Theologische Summa · Tertia Pars · De EucharistieSumma · III · De EucharistieSumma · III · Kw. 80Kw. 80
Quaestio LXXX

De usu seu sumptione hujus sacramenti in communi, in duodecim articulos divisa

Kwestie 80

Over het gebruik of de nuttiging van dit Sacrament in het algemeen

(Twaalf Artikelen)

255Deinde considerandum est de usu sive sumptione hujus sacramenti. Et primo quidem, in communi; secundo, quomodo Christus est usus hoc sacramento.

255Vervolgens moeten wij handelen over het gebruik of de nuttiging van dit Sacrament en wel vooreerst in het algemeen; dan hoe Christus dit Sacrament heeft gebruikt.

Circa primum quaeruntur duodecim: 1. Utrum sint duo modi manducandi hoc sacramentum, scilicet sacramentaliter et spiritualiter. — 2. Utrum soli homini conveniat manducare spiritualiter hoc sacramentum. — 3. Utrum solius hominis justi sit manducare sacramentaliter. — 4. Utrum peccator manducans sacramentaliter peccet. — 5. De quantitate hujus peccati. — 6. Utrum peccator accedens ad hoc sacramentum sit repellendus. — 7. Utrum nocturna pollutio impediat hominem a sumptione hujus sacramenti. — 2568. Utrum sit solum a jejunis sumendum. — 9. Utrum sit exhibendum non habentibus usum rationis. — 10. Utrum sit quotidie sumendum. — 11. Utrum liceat omnino abstinere. — 12. Utrum liceat percipere corpus sine sanguine.

Omtrent het eerste stellen wij twaalf vragen. 1. Zijn er twee wijzen om dit Sacrament te eten nl. sacramenteel en geestelijk? 2. Is het alleen iets van den mensch dit Sacrament geestelijk te eten? 3. Is het alleen iets van den rechtvaardige sacramenteel te eten? 4. Doet de zondaar, als hij sacramenteel eet, een zonde? 5. Over de grootte van deze zonde. 6. Moet men een zondaar, die tot dit Sacrament nadert, afwijzen? 7. Is nachtelijke bevlekking voor den mensch een beletsel dit Sacrament te gebruiken? 2568. Mag het alleen maar gebruikt worden door hen, die nuchter zijn? 9. Mag men het toedienen aan hen, die niet het gebruik van het verstand hebben? 10. Mag men het dagelijks nuttigen? 11. Mag men er zich geheel van onthouden? 12. Mag men het Lichaam nuttigen zonder het Bloed?Omtrent het eerste stellen wij twaalf vragen. 1. Zijn er twee wijzen om dit Sacrament te eten nl. sacramenteel en geestelijk? 2. Is het alleen iets van de mens dit Sacrament geestelijk te eten? 3. Is het alleen iets van de rechtvaardige sacramenteel te eten? 4. Doet de zondaar, als hij sacramenteel eet, een zonde? 5. Over de grootte van deze zonde. 6. Moet men een zondaar, die tot dit Sacrament nadert, afwijzen? 7. Is nachtelijke bevlekking voor de mens een beletsel dit Sacrament te gebruiken? 2568. Mag het alleen maar gebruikt worden door hen, die nuchter zijn? 9. Mag men het toedienen aan hen, die niet het gebruik van het verstand hebben? 10. Mag men het dagelijks nuttigen? 11. Mag men er zich geheel van onthouden? 12. Mag men het Lichaam nuttigen zonder het Bloed?

Articulus I

Utrum distingui debeant duo modi manducandi corpus Christi

[4. Dist. 9. art. 1. qla. 3; De Ven. Sacr. Alt. serm. 17; In Joan. cap. 6. lect. 6, 7; 1 ad Cor. cap. 11. lect. 7.]
Ie Artikel

Moet men twee wijzen onderscheiden om het Lichaam van Christus te eten?

antwoord 1 ↓

Ad primum sic proceditur. Videtur quod non debeant distingui duo modi manducandi corpus Christi, scilicet sacramentaliter et spiritualiter. Sicut enim baptismus est spiritualis regeneratio, secundum illud Joan. 3. [v. 5] : « Nisi quis renatus fuerit ex aqua et Spiritu Sancto », etc., ita etiam hoc sacramentum est spiritualis cibus: unde Dominus de hoc sacramento loquens dicit, Joan. 6. [v. 64] : « Verba quae ego locutus sum vobis, spiritus et vita 257sunt ». Sed circa baptismum non distinguitur duplex modus sumendi, scilicet sacramentalis et spiritualis. Ergo neque circa hoc sacramentum debet haec distinctio adhiberi.

Bedenkingen. — Men beweert, dat men niet twee wijzen moet onderscheiden om het Lichaam van Christus te eten nl. sacramenteel en geestelijk. — 1. Want evenals het doopsel een geestelijke wedergeboorte is volgens Joannes (3. 5) : « Indien iemand niet herboren wordt uit water en den Heiligen Geest » enz., zoo is dit Sacrament een geestelijke spijs. Vandaar dat bij Joannes (6. 64) de Heer, over dit Sacrament sprekend, zegt: « De woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en leven ». Nu 257onderscheidt men bij het doopsel geen tweevoudige wijze van ontvangen nl. sacramenteel en geestelijk. Dus moet men ook bij dit Sacrament deze onderscheiding niet aanwenden.Bedenkingen. — Men beweert, dat men niet twee wijzen moet onderscheiden om het Lichaam van Christus te eten nl. sacramenteel en geestelijk. — 1. Want evenals het doopsel een geestelijke wedergeboorte is volgens Johannes (3, 5): “Indien iemand niet herboren wordt uit water en de Heilige Geest” enz., zo is dit Sacrament een geestelijke spijs. Vandaar dat bij Johannes (6, 64) de Heer, over dit Sacrament sprekend, zegt: “De woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en leven”. Nu 257onderscheidt men bij het doopsel geen tweevoudige wijze van ontvangen nl. sacramenteel en geestelijk. Dus moet men ook bij dit Sacrament deze onderscheiding niet aanwenden.

antwoord 2 ↓

[Deze bedenking ontbreekt in de Latijnsche tekst van de uitgave.]

2. Dingen, waarvan het een om het ander is, moet men niet tegen elkaar indeelen, aangezien het eene soortelijk bepaald wordt door het andere. Welnu, het sacramenteel eten is gericht op het geestelijk eten als op zijn doel. Dus moet men het sacramenteel eten niet tegen het geestelijk indeelen.2. Dingen, waarvan het een om het ander is, moet men niet tegen elkaar indelen, aangezien het ene soortelijk bepaald wordt door het andere. Welnu, het sacramenteel eten is gericht op het geestelijk eten als op zijn doel. Dus moet men het sacramenteel eten niet tegen het geestelijk indelen.

antwoord 3 ↓

2. Praeterea, ea quorum unum potest esse sine altero, non debent contra se dividi. Sed videtur quod nullus possit manducare spiritualiter nisi etiam sacramentaliter manducet: alioquin antiqui Patres hoc sacramentum spiritualiter manducassent. Frustra enim esset sacramentalis manducatio, si sine spirituali1 esse posset. Non igitur convenienter distinguitur circa hoc sacramentum duplex manducatio, scilicet sacramentalis et spiritualis.

3. Dingen, waarvan het een niet kan zijn zonder het ander, moeten niet tegen elkaar worden ingedeeld. Nu schijnt niemand geestelijk te kunnen eten zonder ook sacramenteel te eten; anders zouden de oude Vaders dit Sacrament geestelijk gegeten hebben. Het sacramenteel eten zou ook geen zin hebben, als zonder dat het geestelijk eten mogelijk zou zijn. Dus is het niet redelijk dat men bij dit Sacrament een tweevoudig eten onderscheidt nl. sacramenteel en geestelijk.

Sed contra est quod super illud 1. Cor. 11. [v. 29] : « Qui manducat et bibit indigne », etc. dicit Glossa [ord.] : « Duos dicimus esse modos manducandi, unum sacramentalem et alium spiritualem ».

Daartegenover staat echter, dat bij den Eersten Brief aan de Corinthiërs (11. 29) : « Wie onwaardig eet en drinkt » enz. de Glossa zegt: « Wij zeggen dat er twee wijzen van eten zijn, een sacramenteele wijze en een geestelijke ».Daartegenover staat echter, dat bij de Eerste Brief aan de Korintiërs (11, 29): “Wie onwaardig eet en drinkt” enz. de Glossa zegt: “Wij zeggen dat er twee wijzen van eten zijn, een sacramentele wijze en een geestelijke”.

258Respondeo dicendum quod in sumptione hujus sacramenti duo sunt consideranda: scilicet ipsum sacramentum, et effectus ipsius, de quorum utroque jam supra dictum est [q. 73-79.]. Perfectus igitur modus sumendi hoc sacramentum est quando aliquis ita hoc sacramentum suscipit quod percipit ejus effectum. Contingit autem quandoque, sicut supra dictum est [q. praec. art. 3, 8.], quod aliquis impeditur a percipiendo effectu hujus sacramenti: et talis sumptio hujus sacramenti est imperfecta. Sicut igitur perfectum contra imperfectum dividitur, ita sacramentalis manducatio, per quam sumitur solum sacramentum sine effectu ipsius, dividitur contra spiritualem manducationem, per quam quis percipit effectum hujus sacramenti, quo spiritualiter homo Christo conjungitur per fidem et charitatem.

258Leerstelling. — Bij het gebruik van dit Sacrament moet men twee zaken beschouwen nl. het Sacrament zelf en het uitwerksel ervan, over welke twee zaken reeds boven is gesproken (73e Kw. — 79e Kw.). De volmaakte wijze om dit Sacrament te gebruiken heeft men dus, wanneer iemand dat Sacrament zóó ontvangt, dat hij deelachtig wordt aan zijn uitwerksel. Maar soms gebeurt het, zooals boven gezegd is (79e Kw. 3e en 8e Art.), dat iemand verhinderd wordt aan het uitwerksel van dit Sacrament deelachtig te worden; en zulk een gebruik van dit Sacrament is onvolmaakt. Zooals derhalve het volmaakte tegenover het onvolmaakte wordt afgedeeld, zoo wordt het sacramenteel eten, waardoor men het Sacrament alleen zonder het uitwerksel ontvangt, ingedeeld tegen het geestelijk eten, waardoor men deel heeft aan het uitwerksel van dit Sacrament, dat den mensch geestelijkerwijze door het geloof en de liefde met Christus vereenigt.258Leerstelling. — Bij het gebruik van dit Sacrament moet men twee zaken beschouwen nl. het Sacrament zelf en het uitwerksel ervan, over welke twee zaken reeds boven is gesproken (73e Kw. — 79e Kw.). De volmaakte wijze om dit Sacrament te gebruiken heeft men dus, wanneer iemand dat Sacrament zó ontvangt, dat hij deelachtig wordt aan zijn uitwerksel. Maar soms gebeurt het, zoals boven gezegd is (79e Kw. 3e en 8e Art.), dat iemand verhinderd wordt aan het uitwerksel van dit Sacrament deelachtig te worden; en zulk een gebruik van dit Sacrament is onvolmaakt. Zoals derhalve het volmaakte tegenover het onvolmaakte wordt afgedeeld, zo wordt het sacramenteel eten, waardoor men het Sacrament alleen zonder het uitwerksel ontvangt, ingedeeld tegen het geestelijk eten, waardoor men deel heeft aan het uitwerksel van dit Sacrament, dat de mens geestelijkerwijze door het geloof en de liefde met Christus verenigt.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod etiam circa baptismum, et alia hujusmodi sacramenta, similis distinctio adhibetur: nam quidam suscipiunt tantum sacramentum, quidam vero sacramentum et rem sacramenti. In hoc tamen differunt2, quia, cum alia sacramenta perficiantur in usu materiae, 259percipere sacramentum est ipsa perfectio sacramenti: hoc autem sacramentum perficitur in consecratione materiae, et ideo uterque usus est consequens hoc sacramentum. In baptismo etiam3, et aliis sacramentis characterem imprimentibus, illi qui accipiunt sacramentum, recipiunt aliquem spiritualem effectum, scilicet characterem: quod non accidit in hoc sacramento. Et ideo magis in hoc sacramento distinguitur usus sacramentalis a spirituali quam in baptismo.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Ook bij het doopsel en andere dergelijke sacramenten wordt zulk een onderscheiding aangewend. Want sommigen ontvangen alleen het sacrament, sommigen echter het sacrament en de werkelijkheid van het 259sacrament. Maar hierin is er verschil dat, daar de andere sacramenten tot stand komen bij het gebruik van de stof, het ontvangen van het sacrament samenvalt met het tot stand komen ervan; daarentegen komt dit Sacrament tot stand bij de consecratie van de stof, zoodat het tweevoudig gebruik ten opzichte van dit Sacrament iets gevolgelijks is. Verder wordt door de ontvangers van het doopsel en van de andere sacramenten, die een merkteeken indrukken, altijd een geestelijk uitwerksel gekregen nl. het merkteeken, hetgeen bij dit Sacrament niet gebeurt. Dus is er bij dit Sacrament méér reden dan bij het doopsel om het sacramenteel gebruik te onderscheiden van het geestelijk.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Ook bij het doopsel en andere dergelijke sacramenten wordt zulk een onderscheiding aangewend. Want sommigen ontvangen alleen het sacrament, sommigen echter het sacrament en de werkelijkheid van het 259sacrament. Maar hierin is er verschil dat, daar de andere sacramenten tot stand komen bij het gebruik van de stof, het ontvangen van het sacrament samenvalt met het tot stand komen ervan; daarentegen komt dit Sacrament tot stand bij de consecratie van de stof, zodat het tweevoudig gebruik ten opzichte van dit Sacrament iets gevolgelijks is. Verder wordt door de ontvangers van het doopsel en van de andere sacramenten, die een merkteken indrukken, altijd een geestelijk uitwerksel gekregen nl. het merkteken, hetgeen bij dit Sacrament niet gebeurt. Dus is er bij dit Sacrament méér reden dan bij het doopsel om het sacramenteel gebruik te onderscheiden van het geestelijk.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod sacramentalis manducatio quae pertingit ad spiritualem, non dividitur contra spiritualem, sed includitur ab ea. Sed illa sacramentalis manducatio contra spiritualem dividitur, quae effectum non consequitur: sicut imperfectum, quod non pertingit ad perfectionem speciei, dividitur contra perfectum.

2. Het sacramenteel eten, dat tevens geestelijk is, wordt niet ingedeeld tegen het geestelijke, maar is er bij ingesloten; dit sacramenteel eten wordt ingedeeld tegenover het geestelijke, wat geen uitwerking heeft — op de wijze, waarop het onvolmaakte, dat niet reikt tot aan de volmaaktheid aan de soort eigen, afgedeeld wordt tegenover het volmaakte.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod, sicut supra dictum est [q. 68. art. 2; q. 73. art. 3.], effectus sacramenti potest ab aliquo percipi, si 260sacramentum habeat4 in voto, quamvis non accipiat5 in re. Et ideo, sicut aliqui baptizantur baptismo flaminis, propter desiderium baptismi, antequam baptizentur baptismo aquae; ita etiam aliqui manducant spiritualiter hoc sacramentum, antequam sacramentaliter sumant. Sed hoc contingit dupliciter. Uno modo, propter desiderium sumendi ipsum sacramentum: et hoc modo dicuntur baptizari et manducare spiritualiter et non sacramentaliter, illi qui desiderant sumere haec sacramenta jam instituta. Alio modo, propter figuram: sicut dicit Apostolus 1. Cor. 10. [v. 2 sqq.], quod antiqui patres « baptizati sunt in nube et in mari », et quod « spiritualem escam manducaverunt et spiritualem potum biberunt ». Nec tamen frustra adhibetur sacramentalis manducatio: quia plenius inducit sacramenti effectum ipsa sacramenti susceptio quam solum desiderium, sicut supra circa baptismum dictum est [q. 69. art. 4. ad 2.].

3. Zooals boven is gezegd (68e Kw. 2e Art.; 73e Kw. 3e Art.), kan iemand deelachtig worden aan het uitwerksel van een sacrament zonder het metterdaad te ontvangen, indien hij het begeert te ontvangen. Zooals er dus zijn die wegens hun 260verlangen gedoopt worden met het doopsel van begeerte vóór ze gedoopt worden met het doopsel des waters, zoo zijn er ook die dit Sacrament geestelijk eten, vóór ze het sacramenteel gebruiken. Dit gebeurt evenwel op twee manieren. Vooreerst als iemand het Sacrament zelf wenscht te ontvangen, en zóó spreekt men van geestelijk — niet sacramenteel gedoopt worden en eten bij hen, die deze sacramenten begeeren te ontvangen, wanneer zij reeds zijn ingesteld. Vervolgens op een figuurlijke manier, volgens het woord van den Apostel (I Cor. 10. 2 vv.) dat de oude Vaders « gedoopt zijn in de wolk en in de zee » en dat zij « een geestelijke spijs hebben gegeten en een geestelijken drank hebben gedronken ». Met dat al behoudt het sacramenteel eten zijn zin, aangezien het eigenlijk ontvangen van dit Sacrament op een meer volwaardige wijze het uitwerksel van het Sacrament meedeelt dan alleen maar de begeerte, gelijk boven gezegd is met betrekking tot het doopsel (69e Kw. 4e Art. 2e Antw.).3. Zoals boven is gezegd (68e Kw. 2e Art.; 73e Kw. 3e Art.), kan iemand deelachtig worden aan het uitwerksel van een sacrament zonder het metterdaad te ontvangen, indien hij het begeert te ontvangen. Zoals er dus zijn die wegens hun 260verlangen gedoopt worden met het doopsel van begeerte vóór ze gedoopt worden met het doopsel van het water, zo zijn er ook die dit Sacrament geestelijk eten, vóór ze het sacramenteel gebruiken. Dit gebeurt evenwel op twee manieren. Vooreerst als iemand het Sacrament zelf wenst te ontvangen, en zó spreekt men van geestelijk — niet sacramenteel gedoopt worden en eten bij hen, die deze sacramenten begeren te ontvangen, wanneer zij reeds zijn ingesteld. Vervolgens op een figuurlijke manier, volgens het woord van de Apostel (1 Kor. 10. 2 vv.) dat de oude Vaders “gedoopt zijn in de wolk en in de zee” en dat zij “een geestelijke spijs hebben gegeten en een geestelijken drank hebben gedronken”. Met dat al behoudt het sacramenteel eten zijn zin, aangezien het eigenlijk ontvangen van dit Sacrament op een meer volwaardige wijze het uitwerksel van het Sacrament meedeelt dan alleen maar de begeerte, gelijk boven gezegd is met betrekking tot het doopsel (69e Kw. 4e Art. 2e Antw.).

Articulus II

Utrum solius hominis sit spiritualiter sumere hoc sacramentum

[4. Dist. 9. art. 2. qla. 4, 5.]
IIe Artikel

Is het alleen iets van den mensch dit Sacrament geestelijk te gebruiken?Is het alleen iets van de mens dit Sacrament geestelijk te gebruiken?

antwoord 1 ↓

261Ad secundum sic proceditur. Videtur quod non solius hominis sit hoc sacramentum spiritualiter sumere, sed etiam angelorum. Quia super illud Psal. 77. [v. 25] : « Panem angelorum manducavit homo », dicit Glossa [Lomb.]. « idest, corpus Christi, qui est vere cibus angelorum ». Sed hoc non esset, si angeli spiritualiter Christum non manducarent. Ergo angeli spiritualiter Christum manducant.

261Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet alleen iets van den mensch is dit Sacrament geestelijk te gebruiken maar ook iets van de engelen. — 1. Want bij het psalmwoord: « De mensch heeft de spijs der engelen gegeten » (Ps. 77. 25) zegt de Glossa: « t.w. het Lichaam van Christus, die de ware spijs der engelen is ». Maar dat zou niet waar zijn, als de engelen Christus niet geestelijkerwijze aten. Dus eten de engelen Christus geestelijkerwijze.261Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet alleen iets van de mens is dit Sacrament geestelijk te gebruiken maar ook iets van de engelen. — 1. Want bij het psalmwoord: “De mens heeft de spijs van de engelen gegeten” (Ps. 77. 25)a zegt de Glossa: “t.w. het Lichaam van Christus, die de ware spijs van de engelen is”. Maar dat zou niet waar zijn, als de engelen Christus niet geestelijkerwijze aten. Dus eten de engelen Christus geestelijkerwijze.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Augustinus dicit super Joan. [tract. 26. n. 15.] : « Hunc cibum et potum societatem vult intelligi corporis et membrorum suorum, quod est Ecclesia in praedestinatis ». Sed ad istam societatem non solum pertinent homines, sed etiam sancti angeli. Ergo sancti angeli spiritualiter manducant.

2. Augustinus zegt: « Met deze spijs en drank wil Hij verstaan hebben de gemeenschap van Zijn Lichaam en Zijn ledematen d. i. de Kerk der voorbestemden ». Maar tot die gemeenschap behooren niet alleen menschen maar ook de goede engelen. Dus eten ook de engelen op geestelijke wijze.2. Augustinus zegt: “Met deze spijs en drank wil Hij verstaan hebben de gemeenschap van Zijn Lichaam en Zijn ledematen d.i. de Kerk van de voorbestemden”. Maar tot die gemeenschap behoren niet alleen mensen maar ook de goede engelen. Dus eten ook de engelen op geestelijke wijze.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Augustinus in lib. de Verbis Domini [serm. 46.] dicit: « Spiritualiter manducandus est Christus quoniam ipse dicit: Qui manducat 262meam carnem et bibit meum sanguinem, in me manet et ego in eo ». Sed hoc convenit non solum hominibus, sed etiam sanctis angelis, in quibus per charitatem est Christus, et ipsi in eo. Ergo videtur quod spiritualiter manducare non solum sit hominum, sed etiam angelorum.

3. Augustinus zegt: « Christus moet geestelijk gegeten worden, want Hij Zelf zegt: Wie Mijn Vleesch eet en Mijn Bloed 262drinkt blijft in Mij en Ik in hem ». Maar dat laatste heeft men niet alleen bij menschen maar ook bij de goede engelen, in wie Christus verblijft door de liefde, zooals zij in Hem. Dus is geestelijk eten niet iets uitsluitends van menschen, maar is het ook iets van engelen.3. Augustinus zegt: “Christus moet geestelijk gegeten worden, want Hij Zelf zegt: Wie Mijn Vlees eet en Mijn Bloed 262drinkt blijft in Mij en Ik in hem”. Maar dat laatste heeft men niet alleen bij mensen maar ook bij de goede engelen, in wie Christus verblijft door de liefde, zoals zij in Hem. Dus is geestelijk eten niet iets uitsluitends van mensen, maar is het ook iets van engelen.

Sed contra est, quod Augustinus dicit super Joan. [tract. 26. n. 11.] : « Panem de altari spiritualiter manducare, est innocentiam ad altare apportare »1. Sed angelorum non est accedere ad altare, tanquam aliquid inde sumpturi. Ergo angelorum non est spiritualiter manducare.

Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: « Eet het brood van het altaar op geestelijke wijze; brengt onschuld mee naar het altaar ». Maar engelen naderen niet tot het altaar om daarvan iets te nuttigen. Dus is het geestelijk eten niet iets van engelen.Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: “Eet het brood van het altaar op geestelijke wijze; brengt onschuld mee naar het altaar”. Maar engelen naderen niet tot het altaar om daarvan iets te nuttigen. Dus is het geestelijk eten niet iets van engelen.

Respondeo dicendum quod in hoc sacramento continetur ipse Christus, non quidem in specie propria, sed in specie sacramenti. Dupliciter ergo contingit manducare spiritualiter ipsum Christum2. Uno modo3, prout in sua specie consistit. Et hoc modo angeli manducant spiritualiter ipsum Christum, inquantum ei uniuntur fruitione charitatis perfectae et visione 263manifesta (quem panem expectamus in patria) : non per fidem, sicut nos ei hic unimur.

Leerstelling. — In dit Sacrament is Christus Zelf vervat, wel niet in eigen gedaante maar in de gedaante van het Sacrament. Dus kan men op twee manieren Christus Zelf geestelijk eten. Vooreerst in diens eigen gedaante en op deze manier eten de engelen Christus Zelf geestelijkerwijze, inzoover zij met Hem vereenigd zijn in het genot van de volmaakte liefde en de klare aanschouwing (welk brood wij in het Vaderland hopen te 263ontvangen), niet door het geloof, zooals wij hier met Hem vereenigd zijn.Leerstelling. — In dit Sacrament is Christus Zelf vervat, wel niet in eigen gedaante maar in de gedaante van het Sacrament. Dus kan men op twee manieren Christus Zelf geestelijk eten. Vooreerst in diens eigen gedaante en op deze manier eten de engelen Christus Zelf geestelijkerwijze, inzover zij met Hem verenigd zijn in het genot van de volmaakte liefde en de klare aanschouwing (welk brood wij in het Vaderland hopen te 263ontvangen), niet door het geloof, zoals wij hier met Hem verenigd zijn.

Alio modo contingit spiritualiter manducare Christum, prout est sub speciebus hujus sacramenti inquantum scilicet aliquis credit in Christum cum desiderio sumendi hoc sacramentum. Et hoc non solum est spiritualiter manducare Christum, sed etiam spiritualiter manducare hoc sacramentum. Quod non competit angelis. Et ideo licet angeli spiritualiter manducent Christum, non tamen convenit eis spiritualiter manducare hoc sacramentum.

Vervolgens kan men Christus geestelijk eten, inzoover Hij tegenwoordig is onder de gedaanten van dit Sacrament, wanneer nl. iemand, in Christus geloovend, begeert dit Sacrament te ontvangen; en dit is niet alleen Christus geestelijk eten, maar ook dit Sacrament geestelijk eten. Dat komt niet toe aan de engelen. Hoewel dus de engelen Christus geestelijk eten, komt het hun niet toe dit Sacrament geestelijk te eten.Vervolgens kan men Christus geestelijk eten, inzover Hij tegenwoordig is onder de gedaanten van dit Sacrament, wanneer nl. iemand, in Christus gelovend, begeert dit Sacrament te ontvangen; en dit is niet alleen Christus geestelijk eten, maar ook dit Sacrament geestelijk eten. Dat komt niet toe aan de engelen. Hoewel dus de engelen Christus geestelijk eten, komt het hun niet toe dit Sacrament geestelijk te eten.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod sumptio Christi sub hoc sacramento ordinatur, sicut ad finem, ad fruitionem patriae, qua angeli eo fruuntur. Et quia ea quae sunt ad finem, derivantur a fine, inde est quod ista manducatio Christi qua eum sumimus sub sacramento quodammodo derivatur ab illa manducatione qua angeli fruuntur Christo in patria. Et ideo dicitur homo manducare panem angelorum quia primo et principaliter est angelorum, qui eo fruuntur specie propria; secundario autem est hominum, qui Christum sub sacramento accipiunt.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De nuttiging van Christus onder dit Sacrament is als op haar doel gericht op het zalig bezit in het Vaderland, zooals de engelen zich in Hem verlustigen. En omdat het op het doel gerichte afhankelijk is van het doel, daarom is dit eten van Christus, zooals wij Hem nuttigen onder het Sacrament, afhankelijk van het andere eten, dat eigen is aan de engelen, die Christus bezitten in het vaderland. Om die reden zegt men, dat de mensch het brood der engelen eet, daar het immers op de eerste en voornaamste plaats iets is van de engelen, die Christus in eigen gedaante bezitten, terwijl het slechts op de tweede plaats iets is van de menschen, die Christus onder het Sacrament ontvangen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De nuttiging van Christus onder dit Sacrament is als op haar doel gericht op het zalig bezit in het Vaderland, zoals de engelen zich in Hem verlustigen. En omdat het op het doel gerichte afhankelijk is van het doel, daarom is dit eten van Christus, zoals wij Hem nuttigen onder het Sacrament, afhankelijk van het andere eten, dat eigen is aan de engelen, die Christus bezitten in het vaderland. Om die reden zegt men, dat de mens het brood van de engelen eet, daar het immers op de eerste en voornaamste plaats iets is van de engelen, die Christus in eigen gedaante bezitten, terwijl het slechts op de tweede plaats iets is van de mensen, die Christus onder het Sacrament ontvangen.

↑ bedenking 2

264Ad secundum dicendum quod ad societatem corporis mystici pertinent quidem et homines et angeli. Sed homines per fidem, angeli autem per manifestam visionem. Sacramenta autem proportionantur fidei, per quam veritas videtur in speculo et in aenigmate. Et ideo, proprie loquendo, non angelis, sed hominibus convenit manducare spiritualiter hoc sacramentum.

2642. Tot de gemeenschap van het mystiek Lichaam behooren inderdaad en menschen en engelen, maar menschen door het geloof, engelen echter door de klare aanschouwing. Nu zijn de sacramenten aangepast aan het geloof, waardoor de waarheid in spiegel en raadsel wordt gezien. En het is daarom dat, om eigenlijk te spreken, niet engelen maar menschen dit Sacrament geestelijk kunnen eten.2642. Tot de gemeenschap van het mystiek Lichaam behoren inderdaad en mensen en engelen, maar mensen door het geloof, engelen echter door de klare aanschouwing. Nu zijn de sacramenten aangepast aan het geloof, waardoor de waarheid in spiegel en raadsel wordt gezien. En het is daarom dat, om eigenlijk te spreken, niet engelen maar mensen dit Sacrament geestelijk kunnen eten.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod Christus manet in hominibus secundum praesentem statum per fidem: sed in angelis beatis est per manifestam visionem. Et ideo non est simile, sicut dictum est [ad 2.].

3. Christus verblijft in de menschen, volgens den tegenwoordigen staat der dingen, door het geloof, maar in de zalige engelen door de klare aanschouwing. En dus gaat de vergelijking niet op, gelijk gezegd is (2e Antw.).3. Christus verblijft in de mensen, volgens de tegenwoordige staat van de dingen, door het geloof, maar in de zalige engelen door de klare aanschouwing. En dus gaat de vergelijking niet op, gelijk gezegd is (2e Antw.).

Articulus III

Utrum solus homo justus possit Christum sacramentaliter manducare

[4. Dist. 9. art. 2. qla. 1, 2, 3; 1 ad Cor. cap. 11. lect. 7.]
IIIe Artikel

Kan alleen de rechtvaardige Christus sacramenteel eten?

antwoord 1 ↓

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod nullus possit manducare Christum sacramentaliter nisi homo justus. Dicit enim Augustinus in lib. de Remed. Poenitent. [tract. 25. in Joan. n. 12.] : « Ut quid paras dentem et ventrem? Crede, et manducasti. Credere enim in eum, hoc est panem 265vivum manducare ». Sed peccator non credit in eum, quia non habet fidem formatam, ad quam pertinet credere in Deum, ut in 2. habitum est [2-2. q. 2. art. 2; q. 4. art. 5.]. Ergo peccator non potest manducare hoc sacramentum, quod est panis vivus.

Bedenkingen. — Men beweert, dat alleen de rechtvaardige Christus sacramenteel kan eten. — 1. Augustinus immers zegt: « Wat staat gij bereid met tanden en maag? Geloof en ge hebt gegeten, want in Hem gelooven, dat is een levend brood eten ». 265Nu gelooft de zondaar niet in Hem, daar hij geen door de liefde gevormd geloof bezit, krachtens hetwelk men toch in God gelooft, zooals in het Tweede Deel is uiteengezet (II-II 2e Kw. 2e Art.; 4e Kw. 5e Art.). Dus kan de zondaar dit Sacrament, dat levend brood is, niet eten.Bedenkingen. — Men beweert, dat alleen de rechtvaardige Christus sacramenteel kan eten. — 1. Augustinus immers zegt: “Wat staat gij bereid met tanden en maag? Geloof en ge hebt gegeten, want in Hem geloven, dat is een levend brood eten”. 265Nu gelooft de zondaar niet in Hem, daar hij geen door de liefde gevormd geloof bezit, krachtens hetwelk men toch in God gelooft, zoals in het Tweede Deel is uiteengezet (2-2 2e Kw. 2e Art.; 4e Kw. 5e Art.). Dus kan de zondaar dit Sacrament, dat levend brood is, niet eten.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, hoc sacramentum maxime dicitur esse sacramentum charitatis, ut supra dictum est [q. 73. art. 3. ad 3; q. 74. art. 4. arg. 3; q. 78. art. 3. ad 6.]. Sed sicut infideles privantur fide, ita omnes peccatores privantur charitate. Infideles autem non videntur posse sacramentaliter sumere hoc sacramentum: cum in forma hujus sacramenti dicatur: « Mysterium fidei ». Ergo pari ratione neque aliquis peccator potest corpus Christi sacramentaliter manducare.

2. Dit Sacrament heet bovenal het « Sacrament van de liefde », zooals boven is gezegd (73e Kw. 3e Art. 3e Antw.; 74e Kw. 4e Art.; 3e Bed.; 78e Kw. 3e Art. 6e Antw.). Evenals nu de ongeloovigen het geloof missen, zoo missen alle zondaars de liefde. Welnu: de ongeloovigen kunnen dit Sacrament niet sacramenteel nuttigen, aangezien in den vorm van dit Sacrament gezegd wordt: « geheim des geloofs ». Dus kan evenmin een zondaar, wat voor dan ook, het Lichaam van Christus sacramenteel ontvangen.2. Dit Sacrament heet bovenal het “Sacrament van de liefde”, zoals boven is gezegd (73e Kw. 3e Art. 3e Antw.; 74e Kw. 4e Art.; 3e Bed.; 78e Kw. 3e Art. 6e Antw.). Evenals nu de ongelovigen het geloof missen, zo missen alle zondaars de liefde. Welnu: de ongelovigen kunnen dit Sacrament niet sacramenteel nuttigen, aangezien in de vorm van dit Sacrament gezegd wordt: “geheim van het geloof”. Dus kan evenmin een zondaar, wat voor dan ook, het Lichaam van Christus sacramenteel ontvangen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, peccator magis est abominabilis Deo quam creatura irrationalis. Dicitur enim in Psal. 48. [v. 21] de homine peccatore: « Homo, cum in honore esset, non intellexit: comparatus est jumentis insipientibus, et similis factus est illis ». Sed animal brutum, puta mus aut canis, non potest sumere hoc sacramentum: sicut etiam non potest sumere sacramentum baptismi. Ergo videtur quod pari ratione neque peccatores hoc sacramentum manducent.

3. Een zondaar is voor God afschuwwekkender dan een redeloos schepsel, want in het Boek der Psalmen (Ps. 48. 21) wordt over den zondigen mensch gezegd: « Toen de mensch in eer was, heeft hij het niet begrepen, hij is gelijk geworden aan domme lastdieren en geworden zooals zij ». Welnu: een dier b.v. een muis of een hond kan dit Sacrament niet ontvangen, evenals het het sacrament des doopsels niet kan ontvangen. Dus schijnen evenmin zondaars dit Sacrament te eten.3. Een zondaar is voor God afschuwwekkender dan een redeloos schepsel, want in het Boek van de Psalmen (Ps. 48. 21)a wordt over de zondige mens gezegd: “Toen de mens in eer was, heeft hij het niet begrepen, hij is gelijk geworden aan domme lastdieren en geworden zoals zij”. Welnu: een dier bv. een muis of een hond kan dit Sacrament niet ontvangen, evenals het het sacrament van het doopsel niet kan ontvangen. Dus schijnen evenmin zondaars dit Sacrament te eten.

266Sed contra est quod super illud Joan. 6. [v. 49] : « Patres vestri manducaverunt manna in deserto, et mortui sunt »1, dicit Augustinus [tract. 26. in Joan. n. 11.] : « Multi de altari accipiunt, et accipiendo moriuntur: unde dicit Apostolus: Judicium sibi manducat et bibit ». Sed non moriuntur sumendo nisi peccatores. Ergo peccatores corpus Christi sacramentaliter manducant, et non solum justi.

266Daartegenover staat echter, dat bij Joannes (6. 49) : « Uw vaders hebben in de woestijn het manna gegeten en zij zijn gestorven » Augustinus aanteekent: « Velen ontvangen van het altaar en dat ontvangen is hun dood, weshalve de Apostel zegt: Hij eet en drinkt zich een oordeel ». Nu zijn het alleen de zondaars, die sterven door te ontvangen. Dus eten ook de zondaars op sacramenteele wijze het Lichaam van Christus, en niet alleen de rechtvaardigen.266Daartegenover staat echter, dat bij Johannes (6, 49): “Uw vaders hebben in de woestijn het manna gegeten en zij zijn gestorven” Augustinus aantekent: “Velen ontvangen van het altaar en dat ontvangen is hun dood, weshalve de Apostel zegt: Hij eet en drinkt zich een oordeel”. Nu zijn het alleen de zondaars, die sterven door te ontvangen. Dus eten ook de zondaars op sacramentele wijze het Lichaam van Christus, en niet alleen de rechtvaardigen.

Respondeo dicendum quod circa hoc quidam antiqui erraverunt, dicentes quod corpus Christi nec etiam sacramentaliter a peccatoribus sumitur, sed, quam cito labiis peccatoris contingitur, tam cito sub speciebus sacramentalibus desinit esse corpus Christi. Sed hoc est erroneum. Derogat enim veritati hujus sacramenti, ad quam pertinet, sicut supra dictum est [q. 76. art. 6. ad 3; q. 77. art. 8.], quod manentibus speciebus, corpus Christi sub eis esse non desinat. Species autem manet quamdiu substantia panis maneret si ibi adesset, ut supra dictum est [q. 77. art. 4.]. Manifestum est autem 267quod substantia panis assumpta a peccatore non statim esse desinit, sed manet quamdiu per calorem naturalem digeratur. Unde tamdiu corpus Christi sub speciebus sacramentalibus manet a peccatoribus sumptis. Unde dicendum est quod peccator sacramentaliter corpus Christi manducare potest, et non solum justus.

Leerstelling. — In deze zaak hebben sommige ouderen zich vergist, zeggende, dat het Lichaam van Christus door de zondaars zelfs niet sacramenteel wordt ontvangen: zoodra het Lichaam van Christus in aanraking komt met 's zondaars lippen, houdt het op te zijn onder de sacramenteele gedaanten. Maar dat is een dwaling, daar het te kort doet aan de waarachtigheid van dit Sacrament, welke eischt, zooals boven is gezegd (76e Kw. 6e Art. 3e Antw.; 77e Kw. 8e Art.), dat Christus bij het blijven van de gedaanten onder haar voortduurt. Maar de gedaanten blijven, zoolang als de zelfstandigheid van het brood zou blijven, indien het aanwezig was, gelijk boven is gezegd (77e Kw. 4e Art.). Nu is het zonneklaar, dat de zelfstandigheid van brood, 267die een zondaar tot zich zou nemen, niet onmiddellijk ophoudt, maar blijft, totdat zij door de natuurlijke warmte verteert: dus blijft evenlang het Lichaam van Christus onder de sacramenteele gedaanten, die zondaars gebruiken. Dus moet men zeggen, dat ook de zondaar het Lichaam van Christus sacramenteel kan eten en niet alleen de rechtvaardige.Leerstelling. — In deze zaak hebben sommige ouderen zich vergist, zeggende, dat het Lichaam van Christus door de zondaars zelfs niet sacramenteel wordt ontvangen: zodra het Lichaam van Christus in aanraking komt met 's zondaars lippen, houdt het op te zijn onder de sacramentele gedaanten. Maar dat is een dwaling, daar het te kort doet aan de waarachtigheid van dit Sacrament, welke eist, zoals boven is gezegd (76e Kw. 6e Art. 3e Antw.; 77e Kw. 8e Art.), dat Christus bij het blijven van de gedaanten onder haar voortduurt. Maar de gedaanten blijven, zolang als de zelfstandigheid van het brood zou blijven, indien het aanwezig was, gelijk boven is gezegd (77e Kw. 4e Art.). Nu is het zonneklaar, dat de zelfstandigheid van brood, 267die een zondaar tot zich zou nemen, niet onmiddellijk ophoudt, maar blijft, totdat zij door de natuurlijke warmte verteert: dus blijft evenlang het Lichaam van Christus onder de sacramentele gedaanten, die zondaars gebruiken. Dus moet men zeggen, dat ook de zondaar het Lichaam van Christus sacramenteel kan eten en niet alleen de rechtvaardige.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod verba illa et similia, sunt intelligenda de spirituali manducatione, quae peccatoribus non convenit. Et ideo ex pravo intellectu horum verborum videtur praedictus error processisse, dum nescierunt distinguere corporalem et spiritualem manducationem.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Die woorden en al dergelijke zijn te verstaan van het geestelijk eten, dat aan de zondaars ontgaat. Uit een verkeerd begrijpen derhalve van die woorden schijnt de boven aangegeven dwaling te zijn voortgekomen, inzoover zij niet wisten te onderscheiden tusschen het lichamelijk en het geestelijk eten.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Die woorden en al dergelijke zijn te verstaan van het geestelijk eten, dat aan de zondaars ontgaat. Uit een verkeerd begrijpen derhalve van die woorden schijnt de boven aangegeven dwaling te zijn voortgekomen, inzover zij niet wisten te onderscheiden tussen het lichamelijk en het geestelijk eten.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod etiamsi infidelis sumat species sacramentales, corpus Christi sub sacramento sumit. Unde manducat Christum sacramentaliter, si ly sacramentaliter determinat verbum ex parte manducati. Si autem ex parte manducantis, tunc proprie loquendo non manducat sacramentaliter quia non utitur eo quod accipit ut sacramento, sed ut simplici cibo. Nisi forte infidelis intenderet recipere illud quod Ecclesia confert, licet non 268haberet fidem veram circa alios articulos, vel etiam circa hoc sacramentum.

2. Ook wanneer een ongeloovige de sacramenteele gedaanten nuttigt, nuttigt hij het Lichaam van Christus onder het Sacrament. Dus eet hij Christus sacramenteel, als men het woord sacramenteel laat slaan op het gegetene. Als men het echter laat slaan op dengene die eet, dan moet men eigenlijk zeggen dat hij niet sacramenteel eet daar hij het ontvangene niet als Sacrament maar als gewone spijs tot zich neemt. Tenzij misschien de ongeloovige zou bedoelen te ontvangen wat de Kerk uitdeelt, al zou hij dan 268niet rechtgeloovig zijn met betrekking tot andere geloofswaarheden of zelfs met betrekking tot dit Sacrament.2. Ook wanneer een ongelovige de sacramentele gedaanten nuttigt, nuttigt hij het Lichaam van Christus onder het Sacrament. Dus eet hij Christus sacramenteel, als men het woord sacramenteel laat slaan op het gegetene. Als men het echter laat slaan op dengene die eet, dan moet men eigenlijk zeggen dat hij niet sacramenteel eet daar hij het ontvangene niet als Sacrament maar als gewone spijs tot zich neemt. Tenzij misschien de ongelovige zou bedoelen te ontvangen wat de Kerk uitdeelt, al zou hij dan 268niet rechtgelovig zijn met betrekking tot andere geloofswaarheden of zelfs met betrekking tot dit Sacrament.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod, etiamsi mus vel canis hostiam consecratam manducet, substantia corporis Christi non desinit esse sub speciebus quamdiu species illae manent, hoc est, quandiu substantia panis maneret: sicut etiam si projiceretur in lutum. Nec hoc vergit in detrimentum dignitatis corporis Christi, qui voluit a peccatoribus crucifigi absque diminutione suae dignitatis: praesertim cum mus, aut canis non tangat ipsum corpus Christi secundum propriam speciem, sed solum secundum species sacramentales. Quidam autem dixerunt quod, statim cum sacramentum tangitur a mure vel cane, desinit ibi esse corpus Christi. Quod etiam derogat veritati sacramenti, sicut supra dictum est [in corp.]. Nec tamen dicendum est quod animal brutum sacramentaliter corpus Christi manducet: quia non est natum uti eo ut sacramento. Unde non sacramentaliter sed per accidens corpus Christi manducat sicut manducaret ille, qui sumeret hostiam consecratam nesciens eam esse consecratam. Et quia id quod est per accidens non cadit 269in divisione alicujus generis, ideo hic modus manducandi corpus Christi non ponitur tertius praeter sacramentalem et spiritualem.

3. Ook wanneer een muis of een hond een geconsecreerde hostie eet, blijft de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus onder de gedaanten, zoolang die gedaanten blijven d. i. zoolang de zelfstandigheid van het brood zou blijven, evengoed als wanneer het in het slijk zou worden geworpen. Dat doet niet af aan de waardigheid van het Lichaam van Christus, die zonder iets aan Zijn waardigheid te verliezen door zondaars heeft willen gekruisigd worden, teméér daar een muis of hond het Lichaam zelf van Christus in eigen gedaante niet aanraakt maar alleen in sacramenteele gedaante. Sommigen hebben wel gezegd, dat Christus onder het Sacrament ophoudt, zoodra dit door een muis of hond wordt aangeraakt, maar ook dit doet te kort aan de waarachtigheid van het Sacrament, gelijk boven gezegd is (in de Leerst.). Toch moet men niet zeggen, dat een dier het Lichaam van Christus sacramenteel eet: het heeft immers geen vermogen om het sacramenteel te gebruiken, maar eet het zijdelings, zooals iemand zou doen, die een geconsecreerde hostie zou nuttigen zonder te weten, dat zij geconsecreerd was. En daar het zijdelingsche bij de indeeling van een geslacht wordt verwaarloosd, daarom 269wordt deze wijze om het Lichaam van Christus te eten niet als derde gesteld naast de sacramenteele en de geestelijke.3. Ook wanneer een muis of een hond een geconsecreerde hostie eet, blijft de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus onder de gedaanten, zolang die gedaanten blijven d.i. zolang de zelfstandigheid van het brood zou blijven, evengoed als wanneer het in het slijk zou worden geworpen. Dat doet niet af aan de waardigheid van het Lichaam van Christus, die zonder iets aan Zijn waardigheid te verliezen door zondaars heeft willen gekruisigd worden, teméér daar een muis of hond het Lichaam zelf van Christus in eigen gedaante niet aanraakt maar alleen in sacramentele gedaante. Sommigen hebben wel gezegd, dat Christus onder het Sacrament ophoudt, zodra dit door een muis of hond wordt aangeraakt, maar ook dit doet te kort aan de waarachtigheid van het Sacrament, gelijk boven gezegd is (in de Leerst.). Toch moet men niet zeggen, dat een dier het Lichaam van Christus sacramenteel eet: het heeft immers geen vermogen om het sacramenteel te gebruiken, maar eet het zijdelings, zoals iemand zou doen, die een geconsecreerde hostie zou nuttigen zonder te weten, dat zij geconsecreerd was. En daar het zijdelingse bij de indeling van een geslacht wordt verwaarloosd, daarom 269wordt deze wijze om het Lichaam van Christus te eten niet als derde gesteld naast de sacramentele en de geestelijke.

Articulus IV

Utrum peccator sumens corpus Christi sacramentaliter, peccet

[Supr. q. 79. art. 3; 4. Dist. 9. art. 3. qla. 1, 2; 1 ad Cor. cap. 11. lect. 7.]
IVe Artikel

Doet de zondaar, als hij sacramenteel het Lichaam van Christus eet, een zonde?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod peccator sumens corpus Christi sacramentaliter non peccet. Non enim est majoris dignitatis Christus sub specie sacramenti quam sub specie propria. Sed peccatores tangentes corpus Christi sub specie propria non peccabant quin etiam veniam peccatorum consequebantur, sicut legitur Luc. 7. [v. 36 sqq.] de muliere peccatrice; et Matth. 14. [v. 36] dicitur: « Quicumque tetigerunt fimbriam vestimenti ejus, salvi facti sunt ». Ergo non peccant, sed magis salutem consequuntur sacramentum corporis Christi sumendo.

Bedenkingen. — Men beweert, dat een zondaar geen zonde doet, als hij het Lichaam van Christus sacramenteel eet. — 1. Want Christus onder de gedaante van het Sacrament heeft geen hoogere waardigheid dan onder eigen gedaante. Toen nu zondaars het Lichaam van Christus onder eigen gedaante aanraakten, deden zij geen zonde, veeleer kregen zij vergiffenis van hun zonden, zooals men bij Lucas (7. 36 vv.) leest van de zondige vrouw; en bij Mattheus (14. 36) staat: « Alwie den zoom van Zijn kleed aanraakten werden geheeld ». Door dus het Sacrament van het Lichaam van Christus te ontvangen zondigen zij niet, maar ontvangen zij veeleer het heil.Bedenkingen. — Men beweert, dat een zondaar geen zonde doet, als hij het Lichaam van Christus sacramenteel eet. — 1. Want Christus onder de gedaante van het Sacrament heeft geen hogere waardigheid dan onder eigen gedaante. Toen nu zondaars het Lichaam van Christus onder eigen gedaante aanraakten, deden zij geen zonde, veeleer kregen zij vergiffenis van hun zonden, zoals men bij Lukas (7, 36 vv.) leest van de zondige vrouw; en bij Matteüs (14, 36) staat: “Alwie de zoom van Zijn kleed aanraakten werden geheeld”. Door dus het Sacrament van het Lichaam van Christus te ontvangen zondigen zij niet, maar ontvangen zij veeleer het heil.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, hoc sacramentum, sicut et alia, est quaedam spiritualis 270medicina. Sed medicina datur infirmis ad salutem secundum illud Matth. 9. [v. 12] : « Non est opus valentibus medicus, sed male habentibus ». Infirmi autem vel male habentes spiritualiter sunt peccatores. Ergo hoc sacramentum absque culpa sumere possunt.

2. Dit Sacrament is evenals de andere een geestelijk 270geneesmiddel. Nu geeft men een geneesmiddel aan zieken, tot hun genezing, volgens Mattheus (9. 12) : « De geneesheer is niet noodig voor de gezonden, maar voor wie zwak zijn ». Welnu geestelijk ziek en zwak zijn de zondaars. Dus kunnen zij dit Sacrament zonder schuld te bedrijven ontvangen.2. Dit Sacrament is evenals de andere een geestelijk 270geneesmiddel. Nu geeft men een geneesmiddel aan zieken, tot hun genezing, volgens Matteüs (9, 12): “De geneesheer is niet nodig voor de gezonden, maar voor wie zwak zijn”. Welnu geestelijk ziek en zwak zijn de zondaars. Dus kunnen zij dit Sacrament zonder schuld te bedrijven ontvangen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, hoc sacramentum, cum in se Christum contineat, est de maximis bonis. Maxima autem bona, secundum Augustinum in lib. 2. de Libero Arbitr. [cap. 19.], sunt « quibus nullus male potest uti ». Nullus autem peccat, nisi per abusum alicujus rei. Ergo nullus peccator sumens hoc sacramentum peccat.

3. Dit Sacrament hoort, als Christus in zich bevattend, onder de allergrootste goederen. Volgens Augustinus nu zijn dat de allergrootste goederen, die niemand slecht kan gebruiken. Maar niemand zondigt tenzij door het misbruik van iets. Dus doet nooit een zondaar, dat Sacrament ontvangend, zonde.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, sicut hoc sacramentum sentitur gustu et tactu, ita et visu. Si ergo peccator, ex eo quod sumit hoc sacramentum peccet, videtur etiam quod peccaret videndo. Quod patet esse falsum cum Ecclesia omnibus hoc sacramentum videndum et adorandum proponat. Ergo peccator non peccat ex hoc quod manducat hoc sacramentum.

4. Dit Sacrament wordt door smaak en tastzin geraakt, maar ook door het gezicht. Als dus een zondaar zondigt door dit Sacrament te ontvangen, dan zou hij, naar het schijnt, ook zondigen door ernaar te kijken, hetgeen blijkbaar valsch is, daar de Kerk dit Sacrament aan allen ter aanschouwing en ter aanbidding voorhoudt. Dus doet een zondaar geen kwaad door dit Sacrament te eten.4. Dit Sacrament wordt door smaak en tastzin geraakt, maar ook door het gezicht. Als dus een zondaar zondigt door dit Sacrament te ontvangen, dan zou hij, naar het schijnt, ook zondigen door ernaar te kijken, hetgeen blijkbaar vals is, daar de Kerk dit Sacrament aan allen ter aanschouwing en ter aanbidding voorhoudt. Dus doet een zondaar geen kwaad door dit Sacrament te eten.

antwoord 5 ↓

5. Praeterea, contingit quandoque quod aliquis peccator non habet conscientiam sui peccati. Nec tamen talis peccare videtur corpus Christi sumendo: quia secundum hoc omnes peccarent, qui sumunt, quasi periculo se 271exponentes, cum Apostolus dicat 1. Cor. 4. [v. 4] : « Nihil mihi conscius sum, sed non in hoc justificatus sum ». Non ergo videtur quod peccatori cedat in culpam, si hoc sacramentum sumat.

5. Het komt wel eens voor, dat een zondaar zich van zijn zonde niet bewust is en zoo iemand schijnt niet te zondigen, als hij het Lichaam van Christus nuttigt, aangezien op die manier allen zouden zondigen door roekeloos te handelen: de Apostel zegt 271immers (I Cor. 4. 4) : « Ik ben mij van niets bewust, maar daarmee ben ik nog niet gerechtvaardigd ». Dus schijnt het den zondaar niet tot schuld te strekken, als hij dit Sacrament nuttigt.5. Het komt wel eens voor, dat een zondaar zich van zijn zonde niet bewust is en zo iemand schijnt niet te zondigen, als hij het Lichaam van Christus nuttigt, aangezien op die manier allen zouden zondigen door roekeloos te handelen: de Apostel zegt 271immers (1 Kor. 4. 4): “Ik ben mij van niets bewust, maar daarmee ben ik nog niet gerechtvaardigd”. Dus schijnt het de zondaar niet tot schuld te strekken, als hij dit Sacrament nuttigt.

Sed contra est quod Apostolus dicit 1. Cor. 11. [v. 29] : « Qui manducat et bibit indigne, judicium sibi manducat et bibit », idest condemnationem1. Dicit autem Glossa [Lomb.] ibidem, quod « indigne manducat et bibit, qui in crimine est, vel irreverenter tractat ». Ergo qui est in peccato mortali, si hoc sacramentum accipiat, damnationem acquirit, mortaliter peccans.

Daartegenover staat echter het woord van den Apostel: « Wie onwaardig eet en drinkt eet en drinkt zich een oordeel » (I Cor. 11. 29). Nu zegt de Glossa daarbij: « Hij eet en drinkt onwaardig, die in groote zonde is of oneerbiedig optreedt ». Derhalve haalt iemand, die in doodzonde dit Sacrament ontvangt, zich een veroordeeling op de hals en bedrijft hij dus een doodzonde.Daartegenover staat echter het woord van de Apostel: “Wie onwaardig eet en drinkt eet en drinkt zich een oordeel” (1 Kor. 11. 29). Nu zegt de Glossa daarbij: “Hij eet en drinkt onwaardig, die in grote zonde is of oneerbiedig optreedt”. Derhalve haalt iemand, die in doodzonde dit Sacrament ontvangt, zich een veroordeling op de hals en bedrijft hij dus een doodzonde.

Respondeo dicendum quod in hoc sacramento, sicut in aliis, id quod est sacramentum, est signum ejus quod est res sacramenti. Duplex autem est res hujus sacramenti, sicut supra dictum est [q. 73. art. 6.] : una quidem, quae est significata et contenta, scilicet ipse Christus; alia autem est significata, et non contenta, scilicet corpus Christi mysticum, quod est societas sanctorum. Quicumque ergo hoc sacramentum sumit, ex hoc ipso significat se esse Christo 272unitum et membris ejus incorporatum. Quod quidem fit per fidem formatam, quam nullus habet cum peccato mortali. Et ideo manifestum est quod quicumque cum peccato mortali hoc sacramentum sumit falsitatem in hoc sacramento committit. Et ideo incurrit sacrilegium, tanquam sacramenti violator. Et propter hoc mortaliter peccat.

Leerstelling. — Evenals bij de andere sacramenten is ook hier het Sacrament het teeken van de werkelijkheid van het Sacrament. Nu is, zooals boven werd gezegd (73e Kw. 6e Art.) de werkelijkheid van dit Sacrament tweevoudig: de eene is beteekend en vervat nl. Christus Zelf, de andere is beteekend maar niet vervat nl. het mystiek Lichaam van Christus, dat de gemeenschap der heiligen is. Alwie daarom dit Sacrament 272nuttigt, beteekent door dat feit alleen reeds, dat hij vereenigd is met Christus en ingelijfd bij diens ledematen, hetgeen gebeurt door het gevormd geloof, dat door niemand tegelijk met de doodzonde wordt bezeten. En dus begaat iedereen, die dit Sacrament met een doodzonde ontvangt een onwaarheid tegen dit Sacrament; bijgevolg bedrijft hij, als schenner van het Sacrament, een heiligschennis en doet hij op die manier een doodzonde.Leerstelling. — Evenals bij de andere sacramenten is ook hier het Sacrament het teken van de werkelijkheid van het Sacrament. Nu is, zoals boven werd gezegd (73e Kw. 6e Art.) de werkelijkheid van dit Sacrament tweevoudig: de ene is betekend en vervat nl. Christus Zelf, de andere is betekend maar niet vervat nl. het mystiek Lichaam van Christus, dat de gemeenschap van de heiligen is. Alwie daarom dit Sacrament 272nuttigt, betekent door dat feit alleen reeds, dat hij verenigd is met Christus en ingelijfd bij diens ledematen, hetgeen gebeurt door het gevormd geloof, dat door niemand tegelijk met de doodzonde wordt bezeten. En dus begaat iedereen, die dit Sacrament met een doodzonde ontvangt een onwaarheid tegen dit Sacrament; bijgevolg bedrijft hij, als schenner van het Sacrament, een heiligschennis en doet hij op die manier een doodzonde.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod Christus in propria specie apparens non exhibebat se tangendum hominibus in signum spiritualis unionis ad ipsum, sicut exhibetur sumendus in hoc sacramento. Et ideo peccatores eum in propria specie tangentes non incurrebant crimen falsitatis circa divina, sicut peccatores sumentes hoc sacramentum. Et praeterea, Christus adhuc gerebat similitudinem carnis peccati et ideo convenienter se peccatoribus tangendum exhibebat. Sed remota similitudine carnis peccati per gloriam resurrectionis, se tangi prohibuit a muliere, quae defectum fidei circa ipsum patiebatur, secundum illud Joan. 20. [v. 17] : « Noli me tangere: nondum enim ascendi ad Patrem meum », scilicet « in corde tuo », ut Augustinus exponit [tract. 273121. n. 3.]. Et ideo peccatores, qui defectum fidei formatae patiuntur circa Christum, repelluntur a contactu hujus sacramenti.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Toen Christus in eigen gedaante aan de menschen verscheen, liet Hij zich niet door de menschen aanraken als een teeken van de geestelijke eenheid met Hem, zooals Hij in dit Sacrament wordt gegeven aan de ontvangers. En het is daarom dat de zondaars, die Hem in eigen gedaante aanraakten, geen misdrijf van onwaarheid begingen tegenover het goddelijke zooals de zondaars, die dit Sacrament ontvangen. Bovendien vertoonde Christus nog altijd de gelijkenis van het vleesch der zonde en was het dus redelijk, dat Hij Zich door de zondaars liet aanraken. Maar toen de gelijkenis van het vleesch der zonde door de glorie van de verrijzenis was weggenomen, gedoogde Hij geen aanraking door de vrouw, die te Zijnen opzichte te kort schoot in geloof, volgens het woord van Joannes (20. 17) : « Wil Mij niet aanraken, want 273Ik ben nog niet opgestegen tot den Vader » t.w. « in uw hart, » zooals Augustinus verklaart. Daarom worden de zondaars, die met betrekking tot Christus het gevormd geloof missen, van de aanraking van dit Sacrament verwijderd gehouden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Toen Christus in eigen gedaante aan de mensen verscheen, liet Hij zich niet door de mensen aanraken als een teken van de geestelijke eenheid met Hem, zoals Hij in dit Sacrament wordt gegeven aan de ontvangers. En het is daarom dat de zondaars, die Hem in eigen gedaante aanraakten, geen misdrijf van onwaarheid begingen tegenover het goddelijke zoals de zondaars, die dit Sacrament ontvangen. Bovendien vertoonde Christus nog altijd de gelijkenis van het vlees van de zonde en was het dus redelijk, dat Hij Zich door de zondaars liet aanraken. Maar toen de gelijkenis van het vlees van de zonde door de glorie van de verrijzenis was weggenomen, gedoogde Hij geen aanraking door de vrouw, die te Zijn opzichte te kort schoot in geloof, volgens het woord van Johannes (20, 17): “Wil Mij niet aanraken, want 273Ik ben nog niet opgestegen tot de Vader” t.w. “in uw hart,” zoals Augustinus verklaart. Daarom worden de zondaars, die met betrekking tot Christus het gevormd geloof missen, van de aanraking van dit Sacrament verwijderd gehouden.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod non quaelibet medicina competit secundum quemlibet statum infirmitatis. Nam medicina quae datur jam liberatis a febre ad confortationem, noceret si daretur adhuc febricitantibus. Ita etiam baptismus et poenitentia, sunt quasi medicinae purgativae, quae dantur ad tollendam febrem peccati. Hoc autem sacramentum est medicina confortativa, quae non debet dari nisi liberatis a peccato.

2. Niet elk geneesmiddel past bij elken stand van de ziekte, want het geneesmiddel, dat ter aansterking wordt gegeven aan de reeds van de koorts bevrijden, zou schaden, indien het werd gegeven aan wie nog koorts hebben. Op die manier zijn het doopsel en de biecht als reinigende geneesmiddelen, die worden gegeven om de koorts der zonde weg te nemen; dit Sacrament echter is een versterkend geneesmiddel, dat alleen maar aan van de zonde bevrijden moet worden gegeven.2. Niet elk geneesmiddel past bij elke stand van de ziekte, want het geneesmiddel, dat ter aansterking wordt gegeven aan de reeds van de koorts bevrijden, zou schaden, indien het werd gegeven aan wie nog koorts hebben. Op die manier zijn het doopsel en de biecht als reinigende geneesmiddelen, die worden gegeven om de koorts van de zonde weg te nemen; dit Sacrament echter is een versterkend geneesmiddel, dat alleen maar aan van de zonde bevrijden moet worden gegeven.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod maxima bona intelligit Augustinus virtutes animae, quibus nullus male utitur quasi principiis mali usus. Utitur tamen eis aliquis male quasi objectis mali usus ut patet in his qui de virtutibus superbiunt. Ita et hoc sacramentum, quantum est ex se, non est principium mali usus, sed objectum. Unde Augustinus dicit [tract. 62. in Joan. n. 1.] : « Multi indigne accipiunt corpus Christi: per quod docemur quam cavendum sit male accipere bonum. Ecce enim, per bonum factum est malum, dum male accipitur bonum: sicut e contra Apostolo per malum factum est 274bonum, cum bene accepit malum, scilicet cum stimulum Satanae patienter portavit ».

3. Augustinus bedoelt met de allergrootste goederen de deugden van de ziel, welke niemand verkeerd gebruikt als beginselen van verkeerd gebruik; men kan ze echter verkeerd gebruiken als voorwerp van verkeerd gebruik, zooals blijkt bij hen, die zich verhoovaardigen over hun deugden. Zoo is ook dit Sacrament uit zich geen beginsel van slecht gebruik maar voorwerp. Vandaar dat Augustinus zegt: « Velen ontvangen op onwaardige wijze het Lichaam van Christus, hetgeen ons leert, hoe verschrikkelijk het is het goede slecht te ontvangen. Want zie, hoe door het goede het slechte is gekomen, nu het goede slecht wordt 274ontvangen; zooals daarentegen voor den Apostel door het slechte het goede is gekomen, toen hij het slechte goed aannam » d.w.z. toen hij den prikkel van den Satan geduldig verdroeg.3. Augustinus bedoelt met de allergrootste goederen de deugden van de ziel, welke niemand verkeerd gebruikt als beginselen van verkeerd gebruik; men kan ze echter verkeerd gebruiken als voorwerp van verkeerd gebruik, zoals blijkt bij hen, die zich verhovaardigen over hun deugden. Zo is ook dit Sacrament uit zich geen beginsel van slecht gebruik maar voorwerp. Vandaar dat Augustinus zegt: “Velen ontvangen op onwaardige wijze het Lichaam van Christus, hetgeen ons leert, hoe verschrikkelijk het is het goede slecht te ontvangen. Want zie, hoe door het goede het slechte is gekomen, nu het goede slecht wordt 274ontvangen; zoals daarentegen voor de Apostel door het slechte het goede is gekomen, toen hij het slechte goed aannam” d.w.z. toen hij de prikkel van de Satan geduldig verdroeg.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum quod per visum non accipitur ipsum corpus Christi, sed solum sacramentum ejus: quia scilicet non pertingit visus ad substantiam corporis Christi, sed solum ad species sacramentales, ut supra dictum est [q. 76. art. 7.]. Sed ille qui manducat, non solum sumit species sacramentales, sed etiam ipsum Christum, qui est sub eis. Et ideo a visione corporis Christi nullus prohibetur qui sit sacramentum Christi consecutus, scilicet baptismum. Non baptizati autem non sunt admittendi etiam ad inspectionem hujus sacramenti, ut patet per Dionysium in lib. Eccl. Hierarch. [cap. 7. § 3.]. Sed ad manducationem non sunt admittendi nisi soli illi qui non solum sacramentaliter, sed etiam realiter sunt Christo conjuncti.

4. Door het gezicht vat men niet het Lichaam zelf van Christus, maar alleen het Sacrament ervan, aangezien het gezicht niet doordringt tot de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus, maar alleen tot de sacramenteele gedaanten, gelijk boven is gezegd (76e Kw. 7e Art.). Daarentegen ontvangt hij die eet niet alleen de sacramenteele gedaanten maar ook den daaronder tegenwoordigen Christus Zelf. Daarom houdt men niemand, die een sacrament van Christus deelachtig werd t.w. het doopsel, af van het aanschouwen van het Lichaam van Christus. Ongedoopten echter moet men niet toestaan dit Sacrament te aanschouwen, zooals blijkt uit Dionysius. Maar tot het eten moet men alleen diegenen toelaten, die niet alleen sacramenteel maar ook werkelijk met Christus zijn verbonden.4. Door het gezicht vat men niet het Lichaam zelf van Christus, maar alleen het Sacrament ervan, aangezien het gezicht niet doordringt tot de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus, maar alleen tot de sacramentele gedaanten, gelijk boven is gezegd (76e Kw. 7e Art.). Daarentegen ontvangt hij die eet niet alleen de sacramentele gedaanten maar ook de daaronder tegenwoordigen Christus Zelf. Daarom houdt men niemand, die een sacrament van Christus deelachtig werd t.w. het doopsel, af van het aanschouwen van het Lichaam van Christus. Ongedoopten echter moet men niet toestaan dit Sacrament te aanschouwen, zoals blijkt uit Dionysius. Maar tot het eten moet men alleen diegenen toelaten, die niet alleen sacramenteel maar ook werkelijk met Christus zijn verbonden.

↑ bedenking 5

Ad quintum dicendum quod hoc quod non habet aliquis conscientiam sui peccati, potest contingere dupliciter. Uno modo, per culpam suam vel quia per ignorantiam juris, quae non excusat, reputat non esse peccatum quod est peccatum, puta si aliquis fornicator reputaret simplicem fornicationem 275non esse peccatum mortale; vel quia negligens est in examinatione sui ipsius, contra id quod Apostolus dicit 1. Cor. 11. [v. 28] : « Probet autem seipsum homo, et sic de pane illo edat et de calice bibat ». Et sic nihilominus peccat peccator sumens corpus Christi, licet non habet conscientiam peccati: quia ipsa ignorantia est ei peccatum. Alio modo potest contingere sine culpa ipsius puta cum doluit de peccato, sed non est sufficienter contritus. Et in tali casu non peccat sumendo corpus Christi quia homo per certitudinem scire non potest, utrum sit vere contritus. Sufficit enim si in se signa contritionis inveniat puta si doleat de praeteritis, et proponat cavere de futuris. Si vero ignorat hoc quod fecit, esse actum peccati propter ignorantiam facti, quae excusat, puta si accessit ad non suam quam credebat esse suam, non est ex hoc dicendus peccator. Similiter etiam, si totaliter est peccatum oblitus, sufficit ad ejus deletionem generalis contritio, ut infra dicetur [Suppl. q. 2. art. 3. ad 2.]. Unde jam non est dicendus peccator.

5. Dat iemand zich van zijn zonde niet bewust is, kan op twee manieren gebeuren. Vooreerst door eigen schuld of doordat hij, de wet niet kennend (hetgeen niet vrij uit doet gaan), niet voor zonde aanziet, wat wel zonde is b.v. als een ontuchtige zou meenen, dat eenvoudige ontucht geen doodzonde is; of doordat hij nalatig is in zijn gewetensonderzoek, tegen het woord 275van den Apostel: « De mensch onderzoeke zichzelf en ete dan van het brood en drinke dan van de kelk » (I Cor. 11. 28). In dat geval zondigt hij, die in zonde het Lichaam van Christus nuttigt, al is hij zich van zijn zonde niet bewust, en de reden is, dat die onwetendheid op zich hem tot zonde is. Vervolgens kan hetzelfde zonder zijn schuld gebeuren b.v. als hij bedroefd is geweest over zijn zonde maar het berouw niet voldoende was: in dat geval doet hij, het Lichaam van Christus nuttigend, geen zonde, daar de mensch niet met zekerheid kan weten, of hij echt berouw heeft; het is voldoende, als hij in zich teekenen van berouw vindt b.v. als hij bedroefd is over het verledene en zich voorneemt op zijn hoede te zijn voor het toekomstige. Indien iemand echter niet weet dat, hetgeen hij deed, een slechte daad was, tengevolge van een onjuist oordeel over de daad (dit doet vrij uitgaan) b.v. als hij gemeenschap heeft gehad met iemand, die zijn vrouw niet was, maar door hem daarvoor werd aangezien, dan mag men hem om dit feit geen zondaar noemen. Iets dergelijks: indien iemand zijn zonde volkomen is vergeten, is een algemeen berouw tot uitdelging daarvan voldoende, zooals later gezegd zal worden (Supplement 2e Kw. 3e Art. 2e Antw.), en dus mag men hem geen zondaar meer noemen.5. Dat iemand zich van zijn zonde niet bewust is, kan op twee manieren gebeuren. Vooreerst door eigen schuld of doordat hij, de wet niet kennend (hetgeen niet vrij uit doet gaan), niet voor zonde aanziet, wat wel zonde is bv. als een ontuchtige zou menen, dat eenvoudige ontucht geen doodzonde is; of doordat hij nalatig is in zijn gewetensonderzoek, tegen het woord 275van de Apostel: “De mens onderzoeke zichzelf en ete dan van het brood en drinke dan van de kelk” (1 Kor. 11. 28). In dat geval zondigt hij, die in zonde het Lichaam van Christus nuttigt, al is hij zich van zijn zonde niet bewust, en de reden is, dat die onwetendheid op zich hem tot zonde is. Vervolgens kan hetzelfde zonder zijn schuld gebeuren bv. als hij bedroefd is geweest over zijn zonde maar het berouw niet voldoende was: in dat geval doet hij, het Lichaam van Christus nuttigend, geen zonde, daar de mens niet met zekerheid kan weten, of hij echt berouw heeft; het is voldoende, als hij in zich tekenen van berouw vindt bv. als hij bedroefd is over het verledene en zich voorneemt op zijn hoede te zijn voor het toekomstige. Indien iemand echter niet weet dat, hetgeen hij deed, een slechte daad was, tengevolge van een onjuist oordeel over de daad (dit doet vrij uitgaan) bv. als hij gemeenschap heeft gehad met iemand, die zijn vrouw niet was, maar door hem daarvoor werd aangezien, dan mag men hem om dit feit geen zondaar noemen. Iets dergelijks: indien iemand zijn zonde volkomen is vergeten, is een algemeen berouw tot uitdelging daarvan voldoende, zoals later gezegd zal worden (Supplement 2e Kw. 3e Art. 2e Antw.), en dus mag men hem geen zondaar meer noemen.

Articulus V

Utrum accedere ad hoc sacramentum cum conscientia peccati sit gravissimum omnium peccatorum

[4. Dist. 9. art. 3. qla. 3; 1 ad Cor. cap. 11. lect. 7.]
Ve Artikel

Is het naderen tot dit Sacrament met schuldbewustzijn de grootste van alle zonden?

antwoord 1 ↓

276Ad quintum sic proceditur. Videtur quod accedere ad hoc sacramentum cum conscientia peccati sit gravissimum omnium peccatorum. Dicit enim Apostolus 1. ad Cor. 11. [v. 27] : « Quicumque manducaverit panem et biberit calicem Domini indigne, reus erit corporis et sanguinis Domini ». Glossa [Lomb.] ibidem: « Ac si Christum occiderit, punietur ». Sed peccatum Christum occidentium videtur fuisse gravissimum. Ergo et hoc peccatum, quo aliquis cum conscientia peccati ad mensam Christi accedit, videtur esse gravissimum.

276Bedenkingen. — Men beweert, dat het naderen tot dit Sacrament met schuldbewustzijn de grootste van alle zonden is. — 1. De Apostel zegt immers (I Cor. 11. 27) : « Alwie onwaardig van dit brood eet en den kelk des Heeren drinkt, zal schuldig zijn aan het Lichaam en Bloed des Heeren » « d. i. » aldus de Glossa « zal gestraft worden, als had hij Christus gedood ». Nu schijnt de zonde van hen, die Christus doodden, de zwaarste van alle zonden geweest te zijn. Dus schijnt ook deze zonde van met schuldbewustzijn tot de tafel van Christus te naderen de allerzwaarste te zijn.276Bedenkingen. — Men beweert, dat het naderen tot dit Sacrament met schuldbewustzijn de grootste van alle zonden is. — 1. De Apostel zegt immers (1 Kor. 11. 27): “Alwie onwaardig van dit brood eet en de kelk van de Heer drinkt, zal schuldig zijn aan het Lichaam en Bloed van de Heer” “d.i.” aldus de Glossa “zal gestraft worden, als had hij Christus gedood”. Nu schijnt de zonde van hen, die Christus doodden, de zwaarste van alle zonden geweest te zijn. Dus schijnt ook deze zonde van met schuldbewustzijn tot de tafel van Christus te naderen de allerzwaarste te zijn.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Hieronymus dicit in quadam epistola [epist. 42 ad Ocean.] : « Quid tibi cum foeminis, qui ad altare cum Deo fabularis? Dic, sacerdos, dic, clerice, qualiter eisdem labiis Filium Dei oscularis, quibus 277osculatus es labia meretricis? Cum Juda, osculo Filium hominis tradis ». Et sic videtur fornicator ad mensam Christi accedens peccare sicut Judas peccavit, cujus peccatum fuit gravissimum. Sed multa alia peccata sunt graviora quam peccatum fornicationis, et praecipue peccatum infidelitatis. Ergo cujuslibet peccatoris ad mensam Christi accedentis peccatum est gravissimum.

2. Hieronymus zegt in een brief: « Wat hebt gij te doen met vrouwen, die aan het altaar met God spreekt? Zeg op, priester, zeg op, geestelijke, hoe kust gij met dezelfde lippen den Zoon van God, waarmee gij de lippen van de hoer hebt gekust? Verraadt gij, met Judas, den Zoon des Menschen door een kus? » 277Dus schijnt de ontuchtige, die tot de tafel van Christus nadert, te zondigen, zooals Judas zondigde — en zijn zonde was de zwaarste van allemaal. Nu zijn vele andere zonden zwaarder dan de zonde van ontucht, vooral de zonde van ongeloof. En derhalve is de zonde van welken zondaar dan ook, die tot de tafel van Christus nadert, de zwaarste van alle.2. Hieronymus zegt in een brief: “Wat hebt gij te doen met vrouwen, die aan het altaar met God spreekt? Zeg op, priester, zeg op, geestelijke, hoe kust gij met dezelfde lippen de Zoon van God, waarmee gij de lippen van de hoer hebt gekust? Verraadt gij, met Judas, de Mensenzoon door een kus?” 277Dus schijnt de ontuchtige, die tot de tafel van Christus nadert, te zondigen, zoals Judas zondigde — en zijn zonde was de zwaarste van allemaal. Nu zijn vele andere zonden zwaarder dan de zonde van ontucht, vooral de zonde van ongeloof. En derhalve is de zonde van welke zondaar dan ook, die tot de tafel van Christus nadert, de zwaarste van alle.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, magis est abominabilis Deo immunditia spiritualis quam corporalis. Sed si quis projiceret corpus Christi in lutum vel sterquilinium, gravissimum reputaretur ejus peccatum. Ergo gravius peccat si ipsum sumat cum peccato, quod est immunditia spiritualis. Ergo hoc peccatum est gravissimum.

3. Voor God is geestelijke onreinheid afschuwelijker dan lichamelijke. Welnu, als iemand het Lichaam van Christus in het slijk of op den mesthoop wierp, zou men zijn zonde voor het allerergste aanzien. Dus doet hij grooter kwaad door het te ontvangen in zonde d. i. geestelijke onreinheid. Dus is deze zonde het allerergst.3. Voor God is geestelijke onreinheid afschuwelijker dan lichamelijke. Welnu, als iemand het Lichaam van Christus in het slijk of op de mesthoop wierp, zou men zijn zonde voor het allerergste aanzien. Dus doet hij groter kwaad door het te ontvangen in zonde d.i. geestelijke onreinheid. Dus is deze zonde het allerergst.

Sed contra est quod super illud Joan. 15. [v. 22] : « Si non venissem et locutus eis non fuissem, peccatum non haberent », dicit Augustinus [tract. 89. in Joan. n. 1.] hoc intelligendum esse de peccato infidelitatis, « quo tenentur cuncta peccata ». Et ita videtur hoc peccatum non esse gravissimum, sed magis peccatum infidelitatis.

Daartegenover staat echter, dat bij Joannes (15. 22) : « Indien Ik niet was gekomen en niet tot hen gesproken had, zouden zij geen zonde hebben » Augustinus opmerkt, dat dit te verstaan is van de zonde van ongeloof « die alle zonden insluit »: de besproken zonde schijnt dus niet de zwaarste te zijn, maar veeleer de zonde van ongeloof.Daartegenover staat echter, dat bij Johannes (15, 22): “Indien Ik niet was gekomen en niet tot hen gesproken had, zouden zij geen zonde hebben” Augustinus opmerkt, dat dit te verstaan is van de zonde van ongeloof “die alle zonden insluit”: de besproken zonde schijnt dus niet de zwaarste te zijn, maar veeleer de zonde van ongeloof.

278Respondeo dicendum quod, sicut in 2. dictum est [1-2. q. 73. art. 3, 6; 2-2 q. 73. art. 3.], dupliciter aliquod peccatum potest dici gravius alio: uno modo, per se; alio modo, per accidens. Per se quidem, secundum rationem suae speciei, quae attenditur ex parte objecti, et secundum hoc, quanto id contra quod peccatur est majus, tanto peccatum est gravius. Et quia divinitas Christi est major humanitate ipsius; et ipsa humanitas est potior quam sacramenta humanitatis: inde est quod gravissima peccata sunt quae committuntur in ipsam divinitatem; sicut est peccatum infidelitatis et blasphemiae. Secundario autem sunt gravia peccata quae committuntur in humanitatem Christi: unde et Matth. 12. [v. 32] dicitur: « Qui dixerit verbum contra Filium hominis, remittetur ei: qui autem dixerit verbum contra Spiritum Sanctum, non remittetur ei neque in hoc saeculo neque in futuro ». Tertio autem loco sunt peccata quae committuntur contra sacramenta, quae pertinent ad humanitatem Christi. Et post haec sunt alia peccata contra puras creaturas.

278Leerstelling. — Zooals in het Tweede Deel gezegd is (I-II 73e Kw. 3e en 6e Art. en II-II 73e Kw. 3e Art.). kan een zonde op twee manieren zwaarder zijn dan een andere: vooreerst uiteraard, vervolgens toevalligerwijs. Uiteraard naar gelang van haar natuur, welke is af te meten naar het voorwerp. Wat dit betreft is een zonde zwaarder naarmate datgene, waartegen gezondigd wordt, grooter is. En aangezien de Godheid van Christus grooter is dan zijn Menschheid en Zijn Menschheid voornamer is dan de sacramenten der Menschheid, daarom zijn dat de ergste zonden, die begaan worden tegen de Godheid Zelf zooals b.v. de zonde van ongeloof en godslastering. Op de tweede plaats in zwaarte komen die zonden, die begaan worden tegen de Menschheid van Christus. Daarom wordt er gezegd bij Mattheus (12. 32) : « Wie een woord zal gezegd hebben tegen den Zoon des Menschen, aan hem zal vergeven worden, wie echter een woord zal gezegd hebben tegen den Heiligen Geest, aan hem zal niet vergeven worden, noch in deze wereld, noch in de toekomstige ». Op de derde plaats komen de zonden, die begaan worden tegen de sacramenten, die verband hebben met de Menschheid van Christus, en na deze komen de andere zonden tegen gewone schepselen.278Leerstelling. — Zoals in het Tweede Deel gezegd is (1-2 73e Kw. 3e en 6e Art. en 2-2 73e Kw. 3e Art.). kan een zonde op twee manieren zwaarder zijn dan een andere: vooreerst uiteraard, vervolgens toevalligerwijs. Uiteraard naar gelang van haar natuur, welke is af te meten naar het voorwerp. Wat dit betreft is een zonde zwaarder naarmate datgene, waartegen gezondigd wordt, groter is. En aangezien de Godheid van Christus groter is dan zijn Mensheid en Zijn Mensheid voornamer is dan de sacramenten van de Mensheid, daarom zijn dat de ergste zonden, die begaan worden tegen de Godheid Zelf zoals bv. de zonde van ongeloof en godslastering. Op de tweede plaats in zwaarte komen die zonden, die begaan worden tegen de Mensheid van Christus. Daarom wordt er gezegd bij Matteüs (12, 32): “Wie een woord zal gezegd hebben tegen de Mensenzoon, aan hem zal vergeven worden, wie echter een woord zal gezegd hebben tegen de Heilige Geest, aan hem zal niet vergeven worden, noch in deze wereld, noch in de toekomstige”. Op de derde plaats komen de zonden, die begaan worden tegen de sacramenten, die verband hebben met de Mensheid van Christus, en na deze komen de andere zonden tegen gewone schepselen.

Per accidens autem unum peccatum est gravius alio ex parte peccantis: 279puta peccatum quod est ex ignorantia vel infirmitate, est levius peccato quod est ex contemptu vel ex certa scientia. Et eadem ratio est de aliis circumstantiis. Et secundum hoc istud peccatum in quibusdam potest esse gravius, sicut in his qui ex actuali contemptu, cum conscientia peccati ad hoc sacramentum accedunt: in quibusdam vero minus grave, puta in his qui ex quodam timore, ne deprehendantur in peccato, cum conscientia peccati ad hoc sacramentum accedunt.

Toevalligerwijs echter is een zonde zwaarder dan een andere 279tengevolge van iets van den kant van den zondigenden persoon; zoo is een zonde uit onwetendheid of zwakheid lichter dan een zonde uit verachting of uit volle kennis; en hetzelfde geldt van andere omstandigheden. En wat dat betreft kan de besproken zonde bij sommigen zwaarder zijn b.v. bij hen, die heeterdaad uit verachting tot dit Sacrament met schuldbewustzijn naderen, bij anderen daarentegen minder zwaar b.v. bij hen die met schuldbewustzijn tot dit Sacrament naderen uit een soort vrees, dat ze anders bekend zullen worden als zondaar.Toevalligerwijs echter is een zonde zwaarder dan een andere 279tengevolge van iets van de kant van de zondigenden persoon; zo is een zonde uit onwetendheid of zwakheid lichter dan een zonde uit verachting of uit volle kennis; en hetzelfde geldt van andere omstandigheden. En wat dat betreft kan de besproken zonde bij sommigen zwaarder zijn bv. bij hen, die heterdaad uit verachting tot dit Sacrament met schuldbewustzijn naderen, bij anderen daarentegen minder zwaar bv. bij hen die met schuldbewustzijn tot dit Sacrament naderen uit een soort vrees, dat ze anders bekend zullen worden als zondaar.

Sic ergo patet quod hoc peccatum est multis aliis gravius secundum suam speciem, non tamen est omnium gravissimum.

Zoo blijkt dan, dat deze zonde naar haar aard zwaarder is dan vele andere, maar zij is niet de zwaarste van alle.Zo blijkt dan, dat deze zonde naar haar aard zwaarder is dan vele andere, maar zij is niet de zwaarste van alle.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod peccatum indigne sumentium hoc sacramentum comparatur peccato occidentium Christum, secundum similitudinem, quia utrumque committitur contra corpus Christus: non tamen secundum criminis quantitatem. Peccatum enim occidentium Christum fuit multo gravius. Primo quidem, quia illud peccatum fuit contra corpus Christi in specie propria: hoc autem peccatum est contra corpus Christi in specie sacramenti. Secundo, quia illud peccatum processit ex intentione nocendi 280Christo non autem hoc peccatum.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De zonde van de onwaardige ontvangers van dit Sacrament wordt vergeleken met de zonde van Christus' moordenaars naar een bepaalde overeenkomst, inzoover beide begaan worden tegen het Lichaam van Christus, niet echter naar de grootte van de misdaad. Want de zonde van Christus' moordenaars was veel zwaarder, vooreerst omdat die zonde was tegen het Lichaam van Christus in eigen gedaante, terwijl deze zonde is tegen het Lichaam van Christus onder de gedaante van het Sacrament; ten tweede omdat die 280zonde voortkwam uit de bedoeling om Christus kwaad te doen, deze zonde niet.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De zonde van de onwaardige ontvangers van dit Sacrament wordt vergeleken met de zonde van Christus' moordenaars naar een bepaalde overeenkomst, inzover beide begaan worden tegen het Lichaam van Christus, niet echter naar de grootte van de misdaad. Want de zonde van Christus' moordenaars was veel zwaarder, vooreerst omdat die zonde was tegen het Lichaam van Christus in eigen gedaante, terwijl deze zonde is tegen het Lichaam van Christus onder de gedaante van het Sacrament; ten tweede omdat die 280zonde voortkwam uit de bedoeling om Christus kwaad te doen, deze zonde niet.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod fornicator accipiens corpus Christi comparatur Judae Christum osculanti, quantum ad similitudinem criminis, quia uterque ex signo charitatis Christum offendit: non tamen quantum ad criminis quantitatem, sicut etiam prius dictum est [ad 1.]. Haec tamen criminis similitudo non minus competit aliis peccatoribus quam fornicatoribus: nam et per alia peccata mortalia agitur contra charitatem Christi, cujus signum est hoc sacramentum; et tanto magis, quanto peccata sunt graviora. Secundum quid tamen peccatum fornicationis magis reddit hominem ineptum ad perceptionem hujus sacramenti inquantum scilicet per hoc peccatum spiritus maxime carni subjicitur, et ita impeditur fervor dilectionis qui requiritur in hoc sacramento.

2. De ontuchtige, die het Lichaam van Christus ontvangt, wordt vergeleken met Judas, die Christus kust, naar een bepaalde overeenkomst in de misdaad, inzoover beiden Christus smaad aandoen met een teeken van liefde, niet echter naar de grootte van het misdrijf, gelijk boven ook reeds is gezegd (1e Art.). Maar die zekere overeenkomst in misdaad vindt men niet minder bij andere zondaars buiten de ontuchtigen. Want ook door de andere doodzonden wordt tegen de liefde tot Christus, waarvan dit Sacrament het teeken is, gehandeld en des te méér, naarmate de zonden erger zijn. In zeker opzicht echter maakt de zonde van ontucht den mensch méér ongeschikt tot het ontvangen van dit Sacrament, inzoover nl. door deze zonde de geest op de sterkste wijze aan het lichaam wordt onderworpen en aldus het in dit Sacrament vereischte vuur van de liefde wordt tegengehouden.2. De ontuchtige, die het Lichaam van Christus ontvangt, wordt vergeleken met Judas, die Christus kust, naar een bepaalde overeenkomst in de misdaad, inzover beiden Christus smaad aandoen met een teken van liefde, niet echter naar de grootte van het misdrijf, gelijk boven ook reeds is gezegd (1e Art.). Maar die zekere overeenkomst in misdaad vindt men niet minder bij andere zondaars buiten de ontuchtigen. Want ook door de andere doodzonden wordt tegen de liefde tot Christus, waarvan dit Sacrament het teken is, gehandeld en des te méér, naarmate de zonden erger zijn. In zeker opzicht echter maakt de zonde van ontucht de mens méér ongeschikt tot het ontvangen van dit Sacrament, inzover nl. door deze zonde de geest op de sterkste wijze aan het lichaam wordt onderworpen en aldus het in dit Sacrament vereiste vuur van de liefde wordt tegengehouden.

Plus tamen ponderat impedimentum ipsius charitatis, quam fervoris ejus. Unde et peccatum infidelitatis, quod funditus separat hominem ab Ecclesiae unitate, simpliciter loquendo maxime hominem ineptum reddit ad susceptionem hujus sacramenti, quod est sacramentum ecclesiasticae unitatis, ut supra 281dictum est [q. 67. art. 2; q. 73. art. 2. arg. Sed Cont.; art. 4.]. Unde et gravius peccat infidelis accipiens hoc sacramentum quam fidelis peccator; et magis contemnit Christum secundum quod est sub hoc sacramento, praesertim si non credat Christum vere sub hoc sacramento esse quia, quantum est in se, diminuit sanctitatem hujus sacramenti, et virtutem Christi operantis in hoc sacramento, quod est contemnere ipsum Christum1 in seipso. Fidelis autem qui cum conscientia peccati sumit, contemnit hoc sacramentum non in seipso, sed quantum ad usum, indigne accipiens. Unde et Apostolus 1. Cor. 11. [v. 29] assignans rationem hujus peccati, dicit: « Non dijudicans corpus Domini », idest non discernens ipsum ab aliis cibis: quod maxime facit ille qui non credit Christum esse sub hoc sacramento.

Maar het beletsel van de liefde zelf weegt toch altijd zwaarder dan dit van het vuur der liefde. En daarom maakt, strikt genomen, de zonde van ongeloof, die den mensch heelemaal afscheidt van de eenheid der Kerk, den mensch het allersterkst ongeschikt voor het ontvangen van dit Sacrament, dat, gelijk boven gezegd is (67e Kw. 2e Art.; 73e Kw. 2e Art. Tegenbed.; 2814e Art.), het Sacrament van de kerkelijke eenheid is. Daarom doet bij het ontvangen van dit Sacrament een ongeloovige zwaarder zonde dan een zondig geloovige, vooral als hij niet gelooft, dat Christus waarlijk in dit Sacrament tegenwoordig is: voor zoover het van hem afhangt, vermindert hij immers de heiligheid van dit Sacrament en de kracht van den in dit Sacrament werkenden Christus. En dit is niets anders dan het Sacrament in zich verachten. Daarentegen veracht een met schuldbewustzijn ontvangend geloovige het Sacrament niet in zichzelf, maar wat het gebruik betreft, inzoover hij het onwaardig nuttigt. Vandaar dat de Apostel, als hij deze zonde ontleedt, zegt: « het Lichaam des Heeren niet onderscheidend » (I Cor. 11. 29) d. w. z. geen onderscheid makend tusschen deze en andere spijzen, hetgeen vooral gebeurt door hem, die niet gelooft, dat Christus in dit Sacrament tegenwoordig is.Maar het beletsel van de liefde zelf weegt toch altijd zwaarder dan dit van het vuur van de liefde. En daarom maakt, strikt genomen, de zonde van ongeloof, die de mens helemaal afscheidt van de eenheid van de Kerk, de mens het allersterkst ongeschikt voor het ontvangen van dit Sacrament, dat, gelijk boven gezegd is (67e Kw. 2e Art.; 73e Kw. 2e Art. Tegenbed.; 2814e Art.), het Sacrament van de kerkelijke eenheid is. Daarom doet bij het ontvangen van dit Sacrament een ongelovige zwaarder zonde dan een zondig gelovige, vooral als hij niet gelooft, dat Christus waarlijk in dit Sacrament tegenwoordig is: voor zover het van hem afhangt, vermindert hij immers de heiligheid van dit Sacrament en de kracht van de in dit Sacrament werkenden Christus. En dit is niets anders dan het Sacrament in zich verachten. Daarentegen veracht een met schuldbewustzijn ontvangend gelovige het Sacrament niet in zichzelf, maar wat het gebruik betreft, inzover hij het onwaardig nuttigt. Vandaar dat de Apostel, als hij deze zonde ontleedt, zegt: “het Lichaam van de Heer niet onderscheidend” (1 Kor. 11. 29) d. w. z. geen onderscheid makend tussen deze en andere spijzen, hetgeen vooral gebeurt door hem, die niet gelooft, dat Christus in dit Sacrament tegenwoordig is.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod ille qui projiceret hoc sacramentum in lutum, multo gravius peccaret quam ille qui cum conscientia peccati mortalis ad hoc sacramentum accedit. Primo quidem, quia ille hoc faceret ex intentione injuriam faciendi huic sacramento: quod non intendit peccator indigne 282corpus Christi accipiens. Secundo, quia homo peccator est capax gratiae: unde etiam magis est aptus ad suscipiendum hoc sacramentum quam quaecumque alia irrationalis creatura. Unde maxime inordinate uteretur hoc sacramento, qui projiceret ipsum canibus ad manducandum vel projiceret in lutum conculcandum.

3. Wie dit Sacrament in het slijk zou werpen, zou veel zwaarder zondigen dan degene, die met een doodzonde op zijn geweten tot dit Sacrament nadert. Vooreerst omdat hij dit zou doen met de bedoeling om dit Sacrament te onteeren, hetgeen niet wordt vooropgezet door iemand, die in zonde het Sacrament 282ontvangt. Vervolgens omdat de zondige mensch in staat is de genade in zich op te nemen en hij aldus veel méér geschikt is dit Sacrament te ontvangen dan welk redeloos schepsel ook. Daarom zou het het meest tegen alles ingaande gebruik van dit Sacrament zijn, als iemand het ter verslinding zou voorwerpen aan honden of ter vertrapping in het slijk zou werpen.3. Wie dit Sacrament in het slijk zou werpen, zou veel zwaarder zondigen dan degene, die met een doodzonde op zijn geweten tot dit Sacrament nadert. Vooreerst omdat hij dit zou doen met de bedoeling om dit Sacrament te onteren, hetgeen niet wordt vooropgezet door iemand, die in zonde het Sacrament 282ontvangt. Vervolgens omdat de zondige mens in staat is de genade in zich op te nemen en hij aldus veel méér geschikt is dit Sacrament te ontvangen dan welk redeloos schepsel ook. Daarom zou het het meest tegen alles ingaande gebruik van dit Sacrament zijn, als iemand het ter verslinding zou voorwerpen aan honden of ter vertrapping in het slijk zou werpen.

Articulus VI

Utrum sacerdos debeat denegare corpus Christi peccatori petenti

[Infr. q. 81. art. 2; 4. Dist. 9. art. 5. qla. 1; Dist. 11 q. 3. art. 2. qla. 1; Quodl. 5. q. 6. art. 2.]
VIe Artikel

Moet de priester het Lichaam van Christus weigeren aan een er om vragenden zondaar?Moet de priester het Lichaam van Christus weigeren aan een er om vragende zondaar?

antwoord 1 ↓

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod sacerdos debeat denegare corpus Christi peccatori petenti. Non enim est faciendum contra Christi praeceptum propter vitandum scandalum vel infamiam alicujus. Sed Dominus praecepit Matth. 7. [v. 6] : « Nolite sanctum dare canibus ». Maxime autem datur sanctum canibus cum hoc sacramentum peccatoribus exhibetur. 283Ergo neque propter vitandum scandalum neque propter vitandam infamiam alicujus, debet hoc sacramentum peccatori petenti dari.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de priester het Lichaam van Christus moet weigeren aan een er om vragenden zondaar. — 1. Immers om ergernis te vermijden of omwille van iemands goeden naam mag men nog niet handelen tegen het gebod van Christus. Nu heeft de Heer geboden: « Wilt het heilige niet aan de honden geven » (Matth. 7. 6). En men geeft het heilige op heel erge wijze aan de honden, als men dit Sacrament aan zondaars uitreikt. Dus mag men, ook niet ter vermijding van 283ergernis of van het verlies van iemands goeden naam, dit Sacrament geven aan een er om vragenden zondaar.Bedenkingen. — Men beweert, dat de priester het Lichaam van Christus moet weigeren aan een er om vragende zondaar. — 1. Immers om ergernis te vermijden of omwille van iemands goeden naam mag men nog niet handelen tegen het gebod van Christus. Nu heeft de Heer geboden: “Wilt het heilige niet aan de honden geven” (Matt. 7. 6). En men geeft het heilige op heel erge wijze aan de honden, als men dit Sacrament aan zondaars uitreikt. Dus mag men, ook niet ter vermijding van 283ergernis of van het verlies van iemands goeden naam, dit Sacrament geven aan een er om vragende zondaar.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, de duobus malis minus est eligendum. Sed minus malum esse videtur si peccator infametur, vel etiam si ei hostia non consecrata detur, quam si sumens corpus Christi mortaliter peccet. Videtur ergo hoc potius esse eligendum quod vel infametur peccator petens corpus Christi, vel etiam quod detur ei hostia non consecrata.

2. Van twee kwaden moet men het minste kiezen. Nu schijnt het een minder kwaad dat de zondaar zijn goeden naam verliest of dat hem een ongeconsecreerde hostie wordt gegeven, dan dat hij een doodzonde bedrijft door het Lichaam van Christus te ontvangen. Dus moet men liever verkiezen, dat de zondaar, die om het Lichaam van Christus vraagt, zijn goeden naam verliest of anders dat men hem een ongeconsecreerde hostie geeft.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, corpus Christi interdum datur suspectis de crimine ad criminis manifestationem: legitur enim in Decr. 2. [q. 5. cap. 3.] : « Saepe contingit ut in monasteriis monachorum furta perpetrentur. Idcirco statuimus, ut quando ipsi fratres de talibus expurgare se debent, missa ab abbate celebretur, vel ab aliquo ex praesentibus fratribus, et sic, expleta missa, omnes communicentur in haec verba: Corpus Christi sit tibi hodie ad probationem ». Et infra [cap. 26.] : « Si episcopo, aut presbytero aliquod maleficium fuerit imputatum, in singulis missa celebrari debet, et communicari et de singulis sibi imputatis innocentem se ostendere ». Sed peccatores occultos non oportet 284manifestari: quia, si frontem verecundiae abjecerint. liberius peccabunt, ut Augustinus dicit in lib. de Verbis Domini [serm. 16.]. Ergo peccatoribus occultis non est corpus Christi dandum etiamsi petant.

3. Soms wordt het Lichaam van Christus gegeven aan menschen, verdacht van een misdrijf, opdat het misdrijf aan het licht kome. Want in een Decretaal staat geschreven: « Het gebeurt vaak, dat in kloosters van monniken diefstallen worden begaan; daarom bepalen wij dat, wanneer de broeders zelf hun onschuld daaraan hebben te bewijzen, door den abt, of op aanwijzing van den abt door een ander, de Mis worde gelezen in tegenwoordigheid van de broeders; op het einde daarvan moeten dan allen communiceeren onder de woorden: het Lichaam van Christus zij mij heden tot een proef ». En verderop: « Wanneer aan een bisschop of een priester eenige misdaad ten laste wordt gelegd, moet hij voor elk punt een Mis lezen en communiceeren en zoo voor elk hem ten laste gelegd punt z'n onschuld 284aantoonen ». Maar men moet geheime zondaars niet aan het licht brengen, want, gelijk Augustinus zegt, hebben ze eenmaal hun schaamtegevoel verloren, dan zullen zij des te vrijer zondigen. Dus moet men het Lichaam van Christus niet geven aan geheime zondaars, zelfs al vragen zij erom.3. Soms wordt het Lichaam van Christus gegeven aan mensen, verdacht van een misdrijf, opdat het misdrijf aan het licht kome. Want in een Decretaal staat geschreven: “Het gebeurt vaak, dat in kloosters van monniken diefstallen worden begaan; daarom bepalen wij dat, wanneer de broeders zelf hun onschuld daaraan hebben te bewijzen, door de abt, of op aanwijzing van de abt door een ander, de Mis worde gelezen in tegenwoordigheid van de broeders; op het einde daarvan moeten dan allen communiceren onder de woorden: het Lichaam van Christus zij mij heden tot een proef”. En verderop: “Wanneer aan een bisschop of een priester enige misdaad ten laste wordt gelegd, moet hij voor elk punt een Mis lezen en communiceren en zo voor elk hem ten laste gelegd punt z'n onschuld 284aantonen”. Maar men moet geheime zondaars niet aan het licht brengen, want, gelijk Augustinus zegt, hebben ze eenmaal hun schaamtegevoel verloren, dan zullen zij des te vrijer zondigen. Dus moet men het Lichaam van Christus niet geven aan geheime zondaars, zelfs al vragen zij erom.

Sed contra est quod super illud Psal. 21. [v. 30] : « Manducaverunt et adoraverunt omnes pingues terrae », dicit Augustinus [hab. in Glos. ord.; cap. 67. De Consecrat. Dist. 2.] : « Non prohibebat dispensator pingues terrae », idest peccatores « mensam Domini manducare ».

Daartegenover staat echter, dat bij het psalmwoord: « Alle vetten der aarde hebben gegeten en aanbeden » (Ps. 21. 30). Augustinus zegt: « Hij die uitdeelt, belette de vetten der aarde » d. i. de zondaars « niet om van de tafel des Heeren te eten ».Daartegenover staat echter, dat bij het psalmwoord: “Alle vetten van de aarde hebben gegeten en aanbeden” (Ps. 21. 30)a. Augustinus zegt: “Hij die uitdeelt, belette de vetten van de aarde” d.i. de zondaars “niet om van de tafel van de Heer te eten”.

Respondeo dicendum quod circa peccatores distinguendum est. Quidam enim sunt occulti: quidam vero manifesti, scilicet per evidentiam facti, sicut publici usurarii, aut publici raptores; vel etiam per aliquod judicium ecclesiasticum vel saeculare. Manifestis ergo peccatoribus non debet etiam petentibus sacra communio dari. Unde Cyprianus scribit ad quemdam [epist. 61. ad Euchratium] : « Pro dilectione tua consulendum me existimasti quid mihi videatur de histrionibus, et mago illo qui, apud vos constitutus, adhuc 285in artis suae dedecore perseverat, an talibus sacra communio cum caeteris christianis debeat dari. Puto nec majestati divinae, nec evangelicae disciplinae congruere, ut pudor, et honor Ecclesiae tam turpi et infami contagione foedetur ».

Leerstelling. — Met betrekking tot de zondaars moet men onderscheid maken: sommigen immers zijn geheim, anderen staan bekend, hetzij door de klaarblijkelijkheid van het feit zooals openbare woekeraars of openbare roovers, hetzij tengevolge van een kerkelijke of wereldlijke rechtsuitspraak. Aan bekend staande zondaars mag men, ook op hun verzoek, de H. Communie niet uitreiken. Cyprianus schrijft dan ook aan iemand: « Uwe liefde heeft mij willen vragen, wat ik denk van dien tooneelspeler en dien toovenaar, die onder u nog volhardt in de oneerzaamheid van zijn bedrijf of nl. aan zulke menschen met de andere christenen de H. Communie moet worden gegeven. Ik vermeen, dat 285het noch met Gods majesteit noch met de tucht van het Evangelie in overeenstemming is de ongereptheid en de eer van de Kerk door zoo iets afschuwelijks en gemeens te laten besmetten en bevlekken ».Leerstelling. — Met betrekking tot de zondaars moet men onderscheid maken: sommigen immers zijn geheim, anderen staan bekend, hetzij door de klaarblijkelijkheid van het feit zoals openbare woekeraars of openbare rovers, hetzij tengevolge van een kerkelijke of wereldlijke rechtsuitspraak. Aan bekend staande zondaars mag men, ook op hun verzoek, de H. Communie niet uitreiken. Cyprianus schrijft dan ook aan iemand: “Uw liefde heeft mij willen vragen, wat ik denk van die toneelspeler en die tovenaar, die onder u nog volhardt in de oneerzaamheid van zijn bedrijf of nl. aan zulke mensen met de andere christenen de H. Communie moet worden gegeven. Ik vermeen, dat 285het noch met Gods majesteit noch met de tucht van het Evangelie in overeenstemming is de ongereptheid en de eer van de Kerk door zo iets afschuwelijks en gemeens te laten besmetten en bevlekken”.

Si vero non sunt manifesti peccatores sed occulti, non potest eis petentibus sacra communio denegari. Cum enim quilibet christianus ex hoc ipso quod est baptizatus, sit admissus ad Dominicam mensam, non potest ei jus suum tolli nisi pro aliqua causa manifesta. Unde super illud 1. Cor. 5. [v. 11] : « Si is qui frater nominatur inter vos », etc. dicit Glossa Augustini: « Nos a communione quemquam prohibere non possumus, nisi aut sponte confessum aut in aliquo judicio ecclesiastico vel saeculari nominatum atque convictum ».

Zijn het echter geen bekend staande maar geheime zondaars, dan kan hun de H. Communie, als zij erom vragen, niet geweigerd worden. Daar immers ieder christen, door het feit alleen van zijn doopsel, tot de tafel des Heeren is toegelaten, kan men hem zijn recht slechts ontnemen op grond van iets, dat bekend is. Vandaar dat bij de woorden van den Eersten Brief aan de Corinthiërs (5. 11) : « Indien hij die onder u broeder wordt genoemd » door de Glossa van Augustinus gezegd wordt: « Wij mogen niemand van de Communie afhouden die niet ofwel vrijwillig zich heeft bekend gemaakt ofwel in een kerkelijke of wereldlijke rechtsuitspraak gedagvaard en veroordeeld is ».Zijn het echter geen bekend staande maar geheime zondaars, dan kan hun de H. Communie, als zij erom vragen, niet geweigerd worden. Daar immers ieder christen, door het feit alleen van zijn doopsel, tot de tafel van de Heer is toegelaten, kan men hem zijn recht slechts ontnemen op grond van iets, dat bekend is. Vandaar dat bij de woorden van de Eerste Brief aan de Korintiërs (5, 11): “Indien hij die onder u broeder wordt genoemd” door de Glossa van Augustinus gezegd wordt: “Wij mogen niemand van de Communie afhouden die niet ofwel vrijwillig zich heeft bekend gemaakt ofwel in een kerkelijke of wereldlijke rechtsuitspraak gedagvaard en veroordeeld is”.

Potest tamen sacerdos qui est conscius criminis, occulte monere peccatorem occultum vel etiam in publico generaliter omnes, ne ad mensam Domini accedant, antequam de peccatis poeniteant et Ecclesiae reconcilientur. Nam post poenitentiam et reconciliationem etiam publicis peccatoribus non est communio deneganda, praecipue in articulo mortis. Unde in Concilio 286Carthaginensi [3. can. 35.] legitur: « Scenicis atque histrionibus caeterisque hujusmodi personis, vel apostatis, conversis ad Deum reconciliatio non negetur ».

Wel kan de priester, die van het misdrijf weet, den geheimen zondaar in het geheim vermanen of ook in het openbaar allen vermanen om niet tot de tafel des Heeren te naderen vóór men boete heeft gedaan over zijn zonde en met de Kerk verzoend is. Want na volbrachte boete en na verzoening mag ook aan openbare zondaars de Communie niet geweigerd worden, vooral niet in het uur des doods. Daarom leest men bij de Derde 286Kerkvergadering van Carthago: « Aan acteurs en tooneelspelers en andere dergelijke personen alsook aan afvalligen weigere men de verzoening niet als zij tot God zijn teruggekeerd ».Wel kan de priester, die van het misdrijf weet, de geheime zondaar in het geheim vermanen of ook in het openbaar allen vermanen om niet tot de tafel van de Heer te naderen vóór men boete heeft gedaan over zijn zonde en met de Kerk verzoend is. Want na volbrachte boete en na verzoening mag ook aan openbare zondaars de Communie niet geweigerd worden, vooral niet in het uur van de dood. Daarom leest men bij de Derde 286Kerkvergadering van Carthago: “Aan acteurs en toneelspelers en andere dergelijke personen alsook aan afvalligen weigere men de verzoening niet als zij tot God zijn teruggekeerd”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod sancta prohibentur dari canibus, idest peccatoribus manifestis. Sed occulta non possunt publice puniri, sed sunt divino judicio reservanda.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het is verboden het heilige te geven aan de honden d.w.z. de bekend staande zondaars. Geheime dingen daarentegen kunnen niet in het openbaar gestraft worden, maar moeten aan Gods rechterstoel worden overgelaten.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod licet pejus sit peccatori occulto peccare mortaliter, sumendo corpus Christi, quam infamari, tamen sacerdoti ministranti corpus Christi pejus est peccare mortaliter infamando injuste peccatorem occultum, quam quod ille mortaliter peccet: quia nullus debet peccatum mortale committere, ut alium liberet a peccato. Unde Augustinus dicit in lib. QQ. super Gen. [q. 42.] : « Periculosissime admittitur haec compensatio, ut nos faciamus aliquid mali, ne alius gravius malum faciat ». Peccator tamen occultus potius deberet eligere infamari quam indigne ad mensam Domini accedere.

2. Hoewel het voor een geheimen zondaar erger is een doodzonde te doen door het Lichaam van Christus te ontvangen dan zijn goeden naam te verliezen, is het toch voor den dienstdoenden priester erger een doodzonde te doen door tegen de rechtvaardigheid in het verlies van goeden naam te bezorgen aan een geheimen zondaar dan dat deze laatste een doodzonde doet, aangezien men nooit een doodzonde moet bedrijven om een ander voor een doodzonde te behoeden. Vandaar dat Augustinus zegt: « Niets is gevaarlijker dan dezen ruil aan te gaan, dat wij iets kwaads doen, opdat een ander geen erger kwaad doet ». Wel moest de geheime zondaar liever zijn goeden naam willen verliezen dan onwaardig tot de tafel des Heeren te naderen.2. Hoewel het voor een geheimen zondaar erger is een doodzonde te doen door het Lichaam van Christus te ontvangen dan zijn goeden naam te verliezen, is het toch voor de dienstdoende priester erger een doodzonde te doen door tegen de rechtvaardigheid in het verlies van goeden naam te bezorgen aan een geheimen zondaar dan dat deze laatste een doodzonde doet, aangezien men nooit een doodzonde moet bedrijven om een ander voor een doodzonde te behoeden. Vandaar dat Augustinus zegt: “Niets is gevaarlijker dan deze ruil aan te gaan, dat wij iets kwaads doen, opdat een ander geen erger kwaad doet”. Wel moest de geheime zondaar liever zijn goeden naam willen verliezen dan onwaardig tot de tafel van de Heer te naderen.

Hostia tamen non consecrata nullo modo debet dari loco consecratae, quia sacerdos hoc faciens, quantum in se est, facit idololatrare 287illos qui credunt esse hostiam consecratam, sive alios praesentes sive etiam ipsum sumentem; quia, ut Augustinus dicit [in Psal. 98. v. 5], « nemo carnem Christi manducet nisi prius adoret ». Unde extra, De Celebratione Missarum [cap.: De homine], dicitur: « Licet is, qui pro sui criminis conscientia reputat se indignum, peccet graviter si se ingerat irreverenter ad illud1, gravius tamen videtur offendere qui fraudulenter illud praesumpserit simulare ».

Een ongeconsecreerde hostie moet men evenwel in geen geval 287in de plaats van een geconsecreerde geven, daar de priester, die aldus te werk gaat, voorzoover het van hem afhangt afgoderij laat begaan door hen, die meenen dat het een geconsecreerde hostie is d.w.z. de overige aanwezigen of ook wel den ontvanger, want, zooals Augustinus zegt: « Niemand ete het Vleesch van Christus zonder het eerst te aanbidden ». Daarom heet het in een Extra: « Hoewel degene, die in schuldbewustzijn zich onwaardig erkent, zwaar zondigt, als hij oneerbiediglijk nadert, lijkt toch hij zwaarder te misdoen, die zich vermeet bedrog te plegen en het Lichaam van Christus slechts schijnbaar geeft ».Een ongeconsecreerde hostie moet men evenwel in geen geval 287in de plaats van een geconsecreerde geven, daar de priester, die aldus te werk gaat, voorzover het van hem afhangt afgoderij laat begaan door hen, die menen dat het een geconsecreerde hostie is d.w.z. de overige aanwezigen of ook wel de ontvanger, want, zoals Augustinus zegt: “Niemand ete het Vlees van Christus zonder het eerst te aanbidden”. Daarom heet het in een Extra: “Hoewel degene, die in schuldbewustzijn zich onwaardig erkent, zwaar zondigt, als hij oneerbiediglijk nadert, lijkt toch hij zwaarder te misdoen, die zich vermeet bedrog te plegen en het Lichaam van Christus slechts schijnbaar geeft”.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod Decreta illa sunt abrogata per contraria documenta Romanorum Pontificum. Dicit enim Stephanus papa: « Ferri candentis vel aquae ferventis examinatione confessionem extorqueri a quolibet, sacri canones non concedunt. Spontanea enim confessione vel testium approbatione, publica2 delicta commissa sunt regimini nostro judicare: occulta vero et incognita illi sunt relinquenda, qui solus novit corda filiorum hominum ». Et idem habetur extra, De Purgationibus [cap.: Ex tuarum]. 288In omnibus enim talibus esse videtur Dei tentatio: unde sine peccato fieri non possunt. Et gravius videretur si in hoc sacramento quod est institutum ad remedium salutis, aliquis incurreret judicium mortis. Unde nullo modo corpus Christi debet dari alicui suspecto de crimine quasi ad examinationem.

3. Die besluiten zijn afgeschaft door tegengestelde documenten van de Romeinsche Opperpriesters. Zoo zegt Paus Stephanus: « De heilige rechtsregels veroorloven niet van iemand bekentenis af te dwingen door hem te onderwerpen aan de proef van gloeiend ijzer of kokend water; want het is door een vrijwillige bekentenis of door de verklaring van getuigen, dat openbare misdrijven onder onze rechtspraak vallen; daarentegen zijn geheime en onbekende misdrijven over te laten aan Hem, die alleen de harten der menschenkinderen kent ». En hetzelfde vindt men in een Extra. Al dergelijke dingen schijnen immers een verzoeken van God in te houden, weshalve zij niet kunnen 288gebeuren zonder zonde. En het geval zou wel erger zijn, als iemand in dit voor ons heil ingesteld Sacrament een oordeel des doods zou inloopen. Daarom is het nooit geoorloofd het Lichaam van Christus bij wijze van proef te geven aan iemand, die van een misdrijf verdacht wordt.3. Die besluiten zijn afgeschaft door tegengestelde documenten van de Romeinse Opperpriesters. Zo zegt Paus Stephanus: “De heilige rechtsregels veroorloven niet van iemand bekentenis af te dwingen door hem te onderwerpen aan de proef van gloeiend ijzer of kokend water; want het is door een vrijwillige bekentenis of door de verklaring van getuigen, dat openbare misdrijven onder onze rechtspraak vallen; daarentegen zijn geheime en onbekende misdrijven over te laten aan Hem, die alleen de harten van de mensenkinderen kent”. En hetzelfde vindt men in een Extra. Al dergelijke dingen schijnen immers een verzoeken van God in te houden, weshalve zij niet kunnen 288gebeuren zonder zonde. En het geval zou wel erger zijn, als iemand in dit voor ons heil ingesteld Sacrament een oordeel van de dood zou inlopen. Daarom is het nooit geoorloofd het Lichaam van Christus bij wijze van proef te geven aan iemand, die van een misdrijf verdacht wordt.

Articulus VII

Utrum nocturna pollutio aliquem impediat a sumptione hujus sacramenti

[4. Dist. 9. art. 4. qla. 2.]
VIIe Artikel

Is een nachtelijke bevlekking voor iemand een beletsel dit Sacrament te ontvangen?

antwoord 1 ↓

288Ad septimum sic proceditur. Videtur quod nocturna pollutio non impediat aliquem a sumptione corporis Christi. Nullus enim impeditur a sumptione corporis Christi nisi propter peccatum. Sed nocturna pollutio accidit sine peccato. Dicit enim Augustinus 12. super Gen. ad literam [cap. 15.] : « Ipsa phantasia quae fit in cogitatione sermocinantis, cum sic expressa fuerit in visione somniantis, ut inter illam et veram conjunctionem corporum non 289discernatur, continuo movetur caro, et sequitur quod eum motum sequi solet, cum hoc tam sine peccato fiat, quam sine peccato a vigilantibus dicitur quod, ut diceretur, procul dubio cogitatum est ». Ergo nocturna pollutio non impedit hominem ab hujus sacramenti sumptione.

288Bedenkingen. — Men beweert, dat een nachtelijke bevlekking voor iemand geen beletsel is het Lichaam van Christus te ontvangen. — 1. Niets immers behalve de zonde belet iemand het Lichaam van Christus te ontvangen. Nu heeft een nachtelijke bevlekking zonder zonde plaats, aangezien Augustinus zegt: « Wanneer de phantasievoorstelling, welke ook optreedt bij het denken als men spreekt, in het beeld van den droomer zoo uitdrukkelijk is geworden, dat er tusschen haar en de werkelijke vereeniging van de lichamen geen verschil wordt waargenomen, komt onmiddellijk het lichaam in beweging en volgt wat op die 289beweging pleegt te volgen, hetgeen niet minder zonder zonde gebeurt dan er zonder zonde in waaktoestand over gesproken wordt, waaraan toch zonder twijfel de gedachte moet zijn voorafgegaan ». Dus wordt de mensch door een nachtelijke bevlekking niet belet dit Sacrament te ontvangen.288Bedenkingen. — Men beweert, dat een nachtelijke bevlekking voor iemand geen beletsel is het Lichaam van Christus te ontvangen. — 1. Niets immers behalve de zonde belet iemand het Lichaam van Christus te ontvangen. Nu heeft een nachtelijke bevlekking zonder zonde plaats, aangezien Augustinus zegt: “Wanneer de fantasievoorstelling, welke ook optreedt bij het denken als men spreekt, in het beeld van de dromer zo uitdrukkelijk is geworden, dat er tussen haar en de werkelijke vereniging van de lichamen geen verschil wordt waargenomen, komt onmiddellijk het lichaam in beweging en volgt wat op die 289beweging pleegt te volgen, hetgeen niet minder zonder zonde gebeurt dan er zonder zonde in waaktoestand over gesproken wordt, waaraan toch zonder twijfel de gedachte moet zijn voorafgegaan”. Dus wordt de mens door een nachtelijke bevlekking niet belet dit Sacrament te ontvangen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Gregorius dicit in epistola ad Augustinum episcopum Anglorum [lib. 12. Regist. epist. 31. ad interrogat. 10.] : « Si quis sua conjuge, non cupidine voluptatis raptus, sed tantum creandorum liberorum gratia utitur, ille profecto, sive de ingressu Ecclesiae, sive de sumendo corporis Dominici mysterio suo est judicio relinquendus: quia prohiberi a nobis non debet accipere qui, in igne positus, nescit ardere ». Ex quo patet quod carnalis pollutio etiam vigilantis, si sit sine peccato, non prohibet hominem a sumptione corporis Christi. Multo igitur minus prohibet nocturna pollutio dormientis.

2. Gregorius zegt: « Als iemand niet als gevangene van lustbegeerte maar alleen om kinderen voort te brengen tot zijn vrouw ingaat, moet men hem in zake van kerkbezoek of van het ontvangen van het Geheim van 's Heeren Lichaam aan zijn eigen oordeel overlaten, want iemand, die in het vuur geplaatst van geen branden weet, heeft van ons geen afwijzing af te wachten ». Hieruit blijkt, dat een lichamelijke bevlekking zelfs in waaktoestand, mits zij maar zonder zonde is, den mensch niet belet het Lichaam van Christus te ontvangen. Veel minder vormt dus een beletsel de nachtelijke bevlekking in slaaptoestand.2. Gregorius zegt: “Als iemand niet als gevangene van lustbegeerte maar alleen om kinderen voort te brengen tot zijn vrouw ingaat, moet men hem in zake van kerkbezoek of van het ontvangen van het Geheim van 's Heren Lichaam aan zijn eigen oordeel overlaten, want iemand, die in het vuur geplaatst van geen branden weet, heeft van ons geen afwijzing af te wachten”. Hieruit blijkt, dat een lichamelijke bevlekking zelfs in waaktoestand, mits zij maar zonder zonde is, de mens niet belet het Lichaam van Christus te ontvangen. Veel minder vormt dus een beletsel de nachtelijke bevlekking in slaaptoestand.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, nocturna pollutio videtur solam immunditiam corporalem habere. Sed aliae immunditiae corporales, quae secundum legem impediebant ab ingressu sanctorum, in nova lege non impediunt a sumptione hujus sacramenti: sicut de muliere pariente, vel menstruata, vel fluxum sanguinis patiente 290scribit beatus Gregorius Augustino Anglorum episcopo [loc. cit.]. Ergo videtur quod neque etiam nocturna pollutio impediat hominem a sumptione hujus sacramenti.

3. Een nachtelijke bevlekking schijnt alleen maar een lichamelijke onreinheid te behelzen. Nu zijn andere lichamelijke onreinheden, die volgens de Wet beletten het Heilige binnen te gaan, in de Nieuwe Wet geen beletsel dit Sacrament te ontvangen, zooals de Zalige Gregorius aan Augustinus, den bisschop der Engelschen schrijft aangaande een vrouw die zwanger is 290of de maandstonde heeft of aan bloedvloeiing lijdt. Dus schijnt ook een nachtelijke bevlekking den mensch niet te beletten dit Sacrament te ontvangen.3. Een nachtelijke bevlekking schijnt alleen maar een lichamelijke onreinheid te behelzen. Nu zijn andere lichamelijke onreinheden, die volgens de Wet beletten het Heilige binnen te gaan, in de Nieuwe Wet geen beletsel dit Sacrament te ontvangen, zoals de Zalige Gregorius aan Augustinus, de bisschop van de Engelsen schrijft aangaande een vrouw die zwanger is 290of de maandstonde heeft of aan bloedvloeiing lijdt. Dus schijnt ook een nachtelijke bevlekking de mens niet te beletten dit Sacrament te ontvangen.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, peccatum veniale non impedit hominem a sumptione hujus sacramenti: sed nec etiam peccatum mortale post poenitentiam. Sed dato quod nocturna pollutio provenerit ex aliquo peccato praecedenti sive crapulae sive turpium cogitationum, plerumque tale peccatum est veniale: et si aliquando sit mortale, potest contingere quod de mane poenitet, et peccatum suum confitetur. Ergo videtur quod non debeat impediri a sumptione hujus sacramenti.

4. Een dagelijksche zonde belet den mensch niet dit Sacrament te ontvangen, evenmin een doodzonde na gedane boete. Welnu, aangenomen dat de nachtelijke bevlekking zou zijn voortgekomen uit een voorafgaande zonde b.v. een roes of oneerbare gedachten, dan is zulk een zonde toch meestal een dagelijksche; en als het een keer doodzonde mocht zijn, kan het gebeuren, dat men den volgenden morgen berouw heeft en zijn zonde biecht. En dus schijnt zoo iemand geen beletsel te hebben dit Sacrament te ontvangen.4. Een dagelijkse zonde belet de mens niet dit Sacrament te ontvangen, evenmin een doodzonde na gedane boete. Welnu, aangenomen dat de nachtelijke bevlekking zou zijn voortgekomen uit een voorafgaande zonde bv. een roes of oneerbare gedachten, dan is zulk een zonde toch meestal een dagelijkse; en als het een keer doodzonde mocht zijn, kan het gebeuren, dat men de volgende morgen berouw heeft en zijn zonde biecht. En dus schijnt zo iemand geen beletsel te hebben dit Sacrament te ontvangen.

antwoord 5 ↓

5. Praeterea, gravius peccatum est homicidii quam fornicationis. Sed si aliquis de nocte somniet se homicidium perpetrare aut furtum, aut quodcumque aliud peccatum, non propter hoc impeditur a sumptione corporis Christi. Ergo videtur quod multo minus fornicatio somniata, cum pollutione subsequente, impediat a sumptione hujus sacramenti.

5. De zonde van moord is erger dan die van ontucht. Welnu, wanneer iemand 's nachts droomt, dat hij een moord bedrijft of een diefstal of welke andere zonde ook, wordt hij daardoor niet belet het Lichaam van Christus te ontvangen. Dus is nog veel minder gedroomde ontucht met daarop volgende bevlekking een beletsel dit Sacrament te ontvangen.

Sed contra est, quod Levit. 15. [v. 16] dicitur: « Vir de quo egreditur 291semen coitus, immundus erit usque ad vesperum ». Sed immundis non patet aditus ad sacramenta. Ergo videtur quod propter pollutionem nocturnam aliquis impediatur a sumptione hujus sacramenti quod est maximum sacramentum.

Daartegenover staat echter, dat in het Boek Leviticus (15. 16) gezegd wordt: « De man, uit wien het zaad der samenleving 291zal uitgaan, zal onrein zijn tot den avond ». Onreinen echter hebben geen toegang tot de sacramenten. Dus schijnt nachtelijke bevlekking iemand te beletten dit allergrootste onder de sacramenten te ontvangen.Daartegenover staat echter, dat in het Boek Leviticus (15, 16) gezegd wordt: “De man, uit wie het zaad van de samenleving 291zal uitgaan, zal onrein zijn tot de avond”. Onreinen echter hebben geen toegang tot de sacramenten. Dus schijnt nachtelijke bevlekking iemand te beletten dit allergrootste onder de sacramenten te ontvangen.

Respondeo dicendum quod circa pollutionem nocturnam duo possunt considerari: unum quidem, ratione cujus ex necessitate impedit hominem a sumptione hujus sacramenti; aliud autem, ratione cujus non ex necessitate impedit hominem, sed ex quadam congruentia.

Leerstelling. — Met betrekking tot de nachtelijke bevlekking kan men twee punten in oogenschouw nemen: vooreerst datgene wat den mensch dwingend belet dit Sacrament te ontvangen, vervolgens datgene wat den mensch niet dwingend, maar krachtens een zekere gevoegelijkheid belet dit Sacrament te nuttigen.Leerstelling. — Met betrekking tot de nachtelijke bevlekking kan men twee punten in ogenschouw nemen: vooreerst datgene wat de mens dwingend belet dit Sacrament te ontvangen, vervolgens datgene wat de mens niet dwingend, maar krachtens een zekere gevoegelijkheid belet dit Sacrament te nuttigen.

Ex necessitate quidem impedit hominem ab hujus sacramenti perceptione solum peccatum mortale. Et quamvis nocturna ipsa pollutio, secundum se considerata, peccatum mortale esse non possit, nihilominus tamen ratione suae causae quandoque habet peccatum mortale annexum. Et ideo consideranda est causa pollutionis nocturnae. Quandoque enim provenit a causa extrinseca spirituali, scilicet ex daemonum illusione, qui, sicut in 1. habitum est [q. 111. art. 3.], phantasmata commovere possunt ex quorum apparitione pollutio interdum subsequitur. Quandoque vero provenit pollutio 292ex causa intrinseca spirituali, scilicet ex praecedentibus cogitationibus. Aliquando autem ex causa intrinseca corporali: vel ex superfluitate sive debilitate naturae; sive etiam ex superfluitate cibi vel potus. Quaelibet autem harum trium causarum potest et sine peccato, et cum peccato veniali, vel mortali existere. Et si quidem sit sine peccato vel cum peccato veniali, non ex necessitate impedit sumptionem hujus sacramenti, ita scilicet quod homo sumendo sit reus corporis et sanguinis Domini. Si vero sit cum peccato mortali, impedit ex necessitate.

Alleen de doodzonde is voor den mensch een dwingend beletsel dit Sacrament te nuttigen. Hoewel nu de nachtelijke bevlekking op zich beschouwd geen doodzonde kan zijn, heeft zij soms toch uit hoofde van haar oorzaak een doodzonde aan zich verbonden. En dus moet men zien naar de oorzaak van de nachtelijke bevlekking. Soms dan ontstaat zij tengevolge van een uitwendige geestelijke oorzaak nl. door een voorspiegeling van de duivels, die zooals in het Eerste Deel gezegd is (111e Kw. 3e Art.), phantasiebeelden kunnen oproepen, uit wier optreden bij tijd en wijle een bevlekking volgt. Soms echter ontstaat de bevlekking uit een uitwendige geestelijke oorzaak nl. uit 292voorafgaande gedachten. Soms ook wel uit een inwendige lichamelijke oorzaak d.w.z. uit overtolligheid of zwakte van de natuur of ook uit overtolligheid van eten en drinken. Ieder van deze drie oorzaken kan zich voordoen zonder zonde en ook met dagelijksche zonde of doodzonde. Als zij zich voordoet zonder zonde of met een dagelijksche zonde, is zij geen dwingend beletsel voor het ontvangen van dit Sacrament in dien zin, dat men door het te ontvangen schuldig zou zijn aan het Lichaam en Bloed des Heeren. Doet zij zich echter met een doodzonde voor, dan is zij een dwingend beletsel.Alleen de doodzonde is voor de mens een dwingend beletsel dit Sacrament te nuttigen. Hoewel nu de nachtelijke bevlekking op zich beschouwd geen doodzonde kan zijn, heeft zij soms toch uit hoofde van haar oorzaak een doodzonde aan zich verbonden. En dus moet men zien naar de oorzaak van de nachtelijke bevlekking. Soms dan ontstaat zij tengevolge van een uitwendige geestelijke oorzaak nl. door een voorspiegeling van de duivels, die zoals in het Eerste Deel gezegd is (111e Kw. 3e Art.), fantasiebeelden kunnen oproepen, uit wier optreden bij tijd en wijle een bevlekking volgt. Soms echter ontstaat de bevlekking uit een uitwendige geestelijke oorzaak nl. uit 292voorafgaande gedachten. Soms ook wel uit een inwendige lichamelijke oorzaak d.w.z. uit overtolligheid of zwakte van de natuur of ook uit overtolligheid van eten en drinken. Ieder van deze drie oorzaken kan zich voordoen zonder zonde en ook met dagelijkse zonde of doodzonde. Als zij zich voordoet zonder zonde of met een dagelijkse zonde, is zij geen dwingend beletsel voor het ontvangen van dit Sacrament in die zin, dat men door het te ontvangen schuldig zou zijn aan het Lichaam en Bloed van de Heer. Doet zij zich echter met een doodzonde voor, dan is zij een dwingend beletsel.

Illusio enim daemonum quandoque provenit ex praecedenti negligentia praeparationis ad devotionem; quae potest esse et mortale et veniale peccatum. Quandoque vero provenit ex sola nequitia daemonum volentium impedire hominem a sumptione hujus sacramenti. Unde legitur in Collationibus Patrum [collat. 22. cap. 6.], quod cum quidam frater pateretur pollutionem semper in festis in quibus erat communicandum, seniores comperto quod nulla causa ab ipso praecesserat, decreverunt quod propter hoc a communione non cessaret: et ita cessavit illusio daemonum.

Een voorspiegeling van duivelswege ontstaat immers nu eens uit een voorafgaande nalatigheid in de voorbereiding tot de juiste gesteldheid, wat doodzonde en dagelijksche zonde kan zijn, dan weer uit niets anders dan de boosheid van de duivels, die den mensch willen verhinderen dit Sacrament te ontvangen. Vandaar dat in de Gesprekken met de Vaders geschreven staat, dat toen een broeder altijd op de feesten, waarop men placht te communiceeren, aan een bevlekking onderhevig was, de ouderen, na vastgesteld te hebben dat hij zelf volstrekt geen oorzaak was, hebben bepaald, dat hij zich daarom niet van de Communie zou afhouden en zoo hield de voorspiegeling des duivels op.Een voorspiegeling van duivelswege ontstaat immers nu eens uit een voorafgaande nalatigheid in de voorbereiding tot de juiste gesteldheid, wat doodzonde en dagelijkse zonde kan zijn, dan weer uit niets anders dan de boosheid van de duivels, die de mens willen verhinderen dit Sacrament te ontvangen. Vandaar dat in de Gesprekken met de Vaders geschreven staat, dat toen een broeder altijd op de feesten, waarop men placht te communiceren, aan een bevlekking onderhevig was, de ouderen, na vastgesteld te hebben dat hij zelf volstrekt geen oorzaak was, hebben bepaald, dat hij zich daarom niet van de Communie zou afhouden en zo hield de voorspiegeling van de duivel op.

293Similiter etiam praecedentes cogitationes lascivae quandoque possunt esse omnino sine peccato: puta cum aliquis causa lectionis vel disputationis cogitur de talibus cogitare. Et si hoc fit sine concupiscentia et delectatione, non erunt cogitationes immundae sed honestae: ex quibus tamen pollutio sequi potest, sicut patet ex auctoritate Augustini supra inducta [arg. 1.]. Quandoque vero praecedentes cogitationes sunt ex concupiscentia et delectatione: et, si adsit consensus, erit peccatum mortale; si autem desit, erit veniale.

293Zoo kunnen ook voorafgaande onreine gedachten geheel zonder zonde zijn b.v. wanneer iemand van wege de les of het dispuut over dergelijke dingen moet denken: als dit zonder begeerte en lust gebeurt, heeft men geen verkeerde gedachten maar goede; en toch kan daaruit een bevlekking volgen, gelijk blijkt uit het boven aangehaalde bewijsstuk uit Augustinus (in de 1e Bed.). Soms echter komen die voorafgaande gedachten van begeerte en lust en dan heeft men doodzonde bij toestemming en bij afwezigheid van toestemming dagelijksche zonde.293Zo kunnen ook voorafgaande onreine gedachten geheel zonder zonde zijn bv. wanneer iemand van wege de les of het dispuut over dergelijke dingen moet denken: als dit zonder begeerte en lust gebeurt, heeft men geen verkeerde gedachten maar goede; en toch kan daaruit een bevlekking volgen, gelijk blijkt uit het boven aangehaalde bewijsstuk uit Augustinus (in de 1e Bed.). Soms echter komen die voorafgaande gedachten van begeerte en lust en dan heeft men doodzonde bij toestemming en bij afwezigheid van toestemming dagelijkse zonde.

Similiter etiam et causa corporalis quandoque est sine peccato: puta cum est ex infirmitate naturae, unde et quidam etiam in vigilando absque peccato fluxum seminis patiuntur; vel etiam si sit ex superfluitate naturae, sicut enim contingit sanguinem fluere absque peccato, ita et semen quod est superfluitas sanguinis, secundum Philosophum [lib. 1. de Gener. Animal. cap. 19.]. Quandoque vero est cum peccato: puta cum provenit ex superfluitate cibi vel potus. Et hoc etiam potest esse peccatum veniale vel mortale; licet frequentius peccatum mortale accidat circa turpes cogitationes, propter facilitatem consensus, quam circa sumptionem cibi et potus. Unde et 294Gregorius [loc. sup. cit.], scribens Augustino Anglorum episcopo dicit, cessandum esse a communione quando ex turpibus cogitationibus provenit, non autem quando provenit ex superfluitate cibi vel potus, praesertim si necessitas adsit.

Zoo is ook de lichamelijke oorzaak soms zonder zonde b.v. wanneer zij komt van zwakte van de natuur: vandaar dat sommigen ook in waaktoestand zonder zonde lijden aan zaadafvloeiing; of ook wanneer zij komt van overtolligheid van de natuur: want zooals er zonder zonde bloedvloeiing kan zijn, zoo ook afvloeiing van het zaad, dat volgens den Wijsgeer een overtolligheid van het bloed is. Maar zij kan ook wel met zonde verbonden zijn b.v. wanneer zij voortkomt uit overtolligheid van eten en drinken; ook dit kan dagelijksche zonde en doodzonde zijn, al zal dan een doodzonde vaker optreden bij onreine gedachten wegens het gemak van toestemmen, dan bij het gebruiken van spijs en drank. Daarom zegt Gregorius in zijn schrijven aan Augustinus, den bisschop der Engelschen, dat men moet afzien 294van de Communie, wanneer de bevlekking voortkomt uit onreine gedachten, niet echter wanneer zij voortkomt uit overtolligheid van eten en drinken, vooral niet als er een dwingende reden is.Zo is ook de lichamelijke oorzaak soms zonder zonde bv. wanneer zij komt van zwakte van de natuur: vandaar dat sommigen ook in waaktoestand zonder zonde lijden aan zaadafvloeiing; of ook wanneer zij komt van overtolligheid van de natuur: want zoals er zonder zonde bloedvloeiing kan zijn, zo ook afvloeiing van het zaad, dat volgens de Wijsgeer een overtolligheid van het bloed is. Maar zij kan ook wel met zonde verbonden zijn bv. wanneer zij voortkomt uit overtolligheid van eten en drinken; ook dit kan dagelijkse zonde en doodzonde zijn, al zal dan een doodzonde vaker optreden bij onreine gedachten wegens het gemak van toestemmen, dan bij het gebruiken van spijs en drank. Daarom zegt Gregorius in zijn schrijven aan Augustinus, de bisschop van de Engelsen, dat men moet afzien 294van de Communie, wanneer de bevlekking voortkomt uit onreine gedachten, niet echter wanneer zij voortkomt uit overtolligheid van eten en drinken, vooral niet als er een dwingende reden is.

Sic igitur ex causa pollutionis considerari potest, utrum nocturna pollutio impediat ex necessitate sumptionem hujus sacramenti.

Naar de oorzaak der bevlekking is derhalve af te meten of een nachtelijke bevlekking het gebruik van dit Sacrament dwingend belet.Naar de oorzaak van de bevlekking is derhalve af te meten of een nachtelijke bevlekking het gebruik van dit Sacrament dwingend belet.

Ex quadam vero congruentia impedit quantum ad duo. Quorum unum semper accidit, scilicet quaedam foeditas corporalis cum qua, propter reverentiam sacramenti, non decet ad altare accedere, unde et volentes tangere aliquid sacrum manus lavant; nisi forte talis immunditia sit perpetua, vel diuturna, sicut est lepra vel fluxus sanguinis, vel aliquid hujusmodi. Aliud autem est evagatio mentis, quae sequitur pollutionem nocturnam, praecipue quando cum turpi imaginatione contingit.

Krachtens een zekere gevoegelijkheid evenwel vormt zij om twee redenen een beletsel; een daarvan is altijd aanwezig nl. een soort lichamelijke onzindelijkheid, die het om den aan het Sacrament verschuldigden eerbied onpassend maakt tot het altaar te naderen (daarom ook wascht men de handen, als men iets heiligs wil aanraken) ; een uitzondering is, wanneer zulk een onreinheid altijddurend of langdurig is b.v. melaatschheid of bloedvloeiing of iets dergelijks. De andere reden is een onrustigheid van den geest, welke op een nachtelijke bevlekking volgt, vooral als deze gepaard gaat met onreine voorstellingen.Krachtens een zekere gevoegelijkheid evenwel vormt zij om twee redenen een beletsel; een daarvan is altijd aanwezig nl. een soort lichamelijke onzindelijkheid, die het om de aan het Sacrament verschuldigden eerbied onpassend maakt tot het altaar te naderen (daarom ook wast men de handen, als men iets heiligs wil aanraken); een uitzondering is, wanneer zulk een onreinheid altijddurend of langdurig is bv. melaatsheid of bloedvloeiing of iets dergelijks. De andere reden is een onrustigheid van de geest, welke op een nachtelijke bevlekking volgt, vooral als deze gepaard gaat met onreine voorstellingen.

Hoc tamen impedimentum quod ex congruitate provenit, postponi debet propter aliquam necessitatem, puta, ut Gregorius dicit [loc. cit. ad interrogat. 11.], « cum fortasse aut festus dies exigit, aut exhibere ministerium, pro eo quod sacerdos alius deest, ipsa necessitas compellit ».

Wel te verstaan is dit op gevoegelijkheid berustend beletsel te verwaarloozen, als iets anders tot het tegenovergestelde dwingt b.v. om met Gregorius te spreken: « wanneer het feest het mocht eischen of tengevolge van de afwezigheid van een anderen priester de noodzaak gebiedt dienstwerk te verrichten ».Wel te verstaan is dit op gevoegelijkheid berustend beletsel te verwaarlozen, als iets anders tot het tegenovergestelde dwingt bv. om met Gregorius te spreken: “wanneer het feest het mocht eisen of tengevolge van de afwezigheid van een anderen priester de noodzaak gebiedt dienstwerk te verrichten”.

↑ bedenking 1

295Ad primum ergo dicendum quod ex necessitate quidem non impeditur homo a sumptione hujus sacramenti, nisi propter peccatum mortale: sed ex quadam convenientia potest homo impediri propter alias causas, sicut dictum est [in corp.].

295Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Alleen de doodzonde is voor den mensch een dwingend beletsel dit Sacrament te ontvangen; maar andere zaken kunnen den mensch volgens een zekere wenschelijkheid beletten, zooals gezegd is (in de Leerst.).295Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Alleen de doodzonde is voor de mens een dwingend beletsel dit Sacrament te ontvangen; maar andere zaken kunnen de mens volgens een zekere wenselijkheid beletten, zoals gezegd is (in de Leerst.).

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod coitus conjugalis, si sit sine peccato, puta si fiat causa prolis generandae vel causa reddendi debitum, non alia ratione impedit sumptionem hujus sacramenti, nisi sicut dictum est [in corp.] de pollutione nocturna quae accidit sine peccato, scilicet propter immunditiam corporalem, et mentis distractionem. Ratione cujus Hieronymus dicit super Matth. [epist. 28. inter op. Hieron.] : « Si panes propositionis ab his qui uxores tetigerant, comedi non poterant, quanto magis panis qui de coelo descendit, non potest ab his qui conjugalibus paulo ante vacavere amplexibus, violari atque contingi? Non quod nuptias condemnemus; sed quod, eo tempore quo carnes agni manducaturi sumus, vacare carnalibus operibus non debeamus »1. Sed quia hoc secundum congruitatem et non 296secundum necessitatem est intelligendum, Gregorius dicit, quod « talis est suo judicio relinquendus ». Si vero « non amor procreandae sobolis, sed voluptas dominatur in opere », ut ibidem Gregorius subdit, tunc prohiberi debet ne accedat ad hoc sacramentum.

2. Als de echtelijke samenleving zonder zonde gebeurt nl, als zij gebeurt om kroost voort te brengen of om aan het recht van de medepartij te voldoen, belet zij het ontvangen van dit Sacrament op geen anderen grond dan die werd aangegeven (in de Leerst.) met betrekking tot de nachtelijke bevlekking, welke zonder zonde gebeurt d.w.z. de lichamelijke onreinheid en de verstrooidheid van den geest, op grond waarvan Hieronymus zegt: « Als de toonbrooden niet mochten worden gegeten door hen, die hun vrouwen hadden aangeraakt, hoeveel te minder mag dan dit van den hemel nedergedaalde brood bezoedeld en betast worden door hen, die zoo juist nog in de armen van hun vrouwen lagen? Niet dat wij het huwelijk veroordeelen, neen, wij bedoelen alleen dat wij ons moeten onthouden van vleeschelijke werken in den tijd, waarin wij het Vleesch van het Lam gaan eten ». Maar daar dit in den zin van wenschelijkheid, niet in den zin van noodzakelijkheid moet worden verstaan, zegt Gregorius dat « zoo iemand is over te laten aan zijn eigen oordeel ». 296Wanneer echter « niet de begeerte om kroost te verwekken, maar de lust bij de samenlevingsdaad overheerscht », zooals Gregorius aldaar laat volgen, dan moet men aan zoo iemand niet veroorlooven tot dit Sacrament te naderen.2. Als de echtelijke samenleving zonder zonde gebeurt nl, als zij gebeurt om kroost voort te brengen of om aan het recht van de medepartij te voldoen, belet zij het ontvangen van dit Sacrament op geen anderen grond dan die werd aangegeven (in de Leerst.) met betrekking tot de nachtelijke bevlekking, welke zonder zonde gebeurt d.w.z. de lichamelijke onreinheid en de verstrooidheid van de geest, op grond waarvan Hieronymus zegt: “Als de toonbroden niet mochten worden gegeten door hen, die hun vrouwen hadden aangeraakt, hoeveel te minder mag dan dit van de hemel nedergedaalde brood bezoedeld en betast worden door hen, die zo juist nog in de armen van hun vrouwen lagen? Niet dat wij het huwelijk veroordelen, neen, wij bedoelen alleen dat wij ons moeten onthouden van vleselijke werken in de tijd, waarin wij het Vlees van het Lam gaan eten”. Maar daar dit in de zin van wenselijkheid, niet in de zin van noodzakelijkheid moet worden verstaan, zegt Gregorius dat “zo iemand is over te laten aan zijn eigen oordeel”. 296Wanneer echter “niet de begeerte om kroost te verwekken, maar de lust bij de samenlevingsdaad overheerst”, zoals Gregorius aldaar laat volgen, dan moet men aan zo iemand niet veroorloven tot dit Sacrament te naderen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod, sicut Gregorius dicit in epistola supradicta ad Augustinum Anglorum episcopum [loc. cit. arg. 2.], in veteri Testamento aliqui polluti dicebantur figuraliter, quod populus novae legis spiritualiter intelligit. Unde hujusmodi corporales immunditiae, si sint perpetuae vel diuturnae, non impediunt sumptionem hujus sacramenti salutaris, sicut impediebant accessum ad sacramenta figuralia. Si vero cito transeant, sicut immunditia pollutionis nocturnae, ex quadam congruentia impediunt sumptionem hujus sacramenti, per illum diem quo hoc accidit. Unde et Deuter. 23. [v. 10, 11] dicitur. « Si fuerit inter vos homo qui nocturno pollutus sit somnio, egredietur extra castra et non revertetur priusquam ad vesperum lavetur aqua ».

3. Zooals Gregorius in den boven vermelden brief aan Augustinus, den bisschop der Engelschen, zegt, werden in het Oude Verbond de menschen soms op een figuurlijke wijze bevlekt genoemd, wat dan het volk van de Nieuwe Wet geestelijk opvat. Dergelijke lichamelijke onreinheden beletten daarom, indien zij altijddurend of langdurig zijn, de ontvangst van dit heilbrengend Sacrament niet, zooals zij wel den toegang tot de figuurlijke sacramenten beletten; indien zij echter gauw voorbijgaan zooals de onreinheid van de nachtelijke bevlekking, dan beletten zij volgens een zekere wenschelijkheid de ontvangst van dit Sacrament voor den dag, waarop het feit heeft plaats gehad. In het Boek Deuteronomium (23, 10. 11) heet het dan ook: « Als er onder u een man is, die 's nachts in een droom is bevlekt, zal hij buiten de legerplaats gaan en niet terugkeeren vóór hij zich 's avonds met water afwassche ».3. Zoals Gregorius in de boven vermelden brief aan Augustinus, de bisschop van de Engelsen, zegt, werden in het Oude Verbond de mensen soms op een figuurlijke wijze bevlekt genoemd, wat dan het volk van de Nieuwe Wet geestelijk opvat. Dergelijke lichamelijke onreinheden beletten daarom, indien zij altijddurend of langdurig zijn, de ontvangst van dit heilbrengend Sacrament niet, zoals zij wel de toegang tot de figuurlijke sacramenten beletten; indien zij echter gauw voorbijgaan zoals de onreinheid van de nachtelijke bevlekking, dan beletten zij volgens een zekere wenselijkheid de ontvangst van dit Sacrament voor de dag, waarop het feit heeft plaats gehad. In het Boek Deuteronomium (23, 10. 11) heet het dan ook: “Als er onder u een man is, die 's nachts in een droom is bevlekt, zal hij buiten de legerplaats gaan en niet terugkeren vóór hij zich 's avonds met water afwasse”.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum quod, licet per contritionem et confessionem auferatur reatus culpae, non tamen aufertur corporalis immunditia et distractio 297mentis ex pollutione consecuta.

4. Hoewel door berouw en belijdenis de zondeschuld wordt weggenomen, wordt toch niet weggenomen de uit de bevlekking 297voortgekomen lichamelijke onreinheid en verstrooidheid des geestes.4. Hoewel door berouw en belijdenis de zondeschuld wordt weggenomen, wordt toch niet weggenomen de uit de bevlekking 297voortgekomen lichamelijke onreinheid en verstrooidheid van de geest.

↑ bedenking 5

Ad quintum dicendum quod somnium homicidii non inducit corporalem immunditiam, nec etiam tantam distractionem mentis sicut fornicatio somniata propter delectationis intensionem. Si tamen somnium homicidii proveniat ex causa quae est peccatum, praesertim mortale, impedit a sumptione hujus sacramenti ratione suae causae.

5. Over een moord droomen bezorgt geen lichamelijke onreinheid en ook niet zulk een verstrooidheid des geestes als een droom van ontucht, die zoo'n sterke wellust meebrengt; toch belet een moorddroom op grond van zijn oorzaak het ontvangen van dit Sacrament, als hij voortkomt van een oorzaak, die zonde is, vooral als het om een doodzonde gaat.5. Over een moord dromen bezorgt geen lichamelijke onreinheid en ook niet zulk een verstrooidheid van de geest als een droom van ontucht, die zo'n sterke wellust meebrengt; toch belet een moorddroom op grond van zijn oorzaak het ontvangen van dit Sacrament, als hij voortkomt van een oorzaak, die zonde is, vooral als het om een doodzonde gaat.

Articulus VIII

Utrum cibus vel potus praeassumptus impediat sumptionem hujus sacramenti

[2-2. q. 147. art. 6. ad 2; 4. Dist. 8. q. 1. art. 4. qla. 1, 2; 1 ad Cor. cap. 11. lect. 4.]
VIIIe Artikel

Is vooraf genuttigde spijs of drank een beletsel voor het ontvangen van dit Sacrament?

antwoord 1 ↓

Ad octavum sic proceditur. Videtur quod cibus vel potus praeassumptus non impediat sumptionem hujus sacramenti. Hoc enim sacramentum est a Domino institutum in coena. Sed Dominus, postquam coenavit, hoc sacramentum discipulis suis tradidit, sicut patet, Luc. 22. [v. 20] et 1. Cor. 29811. [v. 25] : Ergo videtur quod etiam post alios cibos assumptos nos debeamus sumere hoc sacramentum.

Bedenkingen. — Men beweert, dat vooraf genuttigde spijs of drank het ontvangen van dit Sacrament niet belet. — 1. Dit Sacrament is door den Heer immers ingesteld bij het Laatste Avondmaal. Nu heeft de Heer dit Sacrament aan Zijn leerlingen uitgedeeld, nadat Hij van dat Avondmaal gegeten had, zooals blijkt in Lucas (22. 20) en in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (11. 25). Dus schijnen ook wij dit Sacrament te 298moeten ontvangen na eerst andere spijzen te hebben gebruikt.Bedenkingen. — Men beweert, dat vooraf genuttigde spijs of drank het ontvangen van dit Sacrament niet belet. — 1. Dit Sacrament is door de Heer immers ingesteld bij het Laatste Avondmaal. Nu heeft de Heer dit Sacrament aan Zijn leerlingen uitgedeeld, nadat Hij van dat Avondmaal gegeten had, zoals blijkt in Lukas (22, 20) en in de Eerste Brief aan de Korintiërs (11, 25). Dus schijnen ook wij dit Sacrament te 298moeten ontvangen na eerst andere spijzen te hebben gebruikt.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, 1 Cor. 11. [v. 33, 34] dicitur: « Cum convenitis ad manducandam », scilicet corpus Domini, « invicem expectate: si quis autem esurit, domi manducet ». Et ita videtur quod postquam aliquis domi manducaverit, possit in Ecclesia corpus Christi manducare.

2. In den Eersten Brief aan de Corinthiërs (11. 33, 34) wordt gezegd: « Wanneer gij samenkomt om (het Lichaam des Heeren) te eten, wacht dan op elkaar; als iemand honger heeft, dat hij thuis ete ». En dus schijnt men in de kerk het Lichaam des Heeren te kunnen eten, nadat men thuis reeds gegeten heeft.2. In de Eerste Brief aan de Korintiërs (11, 33, 34) wordt gezegd: “Wanneer gij samenkomt om (het Lichaam van de Heer) te eten, wacht dan op elkaar; als iemand honger heeft, dat hij thuis ete”. En dus schijnt men in de kerk het Lichaam van de Heer te kunnen eten, nadat men thuis reeds gegeten heeft.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, in Concilio Carthaginensi [3. can. 29.] legitur, et habetur De Consecr. [Dist. 1. cap. 49.] : « Sacramenta altaris non nisi a jejunis hominibus celebrentur, excepto uno die anniversario quo coena Domini celebratur ». Ergo saltem illa die aliquis potest corpus Christi post alios cibos sumere.

3. In de Derde Kerkvergadering van Carthago heet het: « Het Sacrament des Altaars mag slechts gevierd worden door hen, die nog nuchter zijn, behalve op den dag, waarop men den verjaardag viert van 's Heeren Avondmaal ». Dus schijnt men althans op dien dag het Lichaam van Christus te mogen eten na andere spijzen.3. In de Derde Kerkvergadering van Carthago heet het: “Het Sacrament van het Altaar mag slechts gevierd worden door hen, die nog nuchter zijn, behalve op de dag, waarop men de verjaardag viert van 's Heren Avondmaal”. Dus schijnt men althans op die dag het Lichaam van Christus te mogen eten na andere spijzen.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, sumptio aquae vel medicinae, vel alterius cibi vel potus in minima quantitate, vel reliquiarum cibi in ore manentium, neque jejunium Ecclesiae solvit neque sobrietatem tollit, quae exigitur ad hoc quod aliquis reverenter sumat hoc sacramentum. Ergo per praedicta non impeditur aliquis a sumptione hujus sacramenti.

4. Dat iemand water gebruikt of een geneesmiddel of een andere spijs of drank in zeer kleine hoeveelheid of dat iemand overblijfselen van spijzen in den mond heeft, is niet strijdig met de kerkelijke vasten noch met de soberheid, welke gevorderd wordt voor het met eerbied ontvangen van dit Sacrament. Dus beletten die dingen niet dit Sacrament te ontvangen.4. Dat iemand water gebruikt of een geneesmiddel of een andere spijs of drank in zeer kleine hoeveelheid of dat iemand overblijfselen van spijzen in de mond heeft, is niet strijdig met de kerkelijke vasten noch met de soberheid, welke gevorderd wordt voor het met eerbied ontvangen van dit Sacrament. Dus beletten die dingen niet dit Sacrament te ontvangen.

antwoord 5 ↓

5. Praeterea, quidam de nocte profunda comedunt aut bibunt, et forte 299totam noctem insomnem ducentes, de mane percipiunt sacra mysteria nondum plene digesti. Minus autem impediretur sobrietas hominis, si in mane parum comederet, et postea circa nonam sumeret hoc sacramentum: cum etiam sit quandoque major distantia temporis. Ergo videtur quod talis cibi praeassumptio non impediat hominem ab hoc sacramento.

5. Sommigen eten of drinken nog laat in den nacht, brengen misschien den heelen nacht slapeloos door en ontvangen dan vroeg in den morgen de heilige Geheimen, terwijl de vertering 299nog niet heelemaal is afgeloopen. Voorwaar zou iemands soberheid minder in het gedrang komen, als hij vroeg in den morgen een kleinigheid zou eten en dan omstreeks het negende uur dit Sacrament zou ontvangen, terwijl in dat geval ook het verschil van tijd soms grooter zou zijn. Dus schijnt op die manier van te voren spijs gebruiken den mensch van dit Sacrament niet uit te sluiten.5. Sommigen eten of drinken nog laat in de nacht, brengen misschien de hele nacht slapeloos door en ontvangen dan vroeg in de morgen de heilige Geheimen, terwijl de vertering 299nog niet helemaal is afgelopen. Voorwaar zou iemands soberheid minder in het gedrang komen, als hij vroeg in de morgen een kleinigheid zou eten en dan omstreeks het negende uur dit Sacrament zou ontvangen, terwijl in dat geval ook het verschil van tijd soms groter zou zijn. Dus schijnt op die manier van te voren spijs gebruiken de mens van dit Sacrament niet uit te sluiten.

antwoord 6 ↓

6. Praeterea, non minor reverentia debetur huic sacramento jam sumpto quam ante sumptionem. Sed sumpto sacramento, licet cibum aut potum sumere. Ergo et ante sumptionem.

6. Men is geen minderen eerbied aan dit Sacrament na het gebruik dan vóór het gebruik verschuldigd. Nu is het geoorloofd spijs of drank te gebruiken na het gebruik van het Sacrament. Dus ook vóór het gebruik.

Sed contra est quod Augustinus dicit in lib. Responsionum ad Januarium [epist. 118. cap. 6.] : « Placuit Spiritui Sancto, ut in honorem tanti sacramenti, prius in os christiani corpus Dominicum intraret quam caeteri cibi ».

Daartegenover staat echter het woord van Augustinus: « Het is tot eer van zulk een Sacrament aan den H. Geest goed voorgekomen, dat het Lichaam des Heeren in den mond van den christen zou voorafgaan aan de andere spijzen ».Daartegenover staat echter het woord van Augustinus: “Het is tot eer van zulk een Sacrament aan de H. Geest goed voorgekomen, dat het Lichaam van de Heer in de mond van de christen zou voorafgaan aan de andere spijzen”.

Respondeo dicendum quod aliquid impedit sumptionem hujus sacramenti dupliciter. Uno modo, secundum esse: sicut peccatum mortale, quod habet repugnantiam ad significatum hujus sacramenti, ut supra dictum est [art. 4.].

Leerstelling. — Iets kan op twee manieren het ontvangen van dit Sacrament beletten. Vooreerst op zich, en dat geldt van de doodzonde, welke, zooals boven is gezegd (4e Art.), strijdt met de beteekenis van dit Sacrament.Leerstelling. — Iets kan op twee manieren het ontvangen van dit Sacrament beletten. Vooreerst op zich, en dat geldt van de doodzonde, welke, zoals boven is gezegd (4e Art.), strijdt met de betekenis van dit Sacrament.

300Alio modo, propter prohibitionem Ecclesiae. Et sic impeditur aliquis a sumptione hujus sacramenti post cibum et potum assumptum, triplici ratione. Primo quidem, sicut Augustinus dicit [loc. cit.] « in honorem hujus sacramenti »: ut scilicet in os hominis intret nondum aliquo cibo vel potu infectum. Secundo, propter significationem: ut scilicet detur intelligi, quod Christus, qui est res hujus sacramenti, et charitas ejus, debet primo fundari in cordibus nostris; secundum illud Matth. 6. [v. 33] : « Quaerite primum regnum Dei ». Tertio, propter periculum vomitus et ebrietatis, quae quandoque contingunt ex hoc quod homines inordinate cibis utuntur, sicut et Apostolus dicit 1. Cor. 11. [v. 21] : « Alius quidem esurit, alius autem ebrius est ».

Vervolgens krachtens 300verbod van de Kerk, en op die manier is men van het ontvangen van dit Sacrament uitgesloten tengevolge van het gebruik van spijs en drank en wel om drie redenen. Op de eerste plaats, zooals Augustinus zegt, « tot eer van dit Sacrament », opdat het nl. in een nog niet door eenige spijs of drank bezoedelden mond kome. Op de tweede plaats vanwege de beteekenis, opdat nl. te verstaan gegeven worde, dat Christus, die de werkelijkheid is van dit Sacrament, en Zijn liefde den eersten grondslag moet vormen in onze harten, volgens het gezegde van Mattheus (6. 33) : « Zoekt eerst het Rijk Gods ». Op de derde plaats vanwege het gevaar van braking en dronkenschap, welke wel eens voorkomen, doordat de menschen spijs gebruiken op een ongeordende wijze, zooals ook de Apostel aangeeft: « De een heeft honger, terwijl de andere dronken is ».Vervolgens krachtens 300verbod van de Kerk, en op die manier is men van het ontvangen van dit Sacrament uitgesloten tengevolge van het gebruik van spijs en drank en wel om drie redenen. Op de eerste plaats, zoals Augustinus zegt, “tot eer van dit Sacrament”, opdat het nl. in een nog niet door enige spijs of drank bezoedelden mond kome. Op de tweede plaats vanwege de betekenis, opdat nl. te verstaan gegeven worde, dat Christus, die de werkelijkheid is van dit Sacrament, en Zijn liefde de eerste grondslag moet vormen in onze harten, volgens het gezegde van Matteüs (6, 33): “Zoekt eerst het Rijk Gods”. Op de derde plaats vanwege het gevaar van braking en dronkenschap, welke wel eens voorkomen, doordat de mensen spijs gebruiken op een ongeordende wijze, zoals ook de Apostel aangeeft: “De een heeft honger, terwijl de andere dronken is”.

Ab hac tamen generali regula excipiuntur infirmi, qui statim communicandi sunt, etiam post cibum, si de eorum periculo dubitatur, ne sine communione decedant: quia necessitas legem non habet. Unde dicitur De Consecr. [Dist. 2. cap. 93.] : « Presbyter infirmum statim communicet, ne sine communione moriatur ».

Een uitzondering echter op dezen algemeenen regel vormen de zieken, die, wanneer zij in zoo'n ernstigen toestand zijn, dat men vreest voor een sterven zonder Communie, onmiddellijk moeten communiceeren, ook wanneer zij gegeten mochten hebben. Want nood breekt wet. Daarom heet het in een Decretaal: « De priester moet den zieke onmiddellijk de Communie geven, opdat deze niet sterve zonder gecommuniceerd te hebben ».Een uitzondering echter op deze algemene regel vormen de zieken, die, wanneer zij in zo'n ernstigen toestand zijn, dat men vreest voor een sterven zonder Communie, onmiddellijk moeten communiceren, ook wanneer zij gegeten mochten hebben. Want nood breekt wet. Daarom heet het in een Decretaal: “De priester moet de zieke onmiddellijk de Communie geven, opdat deze niet sterve zonder gecommuniceerd te hebben”.

↑ bedenking 1

301Ad primum ergo dicendum quod, sicut Augustinus in eodem lib. [loc. cit.] dicit, « neque, quia post cibos Dominus dedit, propterea pransi aut coenati fratres ad hoc sacramentum accipiendum convenire debent, aut mensis suis miscere, sicut faciebant quos Apostolus arguit et emendat. Namque Salvator, ut vehementius commendaret mysterii illius altitudinem, ultimum hoc voluit infigere cordibus et memoriae discipulorum. Et ideo non praecepit, quod deinceps tali ordine sumeretur: ut apostolis, per quos ecclesias dispositurus erat, servaret hunc locum ».

301Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Terecht zegt Augustinus: « Omdat de Heer dit Sacrament gaf na den maaltijd, daarom moeten de broeders nog niet tot ontvangst ervan samenkomen na eerst hun middag- of avondmaal gebruikt te hebben of het verbinden aan hun maaltijden, zooals zij deden, die de Apostel berispt en recht zet. Onze Heiland immers heeft, om de hoogheid van dit Geheim des te sterker aan te bevelen, het op het laatste oogenblik zoo krachtig mogelijk in de harten en de herinnering van de leerlingen willen inprenten; daarom heeft Hij geen bevel gegeven om in de toekomst dit Sacrament in deze volgorde te ontvangen, maar heeft Hij aan de Apostelen, door wie Hij de gebruiken der kerken zou regelen, deze zaak overgelaten ».301Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Terecht zegt Augustinus: “Omdat de Heer dit Sacrament gaf na de maaltijd, daarom moeten de broeders nog niet tot ontvangst ervan samenkomen na eerst hun middag- of avondmaal gebruikt te hebben of het verbinden aan hun maaltijden, zoals zij deden, die de Apostel berispt en recht zet. Onze Heiland immers heeft, om de hoogheid van dit Geheim des te sterker aan te bevelen, het op het laatste ogenblik zo krachtig mogelijk in de harten en de herinnering van de leerlingen willen inprenten; daarom heeft Hij geen bevel gegeven om in de toekomst dit Sacrament in deze volgorde te ontvangen, maar heeft Hij aan de Apostelen, door wie Hij de gebruiken van de kerken zou regelen, deze zaak overgelaten”.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod illud verbum in Glossa [Lomb.] sic exponitur: « Si quis esurit, et impatiens non vult expectare alios, manducet domi cibos suos, idest, pane terreno pascatur: nec post Eucharistiam sumat ».

2. Dat gezegde wordt in de Glossa zoo uitgelegd: « Als iemand honger heeft en in zijn ongeduld niet op de anderen wil wachten, laat hij dan thuis zijn maal gebruiken d. i. het aardsche brood eten en daarna niet meer de Eucharistie ».2. Dat gezegde wordt in de Glossa zo uitgelegd: “Als iemand honger heeft en in zijn ongeduld niet op de anderen wil wachten, laat hij dan thuis zijn maal gebruiken d.i. het aardse brood eten en daarna niet meer de Eucharistie”.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod capitulum illud loquitur secundum consuetudinem aliquando apud aliquos observatam, ut, in repraesentationem Dominicae coenae, illo die a non jejunis corpus Christi sumeretur. Sed nunc hoc abrogatum est; nam, sicut Augustinus in lib. praedicto [loc. cit.] dicit, 302« per universum orbem mos iste servatur », ut scilicet corpus Christi a jejunis sumatur.

3. Die Kerkvergadering spreekt volgens de eens bij sommigen onderhouden gewoonte om ter uitbeelding van het Laatste Avondmaal op dien dag het Lichaam van Christus te nuttigen zonder nuchter te zijn. Maar dat is nu afgeschaft, want Augustinus zegt: « In heel de wereld wordt dat gebruik in acht genomen », 302dat men nl. het Lichaam van Christus in staat van nuchterheid ontvangt.3. Die Kerkvergadering spreekt volgens de eens bij sommigen onderhouden gewoonte om ter uitbeelding van het Laatste Avondmaal op die dag het Lichaam van Christus te nuttigen zonder nuchter te zijn. Maar dat is nu afgeschaft, want Augustinus zegt: “In heel de wereld wordt dat gebruik in acht genomen”, 302dat men nl. het Lichaam van Christus in staat van nuchterheid ontvangt.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum quod, sicut in 2. habitum est [2-2. q. 147. art. 6. ad 2.], duplex est jejunium. Primum est jejunium naturae: quod importat privationem cujuscumque praeassumpti per modum cibi vel potus. Et tale jejunium requiritur ad hoc sacramentum propter praedicta [in corp.]. Et ideo, neque post assumptionem aquae vel alterius cibi aut potus, vel etiam medicinae, in quantumcumque parva quantitate, licet hoc sacramentum accipere. Nec refert utrum aliquid hujusmodi nutriat vel non nutriat, aut per se aut cum aliis, dummodo sumatur per modum cibi vel potus. Reliquiae tamen cibi remanentes in ore, si casualiter transglutiantur, non impediunt sumptionem hujus sacramenti, quia non trajiciuntur per modum cibi, sed per modum salivae. Et eadem ratio est de reliquiis aquae vel vini, quibus os abluitur, dummodo non trajiciantur in magna quantitate, sed permixtae salivae, quod vitari non potest.

4. Zooals in het Tweede Deel gezegd is (II-II 147e Kw. 6e Art. 2e Antw.), is er een dubbele vasten. Vooreerst is er het natuurlijke vasten, dat hierin bestaat, dat men zich te voren onthoudt van iets, wat dan ook, bij wijze van spijs of drank te gebruiken; dit vasten is om de boven aangegeven redenen (in de Leerst.) voor dit Sacrament verplichtend. En daarom is het niet geoorloofd dit Sacrament te ontvangen, als men eerst, in welke kleine hoeveelheid dan ook, water heeft gebruikt of een andere spijs of drank of zelfs een geneesmiddel. Het komt er ook niet op aan of zoo iets voedt of niet voedt hetzij apart of in verbinding met wat anders, als het maar gebruikt wordt bij wijze van spijs of drank. Overblijfselen van de spijs echter, die in den mond achterblijven en mogelijkerwijs worden ingeslikt, beletten de ontvangst van dit Sacrament niet, daar zij niet bij wijze van spijs worden binnengehaald, maar als speeksel; en hetzelfde geldt van het achterblijvende van het water of den wijn, waarmee men den mond spoelt, mits zij niet in groote hoeveelheid worden binnengehaald maar gemengd met het speeksel, iets wat niet kan vermeden worden.4. Zoals in het Tweede Deel gezegd is (2-2 147e Kw. 6e Art. 2e Antw.), is er een dubbele vasten. Vooreerst is er het natuurlijke vasten, dat hierin bestaat, dat men zich te voren onthoudt van iets, wat dan ook, bij wijze van spijs of drank te gebruiken; dit vasten is om de boven aangegeven redenen (in de Leerst.) voor dit Sacrament verplichtend. En daarom is het niet geoorloofd dit Sacrament te ontvangen, als men eerst, in welke kleine hoeveelheid dan ook, water heeft gebruikt of een andere spijs of drank of zelfs een geneesmiddel. Het komt er ook niet op aan of zo iets voedt of niet voedt hetzij apart of in verbinding met wat anders, als het maar gebruikt wordt bij wijze van spijs of drank. Overblijfselen van de spijs echter, die in de mond achterblijven en mogelijkerwijs worden ingeslikt, beletten de ontvangst van dit Sacrament niet, daar zij niet bij wijze van spijs worden binnengehaald, maar als speeksel; en hetzelfde geldt van het achterblijvende van het water of de wijn, waarmee men de mond spoelt, mits zij niet in grote hoeveelheid worden binnengehaald maar gemengd met het speeksel, iets wat niet kan vermeden worden.

Aliud autem est jejunium Ecclesiae, quod 303instituitur ad carnis macerationem. Et tale jejunium per praedicta non impeditur quia praedicta non multum nutriunt, sed magis ad alterandum sumuntur.

Vervolgens heeft men de kerkelijke vasten, die is ingesteld tot versterving van het vleesch; en deze vasten wordt door de 303opgenoemde dingen niet uitgesloten, aangezien die dingen niet veel voedingswaarde hebben en eerder bij wijze van opfrissching gebruikt worden.Vervolgens heeft men de kerkelijke vasten, die is ingesteld tot versterving van het vlees; en deze vasten wordt door de 303opgenoemde dingen niet uitgesloten, aangezien die dingen niet veel voedingswaarde hebben en eerder bij wijze van opfrissing gebruikt worden.

↑ bedenking 5

Ad quintum dicendum quod cum dicitur, quod hoc sacramentum, prius quam alii cibi, debet in os christiani intrare, non est intelligendum absolute respectu totius temporis: alioquin qui semel comedisset vel bibisset, nunquam posset postea hoc sacramentum accipere. Sed est intelligendum quantum ad eumdem diem. Et licet principium diei secundum diversos diversimode sumatur, nam quidam a meridie, quidam ab occasu, quidam a media nocte, quidam ab ortu solis diem incipiunt; Ecclesia tamen romana diem a media nocte incipit. Et ideo, si post mediam noctem aliquis sumpserit aliquid per modum cibi vel potus, non potest eadem die hoc sumere sacramentum: potest vero, si ante mediam noctem.

5. Wanneer gezegd wordt, dat dit Sacrament vóór andere spijzen in den mond van den christen moet binnentreden, moet men dit niet in volstrekten zin t.w. met betrekking tot allen tijd verstaan, anders zou iemand, die éénmaal gegeten of gedronken had, daarna nooit meer dit Sacrament kunnen ontvangen. Men moet het verstaan met betrekking tot dien dag; en al wordt nu het begin van den dag door verschillenden verschillend genomen (want sommigen beginnen den dag, als de zon het hoogste staat, anderen bij zonsondergang, anderen te middernacht, anderen bij zonsopgang), de Romeinsche Kerk begint den dag te middernacht. Wanneer derhalve iemand na middernacht iets bij wijze van spijs of drank gebruikt heeft, kan hij dien dag dit Sacrament niet ontvangen, wel als hij het vóór middernacht heeft gedaan.5. Wanneer gezegd wordt, dat dit Sacrament vóór andere spijzen in de mond van de christen moet binnentreden, moet men dit niet in volstrekte zin t.w. met betrekking tot allen tijd verstaan, anders zou iemand, die éénmaal gegeten of gedronken had, daarna nooit meer dit Sacrament kunnen ontvangen. Men moet het verstaan met betrekking tot die dag; en al wordt nu het begin van de dag door verschillenden verschillend genomen (want sommigen beginnen de dag, als de zon het hoogste staat, anderen bij zonsondergang, anderen te middernacht, anderen bij zonsopgang), de Romeinse Kerk begint de dag te middernacht. Wanneer derhalve iemand na middernacht iets bij wijze van spijs of drank gebruikt heeft, kan hij die dag dit Sacrament niet ontvangen, wel als hij het vóór middernacht heeft gedaan.

Nec refert utrum post cibum vel potum assumptum dormierit, aut etiam digestus sit, quantum ad rationem praecepti. Refert autem quantum ad perturbationem mentis quam patiuntur homines propter insomnietatem vel indigestionem: ex quibus si mens multum perturbetur, homo redditur ineptus 304ad sumptionem hujus sacramenti.

Het doet er niet toe of hij na die spijs of drank gebruikt te hebben nog heeft geslapen of dat het al is verteerd, tenminste wat het gebod als zoodanig betreft. Wel doet dat er aan toe wat betreft de onrustigheid van den geest, waaraan de menschen lijden, als zij niet geslapen hebben of het eten niet is verteerd: dat immers maakt, bij erge verstoring van den geest, den mensch 304ongeschikt om dit Sacrament te ontvangen.Het doet er niet toe of hij na die spijs of drank gebruikt te hebben nog heeft geslapen of dat het al is verteerd, tenminste wat het gebod als zodanig betreft. Wel doet dat er aan toe wat betreft de onrustigheid van de geest, waaraan de mensen lijden, als zij niet geslapen hebben of het eten niet is verteerd: dat immers maakt, bij erge verstoring van de geest, de mens 304ongeschikt om dit Sacrament te ontvangen.

↑ bedenking 6

Ad sextum dicendum quod maxima devotio requiritur in ipsa sumptione hujus sacramenti quia tunc percipitur sacramenti effectus. Quae quidem devotio magis impeditur per praecedentia quam per sequentia. Et ideo magis est institutum quod homines jejunent, ante sumptionem hujus sacramenti quam post. Debet tamen esse aliqua mora inter sumptionem hujus sacramenti et reliquos cibos. Unde et in missa oratio gratiarum actionis post communionem dicitur, et communicantes etiam suas privatas orationes dicunt. Secundum tamen antiquos canones statutum fuit a papa Clemente I. [epist. 2.], ut habetur De Consecr. [Dist. 2. cap. 23.] : « Si mane Dominica portio editur, usque ad sextam jejunent ministri qui eam sumpserunt: et si tertia, vel quarta hora acceperint, jejunent usque ad vesperum ». Antiquitus enim rarius missarum solemnia celebrabantur, et cum majori praeparatione. Nunc autem, quia oportet frequentius sacra mysteria celebrare, non posset de facili observari. Et ideo per contrariam consuetudinem est abrogatum.

6. De grootste eerbied is vereischt op het eigen oogenblik van het ontvangen van dit Sacrament, want dan wordt men deelachtig aan het uitwerksel van het Sacrament. Deze eerbied nu wordt meer gehinderd door wat voorafgaat dan door wat volgt. En daarom heeft men méér bepaald, dat de menschen zouden vasten vóór de ontvangst van dit Sacrament dan erna. Toch moet er eenige tijd voorbijgaan tusschen de ontvangst van dit Sacrament en andere spijzen. Daarom wordt er in de Mis na de Communie een gebed van dankzegging gedaan en zeggen ook zij, die gecommuniceerd hebben, hun eigen gebeden. Toch was in de oude rechtsregels door Paus Clemens I voorgeschreven: « Als 's Heeren gave in den vroegen morgen wordt gegeten, moeten de bedienaren, die haar hebben genuttigd, nuchter blijven tot het zesde uur; hebben zij haar ontvangen in het derde of vierde uur, dan moeten zij nuchter blijven tot den middag ». Vroeger werden immers de Misplechtigheden zeldzamer en met grooter voorbereiding gevierd. Maar aangezien men tegenwoordig de heilige Geheimen vaker moet vieren, zou men dat voorschrift niet gemakkelijk kunnen onderhouden en daarom is het door een tegenovergestelde gewoonte afgeschaft.6. De grootste eerbied is vereist op het eigen ogenblik van het ontvangen van dit Sacrament, want dan wordt men deelachtig aan het uitwerksel van het Sacrament. Deze eerbied nu wordt meer gehinderd door wat voorafgaat dan door wat volgt. En daarom heeft men méér bepaald, dat de mensen zouden vasten vóór de ontvangst van dit Sacrament dan erna. Toch moet er enige tijd voorbijgaan tussen de ontvangst van dit Sacrament en andere spijzen. Daarom wordt er in de Mis na de Communie een gebed van dankzegging gedaan en zeggen ook zij, die gecommuniceerd hebben, hun eigen gebeden. Toch was in de oude rechtsregels door Paus Clemens I voorgeschreven: “Als 's Heren gave in de vroege morgen wordt gegeten, moeten de bedienaren, die haar hebben genuttigd, nuchter blijven tot het zesde uur; hebben zij haar ontvangen in het derde of vierde uur, dan moeten zij nuchter blijven tot de middag”. Vroeger werden immers de Misplechtigheden zeldzamer en met groter voorbereiding gevierd. Maar aangezien men tegenwoordig de heilige Geheimen vaker moet vieren, zou men dat voorschrift niet gemakkelijk kunnen onderhouden en daarom is het door een tegenovergestelde gewoonte afgeschaft.

Articulus IX

Utrum non habentes usum rationis debeant suscipere hoc sacramentum

[4. Dist. 3. art. 5. qla. 3, 4; Dist. 23. q. 2. art. 2. qla. 3, 4; In Joan. cap. 6. lect. 7.]
IXe Artikel

Mogen zij, die niet het gebruik van het verstand hebben, dit Sacrament ontvangen?

antwoord 1 ↓

305Ad nonum sic proceditur. Videtur quod non habentes usum rationis non debeant hoc sacramentum suscipere. Requiritur enim quod aliquis ad hoc sacramentum cum devotione et praecedente sui examinatione accedat: secundum illud 1. Cor. 11. [v. 28] : « Probet seipsum homo, et sic de pane illo edat et de calice bibat ». Sed hoc non potest esse in his qui carent usu rationis. Ergo non debet eis hoc sacramentum dari.

305Bedenkingen. — Men beweert, dat zij, die niet het gebruik van het verstand hebben, dit Sacrament niet mogen ontvangen. — 1. Het is immers een vereischte, dat men met godsvrucht en na voorafgaand gewetensonderzoek tot dit Sacrament nadere, overeenkomstig het woord van den Eersten Brief aan de Corinthiërs (11. 28) : « Dat de mensch zichzelf op de proef stelle en dan eerst van dit brood ete en van den kelk drinke ». Maar dat is onmogelijk bij hen, die het gebruik van het verstand missen. Dus moet men hun dit Sacrament niet geven.305Bedenkingen. — Men beweert, dat zij, die niet het gebruik van het verstand hebben, dit Sacrament niet mogen ontvangen. — 1. Het is immers een vereiste, dat men met godsvrucht en na voorafgaand gewetensonderzoek tot dit Sacrament nadere, overeenkomstig het woord van de Eerste Brief aan de Korintiërs (11, 28): “Dat de mens zichzelf op de proef stelle en dan eerst van dit brood ete en van de kelk drinke”. Maar dat is onmogelijk bij hen, die het gebruik van het verstand missen. Dus moet men hun dit Sacrament niet geven.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, inter alios qui carent usu rationis, sunt etiam arreptitii, qui energumeni dicuntur. Sed tales etiam ab inspectione hujus sacramenti arcentur, secundum Dionysium in lib. Eccles. Hierarch. [cap. 3.]. Ergo carentibus usu rationis hoc sacramentum dari non debet.

2. Tot degenen, die het gebruik van het verstand missen, behooren ook de bezetenen, energumenen genaamd. Nu worden volgens Dionysius zulk soort menschen zelfs belet om dit Sacrament te aanschouwen. Dus moet men dit Sacrament niet geven aan hen, die het gebruik van het verstand missen.2. Tot degenen, die het gebruik van het verstand missen, behoren ook de bezetenen, energumenen genaamd. Nu worden volgens Dionysius zulk soort mensen zelfs belet om dit Sacrament te aanschouwen. Dus moet men dit Sacrament niet geven aan hen, die het gebruik van het verstand missen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, inter alios carentes usu rationis maxime pueri videntur 306esse innocentes. Sed pueris hoc sacramentum non exhibetur. Ergo multo minus aliis carentibus usu rationis.

3. Van al degenen, die het gebruik van het verstand missen, 306schijnen kinderen toch wel het meest onschuldig te zijn. Welnu, aan kinderen wordt dit Sacrament niet gegeven. Dus nog veel minder aan de overigen, die het gebruik van het verstand missen.

Sed contra est quod legitur in Concilio Arausicano [scilicet 1. can. 13.], et habetur in Decr. [q. 6. cap.: Qui recedunt] : « Amentibus quaecumque pietatis sunt, conferenda sunt ». Et ita est eis conferendum hoc sacramentum quod est sacramentum pietatis.

Daartegenover staat echter, dat in de Eerste Kerkvergadering van Orange gezegd wordt: « Aan krankzinnigen moet men alles geven, wat der vroomheid is ». Dus moet men hun dit Sacrament, dat het Sacrament der vroomheid is, toedienen.Daartegenover staat echter, dat in de Eerste Kerkvergadering van Orange gezegd wordt: “Aan krankzinnigen moet men alles geven, wat van de vroomheid is”. Dus moet men hun dit Sacrament, dat het Sacrament van de vroomheid is, toedienen.

Respondeo dicendum quod aliqui dicuntur non habere usum rationis dupliciter. Uno modo, quia habent debilem usum rationis: sicut dicitur non videns, qui male videt. Et quia tales possunt aliquam devotionem hujus sacramenti concipere, non est eis hoc sacramentum denegandum.

Leerstelling. — Men kan van menschen op twee manieren zeggen, dat zij het gebruik van het verstand ontberen. Vooreerst in dien zin dat zij slechts een zwak gebruik van het verstand hebben, evenals iemand niet ziende genoemd wordt, als hij slecht ziet. En omdat zulke menschen eenige godsvrucht voor dit Sacrament kunnen opvatten, mag men hun dit Sacrament niet weigeren.Leerstelling. — Men kan van mensen op twee manieren zeggen, dat zij het gebruik van het verstand ontberen. Vooreerst in die zin dat zij slechts een zwak gebruik van het verstand hebben, evenals iemand niet ziende genoemd wordt, als hij slecht ziet. En omdat zulke mensen enige godsvrucht voor dit Sacrament kunnen opvatten, mag men hun dit Sacrament niet weigeren.

Alio modo dicuntur aliqui non habere totaliter usum rationis. Aut igitur nunquam habuerunt usum rationis, sed sic a nativitate permanserunt: et sic talibus non est hoc sacramentum exhibendum, quia in eis nullo modo praecessit hujus sacramenti devotio. Aut non semper caruerunt usu rationis. Et tunc, si 307prius, quando erant compotes suae mentis, apparuit in eis devotio hujus sacramenti, debet eis in articulo mortis hoc sacramentum exhiberi, nisi forte timeatur periculum vomitus vel expuitionis. Unde in Concilio Carthaginensi [scilicet 4. can. 76.] legitur, et habetur in Decret. [q. 6. Can. Is qui poenit.] : « Is qui in infirmitate poenitentiam petit, si casu dum ad eum sacerdos invitatus venit, oppressus infirmitate obmutuerit, vel in phrenesim conversus fuerit, dent testimonium qui eum audierunt, et accipiat poenitentiam; et, si continuo creditur moriturus, reconcilietur per manus impositionem et infundatur ori ejus Eucharistia ».

Vervolgens spreekt men zoo van hen, die volstrekt het gebruik van het verstand ontberen. Dezen hebben ofwel nooit het gebruik van het verstand gehad, maar zijn van hun geboorte af voortdurend aldus geweest en aan zulke menschen moet men dit Sacrament niet uitreiken, daar er in hen ten eene male geen godsvrucht 307voor dit Sacrament wordt gevonden; ofwel hebben zij niet altijd het gebruik van het verstand ontbeerd en in dat geval moet hun dit Sacrament worden gegeven, indien er vroeger, toen zij nog bij hun verstand waren, godsvrucht voor dit Sacrament is gebleken, tenzij men zou vreezen voor gevaar van braken en uitspuwen. Daarom heet het in de Vierde Kerkvergadering van Carthago : « Wie in ziekte om de boete heeft verzocht en dan mogelijkerwijze, wanneer de uitgenoodigde priester tot hem komt, door zijn ziekte zoo is overmand, dat hij niet kan spreken, of aan het ijlen is geslagen, moet op het getuigenis van die hem hebben gehoord de boete ontvangen en hij, als men meent, dat hij terstond zal sterven, verzoend worden door de oplegging der handen en de Eucharistie door ingieting in de mond ontvangen ».Vervolgens spreekt men zo van hen, die volstrekt het gebruik van het verstand ontberen. Deze hebben ofwel nooit het gebruik van het verstand gehad, maar zijn van hun geboorte af voortdurend aldus geweest en aan zulke mensen moet men dit Sacrament niet uitreiken, daar er in hen ten een male geen godsvrucht 307voor dit Sacrament wordt gevonden; ofwel hebben zij niet altijd het gebruik van het verstand ontbeerd en in dat geval moet hun dit Sacrament worden gegeven, indien er vroeger, toen zij nog bij hun verstand waren, godsvrucht voor dit Sacrament is gebleken, tenzij men zou vrezen voor gevaar van braken en uitspuwen. Daarom heet het in de Vierde Kerkvergadering van Carthago: “Wie in ziekte om de boete heeft verzocht en dan mogelijkerwijze, wanneer de uitgenodigde priester tot hem komt, door zijn ziekte zo is overmand, dat hij niet kan spreken, of aan het ijlen is geslagen, moet op het getuigenis van die hem hebben gehoord de boete ontvangen en hij, als men meent, dat hij terstond zal sterven, verzoend worden door de oplegging van de handen en de Eucharistie door ingieting in de mond ontvangen”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod carentes usu rationis possunt devotionem ad sacramentum habere, quantum ad aliquos quidem praesentem, quantum ad alios autem praeteritam.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zij, die het gebruik van het verstand missen, kunnen godsvrucht hebben voor het Sacrament, hetzij op dit oogenblik, hetzij, zooals bij anderen, in het verleden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zij, die het gebruik van het verstand missen, kunnen godsvrucht hebben voor het Sacrament, hetzij op dit ogenblik, hetzij, zoals bij anderen, in het verleden.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod Dionysius loquitur ibi de energumenis nondum baptizatis, in quibus scilicet nondum est vis daemonis extincta, quae viget in eis per originale peccatum. Sed de baptizatis, qui corporaliter ab 308immundis spiritibus vexantur, est eadem ratio et de aliis amentibus. Unde Cassianus dicit [collat. 7. cap. 30.] : « Eis, qui ab immundis vexantur spiritibus, communionem sacrosanctam a senioribus nostris nunquam meminimus interdictam ».

2. Dionysius spreekt daar van nog niet gedoopte bezetenen, in wie nl. de kracht van den duivel nog niet is uitgedelgd maar nog heerscht door de erfzonde. Maar voor gedoopten, die naar het lichaam door onreine geesten gekweld worden, geldt hetzelfde 308als voor overige krankzinnigen. Daarom zegt Cassianus: « Wij herinneren ons niet, dat ooit door onze ouderen de heilige Communie is ontzegd aan degenen, die door onreine geesten gekweld worden ».2. Dionysius spreekt daar van nog niet gedoopte bezetenen, in wie nl. de kracht van de duivel nog niet is uitgedelgd maar nog heerst door de erfzonde. Maar voor gedoopten, die naar het lichaam door onreine geesten gekweld worden, geldt hetzelfde 308als voor overige krankzinnigen. Daarom zegt Cassianus: “Wij herinneren ons niet, dat ooit door onze ouderen de heilige Communie is ontzegd aan degenen, die door onreine geesten gekweld worden”.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod eadem ratio est de pueris recenter natis, et de amentibus, qui nunquam habuerunt usum rationis. Unde talibus non sunt sacra mysteria danda: quamvis quidam Graeci contrarium faciant, propter hoc quod Dionysius 2. cap. Coelest. Hier. dicit, baptizatis esse sacram communionem dandam, non intelligentes quod Dionysius ibi loquitur de baptismo adultorum.

3. Voor pasgeboren kinderen geldt hetzelfde als voor krankzinnigen, die nooit het gebruik van het verstand gehad hebben. Dus moet men hun de heilige Geheimen niet geven. Weliswaar doen sommige Grieken anders, vanwege het gezegde van Dionysius dat men aan de gedoopten de Communie moet geven, niet begrijpend, dat Dionysius daar spreekt over het doopsel van volwassenen.

Nec tamen per hoc aliquod detrimentum vitae patiuntur, propter hoc quod Dominus dicit Joan. 6. [v. 54] : « Nisi manducaveritis carnem Filii hominis, et biberitis ejus sanguinem, non habebitis vitam in vobis »: quia, sicut Augustinus scribit Bonifacio [Pseudo-Beda. Com. in 1. ad Cor. cap. 10. v. 17], « tunc unusquisque fidelium corporis et sanguinis Domini particeps fit (scilicet spiritualiter), quando in baptismate membrum corporis Christi efficitur ».

Toch beteekent dat voor hen geen schade in het leven der genade, om het woord van Christus: « Tenzij gij het Vleesch van den Zoon des Menschen zult eten en Zijn Bloed zult drinken, zult gij het leven in u niet hebben ». (Joan. 6. 54). Want Augustinus schrijft terecht aan Bonifacius: « Dan wordt iedere geloovige deelachtig aan het Lichaam en Bloed van Christus » nl. geestelijkerwijze « wanneer hij in het doopsel een lidmaat wordt van het Lichaam van Christus ».Toch betekent dat voor hen geen schade in het leven van de genade, om het woord van Christus: “Tenzij gij het Vlees van de Mensenzoon zult eten en Zijn Bloed zult drinken, zult gij het leven in u niet hebben”. (Joh. 6. 54). Want Augustinus schrijft terecht aan Bonifacius: “Dan wordt iedere gelovige deelachtig aan het Lichaam en Bloed van Christus” nl. geestelijkerwijze “wanneer hij in het doopsel een lidmaat wordt van het Lichaam van Christus”.

Sed quando jam pueri incipiunt 309aliqualem usum rationis habere, ut possint devotionem concipere hujus sacramenti, tunc potest eis hoc sacramentum conferri.

Maar wanneer de kinderen reeds eenigermate het gebruik van het verstand beginnen te krijgen, zoodat zij godsvrucht kunnen 309opvatten voor dit Sacrament, dan kan men hun dit Sacrament toedienen.Maar wanneer de kinderen reeds enigermate het gebruik van het verstand beginnen te krijgen, zodat zij godsvrucht kunnen 309opvatten voor dit Sacrament, dan kan men hun dit Sacrament toedienen.

Articulus X

Utrum liceat quotidie hoc sacramentum suscipere

[4. Dist. 12. q. 3. art. 1; 1 ad Cor. cap. 11. lect. 7.]
Xe Artikel

Mag men dit Sacrament dagelijks ontvangen?

antwoord 1 ↓

Ad decimum sic proceditur. Videtur quod non liceat quotidie hoc sacramentum suscipere. Sicut enim baptismus repraesentat Dominicam passionem, ita et hoc sacramentum. Sed non licet pluries baptizari, sed semel tantum, quia « Christus semel » tantum « pro peccatis nostris mortuus est », ut dicitur 1. Petr. 3. [v. 18]. Ergo videtur quod non liceat hoc sacramentum quotidie suscipere.

Bedenkingen. — Men beweert, dat men dit Sacrament niet dagelijks mag ontvangen. — 1. Gelijk immers het doopsel het lijden des Heeren verbeeldt, zoo ook dit Sacrament. Nu mag men zich niet meerdere malen laten doopen, maar slechts één keer, omdat « Christus » slechts « één keer voor onze zonden gestorven is », zooals gezegd wordt in den Eersten Brief van Petrus (3. 18). Dus schijnt men dit Sacrament niet dagelijks te mogen ontvangen.Bedenkingen. — Men beweert, dat men dit Sacrament niet dagelijks mag ontvangen. — 1. Gelijk immers het doopsel het lijden van de Heer verbeeldt, zo ook dit Sacrament. Nu mag men zich niet meerdere malen laten dopen, maar slechts één keer, omdat “Christus” slechts “één keer voor onze zonden gestorven is”, zoals gezegd wordt in de Eerste Brief van Petrus (3, 18). Dus schijnt men dit Sacrament niet dagelijks te mogen ontvangen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, veritas debet respondere figurae. Sed agnus paschalis, qui fuit figura praecipua hujus sacramenti, ut supra dictum est [q. 73. art. 6.], non manducabatur nisi semel in anno. Semel etiam in anno Ecclesia 310celebrat Christi passionem, cujus hoc sacramentum est memoriale. Ergo videtur quod non liceat quotidie sumere hoc sacramentum, sed solum semel in anno.

2. De werkelijkheid moet beantwoorden aan de voorafbeelding. Welnu, het paaschlam, dat de voornaamste afbeelding van dit Sacrament was, zooals boven gezegd is (73e Kw. 6e Art.), werd slechts éénmaal per jaar gegeten. Ook viert de Kerk maar éénmaal per jaar het lijden van Christus, waarvan dit Sacrament 310de herinnering is. Dus schijnt men dit Sacrament niet dagelijks te mogen nuttigen maar slechts ééns in het jaar.2. De werkelijkheid moet beantwoorden aan de voorafbeelding. Welnu, het paaslam, dat de voornaamste afbeelding van dit Sacrament was, zoals boven gezegd is (73e Kw. 6e Art.), werd slechts éénmaal per jaar gegeten. Ook viert de Kerk maar éénmaal per jaar het lijden van Christus, waarvan dit Sacrament 310de herinnering is. Dus schijnt men dit Sacrament niet dagelijks te mogen nuttigen maar slechts ééns in het jaar.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, huic sacramento, in quo totus Christus continetur, maxima reverentia debetur. Ad reverentiam autem pertinet quod aliquis ab hoc sacramento abstineat: unde et laudatur Centurio, qui dixit, Matth. 8. [v. 8] : « Domine, non sum dignus, ut intres sub tectum meum » ; et Petrus, qui dixit, Luc. 5; [v. 8] : « Exi a me, Domine, quia homo peccator ego sum ». Ergo non est laudabile quod homo quotidie hoc sacramentum suscipiat.

3. Tegenover dit Sacrament, waarin de heele Christus is vervat, is de grootst mogelijke eerbied vereischt. Nu is het een zaak van eerbied, dat men zich van dit Sacrament onthoudt. Vandaar ook de lof voor den Hoofdman, die zeide: « Heer, Ik ben niet waardig, dat Gij komt onder mijn dak » (Matth. 8. 8) en voor Petrus, die zeide: « Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mensch » (Luc. 5, 8). Dus is het niet te loven, dat een mensch dit Sacrament dagelijks ontvangt.3. Tegenover dit Sacrament, waarin de hele Christus is vervat, is de grootst mogelijke eerbied vereist. Nu is het een zaak van eerbied, dat men zich van dit Sacrament onthoudt. Vandaar ook de lof voor de Hoofdman, die zeide: “Heer, Ik ben niet waardig, dat Gij komt onder mijn dak” (Matt. 8. 8) en voor Petrus, die zeide: “Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens” (Luk. 5, 8). Dus is het niet te loven, dat een mens dit Sacrament dagelijks ontvangt.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, si esset laudabile frequenter hoc sacramentum accipere, quanto frequentius sumeretur, tanto esset laudabilius. Sed major esset frequentia, si homo pluries in die sumeret hoc sacramentum. Ergo esset laudabile, quod homo pluries in die communicaret. Quod tamen non habet Ecclesiae consuetudo. Non ergo videtur esse laudabile, quod aliquis quotidie hoc sacramentum accipiat.

4. Als het lofwaardig was dit Sacrament veelvuldig te ontvangen, dan zou het des te lofwaardiger zijn, hoe veelvuldiger men het ontving. Nu zou men komen aan een grootere veelvuldigheid, als men dit Sacrament meerdere malen op een dag ontving. Dus zou het lofwaardig zijn meerdere malen op een dag te communiceeren, wat toch buiten de gewoonte van de Kerk ligt. Dus schijnt het niet lofwaardig te zijn, als iemand dit Sacrament dagelijks ontvangt.4. Als het lofwaardig was dit Sacrament veelvuldig te ontvangen, dan zou het des te lofwaardiger zijn, hoe veelvuldiger men het ontving. Nu zou men komen aan een grotere veelvuldigheid, als men dit Sacrament meerdere malen op een dag ontving. Dus zou het lofwaardig zijn meerdere malen op een dag te communiceren, wat toch buiten de gewoonte van de Kerk ligt. Dus schijnt het niet lofwaardig te zijn, als iemand dit Sacrament dagelijks ontvangt.

antwoord 5 ↓

5. Praeterea, Ecclesia intendit suis statutis fidelium utilitati providere. Sed ex statuto Ecclesiae fideles tenentur solum semel communicare in anno: 311unde dicitur extra, De Poenit. et Remiss. [cap. Omnis utriusque sexus] : « Omnis utriusque sexus fidelis suscipiat reverenter ad minus in Pascha Eucharistiae sacramentum: nisi forte, de proprii sacerdotis consilio, ob aliquam rationabilem causam ad tempus ab ejus perceptione duxerit abstinendum ». Non ergo est laudabile quod quotidie hoc sacramentum sumatur.

5. De Kerk bedoelt door haar bepalingen te voorzien in het nut der geloovigen. Welnu, krachtens de bepaling van de Kerk zijn de geloovigen gehouden om slechts ééns per jaar te 311communiceeren. Daarom heet het in een Extra: « Elke geloovige van beider kunne ontvange, althans op Paschen, met eerbied het Sacrament der Eucharistie, tenzij men in overleg met zijn eigen priester om eenige geldige reden gedurende een zekeren tijd zich van de ontvangst ervan zou meenen te moeten onthouden ». Dus is het niet prijzenswaard dit Sacrament dagelijks te ontvangen.5. De Kerk bedoelt door haar bepalingen te voorzien in het nut van de gelovigen. Welnu, krachtens de bepaling van de Kerk zijn de gelovigen gehouden om slechts ééns per jaar te 311communiceren. Daarom heet het in een Extra: “Elke gelovige van beider kunne ontvange, althans op Pasen, met eerbied het Sacrament van de Eucharistie, tenzij men in overleg met zijn eigen priester om enige geldige reden gedurende een zekeren tijd zich van de ontvangst ervan zou menen te moeten onthouden”. Dus is het niet prijzenswaard dit Sacrament dagelijks te ontvangen.

Sed contra est quod Augustinus dicit in lib. de Verbis Domini [serm. 28.] : « Iste panis quotidianus est: accipe quotidie ut quotidie tibi prosit ».

Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt: « Dat brood is een dagelijksch brood; eet het dagelijks, opdat ge er dagelijks nut van moogt hebben ».Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt: “Dat brood is een dagelijks brood; eet het dagelijks, opdat ge er dagelijks nut van moogt hebben”.

Respondeo dicendum quod circa usum hujus sacramenti duo possunt considerari. Unum quidem, ex parte ipsius sacramenti, cujus virtus est hominibus salutaris. Et ideo utile est quotidie ipsum sumere ut homo quotidie ejus fructum percipiat: unde Ambrosius dicit in lib. 4. de Sacramentis [cap. 6. n. 28.] : « Si quotiescumque effunditur sanguis Christi, in remissionem peccatorum effunditur, debeo semper accipere; qui semper pecco, debeo semper habere medicinam ».

Leerstelling. — Met betrekking tot het gebruik van dit Sacrament kan men tweeërlei in oogenschouw nemen. Vooreerst den kant van dit Sacrament, welks kracht den menschen heilzaam is, zoodat het nuttig is het dagelijks te ontvangen om dagelijks de vruchten ervan te genieten. Daarom zegt Ambrosius: « Indien het Bloed van Christus, telkens als het vergoten wordt, tot vergiffenis der zonden wordt vergoten, dan moet ik het altijd ontvangen, ik die altijd zondig, ik moet dagelijks het geneesmiddel hebben ».Leerstelling. — Met betrekking tot het gebruik van dit Sacrament kan men tweeërlei in ogenschouw nemen. Vooreerst de kant van dit Sacrament, welks kracht de mensen heilzaam is, zodat het nuttig is het dagelijks te ontvangen om dagelijks de vruchten ervan te genieten. Daarom zegt Ambrosius: “Indien het Bloed van Christus, telkens als het vergoten wordt, tot vergiffenis van de zonden wordt vergoten, dan moet ik het altijd ontvangen, ik die altijd zondig, ik moet dagelijks het geneesmiddel hebben”.

312Alio modo potest considerari ex parte sumentis, in quo requiritur, ut cum magna devotione et reverentia ad hoc sacramentum accedat. Et ideo si aliquis se quotidie ad hoc paratum inveniat laudabile est quod quotidie sumat. Unde Augustinus cum dixisset: « Accipe quotidie, ut quotidie tibi prosit » subjungit: « Sic vive ut quotidie merearis accipere ». Sed quia multoties in pluribus hominum multa impedimenta hujus devotionis occurrunt, propter corporis indispositionem vel animae, non est utile omnibus hominibus quotidie ad hoc sacramentum accedere, sed quotiescumque se ad illud homo invenerit praeparatum. Unde in lib. de Eccles. Dogmat. [cap. 53. inter op. Aug.] dicitur: « Quotidie Eucharistiae communionem accipere, nec laudo nec vitupero ».

312Vervolgens kan men beschouwen den kant van den ontvangenden mensch, van wien vereischt wordt, dat hij met groote godsvrucht en eerbied tot dit Sacrament nadert. Als dus iemand er zich dagelijks bereid voor vindt, is het lofwaardig, als hij het dagelijks ontvangt. Na de woorden: « eet het dagelijks, opdat ge er dagelijks nut van moogt hebben » laat Augustinus dan ook volgen: « Leeft zóó, dat gij verdient het dagelijks te ontvangen ». Maar omdat vaak bij verschillende menschen door verkeerde gesteltenis van lichaam of ziel allerlei beletselen voor de godsvrucht optreden, daarom is het niet voor alle menschen nuttig om dagelijks tot dit Sacrament te naderen, maar slechts zóó dikwijls, als iemand zich bereid vindt. Daarom staat er in het boek De Ecclesiasticis Dogmatibus: « Dagelijks de Communie ontvangen wordt door mij noch geprezen, noch gelaakt ».312Vervolgens kan men beschouwen de kant van de ontvangende mens, van wie vereist wordt, dat hij met grote godsvrucht en eerbied tot dit Sacrament nadert. Als dus iemand er zich dagelijks bereid voor vindt, is het lofwaardig, als hij het dagelijks ontvangt. Na de woorden: “eet het dagelijks, opdat ge er dagelijks nut van moogt hebben” laat Augustinus dan ook volgen: “Leeft zó, dat gij verdient het dagelijks te ontvangen”. Maar omdat vaak bij verschillende mensen door verkeerde gesteltenis van lichaam of ziel allerlei beletselen voor de godsvrucht optreden, daarom is het niet voor alle mensen nuttig om dagelijks tot dit Sacrament te naderen, maar slechts zó dikwijls, als iemand zich bereid vindt. Daarom staat er in het boek De Ecclesiasticis Dogmatibus: “Dagelijks de Communie ontvangen wordt door mij noch geprezen, noch gelaakt”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod per sacramentum baptismi configuratur homo morti Christi, in se suscipiens ejus characterem: et ideo sicut Christus semel mortuus est, ita solum semel debet homo baptizari. Sed per hoc sacramentum non recipit homo Christi characterem, sed ipsum Christum, cujus 313virtus manet in aeternum: unde Hebr. 10. [v. 14] dicitur: « Una oblatione consummavit in sempiternum sanctificatos ». Et ideo, quia quotidie homo indiget salutifera Christi virtute, quotidie potest laudabiliter hoc sacramentum suscipere.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Door het sacrament des doopsels wordt de mensch gelijkvormig aan den dood van Christus, terwijl hij diens merkteeken in zich ontvangt. Evenals daarom Christus éénmaal is gestorven, zoo moet de mensch ook slechts éénmaal gedoopt worden. Maar door dit Sacrament ontvangt de mensch niet het merkteeken van Christus, maar Christus Zelf, wiens kracht in eeuwigheid blijft. Daarom heet 313het in den Brief aan de Hebreën (10. 14) : « Door één offerande heeft Hij de geheiligden voor altijd tot volmaaktheid gebracht ». Daar dus de mensch dagelijks de heilbrengende kracht van Christus behoeft, kan hij zeer lofwaardig dit Sacrament dagelijks ontvangen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Door het sacrament van het doopsel wordt de mens gelijkvormig aan de dood van Christus, terwijl hij diens merkteken in zich ontvangt. Evenals daarom Christus éénmaal is gestorven, zo moet de mens ook slechts éénmaal gedoopt worden. Maar door dit Sacrament ontvangt de mens niet het merkteken van Christus, maar Christus Zelf, wiens kracht in eeuwigheid blijft. Daarom heet 313het in de Brief aan de Hebreën (10, 14): “Door één offerande heeft Hij de geheiligden voor altijd tot volmaaktheid gebracht”. Daar dus de mens dagelijks de heilbrengende kracht van Christus behoeft, kan hij zeer lofwaardig dit Sacrament dagelijks ontvangen.

Et quia praecipue baptismus est spiritualis regeneratio, ideo, sicut homo semel carnaliter nascitur, ita debet semel spiritualiter renasci per baptismum: ut Augustinus dicit super illud Joan. 3. [v. 4] : « Quomodo potest homo nasci, cum sit senex? » [tract. 11. in Joan. n. 6.]. Sed hoc sacramentum est cibus spiritualis: unde sicut cibus corporalis quotidie sumitur, ita et hoc sacramentum quotidie sumere laudabile est. Unde Dominus Luc. 11. [v. 3] docet petere: « Panem nostrum quotidianum da nobis hodie », in cujus expositione Augustinus dicit in lib. de Verbis Domini [loc. sup. cit.] : « Si quotidie accipis, (scilicet hoc sacramentum), quotidie tibi est hodie, tibi quotidie Christus resurgit: hodie enim est, quando Christus resurgit ».

Verder: daar het doopsel voornamelijk een geestelijke hergeboorte is, daarom moet de mensch, evenals hij slechts ééns geboren wordt naar het vleesch, ook slechts ééns herboren worden naar den geest door het doopsel, volgens wat Augustinus zegt bij het woord van Joannes (3. 4) : « Hoe kan de mensch geboren worden, wanneer hij reeds oud is? » Dit Sacrament daarentegen is een geestelijke spijs; evenals dus de spijs van het lichaam dagelijks wordt genuttigd, zoo is het ook in de hoogste mate lofwaardig dit Sacrament dagelijks te nuttigen. Daarom leert de Heer te bidden: « Geef ons heden ons dagelijksch brood » (Luc. 11. 3), tot verklaring waarvan Augustinus zegt: « Wanneer gij dagelijks (dit Sacrament) ontvangt, dan is dagelijks voor u heden, dan verrijst Christus voor u dagelijks, want het is heden, als Christus verrijst ».Verder: daar het doopsel voornamelijk een geestelijke hergeboorte is, daarom moet de mens, evenals hij slechts ééns geboren wordt naar het vlees, ook slechts ééns herboren worden naar de geest door het doopsel, volgens wat Augustinus zegt bij het woord van Johannes (3, 4): “Hoe kan de mens geboren worden, wanneer hij reeds oud is?” Dit Sacrament daarentegen is een geestelijke spijs; evenals dus de spijs van het lichaam dagelijks wordt genuttigd, zo is het ook in de hoogste mate lofwaardig dit Sacrament dagelijks te nuttigen. Daarom leert de Heer te bidden: “Geef ons heden ons dagelijks brood” (Luk. 11. 3), tot verklaring waarvan Augustinus zegt: “Wanneer gij dagelijks (dit Sacrament) ontvangt, dan is dagelijks voor u heden, dan verrijst Christus voor u dagelijks, want het is heden, als Christus verrijst”.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod agnus paschalis praecipue fuit figura hujus sacramenti quantum ad passionem Christi, quae repraesentatur per hoc 314sacramentum. Et ideo semel tantum in anno sumebatur, quia Christus semel mortuus est. Et propter hoc etiam Ecclesia celebrat semel in anno memoriam passionis Christi. Sed in hoc sacramento traditur nobis memoriale passionis Christi per modum cibi, qui quotidie sumitur. Et ideo quantum ad hoc significatur per manna, quod quotidie dabatur populo in deserto.

2. Het paaschlam was de voornaamste voorafbeelding van dit Sacrament wat betreft Christus' lijden, dat door dit Sacrament wordt verbeeld. En daarom werd het slechts éénmaal in het 314jaar gebruikt, omdat Christus maar éénmaal is gestorven. En om dezelfde reden viert de Kerk ook maar ééns per jaar de herinnering van het lijden van Christus. Maar in dit Sacrament wordt de herinnering aan het lijden van Christus ons gegeven als een spijs: spijzen nu worden dagelijks gebruikt. Daarom werd het, wat dat betreft, voorafgebeeld door het manna, dat aan het volk in de woestijn dagelijks werd gegeven.2. Het paaslam was de voornaamste voorafbeelding van dit Sacrament wat betreft Christus' lijden, dat door dit Sacrament wordt verbeeld. En daarom werd het slechts éénmaal in het 314jaar gebruikt, omdat Christus maar éénmaal is gestorven. En om dezelfde reden viert de Kerk ook maar ééns per jaar de herinnering van het lijden van Christus. Maar in dit Sacrament wordt de herinnering aan het lijden van Christus ons gegeven als een spijs: spijzen nu worden dagelijks gebruikt. Daarom werd het, wat dat betreft, voorafgebeeld door het manna, dat aan het volk in de woestijn dagelijks werd gegeven.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod reverentia hujus sacramenti habet timorem amori conjunctum: unde timor reverentiae ad Deum dicitur timor filialis, ut in 2. dictum est [1-2. q. 67. art. 4. ad 2; 2-2. q. 19. art. 9, 11, 12.]. Ex amore enim provocatur desiderium sumendi: ex timore autem consurgit humilitas reverendi. Et ideo utrumque pertinet ad reverentiam hujus sacramenti, et quod quotidie sumatur, et quod aliquando abstineatur. Unde Augustinus dicit [epist. 118. cap. 3.] : « Si dixerit quispiam non quotidie accipiendam Eucharistiam, alius contra, faciat unusquisque quod secundum fidem suam pie credit esse faciendum. Neque enim litigaverunt inter se Zachaeus et ille Centurio, cum alter eorum gaudens suscepit Dominum, alter dixit: Non sum dignus, ut intres sub tectum meum, ambo Salvatorem 315honorificantes, quamvis non uno modo ». Amor tamen et spes, ad quae semper Scriptura nos provocat, praeferuntur timori. Unde et cum Petrus dixisset: « Exi a me, Domine, quia homo peccator sum », respondit Jesus: « Noli timere ».

3. De eerbied voor dit Sacrament kent een aan liefde gepaarde vrees. Daarom wordt de vrees van den eerbied voor God vreeze der kinderen genoemd, zooals in het Tweede Deel is gezegd (I-II 67e Kw. 4e Art. 2e Antw. en II-II 19e Kw. 9e, 11e, 12e Art.). Want uit de liefde ontstaat de begeerte om te ontvangen, uit de vrees de nederigheid, die op een eerbiedigen afstand blijft. En dus behoort tot den eerbied voor dit Sacrament zoowel het dagelijks ertoe naderen als het somtijds er zich van onthouden. Vandaar het woord van Augustinus: « Als de een zegt, dat men de Eucharistie niet dagelijks moet ontvangen en een ander het tegenovergestelde beweert, laat dan eenieder doen, wat hij overeenkomstig zijn eigen vrome overtuiging meent te moeten doen. Er is immers ook niet getwist tusschen Zachaeus en dien Hoofdman, waarvan de een in vreugde den Heer ontving, terwijl de ander zeide: Ik ben niet waardig, dat Gij komt onder 315mijn dak, waardoor beiden den Zaligmaker eerden, al was het niet op dezelfde manier ». Evenwel hebben liefde en hoop, waartoe de Schrift ons altijd weer aanspoort, den voorrang boven de vrees. Toen dan ook Petrus gezegd heeft: « Ga weg van mij, want ik ben een zondig mensch », antwoordde Jesus: « vrees niet ».3. De eerbied voor dit Sacrament kent een aan liefde gepaarde vrees. Daarom wordt de vrees van de eerbied voor God vreze van de kinderen genoemd, zoals in het Tweede Deel is gezegd (1-2 67e Kw. 4e Art. 2e Antw. en 2-2 19e Kw. 9e, 11e, 12e Art.). Want uit de liefde ontstaat de begeerte om te ontvangen, uit de vrees de nederigheid, die op een eerbiedigen afstand blijft. En dus behoort tot de eerbied voor dit Sacrament zowel het dagelijks ertoe naderen als het somtijds er zich van onthouden. Vandaar het woord van Augustinus: “Als de een zegt, dat men de Eucharistie niet dagelijks moet ontvangen en een ander het tegenovergestelde beweert, laat dan eenieder doen, wat hij overeenkomstig zijn eigen vrome overtuiging meent te moeten doen. Er is immers ook niet getwist tussen Zacheüs en die Hoofdman, waarvan de een in vreugde de Heer ontving, terwijl de ander zeide: Ik ben niet waardig, dat Gij komt onder 315mijn dak, waardoor beiden de Zaligmaker eerden, al was het niet op dezelfde manier”. Evenwel hebben liefde en hoop, waartoe de Schrift ons altijd weer aanspoort, de voorrang boven de vrees. Toen dan ook Petrus gezegd heeft: “Ga weg van mij, want ik ben een zondig mens”, antwoordde Jesus: “vrees niet”.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum quod quia Dominus dicit: « Panem nostrum quotidianum da nobis hodie », non est pluries in die communicandum, ut saltem per hoc quod aliquis semel in die communicat, repraesentetur unitas passionis Christi.

4. Aangezien de Heer zegt: « Geef ons heden ons dagelijksch brood » (Luc. 11. 3), moet men niet meerdere malen op een dag communiceeren. Door dit slechts éénmaal per dag communiceeren moge in ieder geval de éénmaligheid van Christus' lijden verbeeld worden.4. Aangezien de Heer zegt: “Geef ons heden ons dagelijks brood” (Luk. 11. 3), moet men niet meerdere malen op een dag communiceren. Door dit slechts éénmaal per dag communiceren moge in ieder geval de éénmaligheid van Christus' lijden verbeeld worden.

↑ bedenking 5

Ad quintum dicendum quod secundum diversum statum Ecclesiae diversa circa hoc statuta emanaverunt. Nam in primitiva Ecclesia, quando magna vigebat devotio fidei christianae, statutum fuit ut quotidie fideles communicarent. Unde Anacletus papa [ep. 1. — cf. Can. Episcopus Dei, de Consecr. dist. 1.] dicit: « Peracta consecratione, omnes communicent, qui noluerint ecclesiasticis carere liminibus: sic enim apostoli statuerunt, et sancta Romana tenet Ecclesia ». Postmodum vero, diminuto fidei fervore, Fabianus papa [Conc. Turan. 3. can. 50.] indulsit « ut si non frequentius, saltem ter in anno omnes communicent, scilicet in Pascha, Pentecoste, et 316Natali Domini ». Soter etiam papa [Conc. Cabil. 2. can. 47.] in Coena Domini dicit esse communicandum, ut habetur in Decret. De Consecr. [Dist. 2.]. Postmodum propter iniquitatis abundantiam, refrigescente charitate multorum, statuit Innocentius III. [Concil. Lateran. 4. cap. 21.], ut saltem semel in anno, scilicet in Pascha, fideles communicent. Consulitur tamen in lib. de Ecclesiasticis Dogmatibus [cap. 53. inter op. Aug.] omnibus diebus Dominicis esse communicandum.

5. Naar den wisselenden staat der Kerk zijn hieromtrent verschillende bepalingen uitgevaardigd. Want in de vroegste dagen der Kerk, toen het christelijk geloof zich nog deed gelden door een groote godsvrucht, was voorgeschreven, dat de geloovigen dagelijks zouden communiceeren. Paus Anacletus zegt dan ook: « Na de consecratie moeten allen, die niet van de Kerk willen worden buitengesloten, de Communie ontvangen: zóó toch is bepaald door de Apostelen en zóó wordt het onderhouden door de heilige Roomsche Kerk ». Toen echter later de vurigheid van het geloof was verminderd, was Paus Fabianus zoo mild te 316bepalen: « dat iedereen, indien al niet vaker, althans drie maal in het jaar communiceere nl. op Paschen, Pinksteren en Kerstmis ». Paus Soter zegt, dat men ook op Witten Donderdag moet communiceeren, zooals er staat in een Decretaal. Naderhand heeft Innocentius III, gezien de menigvuldigheid der boosheid en het verkillen van veler liefde, vastgesteld, dat de geloovigen althans éénmaal per jaar de Communie moeten ontvangen d.w.z. op Paschen. Met dat al wordt in het boek De Dogmatibus Ecclesiasticis de raad gegeven om op alle Zondagen te communiceeren.5. Naar de wisselende staat van de Kerk zijn hieromtrent verschillende bepalingen uitgevaardigd. Want in de vroegste dagen van de Kerk, toen het christelijk geloof zich nog deed gelden door een grote godsvrucht, was voorgeschreven, dat de gelovigen dagelijks zouden communiceren. Paus Anacletus zegt dan ook: “Na de consecratie moeten allen, die niet van de Kerk willen worden buitengesloten, de Communie ontvangen: zó toch is bepaald door de Apostelen en zó wordt het onderhouden door de heilige Roomse Kerk”. Toen echter later de vurigheid van het geloof was verminderd, was Paus Fabianus zo mild te 316bepalen: “dat iedereen, indien al niet vaker, althans drie maal in het jaar communicere nl. op Pasen, Pinksteren en Kerstmis”. Paus Soter zegt, dat men ook op Witten Donderdag moet communiceren, zoals er staat in een Decretaal. Naderhand heeft Innocentius III, gezien de menigvuldigheid van de boosheid en het verkillen van veler liefde, vastgesteld, dat de gelovigen althans éénmaal per jaar de Communie moeten ontvangen d.w.z. op Pasen. Met dat al wordt in het boek De Dogmatibus Ecclesiasticis de raad gegeven om op alle Zondagen te communiceren.

Articulus XI

Utrum liceat omnino a communione cessare

[4. Dist. 12. q. 3. art. 2. qla. 1; In Joan. cap. 6. lect. 7.]
XIe Artikel

Mag men zich heelemaal van de Communie onthouden?Mag men zich helemaal van de Communie onthouden?

antwoord 1 ↓

Ad undecimum sic proceditur. Videtur quod liceat cessare omnino a communione. Laudatur enim Centurio de hoc quod dicit Matth. 8. [v. 8] : « Domine, non sum dignus, ut intres sub tectum meum ». Cui comparatur ille qui reputat a communione sibi esse abstinendum, ut dictum est [art. 317praec. ad 3.]. Cum ergo nunquam legatur Christum in ejus domum venisse, videtur quod liceat alicui toto tempore vitae suae a communione abstinere.

Bedenkingen. — Men beweert, dat het geoorloofd is zich heelemaal van de Communie te onthouden. — 1. De Hoofdman wordt immers geprezen, omdat hij zegt: « Heer, ik ben niet waardig, dat Gij komt onder mijn dak » (Matth. 8. 8). En met hem vergelijkt men dengene, die meent zich van de Communie te moeten onthouden, zooals gezegd is (10e Art. 3e Antw.). Daar men nu nergens leest, dat Christus ooit in zijn huis is 317gekomen, schijnt het geoorloofd te zijn, dat iemand zich heel den duur van zijn leven van de Communie onthoudt.Bedenkingen. — Men beweert, dat het geoorloofd is zich helemaal van de Communie te onthouden. — 1. De Hoofdman wordt immers geprezen, omdat hij zegt: “Heer, ik ben niet waardig, dat Gij komt onder mijn dak” (Matt. 8. 8). En met hem vergelijkt men dengene, die meent zich van de Communie te moeten onthouden, zoals gezegd is (10e Art. 3e Antw.). Daar men nu nergens leest, dat Christus ooit in zijn huis is 317gekomen, schijnt het geoorloofd te zijn, dat iemand zich heel de duur van zijn leven van de Communie onthoudt.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, cuilibet licet abstinere ab his quae non sunt de necessitate salutis. Sed hoc sacramentum non est de necessitate salutis, ut supra dictum est [q. 73. art. 3.]. Ergo licet a sumptione hujus sacramenti omnino cessare.

2. Het staat eenieder vrij zich te onthouden van wat niet noodzakelijk is voor het heil. Nu is dit Sacrament niet noodzakelijk voor het heil, gelijk boven gezegd is (73e Kw. 3e Art.). Dus staat het vrij heelemaal van de communie af te zien.2. Het staat eenieder vrij zich te onthouden van wat niet noodzakelijk is voor het heil. Nu is dit Sacrament niet noodzakelijk voor het heil, gelijk boven gezegd is (73e Kw. 3e Art.). Dus staat het vrij helemaal van de communie af te zien.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, peccatores non tenentur communicare: unde Fabianus papa [loc. cit. art. praec. ad. 5.] cum dixisset: « Ter in anno omnes communicent », adiunxit: « Nisi forte qui majoribus criminibus impediatur ». Si ergo illi qui non sunt in peccato, tenentur communicare, videtur quod melioris conditionis sint peccatores, quam justi: quod est inconveniens. Ergo videtur quod etiam justis liceat a communione cessare.

3. Zondaars zijn niet verplicht te communiceeren. Na gezegd te hebben: « Allen moeten driemaal per jaar communiceeren » liet Paus Fabianus dan ook volgen: « tenzij iemand door groote misdrijven mocht zijn verhinderd ». Indien dus degenen, die niet in zonde zijn, verplicht zijn te communiceeren, schijnen de zondaars er gunstiger aan toe te zijn dan de rechtvaardigen, wat niet aangaat. Dus schijnt het ook den rechtvaardigen geoorloofd te zijn van de Communie af te zien.3. Zondaars zijn niet verplicht te communiceren. Na gezegd te hebben: “Allen moeten driemaal per jaar communiceren” liet Paus Fabianus dan ook volgen: “tenzij iemand door grote misdrijven mocht zijn verhinderd”. Indien dus degenen, die niet in zonde zijn, verplicht zijn te communiceren, schijnen de zondaars er gunstiger aan toe te zijn dan de rechtvaardigen, wat niet aangaat. Dus schijnt het ook de rechtvaardige geoorloofd te zijn van de Communie af te zien.

Sed contra est quod Dominus dicit Joan. 6. [v. 54] : « Nisi manducaveritis carnem Filii hominis et biberitis ejus sanguinem, non habebitis vitam in vobis ».

Daartegenover staat echter 's Heeren woord: « Tenzij gij het Vleesch van den Zoon des Menschen eet en Zijn Bloed drinkt, zult gij het leven in u niet hebben » (Joan. 6. 54).Daartegenover staat echter 's Heren woord: “Tenzij gij het Vlees van de Mensenzoon eet en Zijn Bloed drinkt, zult gij het leven in u niet hebben” (Joh. 6. 54).

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est [art. 1.], duplex est 318modus percipiendi hoc sacramentum, scilicet spiritualis et sacramentalis. Manifestum est autem quod omnes tenentur saltem spiritualiter manducare, quia hoc est Christo incorporari. ut supra dictum est [art. 9. ad 3; q. 73. art. 3. ad 1]. Spiritualis autem manducatio includit votum seu desiderium percipiendi hoc sacramentum, ut supra dictum est [art. 1. ad 3; art. 2.]. Et ideo sine voto percipiendi hoc sacramentum non potest homini esse salus. Frustra autem esset votum, nisi impleretur quando opportunitas adesset. Et ideo manifestum est quod homo tenetur hoc sacramentum sumere, non solum ex statuto Ecclesiae, sed ex mandato Domini dicentis Luc. 22. [v. 19] : « Hoc facite in meam commemorationem ». Ex statuto autem Ecclesiae sunt determinata tempora exsequendi Christi praeceptum.

Leerstelling. — Zooals boven gezegd is (1e Art.), is er 318een tweevoudige manier om dit Sacrament te ontvangen nl. een geestelijke en een sacramenteele. Nu is het duidelijk, dat allen verplicht zijn althans geestelijk te eten, want dat is niets anders dan bij Christus ingelijfd worden, zooals boven gezegd is (9e Art. 3e Antw.; 73e Kw. 3e Art. 1e Antw.). Maar het geestelijk eten sluit de begeerte of het verlangen in om dit Sacrament te ontvangen, zooals boven gezegd is (1e Art. 3e Antw.; 2e Art.). Bijgevolg is er geen heil voor den mensch mogelijk zonder de begeerte dit Sacrament te ontvangen. Maar die begeerte zou geen zin hebben, als er geen uitvoering aan werd gegeven, wanneer er daartoe gelegenheid was. Dus is het duidelijk, dat de mensch verplicht is dit Sacrament te ontvangen, niet alleen vanwege het voorschrift van de Kerk, maar ook om het gebod des Heeren, die zegt: « Doet dit ter Mijner gedachtenis ». (Luc. 22. 19). Het kerkelijk voorschrift geeft bepaalde tijden om het gebod van Christus ten uitvoer te brengen.Leerstelling. — Zoals boven gezegd is (1e Art.), is er 318een tweevoudige manier om dit Sacrament te ontvangen nl. een geestelijke en een sacramentele. Nu is het duidelijk, dat allen verplicht zijn althans geestelijk te eten, want dat is niets anders dan bij Christus ingelijfd worden, zoals boven gezegd is (9e Art. 3e Antw.; 73e Kw. 3e Art. 1e Antw.). Maar het geestelijk eten sluit de begeerte of het verlangen in om dit Sacrament te ontvangen, zoals boven gezegd is (1e Art. 3e Antw.; 2e Art.). Bijgevolg is er geen heil voor de mens mogelijk zonder de begeerte dit Sacrament te ontvangen. Maar die begeerte zou geen zin hebben, als er geen uitvoering aan werd gegeven, wanneer er daartoe gelegenheid was. Dus is het duidelijk, dat de mens verplicht is dit Sacrament te ontvangen, niet alleen vanwege het voorschrift van de Kerk, maar ook om het gebod van de Heer, die zegt: “Doet dit ter Van mijn gedachtenis”. (Luk. 22. 19). Het kerkelijk voorschrift geeft bepaalde tijden om het gebod van Christus ten uitvoer te brengen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod, sicut Gregorius dicit in Pastorali [part. 1. cap. 6.], « illa est vera humilitas, cum ad respuendum quod utiliter praecipitur, pertinax non est ». Et ideo non potest esse laudabilis humilitas, si contra praeceptum Christi et Ecclesiae aliquis omnino a 319communione abstineat. Neque enim Centurioni praeceptum fuit ut Christum in sua domo reciperet.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Terecht zegt Gregorius: « Dat is de echte nederigheid, die niet hardnekkig weigert te doen wat tot ons nut is bevolen ». En dus kan het geen prijzenswaardige nederigheid zijn, als iemand tegen het bevel van Christus en de Kerk in, zich heelemaal van de Communie onthoudt. Het 319was den Hoofdman ook niet bevolen om Christus in zijn huis op te nemen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Terecht zegt Gregorius: “Dat is de echte nederigheid, die niet hardnekkig weigert te doen wat tot ons nut is bevolen”. En dus kan het geen prijzenswaardige nederigheid zijn, als iemand tegen het bevel van Christus en de Kerk in, zich helemaal van de Communie onthoudt. Het 319was de Hoofdman ook niet bevolen om Christus in zijn huis op te nemen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod hoc sacramentum dicitur non esse necessitatis sicut baptismus, quantum ad pueros, quibus potest esse salus sine hoc sacramento, non autem sine sacramento baptismi. Quantum vero ad adultos utrumque est necessitatis.

2. Dit Sacrament wordt niet zoo noodzakelijk genoemd als het doopsel wat betreft de kinderen, die het heil kunnen verwerven zonder dit Sacrament en niet zonder het sacrament des doopsels. Voor de volwassenen zijn beide noodzakelijk.2. Dit Sacrament wordt niet zo noodzakelijk genoemd als het doopsel wat betreft de kinderen, die het heil kunnen verwerven zonder dit Sacrament en niet zonder het sacrament van het doopsel. Voor de volwassenen zijn beide noodzakelijk.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod peccatores magnum detrimentum patiuntur ex hoc quod repelluntur a perceptione hujus sacramenti: unde per hoc non sunt melioris conditionis. Et licet in peccatis permanentes non excusentur propter hoc a transgressione praecepti, poenitentes tamen, qui, ut Innocentius dicit [loc. cit. art. praec. ad 5.], secundum consilium sacerdotis abstinent, excusantur.

3. De zondaars lijden groote schade, als zij van de ontvangst van dit Sacrament worden afgehouden en dus zijn zij daardoor er niet gunstiger aan toe. Hoewel zij, die in zonde blijven, daarmee nog niet ontkomen aan de schuld van gebodsovertreding, gaan degenen, die boete doen en, zooals Innocentius zegt, op raad van den priester zich onthouden, op dat punt vrij uit.3. De zondaars lijden grote schade, als zij van de ontvangst van dit Sacrament worden afgehouden en dus zijn zij daardoor er niet gunstiger aan toe. Hoewel zij, die in zonde blijven, daarmee nog niet ontkomen aan de schuld van gebodsovertreding, gaan degenen, die boete doen en, zoals Innocentius zegt, op raad van de priester zich onthouden, op dat punt vrij uit.

Articulus XII

Utrum liceat sumere corpus Christi sine sanguine

[4. Dist. 12. q. 3. art. 2. qla. 2; In Joan. cap. 6. lect. 7.]
XIIe Artikel

Mag men het Lichaam van Christus zonder het Bloed ontvangen?

antwoord 1 ↓

Ad duodecimum sic proceditur. Videtur quod non liceat sumere corpus 320Christi sine sanguine. Dicit enim Gelasius papa, et habetur De Consecr. [Dist. 2. can. Comperimus] : « Comperimus quod quidam, sumpta tantummodo corporis sacri portione, a calice sacrati cruoris abstinent. Qui procul dubio, quoniam nescio qua superstitione docentur adstringi, aut integra sacramenta percipiant, aut ab integris arceantur ». Non ergo licet sumere corpus Christi sine ejus sanguine.

Bedenkingen. — Men beweert, dat men het Lichaam van Christus niet mag ontvangen zonder het Bloed. — 1. Want Paus 320Gelasius zegt: « We hebben bevonden, dat sommigen alleen maar hun deel nemen van het heilig Lichaam, maar zich onthouden van den kelk van het heilig Bloed. Zonder twijfel moeten zulke menschen, daar ze door ik weet niet wat voor bijgeloovigheid zich laten inhouden, ofwel het Sacrament in zijn geheel ontvangen ofwel er heelemaal van worden geweerd ». Dus mag men het Lichaam van Christus niet ontvangen zonder diens Bloed.Bedenkingen. — Men beweert, dat men het Lichaam van Christus niet mag ontvangen zonder het Bloed. — 1. Want Paus 320Gelasius zegt: “We hebben bevonden, dat sommigen alleen maar hun deel nemen van het heilig Lichaam, maar zich onthouden van de kelk van het heilig Bloed. Zonder twijfel moeten zulke mensen, daar ze door ik weet niet wat voor bijgelovigheid zich laten inhouden, ofwel het Sacrament in zijn geheel ontvangen ofwel er helemaal van worden geweerd”. Dus mag men het Lichaam van Christus niet ontvangen zonder diens Bloed.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, ad perfectionem hujus sacramenti concurrit et manducatio corporis et potatio sanguinis, ut supra habitum est [q. 73. art. 2.]. Si ergo sumatur corpus sine sanguine erit sacramentum imperfectum, quod ad sacrilegium pertinere videtur. Unde ibidem Gelasius subdit : « Quia divisio unius ejusdemque mysterii sine grandi sacrilegio provenire non potest ».

2. Tot de volkomenheid van dat Sacrament dragen bij èn het eten van het Lichaam èn het drinken van het Bloed, zooals boven is verklaard (73e Kw. 2e Art.). Als dus het Lichaam wordt ontvangen zonder het Bloed, heeft men een onvolkomen Sacrament, hetgeen op heiligschennis schijnt neer te komen. Vandaar dat Gelasius laat volgen: « Want verdeeling van één en hetzelfde Geheim kan zonder groote heiligschennis niet plaats hebben ».2. Tot de volkomenheid van dat Sacrament dragen bij èn het eten van het Lichaam èn het drinken van het Bloed, zoals boven is verklaard (73e Kw. 2e Art.). Als dus het Lichaam wordt ontvangen zonder het Bloed, heeft men een onvolkomen Sacrament, hetgeen op heiligschennis schijnt neer te komen. Vandaar dat Gelasius laat volgen: “Want verdeling van één en hetzelfde Geheim kan zonder grote heiligschennis niet plaats hebben”.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, hoc sacramentum celebratur in memoriam Dominicae passionis, ut supra dictum est [q. 66. art. 9. ad 5; q. 73. art. 4. 5; q. 74. art. 1.], et sumitur pro animae salute. Sed passio Christi magis exprimitur in sanguine quam in corpore : sanguis etiam pro salute animae offertur, ut supra habitum est [q. 74. art. 1; q. 76. art. 2. ad 1.]. Potius ergo esset 321abstinendum a sumptione corporis quam a sumptione sanguinis. Ergo accedentes ad hoc sacramentum non debent sumere corpus Christi sine ejus sanguine.

3. Dit Sacrament wordt gevierd ter herinnering aan 's Heeren lijden, zooals boven gezegd is (66e Kw. 9e Art. 5e Antw.; 73e Kw. 4e en 5e Art.; 74e Kw. 1e Art.), en het wordt ontvangen tot heil van de ziel. Nu komt het lijden van Christus méér tot uitdrukking in het Bloed dan in het Lichaam; het Bloed wordt ook opgedragen voor het heil der ziel, zooals boven gezegd is (74e Kw. 1e Art.; 76e Kw. 2e Art. 1e Antw.). Dus zou men 321zich eerder moeten onthouden van de ontvangst van het Lichaam dan van de ontvangst van het Bloed. Dus moeten zij, die tot dit Sacrament naderen, niet het Lichaam ontvangen zonder het Bloed.3. Dit Sacrament wordt gevierd ter herinnering aan 's Heren lijden, zoals boven gezegd is (66e Kw. 9e Art. 5e Antw.; 73e Kw. 4e en 5e Art.; 74e Kw. 1e Art.), en het wordt ontvangen tot heil van de ziel. Nu komt het lijden van Christus méér tot uitdrukking in het Bloed dan in het Lichaam; het Bloed wordt ook opgedragen voor het heil van de ziel, zoals boven gezegd is (74e Kw. 1e Art.; 76e Kw. 2e Art. 1e Antw.). Dus zou men 321zich eerder moeten onthouden van de ontvangst van het Lichaam dan van de ontvangst van het Bloed. Dus moeten zij, die tot dit Sacrament naderen, niet het Lichaam ontvangen zonder het Bloed.

Sed contra est multarum Ecclesiarum usus, in quibus populo communicanti datur corpus Christi sumendum, non autem sanguis.

Daartegenover staat echter het gebruik van vele kerken, om aan het communiceerende volk het Lichaam van Christus ter nuttiging te geven en niet het Bloed.Daartegenover staat echter het gebruik van vele kerken, om aan het communicerende volk het Lichaam van Christus ter nuttiging te geven en niet het Bloed.

Respondeo dicendum, quod circa usum hujus sacramenti duo possunt considerari: unum ex parte ipsius sacramenti, aliud ex parte sumentium. Ex parte quidem ipsius sacramenti convenit quod utrumque sumatur, scilicet et corpus et sanguis, quia in utroque consistit perfectio sacramenti. Et ideo, quia ad sacerdotem pertinet hoc sacramentum consecrare et perficere, nullo modo debet corpus Christi sumere sine sanguine.

Leerstelling. — Met betrekking tot het gebruik van dit Sacrament kan men op tweeërlei letten: vooreerst op het Sacrament zelf, vervolgens op de ontvangers. Wat betreft het Sacrament op zich, is het beter, dat beide d. w. z. zoowel het Lichaam als het Bloed worden genuttigd, omdat het Sacrament pas volkomen is door beide. Vandaar dat de priester, aan wien het toekomt dit Sacrament te consecreeren en te voltrekken, in geen geval het Lichaam van Christus zonder het Bloed mag nemen.Leerstelling. — Met betrekking tot het gebruik van dit Sacrament kan men op tweeërlei letten: vooreerst op het Sacrament zelf, vervolgens op de ontvangers. Wat betreft het Sacrament op zich, is het beter, dat beide d. w. z. zowel het Lichaam als het Bloed worden genuttigd, omdat het Sacrament pas volkomen is door beide. Vandaar dat de priester, aan wie het toekomt dit Sacrament te consecreren en te voltrekken, in geen geval het Lichaam van Christus zonder het Bloed mag nemen.

Ex parte autem sumentium requiritur summa reverentia, et cautela ne aliquid accidat quod vergat ad injuriam tanti mysterii. Quod praecipue posset accidere in sanguinis sumptione, qui quidem, si incaute sumeretur, de 322facili posset effundi. Et quia crevit multitudo populi christiani, in qua continentur senes et juvenes et parvuli, quorum quidam non sunt tantae discretionis, ut cautelam debitam circa usum hujus sacramenti adhibeant, ideo provide in quibusdam Ecclesiis observatur, ut populo sanguis sumendus non detur, sed solum a sacerdote sumatur.

Maar wat betreft de ontvangers, is er de grootst mogelijke eerbied en behoedzaamheid vereischt, opdat er niets gebeure, dat zulk een Geheim oneer zou aandoen. En zoo iets zou voornamelijk kunnen gebeuren bij het nuttigen van het Bloed, dat, als het op onbehoedzame wijze werd genomen, gemakkelijk zou worden uitgestort. Omdat nu het christen volk is aangegroeid tot een groote 322menigte, waaronder zich oude menschen, jeugdige personen en kinderen bevinden en deze niet altijd zoo omzichtig zijn, dat zij bij het nuttigen van dit Sacrament de vereischte behoedzaamheid in acht nemen, daarom bestaat in verschillende kerken de gerechtvaardigde gewoonte om aan het volk niet het Bloed der nuttiging te geven, maar dat dit alleen door den priester wordt genuttigd.Maar wat betreft de ontvangers, is er de grootst mogelijke eerbied en behoedzaamheid vereist, opdat er niets gebeure, dat zulk een Geheim oneer zou aandoen. En zo iets zou voornamelijk kunnen gebeuren bij het nuttigen van het Bloed, dat, als het op onbehoedzame wijze werd genomen, gemakkelijk zou worden uitgestort. Omdat nu het christen volk is aangegroeid tot een grote 322menigte, waaronder zich oude mensen, jeugdige personen en kinderen bevinden en deze niet altijd zo omzichtig zijn, dat zij bij het nuttigen van dit Sacrament de vereiste behoedzaamheid in acht nemen, daarom bestaat in verschillende kerken de gerechtvaardigde gewoonte om aan het volk niet het Bloed van de nuttiging te geven, maar dat dit alleen door de priester wordt genuttigd.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod Gelasius loquitur quantum ad sacerdotes, qui sicut totum consecrant sacramentum, ita etiam toti communicare debent. Ut enim legitur in Concilio Toletano [scilicet 12. can. 5.] : « Quale erit sacrificium, cui1 nec ipse sacrificans particeps2 esse dignoscitur? »

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Gelasius spreekt met betrekking tot de priesters, die het heele Sacrament consecreeren en het daarom ook in zijn geheel in de Communie moeten ontvangen. Zoo wordt er ook in de Twaalfde Kerkvergadering van Toledo gezegd: « Wat is dat voor een offer, waaraan men den offeraar zelf geen deel ziet nemen? »Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Gelasius spreekt met betrekking tot de priesters, die het hele Sacrament consecreren en het daarom ook in zijn geheel in de Communie moeten ontvangen. Zo wordt er ook in de Twaalfde Kerkvergadering van Toledo gezegd: “Wat is dat voor een offer, waaraan men de offeraar zelf geen deel ziet nemen?”

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod perfectio hujus sacramenti non est in usu fidelium, sed in consecratione materiae. Et ideo nihil derogat perfectioni hujus sacramenti si populus sumat corpus sine sanguine dummodo sacerdos consecrans sumat utrumque.

2. De volkomenheid van dit Sacrament wordt niet bereikt bij het gebruik van de geloovigen, maar bij de consecratie van de stof. En dus doet het niet af aan de volkomenheid van dit Sacrament, als het volk het Lichaam ontvangt zonder het Bloed, mits slechts de consecreerende priester beide ontvangt.2. De volkomenheid van dit Sacrament wordt niet bereikt bij het gebruik van de gelovigen, maar bij de consecratie van de stof. En dus doet het niet af aan de volkomenheid van dit Sacrament, als het volk het Lichaam ontvangt zonder het Bloed, mits slechts de consecrerende priester beide ontvangt.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod repraesentatio Dominicae passionis agitur 323in ipsa consecratione hujus sacramenti, in qua non debet corpus sine sanguine consecrari. Potest autem a populo corpus sine sanguine sumi: nec exinde sequitur aliquod detrimentum. Quia sacerdos in persona omnium sanguinem offert et sumit: et sub utraque specie totus Christus continetur, ut supra habitum est [q. 76. art. 2.].

3. De afbeelding van 's Heeren lijden vindt men in de consecratie van dit Sacrament, welke geen consecratie mag zijn van het 323Lichaam zonder het Bloed. Het volk kan evenwel het Lichaam ontvangen zonder het Bloed; daaruit volgt geen nadeel, want de priester offert en nuttigt het Bloed in den persoon van alle geloovigen; en onder elk van beide gedaanten is de heele Christus vervat, zooals boven is gezegd (76e Kw. 2e Art.).3. De afbeelding van 's Heren lijden vindt men in de consecratie van dit Sacrament, welke geen consecratie mag zijn van het 323Lichaam zonder het Bloed. Het volk kan evenwel het Lichaam ontvangen zonder het Bloed; daaruit volgt geen nadeel, want de priester offert en nuttigt het Bloed in de persoon van alle gelovigen; en onder elk van beide gedaanten is de hele Christus vervat, zoals boven is gezegd (76e Kw. 2e Art.).