Theologische Summa · Tertia Pars · Het doopselSumma · III · Het doopselSumma · III · Kw. 66Kw. 66
Quaestio LXVI

De pertinentibus ad sacramentum baptismi

Kwestie 66

Over het doopsel

(Twaalf artikelen)

178Deinde considerandum est de singulis sacramentis in speciali, et primo de baptismo; secundo de confirmatione; tertio de Eucharistia; quarto de poenitentia; quinto de extrema unctione; sexto de ordine; septimo de matrimonio.

178Nu moeten we tot de beschouwing van ieder sacrament in het bizonder overgaan. Zoo zal het ten eerste over het doopsel gaan, ten tweede over het vormsel, ten derde over de Eucharistie, ten vierde over de biecht, ten vijfde over het heilig oliesel, ten zesde over het priesterschap, ten zevende eindelijk over het huwelijk.178Nu moeten we tot de beschouwing van ieder sacrament in het bizonder overgaan. Zo zal het ten eerste over het doopsel gaan, ten tweede over het vormsel, ten derde over de Eucharistie, ten vierde over de biecht, ten vijfde over het heilig oliesel, ten zesde over het priesterschap, ten zevende eindelijk over het huwelijk.

Circa primum occurrit duplex consideratio : prima de ipso baptismo; secunda de praeparatoriis ad baptismatum. Circa primum quatuor consideranda occurrunt : primo de his quae pertinent ad sacramentum baptismi; secundo de ministro hujus sacramenti; tertio de recipientibus hoc sacramentum; quarto de effectu hujus sacramenti.

Twee dingen moeten in het doopsel besproken worden, vooreerst nl. het doopsel zelf, verder de voorbereiding tot het doopsel. Wat nu het doopsel zelf betreft komen vier dingen ter beschouwing. Ten eerste: Wat er tot het sacrament van het doopsel behoort. Ten tweede: De bedienaar van het sacrament. Ten derde: Degene die het sacrament ontvangen. Ten vierde: Het uitwerksel van het sacrament.

179Circa primum quaeruntur duodecim : 1. Quid sit baptismus, utrum scilicet sit ablutio. — 2. De institutione hujus sacramenti. — 3. Utrum aqua sit propria materia hujus sacramenti. — 4. Utrum requiratur aqua simplex. — 5. Utrum haec sit conveniens forma hujus sacramenti : « Ego te baptizo in nomine Patris, et Filii, et Spiritus Sancti ». — 6. Utrum sub hac forma possit aliquis baptizari : « Ego te baptizo in nomine Christi ». — 7. Utrum immersio sit de necessitate baptismi. — 8. Utrum requiratur trina immersio. — 9. Utrum baptismus possit iterari. — 10. De ritu baptismi. — 11. De distinctione baptismatum. — 12. De comparatione baptismatum.

Bij het eerste onder deze vier punten hebben we het over de twaalf volgende vraagstukken : 1791. Is het doopsel een wassching? 2. Over de instelling van het doopsel. 3. Is water de eigenlijke stof van dit sacrament? 4. Wordt er zuiver en onvermengd water vereischt? 5. Is de vereischte vorm van bewust sacrament : « Ik doop u in den naam des Vaders, en des Zoons en des Heiligen Geestes »? 6. Mag iemand gedoopt worden onder den volgenden vorm : « Ik doop u in Christus naam »? 7. Wordt er voor de geldigheid van het doopsel een indompelen vereischt? 8. Is een drievoudige indompeling onontbeerlijk? 9. Mag het doopsel een tweede maal worden toegediend? 10. Over den ritus van het doopsel. 11. Bestaan er verschillende soorten van doopsel? 12. Hoe staan ze tegenover mekander?Bij het eerste onder deze vier punten hebben we het over de twaalf volgende vraagstukken: 1791. Is het doopsel een wassing? 2. Over de instelling van het doopsel. 3. Is water de eigenlijke stof van dit sacrament? 4. Wordt er zuiver en onvermengd water vereist? 5. Is de vereiste vorm van bewust sacrament: “Ik doop u in de naam van de Vader, en van de Zoon en van de Heilige Geest”? 6. Mag iemand gedoopt worden onder de volgende vorm: “Ik doop u in Christus naam”? 7. Wordt er voor de geldigheid van het doopsel een indompelen vereist? 8. Is een drievoudige indompeling onontbeerlijk? 9. Mag het doopsel een tweede maal worden toegediend? 10. Over de ritus van het doopsel. 11. Bestaan er verschillende soorten van doopsel? 12. Hoe staan ze tegenover mekander?

Articulus I

Utrum baptismus sit ipsa ablutio

[4. Dist. 4. art. 1. et lib. 4. Contr. g. cap. 60.]
Ie Artikel

Is het doopsel een wassching?Is het doopsel een wassing?

antwoord 1 ↓

Ad primum sic proceditur. Videtur, quod baptismus non sit ipsa 180ablutio. Ablutio enim corporalis transit, baptismus autem permanet. Ergo baptismus non est ipsa ablutio, sed potius « regeneratio, et sigillum, et custodia, et illuminatio », ut Damascenus dicit in 4. lib. [Orth. Fid. cap. 9.].

Bedenkingen. — Men beweert dat het doopsel eigenlijk niet 180in de wassching bestaat. — 1. Een lichamelijke wassching gaat voorbij, het doopsel echter blijft. Zoo is het doopsel dus geen wassching, maar eerder « een wedergeboorte en een zegel, een bewaring en een verlichting. » Dit zegt St. Joannes Damascenus in zijn Boek « Over het Rechtzinnig geloof ». (4, 10)Bedenkingen. — Men beweert dat het doopsel eigenlijk niet 180in de wassing bestaat. — 1. Een lichamelijke wassing gaat voorbij, het doopsel echter blijft. Zo is het doopsel dus geen wassing, maar eerder “een wedergeboorte en een zegel, een bewaring en een verlichting.” Dit zegt St. Johannes Damascenus in zijn Boek “Over het Rechtzinnig geloof”. (4, 10)

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Hugo de S. Victore dicit [lib. 2. de Sacram. part. 6. cap. 2.], quod « baptismus est aqua diluendis criminibus sanctificata per verbum Dei ». Aqua autem non est ipsa ablutio, sed ablutio est quidam usus aquae. Ergo, etc.

2. Hugo van St. Victor beweert in zijn boek « De Sacramenten » (2, 6, 1) dat het doopsel : « water is dat geheiligd wordt door het woord Gods en van de zonden reinigt. » — Het water echter is niet de eigenlijke wassching, maar de wassching is het gebruik van water. Dus is het doopsel geen wassching.2. Hugo van St. Victor beweert in zijn boek “De Sacramenten” (2, 6, 1) dat het doopsel: “water is dat geheiligd wordt door het woord Gods en van de zonden reinigt.” — Het water echter is niet de eigenlijke wassing, maar de wassing is het gebruik van water. Dus is het doopsel geen wassing.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Augustinus dicit super Joan. [tract. 80, N. 3.] : « Accedit verbum ad elementum, et fit sacramentum ». Elementum autem est ipsa aqua in sacramento baptismi. Ergo baptismus est ipsa aqua, non autem ablutio.

3. St. Augustinus zegt in zijn Commentaar op Joan. (80e traktaat) : « Het woord komt even maar tot de stof en het sacrament ontstaat. » — De stof echter van het doopsel is het water en zoo is dus het doopsel in het water en niet in de wassching gelegen.3. St. Augustinus zegt in zijn Commentaar op Joh. (80e traktaat): “Het woord komt even maar tot de stof en het sacrament ontstaat.” — De stof echter van het doopsel is het water en zo is dus het doopsel in het water en niet in de wassing gelegen.

Sed contra est, quod dicitur Eccli. 34 [v. 30] : « Qui baptizatur a mortuo, et iterum tangit mortuum, quid proficit lavatio ejus? » Videtur ergo, quod baptismus sit ipsa ablutio, sive lavatio.

Daartegenover staat echter hetgeen gezegd wordt, in Eccli. (34, 30) : « Wie zich reinigt ter oorzake van een doode en dien opnieuw aanraakt, wat baat hem zijn reiniging. » Zoo is het doopsel dus wel de wassching zelf.Daartegenover staat echter hetgeen gezegd wordt, in Eccli. (34, 30): “Wie zich reinigt ter oorzake van een dode en die opnieuw aanraakt, wat baat hem zijn reiniging.” Zo is het doopsel dus wel de wassing zelf.

181Respondeo dicendum, quod in sacramento baptismi est tria considerare : aliquid scilicet quod est sacramentum tantum; aliquid autem, quod est res et sacramentum; aliquid vero, quod est res tantum. Sacramentum tantum est aliquid visibile exterius existens, quod scilicet est signum interioris effectus; hoc enim pertinet ad rationem sacramenti; exterius autem suppositum sensui est et ipsa aqua, et ejus usus, qui est ablutio. Quidam ergo existimaverunt, quod ipsa aqua sit sacramentum, quod quidem sonare videntur verba Hugonis de S. Victore [cit. in arg. 2.], nam ipse in communi definitione sacramenti [lib. 1. de Sacram. part. 9, cap. 2.]. dicit, quod « est materiale elementum »; et in definitione baptismi dicit, quod « est aqua ». Sed hoc non videtur esse verum; cum enim sacramenta novae legis sanctificationem quandam operentur, ibi perficitur sacramentum, ubi perficitur sanctificatio; in aqua autem non perficitur sanctificatio, sed est ibi quaedam sanctificationis virtus instrumentalis, non permanens, sed fluens in hominem, qui est verae sanctificationis subjectum; et ideo sacramentum 182non perficitur in ipsa aqua, sed in applicatione aquae ad hominem, quae est ablutio. Et ideo Magister in 3. Dist. 4. Sent. dicit, quod « baptismus est ablutio corporis exterior, facta sub forma praescripta verborum ». Res autem et sacramentum est character baptismalis, qui est res significata per exteriorem ablutionem; et est signum sacramentale interioris justificationis, quae est res tantum hujus sacramenti, scilicet significata, et non significans.

181Leerstelling. — In het sacrament van het doopsel vallen drie verschillende dingen te onderscheiden, hetgeen nl. enkel en alleen teeken is, hetgeen zaak en teeken is, en hetgeen enkel en alleen zaak is. Wat uitsluitend teeken is, is wat uiterlijk te merken valt en teeken is van het innerlijke uitwerksel; dit behoort immers tot het begrip van een teeken. Wat nu de zintuigen uiterlijk aandoet is het water en het gebruik van water om de wassching. Daarom dachten sommigen dat het water zelf het sacrament is, wat Hugo van St. Victor overigens in zijn boek « Over de Sacramenten » (1, 9, 2), schijnt te willen bevestigen; in zijn algemeene bepaling van het sacrament zegt hij nl. dat het stoffelijk element het sacrament is en in zijn bepaling van het doopsel dat het sacrament het water is. Dit gaat echter niet aan; aangezien immers de sacramenten van de nieuwe wet de heiligmaking bewerken, zal het sacrament tot stand komen, daar waar de heiligmaking voltrokken wordt. Die heiligmaking nu wordt niet in het water voltrokken, maar in het water schuilt er een werktuigelijke heiligmakende kracht, die er niet blijft, maar den mensch die subject is van de heiligmaking aandoet. Zoo wordt dan het sacrament niet door het water alleen voltrokken maar wel door het gebruik dat de mensch van het water maakt, en dit is ten slotte niets 182anders dan de wassching. Daarom zegt ook de Meester der Sententiën (4e Sent., 3) dat het doopsel een uiterlijke wassching is van het lichaam die onder het uitspreken van bepaalde woorden verricht wordt. — Zaak en teeken eindelijk is het merkteeken van het doopsel dat door de uiterlijke wassching beteekend wordt en zelf sacramenteel teeken is van de innerlijke rechtvaardigheid die zij, zaak van het sacrament, d. i. hetgeen beteekend wordt, niet hetgeen zelf iets te kennen geeft is.181Leerstelling. — In het sacrament van het doopsel vallen drie verschillende dingen te onderscheiden, hetgeen nl. enkel en alleen teken is, hetgeen zaak en teken is, en hetgeen enkel en alleen zaak is. Wat uitsluitend teken is, is wat uiterlijk te merken valt en teken is van het innerlijke uitwerksel; dit behoort immers tot het begrip van een teken. Wat nu de zintuigen uiterlijk aandoet is het water en het gebruik van water om de wassing. Daarom dachten sommigen dat het water zelf het sacrament is, wat Hugo van St. Victor overigens in zijn boek “Over de Sacramenten” (1, 9, 2), schijnt te willen bevestigen; in zijn algemene bepaling van het sacrament zegt hij nl. dat het stoffelijk element het sacrament is en in zijn bepaling van het doopsel dat het sacrament het water is. Dit gaat echter niet aan; aangezien immers de sacramenten van de nieuwe wet de heiligmaking bewerken, zal het sacrament tot stand komen, daar waar de heiligmaking voltrokken wordt. Die heiligmaking nu wordt niet in het water voltrokken, maar in het water schuilt er een werktuigelijke heiligmakende kracht, die er niet blijft, maar de mens die subject is van de heiligmaking aandoet. Zo wordt dan het sacrament niet door het water alleen voltrokken maar wel door het gebruik dat de mens van het water maakt, en dit is ten slotte niets 182anders dan de wassing. Daarom zegt ook de Meester van de Sententiën (4e Sent., 3) dat het doopsel een uiterlijke wassing is van het lichaam die onder het uitspreken van bepaalde woorden verricht wordt. — Zaak en teken eindelijk is het merkteken van het doopsel dat door de uiterlijke wassing betekend wordt en zelf sacramenteel teken is van de innerlijke rechtvaardigheid die zij, zaak van het sacrament, d.i. hetgeen betekend wordt, niet hetgeen zelf iets te kennen geeft is.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod id quod est sacramentum tantum in baptismo, transit; permanet autem et id quod est sacramentum et res, scilicet character, et id quod est res tantum, scilicet interior justificatio. Sed character permanet indelebiliter, ut supra dictum est [q. 63. art. 5.]; justificatio autem permanet, sed amissibiliter. Damascenus autem baptismum definivit, non quantum ad id quod exterius agitur, quod est sacramentum tantum, sed quantum ad id quod est interius; unde posuit duo pertinentia ad characterem, scilicet sigillum et custodiam; inquantum ipse character, qui 183sigillum dicitur, quantum est de se, custodit animam in bono. Duo etiam posuit pertinentia ad ultimam rem sacramenti, scilicet regenerationem, quae ad hoc pertinet, quod per baptismum homo inchoat novam vitam justitiae; et illuminationem, quae pertinet specialiter ad fidem, per quam homo spiritualem vitam accipit, secundum illud Habac. 2. [v. 4.] : « Justus ex fide vivit. » Baptismus autem est quaedam fidei protestatio; unde dicitur fidei sacramentum. Et similiter Dionysius baptismum definivit per ordinem ad alia sacramenta dicens 2. cap. Ecclesiast. Hierarch., quod est « quoddam principium sanctissimorum mandatorum sacrae actionis, ad eorum susceptivam opportunitatem formans nostros animales habitus », et iterum in ordine ad coelestem gloriam, quae est ultimus1 finis sacramentorum, cum subdit: « Ad supercoelestis quietis anagogen nostrum iter faciens »; et iterum quantum ad principium spiritualis vitae, per hoc quod subdit : « Sacrae et divinissimae nostrae regenerationis traditio ».

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wat in het doopsel uitsluitend teeken is gaat voorbij, wat integendeel én zaak is én teeken, het merkteeken nl. blijft, wat eindelijk uitsluitend zaak is, de innerlijke rechtvaardigheid nl. blijft insgelijks. Alleen blijft het merkteeken onuitwischbaar bestaan, we toonden het hierboven reeds aan (63e Kw., 5e art.), — terwijl daarentegen de rechtvaardigheid ook als ze blijft immer kan verloren gaan. — De heilige Joannes Damascenus nu heeft het doopsel niet naar hetgeen uiterlijk geschiedt en uitsluitend teeken is bepaald, maar wel naar wat het innerlijk veroorzaakt. Zoo sprak hij dan van twee eigenschappen die het merkteeken toekomen, een zegel te zijn nl. en te bewaren; het merkteeken nl. dat ook een zegel is behoudt, in 183zoover er van buiten niets in den weg komt de ziel in het goede; in zijn bepaling spreekt hij ook van twee uitwerkselen die op de uiterste zaak van het sacrament teruggaan, van de wedergeboorte nl. — door het doopsel begint immers de mensch een nieuw leven van gerechtigheid, — en van de verlichting die vooral aan het geloof, waardoor de mensch op geestelijke wijze begint te leven, te danken valt; Profeet Abacuc (2, 4) zegt nl. : « de rechtvaardige leeft van zijn geloof. » — Het doopsel is overigens in een zekere mate een geloofsbelijdenis, daarom ook spreekt men van geloofssacramenten. Dionysius heeft insgelijks het sacrament met betrekking tot de overige sacramenten bepaald, wanneer hij in zijn boek de « Kerkelijke Hierarchie » (2) zei : « dat het doopsel het beginsel is van de vrome verrichtingen eener sacramenteele handeling, het maakt nl. den dierlijk aangelegden mensch er toe geschikt de overige sacramenten ten goede te ontvangen. » — en op dezelfde wijze zegt Dionysius sprekend over de sacramenten en de hemelsche glorie, laatste doel der sacramenten, dat « het doopsel ons den weg baant naar de hoogere sferen der hemelsche rust. » — Ten derde zegt hij nog wanneer hij het heeft over de beginselen van ons geestelijk leven : « dat het doopsel ons brengt tot de heilige en goddelijke wedergeboorte. »Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wat in het doopsel uitsluitend teken is gaat voorbij, wat integendeel én zaak is én teken, het merkteken nl. blijft, wat eindelijk uitsluitend zaak is, de innerlijke rechtvaardigheid nl. blijft insgelijks. Alleen blijft het merkteken onuitwisbaar bestaan, we toonden het hierboven reeds aan (63e Kw., 5e art.), — terwijl daarentegen de rechtvaardigheid ook als ze blijft immer kan verloren gaan. — De heilige Johannes Damascenus nu heeft het doopsel niet naar hetgeen uiterlijk geschiedt en uitsluitend teken is bepaald, maar wel naar wat het innerlijk veroorzaakt. Zo sprak hij dan van twee eigenschappen die het merkteken toekomen, een zegel te zijn nl. en te bewaren; het merkteken nl. dat ook een zegel is behoudt, in 183zover er van buiten niets in de weg komt de ziel in het goede; in zijn bepaling spreekt hij ook van twee uitwerkselen die op de uiterste zaak van het sacrament teruggaan, van de wedergeboorte nl. — door het doopsel begint immers de mens een nieuw leven van gerechtigheid, — en van de verlichting die vooral aan het geloof, waardoor de mens op geestelijke wijze begint te leven, te danken valt; Profeet Abacuc (2, 4) zegt nl.: “de rechtvaardige leeft van zijn geloof.” — Het doopsel is overigens in een zekere mate een geloofsbelijdenis, daarom ook spreekt men van geloofssacramenten. Dionysius heeft insgelijks het sacrament met betrekking tot de overige sacramenten bepaald, wanneer hij in zijn boek de “Kerkelijke Hierarchie” (2) zei: “dat het doopsel het beginsel is van de vrome verrichtingen van een sacramentele handeling, het maakt nl. de dierlijk aangelegden mens er toe geschikt de overige sacramenten ten goede te ontvangen.” — en op dezelfde wijze zegt Dionysius sprekend over de sacramenten en de hemelse glorie, laatste doel van de sacramenten, dat “het doopsel ons de weg baant naar de hogere sferen van de hemelse rust.” — Ten derde zegt hij nog wanneer hij het heeft over de beginselen van ons geestelijk leven: “dat het doopsel ons brengt tot de heilige en goddelijke wedergeboorte.”

↑ bedenking 2

184Ad secundum dicendum, quod, sicut dictum est [in corp. art.], opinionem Hugonis de Sancto Victore in hac parte sequi non oportet; potest tamen verificari, ut baptismus dicatur esse aqua, quia aqua est materiale baptismi principium et sic erit praedicatio per causam.

1842. Zooals we in de leerstelling zeiden moeten we ons hier niet naar de opvatting van Hugo van St. Victor schikken. Niettemin heeft hij, wanneer hij zegt dat het water het doopsel is inzoover gelijk dat het water het stoffelijk beginsel is van het doopsel en dan is zulks een benaming naar de oorzaak.1842. Zoals we in de leerstelling zeiden moeten we ons hier niet naar de opvatting van Hugo van St. Victor schikken. Niettemin heeft hij, wanneer hij zegt dat het water het doopsel is inzover gelijk dat het water het stoffelijk beginsel is van het doopsel en dan is zulks een benaming naar de oorzaak.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod accedente verbo ad elementum, fit sacramentum, non quidem in ipso elemento, sed in homine, cui adhibetur elementum per usum ablutionis; et hoc etiam signat verbum, quod accedit ad elementum, cum dicitur : « Ego te baptizo, etc. ».

3. Wanneer het woord tot de stof komt, komt het sacrament niet in de stof, maar in den mensch die door wassching de stof ten nutte maakt, tot stand. Dit geeft overigens het woord dat, wanneer gezegd wordt « ik doop u... enz. » tot de stof gericht wordt, duidelijk te kennen.3. Wanneer het woord tot de stof komt, komt het sacrament niet in de stof, maar in de mens die door wassing de stof ten nutte maakt, tot stand. Dit geeft overigens het woord dat, wanneer gezegd wordt “ik doop u... enz.” tot de stof gericht wordt, duidelijk te kennen.

Articulus II

Utrum baptismus fuerit institutus post Christi passionem

[4. Dist. 3. art. 5. et Dist. 8. q. 1. art. 3. q. 3. ad 2.]
IIe Artikel

Werd het doopsel na het lijden van Christus ingesteld?

antwoord 1 ↓

Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod baptismus fuerit institutus post Christi passionem. Causa enim praecedit effectum. Sed passio Christi operatur in sacramentis novae legis. Ergo passio Christi praecedit 185institutionem sacramentorum novae legis, et praecipue institutionem baptismi, cum Apostolus dicat Rom. 6. [v. 3] : « Quicumque baptizati sumus in Christo Jesu, in morte ipsius baptizati sumus, » etc.

Bedenkingen. — Men beweert dat het doopsel na het lijden van Christus werd ingesteld. — 1. Een oorzaak gaat haar uitwerksel voor. Welnu het lijden van Christus is het dat in de sacramenten der nieuwe wet de genade bewerkt, zoo gaat dus het lijden van Christus de instelling van de sacramenten der nieuwe 185wet en vooral de instelling van het doopsel vooraf; de Apostel zegt toch in zijn Brief aan de Romeinen (6) : « Allen zooveel we gedoopt zijn in Christus Jezus werden gedoopt in zijn Dood, enz.... »Bedenkingen. — Men beweert dat het doopsel na het lijden van Christus werd ingesteld. — 1. Een oorzaak gaat haar uitwerksel voor. Welnu het lijden van Christus is het dat in de sacramenten van de nieuwe wet de genade bewerkt, zo gaat dus het lijden van Christus de instelling van de sacramenten van de nieuwe 185wet en vooral de instelling van het doopsel vooraf; de Apostel zegt toch in zijn Brief aan de Romeinen (6): “Allen zoveel we gedoopt zijn in Christus Jezus werden gedoopt in zijn Dood, enz....”

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, sacramenta novae legis efficaciam habent ex mandato Christi. Sed Christus mandatum baptizandi dedit discipulis post passionem et resurrectionem suam, dicens : « Euntes docete omnes gentes, baptizantes eos in nomine Patris, etc. » ut habetur Matth. ult. [v. 19]. Ergo videtur, quod post passionem Christi baptismus fuerit institutus.

2. De sacramenten der nieuwe wet hebben dank zij het bevel van Christus kracht ontvangen. Christus nu heeft zijn discipelen bevel gegeven om na zijn lijden en na zijn verrijzenis het doopsel toe te dienen; hij zei nl. zooals bij Matthaeus, laatste hoofdstuk, geschreven staat : « Gaat en onderwijst alle volkeren en doopt ze in den naam des Vaders, des Zoons, en des Heiligen Geestes, enz.... » Zoo werd dus het doopsel na het lijden van Christus ingesteld.2. De sacramenten van de nieuwe wet hebben dank zij het bevel van Christus kracht ontvangen. Christus nu heeft zijn discipelen bevel gegeven om na zijn lijden en na zijn verrijzenis het doopsel toe te dienen; hij zei nl. zoals bij Matteüs, laatste hoofdstuk, geschreven staat: “Gaat en onderwijst alle volkeren en doopt ze in de naam van de Vader, van de Zoon, en van de Heilige Geest, enz....” Zo werd dus het doopsel na het lijden van Christus ingesteld.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, baptismus est sacramentum necessitatis, ut supra dictum est [q. praec. art. 4.], et ita videtur, quod ex quo baptismus institutus fuit, homines obligarentur ad baptismum. Sed ante passionem Christi homines non obligabantur ad baptismum, quia adhuc circumcisio suam virtutem habebat, in cujus locum successit baptismus. Ergo videtur, quod baptismus non fuerit institutus ante passionem Christi.

3. Het doopsel is een sacrament dat, zooals werd aangetoond (62e kw., 1e artikel) voor de zaligheid noodig is; zoo kan het niet anders of zoodra het werd ingesteld moeten de menschen verplicht geweest zijn het te ontvangen. Welnu voor het lijden van Christus waren de menschen niet verplicht het doopsel te ontvangen; de besnijdenis in de plaats waarvan naderhand het doopsel gekomen is was nl. nog ten volle van kracht. Zoo werd dus het doopsel niet voor het lijden van Christus ingesteld.3. Het doopsel is een sacrament dat, zoals werd aangetoond (62e kw., 1e artikel) voor de zaligheid nodig is; zo kan het niet anders of zodra het werd ingesteld moeten de mensen verplicht geweest zijn het te ontvangen. Welnu voor het lijden van Christus waren de mensen niet verplicht het doopsel te ontvangen; de besnijdenis in de plaats waarvan naderhand het doopsel gekomen is was nl. nog ten volle van kracht. Zo werd dus het doopsel niet voor het lijden van Christus ingesteld.

186Sed contra est, quod Augustinus dicit in quodam sermone de Epiphania [qui est 36. de Temp.] : « Ex quo Christus aquis immergitur, ex eo omnium peccata abluit aqua ». Sed hoc fuit ante Christi passionem. Ergo videtur, quod baptismus ante Christi passionem fuerit institutus.

186Daartegenover staat echter hetgeen St. Augustinus zegt in een Sermoen over Driekoningen : « doordien Christus in de wateren gedompeld werd, wascht het water alle zonden weg. » Daar dit nu voor het lijden van Christus geschiedde, werd dus het doopsel voor het lijden van Christus ingesteld.186Daartegenover staat echter hetgeen St. Augustinus zegt in een Sermoen over Driekoningen: “doordien Christus in de wateren gedompeld werd, wast het water alle zonden weg.” Daar dit nu voor het lijden van Christus geschiedde, werd dus het doopsel voor het lijden van Christus ingesteld.

Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est supra [q. 62. art. 1.], sacramenta ex sui institutione habent, quod conferant gratiam. Unde tunc videtur aliquod sacramentum institui, quando accipit virtutem producendi suum effectum. Hanc autem virtutem accepit baptismus, quando Christus est baptizatus; unde tunc vere baptismus institutus fuit, quantum ad ipsum sacramentum. Sed necessitas utendi hoc sacramento indicta fuit hominibus post passionem et resurrectionem, tum quia in passione Christi terminata sunt figuralia sacramenta, quibus succedit baptismus et alia sacramenta novae legis, tum etiam quia per baptismum configuratur homo passioni et resurrectioni Christi, inquantum moritur peccato et incipit novam justitiae 187vitam. Et ideo oportuit Christum prius pati et resurgere, quam hominibus indiceretur necessitas se configurandi morti et resurrectioni ejus.

Leerstelling. — Zooals werd aangetoond (62e Kw., 1e Art.) hebben de sacramenten bij hun instelling kracht ontvangen om de genade te verleenen. Zoo lijkt een sacrament op het oogenblik dat het kracht ontvangt om een uitwerksel te bewerken, te worden ingesteld. Het doopsel nu erlangde bewuste kracht bij het doopsel van Christus en werd dus op dit oogenblik als sacrament ingesteld. Alleen werd de verplichting om van dit sacrament gebruik te maken, de menschen eerst na het lijden en na de verrijzenis van Christus bekend gemaakt, dit én omdat bij het lijden van Christus de zinnebeeldige sacramenten der oude wet voor het doopsel en de andere sacramenten der nieuwe wet opbraken, én omdat door het doopsel de mensch aan Christus in zijn lijden en verrijzenis gelijkvormig wordt, Hij sterft nl. voor de zonden en begint een nieuw leven van gerechtigheid. Daarom nu was het noodig dat Christus vooralleer aan de menschen de verplichting werd 187opgelegd Hem in zijn dood en verrijzenis gelijkvormig te worden zelf zou lijden en verrijzen.Leerstelling. — Zoals werd aangetoond (62e Kw., 1e Art.) hebben de sacramenten bij hun instelling kracht ontvangen om de genade te verlenen. Zo lijkt een sacrament op het ogenblik dat het kracht ontvangt om een uitwerksel te bewerken, te worden ingesteld. Het doopsel nu erlangde bewuste kracht bij het doopsel van Christus en werd dus op dit ogenblik als sacrament ingesteld. Alleen werd de verplichting om van dit sacrament gebruik te maken, de mensen eerst na het lijden en na de verrijzenis van Christus bekend gemaakt, dit én omdat bij het lijden van Christus de zinnebeeldige sacramenten van de oude wet voor het doopsel en de andere sacramenten van de nieuwe wet opbraken, én omdat door het doopsel de mens aan Christus in zijn lijden en verrijzenis gelijkvormig wordt, Hij sterft nl. voor de zonden en begint een nieuw leven van gerechtigheid. Daarom nu was het nodig dat Christus vooralleer aan de mensen de verplichting werd 187opgelegd Hem in zijn dood en verrijzenis gelijkvormig te worden zelf zou lijden en verrijzen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod etiam ante passionem Christi baptismus habebat efficaciam a Christi passione, inquantum eam praefigurabat; aliter tamen, quam sacramenta veteris legis, nam illa erant figurae tantum, baptismus autem ab ipso Christo virtutem habebat justificandi, per cujus virtutem ipsa etiam passio salutifera fuit.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Reeds voor het lijden van Christus betrok het doopsel, daar het toch dit lijden voorafbeelde, zijn kracht van het lijden van Christus. Niettemin gebeurde dit op een andere manier dan voor de sacramenten der oude wet; deze waren immers enkel voorafbeeldingen, terwijl het doopsel kracht had om door Christus zelf rechtvaardig te maken. Het valt nl. aan de kracht van Christus te danken dat zijn lijden de zaligheid heeft kunnen bewerken.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Reeds voor het lijden van Christus betrok het doopsel, daar het toch dit lijden voorafbeeldde, zijn kracht van het lijden van Christus. Niettemin gebeurde dit op een andere manier dan voor de sacramenten van de oude wet; deze waren immers enkel voorafbeeldingen, terwijl het doopsel kracht had om door Christus zelf rechtvaardig te maken. Het valt nl. aan de kracht van Christus te danken dat zijn lijden de zaligheid heeft kunnen bewerken.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod homines non debebant multiplicibus figuris arctari per Christum, qui venerat sua veritate figuras impletas auferre, et ideo ante passionem suam baptismum institutum non posuit sub praecepto, sed voluit ad ejus exercitium homines assuefieri, et praecipue in populo Judaeorum, apud quem omnia facta figuralia erant, ut Augustinus dicit contra Faust. [lib. 4. cap. 2.]. Post passionem vero et resurrectionem non 188solum Judaeis, sed etiam Gentilibus sub praecepto necessitatem baptismi imposuit, dicens : « Euntes docete omnes gentes ».

2. Het ging niet aan wanneer Christus de zinnebeelden, nu ze door zijn waarheid waren in vervulling gegaan deed opbreken, andermaal de menschen met allerlei zinnebeelden te benauwen, daarom legde hij vóór zijn lijden het reeds ingestelde doopsel niet als verplichting op, maar Hij wat dat de menschen en vooral de Joden bij wie zooals Augustinus in zijn « Boek tegen Faustus » (4, 2) zegt, alles er op zinnebeeldige wijze was toegegaan, er door het gebruik stilaan zouden aan wennen. Na zijn lijden en verrijzenis heeft Hij echter de verplichting van het doopsel niet 188alleen voor de Joden maar voor alle volkeren gehandhaafd, toen Hij zeide : « Gaat en onderwijst alle volkeren. »2. Het ging niet aan wanneer Christus de zinnebeelden, nu ze door zijn waarheid waren in vervulling gegaan deed opbreken, andermaal de mensen met allerlei zinnebeelden te benauwen, daarom legde hij vóór zijn lijden het reeds ingestelde doopsel niet als verplichting op, maar Hij wat dat de mensen en vooral de Joden bij wie zoals Augustinus in zijn “Boek tegen Faustus” (4, 2) zegt, alles er op zinnebeeldige wijze was toegegaan, er door het gebruik stilaan zouden aan wennen. Na zijn lijden en verrijzenis heeft Hij echter de verplichting van het doopsel niet 188alleen voor de Joden maar voor alle volkeren gehandhaafd, toen Hij zeide: “Gaat en onderwijst alle volkeren.”

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod sacramenta non sunt obligatoria, nisi quando sub praecepto ponuntur; quod quidem non fuit ante passionem, ut dictum est [in corp. art.]. Quod enim Dominus ante passionem Nicodemo dixit Joan. 3. [v. 5] : « Nisi quis renatus fuerit ex aqua et Spiritu Sancto, non potest introire in regnum Dei », magis videtur ad futurum respicere, quam ad praesens tempus.

3. De sacramenten zijn dan alleen verplichtend wanneer zij door een gebod worden aangeplicht. Dit nu geschiedde (zooals gezegd werd in de leerstelling) niet voor het lijden; wat de Heer vóór zijn lijden aan Nicodemus zei : « Indien iemand niet herboren wordt uit het water en den H. Geest, kan hij het rijk Gods niet ingaan » (3, 5) heeft immers meer betrekking tot de toekomst dan tot het tegenwoordige.3. De sacramenten zijn dan alleen verplichtend wanneer zij door een gebod worden aangeplicht. Dit nu geschiedde (zoals gezegd werd in de leerstelling) niet voor het lijden; wat de Heer vóór zijn lijden aan Nikodemus zei: “Indien iemand niet herboren wordt uit het water en de H. Geest, kan hij het rijk Gods niet ingaan” (3, 5) heeft immers meer betrekking tot de toekomst dan tot het tegenwoordige.

Articulus III

Utrum aqua sit propria materia baptismi

[4. Dist. 3. art. 3. q. 1. et Dist. 17. q. 3. art. 4. q. 3. et lib. 4. Contr. g. cap. 59. et Quodl. 2. art. 10. corp. et Joan. 3.]
IIIe Artikel

Is het water de eigenlijke stof van het doopsel?

antwoord 1 ↓

Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod aqua non sit propria materia baptismi. Baptismus enim, secundum Dionysium [cap. 5. Eccl. Hier., c. P. 1, § 3] et Damascenum [lib. 4. Orth. Fid., cap. 9], habet vim 189illuminativam. Sed illuminatio maxime competit igni. Ergo baptismus magis debet fieri in igne, quam in aqua, praesertim cum Joannes baptista praenuntians Christi baptismum dicat [Matth. 3., v. 11] : « Ille vos baptizabit in Spiritu Sancto et igni ».

Bedenkingen. — Men beweert dat het water niet de eigenlijke stof is van het doopsel. — 1. Dionysius en Damascenus zeggen, de eerste in de « Kerkelijke Hierarchie » (2) en de tweede in « Het rechtzinnig geloof » (4, 10), dat het doopsel licht 189schenkt. Welnu de verlichting komt eerst en vooral aan het vuur toe. Zoo moet dus het doopsel, vooral door Joannes de Dooper wanneer hij het doopsel van Christus voorspelde, gezegd heeft : Hij zal u doopen in den H. Geest en in vuur. (Matt. 3, 11) eerder door vuur dan wel door water worden toegediend.Bedenkingen. — Men beweert dat het water niet de eigenlijke stof is van het doopsel. — 1. Dionysius en Damascenus zeggen, de eerste in de “Kerkelijke Hierarchie” (2) en de tweede in “Het rechtzinnig geloof” (4, 10), dat het doopsel licht 189schenkt. Welnu de verlichting komt eerst en vooral aan het vuur toe. Zo moet dus het doopsel, vooral door Johannes de Doper wanneer hij het doopsel van Christus voorspelde, gezegd heeft: Hij zal u dopen in de H. Geest en in vuur. (Matt. 3, 11) eerder door vuur dan wel door water worden toegediend.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, in baptismo significatur ablutio peccatorum. Sed multa alia sunt ablutiva, quam aqua, sicut vinum, et oleum, et hujusmodi alia. Ergo etiam in his potest fieri baptismus. Non ergo aqua est propria materia baptismi.

2. Het doopsel verbeeldt reiniging van zonde. Welnu daar zijn behalve water nog heel wat stoffen waarmee kan gewasschen worden, aldus, wijn, olie, en andere dergelijke, en bijgevolg kan het doopsel ook met die stoffen worden toegediend. Zoo is het water dus niet de eigenlijke stof van het doopsel.2. Het doopsel verbeeldt reiniging van zonde. Welnu daar zijn behalve water nog heel wat stoffen waarmee kan gewassen worden, aldus, wijn, olie, en andere dergelijke, en bijgevolg kan het doopsel ook met die stoffen worden toegediend. Zo is het water dus niet de eigenlijke stof van het doopsel.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, sacramenta Ecclesiae fluxerunt de latere Christi pendentis in cruce, ut supra dictum est [q. 62. art. 5.]. Sed inde fluxit non solum aqua sed etiam sanguis. Ergo videtur, quod etiam in sanguine possit fieri baptismus, qui etiam videtur magis convenire cum causa et effectu baptismi, quia dicitur Apocal. 1. [v. 5] : « Lavit nos a peccatis nostris in sanguine suo. »

3. De sacramenten der kerk vloeiden zooals gezegd werd, (62e Kw., 5e art.) wanneer Hij aan het kruis hing, uit de zijde van Christus. Welnu daaruit vloeide niet alleen water maar ook bloed, en zoo mag het doopsel dus ook met bloed worden toegediend; ja zelfs zou zulks meer met oorzaak en uitwerksel van het doopsel overeenstemmen. In het Boek der Openbaring (1, 5) wordt immers gezegd : « Hij heeft onze zonden afgewasschen met zijn bloed. »3. De sacramenten van de kerk vloeiden zoals gezegd werd, (62e Kw., 5e art.) wanneer Hij aan het kruis hing, uit de zijde van Christus. Welnu daaruit vloeide niet alleen water maar ook bloed, en zo mag het doopsel dus ook met bloed worden toegediend; ja zelfs zou zulks meer met oorzaak en uitwerksel van het doopsel overeenstemmen. In het Boek van de Openbaring (1, 5) wordt immers gezegd: “Hij heeft onze zonden afgewassen met zijn bloed.”

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, sicut Augustinus [implic. serm. 36. de Temp.], et Beda [Gloss. ord. sup. illud Lucae 3, v. 21: Jesu baptizato, etc.] dicunt : 190« Christus tactu suae mundissimae carnis vim regenerativam et purgativam contulit aquis ». Sed non omnis aqua continuatur cum aqua Jordanis, quam Christus tetigit sua carne. Ergo videtur, quod non in omni aqua possit fieri baptismus, et ita aqua, inquantum hujusmodi, non est propria materia baptismi.

4. St. Augustinus (36e Sermoen over het Tijdeigen) en de eerbiedwaardige Beda (87 Lucas, 3e Kapt.) zeggen dat Christus door de aanraking met zijn allerzuiverste vleesch aan de wateren 190een levenwekkende en louterende kracht schonk. Welnu niet alle water komt van de Jordaan, waar Christus met zijn lichaam het water aanraakte, zoo kan dus het doopsel niet met gelijk welk water worden toegediend, en daarom is het water als water niet de eigenlijke stof van het doopsel.4. St. Augustinus (36e Sermoen over het Tijdeigen) en de eerbiedwaardige Beda (87 Lukas, derde Kapt.) zeggen dat Christus door de aanraking met zijn allerzuiverste vlees aan de wateren 190een levenwekkende en louterende kracht schonk. Welnu niet alle water komt van de Jordaan, waar Christus met zijn lichaam het water aanraakte, zo kan dus het doopsel niet met gelijk welk water worden toegediend, en daarom is het water als water niet de eigenlijke stof van het doopsel.

antwoord 5 ↓

5. Praeterea, si aqua secundum se esset propria baptismi materia, non oporteret aliquid aliud fieri circa aquam, ad hoc quod in ea baptismus fieret. Sed in solemni baptismo aqua, in qua debet celebrari baptismus, exorcizatur et benedicitur. Ergo videtur, quod aqua secundum se non sit propria baptismi materia.

5. Moest het water aan zich de eigenlijke stof zijn van het doopsel, dan zou het om er mee te mogen doopen niet noodig zijn nog een en ander aan dat water te verrichten. Welnu bij een plechtigen doop wordt het water waarmede het doopsel moet geschieden bezworen en gezegend. Zoo is dus het water aan zich niet de eigenlijke stof van het doopsel.5. Moest het water aan zich de eigenlijke stof zijn van het doopsel, dan zou het om er mee te mogen dopen niet nodig zijn nog een en ander aan dat water te verrichten. Welnu bij een plechtigen doop wordt het water waarmede het doopsel moet geschieden bezworen en gezegend. Zo is dus het water aan zich niet de eigenlijke stof van het doopsel.

Sed contra est, quod Dominus dicit Joan. 3. [v. 5] : « Nisi quis renatus fuerit ex aqua et Spiritu Sancto, non potest introire in regnum Dei. »

Daartegenover echter staat dat de Heer bij Joannes (3, 5) zegt: « Indien iemand niet wedergeboren wordt uit het water en den H. Geest, dan kan hij het rijk Gods niet ingaan. »Daartegenover echter staat dat de Heer bij Johannes (3, 5) zegt: “Indien iemand niet wedergeboren wordt uit het water en de H. Geest, dan kan hij het rijk Gods niet ingaan.”

Respondeo dicendum, quod ex institutione divina aqua est propria materia baptismi, et hoc convenienter : primo quidem quantum ad ipsam 191rationem baptismi, qui est regeneratio in spiritualem vitam, quod maxime congruit aquae; unde et semina, ex quibus generantur omnia viventia, scilicet plantae et animalia, humida sunt, et ad aquam pertinent; propter quod quidam philosophi posuerunt aquam omnium rerum principium. Secundo quantum ad effectus baptismi, quibus competunt aquae proprietates, quae sua humiditate lavat; ex quo conveniens est ad significandam et causandam ablutionem peccatorum; sua frigiditate etiam temperat superfluitatem caloris, et ex hoc competit ad mitigandam concupiscentiam fomitis; sua diaphanitate est luminis susceptiva, unde competit baptismo, inquantum est fidei sacramentum. Tertio, quia convenit ad repraesentandum mysteria Christi, quibus justificamur; ut enim dicit Chrysostomus super illud Joan. 3 [v. 5] : « Nisi qui renatus fuerit, » etc. [hom. 24. in Joan.], « sicut in quodam sepulchro, in aqua submergentibus nobis capita, vetus homo sepelitur et submersus deorsum occultatur et deinde novus rursus ascendit ». 192Quarto, quia ratione suae communitatis et abundantiae, est conveniens materia necessitati hujus sacramenti; potest enim ubique de facili haberi.

Leerstelling. — Door goddelijke instelling is het water de eigenlijke stof van het doopsel. Dit is overigens ook redelijk. Van huis uit is immers het doopsel een wedergeboorte tot het geestelijke 191leven. Dit nu komt zeer goed met het gebruik van water overeen; het zaad toch waaruit alle levende wezens, planten nl. en dieren worden voortgebracht is vochtig en deelt de natuur van het water. Daarom ook beweerden sommige wijsgeeren dat het water het beginsel is van alle wezens. Ten tweede komen de eigenschappen van het water met het uitwerksel van het doopsel overeen. Het water wascht nl. en daarom is het geschikt om de reiniging van de zonden te kennen te geven en teweeg te brengen; door zijn koudheid doet het buitensporige warmte afnemen en aldus komt het het water toe den haard van begeerlijkheid in bedwang te houden; dank zij zijn doorschijnendheid kan het water het licht ondervangen en ook daarom is het op het doopsel, in zoover het een geloofssacrament is, aangewezen. Ten derde stelt het water de mysteries van Christus voor waardoor wij worden rechtvaardig gemaakt. Bij de woorden van Joannes (3, 5) : « Wie niet herboren wordt, enz... » zegt immers de H. Chrysostomus dat « de oude mensch in het water als in een graf begraven wordt, dat ons hoofd wordt ondergedompeld, en dat de mensch eerst verborgen daarna andermaal te voorschijn komt. » Ten vierde is zulks redelijk omdat het water zoo algemeen en in overvloed wordt 192aangetroffen, en dus, ingezien zijn noodzakelijkheid, best bij dit sacrament past; water toch is overal makkelijk te krijgen.Leerstelling. — Door goddelijke instelling is het water de eigenlijke stof van het doopsel. Dit is overigens ook redelijk. Van huis uit is immers het doopsel een wedergeboorte tot het geestelijke 191leven. Dit nu komt zeer goed met het gebruik van water overeen; het zaad toch waaruit alle levende wezens, planten nl. en dieren worden voortgebracht is vochtig en deelt de natuur van het water. Daarom ook beweerden sommige wijsgeren dat het water het beginsel is van alle wezens. Ten tweede komen de eigenschappen van het water met het uitwerksel van het doopsel overeen. Het water wast nl. en daarom is het geschikt om de reiniging van de zonden te kennen te geven en teweeg te brengen; door zijn koudheid doet het buitensporige warmte afnemen en aldus komt het het water toe de haard van begeerlijkheid in bedwang te houden; dank zij zijn doorschijnendheid kan het water het licht ondervangen en ook daarom is het op het doopsel, in zover het een geloofssacrament is, aangewezen. Ten derde stelt het water de mysteries van Christus voor waardoor wij worden rechtvaardig gemaakt. Bij de woorden van Johannes (3, 5): “Wie niet herboren wordt, enz...” zegt immers de H. Chrysostomus dat “de oude mens in het water als in een graf begraven wordt, dat ons hoofd wordt ondergedompeld, en dat de mens eerst verborgen daarna andermaal te voorschijn komt.” Ten vierde is zulks redelijk omdat het water zo algemeen en in overvloed wordt 192aangetroffen, en dus, ingezien zijn noodzakelijkheid, best bij dit sacrament past; water toch is overal makkelijk te krijgen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod illuminatio pertinet ad ignem active; ille autem qui baptizatur, non efficitur illuminans, sed illuminatus per fidem, quae est ex auditu, ut dicitur Rom. 10. [v. 17], et ideo magis competit aqua baptismo, quam ignis. Quod autem dicitur : « Baptizabit vos in Spiritu Sancto et igni », potest per ignem, ut Hieronymus dicit [sup. hunc loc. Matth.], intelligi Spiritus Sanctus, qui super discipulos in igneis linguis apparuit, ut dicitur Act. 2. [v. 3], vel per ignem potest intelligi tribulatio, ut Chrysostomus dicit super Matth. [hom. 3. in opere imperf.] quia « tribulatio peccata purgat, et concupiscentiam diminuit », vel quia, ut Hilarius dicit super Matth. [cap. 2, N. 4], « baptizatis in Spiritu Sancto reliquum est consummari igne judicii ».

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zelf te verlichten komt het vuur toe. Degene echter die gedoopt wordt verlicht niet maar wordt integendeel door het geloof, dat hij, zooals in den Brief aan de Romeinen (10, 17) staat, « kent door er te hooren over spreken, » verlicht, en daarom is water beter geschikt om te doopen dan vuur. Wordt er nu gezegd dat Christus zal doopen in den H. Geest en in vuur, dan moet dit van den H. Geest die, zooals beschreven staat in de Hand. der Apost. (2) in vurige tongen over de discipelen verscheen, verstaan worden. Zoo legt het overigens de H. Hieronymus uit (in zijn commentaar op Matt.). Verder kan men door het vuur de beproeving verstaan en in dien zin begrijpt het St. Joannes Chrysostomus (in zijn commentaar op Matt.), de beproeving reinigt nl. van zonde en doet de begeerlijkheid afnemen. Ofwel kan men het begrijpen zooals de H. Hilarius (in zijn commentaar op Matt.) die zegt dat degene die in den H. Geest gedoopt worden door het vuur van het oordeel zullen verslonden worden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zelf te verlichten komt het vuur toe. Degene echter die gedoopt wordt verlicht niet maar wordt integendeel door het geloof, dat hij, zoals in de Brief aan de Romeinen (10, 17) staat, “kent door er te horen over spreken,” verlicht, en daarom is water beter geschikt om te dopen dan vuur. Wordt er nu gezegd dat Christus zal dopen in de H. Geest en in vuur, dan moet dit van de H. Geest die, zoals beschreven staat in de Hand. van de Apost. (2) in vurige tongen over de discipelen verscheen, verstaan worden. Zo legt het overigens de H. Hieronymus uit (in zijn commentaar op Matt.). Verder kan men door het vuur de beproeving verstaan en in die zin begrijpt het St. Johannes Chrysostomus (in zijn commentaar op Matt.), de beproeving reinigt nl. van zonde en doet de begeerlijkheid afnemen. Ofwel kan men het begrijpen zoals de H. Hilarius (in zijn commentaar op Matt.) die zegt dat degene die in de H. Geest gedoopt worden door het vuur van het oordeel zullen verslonden worden.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod vinum et oleum non communiter 193assumuntur ad usum ablutionis, sicut aqua, nec etiam ita perfecte abluunt, quia ex eorum ablutione remanet aliqua infectio quantum ad odorem; quod non contingit de aqua; illa etiam non ita communiter et abundanter habentur, sicut aqua.

2. Wijn en olie worden gewoonlijk niet zooals water gebruikt 193om te wasschen. Ook wasschen die stoffen niet zoo goed als water, na hun gebruik blijft er nl. een zekere geur over. Eindelijk komen ze niet zoo veelvuldig en zoo overvloedig voor als water.2. Wijn en olie worden gewoonlijk niet zoals water gebruikt 193om te wassen. Ook wassen die stoffen niet zo goed als water, na hun gebruik blijft er nl. een zekere geur over. Eindelijk komen ze niet zo veelvuldig en zo overvloedig voor als water.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod ex latere Christi fluxit aqua ad abluendum, sanguis autem ad redimendum; et ideo sanguis competit sacramento Eucharistiae, aqua autem sacramento baptismi, qui tamen habet vim ablutivam ex virtute sanguinis Christi.

3. Uit Christus' zijde vloeide water om te wasschen, bloed om vrij te koopen en daarom is het bloed op de Eucharistie, het water daarentegen op het doopsel dat door de kracht van Christus Bloed vermag te reinigen aangewezen.3. Uit Christus' zijde vloeide water om te wassen, bloed om vrij te kopen en daarom is het bloed op de Eucharistie, het water daarentegen op het doopsel dat door de kracht van Christus Bloed vermag te reinigen aangewezen.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod virtus Christi derivata est ad omnem aquam, non propter continuitatem loci, sed propter similitudinem speciei; unde dicit Augustinus in quodam sermone Epiphaniae [qui est 36. de Temp.] : « Quae de Salvatoris baptismate benedictio fluxit, tanquam fluvius spiritualis omnium gurgitum tractus, universorum fontium venas implevit ».

4. De kracht van Christus werd, niet alsof dit water aan dat van den Jordaan raakte, maar wel omdat het tot eenzelfde soort behoort aan alle water geschonken. Daarover nu zegt St. Augustinus in een sermoen over Driekoningen (36e over het tijdeigen) : « De zegen die van het doopsel van den Verlosser voortkwam heeft als een geestelijke stroom alle beddingen en alle bronaderen vervuld. »4. De kracht van Christus werd, niet alsof dit water aan dat van de Jordaan raakte, maar wel omdat het tot eenzelfde soort behoort aan alle water geschonken. Daarover nu zegt St. Augustinus in een sermoen over Driekoningen (36e over het tijdeigen): “De zegen die van het doopsel van de Verlosser voortkwam heeft als een geestelijke stroom alle beddingen en alle bronaderen vervuld.”

↑ bedenking 5

Ad quintum dicendum, quod illa benedictio, quae adhibetur aquae, non est de necessitate baptismi, sed pertinet ad quandam solemnitatem, per quam excitatur devotio fidelium, et impeditur astutia daemonis, ne impediat baptismi effectum.

5. De zegen die over het water gegeven wordt niet tot de geldigheid van het doopsel vereischt maar behoort tot de plechtigheid van het doopsel en moet dienen om de godsvrucht van de geloovigen aan te wakkeren en de duivelen te beletten door hun sluwheid de uitwerksels van het doopsel te verhinderen.5. De zegen die over het water gegeven wordt niet tot de geldigheid van het doopsel vereist maar behoort tot de plechtigheid van het doopsel en moet dienen om de godsvrucht van de gelovigen aan te wakkeren en de duivelen te beletten door hun sluwheid de uitwerksels van het doopsel te verhinderen.

Articulus IV

Utrum ad baptismum requiratur aqua simplex

[4. Dist. 3. art. 3. q. 2. et lib. 4. Contr. g. cap. 58.]
IVe Artikel

Wordt voor de geldigheid van het doopsel zuiver water vereischt?Wordt voor de geldigheid van het doopsel zuiver water vereist?

antwoord 1 ↓

194Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod ad baptismum non requiratur aqua simplex. Aqua enim, quae apud nos est, non est aqua pura, quod praecipue apparet de aqua maris, in qua plurimum admiscetur de terrestri, ut patet per Philosophum in lib. 2. Meteor. [cap. 3.], et tamen in tali aqua potest fieri baptismus. Ergo non requiritur aqua simplex et pura ad baptismum.

194Bedenkingen. — Men beweert dat voor het doopsel geen zuiver water vereischt wordt. — 1. Het water dat we gewoonlijk gebruiken is vooral wanneer het zeewater geldt dat, zooals de Wijsgeer in zijn Boek over de sterren (2, 3) aantoont, veel zand bedraagt geen zuiver water. Niettemin mag het doopsel met zeewater worden toegediend en zoo wordt dus bij het doopsel geen zuiver en onvermengd water vereischt.194Bedenkingen. — Men beweert dat voor het doopsel geen zuiver water vereist wordt. — 1. Het water dat we gewoonlijk gebruiken is vooral wanneer het zeewater geldt dat, zoals de Wijsgeer in zijn Boek over de sterren (2, 3) aantoont, veel zand bedraagt geen zuiver water. Niettemin mag het doopsel met zeewater worden toegediend en zo wordt dus bij het doopsel geen zuiver en onvermengd water vereist.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, in solemni celebratione baptismi aquae infunditur chrisma. Sed hoc videtur impedire puritatem et simplicitatem aquae. Ergo aqua pura et simplex non requiritur ad baptismum.

2. Bij een plechtig doopsel wordt het chrisma in het water gegoten. Welnu, dit neemt de zuiverheid en de onvermengdheid van het water weg. Zoo wordt dan bij het doopsel geen zuiver en onvermengd water vereischt.2. Bij een plechtig doopsel wordt het chrisma in het water gegoten. Welnu, dit neemt de zuiverheid en de onvermengdheid van het water weg. Zo wordt dan bij het doopsel geen zuiver en onvermengd water vereist.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, aqua fluens de latere Christi pendentis in cruce fuit signum baptismi, ut dictum est [art. praec. ad 3.]. Sed aqua illa non videtur fuisse aqua pura, eo quod in corpore mixto, cujusmodi fuit corpus 195Christi, non sunt elementa in actu. Ergo videtur, quod non requiratur aqua pura vel simplex ad baptismum.

3. Het water dat, wanneer Hij aan het kruis hing uit de zijde van Christus vloeide was, zooals gezegd werd (vorig artikel en 62e Kw., 5e art.) een teeken van het doopsel. Dit water nu was, daar toch in een samengesteld lichaam als het lichaam van 195Christus de grondstoffen niet metterdaad enkelvoudig voorkomen, geen zuiver water. Zoo wordt dus bij het doopsel geen zuiver water vereischt.3. Het water dat, wanneer Hij aan het kruis hing uit de zijde van Christus vloeide was, zoals gezegd werd (vorig artikel en 62e Kw., 5e art.) een teken van het doopsel. Dit water nu was, daar toch in een samengesteld lichaam als het lichaam van 195Christus de grondstoffen niet metterdaad enkelvoudig voorkomen, geen zuiver water. Zo wordt dus bij het doopsel geen zuiver water vereist.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, lixivium non videtur esse aqua pura : habet enim contrarias proprietates aquae, scilicet calefaciendi et desiccandi; et tamen in lixivio videtur posse fieri baptismus, sicut et in aquis balneorum, quae transeunt per venas sulphureas, sicut et lixivium colatur per cineres. Ergo videtur, quod aqua simplex non requiratur ad baptismum.

4. Loogwater is lang geen zuiver water, het heeft immers eigenschappen die met water tegenstrijdig zijn zooals te verwarmen en te drogen. Niettemin mag het doopsel met loogwater, evenals ook met water uit badplaatsen waar solferige bronnen voorkomen worden toegediend; ja zelfs hindert het niet dat loogwater tusschen de asschen doormoet. Zoo wordt dus bij het doopsel geen onvermengd water vereischt.4. Loogwater is lang geen zuiver water, het heeft immers eigenschappen die met water tegenstrijdig zijn zoals te verwarmen en te drogen. Niettemin mag het doopsel met loogwater, evenals ook met water uit badplaatsen waar solferige bronnen voorkomen worden toegediend; ja zelfs hindert het niet dat loogwater tussen de assen doormoet. Zo wordt dus bij het doopsel geen onvermengd water vereist.

antwoord 5 ↓

5. Praeterea, aqua rosacea fit per sublimationem a rosis, sicut etiam aquae alchimicae generantur per sublimationem ab aliquibus corporibus. Sed in his aquis, ut videtur, potest fieri baptismus, sicut et in aquis pluvialibus, quae per sublimationem vaporum generantur. Cum igitur hujusmodi aquae non sint purae et simplices, videtur quod aqua pura et simplex non requiratur ad baptismum.

Rozewater wordt net als alle chemische waters uit verschillende stoffen uit rozen gesublimeerd. Welnu met dergelijk water mag het doopsel worden toegediend; het mag immers toch met regenwater dat alleen een sublimaat van damp is. Daar nu dergelijk water niet zuiver en onvermengd is, zoo is het dus duidelijk dat bij het doopsel geen zuiver en onvermengd water vereischt wordt.Rozewater wordt net als alle chemische waters uit verschillende stoffen uit rozen gesublimeerd. Welnu met dergelijk water mag het doopsel worden toegediend; het mag immers toch met regenwater dat alleen een sublimaat van damp is. Daar nu dergelijk water niet zuiver en onvermengd is, zo is het dus duidelijk dat bij het doopsel geen zuiver en onvermengd water vereist wordt.

Sed contra est, quod propria materia baptismi est aqua, ut dictum est 196[art. praec.]. Sed speciem aquae non habet nisi aqua simplex. Ergo aqua pura et simplex de necessitate requiritur ad baptismum.

Daartegenover staat echter dat, zooals in het vorig artikel gezegd werd water de eigenlijke stof is van het doopsel. Welnu alleen zuiver en onvermengd water heeft de natuur van water. 196Zoo wordt tot de geldigheid van het doopsel dus, zuiver en onvermengd water vereischt.Daartegenover staat echter dat, zoals in het vorig artikel gezegd werd water de eigenlijke stof is van het doopsel. Welnu alleen zuiver en onvermengd water heeft de natuur van water. 196Zo wordt tot de geldigheid van het doopsel dus, zuiver en onvermengd water vereist.

Respondeo dicendum, quod aqua suam puritatem et simplicitatem potest amittere dupliciter : uno modo per mixtionem alterius corporis, alio modo per alterationem. Utrumque autem horum contingit fieri dupliciter, scilicet per artem et per naturam. Ars autem deficit ab operatione naturae, quia natura dat formam substantialem, quod ars facere non potest; sed omnes formae artificiales sunt accidentales, nisi forte apponendo proprium agens ad propriam materiam, sicut ignem combustibili, per quem modum a quibusdam quaedam animalia per putrefactionem generantur. Quaecumque igitur transmutatio circa aquam facta est per artem, sive commiscendo, sive alterando, non transmutatur species aquae; unde in tali aqua potest fieri baptismus, nisi forte aqua admisceatur per artem in tam parva quantitate alicui corpori, quod compositum magis sit aliud quam aqua, sicut lutum 197magis est terra quam aqua, et vinum lymphatum magis est vinum quam aqua. Sed transmutatio, quae fit a natura, quandoque quidem speciem aquae solvit, et hoc fit, quando aqua efficitur per naturam de substantia alicujus corporis mixti, sicut aqua conversa in liquorem uvae est vinum; unde non habet speciem aquae. Aliquando autem fit per naturam transmutatio aquae sine solutione speciei; et hoc tam per alterationem, sicut patet de aqua calefacta a sole, quam etiam per mixtionem, sicut patet de aqua fluminis turbida ex permixtione terrestrium partium. Sic ergo dicendum est, quod in qualibet aqua qualitercumque transmutata, dummodo non solvatur species aquae, potest fieri baptismus; si vero solvatur species aquae, non potest fieri baptismus.

Leerstelling. — Het water kan zijn zuiverheid en onvermengdheid op tweeërlei wijze verliezen. Ten eerste door vermenging met een ander stof, en ten tweede door verandering. Verder kunnen die beiden insgelijks op twee manieren tot stand komen, kunstmatig nl. en natuurlijk. Nu kan de kunst de natuur niet bijhouden, de natuur schenkt immers een zelfstandigen vorm, terwijl de kunst zulks niet vermag. Behalve wanneer men een eigenlijke bewerkende oorzaak met de stof waarop ze is aangewezen, aldus vuur en brandstof samenbrengt, of wanneer een mensch door verrotting allerlei dieren in het leven roept, zijn nl. alle kunstmatige vormen bijkomstigheden. Zoo brengt dus een verandering die, hetzij door vermenging hetzij door een andere bewerking aan water geschiedt, geen wijziging in de natuur van dat water, en daarom mag, uitgenomen wanneer water in zoo bitter kleine hoeveelheid kunstmatig met iets anders vermengd wordt dat het mengsel eerder iets anders is dan wel water, met dergelijk water het doopsel worden toegediend. Slijk is echter eerder aarde dan water, wijn die met water gemengd werd, eerder wijn dan water; wat nu veranderingen die door toedoen van de natuur 197geschieden betreft, zulke verdrijven weleens de eigen natuur van het water, en dit gebeurt, wanneer de natuur in de zelfstandigheid van een samengesteld lichaam water verwerkt; zoo wordt water, dat tot druivensap werd omgezet wijn, en behoudt dus niet langer de eigen natuur van het water. Soms echter geschiedt er een natuurverandering zonder dat daarom de soort veranderd wordt, en dit geschiedt evenzeer door verandering, zoo bijvoorbeeld wanneer water door de zon verwarmd wordt, alswel door vermenging, zoo bij voorbeeld vertroebelt de aanwezigheid van aarde het water van een stroom. We moeten dus besluiten dat alle water, hoe het ook moge veranderd worden, zoolang de natuur van het eigenlijke water behouden blijft, voor het doopsel mag gebruikt worden. Wordt integendeel de natuur van het water prijsgegeven, dan kan er geen doopsel zijn.Leerstelling. — Het water kan zijn zuiverheid en onvermengdheid op tweeërlei wijze verliezen. Ten eerste door vermenging met een ander stof, en ten tweede door verandering. Verder kunnen die beiden insgelijks op twee manieren tot stand komen, kunstmatig nl. en natuurlijk. Nu kan de kunst de natuur niet bijhouden, de natuur schenkt immers een zelfstandigen vorm, terwijl de kunst zulks niet vermag. Behalve wanneer men een eigenlijke bewerkende oorzaak met de stof waarop ze is aangewezen, aldus vuur en brandstof samenbrengt, of wanneer een mens door verrotting allerlei dieren in het leven roept, zijn nl. alle kunstmatige vormen bijkomstigheden. Zo brengt dus een verandering die, hetzij door vermenging hetzij door een andere bewerking aan water geschiedt, geen wijziging in de natuur van dat water, en daarom mag, uitgenomen wanneer water in zo bitter kleine hoeveelheid kunstmatig met iets anders vermengd wordt dat het mengsel eerder iets anders is dan wel water, met dergelijk water het doopsel worden toegediend. Slijk is echter eerder aarde dan water, wijn die met water gemengd werd, eerder wijn dan water; wat nu veranderingen die door toedoen van de natuur 197geschieden betreft, zulke verdrijven weleens de eigen natuur van het water, en dit gebeurt, wanneer de natuur in de zelfstandigheid van een samengesteld lichaam water verwerkt; zo wordt water, dat tot druivensap werd omgezet wijn, en behoudt dus niet langer de eigen natuur van het water. Soms echter geschiedt er een natuurverandering zonder dat daarom de soort veranderd wordt, en dit geschiedt evenzeer door verandering, zo bijvoorbeeld wanneer water door de zon verwarmd wordt, alswel door vermenging, zo bij voorbeeld vertroebelt de aanwezigheid van aarde het water van een stroom. We moeten dus besluiten dat alle water, hoe het ook moge veranderd worden, zolang de natuur van het eigenlijke water behouden blijft, voor het doopsel mag gebruikt worden. Wordt integendeel de natuur van het water prijsgegeven, dan kan er geen doopsel zijn.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod transmutatio facta in aqua maris, et etiam in aliis aquis, quae penes nos sunt, non est tanta, quod solvat speciem aquae, et ideo in hujusmodi aquis potest fieri baptismus.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De veranderingen welke zeewater en ook andere wateren die in onze streken voorkomen, ondergaan zijn niet zoo groot dat ze de natuur van water zouden wegnemen, en daarom mag men met zulk water het doopsel toedienen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De veranderingen welke zeewater en ook andere wateren die in onze streken voorkomen, ondergaan zijn niet zo groot dat ze de natuur van water zouden wegnemen, en daarom mag men met zulk water het doopsel toedienen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod admixtio chrismatis non solvit speciem 198aquae, sicut nec etiam aqua decoctionis carnium, aut aliorum hujusmodi, nisi forte sit facta tanta resolutio corporum lixatorum in aqua, quod liquor plus habeat de aliena substantia, quam de aqua, quod ex spissitudine perfici potest. Si tamen ex liquore sic inspissato exprimatur aqua subtilis, potest in ea fieri baptismus, sicut et in aqua, quae exprimitur ex luto, licet in luto baptismus fieri non possit.

2. De vermenging met chrisma neemt de natuur van water niet 198weg; ja behalve wanneer die afgekookte stoffen zoozeer worden opgelost, dat de vloeistof voortaan meer vreemde stoffen dan wel water bedraagt, — en dit valt aan de vastheid te merken, — schiet water wanneer men er vleesch of iets anders mee kookt er zijn natuur niet bij in. Ook mag, wanneer door die dikke vloeistof water wordt afgescheiden, of nog wanneer uit slijk water gewonnen wordt, met dit water het doopsel worden toegediend; met slijk echter mag men niet doopen.2. De vermenging met chrisma neemt de natuur van water niet 198weg; ja behalve wanneer die afgekookte stoffen zozeer worden opgelost, dat de vloeistof voortaan meer vreemde stoffen dan wel water bedraagt, — en dit valt aan de vastheid te merken, — schiet water wanneer men er vlees of iets anders mee kookt er zijn natuur niet bij in. Ook mag, wanneer door die dikke vloeistof water wordt afgescheiden, of nog wanneer uit slijk water gewonnen wordt, met dit water het doopsel worden toegediend; met slijk echter mag men niet dopen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod aqua fluens de latere Christi pendentis in cruce non fuit humor phlegmaticus, ut quidam dixerunt; in tali enim humore non posset fieri baptismus, sicut nec in sanguine animalis, aut in vino, aut quocumque liquore alicujus plantae. Fuit autem aqua pura, miraculose egrediens a corpore mortuo, sicut et sanguis, ad comprobandam veritatem Dominici corporis, contra Manichaeorum errorem, ut scilicet per aquam, quae est unum quatuor elementorum, ostenderetur corpus Christi vere fuisse compositum ex quatuor elementis, per sanguinem vero ostenderetur esse compositum ex quatuor humoribus.

3. Het water dat wanneer Hij aan het kruis hing, uit Christus zijde vloeide was niet zooals sommigen beweren een limfatische vloeistof, met dergelijk vocht mag immers evenmin als met het bloed van dieren, met wijn of met gelijk welk vocht dat uit planten gevloeid is, het doopsel worden toegediend. Uit het lichaam van Christus vloeide integendeel, om tegen de Manicheërs de werkelijkheid van Christus lichaam te betoogen, op wonderbare wijze echt water met bloed vermengd. Uit dit water, een der vier grondstoffen, moest nl. blijken dat het lichaam van Christus uit de vier grondstoffen, uit het bloed dat het lichaam van Christus, uit de vier lichaamsvochten was samengesteld.3. Het water dat wanneer Hij aan het kruis hing, uit Christus zijde vloeide was niet zoals sommigen beweren een lymfatische vloeistof, met dergelijk vocht mag immers evenmin als met het bloed van dieren, met wijn of met gelijk welk vocht dat uit planten gevloeid is, het doopsel worden toegediend. Uit het lichaam van Christus vloeide integendeel, om tegen de Manicheërs de werkelijkheid van Christus lichaam te betogen, op wonderbare wijze echt water met bloed vermengd. Uit dit water, een van de vier grondstoffen, moest nl. blijken dat het lichaam van Christus uit de vier grondstoffen, uit het bloed dat het lichaam van Christus, uit de vier lichaamsvochten was samengesteld.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod in lixivio, et in aquis sulphureorum 199balneorum potest fieri baptismus, quia tales aquae non incorporantur per artem vel naturam aliquibus corporibus mixtis, sed solum alterationem quandam recipiunt, ex hoc, quod transeunt per aliqua corpora.

4. Met loogwater en met solferwater uit de badplaatsen, mag omdat dergelijke waters noch op natuurlijke, noch op kunstmatige 199wijze met andere stoffen vermengd worden, het doopsel worden toegediend. Alleen ondergaan ze met door die verschillende stoffen heen te vloeien een lichte wijziging.

↑ bedenking 5

Ad quintum dicendum, quod aqua rosacea est liquor rosae resolutus; unde in ea non potest fieri baptismus; et eadem ratione nec in aquis alchimicis, sicut nec in vino; nec est eadem ratio de aquis pluvialibus, quae generantur ex majori parte ex sublimatione vaporum resolutorum ex aquis; minimum autem est ibi de liquoribus corporum mixtorum; qui tamen per hujusmodi sublimationem virtute naturae, quae est fortior arte, resolvuntur in veram aquam, quod ars facere non potest. Unde aqua pluvialis nullam proprietatem retinet alicujus corporis mixti, quod de aquis rosaceis et aquis alchimicis dici non potest.

5. Rozewater is opgelost rozenvocht, en zoo mag daarmee niet gedoopt worden. Hetzelfde bezwaar geldt voor alchemische water en voor wijn, echter niet voor regenwater; dit laatste toch is voor het grootste deel een sublimaat van damp, die op zijn beurt zelf van water voortkomt. Zoo is in regenwater een minimum vermengde vloeistoffen aanwezig, die zij door de natuur die krachtiger ingrijpt dan welke kunstmatige bewerking ook, in echt water werden opgelost. Dit nu kan niet op kunstmatige wijze geschieden en zoo biedt bijgevolg regenwater niet de eigenschappen van samengestelde lichamen. Van rozewater en van alchemische waters integendeel kan zulks niet worden gezegd.5. Rozewater is opgelost rozenvocht, en zo mag daarmee niet gedoopt worden. Hetzelfde bezwaar geldt voor alchemische water en voor wijn, echter niet voor regenwater; dit laatste toch is voor het grootste deel een sublimaat van damp, die op zijn beurt zelf van water voortkomt. Zo is in regenwater een minimum vermengde vloeistoffen aanwezig, die zij door de natuur die krachtiger ingrijpt dan welke kunstmatige bewerking ook, in echt water werden opgelost. Dit nu kan niet op kunstmatige wijze geschieden en zo biedt bijgevolg regenwater niet de eigenschappen van samengestelde lichamen. Van rozewater en van alchemische waters integendeel kan zulks niet worden gezegd.

Articulus V

Utrum haec sit conveniens forma baptismi : Ego te baptizo in nomine Patris, et Filii, et Spiritus Sancti

[Infr. q. 84. art. 3. corp. et 4. Dist. 3. art. 2. q. 1. et 1. Cor. 1. lect. 2,]
Ve Artikel

Zijn de woorden « Ik doop u in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes » voor het doopsel een passende vorm?Zijn de woorden “Ik doop u in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest” voor het doopsel een passende vorm?

antwoord 1 ↓

200Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod haec non sit conveniens forma baptismi : « Ego te baptizo in nomine Patris, et Filii, et Spiritus Sancti ». Actus enim magis debet attribui principali agenti, quam ministro. Sed in sacramento minister agit ut instrumentum, ut supra dictum est [q. 64. art. 1.]; principale autem agens in baptismo est Christus, secundum illud Joan. 1. [v. 33] : « Super quem videris Spiritum descendentem, et manentem, hic est qui baptizat ». Inconvenienter ergo minister dicit : « Ego te baptizo », praesertim quia in hoc quod dicitur « baptizo », intelligitur ego, et sic videtur superflue apponi.

200Bedenkingen. — Men beweert dat de woorden : « Ik doop u in den naam des Vaders, des Zoons en des heiligen Geestes » voor het doopsel geen passende vorm zijn. — 1. Een daad moet eerder aan de bewerkende hoofdoorzaak dan wel aan den bedienaar worden toegeschreven. In de sacramenten nu, werkt de bedienaar, zooals hierboven (64e Kw., 1e Art.) werd aangetoond enkel als een werktuig. Daar nu in het doopsel de bewerkende hoofdoorzaak Christus is, — we lezen toch in het Evangelie van Joan. (1, 33) : « Op wie gij den Geest zult zien nederdalen, en rusten, die is het die in den heiligen Geest doopt. », — zoo past het niet dat de bedienaar zou zeggen : « Ik doop u »; daarbij komt nog dat in het woord : « Baptizo » het woordje « ik » reeds bevat ligt en zoo wordt het hier dus zonder reden bijgevoegd.200Bedenkingen. — Men beweert dat de woorden: “Ik doop u in de naam van de Vader, van de Zoon en van de heilige Geest” voor het doopsel geen passende vorm zijn. — 1. Een daad moet eerder aan de bewerkende hoofdoorzaak dan wel aan de bedienaar worden toegeschreven. In de sacramenten nu, werkt de bedienaar, zoals hierboven (64e Kw., 1e Art.) werd aangetoond enkel als een werktuig. Daar nu in het doopsel de bewerkende hoofdoorzaak Christus is, — we lezen toch in het Evangelie van Joh. (1, 33): “Op wie gij de Geest zult zien nederdalen, en rusten, die is het die in de heilige Geest doopt.”, — zo past het niet dat de bedienaar zou zeggen: “Ik doop u”; daarbij komt nog dat in het woord: “Baptizo” het woordje “ik” reeds bevat ligt en zo wordt het hier dus zonder reden bijgevoegd.

antwoord 2 ↓

2012. Praeterea, non oportet, quod ille qui aliquem actum exercet, de actu exercito faciat mentionem, sicut ille qui docet, non oportet quod dicat: « Ego vos doceo ». Dominus autem simul tradidit praeceptum baptizandi et docendi, dicens Matth. ult. [v. 19]: « Euntes docete omnes gentes », etc. Ergo non oportet, quod in forma baptismi fiat mentio de actu baptismi.

2012. Wanneer men juist met iets bezig is, is het overbodig uitdrukkelijk te zeggen wat men verricht; zoo bv. dient iemand, als hij onderwijst niet te zeggen : « Ik onderwijs u. » De Heer echter heeft op hetzelfde oogenblik het bevel gegeven te doopen en te onderwijzen. Hij zei nl. bij Mt. (28, 19) : « Gaat en onderwijst alle volkeren... enz... » Zoo is het dus overbodig in den vorm van het doopsel van de doophandeling melding te maken.2012. Wanneer men juist met iets bezig is, is het overbodig uitdrukkelijk te zeggen wat men verricht; zo bv. dient iemand, als hij onderwijst niet te zeggen: “Ik onderwijs u.” De Heer echter heeft op hetzelfde ogenblik het bevel gegeven te dopen en te onderwijzen. Hij zei nl. bij Mt. (28, 19): “Gaat en onderwijst alle volkeren... enz...” Zo is het dus overbodig in de vorm van het doopsel van de doophandeling melding te maken.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, ille qui baptizatur, quandoque non intelligit verba, puta si sit surdus, aut puer. Frustra autem ad talem sermo dirigitur, secundum illud Eccli. 32 [v. 6] : « Ubi non est auditus, non effundas sermonem ». Ergo inconvenienter dicitur : « Ego te baptizo », sermone directo ad eum qui baptizatur.

3. Hij die gedoopt wordt verstaat weleens de woorden niet, zoo bv. een doove of een klein kind dat gedoopt wordt. Tot zulke is het dus overbodig te spreken; de Eccl. (32, 6) zegt immers : « Waar men u niet hooren kan, daar moet ge ook niet spreken. » — Zoo is het dan overbodig tot dengene dien men doopt te zeggen : « Ik doop u. »3. Hij die gedoopt wordt verstaat weleens de woorden niet, zo bv. een dove of een klein kind dat gedoopt wordt. Tot zulke is het dus overbodig te spreken; de Eccl. (32, 6) zegt immers: “Waar men u niet horen kan, daar moet ge ook niet spreken.” — Zo is het dan overbodig tot dengene die me doopt te zeggen: “Ik doop u.”

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, contingit simul plures baptizari, et a pluribus, sicut Apostoli baptizaverunt una die tria millia, et alia die quinque millia, ut dicitur Act. 2. et 4. Non ergo debet forma baptismi determinari in singulari numero, ut dicatur : « Ego te baptizo », sed potest dici : « Nos vos baptizamus ».

4. Het kan gebeuren dat vele samen en wel door verschillenden gedoopt worden; zoo gebeurde bv. wanneer de apostelen naar hetgeen in de Hand. der Apost. (2, 41) en 4, 4) geschreven staat op één dag drie duizend menschen doopten en op een anderen dag vijf duizend. Zoo moet de vorm van het doopsel niet tot het enkelvoud beperkt blijven, zoo dat men zou zeggen : « Ik doop u » maar men mag evengoed zeggen : « Wij doopen u ».4. Het kan gebeuren dat vele samen en wel door verschillenden gedoopt worden; zo gebeurde bv. wanneer de apostelen naar hetgeen in de Hand. van de Apost. (2, 41) en 4, 4) geschreven staat op één dag drie duizend mensen doopten en op een anderen dag vijf duizend. Zo moet de vorm van het doopsel niet tot het enkelvoud beperkt blijven, zo dat men zou zeggen: “Ik doop u” maar men mag evengoed zeggen: “Wij dopen u”.

antwoord 5 ↓

5. Praeterea, baptismus virtutem habet a passione Christi. Sed per 202formam baptismus sanctificatur. Ergo videtur quod in forma baptismi debeat fieri mentio de passione Christi.

5. Het doopsel betrekt zijn kracht van het lijden van Christus. 202Welnu, daar het doopsel door den vorm geheiligd wordt, zoo moet in den vorm van het doopsel, van het lijden van Christus melding gemaakt worden.5. Het doopsel betrekt zijn kracht van het lijden van Christus. 202Welnu, daar het doopsel door de vorm geheiligd wordt, zo moet in de vorm van het doopsel, van het lijden van Christus melding gemaakt worden.

antwoord 6 ↓

6. Praeterea, nomen designat proprietatem rei. Sed tres sunt proprietates personales divinarum personarum, ut in 1. dictum est [q. 32. art. 3.]. Non ergo debet dici : « In nomine Patris, et Filii, et Spiritus Sancti », sed « In nominibus ».

6. Een naam geeft de eigenschappen van iets te kennen. Welnu, bij de goddelijke personen zijn er, zooals overigens uit hetgeen we in het Eerste Deel (32e Kw., 3e Art.) zegden blijkt, drie persoonlijke eigenschappen. Zoo moet men dus niet zeggen « in naam » maar wel : « in de namen ».6. Een naam geeft de eigenschappen van iets te kennen. Welnu, bij de goddelijke personen zijn er, zoals overigens uit hetgeen we in het Eerste Deel (32e Kw., 3e Art.) zegden blijkt, drie persoonlijke eigenschappen. Zo moet men dus niet zeggen “in naam” maar wel: “in de namen”.

antwoord 7 ↓

7. Praeterea, persona Patris non solum significatur nomine Patris, sed etiam nomine innascibilis et genitoris; Filius etiam significatur nomine Verbi et imaginis et geniti; Spiritus etiam Sanctus potest significari nomine doni et amoris procedentis1 ergo videtur, quod etiam his nominibus utendo perficiatur baptismus.

7. De persoon van God den Vader wordt niet enkel aangeduid door den naam : « Vader », maar ook door den naam : « Ongeborene » en « Voortbrenger ». De persoon van den Zoon door « Woord », « Beeltenis », en « Voortgebrachte »; de H. Geest eindelijk kan men « Gave » of ook « Voortkomende liefde » noemen. Zoo kan dus ook als men die namen gebruikt het doopsel worden toegediend.7. De persoon van God de Vader wordt niet enkel aangeduid door de naam: “Vader”, maar ook door de naam: “Ongeborene” en “Voortbrenger”. De persoon van de Zoon door “Woord”, “Beeltenis”, en “Voortgebrachte”; de H. Geest eindelijk kan men “Gave” of ook “Voortkomende liefde” noemen. Zo kan dus ook als men die namen gebruikt het doopsel worden toegediend.

Sed contra est, quod Dominus dicit Matth. ult. [v. 19] : « Euntes docete omnes gentes, baptizantes eos in nomine Patris, et Filii, et Spiritus Sancti ».

Daartegenover staat echter wat de Heer gezegd heeft bij Mat. (28, 19) : « Gaat en onderwijst alle volkeren, ze doopende in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. »Daartegenover staat echter wat de Heer gezegd heeft bij Mat. (28, 19): “Gaat en onderwijst alle volkeren, ze dopende in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest.”

203Respondeo dicendum, quod baptismus per suam formam consecratur, secundum illud Ephes. 5. [v. 26] : « Mundans eam lavacro aquae in verbo vitae »; et Augustinus dicit in lib. de Unico Baptismo [lib. 4. de Baptis. contr. Donatis. cap. 15. et lib. 6. cap. 25.], quod « baptismus verbis evangelicis consecratur », et ideo oportet, quod in forma baptismi exprimatur causa baptismi. Est autem ejus duplex causa: una quidem principalis, a qua virtutem habet, quae est sancta Trinitas, alia autem instrumentalis, scilicet minister, qui tradit exterius sacramentum. Et ideo oportet in forma baptismi de utraque fieri mentionem. Minister autem tangitur, cum dicitur : « Ego te baptizo »; causa autem principalis, cum dicitur : « In nomine Patris, et Filii, et Spiritus Sancti ».

203Leerstelling. — In den Brief aan de Ephesiërs (5, 26) staat geschreven dat het doopsel door zijn vorm « met n.l. de kerk met behulp van een bad van water in het woord des levens te reinigen » geheiligd wordt. En de heilige Augustinus, zegt in zijn Boek « Over het Doopsel tegen de Donatisten » (4, 5 en 6, 25) dat : « Het doopsel door de evangelische woorden geheiligd wordt. » Daarom is het noodig dat de oorzaak van het doopsel in den vorm zou aangeduid worden. Het doopsel nu heeft een dubbele oorzaak, een hoofdoorzaak waarvan het zijn kracht betrekt, de heilige Drievuldigheid nl., en een werktuigelijke oorzaak, den bedienaar nl. die uiterlijk het sacrament toedient. Zoo moet dan ook in den vorm van het doopsel van beiden gesproken worden; de bedienaar wordt nl. aangeduid, wanneer men zegt : « Ik doop », de hoofdoorzaak wanneer men zegt « in den naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes ». En zoo is dus de behoorlijke vorm van het doopsel : « Ik doop u in den naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes ».203Leerstelling. — In de Brief aan de Efesiërs (5, 26) staat geschreven dat het doopsel door zijn vorm “met n.l. de kerk met behulp van een bad van water in het woord van het leven te reinigen” geheiligd wordt. En de heilige Augustinus, zegt in zijn Boek “Over het Doopsel tegen de Donatisten” (4, 5 en 6, 25) dat: “Het doopsel door de evangelische woorden geheiligd wordt.” Daarom is het nodig dat de oorzaak van het doopsel in de vorm zou aangeduid worden. Het doopsel nu heeft een dubbele oorzaak, een hoofdoorzaak waarvan het zijn kracht betrekt, de heilige Drievuldigheid nl., en een werktuigelijke oorzaak, de bedienaar nl. die uiterlijk het sacrament toedient. Zo moet dan ook in de vorm van het doopsel van beiden gesproken worden; de bedienaar wordt nl. aangeduid, wanneer men zegt: “Ik doop”, de hoofdoorzaak wanneer men zegt “in de naam van de Vader en van de Zoon en van de heilige Geest”. En zo is dus de behoorlijke vorm van het doopsel: “Ik doop u in de naam van de Vader en van de Zoon en van de heilige Geest”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod actio attribuitur instrumento, sicut immediate agenti; attribuitur autem hujusmodi actio principali agenti, sicut in cujus virtute instrumentum agit. Et ideo in forma baptismi convenienter 204significatur minister, ut exercens actum baptismi, per hoc quod dicitur : « Ego te baptizo », sicut et ipse Dominus baptizandi actum attribuit ministris, dicens : Baptizantes eos, etc. Causa autem principalis significatur, ut in cujus virtute sacramentum agitur, per hoc quod dicitur : « In nomine Patris, et Filii, et Spiritus Sancti »; non enim Christus baptizat sine Patre et Spiritu Sancto. Graeci autem non attribuunt actum baptismi ministris, ad evitandum antiquorum errorem, qui virtutem baptismi baptizantibus attribuebant, dicentes [1. Cor. 1, v. 12] : « Ego sum Pauli, et ego Cephae », et ideo dicunt : « Baptizetur servus Christi, talis, in nomine Patris, etc. ». Et quia exprimitur actus exercitus per ministrum cum invocatione Trinitatis, verum perficitur sacramentum. Quod autem additur : Ego, in forma nostra non est de substantia formae, sed ponitur ad majorem expressionem intentionis.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De handeling wordt aan het werktuig als aan de onmiddellijk bewerkende oorzaak, aan de bewerkende hoofdoorzaak als aan hem, met wiens kracht het werktuig handelt toegeschreven. Zoo wordt dan de bedienaar die 204de daad te doopen stelt, door de woorden « Ik doop u » naar behooren aangeduid; zoo toch heeft de Heer zelf, zeggende « ze doopende enz. » den bedienaar gemachtigd om te doopen. De hoofdoorzaak integendeel wordt met de woorden « in den naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes » aangeduid als zij uit wier naam het sacrament nawerkt; Christus doopt immers zonder den Vader noch zonder den heiligen Geest. De Grieken echter kennen de daad te doopen niet aan de bedienaars toe, dit om die dwaling van de ouden, die de kracht van het doopsel aan degenen die doopten toeschreven en zeiden : « Ik ben van Paulus en ik ben van Cephas » te keer te gaan. Daarom zeggen ze dan : « dat deze dienaar van Christus gedoopt worde in den naam des Vaders enz. » en omdat hier het werk van den bedienaar onder aanroeping van de heilige Drievuldigheid uitdrukkelijk wordt aangeduid, daarom wordt aldus het doopsel waarachtig toegediend. Dat nu in onzen vorm het woordje « Ik » wordt ingelascht betreft niet de zelfstandigheid van den vorm, maar dit wordt alleen gedaan om het opzet meer klem bij te zetten.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De handeling wordt aan het werktuig als aan de onmiddellijk bewerkende oorzaak, aan de bewerkende hoofdoorzaak als aan hem, met wiens kracht het werktuig handelt toegeschreven. Zo wordt dan de bedienaar die 204de daad te dopen stelt, door de woorden “Ik doop u” naar behoren aangeduid; zo toch heeft de Heer zelf, zeggende “ze dopende enz.” de bedienaar gemachtigd om te dopen. De hoofdoorzaak integendeel wordt met de woorden “in de naam van de Vader en van de Zoon en van de heilige Geest” aangeduid als zij uit wier naam het sacrament nawerkt; Christus doopt immers zonder de Vader noch zonder de heilige Geest. De Grieken echter kennen de daad te dopen niet aan de bedienaars toe, dit om die dwaling van de ouden, die de kracht van het doopsel aan degenen die doopten toeschreven en zeiden: “Ik ben van Paulus en ik ben van Kefas” te keer te gaan. Daarom zeggen ze dan: “dat deze dienaar van Christus gedoopt worde in de naam van de Vader enz.” en omdat hier het werk van de bedienaar onder aanroeping van de heilige Drievuldigheid uitdrukkelijk wordt aangeduid, daarom wordt aldus het doopsel waarachtig toegediend. Dat nu in onze vorm het woordje “Ik” wordt ingelast betreft niet de zelfstandigheid van de vorm, maar dit wordt alleen gedaan om het opzet meer klem bij te zetten.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod quia ablutio hominis in aqua propter multa fieri potest, oportet quod determinetur in verbis formae, ad quid fiat; 205quod quidem non fit per hoc quod dicitur : « In nomine Patris, et Filii, et Spiritus Sancti », quia omnia in tali nomine facere debemus, ut habetur Coloss. 3. [v. 17]. Et ideo si non exprimatur actus baptismi vel per modum nostrum, vel per modum Graecorum, non perficitur sacramentum, secundum illam Decretalem Alexandri III. [cap. : Si quis, de Baptismo et ejus effect.] : « Si quis puerum ter in aqua immerserit in nomine Patris, et Filii, et Spiritus Sancti, amen, et non dixerit : Ego te baptizo in nomine Patris, et Filii, et Spiritus Sancti, amen, non est puer baptizatus ».

2. Omdat een wassching met water tot allerlei doeleinden kan geschieden, daarom is het noodig in de woorden van den vorm te bepalen waartoe ze wordt aangewend. Dit gebeurt echter niet 205wanneer men zegt « In den naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes », want in dien naam moeten we feitelijk alles doen; zoo staat er toch geschreven in den Brief aan de Colossenzen (3, 17). Daarom ook wordt, wanneer de daad te doopen niet, hetzij zooals bij de latijnen, hetzij zooals bij de grieken wordt uitgedrukt, het doopsel ongeldig toegediend. Paus Alexander de derde zegt immers (Van het doopsel en zijn uitwerksels, Decretaal « Si Quis ») : « Indien men het kind driemaal in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes Amen, in het water dompelt, en niet zegt doopend ik doop u in den naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes Amen, dan is het kind niet gedoopt. »2. Omdat een wassing met water tot allerlei doeleinden kan geschieden, daarom is het nodig in de woorden van de vorm te bepalen waartoe ze wordt aangewend. Dit gebeurt echter niet 205wanneer men zegt “In de naam van de Vader en van de Zoon en van de heilige Geest”, want in die naam moeten we feitelijk alles doen; zo staat er toch geschreven in de Brief aan de Colossenzen (3, 17). Daarom ook wordt, wanneer de daad te dopen niet, hetzij zoals bij de Latijnen, hetzij zoals bij de grieken wordt uitgedrukt, het doopsel ongeldig toegediend. Paus Alexander de derde zegt immers (Van het doopsel en zijn uitwerksels, Decretaal “Si Quis”): “Indien men het kind driemaal in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest Amen, in het water dompelt, en niet zegt dopend ik doop u in de naam van de Vader en van de Zoon en van de heilige Geest Amen, dan is het kind niet gedoopt.”

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod verba, quae proferuntur in formis sacramentorum, non pronuntiantur solum causa significandi, sed etiam causa efficiendi, inquantum habent efficaciam ab illo Verbo, per quod facta sunt omnia; et ideo convenienter diriguntur non solum ad homines non intelligentes, sed etiam ad creaturas insensibiles, ut cum dicitur : « Exorcizo te creatura salis ».

3. De woorden die in den vorm van de sacramenten worden uitgesproken, worden dit niet alleen om iets te kennen te geven, maar ook om, in zoover ze hun kracht van het « Woord » waardoor alles gemaakt werd betrekken, iets te weeg brengen. Daarom is het zelfs passend, niet alleen tot menschen die ze niet begrijpen, maar ook tot levenlooze wezens te richten, zoo bv. wanneer gezegd wordt : « Ik bezweer u, zout dat geschapen zijt. »3. De woorden die in de vorm van de sacramenten worden uitgesproken, worden dit niet alleen om iets te kennen te geven, maar ook om, in zover ze hun kracht van het “Woord” waardoor alles gemaakt werd betrekken, iets te weeg brengen. Daarom is het zelfs passend, niet alleen tot mensen die ze niet begrijpen, maar ook tot levenloze wezens te richten, zo bv. wanneer gezegd wordt: “Ik bezweer u, zout dat geschapen zijt.”

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod plures simul non possunt unum 206baptizare, quia actus multiplicatur secundum multiplicationem agentium, si perfecte ab unoquoque agatur; et sic si convenirent duo, quorum unus esset mutus, qui non posset proferre verba, et alius carens manibus, qui non posset exercere actum, non possunt ambo simul baptizare, uno dicente verba, et alio exercente actum. Possunt autem, si necessitas exigit, plures simul baptizari, quia nullus eorum reciperet nisi unum baptismum, sed tunc oportebit dicere : « Ego baptizo vos »; nec erit mutatio formae, quia vos nihil aliud est, quam te et te; quod autem dicitur nos, non est idem dicere, quod ego, et ego, sed ego et tu, et sic jam mutaretur forma. Similiter autem mutaretur, si diceretur : « Ego baptizo me », et ideo nullus potest baptizare seipsum. Propter quod et Christus a Joanne voluit baptizari, ut dicitur extra De Baptismo et ejus effectu [cap. Debitum].

4. Het gaat niet aan dat velen samen één mensch zouden doopen; de menschelijke daden worden immers als elk alles naar 206behooren doet overeenkomstig het aantal menschen die handelend optreden vermenigvuldigd, ook zouden indien twee menschen samen kwamen, en de eerste stom was, en de woorden niet kon uitspreken, terwijl de andere geen handen had, en de doopdaad niet kon stellen, dan zouden, indien de eene de woorden uitsprak en de andere doopte, beiden samen, niet het doopsel toedienen. Daarentegen kunnen wanneer er nood is velen samen gedoopt worden, elk van hen ontvangt immers maar één enkel doopsel. In dat geval moet echter gezegd worden : « Ik doop Ulieden. » — dat brengt overigens geen wijziging in den vorm mee, het woordje « Ulieden » beteekent immers niets anders dan U en U. Wat nu het woordje wij betreft, dat is niet hetzelfde als ik en ik, maar het beteekent ik en gij, en zoo is er hier wel vormverandering. Zoo ook als men zegt : « Ik doop mij ». Niemand mag dus zich zelf doopen, en daarom wilde, zooals in Innocentius de derde in de Decretaliën getuigt, Christus door Joannes gedoopt worden.4. Het gaat niet aan dat velen samen één mens zouden dopen; de menselijke daden worden immers als elk alles naar 206behoren doet overeenkomstig het aantal mensen die handelend optreden vermenigvuldigd, ook zouden indien twee mensen samen kwamen, en de eerste stom was, en de woorden niet kon uitspreken, terwijl de andere geen handen had, en de doopdaad niet kon stellen, dan zouden, indien de ene de woorden uitsprak en de andere doopte, beiden samen, niet het doopsel toedienen. Daarentegen kunnen wanneer er nood is velen samen gedoopt worden, elk van hen ontvangt immers maar één enkel doopsel. In dat geval moet echter gezegd worden: “Ik doop Ulieden.” — dat brengt overigens geen wijziging in de vorm mee, het woordje “Ulieden” betekent immers niets anders dan U en U. Wat nu het woordje wij betreft, dat is niet hetzelfde als ik en ik, maar het betekent ik en gij, en zo is er hier wel vormverandering. Zo ook als men zegt: “Ik doop mij”. Niemand mag dus zichzelf dopen, en daarom wilde, zoals in Innocentius de derde in de Decretaliën getuigt, Christus door Johannes gedoopt worden.

↑ bedenking 5

Ad quintum dicendum, quod passio Christi, etsi sit principalis causa respectu ministri, est tamen causa instrumentalis respectu sanctae Trinitatis, et ideo potius commemoratur Trinitas, quam passio Christi.

5. Al is het lijden van Christus ten opzichte van den bedienaar hoofdoorzaak, in de verhouding tot de heilige Drievuldigheid is het enkel werktuig, en daarom is het meer geraden aan de heilige Drievuldigheid, dan wel aan het lijden van Christus te herinneren.5. Al is het lijden van Christus ten opzichte van de bedienaar hoofdoorzaak, in de verhouding tot de heilige Drievuldigheid is het enkel werktuig, en daarom is het meer geraden aan de heilige Drievuldigheid, dan wel aan het lijden van Christus te herinneren.

↑ bedenking 6

Ad sextum dicendum, quod etsi sint tria nomina personalia trium 207personarum, est tamen nomen unum essentiale. Virtus autem divina, quae operatur in baptismo, ad essentiam pertinet, et ideo dicitur « in nomine », et non « in nominibus ».

6. Alhoewel de drie personen elk een verschillende 207persoonsnaam hebben, toch hebben ze maar één wezensnaam. Welnu, de goddelijke kracht die in het doopsel werkzaam is, gaat op de wezenheid terug, en daarom zegt men « in den naam » en niet « in de namen ».6. Alhoewel de drie personen elk een verschillende 207persoonsnaam hebben, toch hebben ze maar één wezensnaam. Welnu, de goddelijke kracht die in het doopsel werkzaam is, gaat op de wezenheid terug, en daarom zegt men “in de naam” en niet “in de namen”.

↑ bedenking 7

Ad septimum dicendum, quod sicut aqua sumitur ad baptismum, quia ejus usus est communior ad abluendum, ita ad significandum tres personas in forma baptismi assumuntur illa nomina, quibus communius consueverunt nominari personae in illa lingua; nec in aliis nominibus perficitur sacramentum.

7. Zooals men, omdat dit gewoonlijk gebruikt wordt, om te wasschen, bij het doopsel water gebruikt, zoo ook gebruikt men in den vorm van het doopsel om de drie personen te kennen te geven de namen waarmee in een bepaalde taal doorgaans die personen worden aangeduid, en met andere namen wordt het sacrament ongeldig toegediend.7. Zoals men, omdat dit gewoonlijk gebruikt wordt, om te wassen, bij het doopsel water gebruikt, zo ook gebruikt men in de vorm van het doopsel om de drie personen te kennen te geven de namen waarmee in een bepaalde taal doorgaans die personen worden aangeduid, en met andere namen wordt het sacrament ongeldig toegediend.

Articulus VI

Utrum in nomine Christi possit dari Baptismus

[4. Dist. 4. art. 3. q. 2. ad 3. et 1. Cor. 1. lect. 2.]
VIe Artikel

Mag het doopsel in den naam van Christus worden toegediend?Mag het doopsel in de naam van Christus worden toegediend?

antwoord 1 ↓

Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod in nomine Christi possit dari Baptismus. Sicut enim una est fides, ita est unum baptisma, ut dicitur Ephes. 4. [v. 5]. Sed Act. 8 [v. 12] dicitur, quod « in nomine Christi 208baptizabantur viri et mulieres ». Ergo etiam nunc potest dari baptismus in nomine Christi.

Bedenkingen. — Men beweert dat het doopsel in den naam van Christus mag worden toegediend. — 1. Zooals er maar één geloof is, zoo is er ook, naar hetgeen in den Brief aan de Ephesiërs (4, 5) gezegd wordt, maar een doopsel. Welnu in de Handelingen der Apostelen (8, 12) staat er geschreven, dat « mannen 208en vrouwen gedoopt werden in den naam van Christus. » Zoo mag men dus ook nog op onze dagen in den naam van Christus het doopsel toedienen.Bedenkingen. — Men beweert dat het doopsel in de naam van Christus mag worden toegediend. — 1. Zoals er maar één geloof is, zo is er ook, naar hetgeen in de Brief aan de Efesiërs (4, 5) gezegd wordt, maar een doopsel. Welnu in de Handelingen van de Apostelen (8, 12) staat er geschreven, dat “mannen 208en vrouwen gedoopt werden in de naam van Christus.” Zo mag men dus ook nog op onze dagen in de naam van Christus het doopsel toedienen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Ambrosius dicit [lib. 1. de Spir. Sanct., c. 3, N. 44] : « Si Christum dicas, et Patrem, a quo unctus est, et ipsum, qui unctus est, Filium, et Spiritum Sanctum, quo unctus est, designasti ». Sed in nomine Trinitatis potest fieri baptismus. Ergo et in nomine Christi.

2. In zijn Boek « Over den Heiligen Geest » (13) zegt St. Ambrosius het volgende : « Zoodra ge Christus vernoemt maakt ge van den Vader die Christus zalfde, van den Zoon die gezalfd werd, en van den heiligen Geest, door wie Christus gezalfd werd melding. » — Welnu, het doopsel mag in den naam der heilige Drievuldigheid worden toegediend. Dus ook in den naam van Christus.2. In zijn Boek “Over de Heilige Geest” (13) zegt St. Ambrosius het volgende: “Zodra ge Christus vernoemt maakt ge van de Vader die Christus zalfde, van de Zoon die gezalfd werd, en van de heilige Geest, door wie Christus gezalfd werd melding.” — Welnu, het doopsel mag in de naam van de heilige Drievuldigheid worden toegediend. Dus ook in de naam van Christus.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Nicolaus I Papa ad consulta Bulgarorum respondens dicit [Conc. A quodam, de Consecrat., Dist. 4.] : « Qui in nomine sanctae Trinitatis, vel tantum in nomine Christi, sicut in Actibus Apostolorum; legitur, baptizati sunt (unum quippe idemque est, ut sanctus ait Ambrosius), rebaptizari non debent ». Rebaptizarentur autem, si in hac forma baptizati sacramentum baptismi non reciperent. Ergo potest conferri baptismus in nomine Christi sub hac forma : « Ego te baptizo in nomine Christi ».

3. Paus Nikolaas de eerste, antwoordde in de Decretaliën (CIVe Antwoord, 4e dist. de consecr. cap. A. quodam) op een vraag van de Bulgaren het volgende : « Degenen die zooals we in de Handelingen der Apostelen lezen in naam der Heilige Drievuldigheid of enkel in naam van Christus gedoopt zijn, — dat komt immers na de H. Ambrosius zegt, overeen uit, — moeten niet herdoopt worden. » — Welnu, indien die doopvorm het doopsel ongeldig maakte, dan zouden we moeten herdoopt worden. Zoo mag het doopsel dus met dezen vorm « Ik doop u in den naam van Christus » in den naam van Christus worden toegediend.3. Paus Nikolaas de eerste, antwoordde in de Decretaliën (104e Antwoord, 4e dist. de consecr. cap. A. quodam) op een vraag van de Bulgaren het volgende: “Degenen die zoals we in de Handelingen van de Apostelen lezen in naam van de Heilige Drievuldigheid of enkel in naam van Christus gedoopt zijn, — dat komt immers na de H. Ambrosius zegt, overeen uit, — moeten niet herdoopt worden.” — Welnu, indien die doopvorm het doopsel ongeldig maakte, dan zouden we moeten herdoopt worden. Zo mag het doopsel dus met deze vorm “Ik doop u in de naam van Christus” in de naam van Christus worden toegediend.

209Sed contra est, quod Pelagius Papa II, scribit Gaudentio episcopo [Can. : Si revera, de Consecr., Dist. 4.] : « Si hi qui in locis dilectionis tuae vicinis commorari dicuntur, se solummodo in nomine Domini baptizatos fuisse confitentur, sine cujuscumque dubitationis ambiguo, eos ad fidem catholicam venientes in sanctae Trinitatis nomine baptizabis ». Didymus etiam dicit in lib. 2. de Spiritu Sancto [inter op. Hieron.] : « Licet quis possit existere saxei, ut ita dicam, cordis, et penitus mentis alienae, qui ita baptizare conetur, ut unum de praeceptis nominibus (scilicet trium personarum) praetermittat, tamen sine perfectione baptizabit ».

209Daartegenover staat echter wat Paus Pelagius in de Decretaliën (4e Dist. De consecr. Cap. Si revera.) aan Bisschop Gaudentius schreef : « Indien degenen die op plaatsen wonen die u nauw aan het hart liggen getuigen dat ze enkel in den naam des Heeren gedoopt werden, dan meen ik dat ze zonder den minsten twijfel, wanneer ze tot het katholiek geloof terug komen, moeten in naam der heilige Drievuldigheid herdoopt worden. » Didymus zegt overigens in zijn Boek over den H. Geest (2e Boek) : « Indien iemand zoo verhard en zoo verblind was, bij het doopsel een van de drie namen der heilige Drievuldigheid over te slaan, dan ware dit doopsel ongeldig. »209Daartegenover staat echter wat Paus Pelagius in de Decretaliën (4e Dist. De consecr. Cap. Si revera.) aan Bisschop Gaudentius schreef: “Indien degenen die op plaatsen wonen die u nauw aan het hart liggen getuigen dat ze enkel in de naam van de Heer gedoopt werden, dan meen ik dat ze zonder de minste twijfel, wanneer ze tot het katholiek geloof terug komen, moeten in naam van de heilige Drievuldigheid herdoopt worden.” Didymus zegt overigens in zijn Boek over de H. Geest (2e Boek): “Indien iemand zo verhard en zo verblind was, bij het doopsel een van de drie namen van de heilige Drievuldigheid over te slaan, dan ware dit doopsel ongeldig.”

Respondeo dicendum, quod sicut supra dictum est [art. 2. huj. q.], sacramenta habent efficaciam ab institutione Christi, et ideo si praetermittatur aliquid eorum, quae Christus instituit circa aliquod sacramentum, efficacia caret, nisi ex speciali dispensatione ejus, qui virtutem suam sacramentis non alligavit. Christus autem instituit sacramentum baptismi dari cum invocatione Trinitatis, et ideo quidquid desit ad plenam invocationem Trinitatis, 210tollit integritatem baptismi. Nec obstat, quod in nomine unius personae intelligitur alia (sicut in nomine Patris intelligitur Filius), aut quod ille qui nominat unam solam personam, potest habere rectam fidem de tribus, quia sicut ad sacramentum requiritur materia sensibilis, ita et forma sensibilis. Unde non sufficit intellectus vel fides Trinitatis ad perfectionem sacramenti, nisi sensibilibus verbis Trinitas exprimatur. Unde et in baptismo Christi, ubi fuit origo sanctificationis nostri baptismi, affuit Trinitas in sensibilibus signis, scilicet Pater in voce, Filius in humana natura, Spiritus Sanctus in columba.

Leerstelling. — Zooals we in het tweede artikel dezer Kw. zeiden, betrekken de sacramenten hun kracht van hun instelling door Christus. Wordt dus iets van wat Christus omtrent de sacramenten bepaalde overgeslagen, dan hebben deze, behalve wanneer hij zelf die zijn macht niet aan bewuste sacramenten aanbond ontslaging geeft, geen kracht. Welnu, Christus heeft bevolen het doopsel onder aanroeping van de heilige Drievuldigheid toe te dienen, en bijgevolg neemt alles wat de aanroeping van de heilige Drievuldigheid onvolledig maakt, de geldigheid van het doopsel 210weg. Dat nu zooals de naam van den Vader den naam van den Zoon, de naam van één persoon, de naam van de andere personen, veronderstelt, doet niets ter zake; dat hij die maar één persoon vermeldt best kan omtrent alle drie een rechtzinnig geloof hebben, evenmin. Zooals immers voor een sacrament een zintuigelijk waarneembare stof vereischt wordt, zoo ook is er een zintuigelijke waarneembare vorm noodig. Zoo kan dan, behalve wanneer de heilige Drievuldigheid met zintuigelijk waarneembare woorden vernoemd wordt, kennis van noch geloof aan de heilige Drievuldigheid, voor de kennis van het sacrament volstaan. Daarom was ook bij het doopsel van Christus, waar ons doopsel geheiligd werd, de heilige Drievuldigheid in zintuigelijk waarneembare teekenen, de Vader nl. in de stem die sprak, de Zoon in de menschelijke natuur, en de heilige Geest in een duif aanwezig.Leerstelling. — Zoals we in het tweede artikel van deze Kw. zeiden, betrekken de sacramenten hun kracht van hun instelling door Christus. Wordt dus iets van wat Christus omtrent de sacramenten bepaalde overgeslagen, dan hebben deze, behalve wanneer hij zelf die zijn macht niet aan bewuste sacramenten aanbond ontslaging geeft, geen kracht. Welnu, Christus heeft bevolen het doopsel onder aanroeping van de heilige Drievuldigheid toe te dienen, en bijgevolg neemt alles wat de aanroeping van de heilige Drievuldigheid onvolledig maakt, de geldigheid van het doopsel 210weg. Dat nu zoals de naam van de Vader de naam van de Zoon, de naam van één persoon, de naam van de andere personen, veronderstelt, doet niets ter zake; dat hij die maar één persoon vermeldt best kan omtrent alle drie een rechtzinnig geloof hebben, evenmin. Zoals immers voor een sacrament een zintuigelijk waarneembare stof vereist wordt, zo ook is er een zintuigelijke waarneembare vorm nodig. Zo kan dan, behalve wanneer de heilige Drievuldigheid met zintuigelijk waarneembare woorden vernoemd wordt, kennis van noch geloof aan de heilige Drievuldigheid, voor de kennis van het sacrament volstaan. Daarom was ook bij het doopsel van Christus, waar ons doopsel geheiligd werd, de heilige Drievuldigheid in zintuigelijk waarneembare tekenen, de Vader nl. in de stem die sprak, de Zoon in de menselijke natuur, en de heilige Geest in een duif aanwezig.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod ex speciali Christi revelatione Apostoli in primitiva Ecclesia in nomine Christi baptizabant, ut nomen Christi, quod erat odiosum Judaeis et Gentilibus, honorabile redderetur per hoc, quod ad ejus invocationem Spiritus Sanctus dabatur in baptismo.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Op grond van een bizondere openbaring van Christus, doopten in de primitieve Kerk de apostelen in naam van Christus. Aldus moest nl. de naam van Christus, die door Joden en Heidenen gehaat werd, nu bij het doopsel de heilige Geest onder aanroeping van dien naam gegeven werd, eerbiedwaardig worden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Op grond van een bizondere openbaring van Christus, doopten in de primitieve Kerk de apostelen in naam van Christus. Aldus moest nl. de naam van Christus, die door Joden en Heidenen gehaat werd, nu bij het doopsel de heilige Geest onder aanroeping van die naam gegeven werd, eerbiedwaardig worden.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod Ambrosius assignat rationem, quare 211convenienter talis dispensatio fieri potuit in primitiva Ecclesia, quia scilicet in nomine Christi tota Trinitas intelligitur; et ideo servabatur ad minus integritate intelligibili forma, quam Christus tradidit in Evangelio.

2. De heilige Ambrosius geeft de reden aan, waarom het bij 211den aanvang van de kerk paste, een dergelijke ontslaging te verleenen: de heele heilige Drievuldigheid, was nl. in den naam van Christus begrepen. Zoo bewaarde men dus den vorm dien Christus in het Evangelie had achtergelaten, op zijn minst met een begrijpelijke volkomenheid.2. De heilige Ambrosius geeft de reden aan, waarom het bij 211de aanvang van de kerk paste, een dergelijke ontslaging te verlenen: de hele heilige Drievuldigheid, was nl. in de naam van Christus begrepen. Zo bewaarde men dus de vorm die Christus in het Evangelie had achtergelaten, op zijn minst met een begrijpelijke volkomenheid.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod Nicolaus Papa dictum suum confirmat ex duobus praemissis, et ideo ejus responsio patet ex primis duabus solutionibus.

3. Paus Nicolaas de 1e, steunt bij zijn bevestiging op de twee hiereven aangegeven gronden en bijgevolg ligt hier de oplossing in de twee vorige antwoorden besloten.3. Paus Nicolaas de eerste, steunt bij zijn bevestiging op de twee hiereven aangegeven gronden en bijgevolg ligt hier de oplossing in de twee vorige antwoorden besloten.

Articulus VII

Utrum immersio in aqua sit de necessitate baptismi

[4. Dist. 3. art. 4. q. 1.]
VIIe Artikel

Wordt de dompeling in het water voor de geldigheid van het doopsel vereischt?Wordt de dompeling in het water voor de geldigheid van het doopsel vereist?

antwoord 1 ↓

211Ad septimum sic proceditur. Videtur, quod immersio in aqua sit de necessitate baptismi. Ut enim dicitur Ephes. 4. [v. 5] : « Una fides, unum baptisma. » Sed apud multos communis modus baptizandi est per immersionem. Ergo videtur, quod non possit esse baptismus sine immersione.

211Bedenkingen. — Men beweert dat de water indompeling voor de geldigheid van het doopsel een vereischte is. — 1. In den Brief aan de Ephesiërs, (4, 5) staat er geschreven : « Daar is maar één geloof en één doopsel. » Welnu, bij velen is de gewone manier van doopen de indompeling, en zoo kan dus zonder indompeling het doopsel niet geldig worden toegediend.211Bedenkingen. — Men beweert dat de water indompeling voor de geldigheid van het doopsel een vereiste is. — 1. In de Brief aan de Efesiërs, (4, 5) staat er geschreven: “Daar is maar één geloof en één doopsel.” Welnu, bij velen is de gewone manier van dopen de indompeling, en zo kan dus zonder indompeling het doopsel niet geldig worden toegediend.

antwoord 2 ↓

2122. Praeterea, Apostolus dicit Rom. 6 [v. 3-4] : « Quicumque baptizati sumus in Christo Jesu, in morte ipsius baptizati sumus; consepulti enim sumus cum illo per baptismum in morte ». Sed hoc fit per immersionem; dicit enim Chrysostomus super illud Joan. 3 [v. 5] : « Nisi quis renatus fuerit in aqua ex Spiritu Sancto », etc. [hom. 24, al. 25 in Joan.] : « Sicut in quodam sepulchro, in aqua submergentibus nobis capita, vetus homo sepelitur; et submersus deorsum occultatur; deinde novus rursus ascendit ». Ergo videtur, quod immersio sit de necessitate baptismi.

2122. De Apostel zegt in den Brief aan de Romeinen (6, 3) : « Of weet gij niet dat we allen die in Christus-Jezus gedoopt zijn, in zijnen dood gedoopt zijn? Begraven zijn we dan met Hem door het doopsel in den dood. » Welnu, dit geschiedt door indompeling; op de woorden van Joannes : « Indien iemand niet uit het water en den heiligen Geest wordt wedergeboren enz... » zegt immers de heilige Joannes Chrysostomus (Homil. 34) : « De oude mensch wordt in het water dat zijn hoofd bedekt als in een graf begraven, en ondergedompeld blijft hij verborgen, tot hij als nieuw mensch weer naar boven komt. » Zoo wordt dus voor het doopsel de indompeling vereischt.2122. De Apostel zegt in de Brief aan de Romeinen (6, 3): “Of weet gij niet dat we allen die in Christus-Jezus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn? Begraven zijn we dan met Hem door het doopsel in de dood.” Welnu, dit geschiedt door indompeling; op de woorden van Johannes: “Indien iemand niet uit het water en de heilige Geest wordt wedergeboren enz...” zegt immers de heilige Johannes Chrysostomus (Homil. 34): “De oude mens wordt in het water dat zijn hoofd bedekt als in een graf begraven, en ondergedompeld blijft hij verborgen, tot hij als nieuw mens weer naar boven komt.” Zo wordt dus voor het doopsel de indompeling vereist.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, si sine immersione totius corporis posset fieri baptismus, sequeretur quod pari ratione sufficeret quamlibet partem aqua perfundi. Sed hoc videtur inconveniens, quia originale peccatum, contra quod praecipue datur baptismus, non est in una tantum corporis parte. Ergo videtur, quod requiratur immersio ad baptismum, et non sufficiat sola aspersio.

3. Indien zonder indompeling van het heele lichaam het doopsel mogelijk was, dan zou het om die reden ook volstaan, om het even welk lichaamsdeel met water te begieten. Welnu, dit is onmogelijk; de erfzonde toch waartegen het doopsel vooral werd ingesteld hoort in het heele lichaam thuis. Zoo wordt dan bij het doopsel de indompeling vereischt en is een besproeing zonder meer niet voldoende.3. Indien zonder indompeling van het hele lichaam het doopsel mogelijk was, dan zou het om die reden ook volstaan, om het even welk lichaamsdeel met water te begieten. Welnu, dit is onmogelijk; de erfzonde toch waartegen het doopsel vooral werd ingesteld hoort in het hele lichaam thuis. Zo wordt dan bij het doopsel de indompeling vereist en is een besproeing zonder meer niet voldoende.

Sed contra est, quod Hebr. 10 [v. 22] dicitur : « Accedamus cum 213vero corde in plenitudine fidei, aspersi corda a conscientia mala, et abluti corpus aqua munda ».

Daartegenover staat echter wat in den Brief aan de Hebreërs (10, 22) gezegd wordt : « Laten wij met een oprecht hart in 213een voldragen geloof vooruit treden, met een hart nl. dat van een boos geweten gereinigd werd en met een lichaam dat met zuiver water gewasschen is. »Daartegenover staat echter wat in de Brief aan de Hebreërs (10, 22) gezegd wordt: “Laten wij met een oprecht hart in 213een voldragen geloof vooruit treden, met een hart nl. dat van een boos geweten gereinigd werd en met een lichaam dat met zuiver water gewassen is.”

Respondeo dicendum, quod aqua assumitur in sacramento baptismi ad usum ablutionis corporalis, per quam significatur interior ablutio peccatorum. Ablutio autem fieri potest per aquam, non solum per modum immersionis, sed etiam per modum aspersionis vel effusionis, et ideo quamvis tutius sit baptizare per modum immersionis (quia hoc habet communior usus), potest tamen fieri baptismus per modum aspersionis, vel etiam per modum effusionis, secundum illud Ezech. 36 [v. 25] : « Effundam super vos aquam mundam », sicut beatus Laurentius legitur baptizasse; et hoc praecipue propter necessitatem, vel quia est magna multitudo baptizandorum, ut patet Act. 2 et 4 ubi dicitur, quod crediderunt una die tria millia, et alia die quinque millia. Quandoque autem potest imminere necessitas propter 214paucitatem aquae, vel propter debilitatem baptizandi, cui posset imminere periculum mortis ex immersione, et ideo dicendum est, quod immersio non est de necessitate baptismi.

Leerstelling. — Het water wordt in het sacrament van het doopsel gebruikt om het lichaam te wasschen, en daardoor wordt de innerlijke rein-wassching van zonde beteekend. De wassching met water kan echter niet alleen door indompeling maar ook door besproeiïng en begieting geschieden, en zoo kan het doopsel, — hoewel het veiliger is door indompeling te doopen, dit is immers de gebruikelijke manier, — volgens de woorden van de Profeet Ezechiël (36, 25) : « Ik zal over u zuiver water doen vloeien », niettemin ook door besproeiïng en door begieting worden toegediend. Zoo wordt bv. gezegd dat de gelukzalige Laurentius op die wijze het doopsel toediende. Dit geschiedt dan meestal om een dringende noodzakelijkheid : ofwel omdat een groote menigte moet gedoopt worden, zoo bv. wordt in de Handelingen der Apostelen (2, 41 en 4, 4) gezegd dat op één dag het aantal geloovigen met 3.000 steeg, en op een andere dag met 5.000, — ofwel kan er ook naar aanleiding van schaarschte van water nood zijn, of nog omdat de bedienaar niet krachtig genoeg is om den gedoopte te ondersteunen, of eindelijk ook omdat de doopeling uit hoofde 214van zwakheid zou gevaar loopen de indompeling te besterven. Zoo mag dus gezegd worden dat de indompeling voor de geldigheid van het doopsel niet vereischt wordt.Leerstelling. — Het water wordt in het sacrament van het doopsel gebruikt om het lichaam te wassen, en daardoor wordt de innerlijke rein-wassing van zonde betekend. De wassing met water kan echter niet alleen door indompeling maar ook door besproeiïng en begieting geschieden, en zo kan het doopsel, — hoewel het veiliger is door indompeling te dopen, dit is immers de gebruikelijke manier, — volgens de woorden van de Profeet Ezechiël (36, 25): “Ik zal over u zuiver water doen vloeien”, niettemin ook door besproeiïng en door begieting worden toegediend. Zo wordt bv. gezegd dat de gelukzalige Laurentius op die wijze het doopsel toediende. Dit geschiedt dan meestal om een dringende noodzakelijkheid: ofwel omdat een grote menigte moet gedoopt worden, zo bv. wordt in de Handelingen van de Apostelen (2, 41 en 4, 4) gezegd dat op één dag het aantal gelovigen met 3.000 steeg, en op een andere dag met 5.000, — ofwel kan er ook naar aanleiding van schaarste van water nood zijn, of nog omdat de bedienaar niet krachtig genoeg is om de gedoopte te ondersteunen, of eindelijk ook omdat de dopeling uit hoofde 214van zwakheid zou gevaar lopen de indompeling te besterven. Zo mag dus gezegd worden dat de indompeling voor de geldigheid van het doopsel niet vereist wordt.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod ea quae sunt per accidens, non variant substantiam rei. Per se autem requiritur ad baptismum corporalis ablutio per aquam, unde et baptismus lavacrum nominatur, secundum illud Ephes. 5. [v. 26] : « Mundans eam lavacro aquae in verbo vitae ». Sed quod fiat ablutio hoc vel illi modo, accidit baptismo, et ideo talis diversitas non tollit unitatem baptismi.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wat alleen het bijkomstige betreft wijzigt de zelfstandigheid niet. Welnu, op grond van zijn geaardheid wordt voor het doopsel een lichamelijke wassching met water vereischt, daarom toch wordt het doopsel overeenkomstig de woorden uit den Brief aan de Ephesiërs (5, 26) : « Door haar met het woord des levens in een waterbad te reinigen. », een waterbad genoemd. Dat nu die wassching op die of gene manier geschiedt is voor het doopsel van bijkomstig belang, en daarom doet die verscheidenheid de eenheid van het doopsel lang niet te niet.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wat alleen het bijkomstige betreft wijzigt de zelfstandigheid niet. Welnu, op grond van zijn geaardheid wordt voor het doopsel een lichamelijke wassing met water vereist, daarom toch wordt het doopsel overeenkomstig de woorden uit de Brief aan de Efesiërs (5, 26): “Door haar met het woord van het leven in een waterbad te reinigen.”, een waterbad genoemd. Dat nu die wassing op die of gene manier geschiedt is voor het doopsel van bijkomstig belang, en daarom doet die verscheidenheid de eenheid van het doopsel lang niet te niet.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod in immersione expressius repraesentatur figura sepulturae Christi, et ideo hic modus baptizandi est communior et laudabilior. Sed in aliis modis baptizandi repraesentatur aliquo modo, licet non ita expresse, nam quocumque modo fiat ablutio, corpus hominis vel aliqua pars ejus aquae supponitur, sicut corpus Christi sub terra fuit positum.

2. Door indompeling wordt Christus' begrafenis meer gelijkend weergegeven en daarom is die manier van doopen meer in zwang en verdient ze ook meer lof. Door de andere manieren waarop het doopsel wordt toegediend, wordt dit echter ook te kennen gegeven, maar niet zoo uitdrukkelijk; om het even immers op welke wijze een wassching geschiedt, steeds wordt het lichaam van den mensch of een deel ervan, zooals het lichaam van Christus bedekt werd met water overgoten.2. Door indompeling wordt Christus' begrafenis meer gelijkend weergegeven en daarom is die manier van dopen meer in zwang en verdient ze ook meer lof. Door de andere manieren waarop het doopsel wordt toegediend, wordt dit echter ook te kennen gegeven, maar niet zo uitdrukkelijk; om het even immers op welke wijze een wassing geschiedt, steeds wordt het lichaam van de mens of een deel ervan, zoals het lichaam van Christus bedekt werd met water overgoten.

↑ bedenking 3

215Ad tertium dicendum, quod principalis pars corporis, praecipue quantum ad exteriora membra, est caput, in quo vigent omnes sensus et interiores et exteriores. Et ideo si totum corpus aqua non possit perfundi propter aquae paucitatem, vel propter aliquam aliam causam, oportet caput perfundere, in quo manifestatur principium animalis vitae. Et licet per membra, quae generationi deserviunt, peccatum originale traducatur, non tamen sunt membra illa potius aspergenda, quam caput, quia per baptismum non tollitur transmissio originalis in prolem per actum generationis, sed liberatur anima a macula et a reatu peccati, quod incurrit. Et ideo debet praecipue lavari pars corporis, in qua manifestantur opera animae. In veteri autem lege remedium contra originale peccatum institutum erat in membro generationis, quia adhuc ille, per quem originale erat amovendum, nasciturus erat ex semine Abrahae, cujus fidem circumcisio significabat, ut dicitur Rom. 4 [v. 11].

2153. Het bizonderste deel van het lichaam is, vooral wanneer het om de uiterlijke ledematen gaat, het hoofd, waar alle zintuigen, zoo inwendige als uitwendige voorkomen. Wanneer bijgevolg om reden van gebrek aan water of om een andere reden niet het geheele lichaam kan gewasschen worden, dan is het voldoende het hoofd, waar het beginsel van het zintuigelijke leven zich openbaart, te wasschen. Ja, wordt de erfzonde door de lichaamsdeelen die op de voortplanting aangewezen zijn overgemaakt, dan volgt nog niet dat die lichaamsdeelen eerder dan het hoofd moeten gewasschen worden : de voortzetting van de erfzonde in het nageslacht door de voortplanting wordt immers door het doopsel niet weggenomen, maar alleen wordt de ziel van de vlek en van de schuld van zonden die ze opliep bevrijd. Daarom dan moet vooral dit deel van het lichaam gewasschen worden, waar de werking der ziel openbaar wordt, en werd onder de oude wet het geneesmiddel tegen de erfzonde aan het geslachtsdeel aangebracht, dan was zulks omdat Hij door wiens toedoen de erfzonde moest verdelgd worden, nog uit het geslacht van Abraham moest geboren worden. De besnijdenis toch, beteekende naar hetgeen in den Brief aan de Romeinen (4, 11) geschreven staat het geloof in Abraham.2153. Het bizonderste deel van het lichaam is, vooral wanneer het om de uiterlijke ledematen gaat, het hoofd, waar alle zintuigen, zo inwendige als uitwendige voorkomen. Wanneer bijgevolg om reden van gebrek aan water of om een andere reden niet het gehele lichaam kan gewassen worden, dan is het voldoende het hoofd, waar het beginsel van het zintuigelijke leven zich openbaart, te wassen. Ja, wordt de erfzonde door de lichaamsdelen die op de voortplanting aangewezen zijn overgemaakt, dan volgt nog niet dat die lichaamsdelen eerder dan het hoofd moeten gewassen worden: de voortzetting van de erfzonde in het nageslacht door de voortplanting wordt immers door het doopsel niet weggenomen, maar alleen wordt de ziel van de vlek en van de schuld van zonden die ze opliep bevrijd. Daarom dan moet vooral dit deel van het lichaam gewassen worden, waar de werking van de ziel openbaar wordt, en werd onder de oude wet het geneesmiddel tegen de erfzonde aan het geslachtsdeel aangebracht, dan was zulks omdat Hij door wiens toedoen de erfzonde moest verdelgd worden, nog uit het geslacht van Abraham moest geboren worden. De besnijdenis toch, betekende naar hetgeen in de Brief aan de Romeinen (4, 11) geschreven staat het geloof in Abraham.

Articulus VIII

Utrum trina immersio sit de necessitate baptismi

[4. Dist. 3. art. 4. q. 2. et 3. et Dist. 23. q. 1. art. 1.]
VIIIe Artikel

Wordt er voor de geldigheid van het doopsel een driedubbele indompeling vereischt?Wordt er voor de geldigheid van het doopsel een driedubbele indompeling vereist?

antwoord 1 ↓

216Ad octavum sic proceditur. Videtur, quod trina immersio sit de necessitate baptismi. Dicit enim Augustinus in quodam sermone de Symbolo ad baptizatos [De Mysterio baptismatis, Serm. 3, inter opp. Aug.] : « Recte tertio mersi estis, qui accepistis baptismum in nomine sanctae Trinitatis; recte tertio mersi estis, qui accepistis baptismum in nomine Jesu Christi, qui etiam tertia die resurrexit a mortuis. Illa enim tertio repetita immersio typum Dominicae exprimit sepulturae, per quam Christo consepulti estis in baptismo ». Sed utrumque videtur ad necessitatem baptismi pertinere, scilicet et quod significetur in baptismo Trinitas personarum, et quod fiat configuratio ad sepulturam Christi. Ergo videtur, quod trina immersio sit de necessitate baptismi.

216Bedenkingen. — Men beweert dat er voor de geldigheid van het doopsel, een driedubbele indompeling vereischt wordt. — 1. De heilige Augustinus zegt (2 Hom. Aan de nieuw gedoopten) : « Het is niet zonder reden dat ge driemaal ingedompeld werdt, gij hebt immers het doopsel in den naam van de heilige Drievuldigheid ontvangen. Met reden werdt ge dus een derde maal ingedompeld, gij die in naam van Jezus-Christus die den derden dag van uit de dooden is opgestaan, het doopsel ontvangen hebt. Die driedubbele indompeling verzinnebeeldt toch de begrafenis van den Heer, waardoor ge met Christus in het doopsel begraven zijt. » Zoo lijken dan voor het doopsel die beiden onmisbaar te zijn, dat nl. in het doopsel de Drievuldigheid der personen zou worden te kennen gegeven, en dat we zouden aan den begraven Christus gelijkvormig worden.216Bedenkingen. — Men beweert dat er voor de geldigheid van het doopsel, een driedubbele indompeling vereist wordt. — 1. De heilige Augustinus zegt (2 Hom. Aan de nieuw gedoopten): “Het is niet zonder reden dat ge driemaal ingedompeld werdt, gij hebt immers het doopsel in de naam van de heilige Drievuldigheid ontvangen. Met reden werdt ge dus een derde maal ingedompeld, gij die in naam van Jezus-Christus die de derde dag van uit de doden is opgestaan, het doopsel ontvangen hebt. Die driedubbele indompeling verzinnebeeldt toch de begrafenis van de Heer, waardoor ge met Christus in het doopsel begraven zijt.” Zo lijken dan voor het doopsel die beiden onmisbaar te zijn, dat nl. in het doopsel de Drievuldigheid van de personen zou worden te kennen gegeven, en dat we zouden aan de begraven Christus gelijkvormig worden.

antwoord 2 ↓

2172. Praeterea, sacramenta ex mandato Christi efficaciam habent. Sed trina immersio est ex mandato Christi : scribit enim Pelagius papa Gaudentio episcopo [Multi sunt, De Consecrat. Dist. 4.] : « Evangelicum praeceptum, ipso Domino Deo, et Salvatore nostro Jesu Christo tradente, nos admonet, in nomine Trinitatis trina immersione sanctum baptismum unicuique tribuere ». Ergo sicut baptizare in nomine Trinitatis est de necessitate baptismi, ita etiam baptizare trina immersione videtur esse de necessitate baptismi.

2172. De sacramenten betrekken hun kracht van het bevel van Christus. Welnu, de driedubbele indompeling werd door Christus vereischt. Paus Pelagius schrijft immers naar Bisschop Gaudentius : « Het Evangelisch gebod dat ons door den Heer God en zaligmaker Christus zelf werd aangeplicht, zegt ons dat we eenieder het heilig doopsel in naam der heilige Drievuldigheid met een driedubbele onderdompeling moeten toedienen. » Zoo is dus de driedubbele indompeling evenzeer als het doopen in naam der heilige Drievuldigheid voor de geldigheid noodig.2172. De sacramenten betrekken hun kracht van het bevel van Christus. Welnu, de driedubbele indompeling werd door Christus vereist. Paus Pelagius schrijft immers naar Bisschop Gaudentius: “Het Evangelisch gebod dat ons door de Heer God en zaligmaker Christus zelf werd aangeplicht, zegt ons dat we eenieder het heilig doopsel in naam van de heilige Drievuldigheid met een driedubbele onderdompeling moeten toedienen.” Zo is dus de driedubbele indompeling evenzeer als het dopen in naam van de heilige Drievuldigheid voor de geldigheid nodig.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, si trina immersio non sit de necessitate baptismi, ergo ad primam immersionem aliquis baptismi consequitur sacramentum. Si ergo addatur secunda vel tertia, videtur quod secundo vel tertio baptizetur, quod est inconveniens. Non ergo una immersio sufficit ad sacramentum baptismi, sed trina immersio videtur esse de necessitate ipsius.

3. Indien er geen driedubbele indompeling vereischt wordt, dan is iemand bij de eerste reeds gedoopt. En als men er dan een tweede en een derde indompeling bijvoegt, wordt hij een tweede maal en een derde maal gedoopt. Dit nu gaat niet aan, en zoo is bij het sacrament van het doopsel een indompeling niet voldoende, maar voor de geldigheid wordt een driedubbele indompeling vereischt.3. Indien er geen driedubbele indompeling vereist wordt, dan is iemand bij de eerste reeds gedoopt. En als men er dan een tweede en een derde indompeling bijvoegt, wordt hij een tweede maal en een derde maal gedoopt. Dit nu gaat niet aan, en zo is bij het sacrament van het doopsel een indompeling niet voldoende, maar voor de geldigheid wordt een driedubbele indompeling vereist.

Sed contra est, quod Gregorius dicit scribens Leandro episcopo [Regist. lib. 1, epist. 41] : « Reprehensibile esse nullatenus potest, infantem in 218baptismate vel ter vel semel immergere, quoniam et in tribus mersionibus personarum Trinitas, et in una potest Divinitatis singularitas designari ».

Daartegenover staat echter wat St. Gregorius aan Bisschop Leander schreef (Regist, 1, 41) : « Niemand kan worden ten laste gelegd dat hij bij het doopen een of driemaal het kind in het 218water dompelt; de driedubbele indompeling herinnert ons immers aan de personen der heilige Drievuldigheid, de eene indompeling daarentegen aan de eenheid der godheid. »Daartegenover staat echter wat St. Gregorius aan Bisschop Leander schreef (Regist, 1, 41): “Niemand kan worden ten laste gelegd dat hij bij het dopen een of driemaal het kind in het 218water dompelt; de driedubbele indompeling herinnert ons immers aan de personen van de heilige Drievuldigheid, de ene indompeling daarentegen aan de eenheid van de godheid.”

Respondeo dicendum, quod, sicut prius dictum est [art. praec. ad 1.], ad baptismum per se requiritur ablutio aquae, quae est de necessitate sacramenti; modus autem ablutionis per accidens se habet ad sacramentum. Et ideo, sicut ex praedicta auctoritate Gregorii patet, quantum est de se, « utrumque licite fieri potest, scilicet et semel, et ter immergere », quia unica immersione significatur unitas mortis Christi et unitas Deitatis; per trinam autem immersionem significatur triduum sepulturae Christi, et etiam Trinitas personarum.

Leerstelling. — Zooals in het vorig artikel gezegd werd (antwoord op de 1e bedenking) wordt onvoorwaardelijk de wassching met water voor het doopsel vereischt, ze is immers voor de geldigheid van het sacrament van noode; de manier daarentegen waarop gewasschen wordt, is van bijkomstig belang. Zoo is het dan, wanneer we alleen den aard der dingen zelf in acht nemen, evenals Gregorius zegt, veroorloofd zoowel één- als driemaal in te dompelen, door de eene indompeling worden immers de eenheid van Christus' dood en de eenheid der godheid te kennen gegeven, door de driedubbele indompeling daarentegen de drie dagen die Christus in het graf doorbracht, en ook de drie personen der heilige Drievuldigheid.Leerstelling. — Zoals in het vorig artikel gezegd werd (antwoord op de 1e bedenking) wordt onvoorwaardelijk de wassing met water voor het doopsel vereist, ze is immers voor de geldigheid van het sacrament van node; de manier daarentegen waarop gewassen wordt, is van bijkomstig belang. Zo is het dan, wanneer we alleen de aard van de dingen zelf in acht nemen, evenals Gregorius zegt, veroorloofd zowel één- als driemaal in te dompelen, door de ene indompeling worden immers de eenheid van Christus' dood en de eenheid van de godheid te kennen gegeven, door de driedubbele indompeling daarentegen de drie dagen die Christus in het graf doorbracht, en ook de drie personen van de heilige Drievuldigheid.

Sed diversis ex causis secundum ordinationem Ecclesiae quandoque institutus est unus modus, quandoque alius. Quia enim a principio nascentis Ecclesiae quidam de Trinitate male sentiebant, Christum purum hominem esse aestimantes, nec dici Filium Dei et Deum nisi propter meritum ejus, quod praecipue fuit in morte, ideo non baptizabant in nomine Trinitatis, sed 219in commemoratione mortis Christi, et una immersione. Quod reprobatum fuit in primitiva Ecclesia. Unde in Canonibus apost. [can. 49. Concil. can. 79. De Consecrat. Dist. 4.] : « Si quis praesbyter aut episcopus non trinam immersionem unius mysterii celebret1, sed semel mergat in baptismate, quod dari a quibusdam dicitur in morte Domini, deponatur; non enim nobis dixit Dominus : In morte mea baptizate, sed : In nomine Patris, et Filii, et Spiritus Sancti ». Postmodum vero inolevit quorumdam schismaticorum et haereticorum error homines rebaptizantium, sicut de Donatistis Augustinus narrat super Joan. [lib. de Haeresib. haer. 69.]. Et ideo in detestationem erroris eorum fuit statutum in Conc. Tolet. 4. [can. De Consecr. Dist. 4.], quod fieret una sola immersio; ubi sic legitur : « Propter vitandum schismatis scandalum, vel haeretici dogmatis usum, simplam teneamus baptismi 220immersionem ». Sed, cessante tali causa, communiter observatur in baptismo trina immersio. Et ideo graviter peccaret aliter baptizans, quasi ritum Ecclesiae non observans; nihilominus tamen esset baptismus.

Ook werd om verschillende redenen, overeenkomstig de besluiten der heilige kerk, nu eens de eene, dan weer de andere manier aangewend. Reeds bij den aanvang der kerk waren er immers menschen die over de heilige Drievuldigheid verkeerd dachten, en meenden dat Christus louter mensch was, en dat men hem alleen om de verdiensten die hij vooral bij zijn 219dood heeft ingezameld mocht God en zoo van God noemen. Zulken doopten dus niet in den naam der heilige Drievuldigheid, maar door eene indompeling, ter herinnering aan den dood van Christus, en dit werd in de primitieve kerk afgekeurd. — Zoo komt het dat in de wetgeving der apostelen (Can. 48 en 150) het volgende te lezen staat : « Als een priester of bisschop de driedubbele indompeling van het eene doopmysterie niet celebreert, maar integendeel bij het doopsel slechts eens indompelt, (sommigen zeggen immers dat aldus het doopsel in den dood van den Heer gegeven wordt,) dan moet hij worden afgesteld. De Heer heeft immers niet gezegd dat we moeten doopen in zijn dood, maar in den naam des Vaders en des Zoons, en des heiligen Geestes. » — Daarna ontstond de dwaling van sommige scheurmakers en ketters die zeiden dat de menschen moeten herdoopt worden; dit vertelt St. Augustinus van de Donatisten in zijn Commentaar op St. Jan. (11e Trakt) Uit verfoeiïng voor de dwaling werd dan in de kerkvergadering van Toledo (4, 5) beslist dat er voortaan maar één enkele indompeling zou geschieden. Daar leest men nl. het volgende : « Om de ergernis door de scheurmakers veroorzaakt te keer te gaan, en het kettersch misbruik van dit geloofspunt zullen wij het met één enkele indompeling stellen. » Daar echter voor het oogenblik zoo een reden niet 220meer bestaat, zoo moet men bij het doopsel gewoonlijk de driedubbele indompeling gebruiken, en hij die op een andere manier zou doopen, zou, daar hij den ritus der heilige kerk niet zou in acht nemen, doodelijk zondigen; niettemin zou echter dit doopsel geldig zijn.Ook werd om verschillende redenen, overeenkomstig de besluiten van de heilige kerk, nu eens de ene, dan weer de andere manier aangewend. Reeds bij de aanvang van de kerk waren er immers mensen die over de heilige Drievuldigheid verkeerd dachten, en meenden dat Christus louter mens was, en dat men hem alleen om de verdiensten die hij vooral bij zijn 219dood heeft ingezameld mocht God en zo van God noemen. Zulken doopten dus niet in de naam van de heilige Drievuldigheid, maar door een indompeling, ter herinnering aan de dood van Christus, en dit werd in de primitieve kerk afgekeurd. — Zo komt het dat in de wetgeving van de apostelen (Can. 48 en 150) het volgende te lezen staat: “Als een priester of bisschop de driedubbele indompeling van het ene doopmysterie niet celebreert, maar integendeel bij het doopsel slechts eens indompelt, (sommigen zeggen immers dat aldus het doopsel in de dood van de Heer gegeven wordt,) dan moet hij worden afgesteld. De Heer heeft immers niet gezegd dat we moeten dopen in zijn dood, maar in de naam van de Vader en van de Zoon, en van de heilige Geest.” — Daarna ontstond de dwaling van sommige scheurmakers en ketters die zeiden dat de mensen moeten herdoopt worden; dit vertelt St. Augustinus van de Donatisten in zijn Commentaar op St. Jan. (11e Trakt) Uit verfoeiïng voor de dwaling werd dan in de kerkvergadering van Toledo (4, 5) beslist dat er voortaan maar één enkele indompeling zou geschieden. Daar leest men nl. het volgende: “Om de ergernis door de scheurmakers veroorzaakt te keer te gaan, en het ketters misbruik van dit geloofspunt zullen wij het met één enkele indompeling stellen.” Daar echter voor het ogenblik zo een reden niet 220meer bestaat, zo moet men bij het doopsel gewoonlijk de driedubbele indompeling gebruiken, en hij die op een andere manier zou dopen, zou, daar hij de ritus van de heilige kerk niet zou in acht nemen, dodelijk zondigen; niettemin zou echter dit doopsel geldig zijn.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod Trinitas est sicut agens principale in baptismo. Similitudo autem agentis pervenit ad effectum secundum formam, et non secundum materiam, et ideo significatio Trinitatis fit in baptismo per verba formae. Nec est de necessitate, quod significetur Trinitatis per usum materiae, sed hoc fit ad majorem expressionem. Similiter etiam mors Christi figuratur sufficienter in unica immersione; triduum autem sepulturae non est de necessitate salutis nostrae, quia etiamsi uno die fuisset sepultus vel mortuus, suffecisset ad perficiendam nostram redemptionem. Sed triduum illud ordinatur ad manifestandum veritatem mortis, ut supra dictum est [q. 22153. art. 2.]. Et ideo patet, quod trina immersio nec ex parte Trinitatis, nec ex parte passionis Christi est de necessitate sacramenti.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In het doopsel treedt de heilige Drievuldigheid als bewerkende hoofdoorzaak op. Welnu, de gelijkenis met de bewerkende hoofdoorzaak wordt een uitwerksel niet door bemiddeling van de stof, maar wel door den vorm ingestort. Zoo wordt dan in het doopsel de heilige Drievuldigheid door de woorden van den vorm te kennen gegeven. Dat de heilige Drievuldigheid ook door het gebruik van de stof zou worden te kennen gegeven is niet noodig, dit geschiedt immers alleen tot meer duidelijkheid. Wat nu den dood van Christus betreft, ook deze wordt door een indompeling voldoende verzinnebeeld; het hoefde immers niet voor onze zaligheid, dat hij drie dagen zou begraven blijven; ja zelfs indien Christus maar een dag in het graf gebleven was, of een dag dood geweest was, zou zulks om onze verlossing te bewerken volstaan hebben; de drie dagen toch moesten zooals we het hierboven aantoonden (51e Kw., 4e art. en 53e Kw., 2e art.) alleen de waarachtigheid van Christus' dood klaarblijkelijk maken. Zoo is het dan duidelijk dat de 221driedubbele indompeling, noch van den kant van de heilige Drievuldigheid, noch van den kant van het lijden van Christus tot de geldigheid van het sacrament van doen is.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In het doopsel treedt de heilige Drievuldigheid als bewerkende hoofdoorzaak op. Welnu, de gelijkenis met de bewerkende hoofdoorzaak wordt een uitwerksel niet door bemiddeling van de stof, maar wel door de vorm ingestort. Zo wordt dan in het doopsel de heilige Drievuldigheid door de woorden van de vorm te kennen gegeven. Dat de heilige Drievuldigheid ook door het gebruik van de stof zou worden te kennen gegeven is niet nodig, dit geschiedt immers alleen tot meer duidelijkheid. Wat nu de dood van Christus betreft, ook deze wordt door een indompeling voldoende verzinnebeeld; het hoefde immers niet voor onze zaligheid, dat hij drie dagen zou begraven blijven; ja zelfs indien Christus maar een dag in het graf gebleven was, of een dag dood geweest was, zou zulks om onze verlossing te bewerken volstaan hebben; de drie dagen toch moesten zoals we het hierboven aantoonden (51e Kw., 4e art. en 53e Kw., 2e art.) alleen de waarachtigheid van Christus' dood klaarblijkelijk maken. Zo is het dan duidelijk dat de 221driedubbele indompeling, noch van de kant van de heilige Drievuldigheid, noch van de kant van het lijden van Christus tot de geldigheid van het sacrament van doen is.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod Pelagius papa intelligit trinam immersionem esse de mandato Christi in suo simili, in hoc scilicet quod Christus praecepit baptizari in nomine Patris, et Filii, et Spiritus Sancti. Non tamen est similis ratio de forma et de usu materiae, ut dictum est [in sol. praec.].

2. Paus Pelagius meent dat Christus, wanneer hij ons geboden heeft te doopen in den naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes, de driedubbele indompeling met behulp van iets dat er mee gelijk staat heeft voorgeschreven. Zooals we hierboven hebben aangewezen, (in antwoord op de 1e bedenking) geldt echter niet voor het gebruik van de stof dezelfde wet als voor den vorm.2. Paus Pelagius meent dat Christus, wanneer hij ons geboden heeft te dopen in de naam van de Vader en van de Zoon en van de heilige Geest, de driedubbele indompeling met behulp van iets dat er mee gelijk staat heeft voorgeschreven. Zoals we hierboven hebben aangewezen, (in antwoord op de 1e bedenking) geldt echter niet voor het gebruik van de stof dezelfde wet als voor de vorm.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 64. art. 8.], intentio requiritur ad baptismum. Et ideo ex intentione ministri Ecclesiae, qui intendit unum baptismum dare trina immersione, efficitur unum baptisma. Unde Hieronymus dicit super epist. ad Philipp. [super epist. ad Ephes., c. 4, v. 5-6] : « Licet ter baptizetur, idest immergatur, propter mysterium Trinitatis, tamen unum baptisma reputatur ». Si vero intenderet ad unamquamque immersionem unum baptisma dare, ad singulas immersiones repetens verba formae, peccaret, quantum in se est, pluries baptizans.

3. Zooals we gezegd hebben (64e Kw., 8e art.) wordt ook het opzet van den dooper voor het doopsel vereischt, en daarom komt er om het opzet van den bedienaar der heilige kerk, met een driedubbele indompeling één doopsel toe te dienen, maar een doopsel tot stand; daarvandaan dat de heilige Hieronymus op den Brief aan de Ephesiërs het volgende schrijft : « Alhoewel men omwille van het mysterie der heilige Drievuldigheid driemaal ingedompeld wordt, toch is er maar één doopsel. Moest echter de bedienaar het opzet hebben bij iedere indompeling het doopsel toe te dienen, en moest hij bij iedere indompeling de formuul vernieuwen, dan zou hij, daar hij verschillende keeren zou doopen, ook zondigen. »3. Zoals we gezegd hebben (64e Kw., 8e art.) wordt ook het opzet van de doper voor het doopsel vereist, en daarom komt er om het opzet van de bedienaar van de heilige kerk, met een driedubbele indompeling één doopsel toe te dienen, maar een doopsel tot stand; daarvandaan dat de heilige Hieronymus op de Brief aan de Efesiërs het volgende schrijft: “Alhoewel men omwille van het mysterie van de heilige Drievuldigheid driemaal ingedompeld wordt, toch is er maar één doopsel. Moest echter de bedienaar het opzet hebben bij iedere indompeling het doopsel toe te dienen, en moest hij bij iedere indompeling de formuul vernieuwen, dan zou hij, daar hij verschillende keren zou dopen, ook zondigen.”

Articulus IX

Utrum baptismus possit iterari

[4. Dist. 6. q. 2. art. 1. q. 1. et lib. 4. Contr. g. cap. 59. fin et cap. 70. et 71. et Joan. 3. et Ephes. 4. lect. 2.]
IXe Artikel

Mag het doopsel hernieuwd worden?

antwoord 1 ↓

222Ad nonum sic proceditur. Videtur, quod baptismus possit iterari. Baptismus enim videtur institutus ad ablutionem peccatorum. Sed peccata iterantur. Ergo multo magis baptismus debet iterari, quia misericordia Christi transcendit hominis culpam.

222Bedenkingen. — Men beweert dat het doopsel mag hernieuwd worden. — 1. Het doopsel werd tot reiniging van zonden ingesteld. Daar nu de mensch in de zonden hervalt, zoo mag het doopsel, aangezien toch de barmhartigheid van Christus tegen de schuld van den mensch opweegt, nog veel vaker hernieuwd worden.222Bedenkingen. — Men beweert dat het doopsel mag hernieuwd worden. — 1. Het doopsel werd tot reiniging van zonden ingesteld. Daar nu de mens in de zonden hervalt, zo mag het doopsel, aangezien toch de barmhartigheid van Christus tegen de schuld van de mens opweegt, nog veel vaker hernieuwd worden.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Joannes Baptista praecipue fuit a Christo commendatus, cum de eo dictum sit Matth. 11 [v. 11] : « Inter natos mulierum non surrexit major Joanne Baptista ». Sed baptizati a Joanne iterum baptizabantur, ut habetur Actorum 19 ubi dicitur, quod Paulus baptizabat eos, qui erant baptizati baptismo Joannis. Ergo multo fortius illi qui sunt baptizati ab haereticis vel peccatoribus, sunt rebaptizandi.

2. Joannes de Dooper werd op een bizondere manier door Christus geprezen, deze heeft nl. van Joannes gezegd : « Onder degenen die uit vrouwen geboren zijn is geen grooter opgestaan dan Joannes de Dooper. » (Mat. 11, 11) Welnu, de menschen die door Joannes gedoopt werden, werden herdoopt; de Handelingen der Apostelen, stippen immers aan dat Paulus diegene die met het doopsel van Joannes gedoopt waren herdoopte. Zoo moeten dus nog veel eerder diegenen, die door ketters of zondaars gedoopt werden, worden herdoopt.2. Johannes de Doper werd op een bizondere manier door Christus geprezen, deze heeft nl. van Johannes gezegd: “Onder degenen die uit vrouwen geboren zijn is geen groter opgestaan dan Johannes de Doper.” (Mat. 11, 11) Welnu, de mensen die door Johannes gedoopt werden, werden herdoopt; de Handelingen van de Apostelen, stippen immers aan dat Paulus diegene die met het doopsel van Johannes gedoopt waren herdoopte. Zo moeten dus nog veel eerder diegenen, die door ketters of zondaars gedoopt werden, worden herdoopt.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, in Nicaeno Concilio [can. 19] statutum est : « Si 223quis confugerit ad Ecclesiam catholicam de Paulianistis et Cataphrygis, rebaptizari eos omnino debere ». Videtur eadem ratio de aliis haereticis. Ergo baptizati ab haereticis debent rebaptizari.

3. In de Kerkvergadering van Nicea (19 Can.) werd beslist 223dat degenen die van de Pauliniasten of van de Cataphrygers naar de katholieke Kerk overgingen volstrekt moesten herdoopt worden. Dezelfde reden nu, geldt ook voor andere ketters, degenen die nl. door ketters gedoopt worden, moeten herdoopt worden.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, baptismus est necessarius ad salutem. Sed de quibusdam baptizatis aliquando dubitatur, an sint baptizati. Ergo videtur, quod debeant iterum baptizari.

4. Het doopsel is voor de zaligheid noodzakelijk. Welnu soms wordt er getwijfeld of iemand wel degelijk gedoopt is, zulke moeten dan ook herdoopt worden.

antwoord 5 ↓

5. Praeterea, Eucharistia est perfectius sacramentum, quam baptismus, ut supra dictum est [q. praec. art. 3.]. Sed sacramentum Eucharistiae iteratur. Ergo videtur, quod multo magis baptismus possit iterari.

5. Zooals in de vorige kwestie (4e art.) werd aangetoond is de Eucharistie een volmaakter sacrament dan het doopsel. Welnu de Eucharistie mag meermalen ontvangen worden. Zoo mag dus nog veel eerder het doopsel hernieuwd worden.5. Zoals in de vorige kwestie (4e art.) werd aangetoond is de Eucharistie een volmaakter sacrament dan het doopsel. Welnu de Eucharistie mag meermalen ontvangen worden. Zo mag dus nog veel eerder het doopsel hernieuwd worden.

Sed contra est, quod dicitur Ephes. 4 [v. 5] : « Una fides, unum baptisma ».

Daartegenover echter staat wat in de Brief aan de Ephesiërs (4, 5) gezegd wordt : « Eén geloof, één doopsel. »Daartegenover echter staat wat in de Brief aan de Efesiërs (4, 5) gezegd wordt: “Eén geloof, één doopsel.”

Respondeo dicendum, quod baptismus iterari non potest. Primo quidem, quia baptismus est quaedam spiritualis regeneratio, prout scilicet aliquis moritur veteri vitae et incipit novam vitam agere; unde dicitur Joan. 3. [v. 5] : « Nisi quis renatus fuerit ex aqua et Spiritu Sancto, non potest 224introire in regnum Dei ». Unius autem non est nisi una generatio. Et ideo non potest baptismus iterari, sicut nec carnalis generatio. Unde Augustinus super illud Joan. 3 [v. 4] : « Numquid potest homo in ventrem matris suae iterato introire et renasci? » [tract. 11. in Joan., N. 6] : « Sic tu [v. 4] intellige nativitatem spiritus, quomodo intellexit Nicodemus nativitatem carnis. Quomodo enim uterus non potest repeti, sic nec baptismus ». Secundo, quia in morte Christi baptizamur, per quam morimur peccato, et resurgimus in novitatem vitae, Christus autem semel tantum mortuus est, et ideo baptismus iterari non debet; propter quod Hebr. 6 [v. 6] contra quosdam rebaptizari volentes dicitur : « Rursus crucifigentes sibimetipsis Filium Dei »; ubi Gloss. [ordin. et Lomb.] dicit : « Una Christi mors unum baptisma consecravit ». Tertio, quia baptismus imprimit characterem, qui est indelebilis et cum quadam consecratione datur. Unde sicut aliae consecrationes non iterantur in Ecclesia, ita nec baptismus. Et hoc est, quod 225Augustinus dicit 2. contra epist. Parmeniani [cap. 13], quod « character militaris non repetitur », et quod « non minus haeret sacramentum Christi, quam corporalis haec nota, cum videamus nec apostatas carere baptismate, quibus utique per poenitentiam redeuntibus non restituitur ». Quarto, quia baptismus principaliter datur contra originale peccatum; et ideo sicut originale peccatum non iteratur, ita etiam nec baptismus iteratur, quia, ut dicitur Rom. 5 [v. 18] : « Sicut per unius delictum in omnes homines in condemnationem, sic per unius justitiam in omnes homines in justificationem vitae ».

Leerstelling. — Het doopsel mag vooreerst niet hernieuwd worden, omdat het een geestelijke wedergeboorte is. Men sterft nl. voor een vorig leven, en men begint een nieuw leven. Daarom zegt St. Jan. (3, 5) : « Indien iemand niet uit water en den heiligen Geest wordt wedergeboren, kan hij het rijk der hemelen niet 224binnengaan. » Welnu, een en dezelfde mensch wordt maar eens geboren en bijgevolg kan het doopsel evenmin als de lichamelijke geboorte hernieuwd worden. Zoo komt het dat Augustinus op de woorden bij St. Jan (3, 4) : « Kan de mensch dan terug in den schoot van zijn moeder gaan en andermaal geboren worden, » het volgende schrijft (11e Tract. op St. Jan.) : « op de wijze waarop Nicodemus de geboorte van het lichaam begrijpt, op die wijze moet gij de geboorte van den geest begrijpen; zooals men niet terug in de baarmoeder kan ingaan, zoo kan het doopsel niet hernieuwd worden. » Ten tweede omdat we gedoopt worden in den dood van Christus, waardoor we sterven voor de zonden, en tot een nieuw leven verrijzen. Welnu, Jezus-Christus is maar eenmaal gestorven. Daarom mag het doopsel dan ook niet hernieuwd worden. Daarvandaan dat de Apostel in den Brief aan de Hebreërs (6, 6) aan diegenen die het doopsel wilden vernieuwen zegt : « Den Zoon van God wilt ge om u, andermaal kruisigen. » En daarop zegt de glossa : « de eene dood van Christus heeft het eene doopsel gewijd. » Ten derde, omdat het doopsel een merkteeken inprent dat onuitwischbaar is en met een zekere wijding wordt toegediend. Bijgevolg wordt, evenmin als in de heilige kerk andere wijdingen vernieuwd worden, het doopsel vernieuwd. Dit is overigens de meening welke St. Augustinus zelf in zijn geschriften 225tegen Parmenianus (2, 13) toegedaan is : « Een krijgsteeken wordt niet hernieuwd, welnu het sacrament van Christus kleeft niet minder aan de zielen vast dan het lichamelijk teeken; we zien immers dat geloofsverzakers wanneer ze door boetvaardigheid terug in de kerk binnen treden van het doopsel niet geroofd geacht en niet herdoopt worden. » Ten vierde, omdat het doopsel op bizondere wijze tegen de erfzonde gericht is. Zooals nu de erfzonde niet kan vernieuwd worden, zoo kan het dus het doopsel evenmin; in den Brief aan de Romeinen staat immers geschreven (5, 18) : « Evenals door de schuld van één op alle menschen de veroordeeling gevallen is, zoo ook komt door de gerechtigheid van Eén over alle menschen de rechtvaardigmaking die leven voortbrengt. »Leerstelling. — Het doopsel mag vooreerst niet hernieuwd worden, omdat het een geestelijke wedergeboorte is. Men sterft nl. voor een vorig leven, en men begint een nieuw leven. Daarom zegt St. Jan. (3, 5): “Indien iemand niet uit water en de heilige Geest wordt wedergeboren, kan hij het rijk van de hemelen niet 224binnengaan.” Welnu, een en dezelfde mens wordt maar eens geboren en bijgevolg kan het doopsel evenmin als de lichamelijke geboorte hernieuwd worden. Zo komt het dat Augustinus op de woorden bij St. Jan (3, 4): “Kan de mens dan terug in de schoot van zijn moeder gaan en andermaal geboren worden,” het volgende schrijft (11e Tract. op St. Jan.): “op de wijze waarop Nikodemus de geboorte van het lichaam begrijpt, op die wijze moet gij de geboorte van de geest begrijpen; zoals men niet terug in de baarmoeder kan ingaan, zo kan het doopsel niet hernieuwd worden.” Ten tweede omdat we gedoopt worden in de dood van Christus, waardoor we sterven voor de zonden, en tot een nieuw leven verrijzen. Welnu, Jezus-Christus is maar eenmaal gestorven. Daarom mag het doopsel dan ook niet hernieuwd worden. Daarvandaan dat de Apostel in de Brief aan de Hebreërs (6, 6) aan diegenen die het doopsel wilden vernieuwen zegt: “De Zoon van God wilt ge om u, andermaal kruisigen.” En daarop zegt de glossa: “de ene dood van Christus heeft het ene doopsel gewijd.” Ten derde, omdat het doopsel een merkteken inprent dat onuitwisbaar is en met een zekere wijding wordt toegediend. Bijgevolg wordt, evenmin als in de heilige kerk andere wijdingen vernieuwd worden, het doopsel vernieuwd. Dit is overigens de mening welke St. Augustinus zelf in zijn geschriften 225tegen Parmenianus (2, 13) toegedaan is: “Een krijgsteken wordt niet hernieuwd, welnu het sacrament van Christus kleeft niet minder aan de zielen vast dan het lichamelijk teken; we zien immers dat geloofsverzakers wanneer ze door boetvaardigheid terug in de kerk binnen treden van het doopsel niet geroofd geacht en niet herdoopt worden.” Ten vierde, omdat het doopsel op bizondere wijze tegen de erfzonde gericht is. Zoals nu de erfzonde niet kan vernieuwd worden, zo kan het dus het doopsel evenmin; in de Brief aan de Romeinen staat immers geschreven (5, 18): “Evenals door de schuld van één op alle mensen de veroordeling gevallen is, zo ook komt door de gerechtigheid van Eén over alle mensen de rechtvaardigmaking die leven voortbrengt.”

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod baptismus operatur in virtute passionis Christi, sicut supra dictum est [art. 2. huj. q.]. Et ideo sicut peccata sequentia virtutem passionis Christi non auferunt, ita etiam non auferunt baptismum, ut necesse sit ipsum iterari, sed poenitentia superveniente tollitur peccatum, quod impediebat effectum baptismi.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het doopsel werkt zooals hierboven bewezen werd (2e Art. dezer Kw.) uit kracht van Christus lijden. Zooals dus toekomstige zonden de kracht van Christus lijden niet kunnen wegnemen, zoo kunnen ze evenmin het doopsel dermate te niet doen, dat men zou moeten herdoopen, maar de zonden die het uitwerksel van het doopsel in den weg staan worden door de biecht weggenomen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het doopsel werkt zoals hierboven bewezen werd (2e Art. van deze Kw.) uit kracht van Christus lijden. Zoals dus toekomstige zonden de kracht van Christus lijden niet kunnen wegnemen, zo kunnen ze evenmin het doopsel dermate te niet doen, dat men zou moeten herdopen, maar de zonden die het uitwerksel van het doopsel in de weg staan worden door de biecht weggenomen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod, sicut Augustinus dicit super illud Joan. 2261 [v. 33] : « Sed ego nesciebam eum » [tract. 5. in Joan.] : « Ecce post Joannem baptizatum est, post homicidam non est baptizatum; quia Joannes dedit baptismum suum; homicida dedit baptismum Christi; quod sacramentum tam sanctum est, ut nec homicida ministrante polluatur ».

2. Bij die woorden uit Sint Jan's Evangelie (1, 31) : « Ik 226kende hem niet. » zegt de heilige Augustinus (5e Tract.) : « Nadat St. Jan het doopsel had toegediend werd het andermaal toegediend, doch nadat een moordenaar het doopsel heeft toegediend wordt het niet andermaal toegediend. » Dit omdat St. Jan zijn eigen doopsel toediende, een moordenaar daarentegen het doopsel van Christus. Het doopsel nu is zoo heilig, dat het zelfs wanneer een moordenaar er de bedienaar van is, niet kan besmet worden.2. Bij die woorden uit Sint Jan's Evangelie (1, 31): “Ik 226kende hem niet.” zegt de heilige Augustinus (5e Tract.): “Nadat St. Jan het doopsel had toegediend werd het andermaal toegediend, doch nadat een moordenaar het doopsel heeft toegediend wordt het niet andermaal toegediend.” Dit omdat St. Jan zijn eigen doopsel toediende, een moordenaar daarentegen het doopsel van Christus. Het doopsel nu is zo heilig, dat het zelfs wanneer een moordenaar er de bedienaar van is, niet kan besmet worden.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod Pauliani et Cataphrygae non baptizabant in nomine Trinitatis; unde Gregorius dicit scribens Quirino episcopo [in Regist. lib. 11, epist. 67.] : « Hi haeretici, qui in Trinitatis nomine minime baptizabant, sicut sunt Bonosiani et Cataphrygae (qui scilicet idem sentiebant cum Paulianis), quia et illi Christum Deum non credunt, existimantes ipsum scilicet esse purum hominem, et isti (scilicet Cataphrygae), Spiritum Sanctum perverso sensu esse quendam pravum hominem, Montanum scilicet credunt; tales, cum ad sanctam Ecclesiam veniunt, baptizantur, quia baptisma non fuit, quod in errore positi in sanctae Trinitatis nomine minime perceperunt ». Sed, sicut in Regulis Eccles. [lib. de Eccles. Dogm. cap. 52, inter opera August.] dicitur : « Si qui apud illos haereticos 227baptizati sunt, qui in sanctae Trinitatis confessione baptizabant et veniunt ad catholicam fidem, recipiantur ut baptizati ».

3. De Pauliniasten en de Cataphrygers doopten niet in naam van de heilige Drievuldigheid. Zoo komt het dat de heilige Paus Gregorius wanneer hij aan Bisschop Quirinus schreef (Regist. 9, 61) zeide : « Die ketters, die niet in den naam van de heilige Drievuldigheid doopten, zijn er net als de Bonosianen en de Cataphrygers, die hetzelfde als de Pauliniasten geloofden, aan toe. Ze gelooven nl. niet dat Christus God is, maar denken dat hij enkel een mensch was; ja zij meenen met verkeerde denkbeelden dat de heilige Geest een zekere Montanus een boos mensch nl. is. Wanneer nu die ketters tot de heilige Kerk komen, worden ze gedoopt; vroeger is er immers, omdat ze het doopsel niet in naam van de heilige Drievuldigheid ontvangen hebben, zoolang ze in hun ketterij bleven volharden, geen doopsel geweest. » Er wordt echter in de kerkelijke wetten, (De Eccl. 52) ook op gewezen dat: « 227indien er onder bewuste ketters gevonden worden die met de belijdenis der heilige Drievuldigheid gedoopt werden, deze wanneer ze tot de katholieke Kerk overkomen, als gedoopten mogen ontvangen worden. »3. De Pauliniasten en de Cataphrygers doopten niet in naam van de heilige Drievuldigheid. Zo komt het dat de heilige Paus Gregorius wanneer hij aan Bisschop Quirinus schreef (Regist. 9, 61) zeide: “Die ketters, die niet in de naam van de heilige Drievuldigheid doopten, zijn er net als de Bonosianen en de Cataphrygers, die hetzelfde als de Pauliniasten geloofden, aan toe. Ze geloven nl. niet dat Christus God is, maar denken dat hij enkel een mens was; ja zij menen met verkeerde denkbeelden dat de heilige Geest een zekere Montanus een boos mens nl. is. Wanneer nu die ketters tot de heilige Kerk komen, worden ze gedoopt; vroeger is er immers, omdat ze het doopsel niet in naam van de heilige Drievuldigheid ontvangen hebben, zolang ze in hun ketterij bleven volharden, geen doopsel geweest.” Er wordt echter in de kerkelijke wetten, (De Eccl. 52) ook op gewezen dat: “227indien er onder bewuste ketters gevonden worden die met de belijdenis van de heilige Drievuldigheid gedoopt werden, deze wanneer ze tot de katholieke Kerk overkomen, als gedoopten mogen ontvangen worden.”

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod, sicut dicit Decret. Alexandri III. [cap. De quibus, 2. De Baptis. et ejus effec.] : « De quibus dubium est, an baptizati fuerint, baptizentur, his verbis praemissis : Si baptizatus es, ego non te baptizo, sed si nondum baptizatus es, ego te baptizo, etc.; non enim videtur iterari, quod nescitur esse factum ».

4. Het Decreet van Alexander de IIIe zegt ons dat als er twijfel bestaat of iemand wel degelijk gedoopt is, deze moet gedoopt worden, alleen moeten dan de volgende woorden voorafgaan : « Indien ge reeds gedoopt zijt, dan doop ik u niet; doch als ge niet gedoopt zijt, dan doop ik u. » Iets waarvan men niet weet dat het reeds geschied is, wordt immers niet vernieuwd.4. Het Decreet van Alexander de derde zegt ons dat als er twijfel bestaat of iemand wel degelijk gedoopt is, deze moet gedoopt worden, alleen moeten dan de volgende woorden voorafgaan: “Indien ge reeds gedoopt zijt, dan doop ik u niet; doch als ge niet gedoopt zijt, dan doop ik u.” Iets waarvan men niet weet dat het reeds geschied is, wordt immers niet vernieuwd.

↑ bedenking 5

Ad quintum dicendum, quod utrumque sacramentum, scilicet baptismi et Eucharistiae, est repraesentativum Dominicae mortis et passionis, aliter tamen et aliter, nam in baptismo commemoratur mors Christi, inquantum homo Christo commoritur, ut in novam vitam regeneretur, sed in sacramento Eucharistiae commemoratur mors Christi, inquantum ipse Christus passus exhibetur nobis, quasi paschale convivium, secundum illud 1. ad Corinth. 5 [v. 7-8] : « Pascha nostrum immolatus est Christus, itaque epulemur »; 228et quia homo semel nascitur, multoties autem cibatur, semel tantum datur baptismus, multoties autem Eucharistia.

5. De beide sacramenten van het doopsel en van de Eucharistie, geven alle beiden den dood en het lijden des Heeren te kennen, dit echter op verschillende wijze. Bij het doopsel wordt nl. de dood van Christus herdacht, omdat de mensch samen met Christus sterft om tot een nieuw leven te worden herboren. De Eucharistie daarentegen herinnert aan den dood van Christus, omdat overeenkomstig de woorden uit den Eersten brief aan de Corinthiërs (5, 7) : « Christus ons paaschlam is geslacht, laten wij dan feest vieren. » de geslachtofferde Christus ons als paaschlam aangeboden wordt. Omdat nu de mensch maar eenmaal geboren wordt, maar zich integendeel dikwijls moet voeden, daarom wordt het 228doopsel maar een toegediend, de Eucharistie integendeel meermalen.5. De beide sacramenten van het doopsel en van de Eucharistie, geven alle beiden de dood en het lijden van de Heer te kennen, dit echter op verschillende wijze. Bij het doopsel wordt nl. de dood van Christus herdacht, omdat de mens samen met Christus sterft om tot een nieuw leven te worden herboren. De Eucharistie daarentegen herinnert aan de dood van Christus, omdat overeenkomstig de woorden uit de Eerste brief aan de Korintiërs (5, 7): “Christus ons paaslam is geslacht, laten wij dan feest vieren.” de geslachtofferde Christus ons als paaslam aangeboden wordt. Omdat nu de mens maar eenmaal geboren wordt, maar zich integendeel dikwijls moet voeden, daarom wordt het 228doopsel maar een toegediend, de Eucharistie integendeel meermalen.

Articulus X

Utrum ritus, quo Ecclesia in baptizando utitur, sit conveniens

[4. Dist. 2. q. 1. art. 3. ad 7. et Dist. 6. q. 2. art. 1. q. 3.]
Xe Artikel

Is de ritus dien de heilige Kerk bij het doopsel gebruikt goed gekozen?Is de ritus die de heilige Kerk bij het doopsel gebruikt goed gekozen?

antwoord 1 ↓

Ad decimum sic proceditur Videtur, quod non sit conveniens ritus, quo Ecclesia utitur in baptizando. Ut enim dicit Chrysostomus [in Matth., c. 3, v. 15, in Chromatius], « nunquam aquae baptismi purgare peccata credentium possent, nisi tactu Dominici corporis sanctificatae fuissent ». Hoc autem factum fuit in baptismo Christi, qui celebratur in festo Epiphaniae. Ergo magis deberet celebrari solemnis baptismus in festo Epiphaniae, quam in vigilia Paschae et in vigilia Pentecostes.

Bedenkingen. — Men beweert dat de ritus dien de heilige Kerk bij het doopsel gebruikt geen behoorlijke ritus is. — 1. De heilige Chrysostomus zegt dat het water van het doopsel nooit de kracht zou hebben de zonden van de geloovigen uit te wisschen; moest dit water niet geheiligd geweest zijn door de aanraking met het lichaam des Heeren. Welnu, dit geschiedde met het doopsel van Christus, dat op het feest van Driekoningen gevierd wordt. Zoo zou dus de plechtigheid veeleer op het feest van Driekoningen dan op de vigilie van Paschen of Pinksteren moeten gevierd worden.Bedenkingen. — Men beweert dat de ritus die de heilige Kerk bij het doopsel gebruikt geen behoorlijke ritus is. — 1. De heilige Chrysostomus zegt dat het water van het doopsel nooit de kracht zou hebben de zonden van de gelovigen uit te wissen; moest dit water niet geheiligd geweest zijn door de aanraking met het lichaam van de Heer. Welnu, dit geschiedde met het doopsel van Christus, dat op het feest van Driekoningen gevierd wordt. Zo zou dus de plechtigheid veeleer op het feest van Driekoningen dan op de vigilie van Pasen of Pinksteren moeten gevierd worden.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, ad idem sacramentum non videtur pertinere diversarum 229materiarum usus. Sed ad baptismum pertinet ablutio aquae. Inconvenienter igitur ille qui baptizatur, bis inungitur oleo sancto, primum in pectore, deinde inter scapulas, et tertio chrismate in vertice.

2. Het gebruik van verschillende stoffen kan niet tot een en hetzelfde sacrament behooren. Welnu, tot het doopsel behoort de 229wassching met water. Zoo is het dus ongepast dengene die gedoopt wordt, eerst op de borst, dan tusschen de schouders met heilige olie en verder nog met heilig Chrisma op het hoofd te balsemen.2. Het gebruik van verschillende stoffen kan niet tot een en hetzelfde sacrament behoren. Welnu, tot het doopsel behoort de 229wassing met water. Zo is het dus ongepast dengene die gedoopt wordt, eerst op de borst, dan tussen de schouders met heilige olie en verder nog met heilig Chrisma op het hoofd te balsemen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, in Christo Jesu non est masculus et foemina, barbarus et Scytha [Coloss. 3, v. 11], et eadem ratione nec aliquae aliae hujusmodi differentiae. Multo igitur minus diversitas vestium aliquid operatur in fide Christi. Inconvenienter igitur baptizatis traditur candida vestis.

3. Voor Christus Jezus bestaat er noch man noch vrouw, noch barbaar, noch Scyth en om eenzelfde reden evenmin andere dergelijke verschilpunten, zoo zal nog veel minder het verschil van kleederen op het geloof in Christus nawerken, en daarom past het niet de geloovigen een wit kleed te overhandigen.3. Voor Christus Jezus bestaat er noch man noch vrouw, noch barbaar, noch Scyth en om eenzelfde reden evenmin andere dergelijke verschilpunten, zo zal nog veel minder het verschil van klederen op het geloof in Christus nawerken, en daarom past het niet de gelovigen een wit kleed te overhandigen.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, sine hujusmodi observantiis potest baptismus celebrari. Haec igitur quae dicta sunt, videntur esse superflua, et ita inconvenienter ab Ecclesia instituta esse in ritu baptismi.

4. Het doopsel mag zonder al die ceremoniën worden toegediend. Zoo blijkt dus alles wat even vernoemd werd overbodig te zijn, en bijgevolg ten onrechte door de heilige Kerk als ritus van het doopsel bepaald te zijn.4. Het doopsel mag zonder al die ceremoniën worden toegediend. Zo blijkt dus alles wat even vernoemd werd overbodig te zijn, en bijgevolg ten onrechte door de heilige Kerk als ritus van het doopsel bepaald te zijn.

Sed contra est, quod Ecclesia regitur Spiritu Sancto, qui nihil inordinatum operatur.

Daartegenover staat echter dat de heilige Kerk door den heiligen Geest die niets ongeregelds bewerkt geleid wordt.Daartegenover staat echter dat de heilige Kerk door de heilige Geest die niets ongeregelds bewerkt geleid wordt.

Respondeo dicendum, quod in sacramento baptismi aliquid agitur, quod est de necessitate sacramenti, et aliquid est, quod ad quandam 230solemnitatem sacramenti pertinet. De necessitate quidem sacramenti est forma, quae designat principalem causam sacramenti, et minister, qui est causa instrumentalis, et usus materiae, scilicet ablutio in aqua, quae designat principalem sacramenti effectum. Caetera vero omnia, quae in ritu baptizandi observat Ecclesia, magis pertinent ad quandam solemnitatem sacramenti; quae quidem adhibentur in sacramento propter tria : primo quidem ad excitandam devotionem fidelium et reverentiam ad sacramentum : si enim simpliciter fieret ablutio in aqua absque solemnitate, de facili ab aliquibus aestimaretur quasi quaedam communi ablutio. Secundo ad fidelium instructionem : simplices enim, qui litteris non erudiuntur, oportet erudire per aliqua sensibilia signa, puta per picturas, et aliqua hujusmodi; et per hunc modum per ea quae in sacramentis aguntur, vel instruuntur vel solicitantur ad quaerendum de his, quae per hujusmodi sensibilia signa significantur. Et ideo quia praeter principalem sacramenti effectum, oportet quaedam alia scire circa baptismum, conveniens fuit, ut etiam quibusdam exterioribus 231signis repraesentarentur. Tertio quia per orationes et benedictiones et alia hujusmodi cohibetur vis daemonis ab impedimento sacramentalis effectus.

Leerstelling. — In het doopsel wordt behalve wat tot de geldigheid noodig is, ook nog een en ander dat tot de plechtigheid van het sacrament bijdraagt verricht. Tot de geldigheid van het sacrament behooren de vorm die de hoofdoorzaak van het 230sacrament te kennen geeft, de bedienaar die werktuigelijke oorzaak is, en het gebruik van de stof, de afwassching met water nl. die het bizonderste uitwerksel van het sacrament te kennen geeft. Al het overige dat door de heilige Kerk als ritus van het doopsel wordt in acht genomen behoort eerder tot de plechtigheid van het sacrament, en wordt bij het toedienen van het sacrament om drie verschillende redenen gebruikt. Voor eerst om de godsvrucht van de geloovigen aan te wakkeren en den eerbied voor het sacrament in de hand te werken; moest immers de wassching met water eenvoudig en zonder eenige plechtigheid geschieden dan zouden sommigen kunnen denken dat het alleen om een gewone wassching gaat. Ten tweede tot onderrichting van de geloovigen; eenvoudige menschen die niet geletterd zijn moeten nl. met behulp van zichtbaar waarneembare teekenen bij voorbeeld met schilderijen en andere dergelijke onderwezen worden. Aldus worden ze door hetgeen in de sacramenten wordt afgedaan onderricht, of althans er toe aangezet wat door die zintuigelijk waarneembare teekenen wordt te kennen gegeven, na te zoeken. Daarom dan, omdat het noodig is behalve het voornaamste uitwerksel van het sacrament omtrent het doopsel ook nog andere dingen te weten, is het goed dat die door uiterlijke teekenen worden te kennen gegeven. Ten derde nog, 231omdat door die gebeden en zegeningen en andere dergelijke de kracht van den duivel in zijn pogen om het sacramenteele uitwerksel te verhinderen wordt in bedwang gehouden.Leerstelling. — In het doopsel wordt behalve wat tot de geldigheid nodig is, ook nog een en ander dat tot de plechtigheid van het sacrament bijdraagt verricht. Tot de geldigheid van het sacrament behoren de vorm die de hoofdoorzaak van het 230sacrament te kennen geeft, de bedienaar die werktuigelijke oorzaak is, en het gebruik van de stof, de afwassing met water nl. die het bizonderste uitwerksel van het sacrament te kennen geeft. Al het overige dat door de heilige Kerk als ritus van het doopsel wordt in acht genomen behoort eerder tot de plechtigheid van het sacrament, en wordt bij het toedienen van het sacrament om drie verschillende redenen gebruikt. Voor eerst om de godsvrucht van de gelovigen aan te wakkeren en de eerbied voor het sacrament in de hand te werken; moest immers de wassing met water eenvoudig en zonder enige plechtigheid geschieden dan zouden sommigen kunnen denken dat het alleen om een gewone wassing gaat. Ten tweede tot onderrichting van de gelovigen; eenvoudige mensen die niet geletterd zijn moeten nl. met behulp van zichtbaar waarneembare tekenen bij voorbeeld met schilderijen en andere dergelijke onderwezen worden. Aldus worden ze door hetgeen in de sacramenten wordt afgedaan onderricht, of althans er toe aangezet wat door die zintuigelijk waarneembare tekenen wordt te kennen gegeven, na te zoeken. Daarom dan, omdat het nodig is behalve het voornaamste uitwerksel van het sacrament omtrent het doopsel ook nog andere dingen te weten, is het goed dat die door uiterlijke tekenen worden te kennen gegeven. Ten derde nog, 231omdat door die gebeden en zegeningen en andere dergelijke de kracht van de duivel in zijn pogen om het sacramentele uitwerksel te verhinderen wordt in bedwang gehouden.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod Christus in Epiphania baptizatus est baptismo Joannis, ut supra dictum est [q. 39. art. 2.]. Quo quidem baptismo non baptizantur fideles, sed potius baptismo Christi, qui quidem habet efficaciam ex passione Christi, secundum illud Rom. 6 [v. 3] : « Quicumque baptizati sumus in Christo Jesu, in morte ipsius baptizati sumus », et ex Spiritu Sancto, secundum illud Joan. 3 [v. 5] : « Nisi quis renatus fuerit ex aqua et Spiritu Sancto », etc. Et ideo solemnis baptismus agitur in Ecclesia, et in vigilia Paschae, quando fit commemoratio Dominicae sepulturae et resurrectionis ejusdem (propter quod et Dominus post resurrectionem praeceptum de baptismo discipulis dedit, ut habetur Matth. ult. [v. 19]), et in vigilia Pentecostes, quando incipit celebrari solemnitas Spiritus Sancti; unde et Apostoli leguntur ipso die Pentecostes, quo Spiritum Sanctum receperant, tria millia hominum baptizasse.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus werd zooals gezegd werd, (2e Art. dezer Kw.) op Driekoningen met het doopsel van Joannes gedoopt. De geloovigen nu worden niet met dit doopsel gedoopt, doch veeleer met het doopsel van Christus, dat zijn kracht van het lijden van Christus betrekt. In den Brief aan de Romeinen, (6, 3) lezen we toch : « Alwie gedoopt wordt in Christus Jezus wordt gedoopt in zijn dood. » Het doopsel betrekt ook kracht van den heiligen Geest, aldus Sint Jan (3, 5) : « Indien iemand niet uit water en den heiligen Geest wordt wedergeboren kan hij het rijk der hemelen niet binnen gaan. » Daarom dan wordt het plechtig doopsel in de heilige Kerk én op de vigilie van Paschen, wanneer men nl. Christus begrafenis en verrijzenis herdenkt, toegediend, — om die reden gaf de Heer na de verrijzenis aan zijn leerlingen het bevel te doopen, — én ook op den vigiliedag van Pinksteren, wanneer men nl. begint de plechtigheid van den heiligen Geest te vieren. Zoo komt het overigens dat de Apostelen op Pinksteren 3.000 menschen hebben gedoopt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus werd zoals gezegd werd, (2e Art. van deze Kw.) op Driekoningen met het doopsel van Johannes gedoopt. De gelovigen nu worden niet met dit doopsel gedoopt, doch veeleer met het doopsel van Christus, dat zijn kracht van het lijden van Christus betrekt. In de Brief aan de Romeinen, (6, 3) lezen we toch: “Alwie gedoopt wordt in Christus Jezus wordt gedoopt in zijn dood.” Het doopsel betrekt ook kracht van de heilige Geest, aldus Sint Jan (3, 5): “Indien iemand niet uit water en de heilige Geest wordt wedergeboren kan hij het rijk van de hemelen niet binnen gaan.” Daarom dan wordt het plechtig doopsel in de heilige Kerk én op de vigilie van Pasen, wanneer men nl. Christus begrafenis en verrijzenis herdenkt, toegediend, — om die reden gaf de Heer na de verrijzenis aan zijn leerlingen het bevel te dopen, — én ook op de vigiliedag van Pinksteren, wanneer men nl. begint de plechtigheid van de heilige Geest te vieren. Zo komt het overigens dat de Apostelen op Pinksteren 3.000 mensen hebben gedoopt.

↑ bedenking 2

232Ad secundum dicendum, quod usus aquae adhibetur in baptismo, quasi pertinens ad substantiam sacramenti. Sed usus olei vel chrismatis adhibetur ad quandam solemnitatem, nam primo baptizandus inungitur oleo sancto et in pectore, et in scapulis, « quasi athleta Dei », ut Ambrosius dicit in lib. 1. de Sacram. [cap. 2.], sicut pugiles inungi consueverunt; unde, sicut Innocentius III. dicit in quadam decret. de Sacra Unctione [cap. Cum venisset], « baptizandus in pectore inungitur, ut per Spiritus Sancti donum1 errorem abjiciat et ignorantiam, et fidem rectam suscipiat, quia justus ex fide vivit : inter scapulas autem inungitur, ut per Spiritus Sancti gratiam excutiat2 negligentiam et torporem, et bonam operationem exerceat, quia fides sine operibus mortua est; ut per fidei sacramentum sit munditia cogitationum in pectore, et per operis exercitium fortitudo3 laborum in scapulis ». Post baptismum vero, ut Rabanus dicit [lib. 1. Instit. Cler., cap. 28.], « statim signatur in 233cerebro a presbytero cum sacro chrismate, sequente simul et oratione, ut Christi regni particeps fiat, et a Christo christianus possit vocari ». Vel, sicut Ambrosius dicit [lib. 3. de Sacram. cap. 1.], « unguentum super caput effunditur, quia sensus sapientis in capite ejus, ut scilicet sit paratus omni petenti de fide reddere rationem ».

2322. Water wordt bij het doopsel gebruikt omdat het tot de zelfstandigheid van het sacrament behoort, olie en chrisma daarentegen om de plechtigheid op te luisteren; de gedoopte wordt nl. eerst als een goddelijke athleet met heilige olie op de borst en tusschen de schouders gebalsemd. De H. Ambrosius zegt ten andere in zijn Boek over de Sacramenten (1, 2) dat : « De gedoopten evenals vuistvechters met olie worden ingestreken. » en Innocentius de IIIe zegt in een decreet over de heilige zalving (kap. Cum. venisset) « dat de gedoopte op de borst met olie wordt ingestreken, opdat hij door de gave van den heiligen Geest onwetendheid en dwaling zou verwerpen en het ware geloof ontvangen; de rechtvaardige immers leeft van het geloof. Tusschen de schouders wordt hij met olie bestreken, opdat hij door de genade van den heiligen Geest nalatigheid en lauwheid zou overwinnen en goede werken beoefenen, zonder de werken toch is het geloof dood. Verder geschiedt die inbalseming ook opdat door het sacrament van het geloof reinheid van gedachten ons inborst, en werkkracht onze schouders zou kenmerken. » Nog schrijft Rabanus Maurus het volgende (De Inst. Cleric., 1, 28) : « Na het doopsel wordt den nieuw 233gedoopten aanstonds door den priester op het hoofd met het heilig chrisma geteekend, en de priester spreekt een gebed over hem uit opdat hij aan het rijk van Christus zou deelachtig worden en naar Christus, een Christen zou genoemd worden. » en eindelijk zegt de H. Ambrosius (De Sacram. 3, 1) : « Balsem wordt op zijn hoofd uitgestort omdat de wijsheid van den mensch in het hoofd zetelt, en opdat hij aan iedereen die het vraagt zou kunnen rekenschap geven van zijn geloof. »2322. Water wordt bij het doopsel gebruikt omdat het tot de zelfstandigheid van het sacrament behoort, olie en chrisma daarentegen om de plechtigheid op te luisteren; de gedoopte wordt nl. eerst als een goddelijke atleet met heilige olie op de borst en tussen de schouders gebalsemd. De H. Ambrosius zegt ten andere in zijn Boek over de Sacramenten (1, 2) dat: “De gedoopten evenals vuistvechters met olie worden ingestreken.” en Innocentius de derde zegt in een decreet over de heilige zalving (kap. Cum. venisset) “dat de gedoopte op de borst met olie wordt ingestreken, opdat hij door de gave van de heilige Geest onwetendheid en dwaling zou verwerpen en het ware geloof ontvangen; de rechtvaardige immers leeft van het geloof. Tussen de schouders wordt hij met olie bestreken, opdat hij door de genade van de heilige Geest nalatigheid en lauwheid zou overwinnen en goede werken beoefenen, zonder de werken toch is het geloof dood. Verder geschiedt die inbalseming ook opdat door het sacrament van het geloof reinheid van gedachten ons inborst, en werkkracht onze schouders zou kenmerken.” Nog schrijft Rabanus Maurus het volgende (De Inst. Cleric., 1, 28): “Na het doopsel wordt de nieuw 233gedoopten aanstonds door de priester op het hoofd met het heilig chrisma getekend, en de priester spreekt een gebed over hem uit opdat hij aan het rijk van Christus zou deelachtig worden en naar Christus, een Christen zou genoemd worden.” en eindelijk zegt de H. Ambrosius (De Sacram. 3, 1): “Balsem wordt op zijn hoofd uitgestort omdat de wijsheid van de mens in het hoofd zetelt, en opdat hij aan iedereen die het vraagt zou kunnen rekenschap geven van zijn geloof.”

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod vestis illa candida traditur baptizato, non quidem ea ratione, quod non liceat ei aliis vestibus uti, sed in signum gloriosae resurrectionis, ad quam homines per baptismum regenerantur, et ad significandam puritatem vitae, quam debent post baptismum observare, secundum illud Rom. 6 [v. 4] : « In novitate vitae ambulemus ».

3. Dit witte kleed wordt aan de gedoopten overhandigd, niet alsof hij geen andere kleederen mocht dragen, maar als teeken van de heerlijke verrijzenis waartoe de menschen door het doopsel worden wedergeboren; verder nog om de zuiverheid van leven die na het doopsel overeenkomstig wat geschreven staat in den Brief aan de Romeinen (6, 4) : « We moeten wandelen in een nieuwheid van leven », moet worden in acht genomen, te kennen te geven.3. Dit witte kleed wordt aan de gedoopten overhandigd, niet alsof hij geen andere klederen mocht dragen, maar als teken van de heerlijke verrijzenis waartoe de mensen door het doopsel worden wedergeboren; verder nog om de zuiverheid van leven die na het doopsel overeenkomstig wat geschreven staat in de Brief aan de Romeinen (6, 4): “We moeten wandelen in een nieuwheid van leven”, moet worden in acht genomen, te kennen te geven.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod ea quae pertinent ad solemnitatem sacramenti, etsi non sint de necessitate sacramenti, non tamen sunt superflua, quia sunt ad bene esse sacramenti, ut dictum est [in corp.].

4. Wat tot de plechtigheid van het sacrament behoort, is hoewel het niet tot de geldigheid vereischt wordt, daarom nog niet overbodig; het wordt nl. zooals in de leerstelling gezegd werd, tot een behoorlijker toedienen van het sacrament aangewend.4. Wat tot de plechtigheid van het sacrament behoort, is hoewel het niet tot de geldigheid vereist wordt, daarom nog niet overbodig; het wordt nl. zoals in de leerstelling gezegd werd, tot een behoorlijker toedienen van het sacrament aangewend.

Articulus XI

Utrum convenienter describantur tria baptismata

[4. Dist. 4. q. 3. art. 3. et q. 6. art. 4. et Joan. 3. lect. 1. fin. et Hebr. 6. corp. 3. fin.]
XIe Artikel

Worden er terecht drie verschillende doopsels onderscheiden?

antwoord 1 ↓

234Ad undecimum sic proceditur. Videtur, quod inconvenienter describantur tria baptismata, scilicet aquae, sanguinis, et flaminis, sive Spiritus Sancti, quia Apostolus dicit Ephes. 4 [v. 5] : « Una fides, unum baptisma ». Sed non est nisi una fides. Ergo non debent poni tria baptismata.

234Bedenkingen. — Men beweert dat er ten onrechte drie verschillende doopsels onderscheiden worden, nl. één doopsel van water, één van bloed en één van begeerte of van den heiligen Geest. — 1. De Apostel zegt in den Brief aan de Ephesiërs (4, 5) « Eén geloof, één doopsel. » Welnu er is maar één geloof en zoo moeten er dus geen drie doopsels onderscheiden worden.234Bedenkingen. — Men beweert dat er ten onrechte drie verschillende doopsels onderscheiden worden, nl. één doopsel van water, één van bloed en één van begeerte of van de heilige Geest. — 1. De Apostel zegt in de Brief aan de Efesiërs (4, 5) “Eén geloof, één doopsel.” Welnu er is maar één geloof en zo moeten er dus geen drie doopsels onderscheiden worden.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, baptismus est quoddam sacramentum, ut ex supradictis patet [q. 65. art. 1]. Sed solus baptismus aquae est sacramentum. Ergo non debent poni alia duo baptismata.

2. Zooals uit de 65e Kw., 1e Art. blijkt is het doopsel een sacrament. Welnu, alleen het doopsel van water is een sacrament. Zoo moet niet gerept worden van andere doopsels.2. Zoals uit de 65e Kw., 1e Art. blijkt is het doopsel een sacrament. Welnu, alleen het doopsel van water is een sacrament. Zo moet niet gerept worden van andere doopsels.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Damascenus in 4. lib. [Orth. Fid. cap. 9] determinat plura alia genera baptismatum. Non ergo debent poni solum tria baptismata.

3. De heilige Joannes Damascenus vermeldt in zijn boek (Over het rechtzinnig geloof, 4, 10) nog veel andere soorten van doopsels. Zoo moeten er dus meer zijn, dan de drie vermelde.3. De heilige Johannes Damascenus vermeldt in zijn boek (Over het rechtzinnig geloof, 4, 10) nog veel andere soorten van doopsels. Zo moeten er dus meer zijn, dan de drie vermelde.

Sed contra est, quod super illud Hebr. 6 [v. 2] : « Baptismatum 235doctrinae » dicit Gloss. [ordin.] : « Pluraliter dicit, quia est baptismus aquae, poenitentiae, et sanguinis ».

Daartegenover echter staat dat de Glosse op die woorden uit den Brief aan de Hebreërs (6; 2) : « De leer der doopen » het 235volgende zegt : « De Apostel spreekt in het meervoud, omdat er drie doopsels zijn : het doopsel van water, van begeerte en van bloed. »Daartegenover echter staat dat de Glosse op die woorden uit de Brief aan de Hebreërs (6; 2): “De leer van de dopen” het 235volgende zegt: “De Apostel spreekt in het meervoud, omdat er drie doopsels zijn: het doopsel van water, van begeerte en van bloed.”

Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 62. art. 5.], baptismus aquae efficaciam habet a passione Christi, cui aliquis configuratur per baptismum, et ulterius sicut a prima causa, a Spiritu Sancto. Licet autem effectus dependeat a prima causa, causa tamen superexcedit effectum, nec dependet ab effectu; et ideo praeter baptismum aquae potest aliquis consequi sacramenti effectum ex passione Christi, inquantum quis ei conformatur, pro Christo patiendo; unde dicitur Apocalyps. 7. [v. 14] : « Hi sunt, qui venerunt ex magna tribulatione et laverunt stolas suas et dealbaverunt eas in sanguine agni ». Eadem etiam ratione aliquis per virtutem Spiritus Sancti consequitur effectum baptismi, non solum sine baptismo aquae, sed etiam sine baptismo sanguinis, inquantum scilicet alicujus cor per Spiritum Sanctum movetur ad credendum et diligendum 236Deum et poenitendum de peccatis. Unde etiam dicitur baptismus poenitentiae; et de hoc dicitur Isa. 4. [v. 4] : « Si abluerit Dominus sordes filiarum Sion, et sanguinem Jerusalem laverit de medio ejus, in spiritu judicii et spiritu ardoris ». Sic igitur utrumque aliorum baptismatum nominatur baptismus, inquantum supplet vicem baptismi aquae; unde dicit Augustinus in 4. lib. de Unico Baptismo parvulorum [contr. Donatist. cap. 2.] : « Baptismi vicem aliquando implere passionem, de latrone illo, cui non baptizato dictum est: « Hodie mecum eris in paradiso », beatus Cyprianus non leve documentum assumpsit, quod etiam atque etiam considerans invenio non tantum passionem pro nomine Christi, id quod baptismo deerat, posse supplere, sed etiam fidem, conversionemque cordis, si forte ad celebrandum mysterium baptismi in angustiis temporum succurri non potest ».

Leerstelling. — Zooals hierboven werd aangetoond (67e Kw., 5e art. en 66e Kw., 2e art.), betrekt het doopsel van water zijn kracht van het lijden van Christus. Men wordt nl. door het doopsel aan den lijdenden Christus gelijkvormig en verder van de eerste oorzaak den heiligen Geest. Hoewel nu het uitwerksel van de eerste oorzaak afhangt, toch gaat de oorzaak het uitwerksel in kracht te boven, en is er lang niet afhankelijk van. Zoo kan dus iemand zonder het doopsel van water te ontvangen, dank zij het lijden van Christus, wanneer hij nl. met voor Christus den marteldood te onderstaan, aan dit lijden deelachtig wordt, het uitwerksel van het sacrament erlangen. Zoo staat er overigens in het Boek der Veropenbaring (7, 14) : « Dezen zijn het die uit de groote verdrukking komen, hun kleederen hebben zij gewasschen en wit gemaakt in het bloed van het leven. » Op dezelfde wijze nu kan iemand door toedoen van den H. Geest, wanneer nl. zijn hart door den H. Geest bewogen wordt om te gelooven, om God te beminnen en zich over zijn zonden te berouwen het 236uitwerksel van het doopsel niet alleen zonder het doopsel van water, maar ook zonder het doopsel van bloed ontvangen. Daarover zegt Isaïas (4, 4) : « De Heer zal vlekken der dochters van Sion wasschen en het bloed van Jerusalem in een geest van oordeel en vurigheid uit zijn midden wegnemen. » Zoo worden die beiden doopsels in zoover zij het doopsel vervangen, doopsel genoemd. Daarom zegt de H. Augustinus in het IIe Boek 22 « Over het Doopsel » tegen de Donatisten : « Het lijden kan soms de plaats van het doopsel innemen. » Voor den heiligen Cyprianus, was het geval van den roover aan wien gezegd werd « Vandaag zult ge met Mij zijn in het paradijs, » een afdoend bewijs daarvan. Wat mij betreft hoemeer ik het beschouw, zoomeer kom ik tot het besluit, dat niet alleen het lijden om den naam van Christus, maar ook het geloof en de bekeering des harten, wanneer nl. onveilige tijdsomstandigheden gelegenheid om tot het celebreeren van de geheimenis des doopsels zijn toevlucht te nemen, niet gunnen, het doopsel kunnen vervangen. »Leerstelling. — Zoals hierboven werd aangetoond (67e Kw., 5e art. en 66e Kw., 2e art.), betrekt het doopsel van water zijn kracht van het lijden van Christus. Men wordt nl. door het doopsel aan de lijdende Christus gelijkvormig en verder van de eerste oorzaak de heilige Geest. Hoewel nu het uitwerksel van de eerste oorzaak afhangt, toch gaat de oorzaak het uitwerksel in kracht te boven, en is er lang niet afhankelijk van. Zo kan dus iemand zonder het doopsel van water te ontvangen, dank zij het lijden van Christus, wanneer hij nl. met voor Christus de marteldood te onderstaan, aan dit lijden deelachtig wordt, het uitwerksel van het sacrament erlangen. Zo staat er overigens in het Boek van de Veropenbaring (7, 14): “Deze zijn het die uit de grote verdrukking komen, hun klederen hebben zij gewassen en wit gemaakt in het bloed van het leven.” Op dezelfde wijze nu kan iemand door toedoen van de H. Geest, wanneer nl. zijn hart door de H. Geest bewogen wordt om te geloven, om God te beminnen en zich over zijn zonden te berouwen het 236uitwerksel van het doopsel niet alleen zonder het doopsel van water, maar ook zonder het doopsel van bloed ontvangen. Daarover zegt Jesaja (4, 4): “De Heer zal vlekken van de dochters van Sion wassen en het bloed van Jerusalem in een geest van oordeel en vurigheid uit zijn midden wegnemen.” Zo worden die beiden doopsels in zover zij het doopsel vervangen, doopsel genoemd. Daarom zegt de H. Augustinus in het 2e Boek 22 “Over het Doopsel” tegen de Donatisten: “Het lijden kan soms de plaats van het doopsel innemen.” Voor de heilige Cyprianus, was het geval van de rover aan wie gezegd werd “Vandaag zult ge met Mij zijn in het paradijs,” een afdoend bewijs daarvan. Wat mij betreft hoemeer ik het beschouw, zo meer kom ik tot het besluit, dat niet alleen het lijden om de naam van Christus, maar ook het geloof en de bekering van het hart, wanneer nl. onveilige tijdsomstandigheden gelegenheid om tot het celebreren van de geheimenis van het doopsel zijn toevlucht te nemen, niet gunnen, het doopsel kunnen vervangen.”

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod alia duo baptismata includuntur in 237baptismo aquae, qui efficaciam habet et ex passione Christi, et ex Spiritu Sancto; et ideo per hoc non tollitur unitas baptismatis.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De twee andere doopsels zijn in het doopsel met water dat zijn kracht van het 237lijden van Christus en van den heiligen Geest betrekt bevat. Zoo wordt dan de eenheid van het doopsel niet weggenomen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De twee andere doopsels zijn in het doopsel met water dat zijn kracht van het 237lijden van Christus en van de heilige Geest betrekt bevat. Zo wordt dan de eenheid van het doopsel niet weggenomen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod sicut supra dictum est [q. 60. art. 1.], sacramentum habet rationem signi; alia vero duo conveniunt cum baptismo aquae, non quidem quantum ad rationem signi, sed quantum ad effectum baptismatis; et ideo non sunt sacramenta.

2. Zooals reeds gezegd werd (60e Kw., 1e art.) is het sacrament een teeken. Nu komen de andere doopsels wel wat het uitwerksel maar niet alsof ze teekens waren met het doopsel van water overeen. Zoo zijn ze dus geen sacramenten.2. Zoals reeds gezegd werd (60e Kw., 1e art.) is het sacrament een teken. Nu komen de andere doopsels wel wat het uitwerksel maar niet alsof ze tekens waren met het doopsel van water overeen. Zo zijn ze dus geen sacramenten.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod Damascenus ponit quaedam baptismata figuralia, sicut diluvium, quod fuit signum nostri baptismi, quantum ad salvationem fidelium in Ecclesia, sicut « tunc paucae animae salvae factae sunt in arca », ut dicitur 1. Petr. 3 [v. 20]. Ponit etiam transitum maris Rubri, qui significat nostrum baptisma, quantum ad liberationem a servitute peccati; unde et Apostolus dicit 1. Corinth. 10 [v. 2], quod « omnes baptizati sunt in nube et in mari ». Ponit etiam ablutiones diversas, quae fiebant in veteri lege, praefigurantes nostrum baptisma, quantum ad purgationem peccatorum. Ponit etiam baptismum Joannis, qui fuit praeparatorius ad nostrum baptisma.

3. De heilige Joannes Damascenus heeft het over verschillende voorafbeeldingen van het doopsel, zooals de zondvloed, die om de verlossing van de geloovigen in de heilige Kerk, een teeken was van ons doopsel; ook daar werden immers volgens de woorden uit den Eersten Brief van Petrus (3, 20) weinig menschen verlost in een ark. Nog spreekt hij van de doortocht van de roode zee die het doopsel voorafbeeldt omdat het een redding is uit de slavernij der zonden. Daarom zegt de apostel in den Eersten Brief aan de Korinthiërs (10, 2) : « Allen werden in de wolk en in de zee gedoopt. » Verder spreekt Joannes Damascenus ook van de verschillende wasschingen die in het oude testament plaats grepen, en die het doopsel in zijn taak van zonden te reinigen voorafbeelden. Eindelijk spreekt hij nog van het doopsel van Joannes dat een voorbereiding was tot het doopsel van Christus.3. De heilige Johannes Damascenus heeft het over verschillende voorafbeeldingen van het doopsel, zoals de zondvloed, die om de verlossing van de gelovigen in de heilige Kerk, een teken was van ons doopsel; ook daar werden immers volgens de woorden uit de Eerste Brief van Petrus (3, 20) weinig mensen verlost in een ark. Nog spreekt hij van de doortocht van de rode zee die het doopsel voorafbeeldt omdat het een redding is uit de slavernij van de zonden. Daarom zegt de apostel in de Eerste Brief aan de Korintiërs (10, 2): “Allen werden in de wolk en in de zee gedoopt.” Verder spreekt Johannes Damascenus ook van de verschillende wassingen die in het oude testament plaats grepen, en die het doopsel in zijn taak van zonden te reinigen voorafbeelden. Eindelijk spreekt hij nog van het doopsel van Johannes dat een voorbereiding was tot het doopsel van Christus.

Articulus XII

Utrum baptismus sanguinis sit potissimus inter alia baptismata

[4. Dist. 4. q. 3. art. 3. q. 4. et Hebr. 6. lect. 3. fin.]
XIIe Artikel

Is het doopsel van Bloed het voortreffelijkste doopsel?

antwoord 1 ↓

238Ad duodecimum sic proceditur. Videtur, quod baptismus sanguinis non sit potissimus inter tria praedicta baptismata. Baptismus enim aquae imprimit characterem, quod quidem baptismus sanguinis non facit. Ergo baptismus sanguinis non est potior, quam baptismus aquae.

238Bedenkingen. — Men beweert dat het doopsel van bloed niet het voortreffelijkste is van de drie. — 1. Het doopsel met water prent een merkteeken in, wat het doopsel van bloed niet doet. Zoo is dus het doopsel van bloed niet voortreffelijker dan het doopsel met water.238Bedenkingen. — Men beweert dat het doopsel van bloed niet het voortreffelijkste is van de drie. — 1. Het doopsel met water prent een merkteken in, wat het doopsel van bloed niet doet. Zo is dus het doopsel van bloed niet voortreffelijker dan het doopsel met water.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, baptismus sanguinis valet sine baptismo flaminis, qui est per charitatem : dicitur enim 1. ad Cor. 13 [v. 3] : « Si tradidero corpus meum, ita ut ardeam, charitatem autem non habuero, nihil mihi prodest ». Sed baptismus flaminis valet sine baptismo sanguinis : non enim soli martyres salvantur. Ergo baptismus sanguinis non est potissimus.

2. Zonder het doopsel van begeerte dat door de liefde geschiedt heeft het doopsel van bloed geen waarde. De Apostel schrijft immers in zijn Eersten Brief aan de Korinthiërs (13, 3) : « Zoo ik mijn lichaam overgeef om het te laten verbranden, maar geen liefde heb, dan baat het mij niets. » Integendeel is zonder het doopsel van bloed het doopsel van begeerte ook geldig, niet alleen immers de martelaren worden gered. Zoo is dus het doopsel van bloed niet het voortreffelijkste.2. Zonder het doopsel van begeerte dat door de liefde geschiedt heeft het doopsel van bloed geen waarde. De Apostel schrijft immers in zijn Eersten Brief aan de Korintiërs (13, 3): “Zo ik mijn lichaam overgeef om het te laten verbranden, maar geen liefde heb, dan baat het mij niets.” Integendeel is zonder het doopsel van bloed het doopsel van begeerte ook geldig, niet alleen immers de martelaren worden gered. Zo is dus het doopsel van bloed niet het voortreffelijkste.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, sicut baptismus aquae habet efficaciam a passione Christi, cui secundum praedicta [art. praec.] respondet baptismus 239sanguinis, ita passio Christi efficaciam habet a Spiritu Sancto, secundum illud Hebr. 9 [v. 14] : « Sanguis Christi, qui per Spiritum Sanctum obtulit semetipsum pro nobis, emundabit conscientiam nostram ab operibus mortuis », etc. Ergo baptismus flaminis potior est, quam baptismus sanguinis. Non ergo baptismus sanguinis est potissimus.

3. Evenals het doopsel met water, waaraan zooals gezegd werd het doopsel beantwoordt, zijn kracht van het lijden van Christus betrekt, evenzoo betrekt het lijden van Christus zijn kracht van 239den heiligen Geest. In den Brief aan de Hebreërs (9, 14) staat immers : « Het Bloed van Christus, die zich door toedoen van den heiligen Geest, om ons aan God heeft opgeofferd, zal ons geweten van de werken des doods reinigen enz... » Zoo heeft dus het doopsel van begeerte meer waarde dan het doopsel van bloed, en het doopsel van bloed is dan ook niet het voortreffelijkste.3. Evenals het doopsel met water, waaraan zoals gezegd werd het doopsel beantwoordt, zijn kracht van het lijden van Christus betrekt, evenzo betrekt het lijden van Christus zijn kracht van 239de heilige Geest. In de Brief aan de Hebreërs (9, 14) staat immers: “Het Bloed van Christus, die zich door toedoen van de heilige Geest, om ons aan God heeft opgeofferd, zal ons geweten van de werken van de dood reinigen enz...” Zo heeft dus het doopsel van begeerte meer waarde dan het doopsel van bloed, en het doopsel van bloed is dan ook niet het voortreffelijkste.

Sed contra est, quod Augustinus ad Fortunatum loquens de comparatione baptismatum dicit [de Ecclesiast. Dogmatib. cap. 61, inter opera August.] : « Baptizatus confitetur fidem suam coram sacerdote, martyr coram persecutore; ille post confessionem aspergitur aqua, hic sanguine; ille per impositionem manus pontificis recipit Spiritum Sanctum, hic templum efficitur Spiritus Sancti ».

Daartegenover staat echter wat Augustinus in zijn boek Over de kerkelijke Dogmata (74) zegt, wanneer hij nl. onder verschillende doopsels een vergelijking instelt : « De gedoopte belijdt zijn geloof ten overstaan van den priester. De martelaren echter ten overstaan van den kerkvervolger. De eene wordt na die belijdenis met water besproeid, de andere met bloed. De eene erlangt bij de handenoplegging van den priester den H. Geest, de andere wordt zelf een tempel van den H. Geest. »Daartegenover staat echter wat Augustinus in zijn boek Over de kerkelijke Dogmata (74) zegt, wanneer hij nl. onder verschillende doopsels een vergelijking instelt: “De gedoopte belijdt zijn geloof ten overstaan van de priester. De martelaren echter ten overstaan van de kerkvervolger. De ene wordt na die belijdenis met water besproeid, de andere met bloed. De ene erlangt bij de handenoplegging van de priester de H. Geest, de andere wordt zelf een tempel van de H. Geest.”

Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. praec.], effusio sanguinis pro Christo, et operatio interior Spiritus Sancti dicuntur baptismata inquantum efficiunt effectum baptismi aquae. Baptismus autem aquae 240efficaciam habet a passione Christi, et a Spiritu Sancto, ut dictum est [art. praec.]. Quae quidem duae causae operantur in quolibet horum trium baptismatum, excellentissime tamen in baptismo sanguinis, nam passio Christi operatur quidem in baptismo aquae, per quandam figuralem repraesentationem; in baptismo autem flaminis vel poenitentiae, per quandam affectionem; sed in baptismo sanguinis per imitationem operis. Similiter etiam virtus Spiritus Sancti operatur in baptismo aquae per quandam virtutem latentem; in baptismo autem poenitentiae per cordis commotionem; sed in baptismo sanguinis per potissimum dilectionis et affectionis fervorem, secundum illud Joan. 15. [v. 13] : « Majorem hac dilectionem nemo habet, quam ut animam suam ponat quis pro amicis suis ».

Leerstelling. — Zooals in het vorig artikel gezegd werd, worden het vergieten van zijn bloed om Christus en de innerlijke werking van den H. Geest, inzoover zij het uitwerksel van het doopsel van water, nl. de rechtvaardigmaking van den mensch teweeg brengen, doopsel genoemd. Het doopsel van water betrekt 240zooals we in het vorig artikel aantoonden, zijn kracht van het lijden van Christus en van den heiligen Geest. Die beiden oorzaken nu zijn in de drie doopsels werkzaam, in het doopsel van bloed echter op buitengewone wijze. In het doopsel van water werkt het lijden van Christus immers door een zinnebeeldige voorstelling; in het doopsel van begeerte of van berouw, door een genegenheid der ziel; in het doopsel van bloed daarentegen door echte navolging. Wat verder de kracht van den heiligen Geest betreft, deze werkt in het doopsel van water in het verborgen, in het doopsel van begeerte door een beweging des harten, maar in het doopsel van bloed, volgens de woorden uit het Evangelie van Sint Jan (15, 13) : « Grooter liefde heeft niemand dan deze : dat hij zijn leven aflegt voor zijn vrienden » door een bizonderen liefde-ijver.Leerstelling. — Zoals in het vorig artikel gezegd werd, worden het vergieten van zijn bloed om Christus en de innerlijke werking van de H. Geest, inzover zij het uitwerksel van het doopsel van water, nl. de rechtvaardigmaking van de mens teweeg brengen, doopsel genoemd. Het doopsel van water betrekt 240zoals we in het vorig artikel aantoonden, zijn kracht van het lijden van Christus en van de heilige Geest. Die beiden oorzaken nu zijn in de drie doopsels werkzaam, in het doopsel van bloed echter op buitengewone wijze. In het doopsel van water werkt het lijden van Christus immers door een zinnebeeldige voorstelling; in het doopsel van begeerte of van berouw, door een genegenheid van de ziel; in het doopsel van bloed daarentegen door echte navolging. Wat verder de kracht van de heilige Geest betreft, deze werkt in het doopsel van water in het verborgen, in het doopsel van begeerte door een beweging van het hart, maar in het doopsel van bloed, volgens de woorden uit het Evangelie van Sint Jan (15, 13): “Groter liefde heeft niemand dan deze: dat hij zijn leven aflegt voor zijn vrienden” door een bizonderen liefde-ijver.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod character est res et sacramentum. Non autem dicimus, quod baptismus sanguinis paenitentiam1 habeat secundum rationem sacramenti, sed quantum ad sacramenti effectum.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het merkteeken is én ding én sacrament. Nu zeggen we niet dat het doopsel van bloed als sacrament, wel dat het mits inachtneming van zijn uitwerksel, den voorrang heeft.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het merkteken is én ding én sacrament. Nu zeggen we niet dat het doopsel van bloed als sacrament, wel dat het mits inachtneming van zijn uitwerksel, de voorrang heeft.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod effusio sanguinis non habet rationem 241baptismi, si sit sine charitate. Ex quo patet, quod baptismus sanguinis includit baptismum flaminis, et non e converso. Unde ex hoc ipso probatur perfectior.

2. Bloedvergieten heeft met het doopsel geen uitstaans 241wanneer het zonder liefde geschiedt. Daaruit volgt dat het doopsel van bloed het doopsel van begeerte insluit maar niet omgekeerd, en zoo blijkt het volmaakter te zijn.2. Bloedvergieten heeft met het doopsel geen uitstaans 241wanneer het zonder liefde geschiedt. Daaruit volgt dat het doopsel van bloed het doopsel van begeerte insluit maar niet omgekeerd, en zo blijkt het volmaakter te zijn.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod baptismus sanguinis praeeminentiam habet, non solum ex parte passionis Christi, sed etiam ex parte Spiritus Sancti, ut dictum est [in corp. art.].

3. Het doopsel van bloed heeft niet alleen om Christus lijden, maar ook zooals we in de leerstelling zeiden, om den heiligen Geest, den voorrang.3. Het doopsel van bloed heeft niet alleen om Christus lijden, maar ook zoals we in de leerstelling zeiden, om de heilige Geest, de voorrang.