Theologische Summa · Tertia Pars · Het doopselSumma · III · Het doopselSumma · III · Kw. 68Kw. 68
Quaestio LXVIII

De suscipientibus baptismum

Kwestie 68

Over degenen die het doopsel ontvangen

(Twaalf Artikelen)

274Deinde considerandum est de suscipientibus baptismum.

274Verder moeten we ook spreken over diegenen die het doopsel ontvangen

Et circa hoc quaeruntur duodecim : 1. Utrum omnes teneantur ad suscipiendum baptismum. — 2. Utrum aliquis possit salvari sine baptismo. — 3. Utrum baptismus sit differendus. — 4. Utrum peccatores sint baptizandi. — 5. Utrum peccatoribus baptizatis sint imponenda opera satisfactoria. — 6. Utrum requiratur confessio peccatorum. — 7. Utrum requiratur intentio ex parte baptizati. — 8. Utrum requiratur fides. — 9. Utrum pueri sint 275baptizandi. — 10. Utrum pueri Judaeorum sint baptizandi invitis parentibus. — 11. Utrum aliqui sint baptizandi in maternis uteris existentes. — 12. Utrum furiosi et amentes sint baptizandi.

en dienaangaande vallen twaalf verschillende vragen te onderzoeken. 1) Ten eerste : Zijn alle menschen verplicht het doopsel te ontvangen? 2) Ten tweede: Kan iemand zonder het doopsel zalig worden? 3) Ten derde : Moet het doopsel soms niet worden uitgesteld? 4) Ten vierde : Moeten de zondaars gedoopt worden? 5) Ten vijfde : Moeten aan gedoopte zondaars werken van genoegdoening opgelegd worden? 6) Ten zesde : Wordt de belijdenis der zonden voor de geldigheid van het doopsel vereischt? 7) Ten zevende : Moet de doopeling het opzet hebben zich te laten doopen? 8) Ten achtste : Wordt ook vanwege den doopeling geloof vereischt? 9) Ten negende : Moeten kleine kinderen gedoopt worden? 27510) Ten tiende : Moeten Joodsche kinderen tegen den wil van hun ouders in gedoopt worden? 11) Ten elfde : Moeten sommige kinderen niet in den moederschoot zelf gedoopt worden? 12) Ten twaalfde : Moeten razende en krankzinnige menschen gedoopt worden?en dienaangaande vallen twaalf verschillende vragen te onderzoeken. 1. Ten eerste: Zijn alle mensen verplicht het doopsel te ontvangen? 2. Ten tweede: Kan iemand zonder het doopsel zalig worden? 3. Ten derde: Moet het doopsel soms niet worden uitgesteld? 4. Ten vierde: Moeten de zondaars gedoopt worden? 5. Ten vijfde: Moeten aan gedoopte zondaars werken van genoegdoening opgelegd worden? 6. Ten zesde: Wordt de belijdenis van de zonden voor de geldigheid van het doopsel vereist? 7. Ten zevende: Moet de dopeling het opzet hebben zich te laten dopen? 8. Ten achtste: Wordt ook vanwege de dopeling geloof vereist? 9. Ten negende: Moeten kleine kinderen gedoopt worden? 27510. Ten tiende: Moeten Joodse kinderen tegen de wil van hun ouders in gedoopt worden? 11. Ten elfde: Moeten sommige kinderen niet in de moederschoot zelf gedoopt worden? 12. Ten twaalfde: Moeten razende en krankzinnige mensen gedoopt worden?

Articulus I

Utrum omnes teneantur ad susceptionem baptismi

[Infr. q. 70. art. 2. ad 3. et 4. Dist. 4. q. 3. art. 3. q. 2. corp et ad 3. et Dist. 6. q. 1. art. 1. et corp. et lib. 4. Contr. g. cap. 71.]
Ie Artikel

Zijn alle menschen verplicht het doopsel te ontvangen?Zijn alle mensen verplicht het doopsel te ontvangen?

antwoord 1 ↓

Ad primum sic proceditur. Videtur, quod non teneantur omnes ad susceptionem baptismi. Per Christum enim non est hominibus arctata via salutis. Sed ante Christi adventum poterant homines salvari sine baptismo. Ergo et post Christi adventum.

Bedenkingen. — Men beweert dat niet alle menschen verplicht zijn het doopsel te ontvangen. — 1. De weg ter zaligheid werd door Christus niet enger gemaakt. Welnu, voor de komst van Christus konden de menschen zonder doopsel zalig worden. Dus ook nog na de komst van Christus.Bedenkingen. — Men beweert dat niet alle mensen verplicht zijn het doopsel te ontvangen. — 1. De weg ter zaligheid werd door Christus niet enger gemaakt. Welnu, voor de komst van Christus konden de mensen zonder doopsel zalig worden. Dus ook nog na de komst van Christus.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, baptismus maxime videtur esse institutus in remedium peccati originalis. Sed ille qui est baptizatus, cum non habeat originale peccatum, non videtur quod possit illud transfundere in prolem. Ergo filii baptizatorum non videntur esse baptizandi.

2. Het doopsel werd vooral als geneesmiddel tegen de erfzonde ingesteld. Welnu iemand die gedoopt werd, heeft de erfzonde niet meer en kan haar dus niet aan zijn kinderen overmaken. Zoo dienen dus de kinderen van gedoopten niet zelf gedoopt te worden.2. Het doopsel werd vooral als geneesmiddel tegen de erfzonde ingesteld. Welnu iemand die gedoopt werd, heeft de erfzonde niet meer en kan haar dus niet aan zijn kinderen overmaken. Zo dienen dus de kinderen van gedoopten niet zelf gedoopt te worden.

antwoord 3 ↓

2763. Praeterea, baptismus datur ad hoc, quod aliquis per gratiam a peccato mundetur. Sed hoc consequuntur illi, qui sunt sanctificati in utero sine baptismo. Ergo non tenentur ad suscipiendum baptismum.

2763. Het doopsel wordt toegediend opdat we door de genade van de zonden zouden bevrijd worden. Welnu, zij die zonder doopsel van in den schoot hunner moeder geheiligd werden, verkregen ook vergiffenis van hun zonden. Zij zijn dus niet verplicht het doopsel te ontvangen.2763. Het doopsel wordt toegediend opdat we door de genade van de zonden zouden bevrijd worden. Welnu, zij die zonder doopsel van in de schoot van hun moeder geheiligd werden, verkregen ook vergiffenis van hun zonden. Zij zijn dus niet verplicht het doopsel te ontvangen.

Sed contra est, quod dicitur Joan, 3 [v. 5] : « Nisi quis renatus fuerit ex aqua et Spiritu Sancto, non potest introire in regnum Dei »; et in lib. de Eccl. Dogmat. [cap. 74. inter op. August.] dicitur : « Baptizatis tantum iter salutis esse credimus ».

Daartegenover staat echter hetgeen bij Joannes (3, 5) gezegd wordt : « Indien iemand niet uit het water en den heiligen Geest wordt wedergeboren kan hij het rijk Gods niet ingaan. » en in het boek der kerkelijke dogmata (k. 74) staat het volgende : « Wij gelooven dat de weg ter zaligheid enkel voor degenen die gedoopt zijn openstaat. »Daartegenover staat echter hetgeen bij Johannes (3, 5) gezegd wordt: “Indien iemand niet uit het water en de heilige Geest wordt wedergeboren kan hij het rijk Gods niet ingaan.” en in het boek van de kerkelijke dogmata (k. 74) staat het volgende: “Wij geloven dat de weg ter zaligheid enkel voor degenen die gedoopt zijn openstaat.”

Respondeo dicendum, quod ad illud homines tenentur, sine quo salutem consequi non possunt. Manifestum est autem, quod nullus potest salutem consequi, nisi per Christum; unde et Apostolus dicit Rom. 5. [v. 18] : « Sicut per unius delictum in omnes homines in condemnationem, sic et per unius justitiam in omnes homines in justificationem vitae ». Ad hoc autem datur baptismus, ut aliquis per ipsum regeneratus incorporetur Christo, factus 277membrum ipsius; unde dicitur Gal. 3 [v. 27] : « Quicumque in Christo baptizati estis, Christum induistis ». Unde manifestum est, quod omnes ad baptismum tenentur, et sine eo non potest esse salus hominibus.

Leerstelling. — De menschen zijn zeker verplicht tot datgene zonder hetwelk zij niet kunnen de zaligheid verwerven. Welnu, het is klaarblijkelijk dat niemand dit buiten Christus om aankan. Daarom schrijft de apostel Paulus in zijn Brief aan de Romeinen (5, 18) : « Zooals de veroordeeling aller menschen gekomen is door het schelmstuk van één mensch alleen, zoo ook werd dank zij de gerechtigheid van één mensch de levensrechtvaardigmaking voor allen bekomen. » — Daartoe nu wordt het doopsel gegeven opdat iemand in het doopsel wedergeboren als 277lidmaat van Christus bij Hem zou worden ingelijfd. Daarom zegt de Brief aan de Galaten (3, 27) : « Zoovelen in Christus gedoopt worden, hebben ook Christus aangedaan. » Zoo is het bijgevolg duidelijk dat allen tot het doopsel verplicht zijn en dat zonder doopsel voor de menschen geen zaligheid mogelijk is.Leerstelling. — De mensen zijn zeker verplicht tot datgene zonder hetwelk zij niet kunnen de zaligheid verwerven. Welnu, het is klaarblijkelijk dat niemand dit buiten Christus om aankan. Daarom schrijft de apostel Paulus in zijn Brief aan de Romeinen (5, 18): “Zoals de veroordeling aller mensen gekomen is door het schelmstuk van één mens alleen, zo ook werd dank zij de gerechtigheid van één mens de levensrechtvaardigmaking voor allen bekomen.” — Daartoe nu wordt het doopsel gegeven opdat iemand in het doopsel wedergeboren als 277lidmaat van Christus bij Hem zou worden ingelijfd. Daarom zegt de Brief aan de Galaten (3, 27): “Zovelen in Christus gedoopt worden, hebben ook Christus aangedaan.” Zo is het bijgevolg duidelijk dat allen tot het doopsel verplicht zijn en dat zonder doopsel voor de mensen geen zaligheid mogelijk is.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod nunquam homines potuerunt salvari etiam ante Christi adventum, nisi fierent membra Christi, quia, ut dicitur Act. 4 [v. 12], non est aliud nomen datum hominibus, in quo oporteat nos salvos fieri. Sed ante adventum Christi homines Christo incorporabantur per fidem futuri adventus; cujus fidei signaculum erat circumcisio, ut Apostolus dicit Rom. 4 [v. 11] ante vero quam circumcisio institueretur, sola fide, ut Gregorius dicit [lib. 4. Moral. cap. 3.], cum sacrificiorum oblatione, quibus suam fidem antiqui Patres profitebantur, homines Christo incorporabantur. Post adventum etiam Christi homines per fidem Christo incorporantur, secundum illud Ephes. 3 [v. 17] : « Habitare Christum 278per fidem in cordibus vestris ». Sed alio signo manifestatur fides rei jam praesentis, quam demonstraretur, quando erat futura, sicut etiam aliis verbis significatur praesens, praeteritum et futurum. Et ideo licet ipsum sacramentum baptismi non semper fuerit necessarium ad salutem, fides tamen, cujus baptismus sacramentum est, semper necessaria fuit.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Nooit is iemand zelfs vóór de komst van Christus, zonder lidmaat te worden van zijn mystisch lichaam, zalig geworden, « daar is immers geen ander naam op aarde waardoor de mensch kan zalig worden », zoo staat nl. in de Handelingen der Apostelen (4, 12). — Welnu, vóór de komst van Christus werden de menschen door het geloof aan zijn aanstaande komst bij Hem ingelijfd en het teeken van hun geloof was op dit oogenblik de besnijdenis. Dat zegt overigens de apostel in zijn Brief aan de Romeinen (4). Vooraleer echter de besnijdenis werd ingesteld werden de menschen naar het getuigenis van St. Gregorius (Moral. 4, 3) door het geloof alleen bij Christus ingelijfd; dit geschiedde dan bij de opdracht van offers waardoor de oudvaders hun geloof beleden. Ja zelfs, na de komst van Christus werden de menschen door het geloof bij Christus ingelijfd. In den Brief aan de Ephesiërs (3, 17) staat immers geschreven dat « Christus door het geloof in onze harten woont ». 278Doch de mensch geeft op een ander manier uiting aan het geloof aan iets dat reeds is, dan aan het geloof aan iets dat nog in de toekomst moet plaats grijpen; zoo geeft men overigens ook door andere woorden het heden, het verleden en de toekomst te kennen. Is het sacrament van het doopsel dus niet altijd voor de zaligheid onontbeerlijk geweest, dan bleef toch immer het geloof onontbeerlijk. Het doopsel nu is het sacrament van het geloof.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Nooit is iemand zelfs vóór de komst van Christus, zonder lidmaat te worden van zijn mystiek lichaam, zalig geworden, “daar is immers geen ander naam op aarde waardoor de mens kan zalig worden”, zo staat nl. in de Handelingen van de Apostelen (4, 12). — Welnu, vóór de komst van Christus werden de mensen door het geloof aan zijn aanstaande komst bij Hem ingelijfd en het teken van hun geloof was op dit ogenblik de besnijdenis. Dat zegt overigens de apostel in zijn Brief aan de Romeinen (4). Vooraleer echter de besnijdenis werd ingesteld werden de mensen naar het getuigenis van St. Gregorius (Moral. 4, 3) door het geloof alleen bij Christus ingelijfd; dit geschiedde dan bij de opdracht van offers waardoor de oudvaders hun geloof beleden. Ja zelfs, na de komst van Christus werden de mensen door het geloof bij Christus ingelijfd. In de Brief aan de Efesiërs (3, 17) staat immers geschreven dat “Christus door het geloof in onze harten woont”. 278Doch de mens geeft op een ander manier uiting aan het geloof aan iets dat reeds is, dan aan het geloof aan iets dat nog in de toekomst moet plaats grijpen; zo geeft men overigens ook door andere woorden het heden, het verleden en de toekomst te kennen. Is het sacrament van het doopsel dus niet altijd voor de zaligheid onontbeerlijk geweest, dan bleef toch immer het geloof onontbeerlijk. Het doopsel nu is het sacrament van het geloof.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod, sicut in 2. dictum est [1-2. q. 81, art. 3. ad 2.], illi qui baptizantur, renovantur per baptismum secundum spiritum; corpus tamen remanet subjectum vetustati peccati, secundum illud Rom. 8. [v. 10] : « Corpus quidem mortuum est propter peccatum; spiritus vero vivit propter justificationem ». Unde et Augustinus probat in lib. 6. contra Julianum [cap. 17], quod « non baptizatur in homine quidquid in eo est ». Manifestum est autem, quod homo non generat generatione carnali secundum spiritum, sed secundum carnem, et ideo filii baptizatorum cum peccato originali nascuntur, unde indigent baptizari.

2. Zooals in het tweede deel (I-II, 8e Kw. 3e art., antw. op de 2e bedenk.) gezegd werd, worden degenen die gedoopt worden, door het doopsel naar den geest vernieuwd, het lichaam daarentegen blijft aan de oude zonden onderworpen. Daarom zegt de Brief aan de Romeinen (8, 10) : « Het lichaam is dood aan de zonde, de geest leeft dank zij de gerechtigheid. » Daardoor komt het dat St. Augustinus in zijn Boek « Tegen Julianus » (4, 17) bewijst dat « niet alles gedoopt werd wat in den mensch is. » — Welnu, het is duidelijk dat bij de lichamelijke voortplanting de mensch zich niet naar den geest maar wel naar het vleesch in het nageslacht voortzet. Daarom dan worden zijn kinderen met de erfzonde geboren en hebben ze het doopsel vannoode.2. Zoals in het tweede deel (1-2, 8e Kw. 3e art., antw. op de 2e bedenk.) gezegd werd, worden degenen die gedoopt worden, door het doopsel naar de geest vernieuwd, het lichaam daarentegen blijft aan de oude zonden onderworpen. Daarom zegt de Brief aan de Romeinen (8, 10): “Het lichaam is dood aan de zonde, de geest leeft dank zij de gerechtigheid.” Daardoor komt het dat St. Augustinus in zijn Boek “Tegen Julianus” (4, 17) bewijst dat “niet alles gedoopt werd wat in de mens is.” — Welnu, het is duidelijk dat bij de lichamelijke voortplanting de mens zich niet naar de geest maar wel naar het vlees in het nageslacht voortzet. Daarom dan worden zijn kinderen met de erfzonde geboren en hebben ze het doopsel van node.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod illi qui sunt sanctificati in utero, 279consequuntur quidem gratiam emundantem a peccato originali; non tamen ex hoc ipso consequuntur characterem, quo Christo configurentur. Et propter hoc, si aliqui nunc sanctificarentur in utero, necesse esset eos baptizari, ut per susceptionem characteris aliis membris Christi conformarentur.

3. De menschen die van in den moederschoot geheiligd werden kunnen de genade die van de erfzonde vrijmaakt, verwerven; 279daardoor krijgen zij echter nog niet het merkteeken waardoor ze aan Christus gelijkvormig worden. Moet het dus nog gebeuren dat menschen van den moederschoot af geheiligd werden, dan ware het toch nog noodig hen, opdat ze door het ontvangen van het merkteeken aan de andere leden van Christus zouden gelijkvormig worden, te doopen.3. De mensen die van in de moederschoot geheiligd werden kunnen de genade die van de erfzonde vrijmaakt, verwerven; 279daardoor krijgen zij echter nog niet het merkteken waardoor ze aan Christus gelijkvormig worden. Moet het dus nog gebeuren dat mensen van de moederschoot af geheiligd werden, dan ware het toch nog nodig hen, opdat ze door het ontvangen van het merkteken aan de andere leden van Christus zouden gelijkvormig worden, te dopen.

Articulus II

Utrum sine baptismo aliquis possit salvari

[1-2. q. 113. art. 3. ad 1. et 4. Dist. 4. q. 3. art. 3. q. 2. corp. et ad 3. et lib. 4. Contr. g. cap. 72. et Quodl. 1. art. 4. et Joan. 6. lect. 7. cap. 1.]
IIe Artikel

Kan iemand zonder doopsel zalig worden?

antwoord 1 ↓

Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod sine baptismo nullus possit salvari. Dicit enim Dominus Joan. 3 [v. 5] : « Nisi quis renatus fuerit ex aqua et Spiritu Sancto, non potest introire in regnum Dei ». Sed illi soli salvantur, qui regnum Dei intrant. Ergo nullus potest salvari sine baptismo, quo aliquis regeneratur ex aqua et Spiritu Sancto.

Bedenkingen. — Men beweert dat zonder doopsel niemand kan zalig worden. — 1. De Heer zegt bij Joannes (3, 5) : « Indien ge niet uit het water en den heiligen Geest wordt wedergeboren kunt ge het hemelrijk niet binnengaan. » Welnu, zij alleen worden zalig die het rijk Gods ingaan. Zoo kan dus niemand zonder het doopsel, waardoor hij in het water en den heiligen Geest wordt wedergeboren, zalig worden.Bedenkingen. — Men beweert dat zonder doopsel niemand kan zalig worden. — 1. De Heer zegt bij Johannes (3, 5): “Indien ge niet uit het water en de heilige Geest wordt wedergeboren kunt ge het hemelrijk niet binnengaan.” Welnu, zij alleen worden zalig die het rijk Gods ingaan. Zo kan dus niemand zonder het doopsel, waardoor hij in het water en de heilige Geest wordt wedergeboren, zalig worden.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, in libro de Ecclesiast. Dogmatibus [cap. 74. inter 280opera August.] dicitur : « Nullum catechumenum, quamvis in bonis operibus defunctum, vitam aeternam habere credimus, excepto martyrio, ubi sacramenti baptismi completur ». Sed si aliquis sine baptismo posset salvari, maxime hoc haberet locum in catechumenis bona opera habentibus, qui videntur habere fidem per dilectionem operantem. Videtur ergo quod sine baptismo nullus possit salvari.

2. In het boek van de kerkelijke Dogmata (c. 74) vinden we 280het volgende : « Geen catechumeen kan, ook al sterft hij in goede werken, wanneer hij niet den marteldood sterft waardoor het sacrament van het doopsel voltrokken wordt, het eeuwige leven erlangen. » Welnu, als iemand zonder doopsel kan zalig worden dan doet het ongetwijfeld vooral een catechumeen die goede werken volbrengt en die het geloof dat zich in werkdadige liefde, openbaart, bezit. Zoo kan dus zonder doopsel niemand zalig worden.2. In het boek van de kerkelijke Dogmata (c. 74) vinden we 280het volgende: “Geen catechumeen kan, ook al sterft hij in goede werken, wanneer hij niet de marteldood sterft waardoor het sacrament van het doopsel voltrokken wordt, het eeuwige leven erlangen.” Welnu, als iemand zonder doopsel kan zalig worden dan doet het ongetwijfeld vooral een catechumeen die goede werken volbrengt en die het geloof dat zich in werkdadige liefde, openbaart, bezit. Zo kan dus zonder doopsel niemand zalig worden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, sicut supra dictum est [q. 65. art. 3. et 4.], sacramentum baptismi est de necessitate salutis. Necessarium autem est, sine quo non potest aliquid esse, ut dicitur 5. Metaph. [Lib. 4, cap. 5, N. 1]. Ergo videtur, quod sine baptismo nullus possit consequi salutem.

3. Zooals hierboven werd aangetoond (63e Kw. 3e en 4e art.) is het sacrament van het doopsel voor de zaligheid onontbeerlijk. Iets zonder hetwelke iets anders niet kan zijn is immers zooals Aristoteles ergens in zijn Methaphysica zegt (6) onontbeerlijk. Zoo kan dus zonder doopsel niemand de zaligheid ingaan.3. Zoals hierboven werd aangetoond (63e Kw. 3e en 4e art.) is het sacrament van het doopsel voor de zaligheid onontbeerlijk. Iets zonder hetwelke iets anders niet kan zijn is immers zoals Aristoteles ergens in zijn Metafysica zegt (6) onontbeerlijk. Zo kan dus zonder doopsel niemand de zaligheid ingaan.

Sed contra est, quod Augustinus dicit super Levitic. [q. 84], « invisibilem sanctificationem quibusdam affuisse et profuisse sine visibilibus sacramentis; visibilem vero sanctificationem, quae fit in sacramento visibili, sine invisibili posse adesse, sed non posse prodesse ». Cum igitur sacramentum baptismi ad visibilem sanctificationem pertineat, videtur quod sine 281sacramento baptismi aliquis possit salutem consequi per invisibilem sanctificationem.

Daartegenover staat echter wat Sint Augustinus op het Boek Leviticus (84e Kw.) zegt : « De onzichtbare heiligmaking heeft bij sommigen werkelijk plaats gegrepen en is hun zonder zichtbare sacramenten ten goede gekomen. De zichtbare heiligmaking daarentegen die door zichtbare sacramenten gegeven wordt kan zonder de onzichtbare heiligmaking plaats grijpen maar dan is ze ook vergeefsch. » Aangezien nu het sacrament des doopsels op de 281zichbare heiligmaking is aangewezen, is het duidelijk dat iemand door de onzichtbare heiligmaking de zaligheid kan erlangen zonder het sacrament van het doopsel.Daartegenover staat echter wat Sint Augustinus op het Boek Leviticus (84e Kw.) zegt: “De onzichtbare heiligmaking heeft bij sommigen werkelijk plaats gegrepen en is hun zonder zichtbare sacramenten ten goede gekomen. De zichtbare heiligmaking daarentegen die door zichtbare sacramenten gegeven wordt kan zonder de onzichtbare heiligmaking plaats grijpen maar dan is ze ook vergeefs.” Aangezien nu het sacrament van het doopsel op de 281zichbare heiligmaking is aangewezen, is het duidelijk dat iemand door de onzichtbare heiligmaking de zaligheid kan erlangen zonder het sacrament van het doopsel.

Respondeo dicendum, quod sacramentum baptismi dupliciter potest alicui deesse : uno modo et re et voto; quod contingit illis, qui nec baptizantur, nec baptizari volunt, quod manifeste ad contemptum sacramenti pertinet, quantum ad illos, qui habent usum liberi arbitrii. Et ideo hi, quibus hoc modo deest baptismus, salutem consequi non possunt, quia nec sacramentaliter, nec mentaliter Christo incorporantur, per quem solum est salus. Alio modo potest sacramentum baptismi alicui deesse re sed non voto, sicut cum aliquis baptizari desiderat, sed aliquo casu praevenitur morte, antequam baptismum suscipiat. Et talis sine baptismo actuali salutem consequi potest, propter desiderium baptismi, quod procedit ex fide per dilectionem operante, per quam Deus interius hominem sanctificat, cujus potentia sacramentis 282visibilibus non alligatur; unde Ambrosius dicit [in lib. de Obitu Valentin. N. 29-30] de Valentiniano, qui catechumenus mortuus fuit : « Quem regeneraturus eram, amisi; verumtamen ille gratiam, quam poposcit, non amisit ».

Leerstelling. — Het sacrament van het doopsel kan op twee manieren ontbreken, vooreerst zoo wat de werkelijke toediening als wat het verlangen betreft; dit gebeurt nl. bij diegenen die niet gedoopt zijn en het ook niet willen worden; en dit behelst klaarblijkelijk bij degenen die over hun vrijen wil beschikken misprijzen voor het doopsel. Ook kan, indien iemand op die manier het doopsel ontbreekt, deze de zaligheid niet erlangen; hij werd toch noch op sacramenteele noch op geestelijke manier bij Christus, die alleen zaligheid verleent, ingelijfd. Verder kan het doopsel nog op een andere manier ontbreken, wanneer nl. iemand wel de werkelijkheid, maar niet het verlangen ontbreekt; zoo bij voorbeeld wanneer iemand verlangt gedoopt te worden doch toevallig, vooraleer het doopsel ontvangen te hebben, door den dood verrast wordt. Een dergelijk mensch nu kan omdat hij het doopsel begeert, zonder werkelijk het doopsel ontvangen te hebben, de zaligheid erlangen. Die begeerte komt immers voort van het geloof dat door de liefde handelt en waardoor God den mensch innerlijk heiligt. Gods macht nu ligt niet aan den band der zichtbare sacramenten. De heilige Ambrosius zegt overigens in zijn Boek 282« De dood van Valentinus » als hij over Valentinus spreekt die als catechumeen gestorven is : « Ik verloor dengene dien ik door het doopsel wilde wedergeboren doen worden; hij echter heeft de genade waarnaar hij verlangt niet verloren. »Leerstelling. — Het sacrament van het doopsel kan op twee manieren ontbreken, vooreerst zo wat de werkelijke toediening als wat het verlangen betreft; dit gebeurt nl. bij diegenen die niet gedoopt zijn en het ook niet willen worden; en dit behelst klaarblijkelijk bij degenen die over hun vrijen wil beschikken misprijzen voor het doopsel. Ook kan, indien iemand op die manier het doopsel ontbreekt, deze de zaligheid niet erlangen; hij werd toch noch op sacramentele noch op geestelijke manier bij Christus, die alleen zaligheid verleent, ingelijfd. Verder kan het doopsel nog op een andere manier ontbreken, wanneer nl. iemand wel de werkelijkheid, maar niet het verlangen ontbreekt; zo bij voorbeeld wanneer iemand verlangt gedoopt te worden doch toevallig, vooraleer het doopsel ontvangen te hebben, door de dood verrast wordt. Een dergelijk mens nu kan omdat hij het doopsel begeert, zonder werkelijk het doopsel ontvangen te hebben, de zaligheid erlangen. Die begeerte komt immers voort van het geloof dat door de liefde handelt en waardoor God de mens innerlijk heiligt. Gods macht nu ligt niet aan de band van de zichtbare sacramenten. De heilige Ambrosius zegt overigens in zijn Boek 282“De dood van Valentinus” als hij over Valentinus spreekt die als catechumeen gestorven is: “Ik verloor dengene die ik door het doopsel wilde wedergeboren doen worden; hij echter heeft de genade waarnaar hij verlangt niet verloren.”

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod, sicut dicitur 1. Reg. 16 [v. 7], homo videt ea quae parent, Dominus autem intuetur cor. Ille autem, qui desiderat per baptismum regenerari ex aqua et Spiritu Sancto, corde quidem regeneratus est, licet non corpore, sicut et Apostolus dicit Rom. 2 [v. 29], quod circumcisio cordis est in spiritu, non in littera, cujus laus non ex hominibus, sed ex Deo est.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In het eerste Boek der Koningen (16, 7) wordt gezegd : « De mensch ziet enkel het uiterlijke, maar God doorgrondt het hart van den mensch. » Hij die verlangt door het water van het doopsel en den H. Geest te worden wedergeboren is in zijn hart, alhoewel nog niet naar het lichaam, wedergeboren; de Apostel zegt immers in den Brief aan de Romeinen (2, 29) « De besnijdenis van het hart bestaat door geest, niet door letter, bij hem die zijn lof niet uit menschen maar uit God haalt. »Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In het eerste Boek van de Koningen (16, 7)a wordt gezegd: “De mens ziet enkel het uiterlijke, maar God doorgrondt het hart van de mens.” Hij die verlangt door het water van het doopsel en de H. Geest te worden wedergeboren is in zijn hart, alhoewel nog niet naar het lichaam, wedergeboren; de Apostel zegt immers in de Brief aan de Romeinen (2, 29) “De besnijdenis van het hart bestaat door geest, niet door letter, bij hem die zijn lof niet uit mensen maar uit God haalt.”

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod nullus pervenit ad vitam aeternam, nisi absolutus ab omni culpa et reatu poenae; quae quidem universalis absolutio fit in perceptione baptismi et in martyrio; propter quod dicitur, quod in martyrio omnia sacramenta baptismi complentur, scilicet quantum ad plenam liberationem a culpa et poena. Si quis ergo catechumenus sit habens 283desiderium baptismi, « quia aliter in bonis operibus non moreretur, quae non possunt esse sine fide per dilectionem operante », talis decedens non statim pervenit ad vitam aeternam, sed patietur poenam pro peccatis praeteritis; ipse tamen salvus erit sic quasi per ignem, ut dicitur 1. ad Cor. 3 [v. 15].

2. Niemand kan behalve wanneer hij van alle straf en van alle schuld bevrijd is, het eeuwige leven binnengaan; die algemeene kwijtschelding nu gebeurt enkel bij het doopsel en bij den marteldood. Daarom zegt men dat aan den marteldood alle uitwerkselen van het doopsel voltrokken worden, dat men aldus van alle straf en van alle schuld bevrijd wordt. Als nu een catechumeen verlangt gedoopt te worden, en sterft zonder de gelegenheid gehad te hebben om zich te laten doopen, anders toch zou hij, daar 283zonder het geloof dat door de liefde handelt de werken tot niets strekken, in de beoefening van goede werken niet kunnen sterven, dan erlangt hij niet seffens de zaligheid des hemels, maar zal tot uitboeting van zijn vroegere zonden een en ander te verduren hebben. « Hij zal nl. als door het vuur zalig worden. » zooals de Apostel in zijn eersten Brief aan de Korinthiërs (3, 15) zegt.2. Niemand kan behalve wanneer hij van alle straf en van alle schuld bevrijd is, het eeuwige leven binnengaan; die algemene kwijtschelding nu gebeurt enkel bij het doopsel en bij de marteldood. Daarom zegt men dat aan de marteldood alle uitwerkselen van het doopsel voltrokken worden, dat men aldus van alle straf en van alle schuld bevrijd wordt. Als nu een catechumeen verlangt gedoopt te worden, en sterft zonder de gelegenheid gehad te hebben om zich te laten dopen, anders toch zou hij, daar 283zonder het geloof dat door de liefde handelt de werken tot niets strekken, in de beoefening van goede werken niet kunnen sterven, dan erlangt hij niet seffens de zaligheid van de hemel, maar zal tot uitboeting van zijn vroegere zonden een en ander te verduren hebben. “Hij zal nl. als door het vuur zalig worden.” zoals de Apostel in zijn eersten Brief aan de Korintiërs (3, 15) zegt.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod pro tanto dicitur sacramentum baptismi esse de necessitate salutis, quia non potest esse homini salus, nisi saltem in voluntate habeatur, quae apud Deum reputatur pro facto.

3. Die onontbeerlijkheid moet aldus verstaan worden dat er voor den mensch geen mogelijkheid is om zonder ten minste in zijn wil, het verlangen naar het doopsel te hebben zalig te worden. Dit beschouwt God dan als een werkelijk Sacrament.3. Die onontbeerlijkheid moet aldus verstaan worden dat er voor de mens geen mogelijkheid is om zonder ten minste in zijn wil, het verlangen naar het doopsel te hebben zalig te worden. Dit beschouwt God dan als een werkelijk Sacrament.

Articulus III

Utrum baptismus sit differendus

[4. Dist. 4. q. 3. art. 1. q. 2. et Dist. 17. q. 3. art. 1. q. 4, corp, et Mal. q. 4. art. 1.]
IIIe Artikel

Behoort het doopsel soms te worden uitgesteld?

antwoord 1 ↓

Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod baptismus sit differendus. Dicit enim Leo papa [epist. 4. cap. 5.] : « Duo tempora, idest Pascha et Pentecoste, ad baptizandum a Romulo1 pontifice legitime praefixa 284sunt; unde dilectionem vestram monemus, ut nullos alios dies huic observationi misceatis ». Videtur ergo, quod oporteat non statim aliquem baptizari, sed usque ad praedicta tempora baptismum differri.

Bedenkingen. — Men beweert dat het doopsel behoort te worden uitgesteld. — 1. Paus Leo (IV epist. 5e k.) zegt : « dat door den Paus twee tijdstippen, Paschen en Pinksteren nl., terecht 284voor het doopsel werden aangewezen. Wij vermanen u dus, geliefden, dat ge het doopsel op geen andere dagen zoudt ontvangen. » — Zoo moet dus het doopsel niet aanstonds worden toegediend, maar tot die aangewezen tijdstippen worden uitgesteld.Bedenkingen. — Men beweert dat het doopsel behoort te worden uitgesteld. — 1. Paus Leo (4 epist. 5e k.) zegt: “dat door de Paus twee tijdstippen, Pasen en Pinksteren nl., terecht 284voor het doopsel werden aangewezen. Wij vermanen u dus, geliefden, dat ge het doopsel op geen andere dagen zoudt ontvangen.” — Zo moet dus het doopsel niet aanstonds worden toegediend, maar tot die aangewezen tijdstippen worden uitgesteld.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, in Concilio Agathensi [can. 34, cap. 93. De Consecr. Dist. 4] legitur : « Judaei, quorum perfidia frequenter ad vomitum redit, si ad leges catholicas venire voluerint, octo menses inter catechumenos ecclesiae limen introeant; et si pura fide venire noscantur, tunc demum baptismi gratiam mereantur ». Non ergo statim sunt homines baptizandi, sed usque ad certum tempus est differendum baptisma.

2. In de akten van de kerkvergadering van Agde (35 can.) lezen we het volgende : « Indien Joden die weleens om hun boosheid tot hun braaksel terugkeeren tot de katholieke wetten willen overkomen moeten ze acht maanden lang als catechumeen aan het portaal van de kerk staan en indien men er dan van overtuigd is dat het bij hen meenens is mogen ze eindelijk de genade van het doopsel ontvangen. »2. In de acten van de kerkvergadering van Agde (35 can.) lezen we het volgende: “Indien Joden die weleens om hun boosheid tot hun braaksel terugkeren tot de katholieke wetten willen overkomen moeten ze acht maanden lang als catechumeen aan het portaal van de kerk staan en indien men er dan van overtuigd is dat het bij hen menens is mogen ze eindelijk de genade van het doopsel ontvangen.”

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, sicut dicitur Isa. 27 [v. 9] : « Iste est omnis fructus, ut auferatur peccatum ». Sed magis videtur auferri peccatum, vel etiam diminui, si baptismus diu differatur : primo quidem, quia peccantes post baptismum gravius peccant, secundum illud Hebr. 10 [v. 29] : « Quanto magis putatis deteriora mereri supplicia, qui sanguinem testamenti pollutum duxerit, in quo sanctificatus est? », scilicet per baptismum; secundo, quia baptismus tollit peccata praeterita, non autem futura; unde quanto magis 285baptismus differtur, tanto plura peccata tollit. Videtur ergo, quod baptismus debeat diu differri.

3. « Heel de vrucht ervan komt, zooals Isaias zegt (27, 9) hierop neer dat het van de zonden verlost. » — Wanneer het doopsel lang wordt uitgesteld, kan men van meer zonden gereinigd worden, ja zelfs worden dan de zonden kleiner. Degene die na het doopsel zondigen, bedrijven immers volgens den Brief aan de Hebreërs (10, 29) zwaarder zonden : « Hoeveel ergere straf meent gij dat iemand verdient die het bloed van het verbond, waardoor hij geheiligd werd (dit bij het doopsel) vertrapt heeft? » Verder wischt het doopsel wel de vroegere, maar niet de toekomende zonden af. Hoe langer dus het doopsel wordt uitgesteld, 285zoo meer zonden worden er door vergeven. Zoo dient dus het doopsel lang te worden uitgesteld.3. “Heel de vrucht ervan komt, zoals Jesaja zegt (27, 9) hierop neer dat het van de zonden verlost.” — Wanneer het doopsel lang wordt uitgesteld, kan men van meer zonden gereinigd worden, ja zelfs worden dan de zonden kleiner. Degene die na het doopsel zondigen, bedrijven immers volgens de Brief aan de Hebreërs (10, 29) zwaarder zonden: “Hoeveel ergere straf meent gij dat iemand verdient die het bloed van het verbond, waardoor hij geheiligd werd (dit bij het doopsel) vertrapt heeft?” Verder wist het doopsel wel de vroegere, maar niet de toekomende zonden af. Hoe langer dus het doopsel wordt uitgesteld, 285zo meer zonden worden er door vergeven. Zo dient dus het doopsel lang te worden uitgesteld.

Sed contra est, quod dicitur Eccli. 5 [v. 8] : « Non tardes converti ad Dominum, et ne differas de die in diem ». Sed perfecta conversio ad Deum est eorum, qui regenerantur in Christo per baptismum. Non ergo debet baptismus differri de die in diem.

Daartegenover staat echter wat in Eccl. 5, 8 gezegd wordt : « Stel niet uit u tot God te wenden en verdaag het niet voortdurend. » Welnu, de volmaakte bekeering tot God geschiedt aan diegenen die door het doopsel in Christus worden wedergeboren. Zoo behoort dus het doopsel niet voortdurend te worden uitgesteld.Daartegenover staat echter wat in Eccl. 5, 8 gezegd wordt: “Stel niet uit u tot God te wenden en verdaag het niet voortdurend.” Welnu, de volmaakte bekering tot God geschiedt aan diegenen die door het doopsel in Christus worden wedergeboren. Zo behoort dus het doopsel niet voortdurend te worden uitgesteld.

Respondeo dicendum quod circa hoc distinguendum est, utrum sint baptizandi pueri, vel adulti. Si enim pueri sint baptizandi, non est differendum baptisma : primo quidem, quia non expectatur in eis major instructio, aut etiam plenior conversio; secundo propter periculum mortis, quia non potest eis alio remedio subveniri, nisi per sacramentum baptismi. Adultis vero subveniri potest per solum baptismi desiderium, ut supra dictum est [art. praec.]. Et ideo adultis, non statim cum convertuntur, est sacramentum 286baptismi conferendum, sed oportet differre usque ad aliquod certum tempus: primo quidem propter cautelam Ecclesiae, ne decipiatur, sacramentum ficte accedentibus conferens, secundum illud 1. Joan. 4 [v. 1] : « Nolite omni spiritui credere, sed probate spiritus, si ex Deo sint »; quae quidem probatio sumitur de accedentibus ad baptismum, quando per aliquod spatium eorum fides et mores examinantur; secundo hoc est necessarium ad utilitatem eorum, qui baptizantur, quia aliquo temporis spatio indigent, ad hoc quod plene instruantur de fide, et exercitentur in his quae pertinent ad vitam christianam; tertio hoc est necessarium ad quandam reverentiam sacramenti, dum in solemnitatibus praecipuis, scilicet Paschae et Pentecostes, homines ad baptismum admittuntur, et ita devotius sacramentum suscipiunt. Haec tamen dilatio est praetermittenda duplici ratione : primo quidem, quando illi qui sunt baptizandi, apparent perfecte instructi in fide et ad baptismum idonei, sicut Philippus statim baptizavit Eunuchum, ut habetur Act. 8 [v. 38], et Petrus Cornelium, et eos qui cum eo erant, ut habetur Act. 10; secundo 287propter infirmitatem, aut aliquod periculum mortis. Unde Leo papa dicit [epist. 4. cap. 6.] : « Hi qui necessitate mortis, aegritudinis, obsidionis, persecutionis et naufragi urgentur omni tempore debent baptizari ». Si tamen aliquis morte praeveniatur, articulo necessitatis sacramentum excludente, dum expectat tempus ab Ecclesia institutum, salvatur, licet per ignem, ut supra dictum est [art. praec., ad 2m]; peccat autem, si ultra tempus institutum ab Ecclesia differat accipere baptismum, nisi ex causa necessaria et licentia praelatorum Ecclesiae. Sed tamen et hoc peccatum cum aliis deleri potest per succedentem contritionem, quae supplet vicem baptismi, ut supra dictum est [Q. 66, Art. 11].

Leerstelling. — Wat dit betreft dient vooreerst onderscheid gemaakt tusschen kinderen en volwassenen. Moeten ook kinderen gedoopt worden, dan behoort het doopsel niet uitgesteld. Bij hen valt immers ten eerste, niet een dieper godsdienstkennis noch ook een volmaakter bekeering te verwachten; ten tweede is er altijd gevaar en er ligt geen ander middel dan het sacrament des doopsels in hun bereik. Gaat het daarentegen om volwassenen, deze kunnen zooals werd aangetoond in het vorig artikel, ook door het doopsel van begeerte geholpen worden. Daarom dan dient het sacrament van het doopsel aan de volwassenen niet aanstonds na hun bekeering te worden toegediend, maar het moet tot een bepaalden tijd worden uitgesteld. Dit vooreerst als 286voorbehoedmiddel voor de heilige Kerk opdat ze nl. door degenen die veinzend tot het sacrament van het doopsel naderen niet zou worden om den tuin geleid; in den eersten Brief van Joannes (4, 1) staat immers: « Gelooft niet aan elken geest, maar keurt die geesten of zij uit God zijn. » — Welnu, degenen die tot het doopsel naderen beproeft men met eenigen tijd hun geloof en zeden gade te slaan. Ten tweede, is dit uitstel voor het welzijn van den doopeling van noode; er zal nl. eenige tijd verloopen vooraleer hij volledig aangaande het geloof ingelicht en in het christelijke leven geoefend is. Eindelijk, is dit uitstel ten derde nog noodig om eerbied voor het Sacrament in te boezemen; wanneer ze immers bij de grootste plechtigheden, Paschen nl. en Pinksteren, tot het doopsel aangenomen worden, zullen ze met des te meer godsvrucht het doopsel ontvangen. Twee gevallen zijn er niettemin waar het doopsel niet mag worden uitgesteld. Vooreerst wanneer degenen die moeten gedoopt worden volmaakt in het geloof onderwezen zijn, en geschikt om het doopsel te ontvangen; zoo doopte Philippus aanstonds den kamerling, Hand. der Apost. (8) en doopte Petrus Cornelius en degenen die met hem samen waren, Hand. der Apost. (10). — Ten tweede bij ziekte of in stervensgevaar. Daar vandaan dat 287Paus Leo (IV epist. 5e k.) zegt : « Zij die in stervensgevaar zijn of ziek of belegerd worden of vervolgd of een schipbreuk onderstaan hebben dienen wanneer het ook zij dadelijk gedoopt te worden. » Indien echter iemand door den dood verrast wordt en, omdat hij den tijd opwacht door de H. Kerk bepaald, het doopsel niet kan ontvangen, dan zal hij toch hoewel, zooals in het vorig artikel gezegd werd « als door het vuur » verlost worden. Eindelijk zou iemand, behalve wanneer het niet anders kan en hij daartoe van de kerkelijke overheid oorlof verkregen heeft, met nog langer uit te stellen dan de Kerk bepaald heeft, zondigen. Die zonde kan overigens door het berouw dat in sommige omstandigheden, zooals werd aangetoond (in de leerstelling van het vorig artikel) het doopsel vervangt, samen met andere zonden worden uitgewischt.Leerstelling. — Wat dit betreft dient vooreerst onderscheid gemaakt tussen kinderen en volwassenen. Moeten ook kinderen gedoopt worden, dan behoort het doopsel niet uitgesteld. Bij hen valt immers ten eerste, niet een dieper godsdienstkennis noch ook een volmaakter bekering te verwachten; ten tweede is er altijd gevaar en er ligt geen ander middel dan het sacrament van het doopsel in hun bereik. Gaat het daarentegen om volwassenen, deze kunnen zoals werd aangetoond in het vorig artikel, ook door het doopsel van begeerte geholpen worden. Daarom dan dient het sacrament van het doopsel aan de volwassenen niet aanstonds na hun bekering te worden toegediend, maar het moet tot een bepaalden tijd worden uitgesteld. Dit vooreerst als 286voorbehoedmiddel voor de heilige Kerk opdat ze nl. door degenen die veinzend tot het sacrament van het doopsel naderen niet zou worden om de tuin geleid; in de eerste Brief van Johannes (4, 1) staat immers: “Gelooft niet aan elke geest, maar keurt die geesten of zij uit God zijn.” — Welnu, degenen die tot het doopsel naderen beproeft men met enigen tijd hun geloof en zeden gade te slaan. Ten tweede, is dit uitstel voor het welzijn van de dopeling van node; er zal nl. enige tijd verlopen vooraleer hij volledig aangaande het geloof ingelicht en in het christelijke leven geoefend is. Eindelijk, is dit uitstel ten derde nog nodig om eerbied voor het Sacrament in te boezemen; wanneer ze immers bij de grootste plechtigheden, Pasen nl. en Pinksteren, tot het doopsel aangenomen worden, zullen ze met des te meer godsvrucht het doopsel ontvangen. Twee gevallen zijn er niettemin waar het doopsel niet mag worden uitgesteld. Vooreerst wanneer degenen die moeten gedoopt worden volmaakt in het geloof onderwezen zijn, en geschikt om het doopsel te ontvangen; zo doopte Philippus aanstonds de kamerling, Hand. van de Apost. (8) en doopte Petrus Cornelius en degenen die met hem samen waren, Hand. van de Apost. (10). — Ten tweede bij ziekte of in stervensgevaar. Daar vandaan dat 287Paus Leo (4 epist. 5e k.) zegt: “Zij die in stervensgevaar zijn of ziek of belegerd worden of vervolgd of een schipbreuk onderstaan hebben dienen wanneer het ook zij dadelijk gedoopt te worden.” Indien echter iemand door de dood verrast wordt en, omdat hij de tijd opwacht door de H. Kerk bepaald, het doopsel niet kan ontvangen, dan zal hij toch hoewel, zoals in het vorig artikel gezegd werd “als door het vuur” verlost worden. Eindelijk zou iemand, behalve wanneer het niet anders kan en hij daartoe van de kerkelijke overheid oorlof verkregen heeft, met nog langer uit te stellen dan de Kerk bepaald heeft, zondigen. Die zonde kan overigens door het berouw dat in sommige omstandigheden, zoals werd aangetoond (in de leerstelling van het vorig artikel) het doopsel vervangt, samen met andere zonden worden uitgewist.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod illud mandatum Leonis papae de observandis duobus temporibus in baptismo, intelligendum est de adultis, excepto tamen periculo mortis, quod semper in pueris est timendum, ut dictum est [in corp. art.].

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wat Paus Leo de Groote aangaande die twee tijdstippen bevolen heeft moet, behalve wanneer er doodsgevaar, dat bij kinderen steeds voorhanden is (zie de leerstelling), te vreezen valt, van de volwassenen verstaan worden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wat Paus Leo de Grote aangaande die twee tijdstippen bevolen heeft moet, behalve wanneer er doodsgevaar, dat bij kinderen steeds voorhanden is (zie de leerstelling), te vrezen valt, van de volwassenen verstaan worden.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod illud de Judaeis est institutum ad 288Ecclesiae cautelam, ne simplicium fidem corrumpant, si non fuerint plene conversi. Et tamen, ut ibidem subditur, si infra tempus praescriptum aliquod periculum infirmitatis incurrerint, debent baptizari.

2. Dit is een waarborg die de H. Kerk, opdat zij het geloof 288van de eenvoudige lieden, wanneer zij het niet oprecht meenen niet zouden bederven, van joodsche bekeerlingen eischt. De kerkvergadering voegt er echter aan toe : « Als er binnen dien bepaalden tijd gevaar is van ziekte, moeten ze gauw gedoopt worden. »2. Dit is een waarborg die de H. Kerk, opdat zij het geloof 288van de eenvoudige lieden, wanneer zij het niet oprecht menen niet zouden bederven, van Joodse bekeerlingen eist. De kerkvergadering voegt er echter aan toe: “Als er binnen die bepaalde tijd gevaar is van ziekte, moeten ze gauw gedoopt worden.”

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod baptismus per gratiam, quam confert, non solum removet peccata praeterita, sed etiam impedit peccata futura, ne fiant. Hoc autem praecipue desiderandum est, ut homines non peccent. Secundario autem, ut levius peccent, vel etiam ut eorum peccata mundentur, secundum illud 1. Joan. 2. [v. 1-2] : « Filioli mei, haec scribo vobis, ut non peccetis; sed et si quis peccaverit, advocatum habemus apud Patrem Jesum Christum justum; et ipse est propitiatio pro peccatis nostris ».

3. Door de genade neemt het doopsel niet alleen reeds bedreven zonden weg, maar het belet ook dat in de toekomst meerdere zonden zouden geschieden. Welnu men moet er vooral op bedacht zijn dat de menschen geen zonden zouden bedrijven, of dat ze minder zwaar zouden zondigen of van hun zonden zouden gereinigd worden. Daarom schrijft Joannes in zijn eersten Brief (2, 1) : « Mijn kinderkens, dit schrijf ik u opdat ge niet zoudt zondigen. En zelfs als iemand gezondigd heeft, dan heeft hij een voorspreker bij den Vader, Jezus-Christus nl. en Deze is verzoening voor onze zonden. »3. Door de genade neemt het doopsel niet alleen reeds bedreven zonden weg, maar het belet ook dat in de toekomst meerdere zonden zouden geschieden. Welnu men moet er vooral op bedacht zijn dat de mensen geen zonden zouden bedrijven, of dat ze minder zwaar zouden zondigen of van hun zonden zouden gereinigd worden. Daarom schrijft Johannes in zijn eersten Brief (2, 1): “Mijn kinderkens, dit schrijf ik u opdat ge niet zoudt zondigen. En zelfs als iemand gezondigd heeft, dan heeft hij een voorspreker bij de Vader, Jezus-Christus nl. en Deze is verzoening voor onze zonden.”

Articulus IV

Utrum peccatores sint baptizandi

[Infr. art. 8. ad 4.]
IVe Artikel

Behooren zondaars gedoopt te worden?Behoren zondaars gedoopt te worden?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod peccatores sint baptizandi. 289Dicitur enim Zachar. 13. [v. 1] : « In die illa erit fons patens domui David et habitantibus Hierusalem, in ablutionem peccatoris et menstruatae ». Quod quidem intelligitur de fonte baptismali. Ergo videtur, quod sacramentum baptismi sit etiam peccatoribus exhibendum.

Bedenkingen. — Men beweert dat zondaars behooren 289gedoopt te worden. — Bij Zacharias (13, 1) staat er : « Op dezen dag zal er een bron ontspringen in het huis van David voor degenen die Jeruzalem bewonen, tot reiniging voor de zondaars en voor de vrouwen die om de maandstonden onrein werden. » Dit nu wordt van het Sacrament van het doopsel verstaan en zoo moet het Sacrament van het doopsel dus ook aan de zondaars worden toegediend.Bedenkingen. — Men beweert dat zondaars behoren 289gedoopt te worden. — Bij Zacharias (13, 1) staat er: “Op deze dag zal er een bron ontspringen in het huis van David voor degenen die Jeruzalem bewonen, tot reiniging voor de zondaars en voor de vrouwen die om de maandstonden onrein werden.” Dit nu wordt van het Sacrament van het doopsel verstaan en zo moet het Sacrament van het doopsel dus ook aan de zondaars worden toegediend.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Dominus dicit Matth. 9 [v. 12] : « Non est opus valentibus medicus, sed male habentibus ». Male autem habentes sunt peccatores. Cum igitur spiritualis medici, scilicet Christi, medicina sit baptismus, videtur quod peccatoribus sit sacramentum baptismi exhibendum.

2. De Heer zegt bij Mt. (9, 12) : « De gezonden hebben geen geneesheer noodig, maar wel de zieken. » Welnu de zieken, dat zijn de zondaars, en aangezien het doopsel het geneesmiddel is dat door Christus, die toch een geestelijk geneesheer is, wordt aangewend, moet dus het doopsel ook aan de zondaars worden toegediend.2. De Heer zegt bij Mt. (9, 12): “De gezonden hebben geen geneesheer nodig, maar wel de zieken.” Welnu de zieken, dat zijn de zondaars, en aangezien het doopsel het geneesmiddel is dat door Christus, die toch een geestelijk geneesheer is, wordt aangewend, moet dus het doopsel ook aan de zondaars worden toegediend.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, nullum subsidium debet peccatoribus subtrahi. Sed peccatores baptizati ex ipso charactere baptismali spiritualiter adjuvantur, cum sit quaedam dispositio ad gratiam. Ergo videtur, quod sacramentum baptismi sit peccatoribus exhibendum.

3. Geen enkel hulpmiddel mag de zondaars onthouden worden. Welnu, door het merkteeken dat na het doopsel in de ziel wordt achtergelaten, en dat een voorbereiding blijft tot de genade, worden de zondaars op geestelijke wijze geholpen. Zoo moet dus het Sacrament van het doopsel ook aan de zondaars worden toegediend.3. Geen enkel hulpmiddel mag de zondaars onthouden worden. Welnu, door het merkteken dat na het doopsel in de ziel wordt achtergelaten, en dat een voorbereiding blijft tot de genade, worden de zondaars op geestelijke wijze geholpen. Zo moet dus het Sacrament van het doopsel ook aan de zondaars worden toegediend.

Sed contra est, quod Augustinus dicit [Serm. 15. de Verb. Apost. cap. 11.] : « Qui creavit te sine te, non justificabit te sine te ». Sed 290peccator, cum habeat voluntatem non dispositam, non cooperatur Deo, immo magis contrarium operatur. Ergo frustra adhiberetur sibi baptismus ad justificationem non disposito.

Daartegenover staat echter hetgeen St. Augustinus zegt in zijn Boek : « De apostolische woorden » (15, 11) : « Hij die u 290zonder uw toedoen geschapen heeft zal u niet zonder uw toedoen rechtvaardig maken. » Wanneer toch een zondaar niet in de geschikte gesteltenis verkeert, kan hij Gods werking niet in de hand werken maar staat haar eerder in den weg. Zoo zou dus het doopsel indien de mensch die moet gedoopt worden niet in de vereischte gesteltenis was, niet tot de rechtvaardigmaking kunnen bijdragen.Daartegenover staat echter hetgeen St. Augustinus zegt in zijn Boek: “De apostolische woorden” (15, 11): “Hij die u 290zonder uw toedoen geschapen heeft zal u niet zonder uw toedoen rechtvaardig maken.” Wanneer toch een zondaar niet in de geschikte gesteltenis verkeert, kan hij Gods werking niet in de hand werken maar staat haar eerder in de weg. Zo zou dus het doopsel indien de mens die moet gedoopt worden niet in de vereiste gesteltenis was, niet tot de rechtvaardigmaking kunnen bijdragen.

Respondeo dicendum, quod aliquis potest dici peccator dupliciter: uno modo propter maculam et reatum praeteritum; et sic peccatoribus est sacramentum baptismi conferendum, quia est ad hoc specialiter institutum, ut per ipsum peccatorum sordes mundentur, secundum illud Ephes. 5 [v. 26] : « Mundans eam (scilicet Ecclesiam), lavacro aquae in verbo vitae ». Alio modo potest dici aliquis peccator ex voluntate peccandi et proposito persistendi in peccato; et sic peccatoribus non est sacramentum baptismi conferendum : primo quidem, quia per baptismum homines Christo incorporantur, secundum illud Gal. 3. [v. 27] : « Quicumque in Christo baptizati estis, Christum induistis »; quamdiu autem aliquis 291habet voluntatem peccandi, non potest esse Christo conjunctus, secundum illud 2. Cor. 6. [v. 14] : « Quae participatio justitiae cum iniquitate? » Unde et Augustinus dicit in lib. de Poenitentia [Hom. ult. inter 50. Homil. cap. 2.], quod « nullus suae voluntatis arbiter constitutus potest novam vitam inchoare, nisi cum veteris vitae poeniteat »; secundo, quia in operibus Christi et Ecclesiae nihil debet fieri frustra; frustra autem est, quod non pertingit ad finem, ad quem est ordinatum; nullus autem habens voluntatem peccandi simul potest a peccato mundari, ad quod ordinatur baptismus, quia hoc esset ponere contradictoria esse simul; tertio, quia in sacramentalibus signis non debet esse aliqua falsitas : est autem signum falsum, cui res significata non respondet; ex hoc autem quod aliquis lavandum se praebet per baptismum, significatur quod se disponat ad interiorem ablutionem, quod non contingit de eo, qui habet propositum persistendi in peccato; unde manifestum est, quod talibus sacramentum baptismi non est conferendum.

Leerstelling. — Iemand kan op twee verschillende manieren zondaar zijn : ten eerste om de vlek en schuld van vorige zonden; aan zulke zondaars nu mag het doopsel worden toegediend; het doopsel werd immers vooral ingesteld opdat overeenkomstig de woorden uit den Brief aan de Ephesiërs (5, 26) : « haar in het woord des levens als in een waterbad reinigende », de smet door de zonde veroorzaakt zou worden weggenomen. Ten tweede kan iemand nog zondaar genoemd worden omdat hij wil zondigen en het voornemen heeft in de zonden te volharden. Aan zulke zondaars mag integendeel het doopsel niet worden toegediend; dit ten eerste omdat de mensch door het doopsel een lidmaat wordt van Christus. De Brief aan de Galaten (3, 27) zegt nl. : « en allen die in Christus gedoopt zijt hebt gij Christus aangedaan. » — Zoolang echter iemand wil voortgaan met zondigen kan hij 291niet met Christus vereenigd worden; en ten tweede in den 2en Brief aan de Korinthiërs (6, 14) staat immers geschreven : « Wat kunnen gerechtigheid en ongerechtigheid wel gemeens hebben. » St. Augustinus zegt overigens in zijn Boek : « De Boetvaardigheid » (50, 2) : « Niemand die over zijn vrijen wil beschikt kan zonder over het verleden berouw te hebben een nieuw leven beginnen. » Ten tweede, omdat onder de werken van God en van de H. Kerk niets mag te vergeefs geschieden. Welnu iets blijft vruchteloos wanneer het doel waartoe het werd ingesteld niet bereikt wordt. Zoo kan dan ook niemand die bij zijn voornemen te zondigen blijft, terzelfdertijd van zijn zonden gereinigd worden, want daartoe werd juist het doopsel ingesteld. Ten derde, omdat de sacramenteele teekenen niet mogen om den tuin leiden; een teeken leidt immers om den tuin wanneer het niet te kennen geeft wat het voorstelt. Wanneer nu iemand zich aanbiedt om in het doopsel gereinigd te worden, wordt een innerlijke geschiktheid om gereinigd te worden voorgesteld, en daar zulks zeker niet aan iemand die voornemens blijft in de zonde te volharden plaats grijpt, zoo is het klaarblijkelijk dat aan zulke menschen het sacrament van het doopsel niet behoort te worden toegediend.Leerstelling. — Iemand kan op twee verschillende manieren zondaar zijn: ten eerste om de vlek en schuld van vorige zonden; aan zulke zondaars nu mag het doopsel worden toegediend; het doopsel werd immers vooral ingesteld opdat overeenkomstig de woorden uit de Brief aan de Efesiërs (5, 26): “haar in het woord van het leven als in een waterbad reinigende”, de smet door de zonde veroorzaakt zou worden weggenomen. Ten tweede kan iemand nog zondaar genoemd worden omdat hij wil zondigen en het voornemen heeft in de zonden te volharden. Aan zulke zondaars mag integendeel het doopsel niet worden toegediend; dit ten eerste omdat de mens door het doopsel een lidmaat wordt van Christus. De Brief aan de Galaten (3, 27) zegt nl.: “en allen die in Christus gedoopt zijt hebt gij Christus aangedaan.” — Zolang echter iemand wil voortgaan met zondigen kan hij 291niet met Christus verenigd worden; en ten tweede in de 2e Brief aan de Korintiërs (6, 14) staat immers geschreven: “Wat kunnen gerechtigheid en ongerechtigheid wel gemeens hebben.” St. Augustinus zegt overigens in zijn Boek: “De Boetvaardigheid” (50, 2): “Niemand die over zijn vrijen wil beschikt kan zonder over het verleden berouw te hebben een nieuw leven beginnen.” Ten tweede, omdat onder de werken van God en van de H. Kerk niets mag te vergeefs geschieden. Welnu iets blijft vruchteloos wanneer het doel waartoe het werd ingesteld niet bereikt wordt. Zo kan dan ook niemand die bij zijn voornemen te zondigen blijft, terzelfdertijd van zijn zonden gereinigd worden, want daartoe werd juist het doopsel ingesteld. Ten derde, omdat de sacramentele tekenen niet mogen om de tuin leiden; een teken leidt immers om de tuin wanneer het niet te kennen geeft wat het voorstelt. Wanneer nu iemand zich aanbiedt om in het doopsel gereinigd te worden, wordt een innerlijke geschiktheid om gereinigd te worden voorgesteld, en daar zulks zeker niet aan iemand die voornemens blijft in de zonde te volharden plaats grijpt, zo is het klaarblijkelijk dat aan zulke mensen het sacrament van het doopsel niet behoort te worden toegediend.

↑ bedenking 1

292Ad primum ergo dicendum, quod illud verbum est intelligendum de peccatoribus, qui habent voluntatem recedendi a peccato.

292Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze woorden moeten van zondaars die het voornemen hebben uit de zonde op te staan verstaan worden.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod spiritualis medicus, scilicet Christus, operatur dupliciter : uno modo interius per seipsum; et sic praeparat voluntatem hominis, ut bonum velit et malum odiat; alio modo operatur per ministros, exterius adhibendo sacramenta; et sic operatur perficiendo exterius id, quod est interius inchoatum. Et ideo sacramentum baptismi non est exhibendum nisi ei in quo interioris conversionis aliquod signum apparet, sicut nec medicina corporalis adhibetur infirmo, nisi in eo aliquis motus vitalis naturae appareat.

2. De geestelijke geneesheer, Christus, is op twee verschillende manieren werkzaam. Vooreerst innerlijk door Zichzelf, wanneer Hij nl. den wil van den mensch voorbereidt om het goede te doen en het kwade te vluchten; verder door zijn bedienaars, wanneer Hij nl. uiterlijk de sacramenten toedient en aldus uiterlijk voltrekt wat reeds innerlijk begonnen was. Daarom dan behoort het doopsel niet, behalve aan die zondaars die eenig teeken van innerlijke bekeering geven, te worden toegediend; zoo wordt immers ook een stoffelijk geneesmiddel enkel voorgeschreven wanneer men vaststelt dat een zieke eenig teeken van leven geeft.2. De geestelijke geneesheer, Christus, is op twee verschillende manieren werkzaam. Vooreerst innerlijk door Zichzelf, wanneer Hij nl. de wil van de mens voorbereidt om het goede te doen en het kwade te vluchten; verder door zijn bedienaars, wanneer Hij nl. uiterlijk de sacramenten toedient en aldus uiterlijk voltrekt wat reeds innerlijk begonnen was. Daarom dan behoort het doopsel niet, behalve aan die zondaars die enig teken van innerlijke bekering geven, te worden toegediend; zo wordt immers ook een stoffelijk geneesmiddel enkel voorgeschreven wanneer men vaststelt dat een zieke enig teken van leven geeft.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod baptismus est fidei sacramentum; fides autem informis non sufficit ad salutem, nec ipsa est fundamentum, sed sola fides formata, quae per dilectionem operatur, ut Augustinus dicit in lib. de Fide et Operibus [cap. 16.]. Unde nec sacramentum baptismi salutem conferre potest cum voluntate peccandi, quae fidei formam excludit. Non est autem per impressionem characteris baptismalis aliquis 293disponendus ad gratiam, quamdiu in eo apparet voluntas peccandi, quia « Deus neminem ad virtutem compellit », sicut Damascenus dicit [lib. 2. Orth. Fid. cap. 30.].

3. Het doopsel is het sacrament van het geloof. Alleen is een dood geloof voor de zaligheid onvoldoende en kan er ook de grondslag niet van zijn; dit is enkel het levend geloof, dat zooals Augustinus in zijn Boek : « Het geloof en de werken » (16) zegt : « daar de liefde werkt, zoo kan dan het Sacrament van het doopsel, wanneer het met den wil te zondigen samengaat, geen zaligheid verwekken; dit maakt immers het levend geloof 293onmogelijk; met het inprenten van het merkteeken toch is iemand nog niet op de genade voorbereid zoolang in hem de wil om te zondigen blijft voortbestaan. » Naar het woord van St. Joannes Damascenus in « Het rechtzinnig geloof » (2, 30) « dwingt God immers niemand om deugdzaam te leven ».3. Het doopsel is het sacrament van het geloof. Alleen is een dood geloof voor de zaligheid onvoldoende en kan er ook de grondslag niet van zijn; dit is enkel het levend geloof, dat zoals Augustinus in zijn Boek: “Het geloof en de werken” (16) zegt: “daar de liefde werkt, zo kan dan het Sacrament van het doopsel, wanneer het met de wil te zondigen samengaat, geen zaligheid verwekken; dit maakt immers het levend geloof 293onmogelijk; met het inprenten van het merkteken toch is iemand nog niet op de genade voorbereid zolang in hem de wil om te zondigen blijft voortbestaan.” Naar het woord van St. Johannes Damascenus in “Het rechtzinnig geloof” (2, 30) “dwingt God immers niemand om deugdzaam te leven”.

Articulus V

Utrum peccatoribus baptizatis sint imponenda opera satisfactoria

[Supr. q. 49. art. 3. ad 2. et infr. art. 6. corp. et 2. Dist. 6. q. 1. q. 1, corp. et 3. Dist. 19. art. 3. q. 2. ad 1. et 4. Dist. 6. q. 1. art. 1. q. 1. corp. et lib. 4. Contr. g. cap. 58. et Rom. 11. lect. 4.]
Ve Artikel

Moet men aan de zondaars, die het doopsel ontvingen werken van genoegdoening opleggen?

antwoord 1 ↓

Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod peccatoribus baptizatis sint opera satisfactoria imponenda. Hoc enim ad justitiam Dei pertinere videtur, ut pro quolibet peccato aliquis puniatur, secundum illud Eccle. ult. [v. 14] : « Cuncta quae fiunt adducet Deus in judicium ». Sed opera satisfactoria imponuntur peccatoribus in poenam praeteritorum peccatorum. Ergo videtur, quod peccatoribus baptizatis sint opera satisfactoria imponenda.

Bedenkingen. — De gedoopte zondaars moeten werken van genoegdoening opgelegd worden. — 1. Het strookt met Gods rechtvaardigheid dat iemand voor iedere zonde die hij bedreven heeft gestraft worde. De Prediker (12, 14) zegt immers : « God zal alles wat gebeurt is ten oordeel brengen. » Welnu, de zondaars worden tot uitboeting van hun vroegere zonden werken van genoegdoening opgelegd. Zoo moeten dus ook aan pas gedoopte zondaars werken van genoegdoening worden opgelegd.Bedenkingen. — De gedoopte zondaars moeten werken van genoegdoening opgelegd worden. — 1. Het strookt met Gods rechtvaardigheid dat iemand voor iedere zonde die hij bedreven heeft gestraft worde. De Prediker (12, 14) zegt immers: “God zal alles wat gebeurt is ten oordeel brengen.” Welnu, de zondaars worden tot uitboeting van hun vroegere zonden werken van genoegdoening opgelegd. Zo moeten dus ook aan pas gedoopte zondaars werken van genoegdoening worden opgelegd.

antwoord 2 ↓

2942. Praeterea, per opera satisfactoria exercitantur peccatores de novo conversi ad justitiam et subtrahuntur eis occasiones peccandi, nam satisfacere est peccatorum causas excidere et peccatis aditum non indulgere. Sed hoc maxime est necessarium nuper baptizatis. Ergo videtur, quod baptizatis sint opera satisfactoria injungenda.

2942. De zondaars die pas tot werken van gerechtigheid bekeerd werden, worden door de hun opgelegde werken van genoegdoening in de deugd geoefend, en zoo worden de gelegenheden tot zonde van hen verwijderd. Voor de zonde voldoening schenken is immers zoo goed als de oorzaak der zonde vernietigen en de zonde allen toegang ontzeggen. Welnu, dit is bij menschen die even gedoopt werden vooral noodig, en zoo moeten dus aan de zondaars werken van genoegdoening worden opgelegd.2942. De zondaars die pas tot werken van gerechtigheid bekeerd werden, worden door de hun opgelegde werken van genoegdoening in de deugd geoefend, en zo worden de gelegenheden tot zonde van hen verwijderd. Voor de zonde voldoening schenken is immers zo goed als de oorzaak van de zonde vernietigen en de zonde allen toegang ontzeggen. Welnu, dit is bij mensen die even gedoopt werden vooral nodig, en zo moeten dus aan de zondaars werken van genoegdoening worden opgelegd.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, non minus debitum est, ut homo Deo satisfaciat, quam proximo. Sed nuper baptizatis injungendum est, ut satisfaciant proximis, si eos laeserint. Ergo etiam est eis injungendum, ut Deo satisfaciant per opera poenitentiae.

3. Men moet evenzeer aan God als aan den evenmensch zijn schuld uitkeeren. Welnu wanneer iemand even gedoopt werd dient hem te worden aangeplicht de schade, die hij wellicht zijn naaste berokkend heeft, te herstellen. Zoo moet hem dus eveneens worden aangeplicht door werken van genoegdoening zijn schuld tegenover God te vereffenen.3. Men moet evenzeer aan God als aan de evenmens zijn schuld uitkeren. Welnu wanneer iemand even gedoopt werd dient hem te worden aangeplicht de schade, die hij wellicht zijn naaste berokkend heeft, te herstellen. Zo moet hem dus eveneens worden aangeplicht door werken van genoegdoening zijn schuld tegenover God te vereffenen.

Sed contra est, quod Ambrosius super illud Rom. 11 [v. 29] : « Sine poenitentia sunt dona et vocatio Dei », dicit: « Gratia Dei in baptismo non requirit gemitum, neque planctum, vel etiam opus aliquod, sed solam fidem, et omnia gratis condonat ».

Daartegenover staat echter wat St. Ambrosius op de woorden uit den Brief aan de Romeinen (11, 29) : « Nooit heeft God berouw over zijn genadegiften en zijn roeping », zegt : « God geeft bij het doopsel de genade zonder tranen noch weegeklaag en zonder een of ander werk te vorderen; alleen geloof vraagt Hij en alles scheldt Hij om niets kwijt. »Daartegenover staat echter wat St. Ambrosius op de woorden uit de Brief aan de Romeinen (11, 29): “Nooit heeft God berouw over zijn genadegiften en zijn roeping”, zegt: “God geeft bij het doopsel de genade zonder tranen noch weegeklaag en zonder een of ander werk te vorderen; alleen geloof vraagt Hij en alles scheldt Hij om niets kwijt.”

295Respondeo dicendum, quod sicut Apostolus dicit Rom. 6 [v. 3-4] : « Quicumque baptizati sumus in Christo, in morte ipsius baptizati sumus; consepulti enim sumus ei per baptismum in mortem », ita scilicet quod homo per baptismum incorporatur ipsi morti Christi. Manifestum est autem ex supradictis [q. 48. et 49.], quod mors Christi satisfactoria fuit sufficienter pro peccatis, « non solum nostris, sed etiam totius mundi », ut dicitur 1. Joan. 2 [v. 2]; et ideo ei qui baptizatur, pro quibuscumque peccatis non est aliqua satisfactio injungenda; hoc enim esset injuriam facere passioni et morti Christi, quasi ipsa non esset sufficiens ad plenariam satisfactionem pro peccatis baptizatorum.

295Leerstelling. — De apostel Paulus zegt in den Brief aan de Romeinen (6, 3) het volgende : « Allen die in Christus Jezus gedoopt zijn, zijn in zijn dood gedoopt. Door het doopsel toch zijn we met Hem in zijn dood begraven. » en dit op zulke wijze dat de mensch door het doopsel aan den dood van Christus deelachtig wordt. Uit hetgeen hierboven gezegd werd (49e Kw. en 48e Kw.) blijkt immers duidelijk dat de dood van Christus wat de zonde, en niet alleen de onze, maar die van de heele wereld betreft, zooals overigens in den eersten Brief van Joannes (2, 2) staat, genoegdoeningskracht te over had. Daarom dan moet men aan de nieuw-gedoopten geen werken van genoegdoening opleggen; dit ware immers alsof deze niet tot volledige genoegdoening voor de zonden van alle gedoopten bestand waren, voor het lijden en den dood van Christus een beleediging.295Leerstelling. — De apostel Paulus zegt in de Brief aan de Romeinen (6, 3) het volgende: “Allen die in Christus Jezus gedoopt zijn, zijn in zijn dood gedoopt. Door het doopsel toch zijn we met Hem in zijn dood begraven.” en dit op zulke wijze dat de mens door het doopsel aan de dood van Christus deelachtig wordt. Uit hetgeen hierboven gezegd werd (49e Kw. en 48e Kw.) blijkt immers duidelijk dat de dood van Christus wat de zonde, en niet alleen de onze, maar die van de hele wereld betreft, zoals overigens in de eerste Brief van Johannes (2, 2) staat, genoegdoeningskracht te over had. Daarom dan moet men aan de nieuw-gedoopten geen werken van genoegdoening opleggen; dit ware immers alsof deze niet tot volledige genoegdoening voor de zonden van alle gedoopten bestand waren, voor het lijden en de dood van Christus een belediging.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod, sicut Augustinus dicit in lib. 1. de Baptismo parvulorum [de Peccat. merit. et remiss. Lib. 1, cap. 26.], ad hoc baptismus valet, « ut baptizati Christo incorporentur ut membra ejus »; unde ipsa poena Christi fuit satisfactoria pro peccatis baptizatorum, sicut et poena unius membri potest esse satisfactoria pro peccato alterius 296membri; unde Isa. 53 [v. 4] dicitur : « Vere languores nostros ipse tulit et dolores nostros ipse portavit ».

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In zijn Boek: « Het doopsel der kinderen » (26, 7) zegt St. Augustinus het volgende: « Het doopsel vermag de gedoopten bij Christus als zijn ledematen in te lijven. » Het doopsel van Christus nu had voldoende genoegdoeningskracht voor de zonden der gedoopten, zooals wat één lidmaat onderstaat voor de zonde van een ander lidmaat kan 296genoegdoening schenken. Daarom zegt Isaias (53, 4) : « Hij heeft waarlijk onze kwalen op zich genomen en onze smarten heeft Hij gedragen. »Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In zijn Boek: “Het doopsel van de kinderen” (26, 7) zegt St. Augustinus het volgende: “Het doopsel vermag de gedoopten bij Christus als zijn ledematen in te lijven.” Het doopsel van Christus nu had voldoende genoegdoeningskracht voor de zonden van de gedoopten, zoals wat één lidmaat onderstaat voor de zonde van een ander lidmaat kan 296genoegdoening schenken. Daarom zegt Jesaja (53, 4): “Hij heeft waarlijk onze kwalen op zich genomen en onze smarten heeft Hij gedragen.”

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod nuper baptizati exercitandi sunt ad justitiam, non per opera poenalia, sed per opera facilia, « ut quasi quodam lacte facilis exercitii promoveantur ad perfectiora », ut Gloss. [ord.] dicit super illud Psal. 130 [v. 2] : « Sicut ablactatus est super matre sua ». Unde et Dominus discipulos suos de novo conversos a jejunio excusavit, ut patet Matth. 9 [vv. 14. sqq.]; et hoc est quod dicitur 1. Petr. 2 [v. 2] : « Sicut modo geniti infantes, lac concupiscite, ut in eo crescatis in salutem ».

2. Degenen die pas gedoopt werden behooren niet door lastig, maar door gemakkelijk werk in de rechtvaardigheid geoefend te worden; « aldus zullen ze dank zij de melk van gemakkelijke oefeningen tot volmaaktheid opgeleid worden », dat zegt nl. de Glossa op de woorden van den Psalm (130, 2) : « Gelijk een gespeend kind bij zijn moeder is. » — Zoo komt het dan dat de Heer zijn nieuwbekeerde leerlingen overeenkomstig wat Mt. (9) geschreven heeft, van den vasten ontsloeg. Daarbij zegt Petrus in zijn eersten Brief (2, 2) : « Verlangt als pasgeboren kindertjes naar melk opdat ge daardoor tot zaligheid moogt opgroeien. »2. Degenen die pas gedoopt werden behoren niet door lastig, maar door gemakkelijk werk in de rechtvaardigheid geoefend te worden; “aldus zullen ze dank zij de melk van gemakkelijke oefeningen tot volmaaktheid opgeleid worden”, dat zegt nl. de Glossa op de woorden van de Psalm (130, 2)a: “Gelijk een gespeend kind bij zijn moeder is.” — Zo komt het dan dat de Heer zijn nieuwbekeerde leerlingen overeenkomstig wat Mt. (9) geschreven heeft, van de vaste ontsloeg. Daarbij zegt Petrus in zijn eersten Brief (2, 2): “Verlangt als pasgeboren kindertjes naar melk opdat ge daardoor tot zaligheid moogt opgroeien.”

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod restituere male ablata proximis, et satisfacere eis de injuriis illatis, est cessare a peccando, quia hoc ipsum, quod est detinere aliena et proximum laesum non placare, est peccatum. Et ideo peccatoribus baptizatis injungendum est, quod satisfaciant proximis, sicut et quod desistant a peccato; non est autem eis injungendum, quod pro peccatis praeteritis aliquam poenam patiantur.

3. Den evenmensch terug te geven wat men van hem ontvreemd heeft en voor gedane beleedigingen voldoening te schenken, is alleen ophouden met zondigen; dit juist, iemands goed te behouden of een verongelijkte geen bevrediging te schenken is immers zonde. Daarom moet dan ook aan gedoopte zondaars evenzeer worden opgelegd hun evennaaste voldoening te schenken als niet meer te zondigen; een of ander werk tot uitboeting van bedreven zonden te verrichten moet hun echter niet worden opgelegd.3. De evenmens terug te geven wat men van hem ontvreemd heeft en voor gedane beledigingen voldoening te schenken, is alleen ophouden met zondigen; dit juist, iemands goed te behouden of een verongelijkte geen bevrediging te schenken is immers zonde. Daarom moet dan ook aan gedoopte zondaars evenzeer worden opgelegd hun evennaaste voldoening te schenken als niet meer te zondigen; een of ander werk tot uitboeting van bedreven zonden te verrichten moet hun echter niet worden opgelegd.

Articulus VI

Utrum peccatores ad baptismum accedentes teneantur sua peccata confiteri

[3. Dist. 19. art. 3. q. 1. ad 1. et lib. 4. Contr. g. cap. 18. et Roman. 11. lect. 4.]
VIe Artikel

Zijn de zondaars verplicht wanneer ze willen het doopsel ontvangen hun zonden te belijden?

antwoord 1 ↓

297Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod peccatores ad baptismum accedentes teneantur sua peccata confiteri. Dicitur enim Matth. 3. [v. 6.] quod « baptizabantur multi a Joanne in Jordane, confitentes peccata sua ». Sed baptismus Christi est perfectior, quam baptismus Joannis. Ergo videtur, quod multo magis illi, qui sunt baptizandi baptismo Christi, debeant sua peccata confiteri.

297Bedenkingen. — Men beweert dat zondaars die willen het doopsel ontvangen hun zonden moeten belijden. — 1. In het Evangelie van Mt. (3, 6) wordt verhaald dat velen door Joannes in den Jordaan gedoopt werden en hun zonden beleden. Welnu, het doopsel van Christus is volmaakter dan het doopsel van Joannes. Zoo moeten dus degenen die met het doopsel van Christus gedoopt worden nog veel eerder hun zonden belijden.297Bedenkingen. — Men beweert dat zondaars die willen het doopsel ontvangen hun zonden moeten belijden. — 1. In het Evangelie van Mt. (3, 6) wordt verhaald dat velen door Johannes in de Jordaan gedoopt werden en hun zonden beleden. Welnu, het doopsel van Christus is volmaakter dan het doopsel van Johannes. Zo moeten dus degenen die met het doopsel van Christus gedoopt worden nog veel eerder hun zonden belijden.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Proverb. 28 [v. 13] dicitur: « Qui abscondit scelera sua, non dirigetur; qui autem confessus fuerit, et reliquerit ea, misericordiam consequetur ». Sed ad hoc aliqui baptizantur, ut de peccatis suis misericordiam consequantur. Ergo baptizandi debent sua peccata confiteri.

2. Het Boek der Spreuken (28, 13) zegt het volgende : « Hij die zijn zonden verborgen houdt kan niet rechtvaardig gemaakt worden; hij integendeel die zijn zonden belijdt en ze verlaat zal barmhartigheid verwerven. » — Welnu, men wordt gedoopt om voor zijn zonden barmhartigheid te verkrijgen en zoo moet hij die wil gedoopt worden zijn zonden belijden.2. Het Boek van de Spreuken (28, 13) zegt het volgende: “Hij die zijn zonden verborgen houdt kan niet rechtvaardig gemaakt worden; hij integendeel die zijn zonden belijdt en ze verlaat zal barmhartigheid verwerven.” — Welnu, men wordt gedoopt om voor zijn zonden barmhartigheid te verkrijgen en zo moet hij die wil gedoopt worden zijn zonden belijden.

antwoord 3 ↓

2983. Praeterea, poenitentia requiritur ante baptismum, secundum illud Act. 2. [v. 38] : « Agite poenitentiam, et baptizetur unusquisque vestrum ». Sed confessio est pars poenitentiae. Ergo videtur, quod confessio peccatorum requiratur ante baptismum.

2983. Vóór het doopsel moet men boetvaardigheid doen. De Handel. der Apost. (2, 38) zeggen immers : « Laat iedereen van u boete doen en het doopsel ontvangen. » Welnu, de belijdenis der zonden is een deel der boetvaardigheid. Zoo wordt dus vóór het doopsel de belijdenis der zonden vereischt.2983. Vóór het doopsel moet men boetvaardigheid doen. De Handel. van de Apost. (2, 38) zeggen immers: “Laat iedereen van u boete doen en het doopsel ontvangen.” Welnu, de belijdenis van de zonden is een deel van de boetvaardigheid. Zo wordt dus vóór het doopsel de belijdenis van de zonden vereist.

Sed contra est, quod confessio peccatorum debet esse cum fletu : dicit enim Augustinus in libro de Poenitentia [De vera et falsa poenit, cap. 14, inter opp. Aug.] : « Omnis ista varietas confitenda est et deflenda ». Sed, sicut Ambrosius dicit [sup. illud Rom. 11. v. 29; inter opp. Ambr.], « gratia Dei in baptismo non requirit gemitum neque planctum ». Ergo a baptizandis non est requirenda confessio peccatorum.

Daartegenover staat echter dat de belijdenis der zonden al weenende moet geschieden. St. Augustinus zegt immers in zijn Boek : « Echte en valsche boetvaardigheid » (14) : « Al die verschillende zonden moeten beleden worden en beweend. » — Welnu, de H. Ambrosius zegt dat « de genade Gods in het doopsel zonder tranen en zonder klachten verleend wordt. » Zoo moet men dus van de nieuwgedoopten geen zondenbelijdenis vorderen.Daartegenover staat echter dat de belijdenis van de zonden al wenende moet geschieden. St. Augustinus zegt immers in zijn Boek: “Echte en valse boetvaardigheid” (14): “Al die verschillende zonden moeten beleden worden en beweend.” — Welnu, de H. Ambrosius zegt dat “de genade Gods in het doopsel zonder tranen en zonder klachten verleend wordt.” Zo moet men dus van de nieuwgedoopten geen zondenbelijdenis vorderen.

Respondeo dicendum, quod duplex est peccatorum confessio : una quidem interior, quae fit Deo, et talis confessio peccatorum requiritur ante baptismum, ut scilicet homo sua peccata recogitans de eis doleat. « Non enim potest inchoare novam vitam, nisi poeniteat eum veteris vitae », 299ut dicit Augustinus in lib. de Poenit. [Hom. ult. inter 50. Homil., cap. 2.]; alia vero est confessio peccatorum exterior, quae fit sacerdoti, et talis confessio non requiritur ante baptismum : primo quidem, quia talis confessio, cum respiciat personam ministri, pertinet ad poenitentiae sacramentum, quod non requiritur ante baptismum, quia est janua omnium sacramentorum; secundo, quia confessio exterior, quae fit sacerdoti, ordinatur ad hoc, quod sacerdos confitentem absolvat a peccatis, et liget ad opera satisfactoria, quae baptizatis non sunt imponenda, ut supra dictum est [art. praec.]. Nec etiam baptizati indigent remissione peccatorum per claves Ecclesiae, quibus omnia remittuntur per baptismum; tertio, quia ipsa particularis confessio homini facta est poenosa propter verecundiam confitentis; baptizato autem nulla exterior poena imponitur, et ideo a baptizatis non requiritur specialis confessio peccatorum, sed sufficit generalis, quam faciunt, cum secundum ritum Ecclesiae abrenuntiant Satanae et omnibus 300pompis ejus. Et hoc modo dicit quaedam Glossa [ordin. super Matth. 3. v. 6], quod « in baptismo Joannis exemplum dabatur baptizandis confitendi peccata, et promittendi meliora ». Si qui tamen baptizandi ex devotione sua peccata confiteri vellent, esset eorum confessio audienda, non ad hoc quod eis satisfactio imponeretur, sed ad hoc quod contra peccata consueta eis spiritualis informatio vitae traderetur.

Leerstelling. — De belijdenis der zonden kan op twee-erlei wijze geschieden : ofwel als innerlijke belijdenis die aan God alleen gedaan wordt, en zulk een belijdenis wordt, opdat de mensch aan zijn zonden zou denken en er over bedroefd zijn, vóór het doopsel geeischt. Naar hetgeen St. Augustinus zelf zegt in zijn Boek : « De boetvaardigheid » (50, 2) gaat het immers niet aan 299een nieuw leven te beginnen zoolang men over het verleden geen spijt heeft; — ofwel kan ze als uiterlijke belijdenis van zonden die voor een priester gedaan wordt geschieden. Welnu een dergelijke belijdenis wordt vóór het doopsel niet vereischt. Een dergelijke belijdenis is immers ten eerste, daar ze ten overstaan van den persoon van den bedienaar geschiedt op het sacrament der biecht, dat niet vereischt wordt vóór het doopsel, aangewezen; het doopsel toch is de poort die tot alle andere sacramenten toegang verleent. Ten tweede dient de uiterlijke belijdenis, die voor den priester gedaan wordt, tot ontslaging van zonden door den priester die dan als een genoegdoeningswerk oplegt. Dit nu moet, zooals we hierboven, in het vorig artikel nl., bewezen hebben, aan nieuwgedoopten niet worden opgelegd; ja zelfs hebben de nieuwgedoopten de vergiffenis van zonden door de sleutelmacht niet vandoen; alles toch wordt hun door het doopsel kwijtgescholden. Ten derde valt die nauwgezette belijdenis aan een mensch het schaamtegevoel van den biechteling zwaar. Welnu aan nieuwgedoopten mag geen enkele uiterlijke straf worden opgelegd, en daarom wordt bij het doopsel geen bizondere zondenbelijdenis vereischt. Een algemeene belijdenis integendeel kan ruim volstaan, en deze geschiedt wanneer de doopeling overeenkomstig den ritus der Kerk aan den duivel en aan al zijn praalvertoon verzaakt. 300Aldus zegt overigens een Glosse op Mtt. (3) : « Aan het doopsel van Joannes werd de gedoopten om hun zonden te belijden en een beter leven te beloven een voorbeeld voorgehouden. » Wil nu een doopeling uit godsvrucht toch zijn zonden belijden, dan moet men, niet om hem werken van genoegdoening te kunnen opleggen, maar om hem, wat de zonden betreft die hij gewoonlijk bedrijft, een levensregel voor te houden, zijn belijdenis aanhooren.Leerstelling. — De belijdenis van de zonden kan op twee-erlei wijze geschieden: ofwel als innerlijke belijdenis die aan God alleen gedaan wordt, en zulk een belijdenis wordt, opdat de mens aan zijn zonden zou denken en er over bedroefd zijn, vóór het doopsel geëist. Naar hetgeen St. Augustinus zelf zegt in zijn Boek: “De boetvaardigheid” (50, 2) gaat het immers niet aan 299een nieuw leven te beginnen zolang men over het verleden geen spijt heeft; — ofwel kan ze als uiterlijke belijdenis van zonden die voor een priester gedaan wordt geschieden. Welnu een dergelijke belijdenis wordt vóór het doopsel niet vereist. Een dergelijke belijdenis is immers ten eerste, daar ze ten overstaan van de persoon van de bedienaar geschiedt op het sacrament van de biecht, dat niet vereist wordt vóór het doopsel, aangewezen; het doopsel toch is de poort die tot alle andere sacramenten toegang verleent. Ten tweede dient de uiterlijke belijdenis, die voor de priester gedaan wordt, tot ontslaging van zonden door de priester die dan als een genoegdoeningswerk oplegt. Dit nu moet, zoals we hierboven, in het vorig artikel nl., bewezen hebben, aan nieuwgedoopten niet worden opgelegd; ja zelfs hebben de nieuwgedoopten de vergiffenis van zonden door de sleutelmacht niet vandoen; alles toch wordt hun door het doopsel kwijtgescholden. Ten derde valt die nauwgezette belijdenis aan een mens het schaamtegevoel van de biechteling zwaar. Welnu aan nieuwgedoopten mag geen enkele uiterlijke straf worden opgelegd, en daarom wordt bij het doopsel geen bizondere zondenbelijdenis vereist. Een algemene belijdenis integendeel kan ruim volstaan, en deze geschiedt wanneer de dopeling overeenkomstig de ritus van de Kerk aan de duivel en aan al zijn praalvertoon verzaakt. 300Aldus zegt overigens een Glosse op Mtt. (3): “Aan het doopsel van Johannes werd de gedoopten om hun zonden te belijden en een beter leven te beloven een voorbeeld voorgehouden.” Wil nu een dopeling uit godsvrucht toch zijn zonden belijden, dan moet men, niet om hem werken van genoegdoening te kunnen opleggen, maar om hem, wat de zonden betreft die hij gewoonlijk bedrijft, een levensregel voor te houden, zijn belijdenis aanhoren.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod in baptismo Joannis non remittebantur peccata, sed erat baptismus poenitentiae, et ideo convenienter accedentes ad illud baptisma confitebantur peccata, ut secundum qualitatem peccatorum eis poenitentia determinaretur. Sed baptismus Christi est sine exteriori poenitentia, ut Ambrosius dicit [loc. supra cit.]. Unde non est similis ratio.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Bij het doopsel van Joannes werden de zonden niet vergeven, dit was immers een doopsel van boetvaardigheid. Zoo was het dan passend dat zij die het doopsel wilden ontvangen, hun zonden zouden belijden; en overeenstemmig den aard der zonde, kregen ze werken van boetvaardigheid. [De vertaling van «Sed baptismus Christi est sine exteriori poenitentia» ontbreekt in de uitgave.] Zoo geldt bewuste reden dus niet voor dit geval.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Bij het doopsel van Johannes werden de zonden niet vergeven, dit was immers een doopsel van boetvaardigheid. Zo was het dan passend dat zij die het doopsel wilden ontvangen, hun zonden zouden belijden; en overeenstemmig de aard van de zonde, kregen ze werken van boetvaardigheid. [De vertaling van “Sed baptismus Christi est sine exteriori poenitentia” ontbreekt in de uitgave.] Zo geldt bewuste reden dus niet voor dit geval.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod baptizatis sufficit confessio interior Deo facta, et etiam exterior generalis, ad hoc quod dirigantur et misericordiam consequantur; nec requiritur confessio specialis exterior, sicut dictum est [in corp.].

2. Voor doopelingen kunnen de innerlijke belijdenis die aan God gedaan wordt, en de algemeene uiterlijke belijdenis, opdat ze den rechten weg zouden uitgaan en barmhartigheid verwerven, volstaan. Een bizondere uiterlijke belijdenis wordt, zooals we in de leerstelling zeiden, niet vereischt.2. Voor dopelingen kunnen de innerlijke belijdenis die aan God gedaan wordt, en de algemene uiterlijke belijdenis, opdat ze de rechte weg zouden uitgaan en barmhartigheid verwerven, volstaan. Een bizondere uiterlijke belijdenis wordt, zoals we in de leerstelling zeiden, niet vereist.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod confessio est pars poenitentiae 301sacramentalis, quae non requiritur ante baptismum, ut dictum est [in corp. art.]; sed requiritur interioris poenitentiae virtus.

3. De Belijdenis is een deel van het Sacrament der Biecht, dat, 301zooals in de leerstelling staat, vóór het doopsel niet vereischt wordt. De beoefening van de innerlijke deugd van boetvaardigheid is echter bij het doopsel wel vandoen.3. De Belijdenis is een deel van het Sacrament van de Biecht, dat, 301zoals in de leerstelling staat, vóór het doopsel niet vereist wordt. De beoefening van de innerlijke deugd van boetvaardigheid is echter bij het doopsel wel vandoen.

Articulus VII

Utrum ex parte baptizati requiratur intentio suscipiendi sacramentum baptismi

[Infr. q. 69. art. 9 et 4. Dist. 6. q. 1. art. 2. q. 3 et Dist. 27. q. 1. art. 2. q. 4. corp.]
VIIe Artikel

Moet de doopeling het opzet hebben het doopsel te ontvangen?Moet de dopeling het opzet hebben het doopsel te ontvangen?

antwoord 1 ↓

301Ad septimum sic proceditur. Videtur, quod ex parte baptizati non requiratur intentio suscipiendi sacramentum baptismi. Baptizatus enim se habet sicut patiens in sacramento. Intentio autem non requiritur ex parte patientis, sed ex parte agentis. Ergo videtur, quod ex parte baptizati non requiratur intentio suscipiendi baptismum.

301Bedenkingen. — Men beweert dat tot de geldigheid van het doopsel niet vereischt wordt dat de doopeling zou het opzet hebben het sacrament van het doopsel te ontvangen. — 1. De doopeling blijft wanneer hij het doopsel ontvangt, lijdzaam. Welnu het opzet te hebben een of ander te verrichten of te ontvangen, gaat eerder op iemand terug die werkend optreedt, dan wel op iemand die lijdzaam blijft toezien en laat gebeuren. Zoo wordt dus tot de geldigheid niet vereischt dat de doopeling zou het opzet hebben het doopsel te ontvangen.301Bedenkingen. — Men beweert dat tot de geldigheid van het doopsel niet vereist wordt dat de dopeling zou het opzet hebben het sacrament van het doopsel te ontvangen. — 1. De dopeling blijft wanneer hij het doopsel ontvangt, lijdzaam. Welnu het opzet te hebben een of ander te verrichten of te ontvangen, gaat eerder op iemand terug die werkend optreedt, dan wel op iemand die lijdzaam blijft toezien en laat gebeuren. Zo wordt dus tot de geldigheid niet vereist dat de dopeling zou het opzet hebben het doopsel te ontvangen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, si praetermittatur, id, quod requiritur ad baptismum, homo est denuo baptizandus, sicut cum praetermittitur invocatio Trinitatis, 302ut supra dictum est [q. 66. art. 6.]. Sed ex hoc non videtur aliquis esse denuo baptizandus, quod intentionem non habebat suscipiendi baptismum; alioquin cum de intentione baptizati non constet, quilibet posset petere, se denuo baptizari propter intentionis defectum. Non videtur ergo, quod intentio requiratur ex parte baptizati, ut suscipiat sacramentum.

2. Wanneer iets dat tot de geldigheid vereischt wordt werd overgeslagen, moet men herdoopen, zoo bijvoorbeeld wanneer vergeten werd de H. Drievuldigheid aan te roepen; dit toch hebben 302we hierboven aangetoond (66e Kw., 6e art.). Welnu, iemand moet, wanneer hij niet het opzet had zich te laten doopen, niet herdoopt worden; anders toch zou eenieder, daar het niet immer vaststaat dat iemand wel degelijk dit opzet gehad heeft, kunnen aanvragen om wegens gebrek aan opzet andermaal gedoopt te worden. Zoo wordt dus om het sacrament te ontvangen niet vereischt dat men zou het opzet hebben zich te laten doopen.2. Wanneer iets dat tot de geldigheid vereist wordt werd overgeslagen, moet men herdopen, zo bijvoorbeeld wanneer vergeten werd de H. Drievuldigheid aan te roepen; dit toch hebben 302we hierboven aangetoond (66e Kw., 6e art.). Welnu, iemand moet, wanneer hij niet het opzet had zich te laten dopen, niet herdoopt worden; anders toch zou eenieder, daar het niet immer vaststaat dat iemand wel degelijk dit opzet gehad heeft, kunnen aanvragen om wegens gebrek aan opzet andermaal gedoopt te worden. Zo wordt dus om het sacrament te ontvangen niet vereist dat men zou het opzet hebben zich te laten dopen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, baptismus contra peccatum originale datur. Sed originale peccatum contrahitur sine intentione nascentis. Ergo baptismus, ut videtur, intentionem non requirit ex parte baptizati.

3. Het doopsel is een geneesmiddel tegen de erfzonde. Welnu, als men geboren wordt loopt men zonder het te willen die zonde op. Zoo vordert dus het doopsel tot de geldigheid geen opzet van wege den doopeling.3. Het doopsel is een geneesmiddel tegen de erfzonde. Welnu, als men geboren wordt loopt men zonder het te willen die zonde op. Zo vordert dus het doopsel tot de geldigheid geen opzet van wege de dopeling.

Sed contra est, quod secundum ritum Ecclesiae baptizandi profitentur se petere ab Ecclesia baptismum, per quod profitentur suam intentionem de susceptione sacramenti.

Daartegenover staat echter dat volgens den ritus der H. Kerk de doopelingen moeten getuigen dat ze de H. Kerk om het doopsel vragen, en aldus hun opzet te willen gedoopt worden bekend maken.Daartegenover staat echter dat volgens de ritus van de H. Kerk de dopelingen moeten getuigen dat ze de H. Kerk om het doopsel vragen, en aldus hun opzet te willen gedoopt worden bekend maken.

Respondeo dicendum, quod per baptismum aliquis moritur veteri vitae peccati, et incipit quandam vitae novitatem, secundum illud Rom. 6. [v. 4] : Consepulti sumus Christo per baptismum in mortem, ut quomodo 303Christus surrexit a mortuis per gloriam Patris, ita et nos in novitate vitae ambulemus. Et ideo, sicut ad hoc quod homo moriatur veteri vitae, requiritur, secundum Augustinum [Hom. ult. inter 50. Homil., cap. 2.], in habente usum liberi arbitrii voluntas, qua eum veteris vitae poeniteat; ita requiritur voluntas, qua intendat vitae novitatem, cujus principium est ipsa susceptio sacramenti. Et ideo ex parte baptizati requiritur voluntas, sive intentio suscipiendi sacramentum.

Leerstelling. — Door het doopsel sterft de mensch voor het oude leven der zonde en begint een nieuw leven te leven; aldus zegt nl. de Brief aan de Romeinen (6, 4) : « Wij zijn dan door het doopsel met Christus in zijn dood begraven, opdat wij zooals 303Christus door de glorie van den Vader uit de dooden werd opgewekt, evenzoo ook wij in een nieuw leven zouden wandelen. » Volgens St. Augustinus nu, wordt er, opdat een mensch voor het oude leven zou sterven, vereischt dat hij, indien hij althans het gebruik heeft van zijn vrijen wil, juist zooals hij over zijn verleden dient berouw te hebben, evenzoo zou voornemens zijn een nieuw leven te beginnen. Welnu dit begin komt op het ontvangen van dit sacrament neer, en zoo wordt dus van den kant van den gedoopte vereischt dat hij wille het doopsel ontvangen of het opzet vorme het te ontvangen.Leerstelling. — Door het doopsel sterft de mens voor het oude leven van de zonde en begint een nieuw leven te leven; aldus zegt nl. de Brief aan de Romeinen (6, 4): “Wij zijn dan door het doopsel met Christus in zijn dood begraven, opdat wij zoals 303Christus door de glorie van de Vader uit de doden werd opgewekt, evenzo ook wij in een nieuw leven zouden wandelen.” Volgens St. Augustinus nu, wordt er, opdat een mens voor het oude leven zou sterven, vereist dat hij, indien hij althans het gebruik heeft van zijn vrijen wil, juist zoals hij over zijn verleden dient berouw te hebben, evenzo zou voornemens zijn een nieuw leven te beginnen. Welnu dit begin komt op het ontvangen van dit sacrament neer, en zo wordt dus van de kant van de gedoopte vereist dat hij wille het doopsel ontvangen of het opzet vorme het te ontvangen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod in justificatione, quae fit per baptismum, non est passio coacta sed voluntaria, et ideo requiritur intentio recipiendi id, quod ei datur.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Bij de rechtvaardigmaking door het doopsel is er geen gedwongen maar wel een vrijwillige lijdzaamheid. Zoo wordt dan het opzet om wat toegediend wordt te ontvangen vereischt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Bij de rechtvaardigmaking door het doopsel is er geen gedwongen maar wel een vrijwillige lijdzaamheid. Zo wordt dan het opzet om wat toegediend wordt te ontvangen vereist.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod si in adulto deesset intentio suscipiendi sacramentum, esset rebaptizandus. Si tamen hoc non constaret, esset dicendum : « Si non es baptizatus, ego te baptizo ».

2. Indien een volwassen mensch niet het opzet had gedoopt te worden, dan zou hij moeten herdoopt worden. Wanneer dit echter niet met zekerheid kan worden uitgemaakt moet men bij het doopsel zeggen : « Indien ge niet gedoopt zijt, dan doop ik u. »2. Indien een volwassen mens niet het opzet had gedoopt te worden, dan zou hij moeten herdoopt worden. Wanneer dit echter niet met zekerheid kan worden uitgemaakt moet men bij het doopsel zeggen: “Indien ge niet gedoopt zijt, dan doop ik u.”

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod baptismus ordinatur non solum contra 304originale peccatum, sed etiam contra actualia, quae per voluntatem et intentionem causantur.

3. Het doopsel wordt niet alleen tegen de erfzonde doch ook 304tegen de dadelijke zonden aangewend. Deze nu worden door toedoen van den wil en het opzet bedreven.3. Het doopsel wordt niet alleen tegen de erfzonde doch ook 304tegen de dadelijke zonden aangewend. Deze nu worden door toedoen van de wil en het opzet bedreven.

Articulus VIII

Utrum fides requiratur ex parte baptizati

[4. Dist. 6. q. 1. art. 3. q. 1. et q. 2. q. 3. corp. et Dist. 9. art. 2. q. 2. ad 2.]
VIIIe Artikel

Wordt tot de geldigheid van het doopsel vereischt dat de doopeling zou gelooven?Wordt tot de geldigheid van het doopsel vereist dat de dopeling zou geloven?

antwoord 1 ↓

Ad octavum sic proceditur. Videtur, quod fides requiratur ex parte baptizati. Sacramentum enim baptismi a Christo est institutum. Sed Christus formam baptismi tradens fidem baptismo praemittit, dicens Marc. ult. [v. 16] : « Qui crediderit et baptizatus fuerit, salvus erit ». Ergo videtur, quod nisi sit fides, non possit esse sacramentum baptismi.

Bedenkingen. — Men beweert dat de doopeling om geldig het doopsel te ontvangen, moet gelooven. — 1. Het sacrament van het doopsel werd door Christus ingesteld. Welnu, wanneer Christus den vorm van het doopsel overmaakte, sprak Hij eerst van het geloof, daarna van het doopsel. Hij zei nl. (Mc. 16, 16) : « Wie gelooft en gedoopt is zal zalig worden. » — Wanneer iemand dus geen geloof heeft kan hij het sacrament van het doopsel niet ontvangen.Bedenkingen. — Men beweert dat de dopeling om geldig het doopsel te ontvangen, moet geloven. — 1. Het sacrament van het doopsel werd door Christus ingesteld. Welnu, wanneer Christus de vorm van het doopsel overmaakte, sprak Hij eerst van het geloof, daarna van het doopsel. Hij zei nl. (Mc. 16, 16): “Wie gelooft en gedoopt is zal zalig worden.” — Wanneer iemand dus geen geloof heeft kan hij het sacrament van het doopsel niet ontvangen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, nihil frustra in sacramentis Ecclesiae agitur. Sed secundum ritum Ecclesiae ille qui accedit ad baptismum, de fide interrogatur, 305cum dicitur : « Credis in Deum Patrem? » etc. Ergo videtur, quod fides ad baptismum requiratur.

2. Bij het toedienen van de heilige sacramenten doet de H. Kerk niets tevergeefs. Welnu, overeenkomstig den ritus der H. Kerk wordt hij die ten doop komt, over zijn geloof ondervraagd. Er wordt hem immers gevraagd : « Gelooft gij in God den 305Vader, enz.... » — Zoo is dus het geloof een vereischte tot de geldigheid van het doopsel.2. Bij het toedienen van de heilige sacramenten doet de H. Kerk niets tevergeefs. Welnu, overeenkomstig de ritus van de H. Kerk wordt hij die ten doop komt, over zijn geloof ondervraagd. Er wordt hem immers gevraagd: “Gelooft gij in God de 305Vader, enz....” — Zo is dus het geloof een vereiste tot de geldigheid van het doopsel.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, ad baptismum requiritur intentio suscipiendi sacramentum. Sed hoc non potest esse sine recta fide, cum baptismus sit rectae fidei sacramentum; per eum enim incorporantur homines Christo, ut Augustinus dicit in lib. 1. de Baptismo parvulorum [de Peccat. merit. et remiss. cap. 26.]. Hoc autem non potest esse sine recta fide, secundum illud Ephes. 3 [v. 17] : « Habitare Christum per fidem in cordibus vestris ». Ergo videtur, quod ille qui non habet rectam fidem, non possit suscipere sacramentum baptismi.

3. Om het doopsel te ontvangen moet men ook het opzet hebben het doopsel te ontvangen. Welnu, dit kan niet zonder het ware geloof; het doopsel toch is het sacrament van het ware geloof, want door het doopsel worden de menschen, zooals St. Augustinus in zijn boek : « Over het doopsel der kleinen » (c. 26) zegt, bij Christus ingelijfd. Dit laatste nu gaat zonder het geloof niet aan; in den Brief aan de Ephesiërs (3, 17) staat immers geschreven : « Christus woont in uw hart door het geloof ». Zoo kan dus hij die het ware geloof niet heeft het sacrament van het doopsel niet ontvangen.3. Om het doopsel te ontvangen moet men ook het opzet hebben het doopsel te ontvangen. Welnu, dit kan niet zonder het ware geloof; het doopsel toch is het sacrament van het ware geloof, want door het doopsel worden de mensen, zoals St. Augustinus in zijn boek: “Over het doopsel van de kleinen” (c. 26) zegt, bij Christus ingelijfd. Dit laatste nu gaat zonder het geloof niet aan; in de Brief aan de Efesiërs (3, 17) staat immers geschreven: “Christus woont in uw hart door het geloof”. Zo kan dus hij die het ware geloof niet heeft het sacrament van het doopsel niet ontvangen.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, infidelitas est gravissimum peccatum, ut in 2. habitum est [2-2. q. 10. art. 3.]. Sed permanentes in peccato non sunt baptizandi. Ergo etiam nec permanentes in infidelitate.

4. Het ongeloof is, zooals in het tweede deel (2-2 KW. 10, 3e art.) staat, de zwaarste zonde. Welnu, zij die in hun zonden volharden, mogen niet gedoopt worden en zij die in het ongeloof volharden dus evenmin.4. Het ongeloof is, zoals in het tweede deel (2-2 KW. 10, 3e art.) staat, de zwaarste zonde. Welnu, zij die in hun zonden volharden, mogen niet gedoopt worden en zij die in het ongeloof volharden dus evenmin.

Sed contra est, quod Gregorius scribens Quirino episcopo [Regist. lib. 11, epist. 61.] dicit : « Ab antiqua Patrum institutione didicimus, ut qui apud haeresim in Trinitatis nomine baptizantur, cum ad sanctam 306Ecclesiam redeunt, aut unctione chrismatis, aut impositione manus, aut sola professione fidei ad sinum matris Ecclesiae revocentur ». Hoc autem non esset, si recta fides esset de necessitate baptismi. Non ergo recta fides ex necessitate requiritur ad susceptionem baptismi1.

Daartegenover staat echter wat paus Gregorius aan bisschop Quirinus schreef (Register. 9, 61) : « De oude overlevering der vaderen heeft ons geleerd dat als diegenen die bij de ketters in 306den naam der H. Drievuldigheid gedoopt worden naar de H. Kerk terugkeeren, deze na een inbalseming met chrisma of na een handenoplegging, ook alleen na een geloofsbelijdenis, in den schoot der heilige kerk ontvangen worden. » Indien nu het ware geloof voor de geldigheid van het doopsel noodig was, zou zulks niet kunnen. Zoo wordt dan het ware geloof niet tot de geldigheid van het doopsel vereischt.Daartegenover staat echter wat paus Gregorius aan bisschop Quirinus schreef (Register. 9, 61): “De oude overlevering van de vaderen heeft ons geleerd dat als diegenen die bij de ketters in 306de naam van de H. Drievuldigheid gedoopt worden naar de H. Kerk terugkeren, deze na een inbalseming met chrisma of na een handenoplegging, ook alleen na een geloofsbelijdenis, in de schoot van de heilige kerk ontvangen worden.” Indien nu het ware geloof voor de geldigheid van het doopsel nodig was, zou zulks niet kunnen. Zo wordt dan het ware geloof niet tot de geldigheid van het doopsel vereist.

Respondeo dicendum, quod sicut ex dictis patet [q. 63. art. 6. et q. 66. art. 9.], duo efficiuntur in anima per baptismum, scilicet character, et gratia. Dupliciter ergo aliquid ex necessitate requiritur ad baptismum : uno modo, sine quo gratia haberi non potest, quae est ultimus effectus sacramenti; et hoc modo recta fides ex necessitate requiritur ad baptismum, quia, sicut dicitur Rom. 3. [v. 22] : « Justitia Dei est per fidem Jesu Christi ». Alia modo requiritur aliquid ex necessitate ad baptismum, sine quo character baptismatis imprimi non potest; et sic recta fides baptizati non requiritur ex necessitate ad baptismum, sicut nec recta fides baptizantis, 307dummodo adsint caetera, quae sunt de necessitate sacramenti. Non enim sacramentum perficitur per justitiam hominis dantis vel suscipientis baptismum, sed per virtutem Dei.

Leerstelling. — Zooals we hierboven hebben aangetoond (63e Kw. 6e art. en 69e Kw. 4e en 6e art.) verwekt het doopsel in de ziel een dubbel uitwerksel, het merkteeken nl. en de genade. Zoo kan iets dus op een dubbele manier voor het doopsel vandoen zijn; vooreerst op zulke manier dat men anders de genade die het laatste uitwerksel van dit sacrament is, niet kan ontvangen, en dit gebeurt wanneer men niet het ware geloof bezit. De Brief aan de Romeinen (3, 22) zegt immers : « Door het geloof in Jezus-Christus is het dat we rechtvaardig gemaakt worden. » — verder zoodanig dat anders het merkteeken niet in de ziel geprent wordt. Daartoe wordt echter, zoolang het overige dat voor de geldigheid noodig is maar voltrokken wordt, het ware geloof noch in den 307doopeling noch zelfs in den dooper vereischt. Het sacrament van het doopsel wordt immers niet door de rechtvaardigheid van den mensch die het doopsel toedient of van hem die het ontvangt, maar door toedoen van de kracht van God, voltrokken.Leerstelling. — Zoals we hierboven hebben aangetoond (63e Kw. 6e art. en 69e Kw. 4e en 6e art.) verwekt het doopsel in de ziel een dubbel uitwerksel, het merkteken nl. en de genade. Zo kan iets dus op een dubbele manier voor het doopsel vandoen zijn; vooreerst op zulke manier dat men anders de genade die het laatste uitwerksel van dit sacrament is, niet kan ontvangen, en dit gebeurt wanneer men niet het ware geloof bezit. De Brief aan de Romeinen (3, 22) zegt immers: “Door het geloof in Jezus-Christus is het dat we rechtvaardig gemaakt worden.” — verder zodanig dat anders het merkteken niet in de ziel geprent wordt. Daartoe wordt echter, zolang het overige dat voor de geldigheid nodig is maar voltrokken wordt, het ware geloof noch in de 307dopeling noch zelfs in de doper vereist. Het sacrament van het doopsel wordt immers niet door de rechtvaardigheid van de mens die het doopsel toedient of van hem die het ontvangt, maar door toedoen van de kracht van God, voltrokken.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod Dominus loquitur ibi de baptismo, secundum quod perducit homines ad salutem per gratiam justificantem, quod quidem sine recta fide esse non potest; et ideo signanter dicit : Qui crediderit et baptizatus fuerit, salvus erit.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Heer spreekt hier van het doopsel inzoover het den mensch met behulp van de heiligmakende genade ter zaligheid brengt. Dit nu gaat zonder het ware geloof niet aan, en daarom zegt de Heer uitdrukkelijk : « Hij die gelooft en gedoopt wordt zal zalig worden. »Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Heer spreekt hier van het doopsel inzover het de mens met behulp van de heiligmakende genade ter zaligheid brengt. Dit nu gaat zonder het ware geloof niet aan, en daarom zegt de Heer uitdrukkelijk: “Hij die gelooft en gedoopt wordt zal zalig worden.”

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod Ecclesia intendit homines baptizare, ut emundentur a peccato, secundum illud Isa. 27. [v. 9] : « Hic est omnis fructus, ut auferatur peccatum ». Et ideo quantum est de se, non intendit dare baptismum nisi habentibus rectam fidem, sine qua non est remissio peccatorum. Et propter hoc interrogat accedentes ad baptismum, an credant. Si tamen sine recta fide aliquis baptisma suscipiat extra Ecclesiam, non percipit illud ad suam salutem; unde Augustinus dicit [lib. 4. de Baptis. contr. Donatist, Cap. 1.] : « Ecclesia paradiso comparata indicat 308nobis, posse quidem baptismum ejus homines etiam foris accipere, sed salutem beatitudinis extra eam neminem percipere vel tenere ».

2. Blijkens de woorden van Isaias (27, 9) : « Heel de vrucht ervan komt neer op een reiniging van zonden », wil de heilige Kerk de menschen doopen om hen van hun zonden te zuiveren. Daarom tracht ze van haar kant het doopsel enkel aan hen die het ware geloof hebben toe te dienen, anders toch is er geen vergiffenis van zonden mogelijk en daarom vraagt ze de doopelingen of ze wel degelijk gelooven. Wanneer immers iemand zonder het ware geloof buiten de heilige Kerk het doopsel ontvangt, dan ontvangt hij het niet tot eigen zaligheid. Sint Augustinus zegt derhalve : (Van het doopsel; tegen de Donatisten, 4, 1) « De heilige Kerk die bij een paradijs mag vergeleken worden, maakt ons duidelijk dat men wel buiten haar schoot om het doopsel kan ontvangen, maar dat 308zonder haar toedoen niemand kan tot de gelukzaligheid komen en deze bezitten. »2. Blijkens de woorden van Jesaja (27, 9): “Heel de vrucht ervan komt neer op een reiniging van zonden”, wil de heilige Kerk de mensen dopen om hen van hun zonden te zuiveren. Daarom tracht ze van haar kant het doopsel enkel aan hen die het ware geloof hebben toe te dienen, anders toch is er geen vergiffenis van zonden mogelijk en daarom vraagt ze de dopelingen of ze wel degelijk geloven. Wanneer immers iemand zonder het ware geloof buiten de heilige Kerk het doopsel ontvangt, dan ontvangt hij het niet tot eigen zaligheid. Sint Augustinus zegt derhalve: (Van het doopsel; tegen de Donatisten, 4, 1) “De heilige Kerk die bij een paradijs mag vergeleken worden, maakt ons duidelijk dat men wel buiten haar schoot om het doopsel kan ontvangen, maar dat 308zonder haar toedoen niemand kan tot de gelukzaligheid komen en deze bezitten.”

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod etiam non habens rectam fidem circa alios articulos potest habere rectam fidem circa sacramentum baptismi; et ita non impeditur, quin possit habere intentionem suscipiendi sacramentum baptismi. Si tamen etiam circa hoc sacramentum non recte sentiat, sufficit ad perceptionem sacramenti generalis intentio, qua intendit suscipere baptismum, sicut Christus instituit, et sicut Ecclesia tradit.

3. Iemand kan wat andere geloofswaarheden betreft dwalen en toch wat het doopsel betreft een rechtzinnig geloof bezitten. Zoo kan het dan wel eens gebeuren dat hij het opzet heeft het sacrament van het doopsel te ontvangen. Moet hij er echter aangaande het doopsel verkeerde begrippen op na houden, dan nog zou het om het sacrament te kunnen ontvangen volstaan als hij het algemeene opzet had het doopsel, zooals Christus het instelde en de H. Kerk het toedient, te ontvangen.3. Iemand kan wat andere geloofswaarheden betreft dwalen en toch wat het doopsel betreft een rechtzinnig geloof bezitten. Zo kan het dan wel eens gebeuren dat hij het opzet heeft het sacrament van het doopsel te ontvangen. Moet hij er echter aangaande het doopsel verkeerde begrippen op na houden, dan nog zou het om het sacrament te kunnen ontvangen volstaan als hij het algemene opzet had het doopsel, zoals Christus het instelde en de H. Kerk het toedient, te ontvangen.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod sicut sacramentum baptismi non est conferendum ei, qui non vult ab aliis peccatis recedere, ita etiam nec ei, qui non vult infidelitatem deserere; uterque tamen suscipit sacramentum, si ei conferatur, licet non ad salutem.

4. Men mag het doopsel evenmin aan degenen die in de zonde volharden als aan degenen die hun ongeloof niet willen vaarwel zeggen toedienen. Niettemin ontvangen zij echter, wanneer het hun toegediend wordt, het doopsel op geldige wijze; alleen komt het dan hun zaligheid niet ten goede.

Articulus IX

Utrum pueri sint baptizandi

[4. Dist. 4. q. 3. art. 1. q. 1. et Mal. q. 4. art. 1. corp. princ. et Quodl. 4. art. 10. corp. et Quodl. 9. art. 22. corp.]
IXe Artikel

Behooren kinderen gedoopt te worden?Behoren kinderen gedoopt te worden?

antwoord 1 ↓

309Ad nonum sic proceditur. Videtur, quod pueri non sunt baptizandi. In quo enim, qui baptizatur, requiritur intentio suscipiendi sacramentum, ut supra dictum est [art. 7. huj. q.]. Hujusmodi autem intentionem non possunt pueri habere, cum non habeant usum liberi arbitrii. Ergo videtur, quod non possint suscipere sacramentum baptismi.

309Bedenkingen. Men beweert dat kinderen niet behooren gedoopt te worden. — 1. Hij die wil gedoopt worden moet zooals hierboven (in het 7e art.) werd aangetoond het opzet hebben het doopsel te ontvangen. Welnu, kleine kinderen kunnen, daar ze het gebruik van hun vrijen wil niet hebben, zoo een opzet niet vormen. Zoo kunnen ze dus ook het sacrament van het doopsel niet ontvangen.309Bedenkingen. Men beweert dat kinderen niet behoren gedoopt te worden. — 1. Hij die wil gedoopt worden moet zoals hierboven (in het 7e art.) werd aangetoond het opzet hebben het doopsel te ontvangen. Welnu, kleine kinderen kunnen, daar ze het gebruik van hun vrijen wil niet hebben, zo een opzet niet vormen. Zo kunnen ze dus ook het sacrament van het doopsel niet ontvangen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, baptismus est fidei sacramentum, ut supra dictum est [q. 65. art. 1.]. Sed pueri non habent fidem, quae consistit in credentium voluntate, ut Augustinus dicit super Joan. [tract. 26. et lib. 1. de Praedest. Sanctor. cap. 5.]. Nec etiam potest dici, quod salventur in fide parentum, quia quandoque parentes sunt infideles, et sic magis per eorum infidelitatem damnarentur. Ergo videtur, quod pueri non possint baptizari.

2. Het doopsel is, zooals in de 85e Kw. 1e art. gezegd wordt, het sacrament van het geloof. Welnu, kinderen hebben geen geloof; naar wat St. Augustinus in zijn 26e Traktaat op Johannes en in het « Boek der Voorbeschikking » C. 5 zegt, hangt immers het geloof van de vrije wilsbeschikking der geloovigen af. Het gaat evenmin aan te zeggen dat ze door het geloof der ouders verlost worden; meermalen toch zijn de ouders ongeloovig zoodat om dit ongeloof de kinderen nog meer zouden verworpen worden. Zoo mogen dan kinderen niet gedoopt worden.2. Het doopsel is, zoals in de 85e Kw. 1e art. gezegd wordt, het sacrament van het geloof. Welnu, kinderen hebben geen geloof; naar wat St. Augustinus in zijn 26e Traktaat op Johannes en in het “Boek van de Voorbeschikking” C. 5 zegt, hangt immers het geloof van de vrije wilsbeschikking van de gelovigen af. Het gaat evenmin aan te zeggen dat ze door het geloof van de ouders verlost worden; meermalen toch zijn de ouders ongelovig zodat om dit ongeloof de kinderen nog meer zouden verworpen worden. Zo mogen dan kinderen niet gedoopt worden.

antwoord 3 ↓

3103. Praeterea, 1. Petr. 3 [v. 21] dicitur, quod « homines salvos facit baptisma, non carnis depositio sordium, sed conscientiae bonae interrogatio in Deum ». Sed pueri neque conscientiam habent bonam vel malam, cum non habeant usum rationis; neque etiam convenienter ipsi interrogantur, cum non intelligant. Non ergo pueri debent baptizari.

3103. St. Petrus zegt in zijn Eersten Brief (3, 21) : « Het doopsel, niet het wasschen van de onreinheid van het vleesch maar wel de bede tot God om een goed geweten, redt de menschen. » Kinderen nu hebben noch een goed noch een slecht geweten, ze hebben immers niet het gebruik van het verstand, en, daar ze niet verstaan, zoo gaat het ook niet aan ze te ondervragen. Zoo moeten kinderen dus niet gedoopt worden.3103. St. Petrus zegt in zijn Eersten Brief (3, 21): “Het doopsel, niet het wassen van de onreinheid van het vlees maar wel de bede tot God om een goed geweten, redt de mensen.” Kinderen nu hebben noch een goed noch een slecht geweten, ze hebben immers niet het gebruik van het verstand, en, daar ze niet verstaan, zo gaat het ook niet aan ze te ondervragen. Zo moeten kinderen dus niet gedoopt worden.

Sed contra est, quod Dionysius dicit ult. cap. Eccl. Hierarch. [Part. 3, § 11] : « Divini nostri duces (scilicet Apostoli) probaverunt infantes recipi ad baptismum ».

Daartegenover staat echter dat Dionysius in zijn kerkelijke Hierarchie (C. 7) zegt : Onze goddelijke leiders, de apostelen, nl. hebben goedgekeurd dat kinderen zouden ten doop gedragen worden.Daartegenover staat echter dat Dionysius in zijn kerkelijke Hierarchie (C. 7) zegt: Onze goddelijke leiders, de apostelen, nl. hebben goedgekeurd dat kinderen zouden ten doop gedragen worden.

Respondeo dicendum, quod, sicut Apostolus dicit Rom. [v. 17] : « Si unius delicto mors regnavit per unum (scilicet per Adam), multo magis abundantiam gratiae et donationis et justitiae accipientes, in vita regnabunt per unum Jesum Christum ». Pueri autem ex peccato Adae peccatum originale contrahunt, quod patet ex hoc, quod sunt mortalitati 311subjecti, quae per peccatum primi hominis in omnes pertransiit, ut Apostolus ibidem dicit [v. 12.]. Unde multo magis pueri possunt per Christum gratiam accipere, ut regnent in vita aeterna. Ipse autem Dominus dicit Joan. 3. [v. 5] quod nisi quis renatus fuerit ex aqua et Spiritu Sancto, non potest introire in regnum Dei. Unde necessarium fuit pueros baptizari, ut a pueritia nutriti in his, quae sunt christianae vitae, firmius in ea perseverent, secundum illud Proverb. 22. [v. 6] : Adolescens juxta viam suam, etiam cum senuerit, non recedet ab ea; et hanc rationem assignat Dionysius ult cap. Eccl. Hierarc.

Leerstelling. — St. Paulus zegt in zijn Brief aan de Romeinen (5, 17) : « Indien immers door de schuld van éénen de dood om dien eenen, t. t. z. om Adam geheerscht heeft, dan zullen veel meer zij die de overvloedige genade en gave der gerechtigheid gekregen hebben, door den éénen Jezus-Christus in het leven heerschen. » Kinderen nu betrekken van de zonde van Adam, de erfzonde; dit blijkt toch uit het feit dat ze aan den dood die, zooals de apostel op dezelfde plaats zegt, door de zonde van 311den eersten mensch over alle menschen gekomen is, onderworpen zijn. Zoo kunnen kinderen dus nog veel meer door Christus de genade erlangen om in het eeuwige leven te heerschen. Jezus-Christus immers zelf zegt bij Joannes (3, 5) : « Indien iemand niet uit water en den H. Geest wordt wedergeboren dan kan hij het rijk Gods niet binnengaan. » Daarom is het wel noodig kinderen te doopen, opdat ze zooals ze door de schuld van Adam wanneer ze geboren werden, een veroordeeling opliepen, evenzoo door Christus, wanneer ze worden wedergeboren, de zaligheid zouden erlangen. Verder is het nog goed hun het doopsel toe te dienen opdat ze, in hun kinderjaren in het christelijke leven opgevoed, overeenkomstig die woorden uit het Boek der Spreuken (22, 6) « De jongeling volgt zijn eigen weg en zelfs als hij oud wordt, laat hij zich niet afleiden », later te beter zouden volharden. Die reden ook laat Dionysius in zijn Kerkelijke Hierarchie (7 c.) gelden.Leerstelling. — St. Paulus zegt in zijn Brief aan de Romeinen (5, 17): “Indien immers door de schuld van één de dood om die ene, t. t. z. om Adam geheerst heeft, dan zullen veel meer zij die de overvloedige genade en gave van de gerechtigheid gekregen hebben, door de éne Jezus-Christus in het leven heersen.” Kinderen nu betrekken van de zonde van Adam, de erfzonde; dit blijkt toch uit het feit dat ze aan de dood die, zoals de apostel op dezelfde plaats zegt, door de zonde van 311de eerste mens over alle mensen gekomen is, onderworpen zijn. Zo kunnen kinderen dus nog veel meer door Christus de genade erlangen om in het eeuwige leven te heersen. Jezus-Christus immers zelf zegt bij Johannes (3, 5): “Indien iemand niet uit water en de H. Geest wordt wedergeboren dan kan hij het rijk Gods niet binnengaan.” Daarom is het wel nodig kinderen te dopen, opdat ze zoals ze door de schuld van Adam wanneer ze geboren werden, een veroordeling opliepen, evenzo door Christus, wanneer ze worden wedergeboren, de zaligheid zouden erlangen. Verder is het nog goed hun het doopsel toe te dienen opdat ze, in hun kinderjaren in het christelijke leven opgevoed, overeenkomstig die woorden uit het Boek van de Spreuken (22, 6) “De jongeling volgt zijn eigen weg en zelfs als hij oud wordt, laat hij zich niet afleiden”, later te beter zouden volharden. Die reden ook laat Dionysius in zijn Kerkelijke Hierarchie (7 c.) gelden.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod regeneratio spiritualis, quae fit per baptismum, est quodammodo similis nativitati carnali, quantum ad hoc, quod sicut pueri in maternis uteris constituti non per seipsos nutrimentum accipiunt, sed ex nutrimento matris sustentantur, ita etiam pueri nondum 312habentes usum rationis, quasi in utero matris Ecclesiae constituti, non per seipsos, sed per actum Ecclesiae salutem suscipiunt. Unde Augustinus dicit in libro 1. de Peccatorum meritis et remissione : « Mater Ecclesia os maternum parvulis praebet, ut sacris mysteriis imbuantur, quia nondum possunt corde proprio credere ad justitiam, nec ore proprio confiteri ad salutem » [Cap. 25.]. « Si autem propterea recte fideles vocantur, quoniam fidem per verba gestantium quodammodo profitentur, cur etiam non poenitentes habeantur, cum per eorumdem verba gestantium, diabolo et huic saeculo abrenuntiare monstrentur? » [Cap. 19]. Et eadem ratione possunt dici intendentes, non per actum propriae intentionis, cum ipsi quandoque contranitantur et plorent, sed per actum eorum, a quibus offeruntur.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De geestelijke wedergeboorte door het doopsel valt in een zekeren zin bij de geboorte naar het vleesch te vergelijken; zooals immers kinderen die in de baarmoeder verblijven door zichzelf geen voedsel kunnen innemen maar door het voedsel van de moeder in het leven 312behouden worden, zoo ook worden kinderen die nog geen gebruik kunnen maken van hun verstandelijke vermogens, in de baarmoeder der heilige Kerk opgenomen en erlangen de zaligheid niet door zich zelf, maar door een daad van de heilige Kerk. Daarover zegt St. Augustinus in zijn Boek : « De vergiffenis der zondaars en hun verdienste » (1, 25) het volgende : « Onze Moeder de heilige Kerk geeft aan de kleine kinderen haar moederlijken mond om ze met de heilige geheimen vertrouwd te maken; met hun eigen hart kunnen ze immers nog niet tot hun rechtvaardigmaking gelooven, noch met hun eigen mond hun geloof tot hun zaligheid belijden. » — Indien ze dus terecht geloovigen genoemd worden omdat ze door de menschen die ze dragen eenigermate het geloof belijden, waarom zouden ze dan niet evenzeer mogen, wanneer degenen die ze dragen getuigen dat ze aan Satan en de wereld verzaken; als berouwhebbend aanzien worden? Om dezelfde reden dan mag men zeggen dat ze, niet door een daad van hun eigen vrijen wil — ze spartelen immers wel eens tegen en schreeuwen — maar door de daad van die menschen die ze ten doopsel dragen, het opzet hebben het doopsel te ontvangen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De geestelijke wedergeboorte door het doopsel valt in een zekeren zin bij de geboorte naar het vlees te vergelijken; zoals immers kinderen die in de baarmoeder verblijven door zichzelf geen voedsel kunnen innemen maar door het voedsel van de moeder in het leven 312behouden worden, zo ook worden kinderen die nog geen gebruik kunnen maken van hun verstandelijke vermogens, in de baarmoeder van de heilige Kerk opgenomen en erlangen de zaligheid niet door zichzelf, maar door een daad van de heilige Kerk. Daarover zegt St. Augustinus in zijn Boek: “De vergiffenis van de zondaars en hun verdienste” (1, 25) het volgende: “Onze Moeder de heilige Kerk geeft aan de kleine kinderen haar moederlijken mond om ze met de heilige geheimen vertrouwd te maken; met hun eigen hart kunnen ze immers nog niet tot hun rechtvaardigmaking geloven, noch met hun eigen mond hun geloof tot hun zaligheid belijden.” — Indien ze dus terecht gelovigen genoemd worden omdat ze door de mensen die ze dragen enigermate het geloof belijden, waarom zouden ze dan niet evenzeer mogen, wanneer degenen die ze dragen getuigen dat ze aan Satan en de wereld verzaken; als berouwhebbend aanzien worden? Om dezelfde reden dan mag men zeggen dat ze, niet door een daad van hun eigen vrijen wil — ze spartelen immers wel eens tegen en schreeuwen — maar door de daad van die mensen die ze ten doopsel dragen, het opzet hebben het doopsel te ontvangen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod, sicut Augustinus scribens Bonifacio [lib. 1. contr. duas epist. Pelag. cap. 22.] dicit, « in Ecclesia Salvatoris 313parvuli per alios credunt, sicut ex aliis quae in baptismo remittuntur peccata traxerunt ». Nec impeditur eorum salus, si parentes sint infideles, quia, sicut Augustinus dicit eidem Bonifacio scribens [epist. 23.], « offeruntur parvuli ad percipiendam spiritualem gratiam, non tam ab eis, quorum gestantur manibus (quamvis et ab ipsis, si et ipsi boni fideles sunt), quam ab universa societate sanctorum atque fidelium. Ab omnibus namque offerri recte intelliguntur, quibus placet quod offeruntur, et quorum charitate ad communionem Sancti Spiritus adjunguntur ». Infidelitas autem propriorum parentum, etiamsi eos post baptismum daemoniorum sacrificiis imbuere conentur, pueris non nocet, quia, ut Augustinus ibid. dicit, « puer semel generatus per aliorum voluntatem, deinceps non potest vinculo alienae iniquitatis obstringi, ubi nulla sua voluntate consentit, secundum illud Ezech. 18 [v. 4] : Sicut anima patris mea est, ita et anima filii; anima quae peccaverit, ipsa morietur. Sed ideo ex Adam traxit, quod sacramenti illius 314gratia solveretur, quia nondum erat anima separatim vivens ». Fides autem unius, immo totius Ecclesiae, parvulo prodest per operationem Spiritus Sancti, qui unit Ecclesiam, et bona unius alteri communicat.

2. St. Augustinus schrijft aan bisschop Bonifacius (Tegen twee brieven van Pelagius, 1, 22) : « In de kerk van den Verlosser gelooven de kinderen door anderen, zooals hun ook zonden 313vergeven worden die door anderen over hen werden gebracht. » Zijn nu hun ouders ongeloovig, dan staat zulks hun zaligheid niet in den weg; zooals immers Augustinus in dienzelfden Brief zegt : « De kinderen worden om de geestelijke genade te ontvangen, niet zoozeer door diegenen die ze in hun handen dragen, aangeboden, — hoewel ook dezen het wanneer ze geloovig zijn, doen, — als wel door de heele gemeenschap van de heiligen en geloovigen. » — Men mag immers zeggen dat ze waarlijk door al degenen die er mede instemmen en die door hun liefde aan de mededeeling van den heiligen Geest deelhebben worden aangeboden. Het ongeloof der eigen ouders integendeel kan, zelfs indien ze na het doopsel het kind trachten te doen deel hebben aan de offergave der duivelen, aan het kind geen schade berokkenen; immers Augustinus hier nog eens zegt : « Kan het kind wanneer het eens door den wil van anderen werd wedergeboren, niet naderhand zoolang het niet door eigen wil daarmede instemt, door de handen van andermans zonden gebonden worden? » Daarom zegt dan ook Ezechiël (18, 4) : « Zooals de ziel van den vader me toebehoort, zoo ook de ziel van den zoon, maar de ziel die zal gezondigd hebben zal sterven. » — Wat bijgevolg het kind van Adam heeft overgeërfd wordt, omdat het kind nog geen afzonderlijk levende ziel was, door de genade van dit sacrament weggewasschen. 314Integendeel komt het geloof van één enkele en nog veel meer het geloof van de heele Kerk door de werking van den heiligen Geest die de ledematen van de Kerk onderling verbindt en de goederen van de eenen aan de anderen mededeelt, hier het kleine kind ten goede.2. St. Augustinus schrijft aan bisschop Bonifacius (Tegen twee brieven van Pelagius, 1, 22): “In de kerk van de Verlosser geloven de kinderen door anderen, zoals hun ook zonden 313vergeven worden die door anderen over hen werden gebracht.” Zijn nu hun ouders ongelovig, dan staat zulks hun zaligheid niet in de weg; zoals immers Augustinus in dienzelfden Brief zegt: “De kinderen worden om de geestelijke genade te ontvangen, niet zozeer door diegenen die ze in hun handen dragen, aangeboden, — hoewel ook deze het wanneer ze gelovig zijn, doen, — als wel door de hele gemeenschap van de heiligen en gelovigen.” — Men mag immers zeggen dat ze waarlijk door al degenen die er mede instemmen en die door hun liefde aan de mededeling van de heilige Geest deelhebben worden aangeboden. Het ongeloof van de eigen ouders integendeel kan, zelfs indien ze na het doopsel het kind trachten te doen deel hebben aan de offergave van de duivelen, aan het kind geen schade berokkenen; immers Augustinus hier nog eens zegt: “Kan het kind wanneer het eens door de wil van anderen werd wedergeboren, niet naderhand zolang het niet door eigen wil daarmede instemt, door de handen van andermans zonden gebonden worden?” Daarom zegt dan ook Ezechiël (18, 4): “Zoals de ziel van de vader me toebehoort, zo ook de ziel van de zoon, maar de ziel die zal gezondigd hebben zal sterven.” — Wat bijgevolg het kind van Adam heeft overgeërfd wordt, omdat het kind nog geen afzonderlijk levende ziel was, door de genade van dit sacrament weggewassen. 314Integendeel komt het geloof van één enkele en nog veel meer het geloof van de hele Kerk door de werking van de heilige Geest die de ledematen van de Kerk onderling verbindt en de goederen van de ene aan de anderen mededeelt, hier het kleine kind ten goede.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod sicut puer, cum baptizatur, non per seipsum, sed per alios credit, ita non per seipsum, sed per alios interrogatur; et interrogati confitentur fidem Ecclesiae in persona pueri, qui huic fidei aggregatur per fidei sacramentum. Conscientiam autem bonam consequitur puer etiam in seipso, non quidem actu, sed habitu per gratiam justificantem.

3. Zooals het kind, wanneer het gedoopt wordt, niet door zichzelf maar door anderen gelooft, zoo ook wordt het niet zelf ondervraagd, maar worden het anderen. Ondervraagd belijden zij dan in de plaats van het kind, dat door het sacrament van het geloof aan dit geloof deelachtig is, hun geloof in de Kerk. Wat nu een goed geweten betreft, dit ontvangt het kind niet voor zich als een daad, maar wel dank zij de heiligmakende genade als een hebbelijkheid.3. Zoals het kind, wanneer het gedoopt wordt, niet door zichzelf maar door anderen gelooft, zo ook wordt het niet zelf ondervraagd, maar worden het anderen. Ondervraagd belijden zij dan in de plaats van het kind, dat door het sacrament van het geloof aan dit geloof deelachtig is, hun geloof in de Kerk. Wat nu een goed geweten betreft, dit ontvangt het kind niet voor zich als een daad, maar wel dank zij de heiligmakende genade als een hebbelijkheid.

Articulus X

Utrum pueri judaeorum vel aliorum infidelium sint invitis parentibus baptizandi

[2-2. q. 10. art. 12. et Quodl. 2. art. 7. et 11. corp.]
Xe Artikel

Behooren joodsche kinderen en kinderen van andere ongeloovigen tegen den wil van hun ouders in gedoopt te worden?Behoren Joodse kinderen en kinderen van andere ongelovigen tegen de wil van hun ouders in gedoopt te worden?

antwoord 1 ↓

Ad decimum sic proceditur. Videtur, quod pueri Judaeorum vel aliorum infidelium sint baptizandi etiam invitis parentibus. Magis enim debet 315homini subveniri contra periculum mortis aeternae, quam contra periculum mortis temporalis. Sed puero in periculo mortis temporalis existenti est subveniendum, etiamsi parentes per malitiam contraniterentur. Ergo multo magis est subveniendum pueris infidelium filiis per baptismum contra periculum mortis aeternae, etiam invitis parentibus.

Bedenkingen. — Kinderen van joden en van andere ongeloovigen ook tegen den wil van hun ouders in dienen gedoopt te 315worden. — 1. Een mensch dient meer tegen gevaar voor eeuwigen dood dan wel tegen gevaar voor lichamelijken dood te worden toegerust. Welnu kinderen die in gevaar verkeeren te sterven moet men zelfs dan als hun ouders tegenstribbelen ter hulp komen. Zoo moet men dus nog veel meer, om ze zelfs als hun ouders niet willen, uit het gevaar voor eeuwigen dood te redden, kinderen van ongeloovigen door het doopsel ter hulp komen.Bedenkingen. — Kinderen van joden en van andere ongelovigen ook tegen de wil van hun ouders in dienen gedoopt te 315worden. — 1. Een mens dient meer tegen gevaar voor eeuwigen dood dan wel tegen gevaar voor lichamelijke dood te worden toegerust. Welnu kinderen die in gevaar verkeren te sterven moet men zelfs dan als hun ouders tegenstribbelen ter hulp komen. Zo moet men dus nog veel meer, om ze zelfs als hun ouders niet willen, uit het gevaar voor eeuwigen dood te redden, kinderen van ongelovigen door het doopsel ter hulp komen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, filii servorum sunt servi, et in potestate dominorum. Sed Judaei sunt servi et regnum et principum, et quicumque etiam alii infideles. Ergo absque omni injuria possunt principes filios Judaeorum vel aliorum servorum infidelium facere baptizari.

2. Kinderen van slaven zijn insgelijks slaven en staan tot beschikking van hun meesters. Welnu de joden en alle andere ongeloovigen zijn de slaven van koningen en prinsen. Zoo mogen dus prinsen zonder rechtsverkrachting de kinderen van joden en andere ongeloovigen laten doopen.2. Kinderen van slaven zijn insgelijks slaven en staan tot beschikking van hun meesters. Welnu de joden en alle andere ongelovigen zijn de slaven van koningen en prinsen. Zo mogen dus prinsen zonder rechtsverkrachting de kinderen van joden en andere ongelovigen laten dopen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, quilibet homo est magis Dei, a quo habet animam, quam patris carnalis, a quo habet corpus. Non est ergo injustum, si pueri infidelium filii parentibus carnalibus auferantur, et Deo per baptismum consecrentur.

3. God van Wien hij zijn ziel ontving behoort de mensch meer toe dan wel zijn vader naar het vleesch van wien hij zijn lichaam ontving. Zoo is het dus niet onrechtvaardig kinderen van ongeloovigen van hun ouders af te zonderen en God door het doopsel toe te wijden.3. God van Wie hij zijn ziel ontving behoort de mens meer toe dan wel zijn vader naar het vlees van wie hij zijn lichaam ontving. Zo is het dus niet onrechtvaardig kinderen van ongelovigen van hun ouders af te zonderen en God door het doopsel toe te wijden.

Sed contra est, quod in Decret. dist. 45. [cap. 5.] ex Concil. Toletano [scilicet 4., can. 57.] sic dicitur : « De Judaeis praecipit sancta 316Synodus, nemini deinceps ad credendum vim inferre; non enim tales inviti salvandi sunt, sed volentes, ut integra sit forma justitiae ».

Daartegenover staat echter wat in de Decretaliën (45, 5) gezegd wordt en uit bepalingen van de kerkvergadering van Toulouse (4, 57) genomen werd : « De Synode schrijft voor voortaan 316niemand meer tot het geloof te dwingen; wanneer immers iemand niet wil kan hij ook niet zalig worden. Maar opdat hij volkomen rechtvaardig zou gemaakt worden is zijn toestemming van noode. »Daartegenover staat echter wat in de Decretaliën (45, 5) gezegd wordt en uit bepalingen van de kerkvergadering van Toulouse (4, 57) genomen werd: “De Synode schrijft voor voortaan 316niemand meer tot het geloof te dwingen; wanneer immers iemand niet wil kan hij ook niet zalig worden. Maar opdat hij volkomen rechtvaardig zou gemaakt worden is zijn toestemming van node.”

Respondeo dicendum, quod pueri infidelium filii aut habent usum rationis, aut non habent. Si autem habent, jam quantum ad ea quae sunt juris divini vel naturalis, incipiunt suae potestatis esse, et ideo propria voluntate, invitis parentibus, possunt baptismum suscipere, sicut et matrimonium contrahere, et ideo tales licite moneri possunt, et induci ad suscipiendum baptismum. Si vero nondum habent usum liberi arbitrii, secundum jus naturale sunt sub cura parentum, quamdiu ipsi sibi providere non possunt; unde etiam de pueris antiquorum dicitur, quod salvabantur in fide parentum. Et ideo contra justitiam naturalem esset, si tales pueri invitis parentibus baptizarentur, sicut etiam si aliquis habens usum rationis baptizaretur invitus. Esset etiam periculosum taliter filios infidelium baptizare, quia de 317facili ad infidelitatem redirent, propter naturalem affectum ad parentes. Et ideo non habet hoc Ecclesiae consuetudo, quod filii infidelium invitis parentibus baptizentur.

Leerstelling. — Ofwel hebben kinderen van ongeloovigen het gebruik der rede, ofwel hebben zij het niet. Hebben ze het gebruik van hun verstand, dan beginnen ze in alles wat het Goddelijke Recht of het natuurrecht betreft hun eigen meester te zijn, en mogen dan ook indien ze willen zelfs tegen den wil van hun ouders in, gedoopt worden zooals ze ten andere ook een huwelijk mogen aangaan. Daarom is het geoorloofd zulke kinderen over het doopsel te onderhouden en ze ertoe aan te zetten. — Hebben ze integendeel het gebruik van hun vrijen wil niet, dan blijven ze overeenkomstig het natuurrecht zoolang ze voor zichzelf niet kunnen instaan, onder de leiding van hun ouders, en daarom wordt gezegd dat onder de oude wet de kinderen door het geloof van hun ouders zalig worden. Zoo ware het dan een vergrijp aan het natuurrecht, moesten zulke kinderen ook als hun ouders er zich tegen verzetten gedoopt worden, net zooals het tegen het natuurrecht indruischt iemand die het gebruik van zijn verstand heeft hoewel hij niet wil te doopen. Het zou overigens gevaarlijk zijn op dergelijke wijze de kinderen van ongeloovigen te doopen; zoo 317gemakkelijk toch kunnen ze uit liefde tot hun ouders tot het ongeloof terugkeeren. Het is dan ook in de heilige Kerk niet de gewoonte, kinderen, wanneer hun ouders zulks niet willen, te doopen.Leerstelling. — Ofwel hebben kinderen van ongelovigen het gebruik van de rede, ofwel hebben zij het niet. Hebben ze het gebruik van hun verstand, dan beginnen ze in alles wat het Goddelijke Recht of het natuurrecht betreft hun eigen meester te zijn, en mogen dan ook indien ze willen zelfs tegen de wil van hun ouders in, gedoopt worden zoals ze ten andere ook een huwelijk mogen aangaan. Daarom is het geoorloofd zulke kinderen over het doopsel te onderhouden en ze ertoe aan te zetten. — Hebben ze integendeel het gebruik van hun vrijen wil niet, dan blijven ze overeenkomstig het natuurrecht zolang ze voor zichzelf niet kunnen instaan, onder de leiding van hun ouders, en daarom wordt gezegd dat onder de oude wet de kinderen door het geloof van hun ouders zalig worden. Zo ware het dan een vergrijp aan het natuurrecht, moesten zulke kinderen ook als hun ouders er zich tegen verzetten gedoopt worden, net zoals het tegen het natuurrecht indruist iemand die het gebruik van zijn verstand heeft hoewel hij niet wil te dopen. Het zou overigens gevaarlijk zijn op dergelijke wijze de kinderen van ongelovigen te dopen; zo 317gemakkelijk toch kunnen ze uit liefde tot hun ouders tot het ongeloof terugkeren. Het is dan ook in de heilige Kerk niet de gewoonte, kinderen, wanneer hun ouders zulks niet willen, te dopen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod a morte corporali non est aliquis eripiendus contra ordinem juris civilis, puta si aliquis a suo judice condemnetur ad mortem, nullus debet eum violenter a morte eripere; unde nec aliquis debet irrumpere ordinem juris naturae, quo filius est sub cura patris, ut eum liberet a periculo mortis aeternae.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Voor den dood van het lichaam moet niemand tegen de burgerlijke wet in bevrijd worden; zoo bij voorbeeld moet niemand, wanneer een ander door den rechter ter dood veroordeeld wordt, deze met geweld aan den dood zoeken te onttrekken. Om dezelfde reden nu moet niemand om een kind, wanneer het nog onder de hoede van zijn vader staat, voor het gevaar van den eeuwigen dood te bevrijden, de orde van de natuurwet stooren.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Voor de dood van het lichaam moet niemand tegen de burgerlijke wet in bevrijd worden; zo bij voorbeeld moet niemand, wanneer een ander door de rechter ter dood veroordeeld wordt, deze met geweld aan de dood zoeken te onttrekken. Om dezelfde reden nu moet niemand om een kind, wanneer het nog onder de hoede van zijn vader staat, voor het gevaar van de eeuwige dood te bevrijden, de orde van de natuurwet storen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod Judaei sunt servi principum servitute civili, quae non excludit ordinem juris naturalis vel divini.

2. De joden zijn uit kracht van de burgerlijke wet de slaven van prinsen, maar deze sluit het natuurrecht niet uit.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod homo ordinatur ad Deum per rationem, per quam Deum cognoscere potest; unde puer, antequam usum rationis habeat, naturali ordine ordinatur in Deum per rationem parentum quorum curae naturaliter subjacet; et secundum eorum dispositionem sunt circa ipsum divina agenda.

3. De mensch is door zijn verstand waardoor hij God kan kennen naar God gekeerd. Daarom dan is het kind vooraleer het zijn verstand kan gebruiken, en dit uit kracht van de natuurwet, door bemiddeling van zijn ouders naar God gekeerd; aan de zorg van zijn ouders immers werd het toevertrouwd en naar zij bepalen dienen voor het kind alle godsdienstige aangelegenheden geregeld.3. De mens is door zijn verstand waardoor hij God kan kennen naar God gekeerd. Daarom dan is het kind vooraleer het zijn verstand kan gebruiken, en dit uit kracht van de natuurwet, door bemiddeling van zijn ouders naar God gekeerd; aan de zorg van zijn ouders immers werd het toevertrouwd en naar zij bepalen dienen voor het kind alle godsdienstige aangelegenheden geregeld.

Articulus XI

Utrum pueri in maternis uteris positi sint baptizandi

[4. Dist. 6. q. 1. art. 1. q. 1. et Dist. 23. q. 2. art. 8. q. 1. et 2,]
XIe Artikel

Behooren sommige kinderen niet wanneer ze nog in de baarmoeder zijn gedoopt te worden?Behoren sommige kinderen niet wanneer ze nog in de baarmoeder zijn gedoopt te worden?

antwoord 1 ↓

318Ad undecimum sic proceditur. Videtur, quod pueri in maternis uteris existentes possint baptizari. Efficacius enim est donum Christi ad salutem, quam peccatum Adae ad damnationem, ut Apostolus dicit Rom. 5. [vv. 15 sqq.]. Sed pueri in maternis uteris damnantur propter peccatum Adae. Ergo multo magis salvari possunt per donum Christi, quod quidem fit per baptismum. Ergo pueri in maternis uteris existentes possunt baptizari.

318Bedenkingen. — Men beweert dat kinderen wanneer ze nog in de baarmoeder zijn mogen gedoopt worden. — 1. De apostel zegt in den Brief aan de Romeinen (5, 15) : « De genadegift van Christus heeft meer tot de zaligheid, dan de zonde van Adam tot de veroordeeling bijgedragen. » Welnu de kinderen worden, wanneer ze nog in den schoot van hun moeder verblijven, om de zonde van Adam veroordeeld. Zoo kunnen ze dus nog veel eerder door de genadegift van Christus verlost worden, en dit geschiedt door het doopsel. De kinderen die nog in den schoot van hun moeder verblijven mogen dus gedoopt worden.318Bedenkingen. — Men beweert dat kinderen wanneer ze nog in de baarmoeder zijn mogen gedoopt worden. — 1. De apostel zegt in de Brief aan de Romeinen (5, 15): “De genadegift van Christus heeft meer tot de zaligheid, dan de zonde van Adam tot de veroordeling bijgedragen.” Welnu de kinderen worden, wanneer ze nog in de schoot van hun moeder verblijven, om de zonde van Adam veroordeeld. Zo kunnen ze dus nog veel eerder door de genadegift van Christus verlost worden, en dit geschiedt door het doopsel. De kinderen die nog in de schoot van hun moeder verblijven mogen dus gedoopt worden.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, puer in utero matris existens aliquid matris esse videtur. Sed baptizata matre, baptizatur quidquid est ejus intra ipsam existens. Ergo videtur, quod, baptizata matre, baptizetur puer in utero ejus existens.

2. Zoolang een kind in den schoot van zijn moeder blijft is het iets van zijn moeder. Welnu als de moeder gedoopt wordt wordt ook alles wat in haar is gedoopt. Zoo wordt dus het kind dat in den schoot van zijn moeder verblijft, wanneer zijn moeder gedoopt wordt, zelf insgelijks gedoopt.2. Zolang een kind in de schoot van zijn moeder blijft is het iets van zijn moeder. Welnu als de moeder gedoopt wordt wordt ook alles wat in haar is gedoopt. Zo wordt dus het kind dat in de schoot van zijn moeder verblijft, wanneer zijn moeder gedoopt wordt, zelf insgelijks gedoopt.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, mors aeterna pejor est, quam mors corporalis. Sed de 319duobus malis minus malum est eligendum. Si ergo puer in utero matris existens baptizari non potest, melius esset quod mater aperiretur, et puer vi eductus baptizaretur, quam quod puer aeternaliter damnaretur, absque baptismo decedens.

3. De eeuwige dood is erger dan de dood van het lichaam. 319Welnu tusschen twee kwalen dient de minst erge gekozen. Indien dus het kind in den schoot van zijn moeder niet mocht gedoopt worden, dan ware het beter de moeder open te snijden en het kind met geweld uit de baarmoeder te halen en te doopen, dan het kind, omdat het zonder doopsel stierf, voor eeuwig te laten verdoemen.3. De eeuwige dood is erger dan de dood van het lichaam. 319Welnu tussen twee kwalen dient de minst erge gekozen. Indien dus het kind in de schoot van zijn moeder niet mocht gedoopt worden, dan ware het beter de moeder open te snijden en het kind met geweld uit de baarmoeder te halen en te dopen, dan het kind, omdat het zonder doopsel stierf, voor eeuwig te laten verdoemen.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, contingit quandoque, quod aliqua pars pueri prius egreditur, sicut legitur Gen. 28. [v.v. 27. sqq.] quod pariente Tamar, in ipsa effusione infantium unus protulit manum, in qua obstetrix ligavit coccinum, dicens : Iste egredietur prior; illo vero manum retrahente, egressus est alter. Quandoque autem in tali casu imminet periculum mortis. Ergo videtur, quod illa pars debeat baptizari, puero adhuc in materno utero existente.

4. Het gebeurt soms dat één deel van het kind eerst te voorschijn treedt; zoo lezen we in het Boek der Schepping (38, 27) : « Wanneer Thamar moest baren, dan kwamen de kinderen te voorschijn, en de eene stak zijn hand uit waaraan de vroedvrouw een karmozijnen draad bond, zeggende : Deze zal het eerst te voorschijn treden. Maar toen deze de hand terugtrok kwam de andere te voorschijn. » — In zulke omstandigheden nu is er soms gevaar van sterven en zoo moet dan, zelfs wanneer het kind nog in den moederschoot verblijft, het deel van het lichaam dat te voorschijn komt gedoopt worden.4. Het gebeurt soms dat één deel van het kind eerst te voorschijn treedt; zo lezen we in het Boek van de Schepping (38, 27): “Wanneer Thamar moest baren, dan kwamen de kinderen te voorschijn, en de ene stak zijn hand uit waaraan de vroedvrouw een karmozijnen draad bond, zeggende: Deze zal het eerst te voorschijn treden. Maar toen deze de hand terugtrok kwam de andere te voorschijn.” — In zulke omstandigheden nu is er soms gevaar van sterven en zo moet dan, zelfs wanneer het kind nog in de moederschoot verblijft, het deel van het lichaam dat te voorschijn komt gedoopt worden.

Sed contra est, quod Augustinus dicit in epist. ad Dardanum [quae est 57, cap. 9.] : « Nemo renascitur, nisi primo nascatur ». Sed baptismus est quaedam spiritualis regeneratio. Non ergo debet aliquis baptizari, priusquam ex utero nascatur.

Daartegenover staat echter wat St. Augustinus in een Brief aan Dardanus zegt (287 epist.) : « Niemand kan vooraleer hij geboren werd wedergeboren worden. » Het doopsel nu is een geestelijke wedergeboorte. Zoo mag dus niemand vooraleer hij uit den schoot van zijn moeder te voorschijn kwam gedoopt worden.Daartegenover staat echter wat St. Augustinus in een Brief aan Dardanus zegt (287 epist.): “Niemand kan vooraleer hij geboren werd wedergeboren worden.” Het doopsel nu is een geestelijke wedergeboorte. Zo mag dus niemand vooraleer hij uit de schoot van zijn moeder te voorschijn kwam gedoopt worden.

320Respondeo dicendum, quod de necessitate baptismi est, quod corpus baptizandi aliquo modo aqua abluatur, cum baptismus sit quaedam ablutio, ut supra dictum est [q. 66. art. 1.]. Corpus autem infantis, antequam nascatur ex utero, non potest aliquo modo ablui aqua, nisi forte dicatur, quod ablutio baptismalis, qua corpus matris lavatur, ad filium in ventre existentem perveniat. Sed hoc esse non potest, tum quia anima pueri, ad cujus sanctificationem ordinatur baptismus, distincta est ab anima matris, tum quia corpus pueri animati jam est formatum, et per consequens a corpore matris distinctum, et ideo baptismus, quo mater baptizatur, non redundat in prolem in utero matris existentem; unde Augustinus dicit contra Julianum [lib. 6. cap. 14, N. 43] : « Si ad matris corpus id quod in ea concipitur pertinet, ita ut ejus pars imputetur, non baptizaretur infans, cujus mater baptizata est aliquo mortis urgente periculo, cum eum gestaret in utero. Nunc vero cum ipse etiam, scilicet infans, baptizetur, non utique 321ad maternum corpus, cum esset in utero, pertinebat ». Et ita relinquitur, quod nullo modo infantes in maternis uteris existentes baptizari possunt.

320Leerstelling. — Tot de geldigheid van het doopsel wordt vereischt dat het lichaam van den doopeling, zooals hierboven bewezen werd (66e Kw. 1e art.), op een of andere manier met water zou gewasschen worden. Welnu het lichaam van een kind kan niet vooraleer het uit den schoot van zijn moeder geboren werd met water gewasschen worden. Daartoe zou men immers moeten aannemen dat de doopwassching, waardoor het lichaam van de moeder gewasschen wordt, ook den zoon die in het lichaam van zijn moeder verblijft aanraakt. Dit is echter onmogelijk; de ziel van het kind toch, op wiens zaligheid het doopsel berekend werd, is van de ziel van de moeder onderscheiden, ja ook het lichaam van een levend kind is reeds gevormd, en is bijgevolg insgelijks van het lichaam van de moeder onderscheiden. Daarom dan kan het doopsel dat aan de moeder wordt toegediend niet op het kroost dat in haar schoot verblijft overgaan. In zijn Boek « Tegen Julianus » (6, 5) zegt Augustinus dan ook : « Indien wat de moeder in haar schoot ontvangt tot haar eigen lichaam behoorde en bijgevolg als een deel van haar eigen zelf beschouwd werd, dan zou het kind dat ze in den schoot draagt wanneer zijzelf reeds gedoopt is bij voorkomend levensgevaar niet gedoopt worden. Daar nu echter het kind wel gedoopt wordt, zoo behoort het, ook als het nog in den schoot der moeder is, niet tot de moeder. » Zoo moet 321dus besloten worden, dat kinderen die nog in den schoot der moeder verblijven in geenendeele mogen gedoopt worden.320Leerstelling. — Tot de geldigheid van het doopsel wordt vereist dat het lichaam van de dopeling, zoals hierboven bewezen werd (66e Kw. 1e art.), op een of andere manier met water zou gewassen worden. Welnu het lichaam van een kind kan niet vooraleer het uit de schoot van zijn moeder geboren werd met water gewassen worden. Daartoe zou men immers moeten aannemen dat de doopwassing, waardoor het lichaam van de moeder gewassen wordt, ook de zoon die in het lichaam van zijn moeder verblijft aanraakt. Dit is echter onmogelijk; de ziel van het kind toch, op wiens zaligheid het doopsel berekend werd, is van de ziel van de moeder onderscheiden, ja ook het lichaam van een levend kind is reeds gevormd, en is bijgevolg insgelijks van het lichaam van de moeder onderscheiden. Daarom dan kan het doopsel dat aan de moeder wordt toegediend niet op het kroost dat in haar schoot verblijft overgaan. In zijn Boek “Tegen Julianus” (6, 5) zegt Augustinus dan ook: ‘Indien wat de moeder in haar schoot ontvangt tot haar eigen lichaam behoorde en bijgevolg als een deel van haar eigen zelf beschouwd werd, dan zou het kind dat ze in de schoot draagt wanneer zijzelf reeds gedoopt is bij voorkomend levensgevaar niet gedoopt worden. Daar nu echter het kind wel gedoopt wordt, zo behoort het, ook als het nog in de schoot van de moeder is, niet tot de moeder.’ Zo moet 321dus besloten worden, dat kinderen die nog in de schoot van de moeder verblijven in geen dele mogen gedoopt worden.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod pueri in maternis uteris existentes nondum prodierunt in lucem, ut cum aliis hominibus vitam ducant; unde non possunt subjici actioni humanae, ut per eorum ministerium sacramenta recipiant ad salutem. Possunt tamen subjici operationi Dei, apud quem vivunt, ut quodam privilegio gratiae sanctificationem consequantur, sicut patet de sanctificatis in utero.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De kinderen die nog in den moederschoot verblijven zagen nog het levenslicht niet en leefden nog niet met andere menschen mede. Zoo kunnen ze dus den invloed van de menschen niet dermate ondergaan dat ze dank zij dezer bediening tot hun zaligheid zouden sacramenten ontvangen. Gods werking die, omdat God overal aanwezig is, overal kan ingrijpen kunnen ze integendeel wel ondergaan en, zooals uit het feit dat de menschen van den schoot hunner moeder af geheiligd werden blijkt, kunnen ze door een bijzonder voorrecht de heiligmakende genade erlangen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De kinderen die nog in de moederschoot verblijven zagen nog het levenslicht niet en leefden nog niet met andere mensen mede. Zo kunnen ze dus de invloed van de mensen niet dermate ondergaan dat ze dank zij van deze bediening tot hun zaligheid zouden sacramenten ontvangen. Gods werking die, omdat God overal aanwezig is, overal kan ingrijpen kunnen ze integendeel wel ondergaan en, zoals uit het feit dat de mensen van de schoot van hun moeder af geheiligd werden blijkt, kunnen ze door een bijzonder voorrecht de heiligmakende genade erlangen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod membrum interius matris est aliquid ejus per continuationem et unionem naturalem partis ad totum; puer autem in utero matris existens est aliquid ejus per quandam colligationem corporum distinctorum; unde non est similis ratio.

2. Een innerlijk orgaan van de moeder is iets dat haar door samenhang en door natuurlijke vereeniging van een deel met het geheel toebehoort; een kind integendeel dat in den schoot van de moeder verblijft behoort haar alleen toe zooals twee onderscheiden lichamen wanneer ze aan malkaar gehecht worden malkaar toebehooren. Zoo hebben we hier een ander geval.2. Een innerlijk orgaan van de moeder is iets dat haar door samenhang en door natuurlijke vereniging van een deel met het geheel toebehoort; een kind integendeel dat in de schoot van de moeder verblijft behoort haar alleen toe zoals twee onderscheiden lichamen wanneer ze aan malkaar gehecht worden malkaar toebehoren. Zo hebben we hier een ander geval.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod non sunt facienda mala ut veniant bona, ut dicitur Rom. 3. [v. 8]. Et ideo non debet homo occidere matrem, ut 322baptizet puerum. Si tamen mater mortua fuerit vivente prole in utero, debet aperiri, ut puer baptizetur.

3. Naar in den Brief aan de Romeinen (3, 8) staat, mag men het kwaad niet om goede gevolgen die het kan hebben bedrijven; zoo mag dus niemand om een kind te doopen de moeder dooden. 322Wanneer echter de moeder sterft en het kindje in haar schoot voortleeft dan moet men om het kindje te doopen haar opensnijden.3. Naar in de Brief aan de Romeinen (3, 8) staat, mag men het kwaad niet om goede gevolgen die het kan hebben bedrijven; zo mag dus niemand om een kind te dopen de moeder doden. 322Wanneer echter de moeder sterft en het kindje in haar schoot voortleeft dan moet men om het kindje te dopen haar opensnijden.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod expectanda est totalis egressio pueri ex utero ad baptismum, nisi mors immineat. Si tamen primo caput egrediatur, in quo fundantur omnes sensus, debet baptizari, periculo imminente; et non est postea rebaptizandus, si eum perfecte nasci contigerit. Et videtur idem faciendum, quaecumque alia pars egrediatur, periculo imminente. Quia tamen in nulla exteriorum partium integritas vitae ita consistit, sicut in capite, videtur quibusdam, quod propter dubium, quacumque alia parte corporis abluta, puer post perfectam nativitatem sit baptizandus sub hac forma : « Si non es baptizatus, ego te baptizo ».

4. Vooraleer het doopsel toe te dienen moet men, behalve in gevaar van sterven, wachten tot het kindje uit den moederschoot te voorschijn komt. Als nu het hoofd waar alle zintuigen in zetelen het eerst te voorschijn komt, dan moet het wanneer er gevaar dreigt gedoopt worden en dan dient het kind zelfs indien het daarna goed ter wereld komt, niet herdoopt te worden. [De vertaling van «Et videtur idem faciendum …» ontbreekt in de uitgave.] Omdat echter in geen enkel uiterlijk lichaamsdeel de volkomenheid van het leven zoo fel als in het hoofd aanwezig is, zijn sommigen om reden van twijfel de meening toegedaan dat, wanneer een ander deel van het lichaam gewasschen werd, het kindje, indien het naderhand toch zonder ongevallen ter wereld komt, onder dezen vorm : « Indien ge niet gedoopt zijt dan doop ik u », moet herdoopt worden.4. Vooraleer het doopsel toe te dienen moet men, behalve in gevaar van sterven, wachten tot het kindje uit de moederschoot te voorschijn komt. Als nu het hoofd waar alle zintuigen in zetelen het eerst te voorschijn komt, dan moet het wanneer er gevaar dreigt gedoopt worden en dan dient het kind zelfs indien het daarna goed ter wereld komt, niet herdoopt te worden. [De vertaling van “Et videtur idem faciendum …” ontbreekt in de uitgave.] Omdat echter in geen enkel uiterlijk lichaamsdeel de volkomenheid van het leven zo fel als in het hoofd aanwezig is, zijn sommigen om reden van twijfel de mening toegedaan dat, wanneer een ander deel van het lichaam gewassen werd, het kindje, indien het naderhand toch zonder ongevallen ter wereld komt, onder deze vorm: “Indien ge niet gedoopt zijt dan doop ik u”, moet herdoopt worden.

Articulus XII

Utrum furiosi et amentes debeant baptizari

[4. Dist. 4. q. 3. art. 1. q. 3. et Dist. 18. q. 1. art. 3. q. 1. corp, et Veri. q. 28. art. 3. ad 1.]
XIIe Artikel

Dienen razende en krankzinnige menschen gedoopt te worden?Dienen razende en krankzinnige mensen gedoopt te worden?

antwoord 1 ↓

323Ad duodecimum sic proceditur. Videtur, quod furiosi et amentes non debeant baptizari. [Het betoog van deze bedenking ontbreekt in de Latijnsche tekst van de uitgave.]

323Bedenkingen. — Men beweert dat razende en krankzinnige menschen niet dienen gedoopt te worden. — 1. Om het doopsel te ontvangen moet men, zooals hierboven gezegd werd (7e art.) het opzet hebben zich te laten doopen. Razende en krankzinnige menschen nu kunnen, daar ze het gebruik van hun verstand niet hebben, evenmin een behoorlijk opzet hebben. Zoo moeten ze dus niet gedoopt worden.323Bedenkingen. — Men beweert dat razende en krankzinnige mensen niet dienen gedoopt te worden. — 1. Om het doopsel te ontvangen moet men, zoals hierboven gezegd werd (7e art.) het opzet hebben zich te laten dopen. Razende en krankzinnige mensen nu kunnen, daar ze het gebruik van hun verstand niet hebben, evenmin een behoorlijk opzet hebben. Zo moeten ze dus niet gedoopt worden.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, homo bruta animalia superexcedit in hoc, quod habet rationem. Sed furiosi et amentes non habent usum rationis, et quandoque etiam in eis non expectatur, sicut expectatur in pueris. Ergo videtur, quod sicut bruta animalia non baptizantur, ita nec tales furiosi et amentes debeant baptizari.

2. De mensch overtreft de dieren alleen in zoover hij verstand heeft. Razenden en krankzinnigen nu hebben niet het gebruik van hun verstand en vaak kan niet zooals bij kinderen verwacht worden dat het nog zal komen. Zoo dienen dus razende en krankzinnige menschen evenmin als dieren gedoopt te worden.2. De mens overtreft de dieren alleen in zover hij verstand heeft. Razenden en krankzinnigen nu hebben niet het gebruik van hun verstand en vaak kan niet zoals bij kinderen verwacht worden dat het nog zal komen. Zo dienen dus razende en krankzinnige mensen evenmin als dieren gedoopt te worden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, magis est ligatus usus rationis in furiosis vel amentibus, quam in dormientibus. Sed baptismus non consuevit dari dormientibus. Ergo non debet dari amentibus et furiosis.

3. Bij razenden en krankzinnigen wordt het gebruik der rede meer gedwarsboomd dan bij slapenden, nochtans wordt over het algemeen het doopsel niet aan slapenden toegediend. Zoo behoort het dus evenmin aan razenden en krankzinnigen gegeven te worden.3. Bij razenden en krankzinnigen wordt het gebruik van de rede meer gedwarsboomd dan bij slapenden, nochtans wordt over het algemeen het doopsel niet aan slapende toegediend. Zo behoort het dus evenmin aan razenden en krankzinnigen gegeven te worden.

324Sed contra est, quod Augustinus dicit 4. Conf. [cap. 4.] de amico suo, qui « cum desperaretur, baptizatus est nesciens », et tamen baptismus in eo efficaciam habuit. Ergo carentibus usu rationis aliquando baptismus dari debet.

324Daartegenover staat echter wat St. Augustinus in zijn Belijdenissen zegt (4, 4) : « Een van mijn vrienden werd gedurende zijn ziekte wanneer er geen hoop meer was dat hij zou herstellen zonder dat hij het zelf wist gedoopt en niettemin had dit doopsel zijn uitwerking. » Soms mag dus het doopsel aan menschen die niet het gebruik der reden hebben worden toegediend.324Daartegenover staat echter wat St. Augustinus in zijn Belijdenissen zegt (4, 4): “Een van mijn vrienden werd gedurende zijn ziekte wanneer er geen hoop meer was dat hij zou herstellen zonder dat hij het zelf wist gedoopt en niettemin had dit doopsel zijn uitwerking.” Soms mag dus het doopsel aan mensen die niet het gebruik van de reden hebben worden toegediend.

Respondeo dicendum, quod circa amentes et furiosos est distinguendum : quidam enim sunt a nativitate tales, nulla habentes lucida intervalla, in quibus etiam nullus usus rationis apparet; et de talibus, quantum ad baptismi susceptionem, videtur esse idem judicium et de pueris, qui baptizantur in fide Ecclesiae, ut supra dictum est [art. 9. huj. q.]. Alii vero sunt amentes, qui ex sana mente, quam habuerunt prius in amentiam inciderunt; et tales sunt judicandi secundum voluntatem, quam habuerunt, dum sanae mentis existerent. Et ideo, si tunc apparuit in eis voluntas suscipiendi baptismum, debet eis exhiberi in furia et amentia constitutis, 325etiamsi tunc actu contradicant; alioquin si nulla voluntas suscipiendi baptismum in eis apparuit, dum sanae mentis essent, non sunt baptizandi.

Leerstelling. — Onder razende en krankzinnige menschen dient te worden onderscheiden; daar zijn er immers sommigen die van hun geboorte af altijd zoo gemaakt geweest zijn, ja nooit heldere oogenblikken hadden en dus bepaald blijken het gebruik van hun verstand niet te hebben. Van het doopsel van dergelijken moet hetzelfde gedacht worden als van kinderen die overeenkomstig wat hierboven in het 9e artikel gezegd werd in het geloof der heilige Kerk gedoopt worden. Daar zijn andere zwakken van geest die tot krankzinnigheid vervielen na eerst wat hun vermogens betreft gezond geweest te zijn en zulke menschen dienen overeenkomstig het verlangen dat ze, wanneer ze nog het gebruik van hun verstand hadden gekoesterd hebben, behandeld te worden. Wanneer het dus klaarblijkelijk is dat ze het opzet hadden het doopsel te ontvangen, dan moet het hun ook als ze reeds in bedenkelijken toestand verkeeren, zelfs als ze tegenstribbelen worden toegediend. Degenen integendeel die voor hun ziekte nooit door het 325minste teeken hebben laten blijken dat ze wilden gedoopt worden, behooren niet gedoopt te worden.Leerstelling. — Onder razende en krankzinnige mensen dient te worden onderscheiden; daar zijn er immers sommigen die van hun geboorte af altijd zo gemaakt geweest zijn, ja nooit heldere ogenblikken hadden en dus bepaald blijken het gebruik van hun verstand niet te hebben. Van het doopsel van dergelijken moet hetzelfde gedacht worden als van kinderen die overeenkomstig wat hierboven in het 9e artikel gezegd werd in het geloof van de heilige Kerk gedoopt worden. Daar zijn andere zwakken van geest die tot krankzinnigheid vervielen na eerst wat hun vermogens betreft gezond geweest te zijn en zulke mensen dienen overeenkomstig het verlangen dat ze, wanneer ze nog het gebruik van hun verstand hadden gekoesterd hebben, behandeld te worden. Wanneer het dus klaarblijkelijk is dat ze het opzet hadden het doopsel te ontvangen, dan moet het hun ook als ze reeds in bedenkelijke toestand verkeren, zelfs als ze tegenstribbelen worden toegediend. Degenen integendeel die voor hun ziekte nooit door het 325minste teken hebben laten blijken dat ze wilden gedoopt worden, behoren niet gedoopt te worden.

Quidam vero sunt, qui etsi a nativitate fuerint furiosi vel amentes, habent tamen aliqua lucida intervalla, in quibus recta ratione uti possunt; unde si tunc baptizari voluerint, baptizari possunt etiam in amentia constituti, et debet eis tunc sacramentum conferri, si periculum timeatur; alioquin melius est, ut tempus expectetur, in quo sint sanae mentis, ad hoc quod devotius suscipiant sacramentum. Si autem tempore lucidi intervalli non appareat in eis voluntas suscipiendi baptismum, baptizari non debent in amentia constituti.

Dan zijn er echter ook die, alhoewel ze van hun geboorte af razend en krankzinnig zijn, af en toe heldere oogenblikken hebben waarin ze gebruik kunnen maken van hun verstand. Zulken mogen, wanneer ze wenschen gedoopt te worden, ook al hervallen ze later in hun krankzinnigheid, het doopsel ontvangen : ja zelfs zou men hun, indien er gevaar dreigde, in dien toestand het doopsel moeten toedienen. Is dit niet het geval, dan is het geraadzaam, opdat ze het sacrament met meer godsvrucht zouden kunnen ontvangen, te wachten tot ze weer eens helder van geest zijn, maar als ze in heldere oogenblikken niet den wensch uitdrukken het doopsel te ontvangen, dan behooren ze niet eens dat ze terug in hun verstomping gevallen zijn, gedoopt te worden.Dan zijn er echter ook die, alhoewel ze van hun geboorte af razend en krankzinnig zijn, af en toe heldere ogenblikken hebben waarin ze gebruik kunnen maken van hun verstand. Zulken mogen, wanneer ze wensen gedoopt te worden, ook al hervallen ze later in hun krankzinnigheid, het doopsel ontvangen: ja zelfs zou men hun, indien er gevaar dreigde, in die toestand het doopsel moeten toedienen. Is dit niet het geval, dan is het geraadzaam, opdat ze het sacrament met meer godsvrucht zouden kunnen ontvangen, te wachten tot ze weer eens helder van geest zijn, maar als ze in heldere ogenblikken niet de wens uitdrukken het doopsel te ontvangen, dan behoren ze niet eens dat ze terug in hun verstomping gevallen zijn, gedoopt te worden.

Quidam vero sunt, qui etsi non omnino sanae mentis existant, intantum tamen ratione utuntur, quod possunt de sua salute cogitare, et intelligere sacramenti virtutem; et de talibus idem est judicium sicut de his, qui sanae mentis existunt, qui baptizantur volentes, non autem inviti.

Eindelijk zijn er nog anderen die, alhoewel ze niet volkomen over hun verstand beschikken toch voldoende bewustzijn hebben om over hun zaligheid te kunnen nadenken en de kracht van het sacrament te begrijpen. Over zulken dan moet hetzelfde oordeel geveld worden als over degenen die wel bij hun verstand zijn en wanneer ze het verlangen, niet echter tegen hun wil in mogen gedoopt worden.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod amentes, qui nunquam habuerunt, nec 326habent usum rationis, baptizantur ex intentione Ecclesiae, sicut et ex actu Ecclesiae credunt et poenitent, sicut supra de pueris dictum est [art. 9. huj. q.]. Illi vero, qui aliquo tempore habuerunt vel habent usum rationis, secundum propriam intentionem baptizantur, quam habent vel habuerunt tempore sanae mentis.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Krankzinnigen die 326nooit gebruik van hun reden hadden en het ook nu niet hebben worden net zooals we hierboven voor de kinderen (9e art.) aantoonden, die door een daad van de heilige Kerk gelooven en berouw hebben, uit kracht van het opzet van de Kerk gedoopt. Degenen integendeel die eenigen tijd het gebruik van het verstand hadden of nog hebben, moeten overeenkomstig het opzet dat ze, wanneer ze nog gezond waren, gehad hebben, gedoopt worden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Krankzinnigen die 326nooit gebruik van hun reden hadden en het ook nu niet hebben worden net zoals we hierboven voor de kinderen (9e art.) aantoonden, die door een daad van de heilige Kerk geloven en berouw hebben, uit kracht van het opzet van de Kerk gedoopt. Degenen integendeel die enigen tijd het gebruik van het verstand hadden of nog hebben, moeten overeenkomstig het opzet dat ze, wanneer ze nog gezond waren, gehad hebben, gedoopt worden.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod furiosi vel amentes carent usu rationis per accidens, scilicet propter aliquod impedimentum organi corporalis, non autem propter defectum animae rationalis, sicut bruta animalia; unde non est de his similis ratio.

2. Razende en krankzinnige menschen hebben alleen bij toeval niet het gebruik van hun verstand, omdat er namelijk in de lichamelijke organen eenige stoornis voorhanden is, alsof ze zooals de redelooze wezens geen ziel hadden. Hier hebben we dus een ander geval.2. Razende en krankzinnige mensen hebben alleen bij toeval niet het gebruik van hun verstand, omdat er namelijk in de lichamelijke organen enige stoornis voorhanden is, alsof ze zoals de redeloze wezens geen ziel hadden. Hier hebben we dus een ander geval.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod dormientes non sunt baptizandi, nisi periculum mortis immineat; in quo casu baptizari debent, si prius in eis voluntas apparuit suscipiendi baptismum, sicut et de amentibus dictum est [in corp. art.] ; sicut Augustinus narrat in 4. lib. Conf. [loc. sup. cit.] de amico suo, qui baptizatus est nesciens, propter periculum mortis.

3. Slapende menschen dienen, behalve wanneer er gevaar is, niet gedoopt te worden. Is dit wel het geval dan moeten ze als ze vroeger den wensch het doopsel te ontvangen uitdrukten zooals we voor de krankzinnigen in de leerstelling zeiden, wel gedoopt worden. Dit nu was het geval van den vriend van St. Augustinus (Bel. 4, 4) die om doodsgevaar zonder bewustzijn gedoopt werd.3. Slapende mensen dienen, behalve wanneer er gevaar is, niet gedoopt te worden. Is dit wel het geval dan moeten ze als ze vroeger de wens het doopsel te ontvangen uitdrukten zoals we voor de krankzinnigen in de leerstelling zeiden, wel gedoopt worden. Dit nu was het geval van de vriend van St. Augustinus (Bel. 4, 4) die om doodsgevaar zonder bewustzijn gedoopt werd.