van dit leven dragen, zooals aan Paulus gezegd werd (Brief aan de Corinthiërs, 12, 9) : « Mijn genade is u voldoende. »Leerstelling. — Op drie manieren kan iets gekend worden. Ten eerste door openbaring, en op die manier kan iemand weten of hij de genade heeft, want soms openbaart God dit aan sommige mensen krachtens een bijzonder voorrecht, opdat ook de vreugde van de zekerheid reeds in dit leven in hen zou beginnen, en zij met meer vertrouwen en meer kracht grote werken tot stand zouden brengen en het kwade van dit leven dragen, zoals aan Paulus gezegd werd (Brief aan de Korintiërs, 12, 9): “Mijn genade is u voldoende.”

Alio modo homo cognoscit aliquid per seipsum et hoc certitudinaliter, et sic nullus potest scire se habere gratiam : certitudo enim non potest haberi de aliquo, nisi possit dijudicari per proprium principium : sic enim certitudo habetur de conclusionibus demonstrativis per indemonstrabilia universalia principia; nullus autem posset scire se habere scientiam alicujus conclusionis, 118si principium ignoraret. Principium autem gratiae et objectum ejus est Deus, qui propter sui excellentiam est nobis ignotus, secundum illud Job 36 [v. 26] : « Ecce Deus magnus vincens scientiam nostram », et ideo ejus praesentia in nobis et absentia per certitudinem cognosci non potest, secundum illud Job 9. [v. 11] : « Si venerit ad me, non video eum; si autem abierit, non intelligam. » Et ideo homo non potest per certitudinem dijudicare, utrum ipse habeat gratiam, secundum illud 1. ad Cor. 4 [v. 3 sq.] : « Sed neque me ipsum judico: qui autem judicat me, Dominus est. »

Ten tweede kent de mensch iets door zich zelf, en met zekerheid. Op die manier kan niemand weten of hij de genade heeft, want men kan niet zeker zijn van iets, tenzij wanneer men het kan beoordeelen door het eigen beginsel er van. Zoo immers bekomt men zekerheid omtrent bewijsbare gevolgtrekkingen door onbewijsbare algemeene beginselen. Niemand echter kan weten of hij de kennis van een gevolgtrekking heeft, indien hij het beginsel niet kent. Welnu het beginsel en het voorwerp der genade is God zelf, die om Zijn verhevenheid ons onbekend is, volgens het woord van Job (36, 26) : « Zie de groote God, die onze 118kennis overwint. » Zoo kan Zijn inwonen in ons en Zijn afwezigheid niet met zekerheid gekend worden, volgens het woord van Job (9, 11) : « Indien Hij tot mij komt, zal ik Hem niet zien; indien Hij echter heengaat, zal ik het niet weten. » Daarom kan de mensch niet met zekerheid oordeelen of hij de genade heeft, volgens het woord van den Eersten Brief aan de Corinthiërs, (4, 3, vv.) : « Maar ik oordeel mijzelf niet, wie mij echter beoordeelt is de Heer. »Ten tweede kent de mens iets door zichzelf, en met zekerheid. Op die manier kan niemand weten of hij de genade heeft, want men kan niet zeker zijn van iets, tenzij wanneer men het kan beoordelen door het eigen beginsel er van. Zo immers bekomt men zekerheid omtrent bewijsbare gevolgtrekkingen door onbewijsbare algemene beginselen. Niemand echter kan weten of hij de kennis van een gevolgtrekking heeft, indien hij het beginsel niet kent. Welnu het beginsel en het voorwerp van de genade is God zelf, die om Zijn verhevenheid ons onbekend is, volgens het woord van Job (36, 26): “Zie de grote God, die onze 118kennis overwint.” Zo kan Zijn inwonen in ons en Zijn afwezigheid niet met zekerheid gekend worden, volgens het woord van Job (9, 11): “Indien Hij tot mij komt, zal ik Hem niet zien; indien Hij echter heengaat, zal ik het niet weten.” Daarom kan de mens niet met zekerheid oordelen of hij de genade heeft, volgens het woord van de Eerste Brief aan de Korintiërs, (4, 3, vv.): “Maar ik oordeel mijzelf niet, wie mij echter beoordeelt is de Heer.”

Tertio modo cognoscitur aliquid conjecturaliter per aliqua signa, et hoc modo aliquis cognoscere potest se habere gratiam, inquantum scilicet percipit se delectari in Deo et contemnere res mundanas, et inquantum homo non est conscius sibi alicujus peccati mortalis. Secundum quem modum potest intelligi quod habetur Apocal. 2 [v. 17] : « Vincenti dabo manna absconditum, quod nemo novit, nisi qui accipit », quia scilicet ille, qui accipit, per quamdam experientiam dulcedinis novit, quam non experitur ille, qui non accipit . Ista tamen cognitio imperfecta est; unde Apostolus dicit 1. ad Cor. 1194 [v. 4] : « Nihil mihi conscius sum, sed non in hoc justificatus sum », quia, ut dicitur in Ps. 18 [v. 13] : « Delicta quis intelligit? ab occultis » etc.

Ten derde kan iets door vermoeden gekend worden door bepaalde teekenen, en op die manier kan iemand weten of hij de genade heeft, voor zoover hij nl. gevoelt of hij zijn genot vindt in God en de wereldsche zaken veracht, en voor zoover de mensch zich niet van een doodzonde bewust is. Op die manier kan verstaan worden wat in het Boek der Openbaring (2, 17) staat : « Aan den overwinnaar zal ik van het verborgen manna geven, dat niemand kent dan die het ontvangt ». omdat nl. hij, die het ontvangt, het door een zekere gewaarwording van zoetheid kent, die hij niet gewaar wordt, die het niet ontvangt. Deze kennis echter is onvolmaakt. Vandaar zegt de Apostel in zijn Eersten Brief aan de Corinthiërs (4, 4) : « Ik ben mij niets 119bewust, maar daarom ben ik nog niet gerechtvaardigd », omdat, zooals in Psalm 18, 13 gezegd wordt : « Wie kent zijn misdrijven? Van verborgen » enz.Ten derde kan iets door vermoeden gekend worden door bepaalde tekenen, en op die manier kan iemand weten of hij de genade heeft, voor zover hij nl. gevoelt of hij zijn genot vindt in God en de wereldse zaken veracht, en voor zover de mens zich niet van een doodzonde bewust is. Op die manier kan verstaan worden wat in het Boek van de Openbaring (2, 17) staat: “Aan de overwinnaar zal ik van het verborgen manna geven, dat niemand kent dan die het ontvangt”. omdat nl. hij, die het ontvangt, het door een zekere gewaarwording van zoetheid kent, die hij niet gewaar wordt, die het niet ontvangt. Deze kennis echter is onvolmaakt. Vandaar zegt de Apostel in zijn Eersten Brief aan de Korintiërs (4, 4): “Ik ben mij niets 119bewust, maar daarom ben ik nog niet gerechtvaardigd”, omdat, zoals in Psalm 18, 13a gezegd wordt: “Wie kent zijn misdrijven? Van verborgen” enz.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod illa quae sunt per essentiam sui in anima, cognoscuntur experimentali cognitione, inquantum homo experitur per actus principia intrinseca, sicut voluntatem percipimus volendo, et vitam in operibus vitae.

Antwoord op de bedenkingen. — 1. Die dingen, die naar hun wezen in de ziel zijn, worden door een ondervindelijke kennis gekend, in zoover de mensch door de daden de innerlijke beginselen gewaarwordt, zooals wij den wil door te willen, en het leven door de levensdaden gewaarworden.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Die dingen, die naar hun wezen in de ziel zijn, worden door een ondervindelijke kennis gekend, in zover de mens door de daden de innerlijke beginselen gewaarwordt, zoals wij de wil door te willen, en het leven door de levensdaden gewaarworden.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod de ratione scientiae est, quod homo certitudinem habeat de his, quorum habet scientiam; et similiter de ratione fidei est, quod homo sit certus de his, quorum habet fidem; et hoc ideo, quia certitudo pertinet ad perfectionem intellectus, in quo praedicta dona existunt. Et ideo quicumque habet scientiam, vel fidem, certus est se habere. Non est autem similis ratio de gratia et charitate, et aliis hujusmodi, quae perficiunt vim appetitivam.

2. Het valt onder het begrip van wetenschap, dat de mensch zekerheid heeft omtrent die dingen, waarvan hij wetenschap heeft. Evenzoo valt het onder het begrip van het geloof, dat de mensch zeker is omtrent die dingen, waaromtrent hij het geloof heeft. En dit daarom, omdat de zekerheid onder de volmaaktheid van het verstand valt, waarin de bovengenoemde gaven bestaan. Zoodus is eenieder, die de wetenschap of het geloof heeft, zeker, dat hij ze bezit. Dezelfde reden gaat echter niet op voor de genade en de liefde en dergelijke, die het streefvermogen vervolmaken.2. Het valt onder het begrip van wetenschap, dat de mens zekerheid heeft omtrent die dingen, waarvan hij wetenschap heeft. Evenzo valt het onder het begrip van het geloof, dat de mens zeker is omtrent die dingen, waaromtrent hij het geloof heeft. En dit daarom, omdat de zekerheid onder de volmaaktheid van het verstand valt, waarin de bovengenoemde gaven bestaan. Zoodus is eenieder, die de wetenschap of het geloof heeft, zeker, dat hij ze bezit. Dezelfde reden gaat echter niet op voor de genade en de liefde en dergelijke, die het streefvermogen vervolmaken.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod peccatum habet pro principio et pro objecto bonum commutabile, quod nobis est notum; objectum autem vel finis 120gratiae est nobis ignotum propter sui luminis immensitatem, secundum illud 1. ad Tim. ult. [v. 16] : « Lucem habitat inaccessibilem. »

3. De zonde heeft als beginsel en als voorwerp het veranderlijk goed, wat ons bekend is; het voorwerp of het doel der genade 120echter is ons onbekend om de onmetelijkheid van zijn licht, volgens het woord uit den Eersten Brief aan Timotheus (6, 16) : « Hij woont in een ontoegankelijk licht. »3. De zonde heeft als beginsel en als voorwerp het veranderlijk goed, wat ons bekend is; het voorwerp of het doel van de genade 120echter is ons onbekend om de onmetelijkheid van zijn licht, volgens het woord uit de Eerste Brief aan Timoteüs (6, 16): “Hij woont in een ontoegankelijk licht.”

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod Apostolus ibi [v. 9] loquitur de donis gloriae, quae sunt nobis data in spe; quae certissime cognoscimus per fidem, licet non cognoscamus per certitudinem nos habere gratiam, per quam nos possimus ea promereri. Vel potest dici, quod loquitur de notitia privilegiata, quae est per revelationem; unde subdit [v. 10] : « Nobis autem revelavit Deus per Spiritum Sanctum. »

4. De Apostel spreekt daar (t. a. pl., 9) over de gaven der glorie, die wij reeds bezitten door de hoop en die wij allerzekerst kennen door het geloof, ofschoon wij niet met zekerheid weten of wij de genade hebben, waardoor wij ze kunnen verdienen. Ook kan men zeggen, dat hij spreekt van de kennis door voorrecht, door Openbaring geschonken; vandaar laat hij volgen (10) : « Ons echter heeft God geopenbaard door den H. Geest. »4. De Apostel spreekt daar (t.a.p., 9) over de gaven van de glorie, die wij reeds bezitten door de hoop en die wij allerzekerst kennen door het geloof, ofschoon wij niet met zekerheid weten of wij de genade hebben, waardoor wij ze kunnen verdienen. Ook kan men zeggen, dat hij spreekt van de kennis door voorrecht, door Openbaring geschonken; vandaar laat hij volgen (10): “Ons echter heeft God geopenbaard door de H. Geest.”

↑ bedenking 5

Ad quintum dicendum, quod illud verbum Abrahae dictum potest referri ad notitiam experimentalem, quae est per exhibitionem operis : in opere enim illo, quod fecerat Abraham, cognoscere potuit experimentaliter se Dei timorem habere; vel potest hoc etiam ad revelationem referri.

5. Dit woord ,tot Abraham gesproken, kan tot de ondervindelijke kennis worden teruggebracht, welke door de aanwending van werken is, want in dat werk, wat Abraham deed, kon hij ondervindelijk weten, dat hij de vreeze Gods had; ook kan het tot de Openbaring teruggebracht worden.5. Dit woord,tot Abraham gesproken, kan tot de ondervindelijke kennis worden teruggebracht, welke door de aanwending van werken is, want in dat werk, wat Abraham deed, kon hij ondervindelijk weten, dat hij de vreze Gods had; ook kan het tot de Openbaring teruggebracht worden.