De modo, quo Christus usus est hoc sacramento, in quatuor articulos divisa
Over de wijze, waarop Christus dit Sacrament heeft gebruikt
324Deinde considerandum est de usu hujus sacramenti quo Christus usus est in prima sui institutione.
324Vervolgens moeten wij handelen over het gebruik van dit Sacrament, zooals Christus het gebruikt heeft bij de instelling ervan.324Vervolgens moeten wij handelen over het gebruik van dit Sacrament, zoals Christus het gebruikt heeft bij de instelling ervan.
Et circa hoc quaeruntur quatuor: 1. Utrum Christus sumpserit suum corpus et sanguinem. — 2. Utrum Judae dederit. — 3. Quale corpus sumpserit aut dederit, utrum scilicet passibile vel impassibile. — 4. Quomodo se habuisset Christus sub hoc sacramento, si fuisset in triduo mortis reservatum aut consecratum.
Hieromtrent stellen wij vier vragen. 1. Heeft Christus Zijn Lichaam en Bloed genuttigd? 2. Heeft Hij het aan Judas gegeven? 3. Wat voor soort Lichaam heeft Hij genuttigd of gegeven: een lijdbaar of een onlijdbaar? 4. Hoe zou Christus zich onder dit Sacrament hebben bevonden, als het in de drie dagen van den dood was bewaard of geconsecreerd?Hieromtrent stellen wij vier vragen. 1. Heeft Christus Zijn Lichaam en Bloed genuttigd? 2. Heeft Hij het aan Judas gegeven? 3. Wat voor soort Lichaam heeft Hij genuttigd of gegeven: een lijdbaar of een onlijdbaar? 4. Hoe zou Christus zich onder dit Sacrament hebben bevonden, als het in de drie dagen van de dood was bewaard of geconsecreerd?
Utrum Christus sumpserit suum corpus et sanguinem
Heeft Christus Zijn Lichaam en Bloed genuttigd?
325Ad primum sic proceditur. Videtur quod Christus non sumpserit corpus suum et sanguinem. Non enim de factis Christi et dictis asseri debet quod auctoritate sacrae Scripturae non traditur. Sed in Evangeliis non habetur, quod Christus corpus suum manducaverit aut sanguinem suum biberit. Non ergo est hoc asserendum.
325Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus Zijn Lichaam en Bloed niet heeft genuttigd. — 1. Men moet immers in zake Christus' daden of woorden niets verdedigen, wat ons niet door het gezag van de H. Schrift wordt voorgehouden. Nu vindt men in de Evangeliën niet, dat Hij Zijn Lichaam heeft gegeten of Zijn Bloed heeft gedronken. Dus moet men zoo iets ook niet verdedigen.325Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus Zijn Lichaam en Bloed niet heeft genuttigd. — 1. Men moet immers in zake Christus' daden of woorden niets verdedigen, wat ons niet door het gezag van de H. Schrift wordt voorgehouden. Nu vindt men in de Evangeliën niet, dat Hij Zijn Lichaam heeft gegeten of Zijn Bloed heeft gedronken. Dus moet men zo iets ook niet verdedigen.
2. Praeterea, nihil potest esse in seipso, nisi forte ratione partium, prout scilicet una pars ejus est in alia, ut habetur 4. Physic. [cap. 4. n. 5.]. Sed illud quod manducatur et bibitur, est in manducante et bibente. Cum igitur totus Christus sit sub utraque specie sacramenti, videtur impossibile fuisse quod ipse sumpserit hoc sacramentum.
2. Niets kan in zich zelf zijn, tenzij dan wat de deelen betreft, inzoover nl. het eene deel van iets in het andere is, gelijk geschreven staat in de Physica. Maar wat gegeten en gedronken wordt is in dengene, die eet en drinkt. Gegeven dus dat de heele Christus onder elk van beide gedaanten is, schijnt het uitgesloten geweest te zijn, dat Hij Zelf dit Sacrament heeft genuttigd.2. Niets kan in zichzelf zijn, tenzij dan wat de delen betreft, inzover nl. het ene deel van iets in het andere is, gelijk geschreven staat in de Fysica. Maar wat gegeten en gedronken wordt is in dengene, die eet en drinkt. Gegeven dus dat de hele Christus onder elk van beide gedaanten is, schijnt het uitgesloten geweest te zijn, dat Hij Zelf dit Sacrament heeft genuttigd.
3. Praeterea, duplex est sumptio hujus sacramenti, scilicet spiritualis et sacramentalis. Sed spiritualis non competebat Christo, quia nihil a 326sacramento accepit. Et per consequens nec sacramentalis, quae sine spirituali est imperfecta, ut supra habitum est [q. praec. art. 1.]. Ergo Christus nullo modo hoc sacramentum sumpsit.
3. Er is een tweevoudige nuttiging van dit Sacrament nl. een geestelijke en een sacramenteele. Nu komt de geestelijke nuttiging aan Christus niet toe, daar Hij niets heeft ontvangen van 326het Sacrament; en bijgevolg ook niet de sacramenteele, die zonder de geestelijke onvolmaakt is, zooals boven werd gezegd (80e Kw. 1e Art.). Dus heeft Christus in geen enkelen zin dit Sacrament genuttigd.3. Er is een tweevoudige nuttiging van dit Sacrament nl. een geestelijke en een sacramentele. Nu komt de geestelijke nuttiging aan Christus niet toe, daar Hij niets heeft ontvangen van 326het Sacrament; en bijgevolg ook niet de sacramentele, die zonder de geestelijke onvolmaakt is, zoals boven werd gezegd (80e Kw. 1e Art.). Dus heeft Christus in geen enkelen zin dit Sacrament genuttigd.
Sed contra est quod Hieronymus dicit ad Heldibiam [epist. 150. q. 2.] : « Dominus Jesus Christus ipse conviva et convivium, ipse comedens et qui comeditur ».
Daartegenover staat echter het woord van Hieronymus: « De Heer Jesus Christus is tegelijk dischgenoot en disch, etend en gegeten ».Daartegenover staat echter het woord van Hieronymus: “De Heer Jesus Christus is tegelijk disgenoot en dis, etend en gegeten”.
Respondeo dicendum quod quidam dixerunt quod Christus in coena corpus et sanguinem suum discipulis suis tradidit, non tamen ipse sumpsit. Sed hoc non videtur convenienter dici. Quia Christus ea quae ab aliis observanda instituit, ipse primitus observavit unde et ipse prius baptizari voluit, quam aliis baptismum imponeret secundum illud Act. 1. [v. 1] : « Coepit Jesus facere et docere ». Unde et primo ipse corpus suum et sanguinem sumpsit, et postea discipulis sumendum tradidit. Et hoc est quod Ruth 3. [v. 7] super illud: « Cumque comedisset et bibisset », etc., dicit Glossa 327[ordin.] quod « Christus comedit et bibit in coena, cum corporis et sanguinis sui sacramentum discipulis tradidit. Unde quia pueri communicaverunt carni et sanguini, et ipse participavit eisdem ».
Leerstelling. — Sommigen hebben gezegd, dat Christus in het laatste Avondmaal Zijn Lichaam en Bloed aan Zijn leerlingen heeft gegeven zonder het Zelf te nemen. Maar dat schijnt geen redelijke bewering, want wat Christus aan anderen te onderhouden heeft voorgeschreven, dat Heeft Hij Zelf eerst volbracht. Daarom heeft Hij eerst Zelf gedoopt willen worden, vóór Hij aan anderen het doopsel oplegde, overeenkomstig het gezegde van de Handelingen der Apostelen (1. 1) : « Jesus begon te doen en te leeren ». Dus heeft Hij ook Zelf eerst Zijn Lichaam en Bloed genuttigd en het daarna aan de leerlingen te nuttigen gegeven. Dat dan ook wordt bij de plaats van het Boek Ruth (3, 7) : « Toen hij gegeten en gedronken had » door de Glossa geleerd met de woorden: « In het Laatste Avondmaal heeft Christus 327gegeten en gedronken, toen Hij het Sacrament van Zijn Lichaam en Bloed aan de leerlingen uitreikte. Dus daar Zijn dienaren deel namen aan het Lichaam en Bloed, heeft Hij ook Zelf erin gedeeld ».Leerstelling. — Sommigen hebben gezegd, dat Christus in het laatste Avondmaal Zijn Lichaam en Bloed aan Zijn leerlingen heeft gegeven zonder het Zelf te nemen. Maar dat schijnt geen redelijke bewering, want wat Christus aan anderen te onderhouden heeft voorgeschreven, dat Heeft Hij Zelf eerst volbracht. Daarom heeft Hij eerst Zelf gedoopt willen worden, vóór Hij aan anderen het doopsel oplegde, overeenkomstig het gezegde van de Handelingen van de Apostelen (1, 1): “Jesus begon te doen en te leren”. Dus heeft Hij ook Zelf eerst Zijn Lichaam en Bloed genuttigd en het daarna aan de leerlingen te nuttigen gegeven. Dat dan ook wordt bij de plaats van het Boek Ruth (3, 7): “Toen hij gegeten en gedronken had” door de Glossa geleerd met de woorden: “In het Laatste Avondmaal heeft Christus 327gegeten en gedronken, toen Hij het Sacrament van Zijn Lichaam en Bloed aan de leerlingen uitreikte. Dus daar Zijn dienaren deel namen aan het Lichaam en Bloed, heeft Hij ook Zelf erin gedeeld”.
Ad primum ergo dicendum quod in Evangeliis legitur quod Christus accepit panem et calicem. Non est autem intelligendum quod acceperit solum in manibus, ut quidam dicunt: sed eo modo accepit quo aliis accipiendum tradidit. Unde cum discipulis dixerit: « Accipite et comedite », et iterum: « Accipite et bibite », intelligendum est quod ipse accipiens comederit, et biberit. Unde et quidam metrice dixerunt: Rex sedet in coena: turba cinctus duodena: / Se tenet in manibus: se cibat ipse cibus.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In de Evangeliën leest men, dat Christus het brood en den kelk nam. Nu moet men dat niet verstaan, zooals sommigen willen, dat Hij die alleen maar in Zijn handen nam, neen, Hij nam die, zooals Hij ze de anderen liet nemen. Daar Hij dus aan de leerlingen zeide: « Neemt en eet » en daarna: « Neemt en drinkt », moet men die plaats zóó verstaan, dat ook Hij zelf nam om te eten en te drinken. Sommigen geven dan ook het versje: « De Koning zit aan tafel, de twaalf zijn om Hem heen. / Hij houdt Zich in Zijn handen, Hij voedt Zich met Zich zelf ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In de Evangeliën leest men, dat Christus het brood en de kelk nam. Nu moet men dat niet verstaan, zoals sommigen willen, dat Hij die alleen maar in Zijn handen nam, neen, Hij nam die, zoals Hij ze de anderen liet nemen. Daar Hij dus aan de leerlingen zeide: “Neemt en eet” en daarna: “Neemt en drinkt”, moet men die plaats zó verstaan, dat ook Hij zelf nam om te eten en te drinken. Sommigen geven dan ook het versje: “De Koning zit aan tafel, de twaalf zijn om Hem heen. / Hij houdt Zich in Zijn handen, Hij voedt Zich met Zichzelf”.
Ad secundum dicendum quod, sicut supra dictum est [q. 76. art. 5.], Christus, secundum quod est sub hoc sacramento, comparatur ad locum, non secundum proprias dimensiones, sed secundum dimensiones specierum sacramentalium, ita quod in quocumque loco ubi sunt illae species, est ipse Christus. Et quia species illae potuerunt esse in manibus et in ore Christi, 328ipse totus Christus potuit esse in suis manibus et in suo ore. Non autem hoc potuisset esse secundum quod comparatur ad locum per proprias dimensiones1.
2. Zooals boven gezegd is (76e Kw. 5e Art.), heeft Christus, als tegenwoordig onder dit Sacrament, geen verhouding tot de plaats krachtens Zijn eigen afmetingen maar krachtens de afmetingen van de sacramenteele gedaanten, met het gevolg dat overal, waar die gedaanten zijn, ook Christus Zelf is. Daar dus die gedaanten in de handen en den mond van Christus konden zijn, 328kon Christus Zelf heelemaal in Zijn handen en in Zijn mond zijn. Dat had Hij niet gekund naar de verhouding, die Hij tot de plaats heeft krachtens Zijn eigen afmetingen.2. Zoals boven gezegd is (76e Kw. 5e Art.), heeft Christus, als tegenwoordig onder dit Sacrament, geen verhouding tot de plaats krachtens Zijn eigen afmetingen maar krachtens de afmetingen van de sacramentele gedaanten, met het gevolg dat overal, waar die gedaanten zijn, ook Christus Zelf is. Daar dus die gedaanten in de handen en de mond van Christus konden zijn, 328kon Christus Zelf helemaal in Zijn handen en in Zijn mond zijn. Dat had Hij niet gekund naar de verhouding, die Hij tot de plaats heeft krachtens Zijn eigen afmetingen.
Ad tertium dicendum quod sicut supra dictum est [q. 79. art. 1. ad 2.], effectus hujus sacramenti est non solum augmentum habitualis gratiae, sed etiam quaedam actualis delectatio spiritualis dulcedinis. Quamvis autem Christo gratia non fuerit augmentata ex susceptione hujus sacramenti, habuit tamen quamdam spiritualem delectationem in nova institutione hujus sacramenti: unde ipse dicebat Luc. 22. [v. 15] : « Desiderio desideravi hoc Pascha manducare vobiscum », quod Eusebius exponit de novo mysterio novi Testamenti quod tradebat discipulis [Eus. Caesar. de Solemn. pasch.]. Et ideo spiritualiter manducavit, et similiter sacramentaliter: inquantum corpus suum sub sacramento sumpsit, quod sacramentum sui corporis intellexit et disposuit. Aliter tamen quam caeteri sacramentaliter, et spiritualiter sumant, quia augmentum gratiae suscipiunt, sub sacramentalibus signis quibus indigent ad veritatis perceptionem2.
3. Zooals boven gezegd is (79e Kw. 1e Art. 2 Antw.), is het uitwerksel van dit Sacrament niet alleen de vermeerdering van de genade als blijvende eigenschap, maar ook een in een daad beleefde geestelijke vreugde en zoetheid. Hoewel nu Christus geen vermeerdering van genade kreeg door de ontvangst van dit Sacrament, had Hij toch een zekere geestelijke vreugde op het oogenblik van de instelling van dit Sacrament. Hij zei dan ook Zelf: « Met groote begeerte heb Ik verlangd dit Paaschmaal met u te eten » (Luc. 22. 15), woorden, die door Eusebius worden uitgelegd van het Nieuwe Geheim van dit Nieuwe Verbond, dat Hij aan de leerlingen gaf. En dus heeft Hij geestelijk gegeten. En insgelijks sacramenteel, inzoover Hij Zijn Lichaam nuttigde onder het Sacrament, dat Hij begreep en instelde als Sacrament van Zijn Lichaam. Maar anders dan de overigen sacramenteel en geestelijk eten, die nl. een vermeerdering van de genade krijgen en de sacramenteele teekens behoeven om de waarheid te vatten.3. Zoals boven gezegd is (79e Kw. 1e Art. 2 Antw.), is het uitwerksel van dit Sacrament niet alleen de vermeerdering van de genade als blijvende eigenschap, maar ook een in een daad beleefde geestelijke vreugde en zoetheid. Hoewel nu Christus geen vermeerdering van genade kreeg door de ontvangst van dit Sacrament, had Hij toch een zekere geestelijke vreugde op het ogenblik van de instelling van dit Sacrament. Hij zei dan ook Zelf: “Met grote begeerte heb Ik verlangd dit Paasmaal met u te eten” (Luk. 22. 15), woorden, die door Eusebius worden uitgelegd van het Nieuwe Geheim van dit Nieuwe Verbond, dat Hij aan de leerlingen gaf. En dus heeft Hij geestelijk gegeten. En insgelijks sacramenteel, inzover Hij Zijn Lichaam nuttigde onder het Sacrament, dat Hij begreep en instelde als Sacrament van Zijn Lichaam. Maar anders dan de overigen sacramenteel en geestelijk eten, die nl. een vermeerdering van de genade krijgen en de sacramentele tekens behoeven om de waarheid te vatten.
Utrum Christus dederit Judae corpus suum
Heeft Christus Zijn Lichaam gegeven aan Judas?
329Ad secundum sic proceditur. Videtur quod Christus Judae non dederit corpus suum. Ut enim legitur Matth. 26. [v. 29], postquam dedit Dominus corpus suum et sanguinem discipulis, dixit eis: « Non bibam amodo de hoc genimine vitis usque in diem illum, cum illud bibam vobiscum novum in regno Patris mei ». Ex quo videtur quod illi quibus corpus suum, et sanguinem dederat, cum eo essent iterum bibituri. Sed Judas postea cum ipso non bibit. Ergo non accepit cum aliis discipulis corpus Christi et sanguinem.
329Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus Zijn Lichaam niet heeft gegeven aan Judas. — 1. Men leert immers in Mattheus (26. 29), dat de Heer, na aan de leerlingen Zijn Lichaam en Bloed gegeven te hebben, hun zeide: « Voorwaar, Ik zal van dit gewas van den wijnstok niet meer drinken tot op den dag, dat Ik het nieuw met u drinken zal in het Rijk van Mijn Vader ». Hieruit schijnt te volgen, dat degenen, aan wie Hij Zijn Lichaam en Bloed gegeven had, wederom met Hem zouden drinken. Maar Judas heeft later niet meer met Hem gedronken. Dus heeft hij niet met de andere leerlingen het Lichaam en Bloed van Christus ontvangen.329Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus Zijn Lichaam niet heeft gegeven aan Judas. — 1. Men leert immers in Matteüs (26, 29), dat de Heer, na aan de leerlingen Zijn Lichaam en Bloed gegeven te hebben, hun zeide: “Voorwaar, Ik zal van dit gewas van de wijnstok niet meer drinken tot op de dag, dat Ik het nieuw met u drinken zal in het Rijk van Mijn Vader”. Hieruit schijnt te volgen, dat degenen, aan wie Hij Zijn Lichaam en Bloed gegeven had, wederom met Hem zouden drinken. Maar Judas heeft later niet meer met Hem gedronken. Dus heeft hij niet met de andere leerlingen het Lichaam en Bloed van Christus ontvangen.
2. Praeterea, Dominus implevit quod praecepit, secundum illud Act. 1. [v. 1] : « Coepit Jesus facere et docere ». Sed ipse praecepit, Matth. 7. [v. 6] : « Nolite sanctum dare canibus ». Cum ergo ipse cognosceret Judam esse peccatorem, videtur quod ei corpus suum et sanguinem non dederit.
2. De Heer heeft Zelf volbracht, wat Hij heeft bevolen, volgens de Handelingen van de Apostelen (1. 1) : « Jesus begon te doen en te leeren ». Nu heeft Hij bevolen: « Wilt het heilige niet aan de honden geven ». (Matth. 7. 6). Daar Hij dus wist, dat Judas een zondaar was, moet Hij hem Zijn Lichaam en Bloed wel niet hebben gegeven.2. De Heer heeft Zelf volbracht, wat Hij heeft bevolen, volgens de Handelingen van de Apostelen (1, 1): “Jesus begon te doen en te leren”. Nu heeft Hij bevolen: “Wilt het heilige niet aan de honden geven”. (Matt. 7. 6). Daar Hij dus wist, dat Judas een zondaar was, moet Hij hem Zijn Lichaam en Bloed wel niet hebben gegeven.
3303. Praeterea, Christus specialiter legitur Judae panem intinctum porrexisse, Joan. 13. [v. 26]. Si ergo corpus suum ei dedit, videtur quod sub buccella ei dederit: praecipue cum legatur ibidem quod « post buccellam introivit in eum Satanas ». Ubi Augustinus dicit [tract. 62. in Joan. n. 1.] : « Hinc nos docemur, quam sit cavendum male accipere bonum. Si enim corripitur qui non dijudicat, idest, non discernit corpus Domini a caeteris cibis, quomodo non damnabitur, qui ad ejus mensam, fingens se amicum, accedit inimicus? » Sed cum buccella intincta non accepit corpus Christi, ut enim Augustinus dicit super illud Joan. 13. [v. 26] : « Cum intinxisset panem, dedit Judae Simonis Iscariothis »: « non, ut putant quidam, negligenter legentes, tunc Judas corpus Christi accepit ». Ergo videtur quod Judas corpus Christi non acceperit.
3303. Er staat in het bijzonder opgeteekend, dat Christus aan Judas ingedoopt brood heeft toegereikt (Joan. 13. 26). Heeft Hij hem dan Zijn Lichaam gegeven, dan heeft Hij dat wel gedaan onder die bete, vooral daar wij lezen (t. a. p.), dat « na de bete de Satan in hem kwam », waarbij Augustinus opmerkt: « Hieruit leeren wij, hoe verschrikkelijk het is het goede slecht te ontvangen. Want als hij wordt gelaakt, die niet onderscheidt d. w. z. het Lichaam des Heeren niet onderkent van de overige spijzen, hoe zal dan hij niet veroordeeld worden, die, vijand zijnde, tot Zijn tafel nadert, als ware hij een vriend? » Welnu, onder de ingedoopte bete heeft hij het Lichaam van Christus niet ontvangen, want bij Joannes (13. 26) : « Toen Hij het brood had ingedoopt, gaf Hij het aan Judas Iscariotes » zegt Augustinus: « men moet niet denken, zooals sommigen, die onnauwkeurig lezen, dat Judas toen het Lichaam van Christus heeft ontvangen ». Dus schijnt Judas het Lichaam van Christus niet ontvangen te hebben.3303. Er staat in het bijzonder opgetekend, dat Christus aan Judas ingedoopt brood heeft toegereikt (Joh. 13. 26). Heeft Hij hem dan Zijn Lichaam gegeven, dan heeft Hij dat wel gedaan onder die bete, vooral daar wij lezen (t. a. p.), dat “na de bete de Satan in hem kwam”, waarbij Augustinus opmerkt: “Hieruit leren wij, hoe verschrikkelijk het is het goede slecht te ontvangen. Want als hij wordt gelaakt, die niet onderscheidt d. w. z. het Lichaam van de Heer niet onderkent van de overige spijzen, hoe zal dan hij niet veroordeeld worden, die, vijand zijnde, tot Zijn tafel nadert, als ware hij een vriend?” Welnu, onder de ingedoopte bete heeft hij het Lichaam van Christus niet ontvangen, want bij Johannes (13, 26): “Toen Hij het brood had ingedoopt, gaf Hij het aan Judas Iskariot” zegt Augustinus: “men moet niet denken, zoals sommigen, die onnauwkeurig lezen, dat Judas toen het Lichaam van Christus heeft ontvangen”. Dus schijnt Judas het Lichaam van Christus niet ontvangen te hebben.
Sed contra est quod Chrysostomus dicit [hom. 83 in Matth. n. 1.] : « Judas particeps existens mysteriorum conversus non est. Unde fit scelus ejus utrinque immanius, tum quia tali proposito imbutus adiit mysteria; tum 331quia adiens melior factus non fuit, nec metu nec beneficio nec honore ».
Daartegenover staat echter, wat Chrysostomus zegt: « Judas is, toen hij deelachtig werd aan de Geheimen, niet bekeerd. Dat beteekent een tweevoudige verzwaring van zijn misdaad, inzoover hij nl. zulk een plan koesterend tot de Geheimen naderde en 331naderende zich niet verbeterde noch uit vrees, noch om die weldaad, noch om die eer ».Daartegenover staat echter, wat Chrysostomus zegt: “Judas is, toen hij deelachtig werd aan de Geheimen, niet bekeerd. Dat betekent een tweevoudige verzwaring van zijn misdaad, inzover hij nl. zulk een plan koesterend tot de Geheimen naderde en 331naderende zich niet verbeterde noch uit vrees, noch om die weldaad, noch om die eer”.
Respondeo dicendum quod Hilarius posuit super Matthaeum [In Matth. cap. 26. v. 17 sqq.], quod Christus Judae corpus suum et sanguinem non dedit. Et hoc quidem conveniens fuisset, considerata malitia Judae. Sed quia Christus nobis debuit esse exemplum justitiae, non conveniebat ejus magisterio ut Judam, occultum peccatorem, sine accusatore et evidenti probatione, ab aliorum communione separaret. Ne per hoc daretur exemplum praelatis Ecclesiae similia faciendi; et ipse Judas, exasperatus, inde sumeret occasionem peccandi. Et ideo dicendum est quod Judas cum aliis discipulis corpus Domini et sanguinem suscepit: ut dicit Dionysius in lib. Eccl. Hierarch. [cap. 3.], et Augustinus super Joan. [tract. 62. n. 3.].
Leerstelling. — Hilarius heeft gemeend, dat Christus aan Judas Zijn Lichaam en Bloed niet heeft gegeven. En dat zou inderdaad zeer terecht geweest zijn, gerekend naar Judas' boosheid. Maar daar Christus voor ons het voorbeeld van rechtvaardigheid moest zijn, kwam het met Zijn leeraarschap niet overeen den geheimen zondaar Judas zonder beschuldiger en overtuigend bewijs van de Communie der anderen te verwijderen, opdat daardoor geen voorbeeld zou gegeven worden aan de gezagsdragers der Kerk om iets dergelijks te doen en Judas zelf, verbitterd, in dat feit een aanleiding tot zonde gevonden zou hebben. En dus moet men houden, dat Judas met de andere leerlingen het Lichaam des Heeren heeft ontvangen, zooals Dionysius zegt en Augustinus.Leerstelling. — Hilarius heeft gemeend, dat Christus aan Judas Zijn Lichaam en Bloed niet heeft gegeven. En dat zou inderdaad zeer terecht geweest zijn, gerekend naar Judas' boosheid. Maar daar Christus voor ons het voorbeeld van rechtvaardigheid moest zijn, kwam het met Zijn leraarschap niet overeen de geheime zondaar Judas zonder beschuldiger en overtuigend bewijs van de Communie van de anderen te verwijderen, opdat daardoor geen voorbeeld zou gegeven worden aan de gezagsdragers van de Kerk om iets dergelijks te doen en Judas zelf, verbitterd, in dat feit een aanleiding tot zonde gevonden zou hebben. En dus moet men houden, dat Judas met de andere leerlingen het Lichaam van de Heer heeft ontvangen, zoals Dionysius zegt en Augustinus.
Ad primum ergo dicendum quod illa est ratio Hilarii ad ostendendum quod Judas corpus Christi non sumpsit. Non tamen cogit. Quia Christus loquitur discipulis a quorum collegio Judas se separavit, non autem Christus 332eum exclusit. Et ideo Christus, quantum est in se, etiam cum Juda vinum in regno Dei bibit: sed hoc convivium ipse Judas repudiavit.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dat is het bewijs van Hilarius waarmee hij wil aantoonen, dat Judas het Lichaam van Christus niet heeft genuttigd. Het is evenwel niet dwingend, want Christus spreekt tot de leerlingen, van wier getal Judas zich zelf heeft afgescheiden. Christus heeft hem niet uitgesloten 332en dus drinkt Christus, voorzoover het van Hem afhangt, ook met Judas wijn in het Rijk Gods. Maar Judas zelf heeft dat gastmaal versmaad.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dat is het bewijs van Hilarius waarmee hij wil aantonen, dat Judas het Lichaam van Christus niet heeft genuttigd. Het is evenwel niet dwingend, want Christus spreekt tot de leerlingen, van wier getal Judas zichzelf heeft afgescheiden. Christus heeft hem niet uitgesloten 332en dus drinkt Christus, voorzover het van Hem afhangt, ook met Judas wijn in het Rijk Gods. Maar Judas zelf heeft dat gastmaal versmaad.
Ad secundum dicendum quod Christo nota erat Judae iniquitas sicut Deo: non autem erat sibi nota per modum quo hominibus innotescit. Et ideo Christus Judam non repulit a communione, ut daret exemplum tales peccatores occultos non esse ab aliis sacerdotibus expellendos.
2. Judas' slechtheid was bekend aan Christus als God, maar zij was Hem niet bekend langs den weg, waarlangs menschen iets te weten komen. En daarom heeft Christus Judas niet afgehouden van de Communie, opdat Hij het voorbeeld zou geven, dat zulke geheime zondaars ook door de andere priesters niet moeten worden geweerd.2. Judas' slechtheid was bekend aan Christus als God, maar zij was Hem niet bekend langs de weg, waarlangs mensen iets te weten komen. En daarom heeft Christus Judas niet afgehouden van de Communie, opdat Hij het voorbeeld zou geven, dat zulke geheime zondaars ook door de andere priesters niet moeten worden geweerd.
Ad tertium dicendum quod sine dubio Judas sub pane intincto corpus Christi non sumpsit, sed simplicem panem. « Significatur autem fortassis », ut Augustinus ibidem dicit, « per panis intinctionem fictio Judae: ut enim inficiantur, nonnulla intinguntur. Si autem bonum aliquid hic significat tinctio (scilicet dulcedinem bonitatis divinae, quia panis ex intinctione sapidior redditur), idem bonum1 ingratum non immerito est secuta damnatio ». Et propter hanc ingratitudinem id quod est bonum factum est ei malum: sicut accidit circa sumentes corpus Christi indigne.
3. Ongetwijfeld heeft Judas met het ingedoopte brood niet het Lichaam van Christus gegeten maar gewoon brood. « Maar misschien wordt door het ingedoopte brood » aldus Augustinus « het bedrog van Judas aangeduid; somtijds immers wordt iets ingedoopt om een andere kleur te krijgen. Indien evenwel het indoopen hier iets goed beteekent » nl. de zoetheid der goddelijke goedheid: het brood immers wordt smakelijker door het indoopen « dan is voor hem, die tegenover dit goed ondankbaar was, zeer juist de veroordeeling gevolgd ». En om deze ondankbaarheid « is datgene wat goed was voor hem een kwaad geworden », gelijk dat ook geschiedt met hen, die het Lichaam van Christus onwaardig ontvangen.3. Ongetwijfeld heeft Judas met het ingedoopte brood niet het Lichaam van Christus gegeten maar gewoon brood. “Maar misschien wordt door het ingedoopte brood” aldus Augustinus “het bedrog van Judas aangeduid; somtijds immers wordt iets ingedoopt om een andere kleur te krijgen. Indien evenwel het indopen hier iets goed betekent” nl. de zoetheid van de goddelijke goedheid: het brood immers wordt smakelijker door het indopen “dan is voor hem, die tegenover dit goed ondankbaar was, zeer juist de veroordeling gevolgd”. En om deze ondankbaarheid “is datgene wat goed was voor hem een kwaad geworden”, gelijk dat ook geschiedt met hen, die het Lichaam van Christus onwaardig ontvangen.
Et, sicut Augustinus 333ibidem dicit, « intelligendum est quod Dominus jam ante distribuerat omnibus discipulis suis sacramentum corporis et sanguinis sui, ubi et ipse Judas erat, sicut Lucas narrat. Ac deinde ad hoc ventum est, ubi secundum narrationem Joannis Dominus per buccellam tinctam atque porrectam suum exprimit proditorem ».
Overigens: « men moet het zóó verstaan » aldus Augustinus 333« dat de Heer reeds van te voren aan al Zijn leerlingen het Sacrament van Zijn Lichaam en Bloed had uitgereikt, waarbij ook Judas was geweest, zooals Lucas verhaalt; pas daarna gebeurde het, dat de Heer, volgens het verhaal van Joannes, door de ingedoopte en toegereikte bete den verrader aanwees ».Overigens: “men moet het zó verstaan” aldus Augustinus 333“dat de Heer reeds van te voren aan al Zijn leerlingen het Sacrament van Zijn Lichaam en Bloed had uitgereikt, waarbij ook Judas was geweest, zoals Lukas verhaalt; pas daarna gebeurde het, dat de Heer, volgens het verhaal van Johannes, door de ingedoopte en toegereikte bete de verrader aanwees”.
Utrum Christus sumpserit et discipulis dederit corpus suum impassibile
Heeft Christus Zijn Lichaam als onlijdbaar genuttigd en aan de leerlingen gegeven?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod Christus sumpserit, et discipulis dederit corpus suum impassibile. Quia super illud Matth. 17 [v. 2] : « Transfiguratus est ante eos », dicit quaedam Glossa [ordin.] : « Illud corpus quod habuit per naturam, dedit discipulis in coena, non mortale et passibile ». Et Levit. 2. [v. 5] super illud: « Si oblatio tua fuerit de sartagine », dicit Glossa [ordin. Esych.] : « Crux, super omnia fortis, carnem 334Christi, quae ante passionem non videbatur esui apta, post aptam fecit ». Sed Christus dedit corpus suum ut aptum ad manducandum. Ergo dedit tale quale habuit post passionem, scilicet impassibile et immortale.
Bedenkingen. — Men beweert, dat Jesus Zijn Lichaam als onlijdbaar genuttigd en aan de leerlingen gegeven heeft. — 1. Bij Mattheus (17. 2) : « Hij werd voor hun oogen van aanschijn veranderd » zegt een Glossa: « Dat Lichaam, dat Hij van nature had, gaf Hij bij het Avondmaal aan de leerlingen, maar niet sterfelijk en lijdbaar ». En bij het Boek Leviticus (2. 5) : « Als een offergave van de pan komt » zegt de Glossa: « Het Kruis heeft, sterk boven alles als het is, het Vleesch van Christus, dat vóór 334het lijden niet geschikt was om te eten, van dat oogenblik af eetbaar gemaakt ». Welnu, Christus heeft Zijn Lichaam als geschikt om te eten gegeven. Dus heeft Hij het zóó gegeven, als het was na het lijden d. w.z. onlijdbaar en onsterfelijk.Bedenkingen. — Men beweert, dat Jesus Zijn Lichaam als onlijdbaar genuttigd en aan de leerlingen gegeven heeft. — 1. Bij Matteüs (17, 2): “Hij werd voor hun ogen van aanschijn veranderd” zegt een Glossa: “Dat Lichaam, dat Hij van nature had, gaf Hij bij het Avondmaal aan de leerlingen, maar niet sterfelijk en lijdbaar”. En bij het Boek Leviticus (2, 5): “Als een offergave van de pan komt” zegt de Glossa: “Het Kruis heeft, sterk boven alles als het is, het Vlees van Christus, dat vóór 334het lijden niet geschikt was om te eten, van dat ogenblik af eetbaar gemaakt”. Welnu, Christus heeft Zijn Lichaam als geschikt om te eten gegeven. Dus heeft Hij het zó gegeven, als het was na het lijden d. w.z. onlijdbaar en onsterfelijk.
2. Praeterea, omne corpus passibile per contactum et manducationem patitur. Si ergo corpus Christi erat passibile per contactum et comestionem discipulorum passum fuisset.
2. Een lijdbaar lichaam lijdt als het in aanraking komt met iets anders en als het gegeten wordt. Als dus het Lichaam van Christus lijdbaar was geweest, zou het geleden hebben, toen het door de leerlingen werd aangeraakt en gegeten.
3. Praeterea, verba sacramentalia non sunt modo majoris virtutis quando proferuntur a sacerdote in persona Christi, quam tunc quando fuerunt prolata ab ipso Christo. Sed nunc virtute verborum sacramentalium in altari consecratur corpus Christi impassibile et immortale. Ergo multo magis tunc.
3. De sacramenteele woorden hebben, nu ze worden uitgesproken door een priester in den persoon van Christus, geen grootere kracht dan toen ze werden uitgesproken door Christus Zelf. Welnu tegenwoordig wordt door de kracht van de sacramenteele woorden op het altaar het Lichaam van Christus als onlijdbaar en onsterfelijk geconsecreerd. Dus toen veel méér.3. De sacramentele woorden hebben, nu ze worden uitgesproken door een priester in de persoon van Christus, geen grotere kracht dan toen ze werden uitgesproken door Christus Zelf. Welnu tegenwoordig wordt door de kracht van de sacramentele woorden op het altaar het Lichaam van Christus als onlijdbaar en onsterfelijk geconsecreerd. Dus toen veel méér.
Sed contra est quod, sicut Innocentius III. dicit [lib. 4. De Myster. Missae, cap. 12.], « tale corpus tunc dedit discipulis, quale habuit ». Habuit autem tunc corpus passibile et mortale. Ergo corpus passibile et mortale discipulis dedit.
Daartegenover staat echter het gezegde van Innocentius III: « Hij gaf hun het Lichaam, zooals Hij het toen had ». Welnu, toen had Hij een lijdbaar en sterfelijk Lichaam. Dus heeft Hij aan de leerlingen een lijdbaar en sterfelijk Lichaam gegeven.Daartegenover staat echter het gezegde van Innocentius III: “Hij gaf hun het Lichaam, zoals Hij het toen had”. Welnu, toen had Hij een lijdbaar en sterfelijk Lichaam. Dus heeft Hij aan de leerlingen een lijdbaar en sterfelijk Lichaam gegeven.
Respondeo dicendum quod Hugo de Sancto Victore posuit [Innoc. III. 335ibid. Serm. 14 de Temp.], quod Christus ante passionem diversis temporibus quatuor dotes corporis glorificati assumpserit scilicet subtilitatem in nativitate, quando exivit de clauso utero Virginis; agilitatem, quando ambulavit siccis pedibus super mare; claritatem in transfiguratione; impassibilitatem in coena, quando corpus suum discipulis tradidit manducandum. Et secundum hoc, dedit discipulis suis corpus suum impassibile et immortale.
Leerstelling. — Hugo van Sint Victor heeft gemeend, dat 335Christus reeds vóór zijn lijden op verschillende tijdstippen de vier eigenschappen van het verheerlijkte lichaam heeft aangenomen en wel de ijlheid bij de geboorte, toen Hij de gesloten schoot van de Maagd verliet; de gezwindheid, toen Hij droogvoets over de zee wandelde; de schittering, toen Hij van aanschijn veranderde; de onlijdbaarheid bij het Avondmaal, toen Hij Zijn Lichaam te eten gaf aan de leerlingen. Volgens deze opvatting heeft Hij dus Zijn Lichaam als onlijdbaar en onsterfelijk gegeven.
Sed, quidquid sit de aliis, de quibus supra dictum est [q. 28. art. 2. ad 3; q. 45. art. 2.] quid sentiri debeat, circa impassibilitatem tamen impossibile est esse quod dicitur. Manifestum est enim quod idem corpus Christi erat, quod a discipulis tunc in propria specie videbatur, et in specie sacramenti sumebatur. Non autem erat impassibile, secundum quod in propria specie videbatur, quinimo erat passioni paratum. Unde nec ipsum corpus Christi, quod in specie sacramenti dabatur, impassibile erat.
Maar wat ook zij van de overige punten, waarover boven gezegd is (28e Kw. 2e Art. 3e Antw.; 45e Kw. 2e Art.), wat men ervan te denken heeft, is toch in ieder geval het beweerde over onlijdbaarheid iets onmogelijks. Want het is zonneklaar, dat het één en hetzelfde waarachtig Lichaam van Christus was, wat toen door de leerlingen onder eigen gedaante werd gezien en onder de gedaante van het Sacrament werd genuttigd. Nu was het, zooals het in eigen gedaante werd gezien, niet onlijdbaar; integendeel, het was lijdensbereid. Dus was ook het Lichaam van Christus, dat onder de gedaante van het Sacrament werd gegeven, niet onlijdbaar.Maar wat ook zij van de overige punten, waarover boven gezegd is (28e Kw. 2e Art. 3e Antw.; 45e Kw. 2e Art.), wat men ervan te denken heeft, is toch in ieder geval het beweerde over onlijdbaarheid iets onmogelijks. Want het is zonneklaar, dat het één en hetzelfde waarachtig Lichaam van Christus was, wat toen door de leerlingen onder eigen gedaante werd gezien en onder de gedaante van het Sacrament werd genuttigd. Nu was het, zoals het in eigen gedaante werd gezien, niet onlijdbaar; integendeel, het was lijdensbereid. Dus was ook het Lichaam van Christus, dat onder de gedaante van het Sacrament werd gegeven, niet onlijdbaar.
Impassibili tamen modo erat sub specie sacramenti quod in se erat passibile: sicut invisibiliter, quod in se erat visibile. Sicut enim visio requirit contactum corporis quod videtur, 336ad circumstans medium visionis, ita passio requirit contactum corporis quod patitur, ad ea quae agunt. Corpus autem Christi, secundum quod est sub sacramento, ut supra dictum est [art. 1. ad 2; q. 76. art. 5.], non comparatur ad ea quae circumstant mediantibus propriis dimensionibus, quibus corpora se tangunt, sed mediantibus dimensionibus specierum panis et vini. Et ideo species illae sunt quae patiuntur et videntur, non autem ipsum corpus Christi.
Wel was het in zich lijdbare op onlijdbare wijze onder de gedaante van het Sacrament, zooals het in zich zichtbare er op onzichtbare wijze was. Zooals immers het zien de aanraking 336vereischt van het geziene ding door het omringende gezichtsmidden, zoo vereischt het lijden de aanraking van het lijdende ding door datgene, wat er op inwerkt. Nu heeft, zooals boven gezegd is (1e Art. 2e Antw.; 76e Kw. 5e Art.), het Lichaam van Christus, als tegenwoordig in dit Sacrament, geen verhouding tot de omringende voorwerpen krachtens de eigen afmetingen — en daardoor toch raken de dingen elkaar aan — maar krachtens de afmetingen van het brood en den wijn. En dus zijn het die gedaanten, die lijden en gezien worden, niet het Lichaam zelf van Christus.Wel was het in zich lijdbare op onlijdbare wijze onder de gedaante van het Sacrament, zoals het in zich zichtbare er op onzichtbare wijze was. Zoals immers het zien de aanraking 336vereist van het geziene ding door het omringende gezichtsmidden, zo vereist het lijden de aanraking van het lijdende ding door datgene, wat er op inwerkt. Nu heeft, zoals boven gezegd is (1e Art. 2e Antw.; 76e Kw. 5e Art.), het Lichaam van Christus, als tegenwoordig in dit Sacrament, geen verhouding tot de omringende voorwerpen krachtens de eigen afmetingen — en daardoor toch raken de dingen elkaar aan — maar krachtens de afmetingen van het brood en de wijn. En dus zijn het die gedaanten, die lijden en gezien worden, niet het Lichaam zelf van Christus.
Ad primum ergo dicendum quod Christus dicitur1 non dedisse corpus suum mortale et passibile, quia non dedit mortali2 et passibili modo. Crux autem fecit carnem Christi aptam manducationi, inquantum hoc sacramentum repraesentat passionem Christi.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Er wordt gezegd, dat Christus in het Avondmaal Zijn Lichaam niet als sterfelijk en lijdbaar heeft gegeven, omdat Hij het niet op sterfelijke en lijdbare wijze heeft gegeven. Het Kruis heeft het Vleesch van Christus geschikt tot eten gemaakt, inzoover het het lijden van Christus is, wat door dit Sacrament wordt verbeeld.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Er wordt gezegd, dat Christus in het Avondmaal Zijn Lichaam niet als sterfelijk en lijdbaar heeft gegeven, omdat Hij het niet op sterfelijke en lijdbare wijze heeft gegeven. Het Kruis heeft het Vlees van Christus geschikt tot eten gemaakt, inzover het het lijden van Christus is, wat door dit Sacrament wordt verbeeld.
Ad secundum dicendum quod ratio illa procederet, si corpus Christi, sicut erat passibile, ita passibili modo fuisset sub sacramento.
2. Die redeneering zou opgaan, indien het Lichaam van Christus, gelijk het lijdbaar was, zoo ook op lijdbare wijze in dit Sacrament was tegenwoordig geweest.2. Die redenering zou opgaan, indien het Lichaam van Christus, gelijk het lijdbaar was, zo ook op lijdbare wijze in dit Sacrament was tegenwoordig geweest.
Ad tertium dicendum quod sicut supra dictum est [q. 76. art. 4.], 337accidentia corporis Christi sunt in sacramento ex reali concomitantia, non autem ex vi sacramenti, ex qua est ibi substantia corporis Christi. Et ideo virtus verborum sacramentalium ad hoc se extendit ut sit sub sacramento corpus Christi, scilicet quibuscumque accidentibus realiter in eo existentibus.
3. Zooals boven gezegd is (76e Kw. 4e Art.), zijn de 337bijkomstigheden van het Lichaam van Christus in dit Sacrament aanwezig uit verbondenheid in de werkelijkheid, niet uit kracht van het Sacrament, zooals dat wel het geval is met de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus. En dus gaat de kracht van de sacramenteele woorden slechts zoover, dat onder het Sacrament het Lichaam van Christus is, onverschillig welke bijkomstigheden in de werkelijkheid daarin gevonden worden.3. Zoals boven gezegd is (76e Kw. 4e Art.), zijn de 337bijkomstigheden van het Lichaam van Christus in dit Sacrament aanwezig uit verbondenheid in de werkelijkheid, niet uit kracht van het Sacrament, zoals dat wel het geval is met de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus. En dus gaat de kracht van de sacramentele woorden slechts zover, dat onder het Sacrament het Lichaam van Christus is, onverschillig welke bijkomstigheden in de werkelijkheid daarin gevonden worden.
Utrum si hoc sacramentum tempore mortis Christi fuisset servatum vel consecratum, ibi moreretur
Zou Christus in dit Sacrament gestorven zijn, als het tijdens Zijn dood in de ciborie was bewaard gebleven of door een der Apostelen was geconsecreerd geworden?Zou Christus in dit Sacrament gestorven zijn, als het tijdens Zijn dood in de ciborie was bewaard gebleven of door een van de Apostelen was geconsecreerd geworden?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod si hoc sacramentum tempore mortis Christi fuisset servatum in pyxide vel ab aliquo apostolorum consecratum, non ibi moreretur. Mors enim Christi accidit per ejus passionem. Sed Christus impassibili modo etiam tunc erat in hoc sacramento. Ergo non poterat mori in hoc sacramento.
Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus in dit Sacrament niet zou zijn gestorven, als het tijdens Zijn dood in de ciborie was bewaard gebleven of door een der Apostelen was geconsecreerd geworden. — 1. De dood van Christus immers had plaats door Zijn lijden. Welnu, Christus was ook toen op onlijdbare wijze in dit Sacrament aanwezig. Dus kon Hij in dit Sacrament niet sterven.Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus in dit Sacrament niet zou zijn gestorven, als het tijdens Zijn dood in de ciborie was bewaard gebleven of door een van de Apostelen was geconsecreerd geworden. — 1. De dood van Christus immers had plaats door Zijn lijden. Welnu, Christus was ook toen op onlijdbare wijze in dit Sacrament aanwezig. Dus kon Hij in dit Sacrament niet sterven.
3382. Praeterea, in morte Christi separatus fuit sanguis ejus a corpore. Sed in hoc sacramento simul est corpus Christi et sanguis. Ergo Christus in hoc sacramento non moreretur.
3382. Bij den dood van Christus werd Zijn Bloed van het Lichaam gescheiden. In dit Sacrament echter is het Lichaam van Christus met het Bloed. Dus zou Christus in dit Sacrament niet gestorven zijn.3382. Bij de dood van Christus werd Zijn Bloed van het Lichaam gescheiden. In dit Sacrament echter is het Lichaam van Christus met het Bloed. Dus zou Christus in dit Sacrament niet gestorven zijn.
3. Praeterea, mors accidit per separationem animae a corpore. Sed in hoc sacramento continetur tam corpus quam anima Christi. Ergo in hoc sacramento non poterat Christus mori.
3. De dood heeft plaats door de scheiding van de ziel van het lichaam. In dit Sacrament echter is zoowel het Lichaam als de Ziel van Christus. Dus kon Christus in dit Sacrament niet sterven.3. De dood heeft plaats door de scheiding van de ziel van het lichaam. In dit Sacrament echter is zowel het Lichaam als de Ziel van Christus. Dus kon Christus in dit Sacrament niet sterven.
Sed contra est quod idem Christus, qui erat in cruce, fuisset in sacramento. Sed in cruce moriebatur. Ergo et in sacramento conservato moreretur.
Daartegenover staat echter, dat dezelfde Christus, die op het Kruis was, in dit Sacrament zou geweest zijn. Nu stierf Hij op het Kruis. Dus zou Hij ook gestorven zijn in het Sacrament, als dat bewaard was gebleven.
Respondeo dicendum quod corpus Christi idem in substantia est in hoc sacramento et in propria specie, sed non eodem modo. Nam in propria specie contingit circumstantia corpora per proprias dimensiones, non autem prout est in hoc sacramento, ut supra dictum est [art. praec.]. Et ideo quidquid pertinet ad Christum secundum quod in se est, potest attribui ei et in propria specie et in sacramento existenti sicut vivere, mori, dolere, 339animatum vel inanimatum esse, et caetera hujusmodi. Quaecumque vero conveniunt ei per comparationem ad corpora extrinseca, possunt ei attribui in propria specie existenti, non autem prout est in sacramento: sicut irrideri, conspui, crucifigi, flagellari et caetera hujusmodi. Unde et quidam metrice dixerunt. Pyxide servato poteris sociare dolorem / Innatum, sed non illatus convenit illi.
Leerstelling. — Het Lichaam van Christus in dit Sacrament en onder eigen gedaante is één naar de zelfstandigheid maar niet naar de wijze van zijn. Want in eigen gedaante raakt het de omringende lichamen door de eigen afmetingen, hetgeen niet waar is, voorzoover Hij in dit Sacrament is, gelijk boven gezegd is (3e Art.). Alles dus, wat Christus in Zich betreft, kan van Hem worden uitgezegd, zooals Hij is in eigen gedaante én zooals Hij is in het Sacrament b.v. leven, sterven, bedroefd zijn, 339bezield of onbezield zijn enz. Maar alles, wat Hem toekomt krachtens betrekking tot de lichamen buiten Hem, kan van Hem worden uitgezegd, zooals Hij is in eigen gedaante, niet echter zooals Hij is in het Sacrament b.v. bespot worden, bespuwd worden, gekruisigd worden, gegeeseld worden enz. Sommigen geven dan ook het versje: « Aan Hem, die wordt bewaard in de ciborie, kunt gij toeschrijven een innerlijke pijn; maar een van buiten komende is Hem vreemd ».Leerstelling. — Het Lichaam van Christus in dit Sacrament en onder eigen gedaante is één naar de zelfstandigheid maar niet naar de wijze van zijn. Want in eigen gedaante raakt het de omringende lichamen door de eigen afmetingen, hetgeen niet waar is, voorzover Hij in dit Sacrament is, gelijk boven gezegd is (3e Art.). Alles dus, wat Christus in Zich betreft, kan van Hem worden uitgezegd, zoals Hij is in eigen gedaante én zoals Hij is in het Sacrament bv. leven, sterven, bedroefd zijn, 339bezield of onbezield zijn enz. Maar alles, wat Hem toekomt krachtens betrekking tot de lichamen buiten Hem, kan van Hem worden uitgezegd, zoals Hij is in eigen gedaante, niet echter zoals Hij is in het Sacrament bv. bespot worden, bespuwd worden, gekruisigd worden, gegeseld worden enz. Sommigen geven dan ook het versje: “Aan Hem, die wordt bewaard in de ciborie, kunt gij toeschrijven een innerlijke pijn; maar een van buiten komende is Hem vreemd”.
Ad primum ergo dicendum quod sicut dictum est [in corp.] passio convenit corpori passo per comparationem ad agens extrinsecum. Et ideo Christus, secundum quod est sub hoc sacramento, pati non potest. Potest tamen mori.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals gezegd is (in de Leerst.), komt lijden aan het lijdend lichaam toe krachtens verhouding tot iets, dat van buiten af inwerkt. En dus kan Christus, als onder dit Sacrament tegenwoordig, niet lijden. Maar wel kan Hij sterven.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals gezegd is (in de Leerst.), komt lijden aan het lijdend lichaam toe krachtens verhouding tot iets, dat van buiten af inwerkt. En dus kan Christus, als onder dit Sacrament tegenwoordig, niet lijden. Maar wel kan Hij sterven.
Ad secundum dicendum quod, sicut supra dictum est [q. 76. art. 2.], sub specie panis est corpus Christi ex vi consecrationis, sanguis autem sub specie vini. Sed nunc quidem, quando realiter sanguis Christi non est separatus ab ejus corpore, ex reali concomitantia et sanguis Christi est sub specie 340panis simul cum corpore, et corpus sub specie vini simul cum sanguine. Sed si tempore passionis Christi, quando realiter sanguis fuit separatus a corpore Christi, fuisset hoc sacramentum consecratum, sub specie panis fuisset solum corpus, et sub specie vini fuisset solum sanguis.
2. Zooals boven gezegd is (76e Kw. 2e Art.), is uit kracht van de consecratie onder de gedaante van het brood het Lichaam van Christus, onder de gedaante van den wijn het Bloed van Christus. In onzen tijd echter, nu het Bloed van Christus in de werkelijkheid niet is gescheiden van Zijn Lichaam, is onder de gedaante van het brood het Bloed van Christus te zamen met het Lichaam en onder de gedaante van den wijn het Lichaam te 340zamen met het Bloed. Maar als dit Sacrament geconsecreerd was geworden tijdens het lijden van Christus, toen het Bloed in werkelijkheid gescheiden werd van het Lichaam van Christus, dan zou onder de gedaante van het brood alleen maar het Lichaam en onder de gedaante van den wijn alleen maar het Bloed geweest zijn.2. Zoals boven gezegd is (76e Kw. 2e Art.), is uit kracht van de consecratie onder de gedaante van het brood het Lichaam van Christus, onder de gedaante van de wijn het Bloed van Christus. In onze tijd echter, nu het Bloed van Christus in de werkelijkheid niet is gescheiden van Zijn Lichaam, is onder de gedaante van het brood het Bloed van Christus te zamen met het Lichaam en onder de gedaante van de wijn het Lichaam te 340zamen met het Bloed. Maar als dit Sacrament geconsecreerd was geworden tijdens het lijden van Christus, toen het Bloed in werkelijkheid gescheiden werd van het Lichaam van Christus, dan zou onder de gedaante van het brood alleen maar het Lichaam en onder de gedaante van de wijn alleen maar het Bloed geweest zijn.
Ad tertium dicendum quod, sicut supra dictum est [q. 76. art. 1. ad 1.], anima Christi est in hoc sacramento ex reali concomitantia. quia non est sine corpore: non autem ex vi consecrationis. Et ideo, si tunc fuisset hoc sacramentum consecratum vel peractum1, quando anima erat a corpore realiter separata, non fuisset anima Christi sub hoc sacramento: non propter defectum virtutis verborum, sed propter aliam dispositionem rei.
3. Zooals boven gezegd is (76e Kw. 1e Art. 1e Antw.), is de Ziel van Christus in dit Sacrament krachtens de verbondenheid in de werkelijkheid (zij is immers niet zonder het Lichaam), niet krachtens de consecratie. Als dus dit Sacrament was geconsecreerd geworden of was bewaard gebleven in dien tijd, toen de Ziel in de werkelijkheid van het Lichaam gescheiden was, dan zou de Ziel van Christus niet onder dit Sacrament zijn tegenwoordig geweest, niet door een tekortschieten van de kracht der woorden, maar tengevolge van een anderen toestand der betroffen zaak.3. Zoals boven gezegd is (76e Kw. 1e Art. 1e Antw.), is de Ziel van Christus in dit Sacrament krachtens de verbondenheid in de werkelijkheid (zij is immers niet zonder het Lichaam), niet krachtens de consecratie. Als dus dit Sacrament was geconsecreerd geworden of was bewaard gebleven in die tijd, toen de Ziel in de werkelijkheid van het Lichaam gescheiden was, dan zou de Ziel van Christus niet onder dit Sacrament zijn tegenwoordig geweest, niet door een tekortschieten van de kracht van de woorden, maar tengevolge van een anderen toestand van de betroffen zaak.