De praeparatoriis, quae simul concurrunt cum baptismo
Over de voorbereidselen die tot het doopsel vereischt wordenOver de voorbereidselen die tot het doopsel vereist worden
389Deinde considerandum est de praeparatoriis, quae simul concurrunt cum baptismo.
389Thans moeten we ook nog over de voorbereidselen tot het doopsel spreken
Et circa hoc quaeruntur quatuor : 1. Utrum catechismus debeat praecedere baptismum. — 2. Utrum baptismum debeat praecedere exorcismus. — 3. Utrum ea quae aguntur in catechismo et exorcismo, aliquid efficiant, vel solum significent. — 4. Utrum baptizandi debeant catechizari vel exorcizari per sacerdotes.
en dienaangaande moeten vier verschillende zaken behandeld worden. Ten eerste : moet de catechismus vóór het doopsel worden aangeleerd? Ten tweede : dient de duivelbezwering het doopsel vooraf te gaan? Ten derde : wat bij de catechiseering en bij de duivelbezwering verricht wordt, heeft het enkel een zinnebeeldige beteekenis of werkt het ook iets uit? Ten vierde : behooren bewuste catechiseering en duivelbezwering door de priesters gedaan te worden?en dienaangaande moeten vier verschillende zaken behandeld worden. Ten eerste: moet de catechismus vóór het doopsel worden aangeleerd? Ten tweede: dient de duivelbezwering het doopsel vooraf te gaan? Ten derde: wat bij de catechisering en bij de duivelbezwering verricht wordt, heeft het enkel een zinnebeeldige betekenis of werkt het ook iets uit? Ten vierde: behoren bewuste catechisering en duivelbezwering door de priesters gedaan te worden?
Utrum catechismus debeat praecedere baptismum
Dient de catechiseering het doopsel vooraf te gaan?Dient de catechisering het doopsel vooraf te gaan?
390Ad primum sic proceditur. Videtur, quod catechismus non debeat praecedere baptismum. Per baptismum enim regenerantur homines in vitam spiritualem. Sed prius homo accipit vitam, quam doctrinam. Non ergo prius debet homo catechizari, idest doceri, quam baptizari.
390Bedenkingen. — Men beweert dat de catechiseering het doopsel niet dient vooraf te gaan. — 1. Door het doopsel worden de menschen tot het geestelijke leven wedergeboren. Welnu, eerst ontvangt de mensch het leven, daarna het onderwijs. Zoo behoort dus de mensch niet eerst onderwezen en daarna gedoopt te worden.390Bedenkingen. — Men beweert dat de catechisering het doopsel niet dient vooraf te gaan. — 1. Door het doopsel worden de mensen tot het geestelijke leven wedergeboren. Welnu, eerst ontvangt de mens het leven, daarna het onderwijs. Zo behoort dus de mens niet eerst onderwezen en daarna gedoopt te worden.
2. Praeterea, baptismus exhibetur non solum adultis, sed etiam pueris, qui non sunt doctrinae perceptibiles, eo quod non habent usum rationis. Ergo ridiculum est eos catechizare.
2. Het doopsel wordt niet alleen aan volwassenen maar ook aan kinderen, die, omdat ze nog niet het gebruik van hun verstand hebben een onderwijs kunnen ontvangen toegediend. Zoo is het dus ongerijmd ze te onderwijzen.2. Het doopsel wordt niet alleen aan volwassenen maar ook aan kinderen, die, omdat ze nog niet het gebruik van hun verstand hebben een onderwijs kunnen ontvangen toegediend. Zo is het dus ongerijmd ze te onderwijzen.
3. Praeterea, in catechismo confitetur catechizatus suam fidem. Sed pueri non possunt suam fidem confiteri neque per seipsos, neque etiam aliquis alius pro eis, tum quia nullus potest alium ad aliquid obligare, tum etiam quia non potest aliquis scire, utrum pueri, cum ad legitimam aetatem 391pervenerint, assentiant fidei. Non ergo debet catechismus praecedere baptismum.
3. Bij de voorbiecht moet de catechumeen zijn geloof belijden. Welnu, kinderen kunnen niet door zichzelf het geloof belijden en anderen kunnen het evenmin voor hen; niemand kan immers een ander tot iets verplichten, en daarbij weet niemand of die kinderen later, wanneer ze eens tot wettelijken ouderdom zullen gekomen 391zijn, het geloof zullen aanhangen. Zoo dient dus de catechiseering niet het doopsel vooraf te gaan.3. Bij de voorbiecht moet de catechumeen zijn geloof belijden. Welnu, kinderen kunnen niet door zichzelf het geloof belijden en anderen kunnen het evenmin voor hen; niemand kan immers een ander tot iets verplichten, en daarbij weet niemand of die kinderen later, wanneer ze eens tot wettelijke ouderdom zullen gekomen 391zijn, het geloof zullen aanhangen. Zo dient dus de catechisering niet het doopsel vooraf te gaan.
Sed contra est, quod Rabanus de Institut. Cler. [lib. 1. cap. 25.] dicit : « Ante baptismum catechizandi debet hominem praevenire officium, ut fidei primum catechumenus accipiat rudimentum ».
Daartegenover staat echter wat Rabanus in zijn « Priestervorming » (1, 23) zegt : « Vóór het doopsel moet de mensch, opdat hij als catechumeen de eerste vereischten van het geloof zou leeren kennen onderricht worden. »Daartegenover staat echter wat Rabanus in zijn “Priestervorming” (1, 23) zegt: “Vóór het doopsel moet de mens, opdat hij als catechumeen de eerste vereisten van het geloof zou leren kennen onderricht worden.”
Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. praec. art. 1.], baptismus est fidei christianae sacramentum, cum sit quaedam professio fidei christianae. Ad hoc autem quod aliquis fidem accipiat, requiritur quod de fide instruatur, secundum illud Rom. 10. [v. 14] : Quomodo credent ei, quem non audierunt? quomodo autem audient sine praedicante? Et ideo ante baptismum convenienter praecedit catechismus. Unde et Dominus praeceptum baptizandi discipulis tradens, praemittit doctrinam baptismo dicens [Matth. ult., v. 19] : « Euntes docete omnes gentes, baptizantes eos », etc.
Leerstelling. — Zooals hierboven in de vorige kwestie (1e art.) gezegd werd is het doopsel het Sacrament van het christelijk geloof. Opdat nu iemand het geloof zou ontvangen, wordt daartoe vereischt dat hij in het geloof zou onderwezen worden; in den Brief aan de Romeinen (10, 14) staat immers : « Hoe zouden zij in Hem gelooven als zij van Hem niet gehoord hebben? en hoe zouden zij hooren, als niemand predikt? » Daarom is het dan noodig vóór het doopsel te onderrichten. De Heer zelf heeft overigens, wanneer Hij aan zijn discipelen het bevel gaf het doopsel toe te dienen, dit door de waarschuwing de menschen eerst te onderwijzen : « Gaat en onderwijst alle volkeren, ze doopende... » doen voorafgaan.Leerstelling. — Zoals hierboven in de vorige kwestie (1e art.) gezegd werd is het doopsel het Sacrament van het christelijk geloof. Opdat nu iemand het geloof zou ontvangen, wordt daartoe vereist dat hij in het geloof zou onderwezen worden; in de Brief aan de Romeinen (10, 14) staat immers: “Hoe zouden zij in Hem geloven als zij van Hem niet gehoord hebben? en hoe zouden zij horen, als niemand predikt?” Daarom is het dan nodig vóór het doopsel te onderrichten. De Heer zelf heeft overigens, wanneer Hij aan zijn discipelen het bevel gaf het doopsel toe te dienen, dit door de waarschuwing de mensen eerst te onderwijzen: “Gaat en onderwijst alle volkeren, ze dopende...” doen voorafgaan.
392Ad primum ergo dicendum, quod vita gratiae, in qua regeneratur aliquis per baptismum, praesupponit vitam naturae rationalis, qua homo potest esse particeps doctrinae.
392Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het leven der genade waartoe de mensch door het doopsel wordt wedergeboren veronderstelt het leven van een redelijke natuur die aan kennis kan deelachtig gemaakt worden.392Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het leven van de genade waartoe de mens door het doopsel wordt wedergeboren veronderstelt het leven van een redelijke natuur die aan kennis kan deelachtig gemaakt worden.
Ad secundum dicendum, quod, sicut mater Ecclesia, ut supra dictum est [q. 69. art. 6. ad 3.], accommodat pueris baptizandis aliorum pedes, ut veniant, et aliorum cor, ut credant, ita etiam accommodat eis aliorum aures, ut audiant, et intellectum, ut per alios eadem ratione sunt catechizandi, qua sunt baptizandi.
2. In de 59e kw. 6e art. 3e antwoord, hebben we gezegd dat onze moeder de H. Kerk aan kindertjes die moeten gedoopt worden de voeten van andere menschen geeft om tot het doopsel te naderen en het hart van andere menschen om te gelooven; welnu zoover leent ze hen ook andermans ooren om te hooren en andermans verstand om onderwezen te worden. Zoo is het dan dezelfde reden die er ons toe noopt onderwezen te worden en gedoopt te worden.2. In de 59e kw. 6e art. 3e antwoord, hebben we gezegd dat onze moeder de H. Kerk aan kindertjes die moeten gedoopt worden de voeten van andere mensen geeft om tot het doopsel te naderen en het hart van andere mensen om te geloven; welnu zover leent ze hen ook andermans oren om te horen en andermans verstand om onderwezen te worden. Zo is het dan dezelfde reden die er ons toe noopt onderwezen te worden en gedoopt te worden.
Ad tertium dicendum, quod ille qui pro puero baptizato respondet : Credo, non praecidit puerum crediturum, cum ad legitimos annos pervenerit; alioquin diceret : Credet; sed profitetur fidem Ecclesiae in persona pueri, cui communicatur, cujus sacramentum ei tribuitur, et ad quam obligatur per alium. Non est enim inconveniens, quod aliquis obligetur per alium in his, quae sunt de necessitate salutis. Similiter etiam patrinus pro puero respondens 393promittit se operam daturum ad hoc, quod puer credat, quod tamen non sufficeret in adultis usum rationis habentibus.
3. Degene die in de plaats van het kind antwoordt «Ik geloof» voorzegt niet dat het kind later, wanneer het de jaren van verstand zal bereikt hebben werkelijk zal gelooven; anders toch zou hij zeggen « het zal gelooven ». — Hij die het kind vertegenwoordigt belijdt integendeel het geloof van de H. Kerk, waardoor het kind het Sacrament van het geloof ontvangt en de verplichtingen er van door bemiddeling van iemand anders op zich neemt. Onredelijk is het immers niet dat iemand zich door bemiddeling van een ander mensch tot hetgeen voor de zaligheid onontbeerlijk is zou verplichten. Evenzoo belooft de peter die voor het kind 393antwoordt te doen wat hij kan opdat het kind zou gelooven; alleen zou zulks voor volwassenen die het gebruik van hun verstand hebben, niet volstaan.3. Degene die in de plaats van het kind antwoordt “Ik geloof” voorzegt niet dat het kind later, wanneer het de jaren van verstand zal bereikt hebben werkelijk zal geloven; anders toch zou hij zeggen “het zal geloven”. — Hij die het kind vertegenwoordigt belijdt integendeel het geloof van de H. Kerk, waardoor het kind het Sacrament van het geloof ontvangt en de verplichtingen er van door bemiddeling van iemand anders op zich neemt. Onredelijk is het immers niet dat iemand zich door bemiddeling van een ander mens tot hetgeen voor de zaligheid onontbeerlijk is zou verplichten. Evenzo belooft de peter die voor het kind 393antwoordt te doen wat hij kan opdat het kind zou geloven; alleen zou zulks voor volwassenen die het gebruik van hun verstand hebben, niet volstaan.
Utrum exorcismus debeat praecedere baptismum
Dient de duivelbezwering het doopsel vooraf te gaan?
Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod exorcismus non debeat praecedere baptismum. Exorcismus enim contra energumenos, idest arreptitios, ordinatur. Sed non omnes baptizandi sunt tales. Ergo exorcismus non debet praecedere baptismum.
Bedenkingen. — Men beweert dat de duivelbezwering het doopsel niet dient vooraf te gaan. — 1. De duivelbezwering wordt tegen bezetenen aangewend. Welnu niet alle doopelingen verkeeren in dien toestand. Zoo dient dus de duivelbezwering het doopsel niet vooraf te gaan.Bedenkingen. — Men beweert dat de duivelbezwering het doopsel niet dient vooraf te gaan. — 1. De duivelbezwering wordt tegen bezetenen aangewend. Welnu niet alle dopelingen verkeren in die toestand. Zo dient dus de duivelbezwering het doopsel niet vooraf te gaan.
2. Praeterea, quamdiu homo subjacet peccato, diabolus in eum habet potestatem, quia, ut dicitur Joan. 8. [v. 34], « qui facit peccatum, servus est peccati ». Sed peccatum tollitur per baptismum. Non ergo ante baptismum sunt homines exorcizandi.
2. Zoolang de mensch aan de zonde onderworpen blijft, heeft de duivel macht over hem; Joannes zegt immers (8, 34) : « Wie zonde bedrijft is slaaf van de zonde. » Welnu het doopsel bevrijdt ons van de zonde. Zoo dienen dus de menschen vóór het doopsel niet bezworen te worden.2. Zolang de mens aan de zonde onderworpen blijft, heeft de duivel macht over hem; Johannes zegt immers (8, 34): “Wie zonde bedrijft is slaaf van de zonde.” Welnu het doopsel bevrijdt ons van de zonde. Zo dienen dus de mensen vóór het doopsel niet bezworen te worden.
3. Praeterea, ad arcendum daemonum potestatem introducta est 394aqua benedicta. Non ergo ad hoc oportebat aliud remedium adhiberi per exorcismos.
3. Om de kracht van den duivel te stuiten gebruikt men 394wijwater. Overbodig is het dus daar nog de duivelbezwering bij te voegen.3. Om de kracht van de duivel te stuiten gebruikt men 394wijwater. Overbodig is het dus daar nog de duivelbezwering bij te voegen.
Sed contra est, quod Coelestinus papa dicit [epist. ad Episc. Galliae, cap. 12] : « Sive parvuli, sive juvenes ad regenerationis veniant sacramentum, non prius fontem vitae adeant, quam exorcismis et exsufflationibus clericorum spiritus immundus ab eis abjiciatur ».
Daartegenover staat echter wat Paus Celestinus zegt (2e epist. 9e hoofdstuk) : « Kinderen of jongelingen die het sacrament der wedergeboorte willen ontvangen moeten vooraleer ze tot de bron des levens mogen naderen door duivelbezweringen en inblazingen van de priesters, van den onreinen geest verlost worden. »Daartegenover staat echter wat Paus Celestinus zegt (2e epist. 9e hoofdstuk): “Kinderen of jongelingen die het sacrament van de wedergeboorte willen ontvangen moeten vooraleer ze tot de bron van het leven mogen naderen door duivelbezweringen en inblazingen van de priesters, van de onreine geest verlost worden.”
Respondeo dicendum, quod quicumque sapienter aliquod opus facere proponit, prius removet impedimenta sui operis; unde dicitur Hierem. 4. [v. 3] : « Novate vobis novale, et nolite serere super spinas ». Diabolus autem hostis est humanae salutis, quae homini per baptismum acquiritur, et habet potestatem aliquam in hominem ex hoc ipso, quod subditur originali peccato, vel etiam actuali. Unde convenienter ante baptismum expelluntur daemones per exorcismos, ne salutem hominis impediant. Quam quidem expulsionem significat exsufflatio; benedictio autem cum manus impositione 395praecludit expulso viam, ne redire possit; sal autem in os missum, et narium et aurium sputo linitio significat receptionem doctrinae fidei quantum ad aures, et approbationem quantum ad nares, et confessionem quantum ad os; olei vero inunctio significat aptitudinem hominis ad pugnandum contra daemones.
Leerstelling. — Als iemand wijs is en een werk wil ten uitvoer brengen, dan begint hij eerst met de hinderpalen uit den weg te ruimen. Daarom zegt de profeet Jeremias (4, 3) : « Bereidt u een nieuw land voor en zaait niet onder de doornen. » De duivel nu is de vijand van de zaligheid die de mensch bij het doopsel erlangt, en wanneer de mensch aan de erfzonde of aan de dadelijke zonde onderworpen is heeft de duivel macht over hem. Bijgevolg moeten, opdat ze de zaligheid van den mensch niet zouden verhinderen, vóór het doopsel eerst de duivels verdreven worden en die uitdrijving wordt door inblazingen afgebeeld. Verder versperren de zegening en de handenoplegging, opdat hij niet zou 395kunnen terugkeeren, den weg aan den uitgedreven geest. Het zout daarentegen dat in den mond gelegd wordt en het inwrijven van neus en ooren met speeksel verzinnebeelden dat de ooren de geloofsleer ontvangen, dat de neus haar goedkeurt en dat de mond die leer zal belijden. Eindelijk geeft de instrijking met olie te kennen dat de mensch voortaan ertoe zal bestand zijn de duivelen te bevechten.Leerstelling. — Als iemand wijs is en een werk wil ten uitvoer brengen, dan begint hij eerst met de hinderpalen uit de weg te ruimen. Daarom zegt de profeet Jeremia (4, 3): “Bereidt u een nieuw land voor en zaait niet onder de doornen.” De duivel nu is de vijand van de zaligheid die de mens bij het doopsel erlangt, en wanneer de mens aan de erfzonde of aan de dadelijke zonde onderworpen is heeft de duivel macht over hem. Bijgevolg moeten, opdat ze de zaligheid van de mens niet zouden verhinderen, vóór het doopsel eerst de duivels verdreven worden en die uitdrijving wordt door inblazingen afgebeeld. Verder versperren de zegening en de handenoplegging, opdat hij niet zou 395kunnen terugkeren, de weg aan de uitgedreven geest. Het zout daarentegen dat in de mond gelegd wordt en het inwrijven van neus en oren met speeksel verzinnebeelden dat de oren de geloofsleer ontvangen, dat de neus haar goedkeurt en dat de mond die leer zal belijden. Eindelijk geeft de instrijking met olie te kennen dat de mens voortaan ertoe zal bestand zijn de duivelen te bevechten.
Ad primum ergo dicendum, quod energumeni dicuntur, quasi interius laborantes ex intrinseca1 operatione diaboli; et quamvis non omnes accedentes ad baptismum corporaliter ab eo vexentur, omnes tamen non baptizati potestati daemonum subjiciuntur, saltem propter originalis peccati reatum.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. De bezetenen zijn diegenen die innerlijk onder de werking van den duivel in hen lijden. Alhoewel nu niet allen die het doopsel ontvangen lichamelijk door den duivel gekweld worden, toch zijn alle ongedoopten ten minste door de schuld van de erfzonde onder de macht van den duivel.Antwoord op de bedenkingen. — 1. De bezetenen zijn diegenen die innerlijk onder de werking van de duivel in hen lijden. Alhoewel nu niet allen die het doopsel ontvangen lichamelijk door de duivel gekweld worden, toch zijn alle ongedoopten ten minste door de schuld van de erfzonde onder de macht van de duivel.
Ad secundum dicendum, quod in baptismo per ablutionem peccati excluditur potestas daemonis ab homine, quantum ad hoc quod impedit eum a perceptione gloriae; sed exorcismi excludunt potestatem daemonis, inquantum impedit hominem a perceptione sacramenti.
2. Door den mensch van zijn zonden te zuiveren, bevrijdt het doopsel den mensch uit de klauwen van den duivel die hem van de hemelsche glorie wil onthouden. Welnu, de duivelbezwering vernietigt de macht van den duivel die den mensch zou willen beletten het doopsel te ontvangen.2. Door de mens van zijn zonden te zuiveren, bevrijdt het doopsel de mens uit de klauwen van de duivel die hem van de hemelse glorie wil onthouden. Welnu, de duivelbezwering vernietigt de macht van de duivel die de mens zou willen beletten het doopsel te ontvangen.
Ad tertium dicendum, quod aqua benedicta datur contra 396impugnationes daemonum, quae sunt ab exteriori; sed exorcismus ordinatur contra impugnationes daemonum, quae sunt ab interiori; unde et energumeni dicuntur, quasi interius laborantes, illi qui exorcizantur. Vel dicendum, quod sicut in remedium contra peccatum secundo datur poenitentia, quia baptismus non iteratur, ita in remedium contra impugnationes daemonum secundo datur aqua benedicta, quia exorcismi baptismales non iterantur.
3. Wijwater wordt tegen uiterlijke aanvechtingen van den duivel aangewend, de duivelbezwering daarentegen tegen zijn 396innerlijke aanvechtingen. Zoo worden dan degenen die bezworen worden, daar zij innerlijk door iemand bezeten worden bezetenen genoemd. Ook mag gezegd worden dat, net zooals na het doopsel de biecht een nieuwe redplank is, — het doopsel wordt immers niet hernieuwd, — zoo ook wijwater, omdat de duivelbezwering van het doopsel niet hernieuwd wordt, tegen de aanvechtingen van den duivel een tweede geneesmiddel is.3. Wijwater wordt tegen uiterlijke aanvechtingen van de duivel aangewend, de duivelbezwering daarentegen tegen zijn 396innerlijke aanvechtingen. Zo worden dan degenen die bezworen worden, daar zij innerlijk door iemand bezeten worden bezetenen genoemd. Ook mag gezegd worden dat, net zoals na het doopsel de biecht een nieuwe redplank is, — het doopsel wordt immers niet hernieuwd, — zo ook wijwater, omdat de duivelbezwering van het doopsel niet hernieuwd wordt, tegen de aanvechtingen van de duivel een tweede geneesmiddel is.
Utrum ea, quae aguntur in exorcismo, aliquid efficiant
Werkt de duivelbezwering iets bepaalds uit?
Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod ea, quae aguntur in exorcismo, non efficiant aliquid, sed solum significent. Si enim puer post exorcismos moriatur ante baptismum, salutem non consequetur. Sed ad hoc ordinatur effectus eorum, quae in sacramentis aguntur, ut homo consequatur salutem; unde et Marc. ultimo [v. 16] dicitur : « Qui crediderit et 397baptizatus fuerit, salvus erit ». Ergo ea, quae aguntur in exorcismo, nihil efficiunt, sed solum significant.
Bedenkingen. — Men beweert dat wat bij de duivelbezwering geschiedt niets uitwerkt maar alleen als zinnebeeld bedoeld wordt. — 1. Indien een kind vóór het doopsel en na de duivelbezwering komt te sterven dan wordt het niet zalig. Welnu, alles wat omtrent de Sacramenten geschiedt moest als uitwerksel de zaligheid bewerken, de H. Mattheus zegt immers in zijn Evangelie (16, 16) : « Wie gelooft en gedoopt wordt zal zalig worden. » 397Zoo werkt dus wat bij de duivelbezwering geschiedt niets uit maar heeft enkel een zinnebeeldige beteekenis.Bedenkingen. — Men beweert dat wat bij de duivelbezwering geschiedt niets uitwerkt maar alleen als zinnebeeld bedoeld wordt. — 1. Indien een kind vóór het doopsel en na de duivelbezwering komt te sterven dan wordt het niet zalig. Welnu, alles wat omtrent de Sacramenten geschiedt moest als uitwerksel de zaligheid bewerken, de H. Matteüs zegt immers in zijn Evangelie (16, 16): “Wie gelooft en gedoopt wordt zal zalig worden.” 397Zo werkt dus wat bij de duivelbezwering geschiedt niets uit maar heeft enkel een zinnebeeldige betekenis.
2. Praeterea, hoc solum requiritur ad sacramentum novae legis, ut sit signum et causa, ut supra dictum est [q. 60. art. 1.]. Si ergo ea, quae aguntur in exorcismo, aliquid efficiant, videtur quod singula sint quaedam sacramenta.
2. De sacramenten der nieuwe wet zijn zooals hierboven gezegd werd (62e Kw. art. 1, par. 2) teeken en oorzaak, moest dus wat bij de duivelbezwering gedaan wordt iets uitwerken, dan zou daaruit volgen dat de duivelbezwering een sacrament is.2. De sacramenten van de nieuwe wet zijn zoals hierboven gezegd werd (62e Kw. art. 1, par. 2) teken en oorzaak, moest dus wat bij de duivelbezwering gedaan wordt iets uitwerken, dan zou daaruit volgen dat de duivelbezwering een sacrament is.
3. Praeterea, sicut exorcismus ordinatur ad baptismum, ita etiam si aliquid in exorcismo efficitur ordinatur ad effectum baptismi. Sed dispositio ex necessitate praecedit formam perfectam, quia forma non recipitur nisi in materia disposita. Sequeretur ergo, quod nullus posset consequi effectum baptismi, nisi prius exorcizetur, quod patet esse falsum. Non ergo ea, quae aguntur in exorcismis, aliquem effectum habent.
3. Zooals de duivelbezwering op het doopsel berekend is zoo is wat bij de duivelbezwering gedaan wordt op het uitwerksel van het doopsel berekend. Welnu, geschiktheid tot iets moet de vormelijke volmaaktheid voorafgaan, de vorm kan immers enkel in een geschikte stof ontvangen worden. — Daaruit zou echter volgen dat niemand, zonder eerst bezworen geweest te zijn het uitwerksel van het doopsel kan erlangen; dit nu is volkomen valsch en zoo heeft dus wat bij de duivelbezwering gedaan wordt geen uitwerksel.3. Zoals de duivelbezwering op het doopsel berekend is zo is wat bij de duivelbezwering gedaan wordt op het uitwerksel van het doopsel berekend. Welnu, geschiktheid tot iets moet de vormelijke volmaaktheid voorafgaan, de vorm kan immers enkel in een geschikte stof ontvangen worden. — Daaruit zou echter volgen dat niemand, zonder eerst bezworen geweest te zijn het uitwerksel van het doopsel kan erlangen; dit nu is volkomen vals en zo heeft dus wat bij de duivelbezwering gedaan wordt geen uitwerksel.
4. Praeterea, sicut quaedam aguntur in exorcismo ante baptismum, ita etiam quaedam aguntur post baptismum, sicut quod sacerdos baptizatum chrismate ungit in vertice. Sed ea quae post baptismum aguntur, non videtur aliquid efficere, quia secundum hoc effectus baptismi esset 398imperfectus. Ergo nec ea, quae ante baptismum aguntur in exorcismo, aliquid efficiunt.
4. Zooals sommige handelingen van de duivelbezwering vóór het doopsel plaats grijpen, zoo ook geschieden sommige na het doopsel; zoo b. v. balsemt de priester den doopeling tusschen de schouders met chrisma in. Welnu wat na het doopsel geschiedt werkt niets uit; moest dit immers iets uitwerken dan zou het 398doopsel onvolmaakt zijn. Zoo werkt dus wat bij de duivelbezwering vóór het doopsel geschiedt evenmin iets uit.4. Zoals sommige handelingen van de duivelbezwering vóór het doopsel plaats grijpen, zo ook geschieden sommige na het doopsel; zo bv. balsemt de priester de dopeling tussen de schouders met chrisma in. Welnu wat na het doopsel geschiedt werkt niets uit; moest dit immers iets uitwerken dan zou het 398doopsel onvolmaakt zijn. Zo werkt dus wat bij de duivelbezwering vóór het doopsel geschiedt evenmin iets uit.
Sed contra est, quod Augustinus dicit in lib. 1. de Symbolo [cap. 1] : « Parvuli exsufflantur et exorcizantur, ut pellatur ab eis diaboli potestas inimica, quae decepit hominem ». Nihil autem agitur frustra per Ecclesiam. Ergo per hujusmodi exsufflationes hoc agitur, ut daemonum potestas expellatur.
Daartegenover staat echter wat St. Augustinus in zijn Boek « Het Symbolum » (1, 1) zegt : « Over de kinderen worden, om den duivel die den mensch bedrogen heeft te verjagen inblazingen en bezweringen gedaan. » De H. Kerk doet immers niets zonder reden. Zoo wordt dus door die inblazingen de kracht van de duivelen gestuit.Daartegenover staat echter wat St. Augustinus in zijn Boek “Het Symbolum” (1, 1) zegt: “Over de kinderen worden, om de duivel die de mens bedrogen heeft te verjagen inblazingen en bezweringen gedaan.” De H. Kerk doet immers niets zonder reden. Zo wordt dus door die inblazingen de kracht van de duivelen gestuit.
Respondeo dicendum, quod quidam dixerunt, ea quae in exorcismo aguntur, nihil efficere, sed solum significare. Sed hoc patet esse falsum per hoc, quod Ecclesia in exorcismis imperativis verbis utitur ad expellendam daemonis potestatem, puta cum dicit : « Ergo, maledicte diabole, exi ab eo, etc. ». Et ideo dicendum est, quod aliquem effectum habent, differenter tamen ab ipso baptismo, nam per baptismum datur homini gratia ad plenam remissionem culparum, per ea vero, quae in exorcismo aguntur, excluditur 399duplex impedimentum salutaris gratiae percipiendae : quorum unum est impedimentum extrinsecum, prout daemones hominis salutem impedire conantur; et hoc impedimentum excluditur per exsufflationes, quibus potestas daemonis pellitur, ut patet ex inducta auctoritate Augustini, quantum scilicet ad hoc, quod non praestet impedimentum sacramento suscipiendo; manet tamen potestas daemonis in homine, quantum ad maculam peccati et reatum poenae, quousque peccatum per baptismum tollatur; et secundum hoc Cyprianus dicit [epist. 76, N. 15] : « Scias diaboli nequitiam posse remanere usque ad aquam salutarem, in baptismo autem omnem nequitiam posse amittere ». Aliud impedimentum est intrinsecum, prout scilicet homo ex infectione originalis peccati habet sensus praeclusos ad percipienda saluti mysteria; unde Rabanus de Institutione Clericorum [lib. 1. cap. 27.] dicit, quod « per salivam typicam et sacerdotis tactum sapientia et virtus divina salutem catechumeni operatur, ut aperiantur ei nares ad percipiendum odorem notitiae Dei, ut aperiantur ei aures ad audiendum mandata Dei, ut aperiantur illi sensus in intimo corde ad respondendum ».
Leerstelling. — Sommigen beweerden dat de duivelbezwering niets kan uitwerken, maar enkel iets voorafbeeldt. Welnu, zoo een opvatting is volkomen verkeerd; de H. Kerk spreekt immers bij de duivelbezweringen om den duivel te verdrijven op gebiedende wijze; zoo b.v. wanneer ze zegt : « Vermaledijde duivel, ga van hier uit ». — Daarom moet dan ook gezegd worden dat de duivelbezwering een uitwerking heeft die van hetgeen bij het doopsel geschiedt verschilt; bij het doopsel krijgt de mensch nl. de genade tot vergiffenis van zijn zonden, bij de duivelbezwering integendeel worden de twee hinderpalen om de heiligmakende 399genade te ontvangen uit den weg geruimd. — Het eene beletsel is uiterlijk, dat nl. de duivel de zaligheid van den mensch tracht te verhinderen, en deze hinderpaal wordt zooals uit hetgeen St. Augustinus gezegd heeft blijkt, door de inblazingen, waardoor de kracht van den duivel gestuit wordt, weggenomen; hij kan nl. niet meer beletten dat de mensch het doopsel zou ontvangen. Niettemin heeft de duivel een zekere macht over den mensch, de mensch toch is nog schuldig, en heeft totdat hij heelemaal door het doopsel zal gezuiverd zijn, nog straf voor zijn zonden uit te boeten, zegt de H. Cyprianus. Daarom dat de kwaadwilligheid van den duivel tot aan het doopsel kan blijven voortbestaan, doch dat hij bij het doopsel alle kracht verliest. Het tweede beletsel is een innerlijk beletsel dat door de besmetting van de erfzonde den wil van den mensch van de zaligende mysteriën afzondert. Daarvandaan dat Rabanus Maurus in zijn « Priestervorming » (1, 27) zegt : « De Wijsheid van God en zijn goddelijke kracht verlossen den catechumeen door het geheimzinnig speeksel en door de handenoplegging van den priester; zoo gaan zijn neusgaten open en kunnen ze ruiken, zijn ooren gaan open en nemen de geboden Gods waar, zijn innerlijke zintuigen eindelijk gaan in het binnenste van zijn hart open om het geloof te belijden. »Leerstelling. — Sommigen beweerden dat de duivelbezwering niets kan uitwerken, maar enkel iets voorafbeeldt. Welnu, zo een opvatting is volkomen verkeerd; de H. Kerk spreekt immers bij de duivelbezweringen om de duivel te verdrijven op gebiedende wijze; zo bv. wanneer ze zegt: “Vermaledijde duivel, ga van hier uit”. — Daarom moet dan ook gezegd worden dat de duivelbezwering een uitwerking heeft die van hetgeen bij het doopsel geschiedt verschilt; bij het doopsel krijgt de mens nl. de genade tot vergiffenis van zijn zonden, bij de duivelbezwering integendeel worden de twee hinderpalen om de heiligmakende 399genade te ontvangen uit de weg geruimd. — Het ene beletsel is uiterlijk, dat nl. de duivel de zaligheid van de mens tracht te verhinderen, en deze hinderpaal wordt zoals uit hetgeen St. Augustinus gezegd heeft blijkt, door de inblazingen, waardoor de kracht van de duivel gestuit wordt, weggenomen; hij kan nl. niet meer beletten dat de mens het doopsel zou ontvangen. Niettemin heeft de duivel een zekere macht over de mens, de mens toch is nog schuldig, en heeft totdat hij helemaal door het doopsel zal gezuiverd zijn, nog straf voor zijn zonden uit te boeten, zegt de H. Cyprianus. Daarom dat de kwaadwilligheid van de duivel tot aan het doopsel kan blijven voortbestaan, doch dat hij bij het doopsel alle kracht verliest. Het tweede beletsel is een innerlijk beletsel dat door de besmetting van de erfzonde de wil van de mens van de zaligende mysteriën afzondert. Daarvandaan dat Rabanus Maurus in zijn “Priestervorming” (1, 27) zegt: “De Wijsheid van God en zijn goddelijke kracht verlossen de catechumeen door het geheimzinnig speeksel en door de handenoplegging van de priester; zo gaan zijn neusgaten open en kunnen ze ruiken, zijn oren gaan open en nemen de geboden Gods waar, zijn innerlijke zintuigen eindelijk gaan in het binnenste van zijn hart open om het geloof te belijden.”
400Ad primum ergo dicendum, quod per ea quae aguntur in exorcismo, non tollitur culpa, propter quam homo punitur post mortem, sed solum tolluntur impedimenta recipiendi remissionem culpae per sacramentum. Unde post mortem exorcismus non valet sine baptismo. Praepositivus tamen dicit [Summa, P. 4, cap. de exorcismo], quod pueri exorcizati, si moriantur ante baptismum, minores tenebras patiuntur. Sed hoc non videtur verum, quia tenebrae illae sunt carentia divinae visionis, quae non recipit magis et minus.
400Antwoord op de bedenkingen. — 1. De duivelbezwering neemt de schuld waarvoor de mensch na den dood gestraft wordt niet weg, alleen neemt ze de beletselen die de vergiffenis door het sacrament zouden verhinderen weg, en zoo werkt dus na den dood zonder het doopsel de duivelbezwering niets uit. Praepositivus zegt echter dat kinderen die vóór het doopsel sterven als ze reeds de duivelbezwering ontvangen hebben, minder duisternis zullen te verduren hebben, maar daarmee zijn wij het niet eens; die duisternis toch is niets anders dan het verstoken blijven van de goddelijke beschouwing, waar van minder en meer niet kan sprake zijn.400Antwoord op de bedenkingen. — 1. De duivelbezwering neemt de schuld waarvoor de mens na de dood gestraft wordt niet weg, alleen neemt ze de beletselen die de vergiffenis door het sacrament zouden verhinderen weg, en zo werkt dus na de dood zonder het doopsel de duivelbezwering niets uit. Praepositivus zegt echter dat kinderen die vóór het doopsel sterven als ze reeds de duivelbezwering ontvangen hebben, minder duisternis zullen te verduren hebben, maar daarmee zijn wij het niet eens; die duisternis toch is niets anders dan het verstoken blijven van de goddelijke beschouwing, waar van minder en meer niet kan sprake zijn.
Ad secundum dicendum, quod de ratione sacramenti est, quod perficiat principalem effectum, qui est gratia remittens culpam, vel supplens aliquem hominis defectum; quod quidem non fit per ea, quae aguntur in exorcismo, sed solum hujusmodi impedimenta tolluntur, et ideo non sunt sacramenta, sed sacramentalia quaedam.
2. Tot het wezen van een sacrament behoort genade, die toch het bizonderste uitwerksel van een sacrament is, van schuld ontslaat of bij den mensch een gebrek komt goed maken, te verwekken. Dit alles nu geschiedt niet bij de duivelbezwering, deze immers beoogt enkel de beletselen weg te nemen. Daarom is de duivelbezwering geen sacrament maar enkel een sacramentaal.2. Tot het wezen van een sacrament behoort genade, die toch het bizonderste uitwerksel van een sacrament is, van schuld ontslaat of bij de mens een gebrek komt goed maken, te verwekken. Dit alles nu geschiedt niet bij de duivelbezwering, deze immers beoogt enkel de beletselen weg te nemen. Daarom is de duivelbezwering geen sacrament maar enkel een sacramentaal.
Ad tertium dicendum, quod dispositio sufficiens ad suscipiendam gratiam baptismalem, est fides et intentio, vel propria ejus qui baptizatur, si sit adultus, vel ipsius Ecclesiae, si sit parvulus. Ea vero quae aguntur in 401exorcismo, ordinantur ad removendum impedimenta, et ideo sine eo potest aliquis consequi effectum baptismi. Non tamen sunt hujusmodi praetermittenda, nisi in necessitatis articulo, et tunc cessante periculo, debent suppleri, ut servetur uniformitas in baptismo. Nec frustra supplentur post baptismum, quia sicut impeditur effectus baptismi, antequam percipiatur; ita potest impediri, postquam fuerit perceptus.
3. De gesteltenis die om de genade van het doopsel te ontvangen vereischt wordt komt neer op geloof en een goed opzet, ofwel indien de doopeling nog een kind is, bij de H. Kerk. Welnu wat bij de duivelbezwering geschiedt is er op berekend de beletselen 401tot de genade weg te nemen en daarom kan men ook zonder duivelbezwering de uitwerkselen van het doopsel erlangen. Niettemin mag ze, behalve wanneer er gevaar van sterven is, niet worden achterwege gelaten. Wanneer dan dit gevaar geweken is moet, om de toediening van het doopsel overal éénvormig te houden, wat nog ontbrak worden aangevuld. Na het doopsel aan te vullen is immers niet overbodig; want zooals de uitwerkselen van het doopsel vooraleer het doopsel te ontvangen, kunnen verhinderd worden zoo ook kunnen die uitwerkselen eens dat men reeds het doopsel ontvangen heeft, belet worden.3. De gesteltenis die om de genade van het doopsel te ontvangen vereist wordt komt neer op geloof en een goed opzet, ofwel indien de dopeling nog een kind is, bij de H. Kerk. Welnu wat bij de duivelbezwering geschiedt is er op berekend de beletselen 401tot de genade weg te nemen en daarom kan men ook zonder duivelbezwering de uitwerkselen van het doopsel erlangen. Niettemin mag ze, behalve wanneer er gevaar van sterven is, niet worden achterwege gelaten. Wanneer dan dit gevaar geweken is moet, om de toediening van het doopsel overal éénvormig te houden, wat nog ontbrak worden aangevuld. Na het doopsel aan te vullen is immers niet overbodig; want zoals de uitwerkselen van het doopsel vooraleer het doopsel te ontvangen, kunnen verhinderd worden zo ook kunnen die uitwerkselen eens dat men reeds het doopsel ontvangen heeft, belet worden.
Ad quartum dicendum, quod eorum quae aguntur post baptismum circa baptizatum, aliquid est, quod non solum significat, sed efficit, puta inunctio, quae fit in vertice, quae operatur conservationem gratiae baptismalis; aliquid autem est, quod nihil efficit, sed solum significat, sicut quod datur ei vestis candida ad significandum novitatem vitae.
4. Onder de ceremoniën die na het doopsel geschieden zijn er die niet alleen iets verbeelden maar ook iets uitwerken; zoo b.v. bewerkt de instrijking met olie op het hoofd het behoud van de genade van het doopsel; andere dingen bewerken niets maar verzinnebeelden enkel iets, zoo b.v. wanneer men den doopeling om nieuwheid van leven te verbeelden een nieuw kleed aantrekt.4. Onder de ceremoniën die na het doopsel geschieden zijn er die niet alleen iets verbeelden maar ook iets uitwerken; zo bv. bewerkt de instrijking met olie op het hoofd het behoud van de genade van het doopsel; andere dingen bewerken niets maar verzinnebeelden enkel iets, zo bv. wanneer men de dopeling om nieuwheid van leven te verbeelden een nieuw kleed aantrekt.
Utrum sit officium sacerdotis catechizare et exorcizare baptizandum
Behooren de catechiseering en duivelbezwering door priesters gedaan te worden?Behoren de catechisering en duivelbezwering door priesters gedaan te worden?
402Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod non sit sacerdotis catechizare, et exorcizare baptizandum. Ad officium enim ministrorum pertinet habere operationem super immundos, ut Dionysius dicit 5. cap. Eccl. Hierarch. [Part. 1, § 6]. Sed catechumeni, qui instruuntur in catechismo, et energumeni, qui purgantur in exorcismo, computantur inter immundos, ut ibidem Dionysius dicit [cap. 3. Part. 3, § 7]. Ergo catechizare et exorcizare non pertinet ad officium sacerdotis, sed potius ministrorum.
402Bedenkingen. — Men beweert dat het niet aan priesters voorbehouden is den doopeling te onderrichten en te bezweren. — 1. Alles wat omtrent onzuivere personen geschiedt is, zooals Dionysius in het Ve kap. van zijn Kerkelijke Hierarchie zegt, het werk van mindere bedienaars. Welnu de catechumenen die in den catechismus onderricht worden en de bezetenen die bij de duivelbezwering verlost worden hooren, zooals Dionysius op dezelfde plaats zegt, onder de onzuivere personen. Zoo is te catechiseeren en te bezweren dus niet het ambt van de priesters maar wel van mindere bedienaars.402Bedenkingen. — Men beweert dat het niet aan priesters voorbehouden is de dopeling te onderrichten en te bezweren. — 1. Alles wat omtrent onzuivere personen geschiedt is, zoals Dionysius in het 5e kap. van zijn Kerkelijke Hierarchie zegt, het werk van mindere bedienaars. Welnu de catechumenen die in de catechismus onderricht worden en de bezetenen die bij de duivelbezwering verlost worden horen, zoals Dionysius op dezelfde plaats zegt, onder de onzuivere personen. Zo is te catechiseren en te bezweren dus niet het ambt van de priesters maar wel van mindere bedienaars.
2. Praeterea, catechumeni instruuntur de fide per sacram Scripturam, quae in Ecclesia per ministros recitatur. Sicut enim per lectores in Ecclesia legitur vetus Testamentum, ita etiam per diaconos et subdiaconos legitur novum, et sic ad ministros pertinet catechizare. Similiter etiam et 403exorcizare, ut videtur, ad ministros pertinet. Dicit enim Isidorus in quadam epist. [ad Laudefred. cf. Can. Perlectis, dist. 25] : « Ad exorcistam pertinet exorcismos memoriter retinere, manusque super energumenos et catechumenos in exorcismo imponere ». Non ergo pertinet ad officium sacerdotis catechizare et exorcizare.
2. De catechumenen worden aan de hand van de H. Schrift die in de Kerk door mindere bedienaars voorgelezen wordt in geloofszaken onderricht. Zooals immers het Oude Testament door de lezers wordt voorgelezen, zoo wordt het Nieuwe Testament door onderdiakens en diakens voorgelezen, en daarom komt het 403aan de bedienaars toe te catechiseeren. Wat nu de duivelbezwering betreft ook deze blijkt aan mindere bedienaars toe te komen; Isidorus zegt immers in zijn Brief aan Ludefridus : « Aan de bezweerders komt het toe de bezwering uit het hoofd te kennen en bezetenen en catechumenen gedurende de bezwering de handen op te leggen. » Zoo behoort dus de priester noch te catechizeeren noch te bezweren.2. De catechumenen worden aan de hand van de H. Schrift die in de Kerk door mindere bedienaars voorgelezen wordt in geloofszaken onderricht. Zoals immers het Oude Testament door de lezers wordt voorgelezen, zo wordt het Nieuwe Testament door onderdiakens en diakens voorgelezen, en daarom komt het 403aan de bedienaars toe te catechiseren. Wat nu de duivelbezwering betreft ook deze blijkt aan mindere bedienaars toe te komen; Isidorus zegt immers in zijn Brief aan Ludefridus: “Aan de bezweerders komt het toe de bezwering uit het hoofd te kennen en bezetenen en catechumenen gedurende de bezwering de handen op te leggen.” Zo behoort dus de priester noch te catechiseren noch te bezweren.
3. Praeterea, catechizare idem est, quod docere, et hoc idem est, quod perficere, quod ad officium episcoporum pertinet, ut dicit Dionysius 5. cap. Eccl. Hierarch. [Part. 1, § 6-7]. Non ergo pertinet ad officium sacerdotis.
3. Te onderrichten is hetzelfde als te catechizeeren en komt op een soort van vervolmaking neer. Dit nu is, zooals Dionysius in zijn Kerkelijke Hierarchie (5) zegt het ambt van den bisschop. Zoo behoort dus de priester niet te catechizeeren.3. Te onderrichten is hetzelfde als te catechiseren en komt op een soort van vervolmaking neer. Dit nu is, zoals Dionysius in zijn Kerkelijke Hierarchie (5) zegt het ambt van de bisschop. Zo behoort dus de priester niet te catechiseren.
Sed contra est, quod Nicolaus I. papa dicit [cf. Can. Catechismus, De Consec., Dist. 4] : « Catechismi baptizandorum a sacerdotibus uniuscujusque ecclesiae fieri possunt »; unde Gregorius etiam super Evang. [hom. 29.] dicit : « Sacerdotes, cum per exorcismi gratiam manum credentibus imponunt, quid aliud faciunt, nisi quod daemonia ejiciunt? »
Daartegenover staat echter wat Paus Nicolaas in zijn Catechismus (over de wijding, 4e dist.) schrijft : « De priesters van iedere kerk mogen diegenen die moeten gedoopt worden onderrichten. » En de H. Gregorius zegt in zijn 29e homelie op de Evangeliën : « Wat doen de priesters door de kracht der duivelbezwering wanneer ze aan de geloovigen de handen opleggen anders dan den duivel te verdrijven? »Daartegenover staat echter wat Paus Nicolaas in zijn Catechismus (over de wijding, 4e dist.) schrijft: “De priesters van iedere kerk mogen diegenen die moeten gedoopt worden onderrichten.” En de H. Gregorius zegt in zijn 29e homelie op de Evangeliën: “Wat doen de priesters door de kracht van de duivelbezwering wanneer ze aan de gelovigen de handen opleggen anders dan de duivel te verdrijven?”
404Respondeo dicendum, quod minister comparatur ad sacerdotem, sicut secundarium et instrumentale agens ad principale, ut indicat ipsum nomen ministri. Agens autem secundarium non agit sine principali agente, sed cooperatur principali agenti in operando; 1 quanto autem potior est operatio, tanto principale agens potioribus indiget instrumentis, seu ministris; potior autem est operatio sacerdotis, inquantum confert ipsum sacramentum, quam in praeparatoriis ad sacramentum. Et ideo supremi ministri, qui dicuntur diacones, cooperantur sacerdoti in ipsa collatione sacramentorum. Dicit enim Isidorus [loc. cit. in arg. 2.], quod « ad diaconum pertinet assistere sacerdotibus et ministrare in omnibus quae aguntur in sacramentis Christi, in baptismo scilicet, in chrismate, patena, et calice : « Inferiores autem ministri cooperantur sacerdotibus in his, quae sunt praeparatoria ad sacramentum », sicut lectores in catechismo, et exorcistae in exorcismo.
404Leerstelling. — De mindere bedienaar is voor den priester, zooals de naam zelf van bedienaar aanduidt, wat een bijkomstige en werktuigelijke bewerkende oorzaak voor de bewerkende hoofdoorzaak is. De bijkomstige oorzaak werkt nl. zonder de hoofdoorzaak niets uit, maar werkt samen met de hoofdoorzaak, en hoe grooter werking, zoo grooter de werktuigelijke oorzaken of bedienaars. Het werk van den priester nu is het grootste, zelf dient hij immers de sacramenten toe en bereidt ze niet alleen voor. Daarom behooren de waardigste bedienaars, zooals de diakens, de priesters bij het toedienen van de sacramenten bij te staan; de H. Isidorus zegt nl. op dezelfde plaats dat de diaken de priesters moet bijstaan en alles wat omtrent de sacramenten moet gedaan worden moet bijbrengen; zoo bv. dient hij bij het doopsel het H. Chrisma, de pateen en den kelk bij te brengen. De bedienaars van minderen rang daarentegen mogen de priesters enkel bij de voorbereiding van de toediening van de sacramenten helpen; zoo bv. de lezers als ze catechiseeren en de bezweerders als ze bezweren.404Leerstelling. — De mindere bedienaar is voor de priester, zoals de naam zelf van bedienaar aanduidt, wat een bijkomstige en werktuigelijke bewerkende oorzaak voor de bewerkende hoofdoorzaak is. De bijkomstige oorzaak werkt nl. zonder de hoofdoorzaak niets uit, maar werkt samen met de hoofdoorzaak, en hoe groter werking, zo groter de werktuigelijke oorzaken of bedienaars. Het werk van de priester nu is het grootste, zelf dient hij immers de sacramenten toe en bereidt ze niet alleen voor. Daarom behoren de waardigste bedienaars, zoals de diakens, de priesters bij het toedienen van de sacramenten bij te staan; de H. Isidorus zegt nl. op dezelfde plaats dat de diaken de priesters moet bijstaan en alles wat omtrent de sacramenten moet gedaan worden moet bijbrengen; zo bv. dient hij bij het doopsel het H. Chrisma, de pateen en de kelk bij te brengen. De bedienaars van minderen rang daarentegen mogen de priesters enkel bij de voorbereiding van de toediening van de sacramenten helpen; zo bv. de lezers als ze catechiseren en de bezweerders als ze bezweren.
Ad primum ergo dicendum, quod super immundos ministri habent operationem ministerialem, et quasi instrumentalem, sed sacerdos principalem.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Bij die onzuivere personen hebben de mindere bedienaars een werktuigelijke bediening, de priesters daarentegen het hoofdwerk te verrichten.
405Ad secundum dicendum, quod lectores et exorcistae habent officium catechizandi et exorcizandi, non quidem principaliter, sed sicut in his sacerdoti ministrantes.
4052. Aan lezers en bezweerders komt het hoewel niet als aan bizondere bedienaars, maar als aan menschen die de priesters ter zijde staan, toe te catechiseeren en te bezweren.4052. Aan lezers en bezweerders komt het hoewel niet als aan bizondere bedienaars, maar als aan mensen die de priesters ter zijde staan, toe te catechiseren en te bezweren.
Ad tertium dicendum, quod multiplex est instructio : una conversiva ad fidem, quam Dionysius tribuit episcopo in 2. Eccles. Hier. [Part. 2, § 1], et potest competere cuilibet praedicatori, vel etiam cuilibet fideli; secunda est instructio, qua quis eruditur de fidei rudimentis, et qualiter se debeat habere in susceptione sacramentorum, et haec pertinet secundario quidem ad ministros, principaliter autem ad sacerdotes; tertia est instructio de conversatione christianae vitae, et haec pertinet ad patrinos; quarta est, instructio de profundis mysteriis fidei, et perfectione christianae vitae, et haec ex officio pertinet ad episcopos.
3. Het onderricht van de geloovigen is niet overal hetzelfde; het eene moet de menschen bekeeren, en dit komt volgens Dionysius in zijn Kerkelijke Hierarchie (2) aan de bisschoppen toe en kan door om het even welk een priester of om het even welk geloovige verstrekt worden. Het tweede soort van onderricht waardoor iemand de geloofswaarheden leert kennen en hoe hij zich bij het ontvangen van de sacramenten te gedragen heeft, komt in hoofdzake aan de priesters en op bijkomstige wijze aan mindere bedienaars toe. Het derde soort van onderricht over het christelijke leven is op de peters van het doopsel aangewezen. Het vierde soort van onderricht eindelijk waardoor men de mysteriën van het geloof en de volmaaktheid van het christelijke leven dieper nagaat is de bisschoppen weggelegd.3. Het onderricht van de gelovigen is niet overal hetzelfde; het ene moet de mensen bekeren, en dit komt volgens Dionysius in zijn Kerkelijke Hierarchie (2) aan de bisschoppen toe en kan door om het even welk een priester of om het even welk gelovige verstrekt worden. Het tweede soort van onderricht waardoor iemand de geloofswaarheden leert kennen en hoe hij zich bij het ontvangen van de sacramenten te gedragen heeft, komt in hoofdzake aan de priesters en op bijkomstige wijze aan mindere bedienaars toe. Het derde soort van onderricht over het christelijke leven is op de peters van het doopsel aangewezen. Het vierde soort van onderricht eindelijk waardoor men de mysteriën van het geloof en de volmaaktheid van het christelijke leven dieper nagaat is de bisschoppen weggelegd.