De effectibus baptismi
Over de uitwerkselen van het doopsel
327Deinde considerandum est de effectibus baptismi.
327Thans zullen we de uitwerkselen van het doopsel bespreken.
Et circa hoc quaeruntur decem : 1. Utrum per baptismum auferantur omnia peccata. — 2. Utrum per baptismum liberetur homo ab omni poena. — 3. Utrum baptismus auferat poenalitates hujus vitae. — 4. Utrum per baptismum conferantur homini gratia et virtutes. — 5. De effectibus virtutum, qui per baptismum conferuntur. — 6. Utrum etiam parvuli in baptismo gratiam et virtutes accipiant. — 7. Utrum per 328baptismum aperiatur baptizatis janua regni coelestis. — 8. Utrum baptismus aequalem effectum habeat in omnibus baptizatis. — 9. Utrum fictio impediat effectum baptismi. — 10. Utrum, recedente fictione, baptismus obtineat suum effectum.
Desaangaande zouden we tien verschillende vragen moeten beantwoorden. Ten eerste : worden alle zonden door het doopsel weggenomen? Ten tweede : wordt de mensch door het doopsel alle straf kwijtgescholden? Ten derde : neemt het doopsel de kwellingen die de menschen door de erfzonde opliepen weg? Ten vierde : worden de menschen door het doopsel met de heiligmakende genade en met de deugden begiftigd? Ten vijfde : welke zijn de uitwerkselen van de deugden ons door het doopsel geschonken? Ten zesde : erlangen ook kleine kinderen bij het doopsel genade en deugden? Ten zevende : wordt de deur des hemels door het doopsel voor de gedoopten opengezet? 328Ten achtste : heeft het doopsel in alle gedoopten hetzelfde uitwerksel Ten negende : staat geveinsdheid de uitwerkselen van het doopsel in den weg? Ten tiende : erlangt het doopsel wanneer eens geveinsdheid voor oprechtheid opbreekt, zijn uitwerksel?Desaangaande zouden we tien verschillende vragen moeten beantwoorden. Ten eerste: worden alle zonden door het doopsel weggenomen? Ten tweede: wordt de mens door het doopsel alle straf kwijtgescholden? Ten derde: neemt het doopsel de kwellingen die de mensen door de erfzonde opliepen weg? Ten vierde: worden de mensen door het doopsel met de heiligmakende genade en met de deugden begiftigd? Ten vijfde: welke zijn de uitwerkselen van de deugden ons door het doopsel geschonken? Ten zesde: erlangen ook kleine kinderen bij het doopsel genade en deugden? Ten zevende: wordt de deur van de hemel door het doopsel voor de gedoopten opengezet? 328Ten achtste: heeft het doopsel in alle gedoopten hetzelfde uitwerksel Ten negende: staat geveinsdheid de uitwerkselen van het doopsel in de weg? Ten tiende: erlangt het doopsel wanneer eens geveinsdheid voor oprechtheid opbreekt, zijn uitwerksel?
Utrum per baptismum tollantur omnia peccata
Worden alle zonden door het doopsel weggenomen?
Ad primum sic proceditur. Videtur, quod per baptismum non tollantur omnia peccata. Baptismus enim est quaedam spiritualis regeneratio, quae contraponitur generationi carnali. Sed per generationem carnalem homo contrahit solum originale peccatum. Ergo per baptismum solvitur solum originale peccatum.
Bedenkingen. — Men beweert dat niet alle zonden door het doopsel worden weggenomen. — 1. Het doopsel is een geestelijke wedergeboorte die aan de lichamelijke geboorte beantwoordt. Door de lichamelijke geboorte nu wordt de mensch enkel met de erfzonde belast. Zoo zal dus door het doopsel enkel de erfzonde worden weggenomen.Bedenkingen. — Men beweert dat niet alle zonden door het doopsel worden weggenomen. — 1. Het doopsel is een geestelijke wedergeboorte die aan de lichamelijke geboorte beantwoordt. Door de lichamelijke geboorte nu wordt de mens enkel met de erfzonde belast. Zo zal dus door het doopsel enkel de erfzonde worden weggenomen.
2. Praeterea, poenitentia est sufficiens causa remissionis actualium 329peccatorum. Sed ante baptismum in adultis requiritur poenitentia secundum illud Actor. 2. [v. 38] : Poenitentiam agite, et baptizetur unusquisque vestrum. Ergo baptismus nihil operatur circa remissionem actualium peccatorum.
2. Boetvaardigheid volstaat om vergiffenis van dadelijke 329zonden te erlangen. Welnu, voor het doopsel moeten de volwassenen boetewerken verrichten; er staat immers in de Handelingen der Apostelen (2, 38) : « Doet boetvaardigheid en ontvangt het heilig doopsel. » Zoo heeft dus het doopsel zelf geen invloed op de vergiffenis der dadelijke zonde.2. Boetvaardigheid volstaat om vergiffenis van dadelijke 329zonden te erlangen. Welnu, voor het doopsel moeten de volwassenen boetewerken verrichten; er staat immers in de Handelingen van de Apostelen (2, 38): “Doet boetvaardigheid en ontvangt het heilig doopsel.” Zo heeft dus het doopsel zelf geen invloed op de vergiffenis van de dadelijke zonde.
3. Praeterea, diversorum morborum diversae sunt medicinae, quia, sicut Hieronymus dicit [sup. Marc. 9. v. 27-28], « non sanat oculum, quod sanat calcaneum ». Sed peccatum originale, quod per baptismum tollitur, est aliud genus peccati a peccato actuali. Ergo non omnia peccata remittuntur per baptismum.
3. Voor uiteenloopende ziekten zijn uiteenloopende geneesmiddelen geeigend; wat de voeten geneest, geneest daarom nog niet de oogen, zooals de H. Hieronimus zegt. Welnu de erfzonde die door het doopsel wordt weggenomen behoort tot een ander soort van zonden dan de dadelijke zonden. Zoo neemt dus het doopsel niet alle zonden weg.3. Voor uiteenlopende ziekten zijn uiteenlopende geneesmiddelen geëigend; wat de voeten geneest, geneest daarom nog niet de ogen, zoals de H. Hieronimus zegt. Welnu de erfzonde die door het doopsel wordt weggenomen behoort tot een ander soort van zonden dan de dadelijke zonden. Zo neemt dus het doopsel niet alle zonden weg.
Sed contra est, quod dicitur Ezech. 36. [v. 25] : « Effundam super vos aquam mundam, et mundabimini ab omnibus inquinamentis vestris ».
Daartegenover echter staat wat profeet Ezechiël zegt : « Ik zal over u rein water storten en gij zult van al uwe ongerechtigheden gereinigd worden. »Daartegenover echter staat wat profeet Ezechiël zegt: “Ik zal over u rein water storten en gij zult van al uw ongerechtigheden gereinigd worden.”
Respondeo dicendum, quod sicut Apostolus dicit Roman. 6. [v. 3] : « Quicumque baptizati sumus in Christo Jesu, in morte ipsius baptizati sumus »; et postea concludit [v. 11] : « Ita et vos existimate vos mortuos 330quidem esse peccato, viventes autem Deo in Christo Jesu Domino nostro ». Ex quo patet, quod per baptismum homo moritur vetustati peccati, et incipit vivere novitati peccatum ad pristinam vetustatem pertinet. Unde consequens est, quod omne peccatum per baptismum tollatur.
Leerstelling. — De apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (6, 3) : « Wij allen die gedoopt werden in Jezus-Christus werden in zijn dood gedoopt. » En hij voegt er aan toe : « Eveneens moet ook gij bedenken dat gij voor de zonde dood zijt, maar 330in God leeft, en Christus Jezus. » — Daaruit volgt dat de mensch door het doopsel voor het oude leven van zonde sterft en een nieuw leven van genade begint te leven. Welnu elke zonde gaat op het oude leven terug. Zoo besluiten we dus dat alle zonden door het doopsel worden weggenomen.Leerstelling. — De apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (6, 3): “Wij allen die gedoopt werden in Jezus-Christus werden in zijn dood gedoopt.” En hij voegt er aan toe: “Eveneens moet ook gij bedenken dat gij voor de zonde dood zijt, maar 330in God leeft, en Christus Jezus.” — Daaruit volgt dat de mens door het doopsel voor het oude leven van zonde sterft en een nieuw leven van genade begint te leven. Welnu elke zonde gaat op het oude leven terug. Zo besluiten we dus dat alle zonden door het doopsel worden weggenomen.
Ad primum ergo dicendum, quod, sicut Apostolus dicit Rom. 5. [v.v. 15, sqq.], peccatum Adae non tantum potest, quantum potest donum Christi, quod in baptismo percipitur, nam judicium ex uno in condemnationem, gratia autem ex multis delictis in justificationem; unde et Augustinus dicit in lib. 1. de Baptismo parvulorum [de Peccator. merit. et remiss. cap. 15.], quod « generante carne, tantummodo trahitur peccatum originale; regenerante autem spiritu, non solum originalium1, sed etiam voluntariorum fit remissio peccatorum ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (5, 15) dat de kracht van Adams zonde niet zooveel uitwerkt als de kracht van de gaven van Jezus-Christus, die wij in het doopsel ontvangen : « Want om wille van zonde werden we veroordeeld maar na veel overtredingen worden we door de genade rechtvaardig gemaakt. » Derhalve schrijft St. Augustinus in zijn Boek : « Het doopsel der kleine kinderen » (1, 15, 7) : « Door de lichamelijke geboorte worden we enkel met de erfzonde belast, maar als de geest ons doet wedergeboren worden, dan krijgen we niet alleen vergiffenis van de erfzonde maar ook van alle andere vrijwillige zonden. »Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (5, 15) dat de kracht van Adams zonde niet zoveel uitwerkt als de kracht van de gaven van Jezus-Christus, die wij in het doopsel ontvangen: “Want om wille van zonde werden we veroordeeld maar na veel overtredingen worden we door de genade rechtvaardig gemaakt.” Derhalve schrijft St. Augustinus in zijn Boek: “Het doopsel van de kleine kinderen” (1, 15, 7): “Door de lichamelijke geboorte worden we enkel met de erfzonde belast, maar als de geest ons doet wedergeboren worden, dan krijgen we niet alleen vergiffenis van de erfzonde maar ook van alle andere vrijwillige zonden.”
Ad secundum dicendum, quod nullius peccati remissio fieri potest, nisi per virtutem passionis Christi; unde et Apostolus dicit Hebr. 9. [v. 22], 331quod « sine sanguinis effusione non fit remissio ». Unde motus humanae voluntatis, qui est in poenitente, non sufficeret ad remissionem culpae, nisi adesset fides passionis Christi, et propositum participandi ipsam, vel suscipiendo baptismum, vel subjiciendo se clavibus Ecclesiae. Et ideo quando aliquis adultus poenitens ad baptismum accedit, consequitur quidem remissionem omnium peccatorum ex proposito baptismi, perfectius autem ex reali susceptione baptismi.
2. Behalve door de kracht van het lijden van Christus gaat het niet aan vergiffenis van zonden te bekomen; daarom zegt de apostel in den Brief aan de Hebreërs (9, 22) : « Zonder bloedstorting 331wordt geen vergiffenis geschonken. » Daaruit volgt dat, zonder geloof in het lijden van Christus en zonder het opzet er door het doopsel of door zich aan de sleutelmacht der Kerk te onderwerpen, aan deelachtig te worden, boetvaardigheid om vergiffenis te erlangen, niet volstaat.2. Behalve door de kracht van het lijden van Christus gaat het niet aan vergiffenis van zonden te bekomen; daarom zegt de apostel in de Brief aan de Hebreërs (9, 22): “Zonder bloedstorting 331wordt geen vergiffenis geschonken.” Daaruit volgt dat, zonder geloof in het lijden van Christus en zonder het opzet er door het doopsel of door zich aan de sleutelmacht van de Kerk te onderwerpen, aan deelachtig te worden, boetvaardigheid om vergiffenis te erlangen, niet volstaat.
Ad tertium dicendum, quod ratio illa procedit de particularibus medicinis. Baptismus autem operatur in virtute passionis Christi, quae est universalis medicina omnium peccatorum, et ideo per baptismum omnia peccata tolluntur.
3. Het voorgelegd bezwaar kan wel van bizondere geneesmiddelen gelden, maar het doopsel werkt uit kracht van het lijden van Christus dat een voor alle zonden geldend geneesmiddel is. Zoo worden dus door het doopsel alle zonden vergeven.3. Het voorgelegd bezwaar kan wel van bizondere geneesmiddelen gelden, maar het doopsel werkt uit kracht van het lijden van Christus dat een voor alle zonden geldend geneesmiddel is. Zo worden dus door het doopsel alle zonden vergeven.
Utrum per baptismum liberetur homo ab omni reatu peccati
Wordt de mensch door het doopsel van alle straf ontslagen?Wordt de mens door het doopsel van alle straf ontslagen?
Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod per baptismum non liberetur homo ab omni reatu peccati. Dicit enim Apostolus Roman 13. [v. 3321] : « Quae a Deo sunt, ordinata sunt ». Sed culpa non ordinatur nisi per poenam, ut Augustinus dicit [Ep. 140, al. 120, ad Honor., cap. 2]. Ergo per baptismum non tollitur reatus poenae praecedentium peccatorum.
Bedenkingen. — Men beweert dat door het doopsel de mensch niet van alle straf ontslagen wordt. — 1. De apostel zegt in den Brief aan de Romeinen (13, 1) : « Wat van God komt 332geschiedt met orde ». Welnu de heilige Augustinus zegt in zijn Boek « De vrije wil » (3, 18) dat « de orde door de zonde gestoord enkel door de straf hersteld wordt ». Zoo wordt dus door het doopsel de straf voor voorgaande zonden niet weggenomen.Bedenkingen. — Men beweert dat door het doopsel de mens niet van alle straf ontslagen wordt. — 1. De apostel zegt in de Brief aan de Romeinen (13, 1): “Wat van God komt 332geschiedt met orde”. Welnu de heilige Augustinus zegt in zijn Boek “De vrije wil” (3, 18) dat “de orde door de zonde gestoord enkel door de straf hersteld wordt”. Zo wordt dus door het doopsel de straf voor voorgaande zonden niet weggenomen.
2. Praeterea, effectus sacramenti aliquam similitudinem habet cum ipso sacramento, quia sacramenta novae legis efficiunt, quod figurant, ut supra dictum est [q. 62. art. 1. ad 1.]. Sed ablutio baptismalis habet quidem aliquam similitudinem cum ablutione maculae, nullam autem similitudinem habere videtur cum subtractione reatus poenae. Non ergo per baptismum tollitur reatus poenae.
2. De uitwerkselen van een sacrament hebben een zekere gelijkenis met het sacrament zelf; er werd immers hierboven (62e Kw. 1e art., antw. op de 1e Bedenk.) beweerd dat de sacramenten wat ze te kennen geven teweeg brengen. Welnu de wassching die bij het doopsel geschiedt biedt wel eenige gelijkenis met het wegnemen van een vlek, maar zeker niet met het wegnemen van de zondestraf. Zoo wordt dus de zondestraf door het doopsel niet weggenomen.2. De uitwerkselen van een sacrament hebben een zekere gelijkenis met het sacrament zelf; er werd immers hierboven (62e Kw. 1e art., antw. op de 1e Bedenk.) beweerd dat de sacramenten wat ze te kennen geven teweeg brengen. Welnu de wassing die bij het doopsel geschiedt biedt wel enige gelijkenis met het wegnemen van een vlek, maar zeker niet met het wegnemen van de zondestraf. Zo wordt dus de zondestraf door het doopsel niet weggenomen.
3. Praeterea, sublato reatu poenae, aliquis non remanet dignus poena, et ita injustum esset eum puniri. Si igitur per baptismum tollitur reatus poenae, injustum esset post baptismum suspendere latronem, qui antea homicidium commisit, et ita per baptismum tolleretur rigor humanae disciplinae, quod est inconveniens. Non ergo per baptismum tollitur reatus poenae.
3. Als iemand van straf wordt vrijgesteld, dan is hij verder niets meer schuldig, en het zou onrechtvaardig zijn hem nog te straffen. Welnu indien het doopsel van straf ontsloeg, dan zou het onrechtvaardig zijn een roover die even het doopsel ontvangen heeft, zelfs als hij te voren een moordaanslag begaan had op te knoopen, en aldus zou door het doopsel de strengheid der menschelijke tucht ontzenuwd worden. Dit nu zou ten zeerste ongepast zijn en zoo wordt dus de straf voor de zonde door het doopsel niet weggenomen.3. Als iemand van straf wordt vrijgesteld, dan is hij verder niets meer schuldig, en het zou onrechtvaardig zijn hem nog te straffen. Welnu indien het doopsel van straf ontsloeg, dan zou het onrechtvaardig zijn een rover die even het doopsel ontvangen heeft, zelfs als hij te voren een moordaanslag begaan had op te knopen, en aldus zou door het doopsel de strengheid van de menselijke tucht ontzenuwd worden. Dit nu zou ten zeerste ongepast zijn en zo wordt dus de straf voor de zonde door het doopsel niet weggenomen.
333Sed contra est, quod Ambrosius dicit super illud Roman. 11. [v. 29] : « Sine poenitentia sunt dona Dei et vocatio ». « Gratia, inquit, Dei in baptismo gratis omnia condonat ».
333Daartegenover staat echter wat Sint Ambrosius over de woorden van Sint Paulus in den Brief aan de Romeinen (11, 29) : « Want nooit heeft God over zijn genadegiften en zijn roeping berouw » zeide dat nl. « bij het doopsel de genade van God alles vergeeft ».333Daartegenover staat echter wat Sint Ambrosius over de woorden van Sint Paulus in de Brief aan de Romeinen (11, 29): “Want nooit heeft God over zijn genadegiften en zijn roeping berouw” zeide dat nl. “bij het doopsel de genade van God alles vergeeft”.
Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 68. art. 5.], per baptismum aliquis incorporatur passioni et morti Christi, secundum illud Rom. 6 [v. 8] : Si mortui sumus cum Christo, credimus quia simul etiam vivemus cum eo; ex quo patet, quod omni baptizato communicatur passio Christi ad remedium, ac si ipse passus et mortuus esset. Passio autem Christi, sicut dictum est [q. 68. art. 5], est sufficiens satisfactio pro omnibus peccatis omnium hominum; et ideo ille qui baptizatur, liberatur a reatu totius poenae sibi debitae pro peccatis, ac si ipse sufficienter satisfecisset pro omnibus peccatis suis.
Leerstelling. — Zooals hierboven werd aangeduid (68e Kw. 5e art.) wordt door het doopsel iemand bij het lijden en den dood van Christus ingelijfd; in den Brief aan de Romeinen (6, 8) staat immers : « Indien we met Christus gestorven zijn, dan gelooven we dat we eens samen met hem zullen leven. » — Daaruit volgt echter dat het lijden van Christus aan den gedoopte als geneesmiddel, alsof hij nl. zelf geleden had en gestorven was, wordt medegedeeld. Welnu zooals we hierboven (68e Kw., art. 5) aantoonden, kan het lijden van Christus als genoegdoening voor alle zonden van alle menschen volstaan. Zoo wordt dus de gedoopte, net alsof hijzelf voor de verdiende straffen voldoende genoegdoening geschonken had, van alle straffen die hij door zijn zonden opliep ontslagen.Leerstelling. — Zoals hierboven werd aangeduid (68e Kw. 5e art.) wordt door het doopsel iemand bij het lijden en de dood van Christus ingelijfd; in de Brief aan de Romeinen (6, 8) staat immers: “Indien we met Christus gestorven zijn, dan geloven we dat we eens samen met hem zullen leven.” — Daaruit volgt echter dat het lijden van Christus aan de gedoopte als geneesmiddel, alsof hij nl. zelf geleden had en gestorven was, wordt medegedeeld. Welnu zoals we hierboven (68e Kw., art. 5) aantoonden, kan het lijden van Christus als genoegdoening voor alle zonden van alle mensen volstaan. Zo wordt dus de gedoopte, net alsof hijzelf voor de verdiende straffen voldoende genoegdoening geschonken had, van alle straffen die hij door zijn zonden opliep ontslagen.
Ad primum ergo dicendum, quod quia poena passionis Christi communicatur baptizato, inquantum fit membrum Christi, ac si ipse poenam illam 334sustinuisset. Ideo ejus peccata remanent ordinata per poenam passionis Christi.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Daar de gedoopte als lidmaat van Christus, net alsof hijzelf die kwelling had 334onderstaan, deelgenoot wordt aan de kwelling van Christus' lijden, zoo wordt bijgevolg de gestoorde orde door de kwelling van Christus' lijden hersteld.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Daar de gedoopte als lidmaat van Christus, net alsof hijzelf die kwelling had 334onderstaan, deelgenoot wordt aan de kwelling van Christus' lijden, zo wordt bijgevolg de gestoorde orde door de kwelling van Christus' lijden hersteld.
Ad secundum dicendum, quod aqua non solum abluit, sed etiam refrigerat; et ita suo refrigerio significat subtractionem reatus poenae, sicut sua ablutione significat emundationem a culpa.
2. Het water wascht niet alleen maar frischt ook op; welnu net zooals de wassching het wegnemen van de schuld te kennen geeft geeft bewuste verfrissching kwijtschelding van straf te kennen.2. Het water wast niet alleen maar frist ook op; welnu net zoals de wassing het wegnemen van de schuld te kennen geeft geeft bewuste verfrissing kwijtschelding van straf te kennen.
Ad tertium dicendum, quod in poenis, quae judicio humano inferuntur, non solum attenditur qua poena sit homo dignus quoad Deum, sed etiam in quo sit obligatus quoad homines, qui laesi et scandalizati sunt per peccatum alicujus. Et ideo licet homicida per baptismum liberetur a reatu poenae quoad Deum, remanet tamen obligatus adhuc quoad homines, quos justum est aedificari de poena, sicut sunt scandalizati de culpa. Pie tamen talibus princeps posset poenam indulgere.
3. Bij straffen die door een menschelijk vonnis bepaald worden, wordt niet alleen nagegaan in hoever een bepaald mensch ten aanzien van God strafwaardig is, maar ook wat hij zooal aan de menschen die door zijn vergrijp verongelijkt en geërgerd werden, schuldig is. Daarom dan wordt een moordenaar ook wanneer hij door het doopsel van alle straf tegenover God ontslagen wordt, in verhouding tot de menschen nog schuldig geacht. Het is immers billijk dat hij hen die aan zijn vergrijp geërgerd werden thans door zijn straf zou stichten. Niettemin mag echter de prins uit vroomheid aan zulken de straf kwijtschelden.3. Bij straffen die door een menselijk vonnis bepaald worden, wordt niet alleen nagegaan in hoever een bepaald mens ten aanzien van God strafwaardig is, maar ook wat hij zoal aan de mensen die door zijn vergrijp verongelijkt en geërgerd werden, schuldig is. Daarom dan wordt een moordenaar ook wanneer hij door het doopsel van alle straf tegenover God ontslagen wordt, in verhouding tot de mensen nog schuldig geacht. Het is immers billijk dat hij hen die aan zijn vergrijp geërgerd werden thans door zijn straf zou stichten. Niettemin mag echter de prins uit vroomheid aan zulken de straf kwijtschelden.
Utrum per baptismum debeant auferri poenalitates praesentis vitae
Neemt het doopsel de kwellingen die we om de erfzonde in het huidige leven moeten dragen weg?
335Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod per baptismum debeant auferri poenalitates praesentis vitae. Ut enim Apostolus dicit Roman. 5. [v.v. 15 sqq.], donum Christi potentius est, quam peccatum Adae. Sed per peccatum Adae, ut ibidem [v. 12] Apostolus dicit, mors in hunc mundum intravit, et per consequens omnes aliae poenalitates praesentis vitae. Ergo multo magis per donum Christi, quod in baptismo percipitur, homo a poenalitatibus praesentis vitae debet liberari.
335Bedenkingen. — Men beweert dat dank zij het doopsel de straffen die ons in het tegenwoordige leven te wachten stonden dienen weg te vallen. — 1. In zijn Brief aan de Romeinen (5, 15) zegt de apostel dat : « de gave van Christus meer vermag dan de zonde van Adam ». Welnu, door de zonde van Adam kwam zooals de apostel op dezelfde plaats zegt de dood en alle andere kwalen die we op deze wereld onderstaan in de wereld. Zoo moest dus door toedoen van de gave van Christus die we bij het doopsel ontvangen de mensch nog veel eerder van al die straffen worden vrijgesteld.335Bedenkingen. — Men beweert dat dank zij het doopsel de straffen die ons in het tegenwoordige leven te wachten stonden dienen weg te vallen. — 1. In zijn Brief aan de Romeinen (5, 15) zegt de apostel dat: “de gave van Christus meer vermag dan de zonde van Adam”. Welnu, door de zonde van Adam kwam zoals de apostel op dezelfde plaats zegt de dood en alle andere kwalen die we op deze wereld onderstaan in de wereld. Zo moest dus door toedoen van de gave van Christus die we bij het doopsel ontvangen de mens nog veel eerder van al die straffen worden vrijgesteld.
2. Praeterea, baptismus aufert et culpam originalem, et actualem, sicut supra dictum est [art. 1. huj. q.]. Sic autem aufert actualem culpam, quod liberat ab omni reatu poenae consequente actualem culpam. Ergo 336etiam liberat a poenalitatibus praesentis vitae, quae sunt poena originalis peccati.
2. Het doopsel neemt zooals hierboven werd aangeduid (1e art.) de erfzonde en de dadelijke zonden weg; ja het bevrijdt ons van dadelijke schuld en dientengevolge ook van de straf die er op 336volgt. Zoo verlost het doopsel ons dus ook van alle kwalen die tot straf voor de erfzonde moeten dienen.2. Het doopsel neemt zoals hierboven werd aangeduid (1e art.) de erfzonde en de dadelijke zonden weg; ja het bevrijdt ons van dadelijke schuld en dientengevolge ook van de straf die er op 336volgt. Zo verlost het doopsel ons dus ook van alle kwalen die tot straf voor de erfzonde moeten dienen.
3. Praeterea, remota causa, removentur effectus. Sed causa harum poenalitatum est peccatum originale, quod tollitur per baptismum. Ergo non debent hujusmodi poenalitates remanere.
3. Wanneer eens een oorzaak weggenomen werd blijven ook haar uitwerkselen achterwege. Welnu, de oorzaak van al de kwalen is de erfzonde die door het doopsel vergeven wordt en zoo dienen dan ook al die kwellingen niet te blijven.3. Wanneer eens een oorzaak weggenomen werd blijven ook haar uitwerkselen achterwege. Welnu, de oorzaak van al de kwalen is de erfzonde die door het doopsel vergeven wordt en zo dienen dan ook al die kwellingen niet te blijven.
Sed contra est, quod super illud Rom. 6. [v. 6] : Destruatur corpus peccati, dicit Gloss. [Lomb. ex August. lib. 1. de Peccat. merit. et remiss. cap. ult.] : « Per baptismum id agitur ut vetus homo crucifigatur et corpus peccati destruatur; non ita ut in ipso vivente carnis concupiscentia respersa et innata repente absumatur et non sit; sed ne obsit mortuo, quae inerat nato ». Ergo pari ratione nec aliae poenalitates per baptismum tolluntur.
Daartegenover staat echter wat de Glossa zegt op de woorden van den apostel (Rom. 6, 6) : « Onze oude mensch werd met Christus gekruisigd opdat het lichaam der zonde zou vernietigd worden; niet echter op zulke wijze dat de begeerlijkheid van het vleesch die in het lichaam woont en in den mensch geboren wordt dadelijk wordt weggenomen en verder niet meer bestaat, maar zoo dat wat naar aanleiding van de geboorte aanwezig is na den geestelijken dood geen schade meer kan berokkenen. » Om dezelfde reden dan worden evenmin andere kwellingen door het doopsel weggenomen.Daartegenover staat echter wat de Glossa zegt op de woorden van de apostel (Rom. 6, 6): “Onze oude mens werd met Christus gekruisigd opdat het lichaam van de zonde zou vernietigd worden; niet echter op zulke wijze dat de begeerlijkheid van het vlees die in het lichaam woont en in de mens geboren wordt dadelijk wordt weggenomen en verder niet meer bestaat, maar zo dat wat naar aanleiding van de geboorte aanwezig is na de geestelijke dood geen schade meer kan berokkenen.” Om dezelfde reden dan worden evenmin andere kwellingen door het doopsel weggenomen.
Respondeo dicendum, quod baptismus habet virtutem auferendi poenalitates praesentis vitae; non tamen eas aufert in praesenti vita, sed ejus 337virtute auferentur a justis in resurrectione, quando mortale hoc induet immortalitatem, ut dicitur 1. Cor. 15. [v. 54]. Et hoc rationabiliter : primo quidem, quia per baptismum homo incorporatur Christo, et efficitur membrum ejus, ut supra dictum est [art. praec.] ; et ideo conveniens est, ut id agatur in membro incorporato, quod est actum in capite. Christus autem a principio suae conceptionis fuit plenus gratia et veritate; habuit tamen corpus passibile, quod post passionem et mortem est ad vitam gloriosam resuscitatum; unde et christianus in baptismo gratiam consequitur quantum ad animam; habet tamen corpus passibile, in quo pro Christo possit pati, sed tandem resuscitabitur ad impassibilem vitam; unde Apostolus dicit Rom. 8 [v. 11] : « Qui suscitavit Jesum Christum a mortuis, vivificabit et mortalia corpora vestra, propter inhabitantem Spiritum ejus in vobis », et infra [v. 17] : « Haeredes quidem Dei, cohaeredes autem Christi; si tamen compatimur », ut videlicet contra concupiscentiam et alias passibilitates pugnans homo, 338victoriae coronam acciperet; unde super illud Rom. 6 [v. 6] : « Ut destruatur corpus peccati », dicit Gloss. [Lomb. ex August. lib. de Peccat. merit. et remiss. cap. ult.] : « Si post baptismum vixerit homo in carne, habet concupiscentiam, cum qua pugnet, eamque, adjuvante Deo, superet ». In cujus figuram dicitur Judic. 3. [v. 1-2] : « Hae sunt gentes, quas Dominus dereliquit, ut erudiret in eis Israëlem, et postea discerent filii eorum certare cum hostibus, et habere consuetudinem praeliandi ». Tertio hoc fuit conveniens, ne homines ad baptismum accederent propter impassibilitatem praesentis vitae, et non propter gloriam vitae aeternae; unde et Apostolus dicit 1. Cor. 15. [v. 19] : « Si in hac vita tantum sperantes sumus in Christo, miserabiliores sumus omnibus hominibus ».
Leerstelling. — Het doopsel vermag wel alle kwalen van het tegenwoordige leven weg te nemen maar niettemin doet het zulks niet in dit leven; eerst bij de opstanding, wanneer nl. « het 337sterfelijke lichaam onsterfelijkheid zal aandoen » (I Cor., 15, 53) zullen die uit kracht van het doopsel van de rechtvaardigen weggenomen worden. Dit is ook zeer redelijk; vooreerst wordt immers door het doopsel de mensch bij Christus ingelijfd en lidmaat van Christus, zooals hierboven bewezen wordt (68e Kw. 5e art., antw. op de 1e Bed.). Daarom is het passend dat wat aan het hoofd gebeurt ook aan de ingelijfde ledematen zou geschieden. Welnu, Christus was van het begin van zijn ontvangenis af vol van genade en waarheid, maar had niettemin een lijdelijk lichaam dat na zijn lijden en dood tot een verheerlijkt bestaan verheven is. Daarvandaan dat een christen mensch bij het doopsel voor zijn ziel genade erlangt, en een lijdelijk lichaam behoudt, om voor Jezus Christus te kunnen lijden; zoo zal hij dan ook eenmaal tot een onlijdelijk bestaan verrijzen en daarom zegt de apostel in zijn Brief aan de Romeinen (8, 11) : « hij die Jezus Christus van uit de dooden opwekte zal ook uw stervend lichaam door zijn geest die in u woont levend maken » en verder zegt hij nog : « erfgenamen van God, medeerfgenamen van Christus, althans indien we lijden met hem om ook met hem verheerlijkt te worden. » — Ten tweede hoort dat ook zoo omwille van den geestelijken strijd, opdat nl. de mensch bij zijn strijd tegen begeerlijkheid en driften de zegekroon zou behalen. Daarom zegt de Glossa op de woorden uit 338den Brief aan de Romeinen (6, 6) : « Opdat het lichaam van de zonde vernietigd worde ». Indien de mensch na het doopsel in leven blijft, zal hij tegen begeerlijkheid moeten strijden en met de hulp van God zal hij haar beheerschen. Zinnebeeldig wordt daarover in het Boek der Rechters (3, 1) gesproken : « Deze volkeren heeft de Heer om Israël naar den strijd te brengen en opdat hun zonen ook nog daarna zouden leeren met hun vijanden strijden en zich de krijgskunst eigen maken, achtergelaten. » — Ten derde was dit nog passend opdat de mensch niet zou, om van de kwellingen van het tegenwoordige leven verlost te worden maar wel om de heerlijkheid van het eeuwige leven, tot het doopsel naderen. Daarvandaan dat de apostel in den eersten Brief aan de Korinthiërs (15, 19) zegt : « Indien wij enkel in dit leven in Christus hopen, dan zijn we de ellendigste onder de menschen. »Leerstelling. — Het doopsel vermag wel alle kwalen van het tegenwoordige leven weg te nemen maar niettemin doet het zulks niet in dit leven; eerst bij de opstanding, wanneer nl. “het 337sterfelijke lichaam onsterfelijkheid zal aandoen” (1 Kor., 15, 53) zullen die uit kracht van het doopsel van de rechtvaardigen weggenomen worden. Dit is ook zeer redelijk; vooreerst wordt immers door het doopsel de mens bij Christus ingelijfd en lidmaat van Christus, zoals hierboven bewezen wordt (68e Kw. 5e art., antw. op de 1e Bed.). Daarom is het passend dat wat aan het hoofd gebeurt ook aan de ingelijfde ledematen zou geschieden. Welnu, Christus was van het begin van zijn ontvangenis af vol van genade en waarheid, maar had niettemin een lijdelijk lichaam dat na zijn lijden en dood tot een verheerlijkt bestaan verheven is. Daarvandaan dat een christen mens bij het doopsel voor zijn ziel genade erlangt, en een lijdelijk lichaam behoudt, om voor Jezus Christus te kunnen lijden; zo zal hij dan ook eenmaal tot een onlijdelijk bestaan verrijzen en daarom zegt de apostel in zijn Brief aan de Romeinen (8, 11): “hij die Jezus Christus van uit de doden opwekte zal ook uw stervend lichaam door zijn geest die in u woont levend maken” en verder zegt hij nog: “erfgenamen van God, medeerfgenamen van Christus, althans indien we lijden met hem om ook met hem verheerlijkt te worden.” — Ten tweede hoort dat ook zo omwille van de geestelijke strijd, opdat nl. de mens bij zijn strijd tegen begeerlijkheid en driften de zegekroon zou behalen. Daarom zegt de Glossa op de woorden uit 338de Brief aan de Romeinen (6, 6): “Opdat het lichaam van de zonde vernietigd worde”. Indien de mens na het doopsel in leven blijft, zal hij tegen begeerlijkheid moeten strijden en met de hulp van God zal hij haar beheersen. Zinnebeeldig wordt daarover in het Boek van de Rechters (3, 1) gesproken: “Deze volkeren heeft de Heer om Israël naar de strijd te brengen en opdat hun zonen ook nog daarna zouden leren met hun vijanden strijden en zich de krijgskunst eigen maken, achtergelaten.” — Ten derde was dit nog passend opdat de mens niet zou, om van de kwellingen van het tegenwoordige leven verlost te worden maar wel om de heerlijkheid van het eeuwige leven, tot het doopsel naderen. Daarvandaan dat de apostel in de eerste Brief aan de Korintiërs (15, 19) zegt: “Indien wij enkel in dit leven in Christus hopen, dan zijn we de ellendigste onder de mensen.”
Ad primum ergo dicendum, quod, sicut Gloss. [Lomb.] dicit Rom. 6. super illud [v. 6] : « Ut ultra non serviamus peccato » : « Sicut aliquis capiens hostem atrocissimum, non statim interficit eum, sed patitur eum cum 339dedecore et dolore aliquantulum vivere, ita et Christus poenam prius alligavit, in futuro autem perimet ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De glossa op de woorden uit den Brief aan de Romeinen (6, 6) « opdat we voortaan aan de zonde niet meer zouden onderworpen zijn » zegt dat evenals iemand, wanneer hij een allerwreedsten vijand gevangen neemt, deze niet aanstonds doodt maar hem eenigen tijd in 339schande en lijden laat leven, evenzoo Christus vooralsnog de kwelling om ze later heelemaal te vernietigen, in boeien geklonken houdt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De glossa op de woorden uit de Brief aan de Romeinen (6, 6) “opdat we voortaan aan de zonde niet meer zouden onderworpen zijn” zegt dat evenals iemand, wanneer hij een allerwreedsten vijand gevangen neemt, deze niet aanstonds doodt maar hem enigen tijd in 339schande en lijden laat leven, evenzo Christus vooralsnog de kwelling om ze later helemaal te vernietigen, in boeien geklonken houdt.
Ad secundum dicendum quod, sicut ibidem dicit Gloss. [ordin. super illud : Homo noster crucifixus], « duplex est poena peccati, gehennalis et temporalis. Gehennalem prorsus delevit Christus, ut eam non sentiant baptizati et vere poenitentes; temporalem vero nondum penitus tulit : manet enim fames, sitis, et mors, et hujusmodi; sed regnum et dominium ejus dejecit, ut scilicet hoc homo non timeat; et tandem in novissimo eamdem penitus exterminabit ».
2. Op dezelfde plaats zegt de Glossa dat « er twee verschillende straffen van zonde bestaan de hellestraf nl. en de tijdelijke straf. De hellestraf heeft Christus te niet gedaan zoodat gedoopten en boetvaardige zielen voor haar niet meer moeten vreezen. De tijdelijke straf heeft hij niet volkomen weggenomen, maar honger en dorst, de dood en dergelijke straffen meer, blijven voortbestaan. Alleen heeft Christus hun rijk en hun heerschappij omvergeworpen, zoodat de mensch ze niet meer dient te vreezen en bij het eind der tijden zal Christus ze volkomen uitroeien ».2. Op dezelfde plaats zegt de Glossa dat “er twee verschillende straffen van zonde bestaan de hellestraf nl. en de tijdelijke straf. De hellestraf heeft Christus te niet gedaan zodat gedoopten en boetvaardige zielen voor haar niet meer moeten vrezen. De tijdelijke straf heeft hij niet volkomen weggenomen, maar honger en dorst, de dood en dergelijke straffen meer, blijven voortbestaan. Alleen heeft Christus hun rijk en hun heerschappij omvergeworpen, zodat de mens ze niet meer dient te vrezen en bij het eind van de tijden zal Christus ze volkomen uitroeien”.
Ad tertium dicendum, quod, sicut in 2. dictum est [1-2. q. 81. art. 1.], peccatum originale hoc modo processit, quod primo persona infecit naturam, postmodum vero natura infecit personam. Christus vero converso ordine prius reparat id quod personae est, et postmodum simul in omnibus reparabit id quod naturae est. Et ideo culpam originalis peccati, et etiam poenam carentia visionis divinae, quae respiciunt personam, 340statim per baptismum tollit ab homine; sed poenalitates praesentis vitae (sicut mors, fames, sitis, et alia hujusmodi) respiciunt naturam, ex cujus principiis causantur, prout est destituta originali justitia. Et ideo isti defectus non tollentur, nisi in ultima reparatione naturae per resurrectionem gloriosam.
3. In het tweede deel (I-II, 81e Kw. 1e art.) werd aangetoond dat de erfzonde op de volgende manier wordt voortgezet; eerst heeft de mensch de natuur bezoedeld, daarna heeft de natuur de menschen bezoedeld. Christus daarentegen is andersom te werk gegaan; eerst heeft hij nl. de personen of beter de menschen hersteld, later zal hij de natuur herstellen. Daarom neemt hij én de schuld weg van de erfzonde én de straf van de godsbeschouwing nl. te moeten verstoken blijven, met andere woorden alles wat op den persoon aangewezen is aanstonds na het doopsel van den mensch weg. De kwelling uit het tegenwoordige leven integendeel 340zooals honger, dorst en dergelijke gaan op de natuur terug en worden, doordien de oorspronkelijke rechtvaardigheid ontbreekt, door de natuurbeginselen zelf veroorzaakt. Daarom dan zullen, tot bij het eind de natuur zelf door een heerlijke opstanding zal hersteld worden, dergelijke ongeregeldheden blijven voortbestaan.3. In het tweede deel (1-2, 81e Kw. 1e art.) werd aangetoond dat de erfzonde op de volgende manier wordt voortgezet; eerst heeft de mens de natuur bezoedeld, daarna heeft de natuur de mensen bezoedeld. Christus daarentegen is andersom te werk gegaan; eerst heeft hij nl. de personen of beter de mensen hersteld, later zal hij de natuur herstellen. Daarom neemt hij én de schuld weg van de erfzonde én de straf van de godsbeschouwing nl. te moeten verstoken blijven, met andere woorden alles wat op de persoon aangewezen is aanstonds na het doopsel van de mens weg. De kwelling uit het tegenwoordige leven integendeel 340zoals honger, dorst en dergelijke gaan op de natuur terug en worden, doordien de oorspronkelijke rechtvaardigheid ontbreekt, door de natuurbeginselen zelf veroorzaakt. Daarom dan zullen, tot bij het eind de natuur zelf door een heerlijke opstanding zal hersteld worden, dergelijke ongeregeldheden blijven voortbestaan.
Utrum per baptismum conferantur homini gratia et virtutes
Worden de menschen bij het doopsel met genade en deugden toegerust?Worden de mensen bij het doopsel met genade en deugden toegerust?
Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod per baptismum non conferantur homini gratia et virtutes. quia, sicut supra dictum est [art. 2. huj. q. in arg. 2.]. sacramenta novae legis efficiunt quod figurant. Sed per ablutionem baptismi significatur emundatio animae a culpa, non autem informatio animae per gratiam et virtutes. Videtur igitur, quod per baptismum non conferantur homini gratia et virtutes.
Bedenkingen. — Men beweert dat bij het doopsel de mensch niet met genade en deugden wordt toegerust. — 1. Zooals hierboven gezegd werd (62e Kw. 1e art., antw. op de 1e bedenk.) brengen de sacramenten teweeg wat ze te kennen geven. Welnu, de wassching die bij het doopsel geschiedt geeft wel de reiniging der ziel van alle zonden, maar niet de instorting van genade en deugden te kennen. Zoo blijken bij het doopsel noch genade noch deugden te worden ingestort.Bedenkingen. — Men beweert dat bij het doopsel de mens niet met genade en deugden wordt toegerust. — 1. Zoals hierboven gezegd werd (62e Kw. 1e art., antw. op de 1e bedenk.) brengen de sacramenten teweeg wat ze te kennen geven. Welnu, de wassing die bij het doopsel geschiedt geeft wel de reiniging van de ziel van alle zonden, maar niet de instorting van genade en deugden te kennen. Zo blijken bij het doopsel noch genade noch deugden te worden ingestort.
3412. Praeterea, illud quod jam aliquis adeptus est, non indiget iterum suscipere. Sed aliqui accedunt ad baptismum jam habentes gratiam et virtutes, sicut Actorum 10. [v. 1-2] legitur : « Vir quidam erat in Caesarea, nomine Cornelius, centurio cohortis, quae dicitur Italica, religiosus et timens Deum » ; qui tamen postea a Petro baptizatus est. Non ergo per baptismum conferuntur gratia et virtutes.
3412. Wat iemand reeds bezit dient hij niet meer te ontvangen. Welnu, sommige menschen naderen tot het doopsel wanneer ze reeds deugden bezitten en genade ontvingen. We lezen immers in de Hand. der Apostelen (10, 1) : « Er was te Cesarea een man Cornelius geheeten, een honderdman uit de zoogenaamde Stelische krijgsbende, vroom en godvreezend ». Die nu werd naderhand niettemin door Petrus gedoopt. Zoo geeft dus het doopsel noch genade noch deugden.3412. Wat iemand reeds bezit dient hij niet meer te ontvangen. Welnu, sommige mensen naderen tot het doopsel wanneer ze reeds deugden bezitten en genade ontvingen. We lezen immers in de Hand. van de Apostelen (10, 1): “Er was te Cesarea een man Cornelius geheten, een honderdman uit de zogenaamde Italische krijgsbende, vroom en godvrezend”. Die nu werd naderhand niettemin door Petrus gedoopt. Zo geeft dus het doopsel noch genade noch deugden.
3. Praeterea, virtus est habitus, ad cujus rationem pertinet, quod sit qualitas difficile mobilis, per quam aliquis faciliter et delectabiliter operetur. Sed post baptismum remanet in hominibus pronitas ad malum, per quod tollitur virtus, et consequitur difficultatem quis ad bonum, quod est actus virtutis. Ergo per baptismum non consequitur homo gratiam et virtutes.
3. De deugd is een hebbelijkheid, een hoedanigheid dus, die niet licht wegvalt en waardoor de mensch in staat is gemakkelijk en met welgevallen te handelen. Welnu, na het doopsel blijft in den mensch een geneigdheid naar het kwaad voortbestaan waardoor de deugd wordt te niet gedaan en het bezwaarlijk aangaat het goede waarin ten slotte de deugd gelegen is te doen verrichten. Zoo erlangt dus de mensch bij het doopsel noch genade noch deugden.3. De deugd is een hebbelijkheid, een hoedanigheid dus, die niet licht wegvalt en waardoor de mens in staat is gemakkelijk en met welgevallen te handelen. Welnu, na het doopsel blijft in de mens een geneigdheid naar het kwaad voortbestaan waardoor de deugd wordt te niet gedaan en het bezwaarlijk aangaat het goede waarin ten slotte de deugd gelegen is te doen verrichten. Zo erlangt dus de mens bij het doopsel noch genade noch deugden.
Sed contra est, quod ad Tit. 3. [v. 5-6] dicit Apostolus: « Salvos nos fecit per lavacrum regenerationis (idest per baptismum) et renovationis Spiritus Sancti, quem effudit in nos abunde », idest, ad remissionem 342peccatorum et copiam virtutum, ut Glossa interl. ibi exponit. Sic ergo in baptismo datur gratia Spiritus Sancti et copia virtutum.
Daartegenover staat echter wat de apostel in den Brief aan Titus zegt (3, 5) : « Door een bad van wedergeboorte (d. i. door het doopsel) en door vernieuwing van den Heiligen Geest dien hij overvloedig over ons heeft uitgestort heeft hij ons gered » d. i. zooals hier de Glossa zegt, tot vergiffenis onzer zonden en tot 342overvloed onzer deugden. Zoo worden de genaden van den Heiligen Geest en overvloedige deugden dus wel degelijk bij het doopsel geschonken.Daartegenover staat echter wat de apostel in de Brief aan Titus zegt (3, 5): “Door een bad van wedergeboorte (d.i. door het doopsel) en door vernieuwing van de Heilige Geest die hij overvloedig over ons heeft uitgestort heeft hij ons gered” d.i. zoals hier de Glossa zegt, tot vergiffenis van onze zonden en tot 342overvloed van onze deugden. Zo worden de genaden van de Heilige Geest en overvloedige deugden dus wel degelijk bij het doopsel geschonken.
Respondeo dicendum, quod, sicut Augustinus dicit in lib. 1. de Baptismo parvulorum [seu de Peccator. merit. et remiss. cap. 26.], ad hoc baptismus valet, ut baptizati Christo incorporentur, ut membra ejus. A capite autem Christo in omnia membra ejus gratiae, et virtutis plenitudo derivatur, secundum illud Joan. 1. [v. 16] : « De plenitudine ejus nos omnes accepimus ». Unde manifestum est, quod per baptismum aliquis consequitur gratiam et virtutes.
Leerstelling. — Sint Augustinus zegt in zijn Boek over « het doopsel der kinderen » (1, 26) dat het doopsel de menschen als ledematen bij Christus inlijft. Welnu, zooals Sint Jan zegt (1, 16) : « uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen », vloeien uit het hoofd dat Christus is in alle ledematen genaden en volmaaktheid van deugd over. Zoo is het dus duidelijk dat door het doopsel de mensch genade en deugden erlangt.Leerstelling. — Sint Augustinus zegt in zijn Boek over “het doopsel van de kinderen” (1, 26) dat het doopsel de mensen als ledematen bij Christus inlijft. Welnu, zoals Sint Jan zegt (1, 16): “uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen”, vloeien uit het hoofd dat Christus is in alle ledematen genaden en volmaaktheid van deugd over. Zo is het dus duidelijk dat door het doopsel de mens genade en deugden erlangt.
Ad primum ergo dicendum, quod sicut aqua baptismi per suam ablutionem significat emundationem culpae, et per suum refrigerium significat liberationem a poena, ita per naturalem claritatem significat splendorem gratiae et virtutum.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals het water dat bij het doopsel gebruikt wordt door de wassching het wegnemen van schuld, en door zijn verfrisschenden invloed bevrijding van straf te kennen geeft, zoo ook verbeeldt dit water door zijn klaarheid de heerlijkheid van de genade en van de deugden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals het water dat bij het doopsel gebruikt wordt door de wassing het wegnemen van schuld, en door zijn verfrissenden invloed bevrijding van straf te kennen geeft, zo ook verbeeldt dit water door zijn klaarheid de heerlijkheid van de genade en van de deugden.
Ad secundum dicendum, quod, sicut dictum est [q. 68. art. 2.], remissionem peccatorum aliquis consequitur ante baptismum, secundum 343quod habet baptismum in voto, vel explicite, vel implicite. Et tamen cum realiter suscipit baptismum, fit plenior remissio quantum ad liberationem a tota poena. Ita etiam ante baptismum Cornelius et alii similes consequuntur gratiam et virtutes per fidem Christi et desiderium baptismi implicite, vel explicite; postmodum tamen in baptismo majorem copiam gratiae et virtutum consequuntur. Unde super illud Psalm. 22. [v. 2] : Super aquas refectionis educavit me, dicit Glossa [Lom.] : « Per augmentum virtutis et bonae operationis educavit in baptismo ».
2. Hierboven (1e art., antw. op de 2e bedenk.) hebben wij er reeds op gewezen dat iemand in zoover hij uitdrukkelijk of impliciet verlangt het doopsel te ontvangen reeds voor het doopsel 343vergiffenis van zijn zonden kan bekomen. Niettemin grijpt echter wanneer hij eenmaal het doopsel ontvangt een volkomener vergeving van zondestraf plaats. Zoo ontvingen Cornelius en andere die op hem gelijken door het geloof in Christus en door uitdrukkelijk of impliciet het doopsel te ontvangen genade en deugden; wanneer ze echter naderhand gedoopt werden ontvingen ze een grooter overvloed aan genade en deugd. Daarom zegt de Glossa op die woorden van den Psalmist (22, 2) : « Hij heeft mijn ziel met water gedrenkt » dat Hij ons in het doopsel door een vermeerdering van deugd en goede werken heeft opgevoed.2. Hierboven (1e art., antw. op de 2e bedenk.) hebben wij er reeds op gewezen dat iemand in zover hij uitdrukkelijk of impliciet verlangt het doopsel te ontvangen reeds voor het doopsel 343vergiffenis van zijn zonden kan bekomen. Niettemin grijpt echter wanneer hij eenmaal het doopsel ontvangt een volkomener vergeving van zondestraf plaats. Zo ontvingen Cornelius en andere die op hem gelijken door het geloof in Christus en door uitdrukkelijk of impliciet het doopsel te ontvangen genade en deugden; wanneer ze echter naderhand gedoopt werden ontvingen ze een groter overvloed aan genade en deugd. Daarom zegt de Glossa op die woorden van de Psalmist (22, 2): “Hij heeft mijn ziel met water gedrenkt” dat Hij ons in het doopsel door een vermeerdering van deugd en goede werken heeft opgevoed.
Ad tertium dicendum, quod difficultas ad bonum et pronitas ad malum inveniuntur in baptizatis, non propter defectum habitus virtutum, sed propter concupiscentiam, quae non tollitur in baptismo. Sicut tamen per baptismum diminuitur concupiscentia, ut non dominetur, ita etiam diminuitur utrumque dictorum, ne homo ab his superetur.
3. De tegenzin voor het goede en de geneigdheid tot het kwade vindt men bij gedoopten, niet alsof zij geen deugden bezaten maar wel om reden van hun begeerlijkheid die door het doopsel niet wordt weggenomen, terug. Zooals echter door het doopsel de begeerlijkheid opdat ze den mensch niet zou beheerschen verminderd wordt, zoo ook worden bij de bewuste hinderpalen opdat ze den mensch niet zouden de baas worden verzwakt.3. De tegenzin voor het goede en de geneigdheid tot het kwade vindt men bij gedoopten, niet alsof zij geen deugden bezaten maar wel om reden van hun begeerlijkheid die door het doopsel niet wordt weggenomen, terug. Zoals echter door het doopsel de begeerlijkheid opdat ze de mens niet zou beheersen verminderd wordt, zo ook worden bij de bewuste hinderpalen opdat ze de mens niet zouden de baas worden verzwakt.
Utrum convenienter attribuantur baptismo quidam actus
Worden aan het doopsel sommige daden toegeschreven?
344Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod inconvenienter attribuantur baptismo pro effectibus quidam actus virtutum, scilicet incorporatio ad Christum, illuminatio, et foecundatio. Non enim baptismus datur adulto, nisi fideli, secundum illud Marc. ult. [v. 16] : « Qui crediderit et baptizatus fuerit, salvus erit ». Sed per fidem aliquis incorporatur Christo secundum illud Ephes. 3. [v. 17] : « Habitare Christum per fidem in cordibus vestris ». Ergo nullus baptizatur, nisi jam Christo incorporatus. Non ergo est effectus baptismi incorporari Christo.
344Bedenkingen. — Men beweert dat als uitwerkselen van het doopsel geen daden aan dit sacrament zooals daar zijn de inlijving bij Christus, de verlichting en de bevruchting, dienen toegeschreven. — 1. Het doopsel mag overeenkomstig de woorden uit Sint Marcus (16, 16) : « Wie zal geloofd hebben en gedoopt zijn zal zalig worden » enkel indien ze gelooven aan volwassenen worden toegediend. Welnu door het geloof wordt de mensch bij Christus ingelijfd; de Brief aan de Ephesiërs zegt immers (3, 17) : « Laat Christus door het geloof in uw hart wonen ». Zoo wordt niemand zonder eerst bij Christus ingelijfd te zijn gedoopt en zoo is bij Christus in te lijven dus geen uitwerksel van het doopsel.344Bedenkingen. — Men beweert dat als uitwerkselen van het doopsel geen daden aan dit sacrament zoals daar zijn de inlijving bij Christus, de verlichting en de bevruchting, dienen toegeschreven. — 1. Het doopsel mag overeenkomstig de woorden uit Sint Marcus (16, 16): “Wie zal geloofd hebben en gedoopt zijn zal zalig worden” enkel indien ze geloven aan volwassenen worden toegediend. Welnu door het geloof wordt de mens bij Christus ingelijfd; de Brief aan de Efesiërs zegt immers (3, 17): “Laat Christus door het geloof in uw hart wonen”. Zo wordt niemand zonder eerst bij Christus ingelijfd te zijn gedoopt en zo is bij Christus in te lijven dus geen uitwerksel van het doopsel.
2. Praeterea, illuminatio fit per doctrinam, secundum illud Ephes. 3. [v. 8-9] : « Mihi omnium sanctorum minimo data est gratia haec, 345illuminare omnes », etc. Sed doctrina praecedit baptismum in catechismo. Non est ergo effectus baptismi.
2. Geschiedt verlichting door het onderwijs, overeenkomstig den Brief aan de Ephesiërs (3, 8) : « Aan mij, den allergeringsten van alle heiligen is deze genade gegeven aan allen het licht te doen zien, enz.... » Welnu, in het geloof wordt men nog 345vooraleer gedoopt te worden onderwezen. Zoo is het dus geen uitwerksel van het doopsel.2. Geschiedt verlichting door het onderwijs, overeenkomstig de Brief aan de Efesiërs (3, 8): “Aan mij, de allergeringsten van alle heiligen is deze genade gegeven aan allen het licht te doen zien, enz....” Welnu, in het geloof wordt men nog 345vooraleer gedoopt te worden onderwezen. Zo is het dus geen uitwerksel van het doopsel.
3. Praeterea, foecunditas pertinet ad generationem activam. Sed per baptismum aliquis regeneratur spiritualiter. Ergo foecunditas non est effectus baptismi.
3. Vruchtbaarheid is op dengene die zelf voortbrengt aangewezen. Door het doopsel worden wij integendeel geestelijkerwijze voortgebracht en zoo is dus vruchtbaarheid geen uitwerksel van het doopsel.3. Vruchtbaarheid is op dengene die zelf voortbrengt aangewezen. Door het doopsel worden wij integendeel geestelijkerwijze voortgebracht en zo is dus vruchtbaarheid geen uitwerksel van het doopsel.
Sed contra est, quod Augustinus dicit in lib. 1. de Baptismo parvulorum [loc. cit. art. praec.], quod ad hoc valet baptismus, ut baptizati Christo incorporentur; Dionys. etiam 2. cap. Eccl. Hier. illuminationem attribuit baptismo; et super illud Psalm. 22 [v. 2] : Super aquam refectionis, dicit Glos. [interl.] quod « anima peccatorum, ariditate sterilis, foecundatur per baptismum ».
Daartegenover staat echter wat St. Augustinus in zijn Boek over « Het Doopsel der Kinderen » (1, 26) zegt : « Daartoe bestaat het doopsel om de menschen bij Christus in te lijven » en Dionysius zegt in zijn « Kerkelijke Hierarchie » (2) : « Het doopsel brengt verlichting mede », en de Glossa op den twee-en-twintigsten psalm (2) : « Langs verfrisschend water heeft hij me heengeleid » zegt « dat de ziel om de dorheid der zonde onvruchtbaar door het doopsel vruchtbaar gemaakt wordt ».Daartegenover staat echter wat St. Augustinus in zijn Boek over “Het Doopsel van de Kinderen” (1, 26) zegt: “Daartoe bestaat het doopsel om de mensen bij Christus in te lijven” en Dionysius zegt in zijn “Kerkelijke Hierarchie” (2): “Het doopsel brengt verlichting mede”, en de Glossa op de twee-en-twintigsten psalm (2): “Langs verfrissend water heeft hij me heengeleid” zegt “dat de ziel om de dorheid van de zonde onvruchtbaar door het doopsel vruchtbaar gemaakt wordt”.
Respondeo dicendum, quod per baptismum aliquis regeneratur in spiritualem vitam, quae est propria fidelium Christi, sicut Apostolus dicit Galat. 2. [v. 20] : « Quod autem nunc vivo in carne, in fide vivo Filii 346Dei ». Vita autem non est nisi membrorum capiti unitorum, a quo sensum et motum suscipiunt. Et ideo necesse est, quod per baptismum aliquis incorporetur Christo, quasi membrum ipsius. Sicut autem a capite naturali derivatur ad membra sensus et motus, ita a capite spiritualis, qui consistit in cognitione veritatis, et motus spiritualis, qui est per gratiae instinctum. Unde Joan. 1. [v. 14 et 16] dicitur : « Vidimus eum plenum gratiae et veritatis; et de plenitudine ejus nos omnes accepimus ». Et ideo consequens est, quod baptizati illuminentur a Christo circa cognitionem veritatis, et foecundentur ab eo foecunditate bonorum operum per gratiae infusionem.
Leerstelling. — Het doopsel doet den mensch tot het geestelijke leven wedergeboren worden, iets wat alleen door toedoen van het gebed in Christus kan gebeuren. De apostel zegt immers in zijn Brief aan de Galaten (2, 20) : « Ik die nu in het vleesch 346leef, ik leef in het geloof van den zoon van God. » — Welnu, alleen voor de ledematen die met het hoofd waarvandaan ze gevoelen en beweging betrekken vereenigd zijn is er leven, en daarom is het noodig dat de mensch door het doopsel als lidmaat bij Christus zou worden ingelijfd. Zooals immers de ledematen van het natuurlijke hoofd gevoel en beweging betrekken, zoo ook komen van het geestelijke hoofd dat Christus is, het geestelijk gevoel dat in kennis van de waarheid bestaat en de geestelijke beweging die onder invloed van de genade geschiedt naar Christus' ledematen. Daarom zegt Sint Jan (1, 14) : « Wij hebben hem gezien vol van genade en waarheid, en van zijn volheid hebben wij allen ontvangen. » — Zoo is het dan duidelijk dat door Christus de gedoopten in de kennis van de waarheid verlicht en met hun genade in te storten door Hem aan goede werken worden vruchtbaar gemaakt.Leerstelling. — Het doopsel doet de mens tot het geestelijke leven wedergeboren worden, iets wat alleen door toedoen van het gebed in Christus kan gebeuren. De apostel zegt immers in zijn Brief aan de Galaten (2, 20): “Ik die nu in het vlees 346leef, ik leef in het geloof van de zoon van God.” — Welnu, alleen voor de ledematen die met het hoofd waarvandaan ze gevoelen en beweging betrekken verenigd zijn is er leven, en daarom is het nodig dat de mens door het doopsel als lidmaat bij Christus zou worden ingelijfd. Zoals immers de ledematen van het natuurlijke hoofd gevoel en beweging betrekken, zo ook komen van het geestelijke hoofd dat Christus is, het geestelijk gevoel dat in kennis van de waarheid bestaat en de geestelijke beweging die onder invloed van de genade geschiedt naar Christus' ledematen. Daarom zegt Sint Jan (1, 14): “Wij hebben hem gezien vol van genade en waarheid, en van zijn volheid hebben wij allen ontvangen.” — Zo is het dan duidelijk dat door Christus de gedoopten in de kennis van de waarheid verlicht en met hun genade in te storten door Hem aan goede werken worden vruchtbaar gemaakt.
Ad primum ergo dicendum, quod adulti prius credentes in Christum sunt ei incorporati mentaliter; sed postmodum, cum baptizantur, incorporantur ei quodammodo corporaliter, scilicet per visibile sacramentum, sine cujus proposito nec mentaliter incorporari potuissent.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De volwassenen worden wanneer ze gelooven eerst op geestelijke wijze bij Christus ingelijfd, en eerst daarna worden ze bij het doopsel als lichamelijkerwijze, d. i. door het zichtbaar Sacrament waarnaar ze om geestelijk te kunnen worden ingelijfd reeds moesten verlangen, bij Christus ingelijfd.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De volwassenen worden wanneer ze geloven eerst op geestelijke wijze bij Christus ingelijfd, en eerst daarna worden ze bij het doopsel als lichamelijkerwijze, d.i. door het zichtbaar Sacrament waarnaar ze om geestelijk te kunnen worden ingelijfd reeds moesten verlangen, bij Christus ingelijfd.
347Ad secundum dicendum, quod doctor illuminat exterius per ministerium catechizando, sed Deus illuminat interius baptizatos, praeparans corda eorum ad recipiendam doctrinam veritatis, secundum illud Joan. 6. [v. 45] : « Est scriptum in prophetis : Erunt omnes docibiles Dei. »
3472. Een leeraar verlicht uiterlijk door middel van zijn onderwijs; God echter verlicht innerlijk door het doopsel met hun hart te stemmen om de leer van waarheid aan te nemen. Zoo zegt dan ook Sint Jan (6, 45) : « Bij de profeten staat geschreven : en alle menschen zullen bij God ter school gaan. »3472. Een leraar verlicht uiterlijk door middel van zijn onderwijs; God echter verlicht innerlijk door het doopsel met hun hart te stemmen om de leer van waarheid aan te nemen. Zo zegt dan ook Sint Jan (6, 45): “Bij de profeten staat geschreven: en alle mensen zullen bij God ter school gaan.”
Ad tertium dicendum, quod effectus baptismi ponitur foecunditas, qua aliquis producit bona opera, non autem foecunditas, qua aliquis generat alios in Christo; sicut Apostolus dicit 1. ad Cor. 4. [v. 15] : « In Christo Jesu per Evangelium ego vos genui ».
3. Vruchtbaarheid waardoor iemand goede werken volbrengt, is een uitwerksel van het doopsel, niet vruchtbaarheid waardoor iemand andere menschen in Christus voortbrengt; zoo toch zegt de apostel in zijn eersten Brief aan de Korinthiërs (4, 15) : « Want in Christus Jezus heb ik u door het evangelie geteeld. »3. Vruchtbaarheid waardoor iemand goede werken volbrengt, is een uitwerksel van het doopsel, niet vruchtbaarheid waardoor iemand andere mensen in Christus voortbrengt; zo toch zegt de apostel in zijn eersten Brief aan de Korintiërs (4, 15): “Want in Christus Jezus heb ik u door het evangelie geteeld.”
Utrum pueri in baptismo consequantur gratiam et virtutes
Erlangen ook kleine kinderen bij het doopsel genade en deugden?
Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod pueri in baptismo non consequantur gratiam et virtutes. Gratia enim, et virtutes non habentur sine fide 348et charitate. « Sed fides », ut Augustinus dicit [epist. 23. et lib. de Praedest. Sanctor. cap. 5.], « consistit in credentium voluntate »; similiter etiam charitas consistit in diligentium voluntate, cujus usum pueri non habent; et sic non habent fidem, et charitatem. Ergo pueri in baptismo non recipiunt gratiam, et virtutes.
Bedenkingen. — Men beweert dat kleine kinderen bij het doopsel met genade en deugden niet begiftigd worden. — 1. Genade en deugden gaan altijd met geloof en liefde gepaard. Welnu, 348zooals Sint Augustinus in zijn 98en Brief zegt, komt het geloof neer op den wil van hen die gelooven en zoo ook komt liefde neer op den wil van hen die beminnen. Kinderen nu hebben niet het gebruik van hun vrijen wil en hebben bijgevolg noch geloof noch liefde. Zoo worden dus de kinderen bij het doopsel niet met genade en deugden begiftigd.Bedenkingen. — Men beweert dat kleine kinderen bij het doopsel met genade en deugden niet begiftigd worden. — 1. Genade en deugden gaan altijd met geloof en liefde gepaard. Welnu, 348zoals Sint Augustinus in zijn 98en Brief zegt, komt het geloof neer op de wil van hen die geloven en zo ook komt liefde neer op de wil van hen die beminnen. Kinderen nu hebben niet het gebruik van hun vrijen wil en hebben bijgevolg noch geloof noch liefde. Zo worden dus de kinderen bij het doopsel niet met genade en deugden begiftigd.
2. Praeterea, super illud Joan. 14. [v. 12] : Majora horum faciet, dicit Augustinus [tract. 72. in Joan.] quod « ex impio justus fiat, in illo, sed non sine illo, Christus operatur ». Sed puer, cum non habeat usum liberi arbitrii, non cooperatur Christo ad suam justificationem; immo quandoque pro posse renititur. Ergo non justificatur per gratiam et virtutes.
2. Bij die woorden van Joannes (14, 12) « Degene die in Mij gelooft zal nog grootere werken verrichten » zegt de heilige Augustinus (72e tract. op Joan.) « Om een onrechtvaardige tot een rechtvaardige te maken moet Jezus Christus in dien mensch werken en hij ook moet medewerken. » — Welnu, daar een kind niet het gebruik van zijn vrijen wil heeft, kan het niet met Christus aan zijne rechtvaardigmaking medewerken, ja zelfs biedt het wel eens zooveel het kan weerstand. Zoo wordt dus een kind niet door de genade en de deugden rechtvaardig gemaakt.2. Bij die woorden van Johannes (14, 12) “Degene die in Mij gelooft zal nog grotere werken verrichten” zegt de heilige Augustinus (72e tract. op Joh.) “Om een onrechtvaardige tot een rechtvaardige te maken moet Jezus Christus in die mens werken en hij ook moet medewerken.” — Welnu, daar een kind niet het gebruik van zijn vrijen wil heeft, kan het niet met Christus aan zijn rechtvaardigmaking medewerken, ja zelfs biedt het wel eens zoveel het kan weerstand. Zo wordt dus een kind niet door de genade en de deugden rechtvaardig gemaakt.
3. Praeterea, Rom. 4. [v. 5] dicitur : « Ei qui non operatur, credenti autem in eum, qui justificat impium, reputatur fides ejus ad justitiam, secundum propositum gratiae Dei ». Sed puer non est credens in eum, qui justificat impium. Ergo non consequitur gratiam justificantem, neque virtutes.
3. In zijn Brief aan de Romeinen (4) zegt Sint Paulus het volgende : « Uit kracht van Gods genadebesluit wordt het geloof aan hem die geen goede werken verricht, maar in Hem die den goddelooze kan rechtvaardig maken gelooft, als gerechtigheid aangerekend. » Welnu een klein kind gelooft niet in dengene die den onrechtvaardige rechtvaardig maakt en ontvangt dus ook noch de heiligmakende genade, noch de deugden.3. In zijn Brief aan de Romeinen (4) zegt Sint Paulus het volgende: “Uit kracht van Gods genadebesluit wordt het geloof aan hem die geen goede werken verricht, maar in Hem die de goddeloze kan rechtvaardig maken gelooft, als gerechtigheid aangerekend.” Welnu een klein kind gelooft niet in dengene die de onrechtvaardige rechtvaardig maakt en ontvangt dus ook noch de heiligmakende genade, noch de deugden.
3494. Praeterea, quod ex carnali intentione agitur, non videtur habere spiritualem effectum. Sed quandoque pueri ad baptismum deferuntur carnali intentione, ut scilicet corporaliter sanentur. Non ergo consequuntur spiritualem effectum gratiae et virtutum.
3494. Wat met een vleeschelijk opzet gedaan wordt kan geen geestelijk uitwerksel erlangen. Welnu, soms gebeurt het dat kinderen om een vleeschelijk opzet opdat ze namelijk zouden lichamelijk gezond worden, ten doop gedragen worden. Zoodus verkrijgen ze noch genade noch deugden.3494. Wat met een vleselijk opzet gedaan wordt kan geen geestelijk uitwerksel erlangen. Welnu, soms gebeurt het dat kinderen om een vleselijk opzet opdat ze namelijk zouden lichamelijk gezond worden, ten doop gedragen worden. Zoodus verkrijgen ze noch genade noch deugden.
Sed contra est, quod Augustinus dicit in Enchirid. [cap. 52.] : « Parvuli renascendo moriuntur illi peccato, quod nascendo contraxerunt », ac per hoc ad illos etiam pertinet, quod dicitur: « Consepulti sumus cum illo per baptismum in mortem » : subditur autem : « Ut quomodo Christus surrexit a mortuis, per gloriam Patris, ita et nos in novitate vitae ambulemus ». Sed novitas vitae est per gratiam et virtutes. Ergo pueri in baptismo gratiam et virtutes consequuntur.
Daartegenover staat echter wat Sint Augustinus in zijn « Enchiridion » (52e c.) schrijft : « Wanneer de kinderen worden wedergeboren sterven ze voor de zonde die ze, wanneer ze geboren werden hadden opgeloopen », zoo geldt dan van hen wat gezegd werd : « Door het doopsel werden we met Jezus Christus in zijn dood begraven (en men voegt er aan toe) : opdat, zooals Christus door de glorie van den Vader uit de dooden is opgestaan, zoo ook wij in een nieuw leven zouden omwandelen. » — Welnu, nieuwheid van leven wordt ons door de genade en door de deugden gegeven en zoo erlangen dus kinderen bij het doopsel degelijk de genade en de deugden.Daartegenover staat echter wat Sint Augustinus in zijn “Enchiridion” (52e c.) schrijft: “Wanneer de kinderen worden wedergeboren sterven ze voor de zonde die ze, wanneer ze geboren werden hadden opgelopen”, zo geldt dan van hen wat gezegd werd: “Door het doopsel werden we met Jezus Christus in zijn dood begraven (en men voegt er aan toe): opdat, zoals Christus door de glorie van de Vader uit de doden is opgestaan, zo ook wij in een nieuw leven zouden omwandelen.” — Welnu, nieuwheid van leven wordt ons door de genade en door de deugden gegeven en zo erlangen dus kinderen bij het doopsel degelijk de genade en de deugden.
Respondeo dicendum, quod quidam antiqui posuerunt, quod pueris in baptismo non dantur gratia et virtutes; sed imprimitur eis character 350Christi, cujus virtute, cum ad perfectam aetatem venerint, consequuntur gratiam et virtutes. Sed hoc patet esse falsum dupliciter : primo quidem, quia pueri, sicut et adulti, in baptismo efficiuntur membra Christi; unde necesse est, quod a capite recipiant influxum gratiae et virtutis; secundo, quia secundum hoc pueri decedentes post baptismum non pervenirent ad vitam aeternam, quia, ut dicitur Rom. 6. [v. 23], « gratia Dei est vita aeterna »; et ita non profuisset eis ad salutem baptizatos fuisse. Causa autem erroris fuit, quia nescierunt distinguere inter habitum et actum, et sic videntes pueros inhabiles ad actus virtutum, crediderunt eos post baptismum nullatenus virtutem habere; sed ista impotentia operandi non accidit pueris ex defectu habituum, sed ex impedimento corporali, sicut etiam dormientes, quamvis habeant habitus virtutum, impediuntur tamen ab actibus propter somnum.
Leerstelling. — Oudere godgeleerden hebben beweerd dat door het doopsel aan kinderen niet de genade en de deugden, maar enkel het merkteeken uit kracht waarvan ze, wanneer ze eens tot 350de jaren van verstand gekomen zijn, genade en deugden erlangen, geschonken wordt. Die stelling nu houdt geen stand en wel om twee redenen : vooreerst, omdat kinderen evenzeer als volwassenen door het doopsel ledematen van Christus worden; zoo moeten hun dan van het hoofd genade en deugden toevloeien. Ten tweede, omdat volgens die zienswijze kinderen die gauw na het doopsel sterven de eeuwige zaligheid niet zouden erlangen, de apostel zegt immers in den Brief aan de Romeinen (6, 23) : « De genade van God is het eeuwige leven »; zoo zou dan het doopsel hun zaligheid niet ten goede komen. Die dwaling komt overigens hiervandaan dat zulken niet wisten de hebbelijkheid en de daad uit malkaar te houden. Daar ze namelijk vaststelden dat na het doopsel kinderen nog geen daden van deugd stellen, zoo besloten ze dat na het doopsel kinderen nog niet de deugd bezitten; die onbekwaamheid tot handelen komt echter niet bij gebrek aan hebbelijkheden maar wel naar aanleiding van hinderpalen vanwege het lichaam; zoo ook worden slapenden hoewel ze deugdzame hebbelijkheden bezitten door den slaap weerhouden daden te stellen.Leerstelling. — Oudere godgeleerden hebben beweerd dat door het doopsel aan kinderen niet de genade en de deugden, maar enkel het merkteken uit kracht waarvan ze, wanneer ze eens tot 350de jaren van verstand gekomen zijn, genade en deugden erlangen, geschonken wordt. Die stelling nu houdt geen stand en wel om twee redenen: vooreerst, omdat kinderen evenzeer als volwassenen door het doopsel ledematen van Christus worden; zo moeten hun dan van het hoofd genade en deugden toevloeien. Ten tweede, omdat volgens die zienswijze kinderen die gauw na het doopsel sterven de eeuwige zaligheid niet zouden erlangen, de apostel zegt immers in de Brief aan de Romeinen (6, 23): “De genade van God is het eeuwige leven”; zo zou dan het doopsel hun zaligheid niet ten goede komen. Die dwaling komt overigens hiervandaan dat zulken niet wisten de hebbelijkheid en de daad uit malkaar te houden. Daar ze namelijk vaststelden dat na het doopsel kinderen nog geen daden van deugd stellen, zo besloten ze dat na het doopsel kinderen nog niet de deugd bezitten; die onbekwaamheid tot handelen komt echter niet bij gebrek aan hebbelijkheden maar wel naar aanleiding van hinderpalen vanwege het lichaam; zo ook worden slapenden hoewel ze deugdzame hebbelijkheden bezitten door de slaap weerhouden daden te stellen.
Ad primum ergo dicendum, quod fides et charitas consistunt in voluntate hominum, ita tamen quod habitus harum, et aliarum virtutum requirunt 351potentiam voluntatis, quae est in pueris. Sed actus virtutum requirunt actum voluntatis, qui non est in pueris. Et hoc modo Augustinus dicit [in lib. de Bapt. Parvul.] quod « parvulum, etsi nondum illa fides, quae in credentium voluntate consistit, jam tamen ipsius fidei sacramentum », quod scilicet causat habitum fidei, « fidelem facit ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Geloof en liefde zijn in den wil van den mensch gelegen zoo nochtans dat de hebbelijkheid van bewuste en andere deugden het vermogen van den wil 351dat bij kinderen voorkomt noodig heeft, terwijl de daad van die of gene deugd vanwege den wil een daad vergt, en deze komt niet bij kinderen voor. Op die wijze dan mag Sint Augustinus in zijn 98en Brief zeggen : « Alhoewel het kleine kind niet geloovig wordt door een geloof dat zou in den wil bestaan, toch wordt het geloovig door het geloofssacrament dat de hebbelijkheid te gelooven teweegbrengt. »Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Geloof en liefde zijn in de wil van de mens gelegen zo nochtans dat de hebbelijkheid van bewuste en andere deugden het vermogen van de wil 351dat bij kinderen voorkomt nodig heeft, terwijl de daad van die of gene deugd vanwege de wil een daad vergt, en deze komt niet bij kinderen voor. Op die wijze dan mag Sint Augustinus in zijn 98en Brief zeggen: “Alhoewel het kleine kind niet gelovig wordt door een geloof dat zou in de wil bestaan, toch wordt het gelovig door het geloofssacrament dat de hebbelijkheid te geloven teweegbrengt.”
Ad secundum dicendum, quod, sicut Augustinus dicit in lib. de Charitate [seu tract. 3. super epist. Joan.], « nemo ex aqua et Spiritu Sancto renascitur, nisi volens »; quod non de parvulis, sed de adultis intelligendum est. Et similiter de adultis intelligendum est, quod homo a Christo sine ipso non justificabitur. Quod autem parvuli baptizandi, prout viribus possunt, reluctantur, non eis imputatur, quia « intantum nesciunt, quod faciunt, ut nec facere videantur », ut Augustinus dicit in libro de Praescientia Dei ad Dardanum [scilicet epist. 57.].
2. De woorden van Sint Augustinus in zijn Boek : De Liefde, IIIe tract. op den 1en Brief van Joannes : « Niemand wordt door water en den Heiligen Geest wedergeboren behalve wanneer hij het zelf wil », moeten van volwassenen, niet van kinderen begrepen worden, en dat de mensch niet zonder mee te werken door Christus wordt rechtvaardig gemaakt, evenzoo. Dat eindelijk « kleine kinderen, wanneer ze moeten gedoopt worden, zoo goed als ze kunnen tegenspartelen, dat dient hun niet kwalijk genomen; ze weten immers zoo weinig wat ze doen dat het is alsof ze het niet deden » zooals Sint Augustinus in zijn Boek « De Aanwezigheid Gods » en in zijn « Brief aan Dardanus » (287e Brief) zegt.2. De woorden van Sint Augustinus in zijn Boek: De Liefde, 3e tract. op de 1e Brief van Johannes: “Niemand wordt door water en de Heilige Geest wedergeboren behalve wanneer hij het zelf wil”, moeten van volwassenen, niet van kinderen begrepen worden, en dat de mens niet zonder mee te werken door Christus wordt rechtvaardig gemaakt, evenzo. Dat eindelijk “kleine kinderen, wanneer ze moeten gedoopt worden, zo goed als ze kunnen tegenspartelen, dat dient hun niet kwalijk genomen; ze weten immers zo weinig wat ze doen dat het is alsof ze het niet deden” zoals Sint Augustinus in zijn Boek “De Aanwezigheid Gods” en in zijn “Brief aan Dardanus” (287e Brief) zegt.
Ad tertium dicendum, quod, sicut Augustinus dicit [serm. 10. de Verb. Apost. cap. 2.], « parvulus mater Ecclesia aliorum pedes 352accommodat, ut veniant; aliorum cor, ut credant; aliorum linguam, ut fateantur ». Et ita pueri credunt, non per actum proprium, sed per fidem Ecclesiae, quae eis communicatur, et hujus fidei virtute conferuntur eis gratia et virtutes.
3. Volgens Sint Augustinus (De apostolische Waarheden) geeft de heilige Kerk aan kleine kinderen de voeten van andere menschen om te gaan, het hart van andere menschen om te gelooven, 352en de tong van andere menschen om het geloof te belijden. Zoo komt het dan dat die kleine kinderen niet door een eigen daad, maar door het geloof van de Kerk dat hun wordt medegedeeld gelooven en dank zij de kracht van dit geloof erlangen ze genade en deugden.3. Volgens Sint Augustinus (De apostolische Waarheden) geeft de heilige Kerk aan kleine kinderen de voeten van andere mensen om te gaan, het hart van andere mensen om te geloven, 352en de tong van andere mensen om het geloof te belijden. Zo komt het dan dat die kleine kinderen niet door een eigen daad, maar door het geloof van de Kerk dat hun wordt medegedeeld geloven en dank zij de kracht van dit geloof erlangen ze genade en deugden.
Ad quartum dicendum, quod carnalis intentio deferentium pueros ad baptismum nihil eis nocet, sicut nec culpa unius nocet alteri, nisi consentiat. Unde Augustinus dicit in epist. ad Bonifac. : « Non illud te moveat, quod quidam non ea fide ad baptismum percipiendum parvulos ferunt, ut gratia spirituali ad vitam regenerentur aeternam, sed hoc eos putant remedio corporalem retinere, vel recipere sanitatem; non enim propterea illi non regenerantur, quia non ab istis hac intentione offeruntur ».
4. Het vleeschelijk opzet van de menschen die kinderen ten doop dragen doet niets ter zake; de schuld van den eene kan immers den andere zoolang hij niet toestemt niet hinderen. Waarvandaan dat de heilige Augustinus zegt (98e Brief aan Bonifacius) : « Maak u niet bezorgd over het feit dat sommige menschen, niet omdat ze denken dat de geestelijke genade ze zal doen tot het eeuwige leven wedergeboren worden, maar wel omdat ze denken dat dit een geneesmiddel is om de gezondheid te bewaren of te verkrijgen hun kinderen laten doopen. Dit staat toch, alhoewel ze niet met dit opzet door hun ouders worden ten doop gedragen de wedergeboorte van die kinderen niet in den weg. »4. Het vleselijk opzet van de mensen die kinderen ten doop dragen doet niets ter zake; de schuld van de ene kan immers de andere zolang hij niet toestemt niet hinderen. Waarvandaan dat de heilige Augustinus zegt (98e Brief aan Bonifacius): “Maak u niet bezorgd over het feit dat sommige mensen, niet omdat ze denken dat de geestelijke genade ze zal doen tot het eeuwige leven wedergeboren worden, maar wel omdat ze denken dat dit een geneesmiddel is om de gezondheid te bewaren of te verkrijgen hun kinderen laten dopen. Dit staat toch, alhoewel ze niet met dit opzet door hun ouders worden ten doop gedragen de wedergeboorte van die kinderen niet in de weg.”
Utrum effectus baptismi sit apertio januae regni coelestis
Wordt door het doopsel de deur van het hemelrijk voor de gedoopten opengesteld?
353Ad septimum sic proceditur. Videtur, quod effectus baptismi non sit apertio januae regni coelestis. Illud enim quod est apertum, non indiget apertione. Sed janua regni coelestis est aperta per passionem Christi; unde Apoc. 4. [v. 1.] dicitur : « Post haec vidi ostium magnum apertum in coelo ». Non est ergo effectus baptismi apertio januae regni coelestis.
353Bedenkingen. — Men beweert dat niet het openzetten van de deur des hemels voor gedoopten het uitwerksel is van hun doopsel. — 1. Wat reeds open is dient niet meer te worden opengedaan. Welnu, de deur van den hemel werd door het lijden van Christus opengezet; daarom wordt dan ook in het Boek der Openbaring (4, 1) gezegd : « Daarna zag ik een groote deur in den hemel openstaan ». Dat de deur des hemels openstaat is dus geen uitwerksel van het doopsel.353Bedenkingen. — Men beweert dat niet het openzetten van de deur van de hemel voor gedoopten het uitwerksel is van hun doopsel. — 1. Wat reeds open is dient niet meer te worden opengedaan. Welnu, de deur van de hemel werd door het lijden van Christus opengezet; daarom wordt dan ook in het Boek van de Openbaring (4, 1) gezegd: “Daarna zag ik een grote deur in de hemel openstaan”. Dat de deur van de hemel openstaat is dus geen uitwerksel van het doopsel.
2. Praeterea, baptismus omni tempore, ex quo institutus fuit, habet suum effectum. Sed quidam baptizati sunt baptismo Christi ante ejus passionem, ut habetur Joan. 3. [v. 22 et 26], quibus, si tunc decessissent, introitus regni coelestis nondum patebat, in quod nullus ante Christum 354introivit, secundum illud Mich. 2. [v. 13] : « Ascendit pandens iter ante eos ». Non est ergo effectus baptismi apertio januae regni coelestis.
2. Van den tijd van zijn instelling af heeft het doopsel immer zijn uitwerksel bereikt. Welnu, het doopsel werd reeds voor het lijden van Christus (Joann. 3) toegediend en, moesten die menschen op dit oogenblik gestorven zijn, dan zouden ze, daar Christus overeenkomstig de woorden van den Profeet Micheas (2, 13) : « Voor hen is hij opgeklommen en de weg heeft hij voor hen gebaand », de eerste er binnen gegaan is, de deur des hemels niet 354zijn binnengegaan. Zoo is dus het openen van de deur des hemels niet een uitwerksel van het doopsel.2. Van de tijd van zijn instelling af heeft het doopsel immer zijn uitwerksel bereikt. Welnu, het doopsel werd reeds voor het lijden van Christus (Joann. 3) toegediend en, moesten die mensen op dit ogenblik gestorven zijn, dan zouden ze, daar Christus overeenkomstig de woorden van de Profeet Micheas (2, 13): “Voor hen is hij opgeklommen en de weg heeft hij voor hen gebaand”, de eerste er binnen gegaan is, de deur van de hemel niet 354zijn binnengegaan. Zo is dus het openen van de deur van de hemel niet een uitwerksel van het doopsel.
3. Praeterea, Baptizati adhuc sunt obnoxii morti et aliis poenalitatibus vitae praesentis, ut supra dictum est [art. 3. huj. q.]. Sed nulli est apertus aditus regni coelestis, quamdiu obnoxius est poena, sicut patet de his, qui sunt in purgatorio. Non ergo effectus baptismi est apertio januae regni coelestis.
3. De gedoopten zijn evenzeer als andere menschen aan den dood en aan alle andere ellenden van het tegenwoordige leven onderworpen; hierboven (3e art. dezer Kw.) werd het overigens aangetoond. Welnu, voor iemand die nog aan straf onderworpen is staat de deur des hemels niet open, dit blijkt volkomen uit het feit dat er zielen in het vagevuur verblijven. Zoo is dus het openen van de deur des hemels geen uitwerksel van het doopsel.3. De gedoopten zijn evenzeer als andere mensen aan de dood en aan alle andere ellenden van het tegenwoordige leven onderworpen; hierboven (3e art. van deze Kw.) werd het overigens aangetoond. Welnu, voor iemand die nog aan straf onderworpen is staat de deur van de hemel niet open, dit blijkt volkomen uit het feit dat er zielen in het vagevuur verblijven. Zo is dus het openen van de deur van de hemel geen uitwerksel van het doopsel.
Sed contra est, quod super illud Luc. 3. [v. 21] : Apertum est coelum, dicit Gloss. Bedae [ord.] : « Virtus hic baptismatis ostenditur, de quo quisque cum egreditur, regni coelestis ei janua aperitur ».
Daartegenover staat echter wat Beda bij Lc. (3, 21) « De hemel ging open » zegt : « Hier wordt de kracht van het doopsel waardoor de deur des hemels voor iemand die gedoopt is opengaat aangetoond. »Daartegenover staat echter wat Beda bij Lk. (3, 21) “De hemel ging open” zegt: “Hier wordt de kracht van het doopsel waardoor de deur van de hemel voor iemand die gedoopt is opengaat aangetoond.”
Respondeo dicendum, quod aperire januam regni coelestis, est amovere impedimentum, quo quis impeditur regnum coeleste introire. Hoc autem impedimentum est culpa et reatus poenae. Ostensum est autem supra [art. 1. et 2. huj. q.], quod per baptismum omnis culpa et omnis 355reatus poenae tollitur. Unde consequens est, quod effectus baptismi sit apertio januae regni coelestis.
Leerstelling. — De deur des hemels te openen komt neer op het wegnemen van de beletselen waardoor iemand verhinderd wordt het hemelrijk binnen te gaan. Welnu, deze beletselen zijn niets anders dan zondeschuld en zondestraf, en, aangezien het doopsel zooals wij hierboven (1e en 2e art. dezer Kw.) hebben aangetoond, alle straf en alle schuld wegneemt, zoo dient besloten 355dat het hemelrijk open te zetten één onder de uitwerkselen van het doopsel is.Leerstelling. — De deur van de hemel te openen komt neer op het wegnemen van de beletselen waardoor iemand verhinderd wordt het hemelrijk binnen te gaan. Welnu, deze beletselen zijn niets anders dan zondeschuld en zondestraf, en, aangezien het doopsel zoals wij hierboven (1e en 2e art. van deze Kw.) hebben aangetoond, alle straf en alle schuld wegneemt, zo dient besloten 355dat het hemelrijk open te zetten één onder de uitwerkselen van het doopsel is.
Ad primum ergo dicendum, quod baptismus intantum aperit baptizato januam regni coelestis, inquantum incorporat eum passioni Christi, virtutem ejus homini applicando.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het doopsel opent de deur van het rijk des hemels in dezen zin dat het de gedoopten aan het lijden van Christus deelachtig maakt en de kracht van het lijden aan hen toepast.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het doopsel opent de deur van het rijk van de hemel in deze zin dat het de gedoopten aan het lijden van Christus deelachtig maakt en de kracht van het lijden aan hen toepast.
Ad secundum dicendum, quod quando passio Christi nondum erat realiter perfecta, sed solum in fide credentium, baptismus proportionaliter causabat januae apertionem, non quidem in re, sed in spe. Baptizati enim tunc decedentes ex certa spe introitum regni coelestis expectabant.
2. Wanneer het lijden van Christus nog niet in werkelijkheid voltrokken was doch enkel in het geloof van diegenen die geloofden, bestond, werd door het doopsel overeenkomstig bewust geloof het opengaan van de deur des hemels niet in werkelijkheid maar enkel voor de toekomst bewerkstelligd; zoo moesten dan de gedoopten die op dit oogenblik stierven, wachten, doch ze hadden zekerheid dat ze eens den hemel zouden binnengaan.2. Wanneer het lijden van Christus nog niet in werkelijkheid voltrokken was doch enkel in het geloof van diegenen die geloofden, bestond, werd door het doopsel overeenkomstig bewust geloof het opengaan van de deur van de hemel niet in werkelijkheid maar enkel voor de toekomst bewerkstelligd; zo moesten dan de gedoopten die op dit ogenblik stierven, wachten, doch ze hadden zekerheid dat ze eens de hemel zouden binnengaan.
Ad tertium dicendum, quod baptizatus non est obnoxius morti et poenalitatibus vitae praesentis propter reatum personae, sed propter statum naturae. Et ideo propter hoc non impeditur ab introitu regni coelestis, quando anima separatur a corpore per mortem, quasi jam persoluto eo, quod naturae debebatur.
3. De gedoopte is niet door persoonlijke schuld maar wel om den toestand waarin zijn natuur verkeert aan den dood en aan de ellenden van het tegenwoordige leven onderworpen. Zoo is het dan voor hem geen beletsel om, wanneer zijn ziel door den dood van zijn lichaam gescheiden wordt, den hemel binnen te gaan; dan is immers reeds alles wat aan de natuur verschuldigd was uitbetaald.3. De gedoopte is niet door persoonlijke schuld maar wel om de toestand waarin zijn natuur verkeert aan de dood en aan de ellenden van het tegenwoordige leven onderworpen. Zo is het dan voor hem geen beletsel om, wanneer zijn ziel door de dood van zijn lichaam gescheiden wordt, de hemel binnen te gaan; dan is immers reeds alles wat aan de natuur verschuldigd was uitbetaald.
Utrum baptismus habeat in omnibus aequalem effectum
Heeft het doopsel bij alle menschen hetzelfde uitwerksel?Heeft het doopsel bij alle mensen hetzelfde uitwerksel?
356Ad octavum sic proceditur. Videtur, quod baptismus non habeat in omnibus aequalem effectum. Effectus enim baptismi est remotio culpae. Sed in quibusdam plura peccata tollit, quam in aliis, nam in pueris tollit solum peccatum originale, in adultis autem etiam peccata actualia, in quibusdam plura, in quibusdam vero pauciora. Non ergo aequalem effectum habet baptismus in omnibus.
356Bedenkingen. — Men beweert dat het doopsel niet bij alle menschen hetzelfde uitwerksel heeft. Het doopsel heeft als uitwerksel zondeschuld weg te nemen; bij sommigen heeft het zwaarder schuld kwijt te schelden dan bij anderen; bij kleine kinderen bij voorbeeld wordt enkel de erfzonde vergeven; bij volwassenen integendeel ook dadelijke zonden en zulks naar elks geval in meerdere of mindere mate. Zoo heeft dus het doopsel niet bij alle menschen hetzelfde uitwerksel.356Bedenkingen. — Men beweert dat het doopsel niet bij alle mensen hetzelfde uitwerksel heeft. Het doopsel heeft als uitwerksel zondeschuld weg te nemen; bij sommigen heeft het zwaarder schuld kwijt te schelden dan bij anderen; bij kleine kinderen bij voorbeeld wordt enkel de erfzonde vergeven; bij volwassenen integendeel ook dadelijke zonden en zulks naar elks geval in meerdere of mindere mate. Zo heeft dus het doopsel niet bij alle mensen hetzelfde uitwerksel.
2. Praeterea, per baptismum conferuntur homini gratia et virtutes. Sed quidam post baptismum videntur habere majorem gratiam et perfectionem virtutum, quam alii baptizati. Non ergo baptismus habet aequalem effectum in omnibus.
2. Het doopsel schenkt aan de menschen genade en deugd. Welnu, na het doopsel, blijken sommige menschen meer genade en meer deugdvolmaaktheid te hebben dan andere. Zoo heeft dus het doopsel niet bij alle menschen hetzelfde uitwerksel.2. Het doopsel schenkt aan de mensen genade en deugd. Welnu, na het doopsel, blijken sommige mensen meer genade en meer deugdvolmaaktheid te hebben dan andere. Zo heeft dus het doopsel niet bij alle mensen hetzelfde uitwerksel.
3. Praeterea, natura perficitur per gratiam, sicut materia per formam. Sed forma recipitur in materia secundum ejus capacitatem. Cum ergo in 357quibusdam baptizatis, etiam pueris, sit major capacitas naturalium, quam in aliis, videtur quod quidam majorem gratiam consequantur, quam alii.
3. De natuur wordt zooals de stof door den vorm, door de genade vervolmaakt. Welnu, de vorm wordt overeenkomstig haar gesteltenis door de stof opgenomen. Aangezien nu bij sommigen 357ja ook onder kinderen de natuur een beteren aanleg heeft dan bij anderen, zoo moet ook de eene meer genade ontvangen dan de andere.3. De natuur wordt zoals de stof door de vorm, door de genade vervolmaakt. Welnu, de vorm wordt overeenkomstig haar gesteltenis door de stof opgenomen. Aangezien nu bij sommigen 357ja ook onder kinderen de natuur een beteren aanleg heeft dan bij anderen, zo moet ook de ene meer genade ontvangen dan de andere.
4. Praeterea, quidam in baptismo consequuntur non solum spiritualem salutem, sed etiam corporalem, sicut patet de Constantino, qui in baptismo mundatus est a lepra. Non autem omnes infirmi corporalem salutem consequuntur in baptismo. Baptismus ergo non habet aequalem effectum in omnibus.
4. Sommige menschen erlangen bij het doopsel niet alleen geestelijke zaligheid, maar zooals Constantijn die door het doopsel van zijn melaatschheid bevrijd werd, ook de gezondheid van het lichaam. Welnu, niet alle zieken erlangen bij het doopsel de gezondheid van het lichaam. Zoo heeft dus het doopsel bij alle menschen niet hetzelfde uitwerksel.4. Sommige mensen erlangen bij het doopsel niet alleen geestelijke zaligheid, maar zoals Constantijn die door het doopsel van zijn melaatsheid bevrijd werd, ook de gezondheid van het lichaam. Welnu, niet alle zieken erlangen bij het doopsel de gezondheid van het lichaam. Zo heeft dus het doopsel bij alle mensen niet hetzelfde uitwerksel.
Sed contra est, quod dicitur Ephes. 4: « Una fides, unum baptisma ». Uniformis autem causae est uniformis effectus. Ergo baptismus habet aequalem effectum in omnibus.
Daartegenover staat echter wat Sint Paulus in zijn Brief aan de Ephesiërs (4, 5) schrijft : « Eén geloof, één doopsel ». Een zelfde oorzaak nu heeft dezelfde uitwerkselen. Zoo heeft dus het doopsel bij alle menschen dezelfde uitwerkselen.Daartegenover staat echter wat Sint Paulus in zijn Brief aan de Efesiërs (4, 5) schrijft: “Eén geloof, één doopsel”. Een zelfde oorzaak nu heeft dezelfde uitwerkselen. Zo heeft dus het doopsel bij alle mensen dezelfde uitwerkselen.
Respondeo dicendum, quod duplex est effectus baptismi; unus per se, et alius per accidens. Per se quidem effectus baptismi est id, ad quod baptismus est institutus, scilicet ad regenerandum homines in spiritualem vitam; et hunc effectum aequaliter facit omnibus, qui aequaliter se habent 358ab baptismum1. Unde quia omnes pueri aequaliter se habent ad baptismum (quia non in fide propria, sed in fide Ecclesiae baptizantur), omnes aequalem effectum percipiunt in baptismo. Adulti vero, qui per propriam fidem ad baptismum accedunt, non aequaliter se habent ad baptismum; quidam enim cum majori, quidam cum minori devotione ad baptismum accedunt, et ideo quidam plus, quidam minus de gratia novitatis accipiunt, sicut etiam ab eodem igne accipit plus caloris, qui plus ei appropinquat, licet ignis, quantum est de se, aequaliter ad omnes suum calorem effundat.
Leerstelling. — Het doopsel heeft een dubbel uitwerksel, één dat uit de wezenheid van het doopsel volgt en één dat alleen toevallig voorkomt. Het wezenlijke uitwerksel is dit waartoe het doopsel werd ingesteld, om nl. de menschen te doen tot het geestelijk leven wedergeboren worden en dit uitwerksel is bij alle menschen die met éénzelfde gesteltenis het doopsel ontvangen, 358hetzelfde. Aangezien nu kinderen allemaal met dezelfde gemoedsgesteltenis tot het doopsel naderen, — ze worden immers in het geloof der Kerk en niet om hun persoonlijk geloof gedoopt, — zoo erlangen ze bij het doopsel allen hetzelfde uitwerksel. Volwassenen daarentegen die met een persoonlijk geloof het doopsel ontvangen hebben niet allen dezelfde gesteltenis, de eenen toch ontvangen het sacrament met meer godsvrucht dan de anderen, en daarom ontvangen ze ook meer of mindere genade van hun wedergeboorte. Zoo ook zal iemand, hoewel het vuur aan zich beschouwd naar overal dezelfde warmte uitzendt, naar gelang hij meer of minder dicht bij het vuur komt ook meer of minder warmte ontvangen.Leerstelling. — Het doopsel heeft een dubbel uitwerksel, één dat uit de wezenheid van het doopsel volgt en één dat alleen toevallig voorkomt. Het wezenlijke uitwerksel is dit waartoe het doopsel werd ingesteld, om nl. de mensen te doen tot het geestelijk leven wedergeboren worden en dit uitwerksel is bij alle mensen die met éénzelfde gesteltenis het doopsel ontvangen, 358hetzelfde. Aangezien nu kinderen allemaal met dezelfde gemoedsgesteltenis tot het doopsel naderen, — ze worden immers in het geloof van de Kerk en niet om hun persoonlijk geloof gedoopt, — zo erlangen ze bij het doopsel allen hetzelfde uitwerksel. Volwassenen daarentegen die met een persoonlijk geloof het doopsel ontvangen hebben niet allen dezelfde gesteltenis, de ene toch ontvangen het sacrament met meer godsvrucht dan de anderen, en daarom ontvangen ze ook meer of mindere genade van hun wedergeboorte. Zo ook zal iemand, hoewel het vuur aan zich beschouwd naar overal dezelfde warmte uitzendt, naar gelang hij meer of minder dicht bij het vuur komt ook meer of minder warmte ontvangen.
Effectus autem baptismi per accidens est, ad quem baptismus non est ordinatus, sed divina virtus hoc in baptismo miraculose operatur, sicut super illud Rom. 6 [v. 6] : Ut ultra non serviamus peccato, dicit Gloss. [Lomb. ex August.] : « Non hoc praestatur in baptismo, nisi forte miraculo ineffabili Creatoris, ut lex peccati, quae est in membris, prorsus extinguatur ». Et tales effectus non aequaliter suscipiuntur ab omnibus baptizatis, etiamsi 359cum aequali devotione accedant, sed dispensantur hujusmodi effectus secundum ordinem providentiae divinae.
Verder is het toevallig uitwerksel van het doopsel dat waartoe het doopsel niet werd ingesteld maar dat door Gods macht op wondere wijze wordt uitgewerkt. De Glossa op die woorden van Sint Paulus (Rom. 6, 6) « Opdat we geen slaven der zonde meer zouden zijn » zegt immers : « dat de wet der zonde in onze ledematen zou uitgedoofd worden, dit wordt, behalve misschien mits een onuitsprekelijk mirakel van den Schepper bij het doopsel niet bekomen ». Ook worden dergelijke uitwerkselen, zelfs als zij het doopsel met dezelfde godsvrucht ontvangen, 359door de gedoopten niet op dezelfde wijze ontvangen maar de goddelijke Voorzienigheid reikt die overeenkomstig haar raadsbesluiten uit.Verder is het toevallig uitwerksel van het doopsel dat waartoe het doopsel niet werd ingesteld maar dat door Gods macht op wondere wijze wordt uitgewerkt. De Glossa op die woorden van Sint Paulus (Rom. 6, 6) “Opdat we geen slaven van de zonde meer zouden zijn” zegt immers: “dat de wet van de zonde in onze ledematen zou uitgedoofd worden, dit wordt, behalve misschien mits een onuitsprekelijk mirakel van de Schepper bij het doopsel niet bekomen”. Ook worden dergelijke uitwerkselen, zelfs als zij het doopsel met dezelfde godsvrucht ontvangen, 359door de gedoopten niet op dezelfde wijze ontvangen maar de goddelijke Voorzienigheid reikt die overeenkomstig haar raadsbesluiten uit.
Ad primum ergo dicendum, quod minima gratia baptismalis sufficiens est ad delendum cuncta peccata; unde hoc non est propter majorem efficaciam baptismi, quod in quibusdam plura, in quibusdam autem pauciora peccata solvit, sed propter conditionem subjecti, quia in quolibet solvit quodcumque invenerit.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De kleinste genade van het doopsel is voldoende om alle zonden weg te nemen. Dat nu bij den eenen meer en bij den anderen minder zonden vergeven worden volgt niet uit een mindere of meerdere kracht van het doopsel, maar uit de gesteltenis van het subject; bij elk immers neemt het doopsel alle zonden die het aantreft weg.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De kleinste genade van het doopsel is voldoende om alle zonden weg te nemen. Dat nu bij de ene meer en bij de andere minder zonden vergeven worden volgt niet uit een mindere of meerdere kracht van het doopsel, maar uit de gesteltenis van het subject; bij elk immers neemt het doopsel alle zonden die het aantreft weg.
Ad secundum dicendum, quod hoc quod in baptizatis major vel minor gratia apparet, potest dupliciter contingere : uno modo, quia unus in baptismo percipit majorem gratiam quam alius propter devotionem majorem, ut dictum est [in corp. art.] ; alio modo, quia etiamsi aequalem gratiam percipiant, non aequaliter ea utuntur, sed unus studiosius in ea proficit, alius per negligentiam gratiae Dei deest.
2. Dat onder gedoopten bij de eenen meer genade blijkt voort te komen dan bij de anderen kan twee oorzaken hebben. Vooreerst kan dit hieruit voortkomen dat de eene dank zij zijn godsvrucht meer genade erlangt dan de andere; ten tweede kan het ook dat, zelfs wanneer beiden dezelfde genade ontvingen, beiden bewuste genade niet op dezelfde wijze te baat nemen, dat nl. de eene met meer ijver tracht in de deugd vorderingen te maken terwijl de andere door zijn nalatigheid aan bewuste genade te kort komt.2. Dat onder gedoopten bij de ene meer genade blijkt voort te komen dan bij de anderen kan twee oorzaken hebben. Vooreerst kan dit hieruit voortkomen dat de ene dank zij zijn godsvrucht meer genade erlangt dan de andere; ten tweede kan het ook dat, zelfs wanneer beiden dezelfde genade ontvingen, beiden bewuste genade niet op dezelfde wijze te baat nemen, dat nl. de ene met meer ijver tracht in de deugd vorderingen te maken terwijl de andere door zijn nalatigheid aan bewuste genade te kort komt.
Ad tertium dicendum, quod diversa capacitas naturalium in hominibus non est ex diversitate mentis, quae per baptismum renovatur (cum omnes 360homines ejusdem speciei existentes in forma conveniant), sed est ex diversa dispositione corporum. Secus autem est in angelis, qui differunt specie, et ideo angelis dantur dona gratuita, secundum diversam capacitatem naturalium, non autem hominibus.
3. De verscheidenheid van natuuraanleg bij de menschen is geen uitvloeisel van verscheidenheid wat hun ziel die bij het doopsel 360hernieuwd wordt betreft, — in soort en bijgevolg ook in vorm komen immers alle menschen overeen, — maar dit verschil gaat op verscheidenheid van lichaamsgesteldheid terug. Bij de engelen integendeel gaat het anders toe, en daarom wordt bij de engelen de genade overeenkomstig hun natuurlijken aanleg uitgereikt; van de menschen geldt dit echter niet.3. De verscheidenheid van natuuraanleg bij de mensen is geen uitvloeisel van verscheidenheid wat hun ziel die bij het doopsel 360hernieuwd wordt betreft, — in soort en bijgevolg ook in vorm komen immers alle mensen overeen, — maar dit verschil gaat op verscheidenheid van lichaamsgesteldheid terug. Bij de engelen integendeel gaat het anders toe, en daarom wordt bij de engelen de genade overeenkomstig hun natuurlijken aanleg uitgereikt; van de mensen geldt dit echter niet.
Ad quartum dicendum, quod sanitas corporalis non est per se effectus baptismi, sed est quoddam miraculosum opus providentiae divinae.
4. Aan zich is lichamelijke gezondheid geen uitwerksel van het doopsel maar wel een middel van de goddelijke Voorzienigheid.
Utrum fictio impediat effectum baptismi
Staat geveinsdheid de uitwerkselen van het doopsel in den weg?Staat geveinsdheid de uitwerkselen van het doopsel in de weg?
Ad nonum sic proceditur. Videtur, quod fictio non impediat effectum baptismi. Dicit enim Apostolus Galat. 3. [v. 27] : « Quicumque in Christo baptizati estis, Christum induistis ». Sed omnes qui baptismum Christi 361suscipiunt, baptizantur in Christo. Ergo omnes induunt Christum, quod est percipere baptismi effectum, et ita fictio non impedit baptismi effectum.
Bedenkingen. — Men beweert dat de geveinsdheid de uitwerkselen van het doopsel niet in den weg staat. — 1. De apostel zegt in zijn Brief aan de Galaten (3, 27) : « Allen die in Christus gedoopt zijn hebben Christus aangedaan. » Welnu, al degenen die het doopsel van Christus ontvangen worden door Christus gedoopt. Zoo doen dus allen Christus aan, wat hetzelfde is als het uitwerksel van het doopsel te ontvangen, en zoo blijkt 361geveinsdheid de uitwerkselen van het doopsel niet in den weg te staan.Bedenkingen. — Men beweert dat de geveinsdheid de uitwerkselen van het doopsel niet in de weg staat. — 1. De apostel zegt in zijn Brief aan de Galaten (3, 27): “Allen die in Christus gedoopt zijn hebben Christus aangedaan.” Welnu, al degenen die het doopsel van Christus ontvangen worden door Christus gedoopt. Zo doen dus allen Christus aan, wat hetzelfde is als het uitwerksel van het doopsel te ontvangen, en zo blijkt 361geveinsdheid de uitwerkselen van het doopsel niet in de weg te staan.
2. Praeterea, in baptismo operatur virtus divina, quae potest voluntatem hominis mutare in bonum. Sed effectus causae agentis non potest impediri per id, quod ab illa causa potest auferri. Ergo fictio non impedit baptismi effectum.
2. Bij het doopsel is 't de goddelijke kracht die den wil van den mensch kan naar het goed keeren die werkzaam optreedt. Welnu, de uitwerkselen van een werkende oorzaak kunnen niet door hetgeen door die oorzaak kan worden weggenomen verhinderd worden.2. Bij het doopsel is 't de goddelijke kracht die de wil van de mens kan naar het goed keren die werkzaam optreedt. Welnu, de uitwerkselen van een werkende oorzaak kunnen niet door hetgeen door die oorzaak kan worden weggenomen verhinderd worden.
3. Praeterea, effectus baptismi est gratia, cui peccatum opponitur. Sed multa sunt alia peccata graviora, quam fictio, de quibus non dicitur, quod effectum baptismi impediant. Ergo neque fictio impedit effectum baptismi.
3. Het uitwerksel van het doopsel is de genade waarmee de zonde in strijd is. Sommige zonden nu zijn veel zwaarder dan geveinsdheid en niettemin wordt niet gezegd dat die andere zonden het uitwerksel van het doopsel in den weg staan. Zoo is dus evenmin geveinsdheid voor de uitwerkselen van het doopsel een hinderpaal.3. Het uitwerksel van het doopsel is de genade waarmee de zonde in strijd is. Sommige zonden nu zijn veel zwaarder dan geveinsdheid en niettemin wordt niet gezegd dat die andere zonden het uitwerksel van het doopsel in de weg staan. Zo is dus evenmin geveinsdheid voor de uitwerkselen van het doopsel een hinderpaal.
Sed contra est, quod dicitur Sap. [v. 5] : « Spiritus Sanctus disciplinae effugiet fictum ». Sed effectus baptismi est a Spiritu Sancto. Ergo fictio impedit effectum baptismi.
Daartegenover staat echter wat het Boek der Wijsheid leert (1, 5) : « De H. Geest die tuchtigt vlucht geveinsdheid. » Welnu, juist de H. Geest is het uitwerksel van het doopsel. Zoo staat dus geveinsdheid het uitwerksel van het geloof in den weg.Daartegenover staat echter wat het Boek van de Wijsheid leert (1, 5): “De H. Geest die tuchtigt vlucht geveinsdheid.” Welnu, juist de H. Geest is het uitwerksel van het doopsel. Zo staat dus geveinsdheid het uitwerksel van het geloof in de weg.
Respondeo dicendum, quod, sicut Damascenus dicit [lib. 2. Orthod. Fid. cap. 30.], « Deus non cogit hominem ad justitiam »; et ideo ad 362hoc quod aliquis justificetur per baptismum, requiritur quod voluntas hominis amplectatur baptismum et baptismi effectum. Dicitur autem aliquis fictus per hoc, quod voluntas ejus contradicit vel baptismo, vel ejus effectui, nam secundum Augustinum [lib. 7. de Baptismo contr. Donat. cap. 53], quatuor modis dicitur aliquis fictus : uno modo ille qui non credit, cum tamen baptismus sit fidei sacramentum; alio modo per hoc, quod contemnit ipsum sacramentum; tertio modo per hoc, quod aliter celebrat sacramentum, non servans ritum Ecclesiae; quarto modo per hoc, quod aliquis indevote accedit. Unde manifestum est, quod fictio impedit effectum baptismi.
Leerstelling. — De heilige Joannes Damascenus zegt in zijn boek « Het Waarachtig Geloof » (2, 30) « God dwingt er 362niemand toe rechtvaardig te worden »; opdat dus iemand door het doopsel zou worden rechtvaardig gemaakt, wordt er vereischt dat hij den wil hebbe het doopsel alsmede zijn uitwerkselen te ontvangen. Er wordt immers gezegd dat iemand veinst wanneer zijn wil het doopsel of zijn uitwerkselen wederstreeft. Iemand kan nu zooals Sint Augustinus in zijn boek « Het Doopsel en de Donatisten » (1, 4 en 7, 35) zegt, op vier verschillende manieren veinzen : ten eerste als hij niet gelooft, het doopsel toch is het sacrament des geloofs; ten tweede als hij het sacrament misprijst; ten derde wanneer het sacrament niet op behoorlijke wijze gevierd wordt d. i. wanneer de ritus der kerk niet wordt in acht genomen; ten vierde eindelijk wanneer iemand het sacrament zonder godsvrucht ontvangt. Zoo volgt daaruit dat geveinsdheid het uitwerksel van het sacrament in den weg staat.Leerstelling. — De heilige Johannes Damascenus zegt in zijn boek “Het Waarachtig Geloof” (2, 30) “God dwingt er 362niemand toe rechtvaardig te worden”; opdat dus iemand door het doopsel zou worden rechtvaardig gemaakt, wordt er vereist dat hij de wil hebbe het doopsel alsmede zijn uitwerkselen te ontvangen. Er wordt immers gezegd dat iemand veinst wanneer zijn wil het doopsel of zijn uitwerkselen wederstreeft. Iemand kan nu zoals Sint Augustinus in zijn boek “Het Doopsel en de Donatisten” (1, 4 en 7, 35) zegt, op vier verschillende manieren veinzen: ten eerste als hij niet gelooft, het doopsel toch is het sacrament van het geloof; ten tweede als hij het sacrament misprijst; ten derde wanneer het sacrament niet op behoorlijke wijze gevierd wordt d.i. wanneer de ritus van de kerk niet wordt in acht genomen; ten vierde eindelijk wanneer iemand het sacrament zonder godsvrucht ontvangt. Zo volgt daaruit dat geveinsdheid het uitwerksel van het sacrament in de weg staat.
Ad primum ergo dicendum, quod baptizari in Christo potest intelligi dupliciter : uno modo in Christo, idest in Christi conformitate, et sic quicumque baptizantur in Christo conformati ei per fidem et charitatem induunt Christum per gratiam; alio modo dicuntur aliqui baptizari in Christo, 363inquantum accipiunt sacramentum Christi, et sic omnes induunt Christum per configurationem characteris, non autem per conformitatem gratiae.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Gedoopt worden in Christus kan op tweeërlei wijze verstaan worden. Vooreerst kan men in gelijkvormigheid aan Christus gedoopt worden. Zoo worden de geloovigen door het geloof en door de liefde aan Christus gelijkvormig en doen door de genade Christus aan. Ten tweede wordt men nog in Christus gedoopt in zoover men het sacrament van Christus ontvangt. Op die wijze nu doen alle doopelingen 363door de gelijkenis die het merkteeken inprent, niet door de gelijkenis der genade, Christus aan.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Gedoopt worden in Christus kan op tweeërlei wijze verstaan worden. Vooreerst kan men in gelijkvormigheid aan Christus gedoopt worden. Zo worden de gelovigen door het geloof en door de liefde aan Christus gelijkvormig en doen door de genade Christus aan. Ten tweede wordt men nog in Christus gedoopt in zover men het sacrament van Christus ontvangt. Op die wijze nu doen alle dopelingen 363door de gelijkenis die het merkteken inprent, niet door de gelijkenis van de genade, Christus aan.
Ad secundum dicendum, quod quando Deus voluntatem hominis de malo in bonum mutat, tunc homo non accedit fictus. Sed non semper hoc Deus facit, nec ad hoc sacramentum ordinatur, ut de ficto fiat aliquis non fictus, sed ut non fictus aliquis accedens justificetur.
2. Wanneer God den wil van een mensch van het kwade ten goede keert dan is er bij dien mensch geen geveinsdheid meer. Dit doet God echter niet altijd; het sacrament werd immers niet ingesteld opdat iemand die veinst weder zou oprecht worden, maar wel opdat oprechte menschen door het doopsel zouden worden rechtvaardig gemaakt.2. Wanneer God de wil van een mens van het kwade ten goede keert dan is er bij die mens geen geveinsdheid meer. Dit doet God echter niet altijd; het sacrament werd immers niet ingesteld opdat iemand die veinst weder zou oprecht worden, maar wel opdat oprechte mensen door het doopsel zouden worden rechtvaardig gemaakt.
Ad tertium dicendum, quod fictus dicitur aliquis ex eo, quod demonstrat se aliquid velle, quod non vult. Quicumque autem accedit ad baptismum, ex hoc ipso ostendit se rectam fidem Christi habere, et sacramentum venerari, et velle se Christo conformare, et velle a peccato recedere. Unde cuicumque peccato vult homo inhaerere, si ad baptismum accedit, fictus accedit, quod est indevote accedere. Sed hoc intelligendum est de peccato mortali, quod gratiae contrariatur, non autem de peccato veniali. Unde fictio hic quodammodo includit omne peccatum.
3. Iemand veinst wanneer hij doet of hij iets wil en het feitelijk niet wil. Elk nu die tot het doopsel nadert betuigt daardoor dat hij werkelijk in Christus gelooft, dat hij het sacrament vereert, dat hij aan Christus wil gelijkvormig worden en uit de zonde wil opstaan. Wanneer echter een mensch niettemin blijft aan een of andere zonde hechten en aldus het doopsel ontvangt, dan veinst hij en ontvangt het doopsel zonder godsvrucht. Alleen dient zulks van een doodzonde die de genade uitsluit, niet van een dagelijksche verstaan te worden, en zoo sluit hier geveinsdheid eenigzins alle zonden in.3. Iemand veinst wanneer hij doet of hij iets wil en het feitelijk niet wil. Elk nu die tot het doopsel nadert betuigt daardoor dat hij werkelijk in Christus gelooft, dat hij het sacrament vereert, dat hij aan Christus wil gelijkvormig worden en uit de zonde wil opstaan. Wanneer echter een mens niettemin blijft aan een of andere zonde hechten en aldus het doopsel ontvangt, dan veinst hij en ontvangt het doopsel zonder godsvrucht. Alleen dient zulks van een doodzonde die de genade uitsluit, niet van een dagelijkse verstaan te worden, en zo sluit hier geveinsdheid enigszins alle zonden in.
Utrum fictione recedente, baptismus suum effectum consequatur
Erlangt het doopsel, wanneer de geveinsdheid voor oprechtheid opbreekt, zijn uitwerksel?
364Ad decimum sic proceditur. Videtur, quod fictione recedente, baptismus suum effectum non consequatur. Opus enim mortuum, quod est sine charitate, non potest unquam vivificari. Sed ille qui fictus accedit ad baptismum, recipit sacramentum sine charitate. Ergo nunquam potest vivificari hoc modo, ut gratiam conferat.
364Bedenkingen. — Men beweert dat wanneer de geveinsdheid wegvalt het doopsel zijn uitwerksel niet erlangt. — 1. Een dood werk dat dan ook zonder liefde verricht werd, kan nimmer herleven. Welnu, hij die al veinzend het doopsel ontvangt, ontvangt het zonder liefde en zoo kan dus dit sacrament nooit dermate herleven dat het zou genade verwekken.364Bedenkingen. — Men beweert dat wanneer de geveinsdheid wegvalt het doopsel zijn uitwerksel niet erlangt. — 1. Een dood werk dat dan ook zonder liefde verricht werd, kan nimmer herleven. Welnu, hij die al veinzend het doopsel ontvangt, ontvangt het zonder liefde en zo kan dus dit sacrament nooit dermate herleven dat het zou genade verwekken.
2. Praeterea, fictio videtur esse fortior quam baptismus, cum impediat ejus effectum. Sed fortius non tollitur a debiliori. Ergo peccatum fictionis non potest tolli per baptismum fictione impeditum, et sic baptismus non consequetur suum effectum, qui est remissio omnium peccatorum.
2. Geveinsdheid haalt het, aangezien het het uitwerksel van het doopsel kan beletten op het doopsel. Welnu, het sterkere wordt niet door het minder sterke overwonnen. Zoo kan dus de zonde van geveinsdheid niet door het doopsel dat juist om geveinsdheid van zijn uitwerksel blijft verstoken worden weggenomen, en zoo kan het doopsel zijn uitwerksel, vergiffenis van alle zonden nl. niet teweeg brengen.2. Geveinsdheid haalt het, aangezien het het uitwerksel van het doopsel kan beletten op het doopsel. Welnu, het sterkere wordt niet door het minder sterke overwonnen. Zo kan dus de zonde van geveinsdheid niet door het doopsel dat juist om geveinsdheid van zijn uitwerksel blijft verstoken worden weggenomen, en zo kan het doopsel zijn uitwerksel, vergiffenis van alle zonden nl. niet teweeg brengen.
3. Praeterea, contingit quod aliquis ficte accedat ad baptismum, et post baptismum multa peccata committat, quae tamen per baptismum non 365tolluntur, quia baptismus tollit peccata praeterita, non futura. Ergo baptismus talis nunquam consequetur suum effectum, qui est remissio omnium peccatorum.
3. Het gebeurt dat iemand met geveinsdheid het doopsel ontvangt en naderhand nog vele zonden bedrijft die niet door het 365doopsel worden weggenomen; het doopsel vergeeft immers niet de zonden die we nog zullen bedrijven maar alleen de reeds bedreven zonden. Zulk een doopsel kan dus nooit zijn uitwerksel, vergiffenis van alle zonden nl. erlangen.
Sed contra est, quod Augustinus dicit in lib. 1. de Baptismo [contr. Donatist. cap. 12.]. « Tunc valere incipit ad salutem baptismus, cum illa fictio veraci confessione recesserit, quae corde in malitia vel sacrilegio perseverante, peccatorum ablutionem non sinebat fieri ».
Daartegenover staat echter wat Sint Augustinus in zijn Boek « Het doopsel en de Donatisten » (1, 12) schrijft : « het doopsel begint eerst tot de zaligheid bij te dragen wanneer alle geveinsdheid die, zoolang het hart van den mensch in boosheid of heiligschennis bleef volharden, de vergiffenis der zonden onmogelijk maakte, door een oprechte Biecht wordt weggenomen. »Daartegenover staat echter wat Sint Augustinus in zijn Boek “Het doopsel en de Donatisten” (1, 12) schrijft: “het doopsel begint eerst tot de zaligheid bij te dragen wanneer alle geveinsdheid die, zolang het hart van de mens in boosheid of heiligschennis bleef volharden, de vergiffenis van de zonden onmogelijk maakte, door een oprechte Biecht wordt weggenomen.”
Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 66. art. 9.], baptismus est quaedam spiritualis regeneratio. Cum autem aliquid generatur, simul cum forma recipit effectum formae, nisi sit aliquid impediens, quo remoto, forma rei generatae perficit suum effectum, sicut simul cum corpus grave generatur, movetur deorsum, nisi sit aliquid prohibens, quo remoto, statim incipit moveri deorsum. Et similiter 366quando aliquis baptizatur, accipit characterem, quasi formam, et consequitur proprium effectum, qui est gratia remittens omnia peccata. Impeditur autem quandoque per fictionem; unde oportet, quod remota ea per poenitentiam, baptismus statim consequatur suum effectum.
Leerstelling. — Zooals hierboven werd aangeduid (66e Kw. 9e art.) is het doopsel een geestelijke wedergeboorte. Wanneer nu een schepsel geboren wordt krijgt het samen met den vorm ook het uitwerksel van den vorm. Alleen gebeurt zulks niet wanneer er een beletsel is, maar zoodra dit wegvalt kan bewuste vorm van het voortgebrachte schepsel weer zijn uitwerksel bewerkstelligen. Zoo wordt een lichaam zoodra het ontstaat, behalve wanneer er iets in den weg komt, door de kracht van zijn zwaarte naar den grond getrokken. Valt dit beletsel weg, dan wordt het lichaam weer aanstonds door den grond aangetrokken. Welnu, wanneer iemand 366gedoopt wordt, krijgt hij het merkteeken als vorm en ook het eigen uitwerksel van dit merkteeken, genade nl. waardoor alle zonden vergeven worden; alleen wordt dit uitwerksel weleens door geveinsdheid verhinderd en zoo is het dan noodig dat die hinderpaal, opdat het doopsel zijn uitwerksel zou kunnen verwekken, door de Biecht zou worden van kant gezet.Leerstelling. — Zoals hierboven werd aangeduid (66e Kw. 9e art.) is het doopsel een geestelijke wedergeboorte. Wanneer nu een schepsel geboren wordt krijgt het samen met de vorm ook het uitwerksel van de vorm. Alleen gebeurt zulks niet wanneer er een beletsel is, maar zodra dit wegvalt kan bewuste vorm van het voortgebrachte schepsel weer zijn uitwerksel bewerkstelligen. Zo wordt een lichaam zodra het ontstaat, behalve wanneer er iets in de weg komt, door de kracht van zijn zwaarte naar de grond getrokken. Valt dit beletsel weg, dan wordt het lichaam weer aanstonds door de grond aangetrokken. Welnu, wanneer iemand 366gedoopt wordt, krijgt hij het merkteken als vorm en ook het eigen uitwerksel van dit merkteken, genade nl. waardoor alle zonden vergeven worden; alleen wordt dit uitwerksel weleens door geveinsdheid verhinderd en zo is het dan nodig dat die hinderpaal, opdat het doopsel zijn uitwerksel zou kunnen verwekken, door de Biecht zou worden van kant gezet.
Ad primum ergo dicendum, quod sacramentum baptismi est opus Dei, et non hominis, et ideo non est mortuum in ficto, qui sine charitate baptizatur.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het sacrament van het doopsel is het werk van God en niet van de menschen en daarom kan het doopsel, zelfs bij iemand die het met geveinsdheid en zonder liefde ontvangt inwerken.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het sacrament van het doopsel is het werk van God en niet van de mensen en daarom kan het doopsel, zelfs bij iemand die het met geveinsdheid en zonder liefde ontvangt inwerken.
Ad secundum dicendum, quod fictio non removetur per baptismum, sed per poenitentiam subsequentem; qua remota, baptismus aufert culpam et reatum omnium peccatorum praecedentium baptismum, et etiam simul existentium cum baptismo; unde Augustinus dicit in libro de Baptismo [loc. sup. cit.] : « Solvitur hesternus dies, et quidquid superest solvitur, etiam ipsa hora momentumque ante baptismum, et in baptismo; deinceps autem continuo reus esse incipit ». Et sic ad baptismi effectum 367consequendum concurrit baptismus et poenitentia; sed baptismus, sicut causa per se agens, poenitentia, sicut causa per accidens, idest removens prohibens.
2. De geveinsdheid wordt niet door het doopsel maar wel door een volgende Biecht weggenomen, en zoodra dit gebeurde neemt het doopsel de schuld en de straf voor alle zonden die het doopsel voorafgingen en bij het toedienen van het doopsel nog bestonden, weg. Derhalve zegt Sint Augustinus in zijn Boek « Het doopsel en de Donatisten » (1, 12) : « Alles wat nog aan zonden overschoot verdwijnt, de dag van gisteren, het uur en het oogenblik voor het doopsel, dit alles verdwijnt, doch daarna begint men de schuld van nieuwe zonden te dragen. » — Zoo werken dan het doopsel en de biecht samen opdat het doopsel zou zijn uitwerksel erlangen, het doopsel als een oorzaak die door zichzelf werkt, de 367biecht daarentegen als een toevallige oorzaak die met de hinderpalen weg te nemen dit uitwerksel teweeg brengt.2. De geveinsdheid wordt niet door het doopsel maar wel door een volgende Biecht weggenomen, en zodra dit gebeurde neemt het doopsel de schuld en de straf voor alle zonden die het doopsel voorafgingen en bij het toedienen van het doopsel nog bestonden, weg. Derhalve zegt Sint Augustinus in zijn Boek “Het doopsel en de Donatisten” (1, 12): “Alles wat nog aan zonden overschoot verdwijnt, de dag van gisteren, het uur en het ogenblik voor het doopsel, dit alles verdwijnt, doch daarna begint men de schuld van nieuwe zonden te dragen.” — Zo werken dan het doopsel en de biecht samen opdat het doopsel zou zijn uitwerksel erlangen, het doopsel als een oorzaak die door zichzelf werkt, de 367biecht daarentegen als een toevallige oorzaak die met de hinderpalen weg te nemen dit uitwerksel teweeg brengt.
Ad tertium dicendum, quod effectus baptismi non est tollere peccata futura, sed praesentia vel praeterita; et ideo, recedente fictione, peccata sequentia remittuntur quidem, sed per poenitentiam, non per baptismum. Unde non remittuntur quantum ad totum reatum, sicut peccata praecedentia baptismum.
3. Het uitwerksel van het doopsel neemt niet de zonden die de mensch nog zal bedrijven, maar wel de reeds bedreven en tegenwoordige zonden weg. Wanneer dus de geveinsdheid ophoudt worden ook de zonden die later bedreven werden hoewel niet door het doopsel maar door de biecht vergeven. Alleen wordt de straf voor dergelijke zonden niet zooals voor de zonden die het doopsel voorafgingen, volkomen weggenomen.3. Het uitwerksel van het doopsel neemt niet de zonden die de mens nog zal bedrijven, maar wel de reeds bedreven en tegenwoordige zonden weg. Wanneer dus de geveinsdheid ophoudt worden ook de zonden die later bedreven werden hoewel niet door het doopsel maar door de biecht vergeven. Alleen wordt de straf voor dergelijke zonden niet zoals voor de zonden die het doopsel voorafgingen, volkomen weggenomen.