De accidentibus remanentibus in hoc sacramento, in octo articulos divisa
Over de bijkomstigheden, die in dit Sacrament overblijven
140Deinde considerandum est de accidentibus remanentibus in hoc sacramento.
140Vervolgens dient gehandeld te worden over de bijkomstigheden, die in dit Sacrament overblijven.
Et circa hoc quaeruntur octo: 1. Utrum accidentia quae remanent, sint sine subjecto. — 2. Utrum quantitas dimensiva sit subjectum aliorum accidentium. — 3. Utrum hujusmodi accidentia possint immutare aliquod corpus extrinsecum. — 4. Utrum possint corrumpi. — 5. Utrum ex eis possit aliquid generari. — 6. Utrum possint nutrire. — 7. De fractione panis consecrati. — 8. Utrum vino consecrato possit aliquid permisceri.
Hieromtrent stellen wij acht vragen. 1. Zijn de bijkomstigheden, die overblijven, zonder subject? 2. Is de meetbare hoegrootheid het subject van de andere bijkomstigheden? 3. Kunnen dergelijke bijkomstigheden een buitenstaand lichaam veranderen? 4. Kunnen zij vergaan? 5. Kan er iets uit ontstaan? 6. Kunnen zij voeden? 7. Over de breking van het geconsecreerde brood. 8. Kan er iets bij den geconsecreerden wijn gemengd worden?Hieromtrent stellen wij acht vragen. 1. Zijn de bijkomstigheden, die overblijven, zonder subject? 2. Is de meetbare hoegrootheid het subject van de andere bijkomstigheden? 3. Kunnen dergelijke bijkomstigheden een buitenstaand lichaam veranderen? 4. Kunnen zij vergaan? 5. Kan er iets uit ontstaan? 6. Kunnen zij voeden? 7. Over de breking van het geconsecreerde brood. 8. Kan er iets bij de geconsecreerde wijn gemengd worden?
Utrum accidentia remaneant sine subjecto in hoc sacramento
Blijven de bijkomstigheden in dit Sacrament over zonder subject?
141Ad primum sic proceditur. Videtur quod accidentia non remaneant in hoc sacramento sine subjecto. Nihil enim inordinatum aut fallax debet esse in hoc sacramento veritatis. Sed accidentia esse sine subjecto est contra rerum ordinem quem Deus naturae indidit. Videtur etiam ad quandam fallaciam pertinere: cum accidentia naturaliter sint signa naturae subjecti. Ergo in hoc sacramento non sunt accidentia sine subjecto.
141Bedenkingen. — Men beweert, dat de bijkomstigheden in dit Sacrament niet overblijven zonder subject. — 1. In dit Sacrament der waarheid toch moet niets ongeordends of bedriegelijks zijn. Dat nu bijkomstigheden zonder subject zijn, is tegen de orde der dingen, welke God de natuur heeft ingedrukt. Het schijnt ook op een zekere bedriegelijkheid neer te komen: want de bijkomstigheden zijn teekenen van de natuur van het subject. Dus zijn de bijkomstigheden in dit Sacrament niet zonder subject.141Bedenkingen. — Men beweert, dat de bijkomstigheden in dit Sacrament niet overblijven zonder subject. — 1. In dit Sacrament van de waarheid toch moet niets ongeordends of bedriegelijks zijn. Dat nu bijkomstigheden zonder subject zijn, is tegen de orde van de dingen, welke God de natuur heeft ingedrukt. Het schijnt ook op een zekere bedriegelijkheid neer te komen: want de bijkomstigheden zijn tekenen van de natuur van het subject. Dus zijn de bijkomstigheden in dit Sacrament niet zonder subject.
2. Praeterea, fieri non potest etiam miraculose quod definitio rei ab ea separetur vel quod uni rei conveniat definitio alterius rei: puta quod homo manens homo sit animal irrationale. Ad hoc enim sequeretur contradictoria esse simul: hoc enim « quod significat nomen rei est definitio », ut dicitur 142in 4. Metaphys. [Did. lib. 3. cap. 7. n. 9.]. Sed ad definitionem accidentis pertinet quod sit in subjecto, ad definitionem vero substantiae quod per se subsistat non in subjecto. Non ergo potest miraculose fieri quod in hoc sacramento sint accidentia sine subjecto.
2. Zelfs door een wonder kan het niet gebeuren, dat de begripsbepaling van een ding van dat ding gescheiden wordt of dat aan één ding de begripsbepaling van iets anders toekomt b.v. dat een mensch, mensch blijvend, een redeloos dier zou zijn. Dit toch zou tot gevolg hebben, dat als ja en neen tegenovergestelde dingen tegelijk zouden zijn: want « wat de naam van een ding 142beteekent is de begripsbepaling », zooals gezegd wordt in de Metaphysica. Nu behoort het tot de begripsbepaling van de bijkomstigheid, dat zij in het subject is: daarentegen tot de begripsbepaling van de zelfstandigheid, dat zij op zich bestaat, niet in een subject. Dus kan het niet door een wonder gebeuren, dat in dit Sacrament de bijkomstigheden zonder subject zijn.2. Zelfs door een wonder kan het niet gebeuren, dat de begripsbepaling van een ding van dat ding gescheiden wordt of dat aan één ding de begripsbepaling van iets anders toekomt bv. dat een mens, mens blijvend, een redeloos dier zou zijn. Dit toch zou tot gevolg hebben, dat als ja en neen tegenovergestelde dingen tegelijk zouden zijn: want “wat de naam van een ding 142betekent is de begripsbepaling”, zoals gezegd wordt in de Metafysica. Nu behoort het tot de begripsbepaling van de bijkomstigheid, dat zij in het subject is: daarentegen tot de begripsbepaling van de zelfstandigheid, dat zij op zich bestaat, niet in een subject. Dus kan het niet door een wonder gebeuren, dat in dit Sacrament de bijkomstigheden zonder subject zijn.
3. Praeterea, accidens individuatur ex subjecto. Si ergo accidentia remanent in hoc sacramento sine subjecto, non erunt individua sed universalia. Quod patet esse falsum: quia sic non essent sensibilia, sed intelligibilia tantum.
3. De bijkomstigheid wordt vereenlingd door het subject. Als dus de bijkomstigheden in dit Sacrament zonder subject overblijven, zullen zij niet vereenlingd maar algemeen zijn. Dit blijkt valsch te zijn, want zóó zouden zij niet zintuigelijk maar slechts verstandelijk kenbaar zijn.3. De bijkomstigheid wordt vereenlingd door het subject. Als dus de bijkomstigheden in dit Sacrament zonder subject overblijven, zullen zij niet vereenlingd maar algemeen zijn. Dit blijkt vals te zijn, want zó zouden zij niet zintuigelijk maar slechts verstandelijk kenbaar zijn.
4. Praeterea, accidentia per consecrationem hujus sacramenti non adipiscuntur aliquam compositionem. Sed ante consecrationem non erant composita neque ex materia et forma, neque ex quo est et quod est. Ergo etiam post consecrationem non sunt composita altero horum modorum. Quod est inconveniens; quia sic essent simpliciora quam angeli, cum tamen haec accidentia sint sensibilia. Non ergo accidentia remanent in hoc sacramento sine subjecto.
4. De bijkomstigheden krijgen door de consecratie van dit Sacrament niet een of andere samengesteldheid. Nu waren zij vóór de consecratie niet samengesteld noch uit stof en vorm, noch uit waardoor iets is en wat iets is. Dus zijn zij ook na de consecratie niet samengesteld op een van deze twee manieren. Dit is echter onaannemelijk: want zóó zouden zij enkelvoudiger zijn dan de engelen; terwijl toch deze bijkomstigheden van zintuigelijken aard zijn. Dus blijven de bijkomstigheden in dit Sacrament niet over zonder subject.4. De bijkomstigheden krijgen door de consecratie van dit Sacrament niet een of andere samengesteldheid. Nu waren zij vóór de consecratie niet samengesteld noch uit stof en vorm, noch uit waardoor iets is en wat iets is. Dus zijn zij ook na de consecratie niet samengesteld op een van deze twee manieren. Dit is echter onaannemelijk: want zó zouden zij enkelvoudiger zijn dan de engelen; terwijl toch deze bijkomstigheden van zintuigelijke aard zijn. Dus blijven de bijkomstigheden in dit Sacrament niet over zonder subject.
Sed contra est quod Gregorius dicit in homil. Pasch. [Lanfranc. lib. 1437. de Corp. et Sang. Dom. cap. 20.], quod « species sacramentales sunt illarum rerum vocabula, quae ante fuerunt », scilicet panis et vini. Et ita, cum non remaneat substantia panis et vini, videtur quod hujusmodi species remaneant sine subjecto.
Daartegenover staat echter, dat Gregorius zegt, dat « de 143sacramenteele gedaanten de namen zijn van die dingen, die eerst waren nl. van het brood en den wijn ». Daar derhalve de zelfstandigheid van het brood en den wijn niet blijven, schijnen genoemde gedaanten zonder subject te zijn.Daartegenover staat echter, dat Gregorius zegt, dat “de 143sacramentele gedaanten de namen zijn van die dingen, die eerst waren nl. van het brood en de wijn”. Daar derhalve de zelfstandigheid van het brood en de wijn niet blijven, schijnen genoemde gedaanten zonder subject te zijn.
Respondeo dicendum quod accidentia panis et vini, quae sensu deprehenduntur in hoc sacramento remanere post consecrationem, non sunt sicut in subjecto in substantia panis et vini, quae non manet, ut supra habitum est [q. 75. art. 2.], neque etiam in forma substantiali, quae non manet [q. 75. art. 6.], et si remaneret, subjectum esse non posset, ut patet per Boetium in lib. 1. de Trinit. [cap. 2.]. Manifestum est etiam quod hujusmodi accidentia non sunt in substantia corporis et sanguinis Christi sicut in subjecto: quia substantia humani corporis nullo modo potest his accidentibus affici; neque etiam est possibile quod corpus Christi gloriosum et impassibile existens alteretur ad suscipiendas hujusmodi qualitates.
Leerstelling. — De bijkomstigheden van het brood en den wijn, wier voortbestaan na de consecratie in dit Sacrament zintuigelijk wordt vastgesteld, vinden geen subject in de zelfstandigheid van het brood en den wijn, die immers niet blijft, zooals boven is aangetoond (75e Kw. 2e Art.). Ook niet in den zelfstandigheidsvorm, die evenmin blijft (t.a.p. 6e Art.) en, als hij zou blijven, toch niet subject zou kunnen zijn, zooals blijkt bij Boëtius. Ook is het duidelijk, dat deze bijkomstigheden geen subject vinden in de zelfstandigheid van het Lichaam en Bloed van Christus: want de zelfstandigheid van het menschelijk lichaam kan onmogelijk deze bijkomstigheden dragen; het Lichaam van Christus, verheerlijkt en onlijdbaar als het is, kan ook niet zóó worden veranderd, dat het dergelijke hoedanigheden aanneemt.Leerstelling. — De bijkomstigheden van het brood en de wijn, wier voortbestaan na de consecratie in dit Sacrament zintuigelijk wordt vastgesteld, vinden geen subject in de zelfstandigheid van het brood en de wijn, die immers niet blijft, zoals boven is aangetoond (75e Kw. 2e Art.). Ook niet in de zelfstandigheidsvorm, die evenmin blijft (t.a.p. 6e Art.) en, als hij zou blijven, toch niet subject zou kunnen zijn, zoals blijkt bij Boëtius. Ook is het duidelijk, dat deze bijkomstigheden geen subject vinden in de zelfstandigheid van het Lichaam en Bloed van Christus: want de zelfstandigheid van het menselijk lichaam kan onmogelijk deze bijkomstigheden dragen; het Lichaam van Christus, verheerlijkt en onlijdbaar als het is, kan ook niet zó worden veranderd, dat het dergelijke hoedanigheden aanneemt.
Dicunt autem quidam quod sunt sicut in subjecto in aëre circumstante. Sed nec hoc esse potest. Primo quidem, quia aër non est hujusmodi 144accidentium susceptivus. Secundo, quia hujusmodi accidentia non sunt ubi est aër. Quinimo ad motum harum specierum aër depellitur. Tertio, quia accidentia non transeunt de subjecto in subjectum, ut scilicet idem accidens numero, quod primo fuit in uno subjecto, postmodum fiat in alio. Accidens enim numerum accipit a subjecto. Unde non potest esse quod idem numero manens sit quandoque in hoc quandoque in illo subjecto. Quarto, quia cum aër non spolietur accidentibus propriis, simul haberet accidentia propria et aliena. Nec potest dici, quod hoc fiat miraculose virtute consecrationis; quia verba consecrationis hoc non significant; quae tamen non efficiunt nisi suum significatum.
Maar sommigen zeggen, dat zij een subject vinden in de omringende lucht. Doch ook dat is onmogelijk. Vooreerst omdat de lucht deze bijkomstigheden niet kan opnemen. — Ten tweede 144omdat deze bijkomstigheden niet zijn, waar de lucht is. Veeleer wijkt de lucht, als deze gedaanten van plaats veranderen. — Ten derde omdat « bijkomstigheden niet overgaan van subject tot subject »: nl. zóó dat één en dezelfde bijkomstigheid eerst in het eene subject is en daarna in een ander. Een bijkomstigheid immers wordt tot deze bijkomstigheid door het subject. En daarom kan zij niet, zichzelf blijvend, nu eens in dit subject, dan weer in een ander zijn. — Ten vierde omdat de lucht, die niet van haar eigen bijkomstigheden wordt beroofd, tegelijk haar eigen en vreemde bijkomstigheden zou hebben. — Men kan ook niet zeggen, dat dit door een wonder gebeurt uit kracht van de consecratie: want de woorden van de consecratie, die buiten het beteekende niets uitwerken, beteekenen dit niet.Maar sommigen zeggen, dat zij een subject vinden in de omringende lucht. Doch ook dat is onmogelijk. Vooreerst omdat de lucht deze bijkomstigheden niet kan opnemen. — Ten tweede 144omdat deze bijkomstigheden niet zijn, waar de lucht is. Veeleer wijkt de lucht, als deze gedaanten van plaats veranderen. — Ten derde omdat “bijkomstigheden niet overgaan van subject tot subject”: nl. zó dat één en dezelfde bijkomstigheid eerst in het ene subject is en daarna in een ander. Een bijkomstigheid immers wordt tot deze bijkomstigheid door het subject. En daarom kan zij niet, zichzelf blijvend, nu eens in dit subject, dan weer in een ander zijn. — Ten vierde omdat de lucht, die niet van haar eigen bijkomstigheden wordt beroofd, tegelijk haar eigen en vreemde bijkomstigheden zou hebben. — Men kan ook niet zeggen, dat dit door een wonder gebeurt uit kracht van de consecratie: want de woorden van de consecratie, die buiten het betekende niets uitwerken, betekenen dit niet.
Et ideo relinquitur quod accidentia in hoc sacramento manent sine subjecto. Quod quidem virtute divina fieri potest. Cum enim effectus magis dependeat a causa prima quam a causa secunda, Deus, qui est prima causa substantiae et accidentis, per suam infinitam virtutem conservare potest in esse accidens, subtracta substantia, per quam conservabatur in esse sicut per propriam causam: sicut etiam alios effectus naturalium causarum potest 145producere sine naturalibus causis, sicut humanum corpus formavit in utero Virginis sine virili semine.
Dus blijft er niets anders over dan dat de bijkomstigheden in dit Sacrament zonder subject voortbestaan. Hetgeen door Gods kracht mogelijk is. Daar immers het uitwerksel méér van de eerste oorzaak dan van de tweede oorzaak afhangt, kan God, die de eerste oorzaak is van de zelfstandigheid en van de bijkomstigheid, door Zijn oneindige kracht de bijkomstigheid in het zijn bewaren bij wegvallen van de zelfstandigheid, waardoor zij als door de eigen oorzaak in het zijn werd bewaard: gelijk Hij ook de andere uitwerkselen van de natuurlijke oorzaken zonder de natuurlijke 145oorzaken kan voortbrengen, zooals Hij een menschelijk Lichaam in den schoot der Maagd « zonder het zaad van een man heeft gevormd ».Dus blijft er niets anders over dan dat de bijkomstigheden in dit Sacrament zonder subject voortbestaan. Hetgeen door Gods kracht mogelijk is. Daar immers het uitwerksel méér van de eerste oorzaak dan van de tweede oorzaak afhangt, kan God, die de eerste oorzaak is van de zelfstandigheid en van de bijkomstigheid, door Zijn oneindige kracht de bijkomstigheid in het zijn bewaren bij wegvallen van de zelfstandigheid, waardoor zij als door de eigen oorzaak in het zijn werd bewaard: gelijk Hij ook de andere uitwerkselen van de natuurlijke oorzaken zonder de natuurlijke 145oorzaken kan voortbrengen, zoals Hij een menselijk Lichaam in de schoot van de Maagd “zonder het zaad van een man heeft gevormd”.
Ad primum ergo dicendum quod nihil prohibet, aliquid esse ordinatum secundum communem legem naturae, cujus tamen contrarium est ordinatum secundum speciale privilegium gratiae, ut patet in resuscitatione mortuorum, et in illuminatione caecorum: prout etiam in rebus humanis quaedam aliquibus conceduntur, ex speciali privilegio praeter legem communem. Et ita, licet sit secundum communem naturae ordinem quod accidens sit in subjecto, ex speciali tamen ratione, secundum ordinem gratiae, accidentia sunt in hoc sacramento sine subjecto, propter rationes supra inductas [q. 75. art. 5.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Er is niets op tegen, dat iets een bepaalde orde heeft gekregen volgens de gewone wet van de natuur, terwijl het toch een tegengestelde orde heeft gekregen volgens een bijzonder voorrecht van de genade, zooals blijkt in de opwekking van dooden en in het ziendemaken van blinden: gelijk ook in het menschelijk leven aan sommigen door een bijzonder voorrecht eenige dingen tegen de gewone wet worden toegestaan. Op die manier dan zijn, om de boven aangehaalde redenen (75e Kw. 5e Art.), de bijkomstigheden in dit Sacrament zonder subject, al wil de gewone wet van de natuur, dat de bijkomstigheid in een subject is.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Er is niets op tegen, dat iets een bepaalde orde heeft gekregen volgens de gewone wet van de natuur, terwijl het toch een tegengestelde orde heeft gekregen volgens een bijzonder voorrecht van de genade, zoals blijkt in de opwekking van doden en in het ziendemaken van blinden: gelijk ook in het menselijk leven aan sommigen door een bijzonder voorrecht enige dingen tegen de gewone wet worden toegestaan. Op die manier dan zijn, om de boven aangehaalde redenen (75e Kw. 5e Art.), de bijkomstigheden in dit Sacrament zonder subject, al wil de gewone wet van de natuur, dat de bijkomstigheid in een subject is.
Ad secundum dicendum quod cum ens non sit genus, hoc ipsum quod est esse, non potest esse essentia substantiae vel accidentis. Non est ergo definitio substantiae ens per se sine subjecto, nec definitio accidentis ens in subjecto: sed quidditati seu essentiae substantiae competit habere esse non in subjecto; quidditati autem sive essentiae accidentis competit habere esse 146in subjecto. In hoc autem sacramento non datur accidentibus quod ex vi suae essentiae non sint in subjecto, sed ex divina virtute sustentante. Et ideo non desinunt esse accidentia: quia nec separatur ab eis definitio accidentis, quae est aptitudo ad subjectum, quae semper manet in iis, non actualis inhaerentia1, nec competit eis definitio substantiae.
2. Daar het zijnde geen geslacht is, is het uitgesloten, dat « zijn » de wezenheid van de zelfstandigheid of van de bijkomstigheid is. Dus is de begripsbepaling van de zelfstandigheid niet: « een zijnde op zich zonder subject », noch de begripsbepaling van de bijkomstigheid: « een zijnde in een subject », neen, maar aan de watheid of wezenheid van de zelfstandigheid « komt het toe het zijn niet in een subject te hebben »; aan de watheid of 146wezenheid echter van de bijkomstigheid: « komt het toe het zijn in een subject te hebben ». Nu wordt in dit Sacrament aan de bijkomstigheden niet gegeven, dat zij uit de kracht van haar wezenheid zijn zonder subject maar uit Gods instandhoudende kracht. En daarom houden zij niet op bijkomstigheden te zijn, omdat de begripsbepaling van de bijkomstigheid niet van haar wordt gescheiden [De vertaling van «quae est aptitudo ad subjectum, quae semper manet in iis, non actualis inhaerentia» ontbreekt in de uitgave.] en de begripsbepaling van de zelfstandigheid niet op haar toepasbaar is.2. Daar het zijnde geen geslacht is, is het uitgesloten, dat “zijn” de wezenheid van de zelfstandigheid of van de bijkomstigheid is. Dus is de begripsbepaling van de zelfstandigheid niet: “een zijnde op zich zonder subject”, noch de begripsbepaling van de bijkomstigheid: “een zijnde in een subject”, neen, maar aan de watheid of wezenheid van de zelfstandigheid “komt het toe het zijn niet in een subject te hebben”; aan de watheid of 146wezenheid echter van de bijkomstigheid: “komt het toe het zijn in een subject te hebben”. Nu wordt in dit Sacrament aan de bijkomstigheden niet gegeven, dat zij uit de kracht van haar wezenheid zijn zonder subject maar uit Gods instandhoudende kracht. En daarom houden zij niet op bijkomstigheden te zijn, omdat de begripsbepaling van de bijkomstigheid niet van haar wordt gescheiden [De vertaling van “quae est aptitudo ad subjectum, quae semper manet in iis, non actualis inhaerentia” ontbreekt in de uitgave.] en de begripsbepaling van de zelfstandigheid niet op haar toepasbaar is.
Ad tertium dicendum quod hujusmodi accidentia acquisierunt esse individuum in substantia panis et vini: qua conversa in corpus et sanguinem Christi, remanent virtute divina accidentia in illo esse individuato, quod prius habebant. Unde sunt singularia et sensibilia.
3. Deze bijkomstigheden hebben het vereenlingd zijn gekregen in de zelfstandigheid van het brood en den wijn: wanneer deze is veranderd in het Lichaam en Bloed van Christus, blijven door Gods kracht de bijkomstigheden in dat vereenlingde zijn, wat zij eerst hadden. En zoo zijn ze eenlingen en zijn zij zintuigelijk kenbaar.3. Deze bijkomstigheden hebben het vereenlingd zijn gekregen in de zelfstandigheid van het brood en de wijn: wanneer deze is veranderd in het Lichaam en Bloed van Christus, blijven door Gods kracht de bijkomstigheden in dat vereenlingde zijn, wat zij eerst hadden. En zo zijn ze eenlingen en zijn zij zintuigelijk kenbaar.
Ad quartum dicendum quod accidentia hujusmodi, manente substantia panis et vini, non habebant ipsa esse sicut2 nec alia accidentia; sed subjecta eorum habebant3 hujusmodi esse per ea, sicut nix est alba per albedinem. Sed post consecrationem ipsa accidentia quae remanent, habent esse. Unde sunt composita ex esse et quod est, sicut in 1. de Angelis 147dictum est [q. 50. art. 2. ad 3; q. 75. art. 5. ad 4.]. Et cum hoc habent compositionem partium quantitativarum.
4. Toen de zelfstandigheid van het brood en den wijn er nog was, hadden deze bijkomstigheden zelf niet het zijn evenmin als andere bijkomstigheden: haar zelfstandigheid had een dergelijk zijn door haar, zooals de sneeuw wit is door de witheid. Maar na de consecratie hebben de bijkomstigheden, die overblijven, zelf het zijn. En zoo zijn ze samengesteld uit zijn en wat is, zooals 147in het Eerste Deel van de engelen is gezegd (I. 50e Kw. 2e Art. 3e Antw.; 75e Kw. 5e Art. 4e Antw.). Bovendien hebben ze nog de samenstelling van de deelen harer hoegrootheid.4. Toen de zelfstandigheid van het brood en de wijn er nog was, hadden deze bijkomstigheden zelf niet het zijn evenmin als andere bijkomstigheden: haar zelfstandigheid had een dergelijk zijn door haar, zoals de sneeuw wit is door de witheid. Maar na de consecratie hebben de bijkomstigheden, die overblijven, zelf het zijn. En zo zijn ze samengesteld uit zijn en wat is, zoals 147in het Eerste Deel van de engelen is gezegd (1 50e Kw. 2e Art. 3e Antw.; 75e Kw. 5e Art. 4e Antw.). Bovendien hebben ze nog de samenstelling van de delen van haar hoegrootheid.
Utrum in hoc sacramento quantitas dimensiva panis vel vini sit aliorum accidentium subjectum
Is in dit Sacrament de meetbare hoegrootheid van het brood en den wijn het subject van de andere bijkomstigheden?Is in dit Sacrament de meetbare hoegrootheid van het brood en de wijn het subject van de andere bijkomstigheden?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod in hoc sacramento quantitas dimensiva panis vel vini non sit aliorum accidentium subjectum. Subjectum enim accidentis non est accidens. Nulla enim forma potest esse subjectum, cum subjici pertineat ad proprietatem materiae. Sed quantitas dimensiva est quoddam accidens. Ergo quantitas dimensiva non potest esse subjectum aliorum accidentium.
Bedenkingen. — Men beweert, dat in dit Sacrament de meetbare hoegrootheid niet het subject is van de andere bijkomstigheden. — 1. Immers een bijkomstigheid heeft geen bijkomstigheid: want geen enkele vorm kan subject zijn, daar « subiici » d. i. « onderstaan » tot de eigenaardigheid van de stof behoort. Nu is de meetbare hoegrootheid een bijkomstigheid. Dus kan de meetbare hoegrootheid niet het subject van de andere bijkomstigheden zijn.Bedenkingen. — Men beweert, dat in dit Sacrament de meetbare hoegrootheid niet het subject is van de andere bijkomstigheden. — 1. Immers een bijkomstigheid heeft geen bijkomstigheid: want geen enkele vorm kan subject zijn, daar “subiici” d.i. “onderstaan” tot de eigenaardigheid van de stof behoort. Nu is de meetbare hoegrootheid een bijkomstigheid. Dus kan de meetbare hoegrootheid niet het subject van de andere bijkomstigheden zijn.
2. Praeterea, sicut quantitas individuatur ex substantia, ita etiam alia accidentia. Si ergo quantitas dimensiva panis aut vini remanet individuata 148secundum esse prius habitum in quo conservatur, pari ratione et alia accidentia remanent individuata secundum esse quod prius habebant in substantia. Non ergo sunt in quantitate dimensiva sicut in subjecto, cum omne accidens individuetur per suum subjectum.
2. Gelijk de hoegrootheid wordt vereenlingd door de zelfstandigheid, zoo ook de andere bijkomstigheden. Indien derhalve de meetbare hoegrootheid van het brood en den wijn vereenlingd 148blijft volgens het zijn, dat zij eerst had en waarin zij wordt bewaard, dan blijven op dezelfde wijze ook de andere bijkomstigheden vereenlingd volgens het zijn, dat zij eerst in de zelfstandigheid hadden. Dus zijn zij niet als in haar subject in de meetbare hoegrootheid: want iedere bijkomstigheid wordt vereenlingd door haar subject.2. Gelijk de hoegrootheid wordt vereenlingd door de zelfstandigheid, zo ook de andere bijkomstigheden. Indien derhalve de meetbare hoegrootheid van het brood en de wijn vereenlingd 148blijft volgens het zijn, dat zij eerst had en waarin zij wordt bewaard, dan blijven op dezelfde wijze ook de andere bijkomstigheden vereenlingd volgens het zijn, dat zij eerst in de zelfstandigheid hadden. Dus zijn zij niet als in haar subject in de meetbare hoegrootheid: want iedere bijkomstigheid wordt vereenlingd door haar subject.
3. Praeterea, inter alia accidentia panis et vini quae remanent, deprehenduntur etiam sensu rarum et densum, quae non possunt esse in quantitate dimensiva praeter materiam existente. Quia rarum est, quod habet parum de materia sub magnis dimensionibus; densum autem, quod habet multum de materia sub parvis dimensionibus, ut dicitur 4. Physic. [cap. 9. n. 6, 7.]. Ergo videtur quod quantitas dimensiva non possit esse subjectum accidentium, quae remanent in hoc sacramento.
3. Onder de andere overblijvende bijkomstigheden van het brood en den wijn stelt men ook zintuigelijk vast het ijle en het dichte. Deze kunnen niet in de zonder stof bestaande meetbare hoegrootheid zijn: want ijl is, wat weinig stof heeft onder groote afmetingen, terwijl dicht is, wat veel stof heeft onder kleine afmetingen, zooals in de Physica gezegd wordt. Dus schijnt de meetbare hoegrootheid niet het subject te kunnen zijn van de overblijvende bijkomstigheden.3. Onder de andere overblijvende bijkomstigheden van het brood en de wijn stelt men ook zintuigelijk vast het ijle en het dichte. Deze kunnen niet in de zonder stof bestaande meetbare hoegrootheid zijn: want ijl is, wat weinig stof heeft onder grote afmetingen, terwijl dicht is, wat veel stof heeft onder kleine afmetingen, zoals in de Fysica gezegd wordt. Dus schijnt de meetbare hoegrootheid niet het subject te kunnen zijn van de overblijvende bijkomstigheden.
4. Praeterea, quantitas a subjecto separata videtur esse quantitas mathematica, quae non est subjectum qualitatum sensibilium. Cum ergo accidentia quae remanent in hoc sacramento sint sensibilia, videtur quod non possint esse in hoc sacramento, sicut in subjecto in quantitate dimensiva panis et vini remanente post consecrationem.
4. Een van het subject gescheiden hoegrootheid schijnt een wiskundige hoegrootheid te zijn, welke geen subject is van zintuigelijk kenbare hoedanigheden. Daar derhalve de in dit Sacrament overblijvende bijkomstigheden zintuigelijk kenbaar zijn, schijnen zij niet haar subject te kunnen vinden in dit Sacrament in de hoegrootheid van het brood en den wijn, die na de consecratie overblijft.4. Een van het subject gescheiden hoegrootheid schijnt een wiskundige hoegrootheid te zijn, welke geen subject is van zintuigelijk kenbare hoedanigheden. Daar derhalve de in dit Sacrament overblijvende bijkomstigheden zintuigelijk kenbaar zijn, schijnen zij niet haar subject te kunnen vinden in dit Sacrament in de hoegrootheid van het brood en de wijn, die na de consecratie overblijft.
149Sed contra est quod qualitates non sunt divisibiles nisi per accidens, scilicet ratione subjecti. Dividuntur autem qualitates remanentes in hoc sacramento per divisionem quantitatis dimensivae; sicut patet ad sensum. Ergo quantitas dimensiva est subjectum accidentium quae remanent in hoc sacramento.
149Daartegenover staat echter, dat hoedanigheden niet verdeelbaar zijn tenzij om iets anders nl. vanwege het subject. Nu worden de in dit Sacrament overblijvende hoedanigheden door verdeeling van de meetbare hoegrootheid verdeeld, zooals zintuigelijk blijkt. Dus is de meetbare hoegrootheid het subject van de in dit Sacrament overblijvende bijkomstigheden.149Daartegenover staat echter, dat hoedanigheden niet verdeelbaar zijn tenzij om iets anders nl. vanwege het subject. Nu worden de in dit Sacrament overblijvende hoedanigheden door verdeling van de meetbare hoegrootheid verdeeld, zoals zintuigelijk blijkt. Dus is de meetbare hoegrootheid het subject van de in dit Sacrament overblijvende bijkomstigheden.
Respondeo dicendum quod necesse est dicere accidentia alia quae remanent in hoc sacramento, esse sicut in subjecto in quantitate dimensiva panis vel vini remanente. Primo quidem, per hoc quod ad sensum apparet aliquid quantum esse ibi coloratum et aliis accidentibus affectum: nec in talibus sensus decipitur.
Leerstelling. — Men moet zeggen, dat de andere bijkomstigheden, die in dit Sacrament overblijven, haar subject vinden in de overblijvende meetbare hoegrootheid van het brood en den wijn. En wel vooreerst, omdat zintuigelijk blijkt, dat er iets hoegroots aanwezig is, van kleur en andere bijkomstigheden voorzien, terwijl in dergelijke dingen de zinnen zich niet bedriegen.Leerstelling. — Men moet zeggen, dat de andere bijkomstigheden, die in dit Sacrament overblijven, haar subject vinden in de overblijvende meetbare hoegrootheid van het brood en de wijn. En wel vooreerst, omdat zintuigelijk blijkt, dat er iets hoegroots aanwezig is, van kleur en andere bijkomstigheden voorzien, terwijl in dergelijke dingen de zinnen zich niet bedriegen.
Secundo, quia prima dispositio materiae est quantitas dimensiva: unde et Plato posuit primas differentias materiae magnum et parvum [cf. Arist. Physic. lib. 1. cap. 4. n. 1.]. Et quia primum subjectum est materia, consequens est quod omnia alia accidentia referantur ad subjectum mediante quantitate dimensiva, sicut et primum subjectum coloris dicitur esse superficies: ratione cujus quidam posuerunt dimensiones esse substantias 150corporum, ut dicitur in 3. Metaphys. [Did. lib. 2. cap. 5.]. Et quia, subtracto subjecto, remanent accidentia secundum esse quod prius habebant, consequens est quod omnia accidentia remaneant fundata super quantitatem dimensivam.
— Ten tweede, omdat de eerste bepaling van de stof de meetbare hoegrootheid is: vandaar dat Plato als eerste onderscheidingen van de stof groot en klein stelde. En omdat het eerste subject de stof is, zijn bijgevolg alle andere bijkomstigheden op het subject betrokken door tusschenkomst van de meetbare hoegrootheid, zooals ook als eerste subject van de kleur de oppervlakte wordt genoemd: reden waarom sommigen de afmetingen tot de zelfstandigheden van de lichamen hebben gemaakt, zooals gezegd 150wordt in de Metaphysica. Daar nu, bij het wegvallen van het subject, de bijkomstigheden overblijven volgens het zijn, dat zij eerst bezaten, blijven bij gevolg alle bijkomstigheden rusten op de meetbare hoegrootheid.— Ten tweede, omdat de eerste bepaling van de stof de meetbare hoegrootheid is: vandaar dat Plato als eerste onderscheidingen van de stof groot en klein stelde. En omdat het eerste subject de stof is, zijn bijgevolg alle andere bijkomstigheden op het subject betrokken door tussenkomst van de meetbare hoegrootheid, zoals ook als eerste subject van de kleur de oppervlakte wordt genoemd: reden waarom sommigen de afmetingen tot de zelfstandigheden van de lichamen hebben gemaakt, zoals gezegd 150wordt in de Metafysica. Daar nu, bij het wegvallen van het subject, de bijkomstigheden overblijven volgens het zijn, dat zij eerst bezaten, blijven bij gevolg alle bijkomstigheden rusten op de meetbare hoegrootheid.
Tertio, quia, cum subjectum sit principium individuationis accidentium, oportet id quod ponitur aliquorum accidentium subjectum esse aliquo modo1 individuationis principium. Est enim de ratione individui quod non possit in pluribus esse. Quod quidem contingit dupliciter. Uno modo, quia non est natum esse in aliquo: et hoc modo formae immateriales separatae, per se subsistentes, sunt etiam per seipsas individuae. Alio modo, ex eo quod forma substantialis vel accidentalis est quidem nata in aliquo esse, non tamen in pluribus: sicut haec albedo quae est in hoc corpore. Quantum igitur ad primum, materia est individuationis principium omnibus formis inhaerentibus: quia, cum hujusmodi formae, quantum est de se, sint natae in aliquo esse sicut in subjecto, ex quo aliqua earum recipitur in materia, quae non est in 151alio, jam nec forma ipsa sic existens potest in alio esse. Quantum autem ad secundum, dicendum est quod individuationis principium est quantitas dimensiva. Ex hoc enim aliquid est natum esse in uno solo, quod illud est in se indivisum et divisum ab omnibus aliis. Divisio autem accidit substantiae ratione quantitatis, ut dicitur n. 1. Physic. [cap. 2. n. 10, 13.]. Et ideo ipsa quantitas dimensiva est quoddam individuationis principium hujusmodi formis, inquantum scilicet diversae formae numero sunt in diversis partibus materiae. Unde et ipsa quantitas dimensiva secundum se habet quandam individuationem: ita quod possumus imaginari plures lineas ejusdem speciei differentes positione, quae cadit in ratione hujus quantitatis; convenit enim dimensioni quod sit quantitas positionem habens. Et ideo potius quantitas dimensiva potest esse subjectum aliorum accidentium quam e converso.
— Ten derde, omdat op een of andere wijze beginsel van vereenlinging moet zijn, wat als subject van eenige bijkomstigheden wordt opgegeven. Het behoort nl. tot het wezen van het vereenlingde, dat het niet in meerdere kan zijn. En dat heeft plaats op twee manieren. Ofwel omdat het niet in staat is in iets te zijn en op deze manier zijn de afgescheiden onstoffelijke vormen, welke op zich bestaan, ook door zich zelf vereenlingd. Ofwel omdat een zelfstandige of bijkomstige vorm wel in staat is in iets te zijn, maar niet in meerdere, zooals deze witheid, die in dit lichaam is. Wat dan het eerste aangaat, is de stof het eenlingmakende beginsel van alle gedragen vormen, want weliswaar zijn dergelijke vormen op zich in staat in iets te zijn als in een subject, maar zoodra een van haar wordt ontvangen in de stof, die niet in iets anders is, kan ook die vorm zelf, zoo bestaande, niet in iets anders zijn. Wat echter het tweede aangaat, moet men zeggen, dat het eenlingmakende beginsel de meetbare hoegrootheid is. Immers hierdoor is iets in staat om maar 151in één ding te zijn, doordat dit onverdeeld is in zich en afgedeeld van alle andere dingen. Welnu, de verdeeling komt aan de zelfstandigheid toe krachtens de hoegrootheid, zooals in de Physica gezegd wordt. En dus is voor zulke vormen de meetbare hoegrootheid zelf een beginsel van vereenlinging, inzoover nl. een veelvoud van vormen in een veelvoud van stofdeelen is. Daarom heeft de meetbare hoegrootheid zelf op zich zelf een zekere vereenlinging, zóó dat wij ons meerdere lijnen kunnen verbeelden, verschillend alleen door de ligging, die tot het begrip van deze hoegrootheid behoort; aan de afmeting immers komt toe ligginghebbende hoegrootheid te zijn. Derhalve kan de meetbare hoegrootheid eerder subject zijn van de andere bijkomstigheden dan omgekeerd.— Ten derde, omdat op een of andere wijze beginsel van vereenlinging moet zijn, wat als subject van enige bijkomstigheden wordt opgegeven. Het behoort nl. tot het wezen van het vereenlingde, dat het niet in meerdere kan zijn. En dat heeft plaats op twee manieren. Ofwel omdat het niet in staat is in iets te zijn en op deze manier zijn de afgescheiden onstoffelijke vormen, welke op zich bestaan, ook door zichzelf vereenlingd. Ofwel omdat een zelfstandige of bijkomstige vorm wel in staat is in iets te zijn, maar niet in meerdere, zoals deze witheid, die in dit lichaam is. Wat dan het eerste aangaat, is de stof het eenlingmakende beginsel van alle gedragen vormen, want weliswaar zijn dergelijke vormen op zich in staat in iets te zijn als in een subject, maar zodra een van haar wordt ontvangen in de stof, die niet in iets anders is, kan ook die vorm zelf, zo bestaande, niet in iets anders zijn. Wat echter het tweede aangaat, moet men zeggen, dat het eenlingmakende beginsel de meetbare hoegrootheid is. Immers hierdoor is iets in staat om maar 151in één ding te zijn, doordat dit onverdeeld is in zich en afgedeeld van alle andere dingen. Welnu, de verdeling komt aan de zelfstandigheid toe krachtens de hoegrootheid, zoals in de Fysica gezegd wordt. En dus is voor zulke vormen de meetbare hoegrootheid zelf een beginsel van vereenlinging, inzover nl. een veelvoud van vormen in een veelvoud van stofdelen is. Daarom heeft de meetbare hoegrootheid zelf op zichzelf een zekere vereenlinging, zó dat wij ons meerdere lijnen kunnen verbeelden, verschillend alleen door de ligging, die tot het begrip van deze hoegrootheid behoort; aan de afmeting immers komt toe ligginghebbende hoegrootheid te zijn. Derhalve kan de meetbare hoegrootheid eerder subject zijn van de andere bijkomstigheden dan omgekeerd.
Ad primum ergo dicendum quod accidens per se non potest esse subjectum alterius accidentis: quia per se non est. Secundum vero quod est in alio, unum accidens dicitur esse subjectum alterius, inquantum unum accidens recipitur in subjecto alio mediante: sicut superficies dicitur esse subjectum 152coloris. Unde quando accidenti datur divinitus ut per se sit, potest etiam per se alterius accidentis subjectum esse.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Op zich kan een bijkomstigheid niet het subject zijn van een andere bijkomstigheid, daar zij niet op zich is. Maar zijnde in iets anders wordt de eene bijkomstigheid subject van de andere genoemd, inzoover de eene bijkomstigheid in het subject wordt ontvangen door tusschenkomst van de andere, zooals de oppervlakte het subject van de kleur wordt genoemd. Wanneer dus aan een bijkomstigheid 152van Godswege gegeven wordt op zich te zijn, kan zij ook op zich subject zijn van een andere bijkomstigheid.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Op zich kan een bijkomstigheid niet het subject zijn van een andere bijkomstigheid, daar zij niet op zich is. Maar zijnde in iets anders wordt de ene bijkomstigheid subject van de andere genoemd, inzover de ene bijkomstigheid in het subject wordt ontvangen door tussenkomst van de andere, zoals de oppervlakte het subject van de kleur wordt genoemd. Wanneer dus aan een bijkomstigheid 152van Godswege gegeven wordt op zich te zijn, kan zij ook op zich subject zijn van een andere bijkomstigheid.
Ad secundum dicendum quod alia accidentia, etiam secundum quod erant in substantia panis, individuabantur mediante quantitate dimensiva, sicut dictum est [in corp.]. Et ideo potius quantitas dimensiva est subjectum aliorum accidentium remanentium in hoc sacramento quam e converso.
2. Ook toen zij nog in de zelfstandigheid van het brood waren, werden de andere bijkomstigheden vereenlingd door tusschenkomst van de meetbare hoegrootheid, gelijk gezegd is (in de Leerst.). En daarom is de meetbare hoegrootheid eerder subject van de andere overblijvende bijkomstigheden dan omgekeerd.2. Ook toen zij nog in de zelfstandigheid van het brood waren, werden de andere bijkomstigheden vereenlingd door tussenkomst van de meetbare hoegrootheid, gelijk gezegd is (in de Leerst.). En daarom is de meetbare hoegrootheid eerder subject van de andere overblijvende bijkomstigheden dan omgekeerd.
Ad tertium dicendum quod rarum et densum sunt quaedam qualitates consequentes corpora, ex hoc quod habent multum vel parum de materia sub dimensionibus: sicut etiam omnia alia accidentia consequuntur ex principiis substantiae. Et ideo sicut, subtracta substantia, divina virtute conservantur alia accidentia; ita, subtracta materia, divina virtute conservantur qualitates materiam consequentes, sicut rarum et densum.
3. Het ijle en het dichte zijn hoedanigheden, die aan de lichamen toekomen, inzoover deze veel of weinig stof hebben onder de afmetingen: zooals ook alle andere bijkomstigheden eraan toekomen uit kracht van samenstellende beginselen der zelfstandigheid. En zooals nu, bij het wegvallen van de zelfstandigheid, door Gods kracht de andere bijkomstigheden in stand worden gehouden, zoo worden ook, bij het wegvallen van de stof, door Gods kracht die hoedanigheden in stand gehouden, welke aan de stof toekomen, zooals het ijle en het dichte.3. Het ijle en het dichte zijn hoedanigheden, die aan de lichamen toekomen, inzover deze veel of weinig stof hebben onder de afmetingen: zoals ook alle andere bijkomstigheden eraan toekomen uit kracht van samenstellende beginselen van de zelfstandigheid. En zoals nu, bij het wegvallen van de zelfstandigheid, door Gods kracht de andere bijkomstigheden in stand worden gehouden, zo worden ook, bij het wegvallen van de stof, door Gods kracht die hoedanigheden in stand gehouden, welke aan de stof toekomen, zoals het ijle en het dichte.
Ad quartum dicendum quod quantitas mathematica non abstrahit a materia intelligibili, sed a materia sensibili, ut dicitur 7. Metaphys. [Did. lib. 6. cap. 10. n. 13.]. Dicitur autem materia sensibilis ex hoc quod subjicitur sensibilibus qualitatibus. Et ideo manifestum est, quod quantitas 153dimensiva quae remanet in hoc sacramento sine subjecto, non est quantitas mathematica.
4. De wiskundige hoegrootheid ziet niet af van verstandelijk kenbare maar van zintuigelijk kenbare stof, zooals gezegd wordt in de Metaphysica. Nu wordt stof zintuigelijk kenbaar genoemd, als zij zintuigelijk kenbare hoedanigheden in zich heeft. Dus is 153het duidelijk, dat de in dit Sacrament zonder subject overblijvende meetbare hoegrootheid geen wiskundige hoegrootheid is.4. De wiskundige hoegrootheid ziet niet af van verstandelijk kenbare maar van zintuigelijk kenbare stof, zoals gezegd wordt in de Metafysica. Nu wordt stof zintuigelijk kenbaar genoemd, als zij zintuigelijk kenbare hoedanigheden in zich heeft. Dus is 153het duidelijk, dat de in dit Sacrament zonder subject overblijvende meetbare hoegrootheid geen wiskundige hoegrootheid is.
Utrum species quae remanent in hoc sacramento, possint immutare aliquid extrinsecum
Kunnen de in dit Sacrament overblijvende gedaanten iets buiten haar veranderen?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod species quae remanent in hoc sacramento, non possint immutare aliquid extrinsecum. Probatur enim 7 Metaphys. [Did. lib. 6. cap. 8. n. 5 sqq.], quod formae quae sunt in materia, fiunt a formis quae sunt in materia, non autem a formis quae sunt sine materia: eo quod simile agit sibi simile. Sed species sacramentales sunt species sine materia: quia remanent sine subjecto, ut ex dictis patet [art. 1.]. Non possunt ergo immutare materiam exteriorem, inducendo aliquam formam.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de in dit Sacrament overblijvende gedaanten niet iets buiten haar kunnen veranderen. — 1. In de Metaphysica wordt immers bewezen, dat vormen-in-de-stof ontstaan door vormen-in-de-stof, niet door vormen-zonder-stof, aangezien het gelijke het gelijke voortbrengt. Nu zijn de sacramenteele gedaanten gedaanten-zonder-stof, daar zij overblijven zonder subject, zooals uit het gezegde blijkt (1e Art.). Dus kunnen zij niet een buitenliggende stof veranderen door er een vorm in te brengen.Bedenkingen. — Men beweert, dat de in dit Sacrament overblijvende gedaanten niet iets buiten haar kunnen veranderen. — 1. In de Metafysica wordt immers bewezen, dat vormen-in-de-stof ontstaan door vormen-in-de-stof, niet door vormen-zonder-stof, aangezien het gelijke het gelijke voortbrengt. Nu zijn de sacramentele gedaanten gedaanten-zonder-stof, daar zij overblijven zonder subject, zoals uit het gezegde blijkt (1e Art.). Dus kunnen zij niet een buitenliggende stof veranderen door er een vorm in te brengen.
2. Praeterea, cessante actione principalis1 agentis, necesse est quod 154cesset actio instrumenti: sicut, quiescente fabro, non movetur martellus. Sed omnes formae accidentales agunt instrumentaliter in virtute formae substantialis tanquam principalis agentis. Cum ergo in hoc sacramento non remaneat forma substantialis panis et vini, sicut supra habitum est [q. 75. art. 6.], videtur quod formae accidentales remanentes agere non possint ad immutationem exterioris materiae.
2. Wanneer de handeling van den eersten werker ophoudt, moet ook de handeling van het werktuig ophouden, zooals, 154wanneer de werkman rust, de hamer stil ligt. Nu werken alle bijkomstigheden werktuigelijk in de kracht van den zelfstandigen vorm als hoofdwerker. Daar derhalve in dit Sacrament de zelfstandige vorm van het brood en den wijn niet blijft, zooals boven is aangetoond (75e Kw. 6e Art.), schijnen de overblijvende bijkomstige vormen niet te kunnen werken tot verandering van de buitenliggende stof.2. Wanneer de handeling van de eerste werker ophoudt, moet ook de handeling van het werktuig ophouden, zoals, 154wanneer de werkman rust, de hamer stil ligt. Nu werken alle bijkomstigheden werktuigelijk in de kracht van de zelfstandige vorm als hoofdwerker. Daar derhalve in dit Sacrament de zelfstandige vorm van het brood en de wijn niet blijft, zoals boven is aangetoond (75e Kw. 6e Art.), schijnen de overblijvende bijkomstige vormen niet te kunnen werken tot verandering van de buitenliggende stof.
3. Praeterea, nihil agit ultra suam speciem: quia effectus non potest esse potior causa. Sed species sacramentales omnes sunt accidentia. Non ergo possunt exteriorem materiam immutare, ad minus ad formam substantialem.
3. Niets werkt boven zijn eigen soort, daar het uitwerksel niet voornamer kan zijn dan de oorzaak. Nu zijn de sacramenteele gedaanten alle bijkomstigheden. Dus kunnen zij de buitenliggende stof niet veranderen, minstens niet tot een zelfstandigheidsvorm.3. Niets werkt boven zijn eigen soort, daar het uitwerksel niet voornamer kan zijn dan de oorzaak. Nu zijn de sacramentele gedaanten alle bijkomstigheden. Dus kunnen zij de buitenliggende stof niet veranderen, minstens niet tot een zelfstandigheidsvorm.
Sed contra est quod si non possent immutare exteriora corpora, non possent sentiri: sentitur enim aliquid per hoc quod immutatur sensus a sensibili, ut dicitur 2. de Anima [cap. 7. n. 6.].
Daartegenover staat echter, dat, als zij de buitenliggende lichamen niet konden veranderen, zij niet zintuigelijk waargenomen zouden kunnen worden: immers wordt iets zintuigelijk waargenomen, doordat het zintuig door het zintuigelijk waarneembare voorwerp veranderd wordt, gelijk gezegd wordt in De Anima.
Respondeo dicendum quod quia unumquodque agit inquantum est ens actu, consequens est quod unumquodque, sicut se habet ad esse, ita se habeat 155ad agere. Quia igitur secundum praedicta [art. 1. ad 3.] speciebus sacramentalibus datum est divina virtute ut remaneant in suo esse quod habebant substantia panis et vini existente, consequens est quod etiam remaneant in suo agere. Et ideo omnem actionem quam poterant agere, substantia panis et vini existente, possunt etiam agere, substantia panis et vini transeunte in corpus et sanguinem Christi. Unde non est dubium, quod possunt immutare exteriora corpora.
Leerstelling. — Omdat elk ding werkt, inzoover het een daadwerkelijk zijnde is, verhoudt elk ding zich tot het werken, zooals het zich verhoudt tot het zijn. Daar derhalve, 155volgens het vroeger gezegde (1e Art. 3e Antw.), aan de sacramenteele gedaanten door Gods kracht gegeven is om te blijven in haar zijn, dat zij bezaten, toen de zelfstandigheid van het brood en den wijn nog bestond, blijven zij bijgevolg ook in haar werken. Alle werking dus, welke zij tijdens het bestaan van het brood en den wijn konden volvoeren, kunnen zij ook volvoeren, wanneer de zelfstandigheid van het brood en den wijn overgaat in het Lichaam en Bloed van Christus. Daarom lijdt het geen twijfel, dat zij buitenliggende lichamen kunnen veranderen.Leerstelling. — Omdat elk ding werkt, inzover het een daadwerkelijk zijnde is, verhoudt elk ding zich tot het werken, zoals het zich verhoudt tot het zijn. Daar derhalve, 155volgens het vroeger gezegde (1e Art. 3e Antw.), aan de sacramentele gedaanten door Gods kracht gegeven is om te blijven in haar zijn, dat zij bezaten, toen de zelfstandigheid van het brood en de wijn nog bestond, blijven zij bijgevolg ook in haar werken. Alle werking dus, welke zij tijdens het bestaan van het brood en de wijn konden volvoeren, kunnen zij ook volvoeren, wanneer de zelfstandigheid van het brood en de wijn overgaat in het Lichaam en Bloed van Christus. Daarom lijdt het geen twijfel, dat zij buitenliggende lichamen kunnen veranderen.
Ad primum ergo dicendum quod species sacramentales, licet sint formae sine materia existentes, retinent tamen idem esse, quod habebant prius in materia. Et ideo secundum suum esse assimilantur formis quae sunt in materia.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Al zijn de sacramenteele gedaanten vormen, die zonder stof bestaan, toch behouden zij hetzelfde zijn, dat zij eerst in de stof hadden. Naar haar zijn dus staan zij gelijk met vormen, die in de stof zijn.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Al zijn de sacramentele gedaanten vormen, die zonder stof bestaan, toch behouden zij hetzelfde zijn, dat zij eerst in de stof hadden. Naar haar zijn dus staan zij gelijk met vormen, die in de stof zijn.
Ad secundum dicendum quod ita actio formae accidentalis dependet ab actione formae substantialis, sicut esse accidentis dependet ab esse substantiae. Et ideo, sicut divina virtute datur speciebus sacramentalibus ut possint esse sine substantia, ita datur eis, ut possint agere sine forma substantiali virtute Dei, a quo sicut a primo agente dependet omnis actio formae, et 156substantialis et accidentalis.
2. De werking van den bijkomstigen vorm hangt zóó van de werking van den zelfstandigen vorm af, als het zijn van de bijkomstigheid afhangt van het zijn van de zelfstandigheid. Zooals daarom door Gods kracht aan de sacramenteele gedaanten gegeven wordt zonder de zelfstandigheid te kunnen zijn, zoo wordt haar ook gegeven zonder den zelfstandigen vorm te kunnen werken, door Gods kracht, van wien als van den eersten Werker 156alle werking én van zelfstandigen vorm én van bijkomstigen vorm afhangt.2. De werking van de bijkomstige vorm hangt zó van de werking van de zelfstandige vorm af, als het zijn van de bijkomstigheid afhangt van het zijn van de zelfstandigheid. Zoals daarom door Gods kracht aan de sacramentele gedaanten gegeven wordt zonder de zelfstandigheid te kunnen zijn, zo wordt haar ook gegeven zonder de zelfstandige vorm te kunnen werken, door Gods kracht, van wie als van de eerste Werker 156alle werking én van zelfstandigen vorm én van bijkomstige vorm afhangt.
Ad tertium dicendum quod immutatio, quae est ad formam substantialem, non fit a forma substantiali immediate sed mediantibus qualitatibus activis et passivis, quae agunt in virtute formae substantialis. Haec autem virtus instrumentalis conservatur in speciebus sacramentalibus divina virtute, sicut et prius erat. Et ideo possunt agere ad formam substantialem instrumentaliter: per quem modum aliquid potest agere ultra suam speciem, non quasi virtute propria, sed virtute principalis agentis.
3. De verandering, die uitloopt op den zelfstandigen vorm, geschiedt niet onmiddellijk door den zelfstandigen vorm maar door tusschenkomst van werkdadige en lijdende hoedanigheden, die in de kracht van den zelfstandigen vorm werken. Deze werktuigelijke kracht nu wordt door Gods kracht in de sacramenteele gedaante zóó in stand gehouden, als zij eerst was. Derhalve kunnen zij werktuigelijk werken tot den zelfstandigen vorm: op die wijze immers kan iets boven zijn soort werken, niet als door eigen kracht maar door de kracht van den hoofdwerker.3. De verandering, die uitloopt op de zelfstandige vorm, geschiedt niet onmiddellijk door de zelfstandige vorm maar door tussenkomst van werkdadige en lijdende hoedanigheden, die in de kracht van de zelfstandige vorm werken. Deze werktuigelijke kracht nu wordt door Gods kracht in de sacramentele gedaante zó in stand gehouden, als zij eerst was. Derhalve kunnen zij werktuigelijk werken tot de zelfstandige vorm: op die wijze immers kan iets boven zijn soort werken, niet als door eigen kracht maar door de kracht van de hoofdwerker.
Utrum species sacramentales possint corrumpi
Kunnen de sacramenteele gedaanten vergaan?Kunnen de sacramentele gedaanten vergaan?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod species sacramentales corrumpi non possint. Corruptio enim accidit per separationem formae a 157materia. Sed materia panis non remanet in hoc sacramento, sicut ex supradictis patet [q. 75. art. 4. 8.]. Ergo hujusmodi species non possunt corrumpi.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de sacramenteele gedaanten niet kunnen vergaan. — 1. Vergaan toch heeft plaats, doordat de vorm van de stof gescheiden wordt. Welnu, de stof van het brood blijft niet in dit Sacrament, zooals uit het boven 157gezegde blijkt (75e Kw. 4e en 8e Art.). Dus kunnen deze gedaanten niet vergaan.Bedenkingen. — Men beweert, dat de sacramentele gedaanten niet kunnen vergaan. — 1. Vergaan toch heeft plaats, doordat de vorm van de stof gescheiden wordt. Welnu, de stof van het brood blijft niet in dit Sacrament, zoals uit het boven 157gezegde blijkt (75e Kw. 4e en 8e Art.). Dus kunnen deze gedaanten niet vergaan.
2. Praeterea, nulla forma corrumpitur nisi per accidens, corrupto subjecto. Unde formae per se subsistentes incorruptibiles sunt, sicut patet in substantiis spiritualibus. Sed species sacramentales sunt formae sine subjecto. Ergo corrumpi non possunt.
2. Geen enkele vorm vergaat tenzij door iets anders t.w. door het vergaan van het subject: daarom zijn op zich bestaande vormen onvergankelijk, zooals blijkt bij de geestelijke zelfstandigheden. Nu zijn de sacramenteele gedaanten vormen zonder subject. Dus kunnen zij niet vergaan.2. Geen enkele vorm vergaat tenzij door iets anders t.w. door het vergaan van het subject: daarom zijn op zich bestaande vormen onvergankelijk, zoals blijkt bij de geestelijke zelfstandigheden. Nu zijn de sacramentele gedaanten vormen zonder subject. Dus kunnen zij niet vergaan.
3. Praeterea, si corrumpuntur, aut hoc erit naturaliter, aut miraculose. Sed non naturaliter: quia non est ibi assignare aliquod corruptionis subjectum, quod maneat, corruptione terminata. Similiter etiam nec miraculose: quia miracula quae sunt in hoc sacramento, fiunt virtute consecrationis, per quam species sacramentales conservantur; non est autem idem causa conservationis et corruptionis. Ergo nullo modo species sacramentales corrumpi possunt.
3. Als zij vergaan, dan zal dat op natuurlijke wijze of door een wonder geschieden. Welnu, niet op natuurlijke wijze, want men kan hier niet een of ander subject van vergaan aanwijzen, dat zou blijven na het vergaan. Evenmin door een wonder, want de in dit Sacrament optredende wonderen gebeuren door de kracht van de consecratie, waardoor de sacramenteele gedaanten in stand worden gehouden; iets is echter niet oorzaak van behoud en tevens van vergaan. Dus kunnen de sacramenteele gedaanten op geen enkele wijze vergaan.3. Als zij vergaan, dan zal dat op natuurlijke wijze of door een wonder geschieden. Welnu, niet op natuurlijke wijze, want men kan hier niet een of ander subject van vergaan aanwijzen, dat zou blijven na het vergaan. Evenmin door een wonder, want de in dit Sacrament optredende wonderen gebeuren door de kracht van de consecratie, waardoor de sacramentele gedaanten in stand worden gehouden; iets is echter niet oorzaak van behoud en tevens van vergaan. Dus kunnen de sacramentele gedaanten op geen enkele wijze vergaan.
Sed contra est quod sensu deprehenditur, hostias consecratas putrefieri et corrumpi.
Daartegenover staat echter, dat men zintuigelijk bemerkt, hoe geconsecreerde hosties bederven en vergaan.
Respondeo dicendum quod corruptio est motus ex esse in non esse. 158Dictum est autem supra [art. praec.], quod species sacramentales retinent idem esse quod prius habebant, substantia panis et vini existente. Et ideo, sicut esse horum accidentium poterat corrumpi substantia panis et vini existente, ita etiam potest corrumpi, illa substantia abeunte.
Leerstelling. — Het vergaan is de verandering van het 158zijn in het niet-zijn. Welnu, boven is gezegd (3e Art.), dat de sacramenteele gedaanten hetzelfde zijn behouden, als zij bezaten, toen de zelfstandigheid van het brood en den wijn er nog was. Zooals dus het zijn van deze bijkomstigheden kon vergaan tijdens het bestaan van de zelfstandigheid van het brood en den wijn, zoo kan het ook vergaan, wanneer die zelfstandigheid verdwijnt.Leerstelling. — Het vergaan is de verandering van het 158zijn in het niet-zijn. Welnu, boven is gezegd (3e Art.), dat de sacramentele gedaanten hetzelfde zijn behouden, als zij bezaten, toen de zelfstandigheid van het brood en de wijn er nog was. Zoals dus het zijn van deze bijkomstigheden kon vergaan tijdens het bestaan van de zelfstandigheid van het brood en de wijn, zo kan het ook vergaan, wanneer die zelfstandigheid verdwijnt.
Poterant autem hujusmodi accidentia primo corrumpi dupliciter : uno modo, per se; alio modo, per accidens. Per se quidem, sicut per alterationem qualitatum, et augmentum vel diminutionem quantitatis: non quidem per modum augmenti vel diminutionis, qui invenitur in solis corporibus animatis, qualia non sunt substantia panis et vini, sed per additionem vel divisionem; nam, sicut dicitur 3. Metaphys. [Did. lib. 2. cap. 5. n. 10.], per divisionem una dimensio corrumpitur et fiunt duae, per additionem autem e converso ex duabus fit una. Et per hunc modum manifeste possunt corrumpi hujusmodi accidentia post consecrationem: quia et ipsa quantitas dimensiva remanens potest divisionem et additionem recipere; et, cum sit subjectum qualitatum sensibilium, sicut dictum est [art. 2.], potest etiam esse subjectum alterationis earum, puta si alteretur color aut sapor panis aut vini.
Nu konden deze bijkomstigheden eerst op een dubbele wijze vergaan: en wel op zich en vervolgens door iets anders. Op zich d.w.z. door verandering van de hoedanigheden en door vermeerdering of vermindering van de hoegrootheid: weliswaar niet op de wijze van vermeerdering of vermindering, die men alleen aantreft bij levende lichamen, waartoe de zelfstandigheid van brood en wijn niet behoort, maar door toevoeging of verdeeling, want, zooals in de Metaphysica gezegd wordt, bij verdeeling vergaat de eene afmeting en ontstaan er twee, terwijl er daarentegen door toevoeging uit twee één ontstaat. En het is duidelijk, dat op die wijze deze bijkomstigheden na de consecratie kunnen vergaan: immers kan de overblijvende meetbare hoegrootheid zelf verdeeling en toevoeging ondergaan, terwijl zij ook, daar zij het subject is van zintuigelijk waarneembare hoedanigheden, zooals gezegd is (2e Art.), het subject van de verandering daarom 159kan zijn b.v. als de kleur of de smaak van brood en wijn verandert.Nu konden deze bijkomstigheden eerst op een dubbele wijze vergaan: en wel op zich en vervolgens door iets anders. Op zich d.w.z. door verandering van de hoedanigheden en door vermeerdering of vermindering van de hoegrootheid: weliswaar niet op de wijze van vermeerdering of vermindering, die men alleen aantreft bij levende lichamen, waartoe de zelfstandigheid van brood en wijn niet behoort, maar door toevoeging of verdeling, want, zoals in de Metafysica gezegd wordt, bij verdeling vergaat de ene afmeting en ontstaan er twee, terwijl er daarentegen door toevoeging uit twee één ontstaat. En het is duidelijk, dat op die wijze deze bijkomstigheden na de consecratie kunnen vergaan: immers kan de overblijvende meetbare hoegrootheid zelf verdeling en toevoeging ondergaan, terwijl zij ook, daar zij het subject is van zintuigelijk waarneembare hoedanigheden, zoals gezegd is (2e Art.), het subject van de verandering daarom 159kan zijn bv. als de kleur of de smaak van brood en wijn verandert.
Alio modo poterant corrumpi per accidens, per corruptionem subjecti. Et hoc 159modo possunt corrumpi etiam post consecrationem. Quamvis enim subjectum non remaneat, remanet tamen esse quod habebant hujusmodi accidentia in subjecto, quod quidem est proprium et conforme subjecto. Et ideo hujusmodi esse potest corrumpi a contrario agente, sicut corrumpebatur substantia panis vel vini: quae etiam non corrumpebatur nisi praecedente alteratione circa accidentia.
Bovendien konden zij door iets anders vergaan d. i. door het vergaan van het subject. En op deze wijze kunnen zij ook na de consecratie vergaan. Want hoewel het subject niet blijft, blijft toch het zijn, dat deze bijkomstigheden in het subject bezaten en dat eigen en aangepast is aan het subject. En dus kan dit zijn door toedoen van een tegengestelden werker vergaan, juist zooals de zelfstandigheid van brood en wijn verging: deze verging trouwens niet, als er geen verandering in de bijkomstigheden voorafging.Bovendien konden zij door iets anders vergaan d.i. door het vergaan van het subject. En op deze wijze kunnen zij ook na de consecratie vergaan. Want hoewel het subject niet blijft, blijft toch het zijn, dat deze bijkomstigheden in het subject bezaten en dat eigen en aangepast is aan het subject. En dus kan dit zijn door toedoen van een tegengestelden werker vergaan, juist zoals de zelfstandigheid van brood en wijn verging: deze verging trouwens niet, als er geen verandering in de bijkomstigheden voorafging.
Distinguendum tamen est inter utrumque modum praedictarum corruptionum. Quia, cum corpus Christi et sanguis succedant in hoc sacramento substantiae panis et vini, si fiat talis immutatio ex parte accidentium quae non suffecisset ad corruptionem panis et vini, propter talem immutationem non desinit corpus et sanguis Christi esse sub hoc sacramento: sive fiat immutatio ex parte qualitatis, puta cum modicum immutatur color aut sapor panis vel vini; sive ex parte quantitatis, sicut cum dividitur panis aut vinum in tales partes quod adhuc in eis possit salvari natura panis aut vini. Si vero fiat tanta immutatio quod fuisset corrupta substantia panis aut vini, non remanent corpus et sanguis Christi sub hoc sacramento. Et hoc sive ex parte 160qualitatum, sicut cum ita immutatur color et sapor et aliae qualitates panis et vini, quod nullo modo possent compati naturam1 panis aut vini: sive etiam ex parte quantitatis, puta si pulverizetur panis, vel vinum in tam minutas2 partes dividatur, ut jam non remaneant species panis vel vini.
Men moet evenwel een onderscheid maken tusschen de beide genoemde wijzen van vergaan. Want uit het feit, dat in dit Sacrament de zelfstandigheid van het brood en den wijn wordt opgevolgd door het Lichaam en Bloed van Christus, valt af te leiden, dat, als er aan den kant van de bijkomstigheden een verandering plaats heeft, welke niet voldoende zou zijn geweest voor het vergaan van het brood en den wijn, het Lichaam en Bloed van Christus tengevolge van zoo'n verandering niet ophoudt in dit Sacrament tegenwoordig te zijn: om het even of er een verandering plaats heeft in de hoedanigheid b.v. als de kleur of de smaak van het brood en den wijn een weinig verandert, dan 160wel in de hoegrootheid, zooals wanneer het brood of de wijn in zulke deelen wordt verdeeld, dat de natuur van brood of wijn er nog in behouden blijft. — Als er echter zoo'n groote verandering plaats heeft, dat de zelfstandigheid van het brood of van den wijn zou zijn vergaan, blijft het Lichaam en Bloed van Christus niet in dit Sacrament En dit geldt zoowel van de hoedanigheden, zooals wanneer de kleur en de smaak en de andere hoedanigheden van het brood en den wijn in zulk een mate veranderen, als de natuur van het brood en den wijn volstrekt niet zou toelaten; als ook van de hoegrootheid b.v. wanneer het brood tot stof wordt vermalen of de wijn in allerkleinste deeltjes werd verdeeld, zóó dat de soort van brood en wijn niet gehandhaafd bleef.Men moet evenwel een onderscheid maken tussen de beide genoemde wijzen van vergaan. Want uit het feit, dat in dit Sacrament de zelfstandigheid van het brood en de wijn wordt opgevolgd door het Lichaam en Bloed van Christus, valt af te leiden, dat, als er aan de kant van de bijkomstigheden een verandering plaats heeft, welke niet voldoende zou zijn geweest voor het vergaan van het brood en de wijn, het Lichaam en Bloed van Christus tengevolge van zo'n verandering niet ophoudt in dit Sacrament tegenwoordig te zijn: om het even of er een verandering plaats heeft in de hoedanigheid bv. als de kleur of de smaak van het brood en de wijn een weinig verandert, dan 160wel in de hoegrootheid, zoals wanneer het brood of de wijn in zulke delen wordt verdeeld, dat de natuur van brood of wijn er nog in behouden blijft. — Als er echter zo'n grote verandering plaats heeft, dat de zelfstandigheid van het brood of van de wijn zou zijn vergaan, blijft het Lichaam en Bloed van Christus niet in dit Sacrament En dit geldt zowel van de hoedanigheden, zoals wanneer de kleur en de smaak en de andere hoedanigheden van het brood en de wijn in zulk een mate veranderen, als de natuur van het brood en de wijn volstrekt niet zou toelaten; als ook van de hoegrootheid bv. wanneer het brood tot stof wordt vermalen of de wijn in allerkleinste deeltjes werd verdeeld, zó dat de soort van brood en wijn niet gehandhaafd bleef.
Ad primum ergo dicendum quod ad corruptionem per se pertinet quod auferat esse rei. Unde inquantum esse alicujus formae est in materia, consequens est quod per corruptionem separetur forma a materia3. Si vero hujusmodi esse non esset in materia, simile tamen ei quod est in materia, posset per corruptionem auferri etiam materia non existente: sicut accidit in hoc sacramento, ut ex dictis patet [in corp.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Tot het vergaan behoort uiteraard, dat het zijn van een ding wordt weggenomen. Voorzoover dus het zijn van een vorm in de stof is, wordt gevolgelijk door het vergaan de vorm van de stof gescheiden. Indien dit zijn evenwel niet in de stof was, maar toch geleek op het zijn in de stof, dan kon het door vergaan weggenomen worden, al bestond er dan geen stof: zooals in het Sacrament gebeurt, gelijk uit het gezegde blijkt (in de Leerst.).Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Tot het vergaan behoort uiteraard, dat het zijn van een ding wordt weggenomen. Voorzover dus het zijn van een vorm in de stof is, wordt gevolgelijk door het vergaan de vorm van de stof gescheiden. Indien dit zijn evenwel niet in de stof was, maar toch geleek op het zijn in de stof, dan kon het door vergaan weggenomen worden, al bestond er dan geen stof: zoals in het Sacrament gebeurt, gelijk uit het gezegde blijkt (in de Leerst.).
Ad secundum dicendum quod species sacramentales, licet sint formae 161non in materia, habent tamen esse quod prius in materia habebant.
2. Hoewel de sacramenteele gedaanten vormen zijn, die zich 161niet in de stof bevinden, hebben zij toch het zijn, dat zij eerst in de stof hadden.2. Hoewel de sacramentele gedaanten vormen zijn, die zich 161niet in de stof bevinden, hebben zij toch het zijn, dat zij eerst in de stof hadden.
Ad tertium dicendum quod corruptio illarum specierum non est miraculosa sed naturalis: praesupponit tamen miraculum quod est factum in consecratione, scilicet quod illae species sacramentales retineant esse sine subjecto, quod prius habebant in subjecto; sicut et caecus miraculose illuminatus naturaliter videt.
3. Dat vergaan van de gedaanten is niet iets van een wonder maar iets natuurlijks: het veronderstelt echter het wonder, dat geschied is in de consecratie nl. dat die sacramenteele gedaanten het zijn behouden, dat zij eerst in het subject bezaten; vergelijk dat de blinde, eenmaal door een wonder genezen, natuurlijkerwijze ziet.3. Dat vergaan van de gedaanten is niet iets van een wonder maar iets natuurlijks: het veronderstelt echter het wonder, dat geschied is in de consecratie nl. dat die sacramentele gedaanten het zijn behouden, dat zij eerst in het subject bezaten; vergelijk dat de blinde, eenmaal door een wonder genezen, natuurlijkerwijze ziet.
Utrum ex speciebus sacramentalibus aliquid possit generari
Kan uit de sacramenteele gedaanten iets ontstaan?Kan uit de sacramentele gedaanten iets ontstaan?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod ex speciebus sacramentalibus nihil possit generari. Quod enim generatur, ex aliqua materia generatur: ex nihilo enim nihil generatur, quamvis ex nihilo fiat aliquid per creationem. Sed speciebus sacramentalibus non subest aliqua materia nisi corporis Christi, quod est incorruptibile. Ergo videtur quod ex speciebus sacramentalibus nihil possit generari.
Bedenkingen. — Men beweert, dat uit de sacramenteele gedaanten niets kan ontstaan. — 1. Immers alles wat ontstaat (door verandering), ontstaat uit een stof: want uit het niets ontstaat niets (door verandering), hoewel uit het niets wel iets wordt door schepping. Nu is er onder de sacramenteele gedaanten geen stof tenzij van het Lichaam van Christus, dat onvergankelijk is. Dus kan uit de sacramenteele gedaanten niets ontstaan.Bedenkingen. — Men beweert, dat uit de sacramentele gedaanten niets kan ontstaan. — 1. Immers alles wat ontstaat (door verandering), ontstaat uit een stof: want uit het niets ontstaat niets (door verandering), hoewel uit het niets wel iets wordt door schepping. Nu is er onder de sacramentele gedaanten geen stof tenzij van het Lichaam van Christus, dat onvergankelijk is. Dus kan uit de sacramentele gedaanten niets ontstaan.
1622. Praeterea, ea, quae non sunt unius generis, non possunt ex se invicem fieri: non enim ex albedine fit linea. Sed accidens et substantia differunt genere. Cum ergo species sacramentales sint accidentia videtur quod ex eis non possit aliqua substantia generari.
1622. Dingen, die niet van hetzelfde geslacht zijn, kunnen niet uit elkaar worden: uit witheid wordt geen lijn. Welnu, de bijkomstigheid en de zelfstandigheid verschillen in geslacht. Gegeven dus dat de sacramenteele gedaanten bijkomstig zijn, schijnt er geen zelfstandigheid uit te kunnen ontstaan.1622. Dingen, die niet van hetzelfde geslacht zijn, kunnen niet uit elkaar worden: uit witheid wordt geen lijn. Welnu, de bijkomstigheid en de zelfstandigheid verschillen in geslacht. Gegeven dus dat de sacramentele gedaanten bijkomstig zijn, schijnt er geen zelfstandigheid uit te kunnen ontstaan.
3. Praeterea, si ex eis generetur aliqua substantia corporea, illa substantia non erit sine accidente. Si ergo ex speciebus sacramentalibus generetur aliqua substantia corporea, oportet quod ex accidente generetur substantia et accidens, duo scilicet ex uno: quod est impossibile. Ergo impossibile est quod ex speciebus sacramentalibus aliqua substantia corporea generetur.
3. Als er een stoffelijke zelfstandigheid uit ontstaat, zal deze niet zonder een bijkomstigheid zijn. Wanneer er dus uit de sacramenteele gedaanten een stoffelijke zelfstandigheid ontstaat, moet uit een bijkomstigheid een zelfstandigheid en een bijkomstigheid ontstaan, dus twee uit één, hetgeen onmogelijk is. Dus is het onmogelijk, dat er uit de sacramenteele gedaanten een stoffelijke zelfstandigheid ontstaat.3. Als er een stoffelijke zelfstandigheid uit ontstaat, zal deze niet zonder een bijkomstigheid zijn. Wanneer er dus uit de sacramentele gedaanten een stoffelijke zelfstandigheid ontstaat, moet uit een bijkomstigheid een zelfstandigheid en een bijkomstigheid ontstaan, dus twee uit één, hetgeen onmogelijk is. Dus is het onmogelijk, dat er uit de sacramentele gedaanten een stoffelijke zelfstandigheid ontstaat.
Sed contra est quod ad sensum videri potest ex speciebus sacramentalibus aliquid generari: vel cineres si comburantur, vel vermes si putrefiant, vel pulveres si conterantur.
Daartegenover staat echter het zintuigelijk waarneembare feit, dat uit de sacramenteele gedaanten iets ontstaat: asch, wanneer zij verbrand worden; wormen, als zij bederven; stof, als zij geheel en al verbrijzeld worden.Daartegenover staat echter het zintuigelijk waarneembare feit, dat uit de sacramentele gedaanten iets ontstaat: as, wanneer zij verbrand worden; wormen, als zij bederven; stof, als zij geheel en al verbrijzeld worden.
Respondeo dicendum quod, cum « corruptio unius sit generatio alterius », ut dicitur in 1. de Generatione [cap. 3. n. 7.], necesse est, quod 163ex speciebus sacramentalibus aliquid generetur cum corrumpantur, ut dictum est [art. praec.]. Non enim sic corrumpuntur ut omnino dispareant, quasi in nihilum redigantur: sed manifeste aliquid sensibile eis succedit.
Leerstelling. — Daar « het vergaan van het eene het ontstaan van het andere is », zooals in De Generatione gezegd wordt, moet er iets ontstaan uit de sacramenteele gedaanten, wanneer deze, gelijk gezegd is (4e Art.), vergaan. Immers 163vergaan zij niet zóó, dat ze volkomen verdwijnen als door vernietiging, maar worden zij klaarblijkelijk door iets zintuigelijk waarneembaars opgevolgd.Leerstelling. — Daar “het vergaan van het ene het ontstaan van het andere is”, zoals in De Generatione gezegd wordt, moet er iets ontstaan uit de sacramentele gedaanten, wanneer deze, gelijk gezegd is (4e Art.), vergaan. Immers 163vergaan zij niet zó, dat ze volkomen verdwijnen als door vernietiging, maar worden zij klaarblijkelijk door iets zintuigelijk waarneembaars opgevolgd.
Quomodo autem ex eis aliquid generari possit difficile est videre. Manifestum est enim, quod ex corpore et sanguine Christi quae ibi veraciter sunt, non generatur aliquid: cum sint incorruptibilia. Si autem substantia panis aut vini remaneret in hoc sacramento, vel eorum materia, facile esset assignare quod ex eis generatur illud sensibile quod succedit, ut quidam posuerunt. Sed hoc est falsum, ut supra habitum est [q. 75. art. 2, 4, 8.].
Het is echter moeilijk in te zien, hoe er iets uit ontstaan kan. Want het is duidelijk, dat er niets ontstaat uit het daar waarachtig tegenwoordige Lichaam en Bloed van Christus, daar dit onvergankelijk is. Als nu de zelfstandigheid van het brood en den wijn in dit Sacrament zou blijven, of de stof ervan, zou men gemakkelijk kunnen opgeven, dat uit dat brood en dien wijn het zintuigelijk waarneembare opvolgende ding ontstaat, zooals sommigen hebben beweerd. Maar deze veronderstelling is onjuist, zooals boven is uiteengezet (75e Kw. 2e, 4e, 8e Art.).Het is echter moeilijk in te zien, hoe er iets uit ontstaan kan. Want het is duidelijk, dat er niets ontstaat uit het daar waarachtig tegenwoordige Lichaam en Bloed van Christus, daar dit onvergankelijk is. Als nu de zelfstandigheid van het brood en de wijn in dit Sacrament zou blijven, of de stof ervan, zou men gemakkelijk kunnen opgeven, dat uit dat brood en die wijn het zintuigelijk waarneembare opvolgende ding ontstaat, zoals sommigen hebben beweerd. Maar deze veronderstelling is onjuist, zoals boven is uiteengezet (75e Kw. 2e, 4e, 8e Art.).
Et ideo quidam dixerunt quod ea quae generantur, non fiunt ex speciebus sacramentalibus, sed ex aëre circumstante. Quod quidem multipliciter apparet esse impossibile. Primo, quia ex eo generatur aliquid quod prius alteratum et corruptum apparet. Nulla autem alteratio vel corruptio prius apparuit in aëre circumstante. Unde ex eo vermes vel cineres non generantur. Secundo, quia natura aëris non est talis quod ex eo per tales alterationes talia generentur. Tertio, quia potest contingere in magna quantitate hostias 164consecratas comburi vel putrefieri: nec esset possibile tantum de corpore terreno ex aëre generari, nisi magna et valde sensibili inspissatione aëris facta. Quarto, quia idem potest accidere corporibus solidis circumstantibus, puta ferro, aut lapidibus; quae integra remanent post praedictorum generationem. Unde haec positio stare non potest: quia contrariatur ei quod ad sensum apparet.
Daarom hebben sommigen gezegd, dat het nieuw wordende niet uit de sacramenteele gedaanten maar uit de omringende lucht ontstaat. — Dit echter blijkt op velerlei wijzen onmogelijk te zijn. Vooreerst omdat iets ontstaat uit datgene, wat van te voren aan het veranderen en vergaan blijkt te zijn. Nu is er in de omringende lucht van te voren niets gebleken van een veranderen en vergaan. Dus is het niet uit haar, dat wormen of asch ontstaan. — Ten tweede omdat de natuur van de lucht niet zóó is, dat er uit haar langs dergelijke veranderingen dergelijke dingen ontstaan. — Ten derde omdat het kan voorkomen, dat 164geconsecreerde hosties in groote hoeveelheid verbrand worden of bederven, terwijl het niet mogelijk zou zijn, dat er zóóveel aardestof uit de lucht ontstond zonder een groote en zeer duidelijk zintuigelijk waarneembare samenspuiting van lucht. — Ten vierde omdat hetzelfde kan gebeuren bij een onmiddellijke omgeving van harde voorwerpen b.v. van ijzer of steenen: en deze zijn onveranderd na het ontstaan van bovengenoemde dingen. — Dus kan deze bewering geen stand houden, in strijd als zij is met wat zintuigelijk blijkt.Daarom hebben sommigen gezegd, dat het nieuw wordende niet uit de sacramentele gedaanten maar uit de omringende lucht ontstaat. — Dit echter blijkt op velerlei wijzen onmogelijk te zijn. Vooreerst omdat iets ontstaat uit datgene, wat van te voren aan het veranderen en vergaan blijkt te zijn. Nu is er in de omringende lucht van te voren niets gebleken van een veranderen en vergaan. Dus is het niet uit haar, dat wormen of as ontstaan. — Ten tweede omdat de natuur van de lucht niet zó is, dat er uit haar langs dergelijke veranderingen dergelijke dingen ontstaan. — Ten derde omdat het kan voorkomen, dat 164geconsecreerde hosties in grote hoeveelheid verbrand worden of bederven, terwijl het niet mogelijk zou zijn, dat er zóveel aardestof uit de lucht ontstond zonder een grote en zeer duidelijk zintuigelijk waarneembare samenspuiting van lucht. — Ten vierde omdat hetzelfde kan gebeuren bij een onmiddellijke omgeving van harde voorwerpen bv. van ijzer of stenen: en deze zijn onveranderd na het ontstaan van bovengenoemde dingen. — Dus kan deze bewering geen stand houden, in strijd als zij is met wat zintuigelijk blijkt.
Et ideo alii dixerunt, quod redit substantia panis et vini in ipsa corruptione specierum, et sic ex substantia panis et vini redeunte generantur cineres aut vermes, aut aliquid hujusmodi. Sed haec positio videtur esse impossibilis. Primo quidem, quia, si substantia panis et vini conversa est in corpus et sanguinem Christi, ut supra habitum est [q. 75. art. 2, 4.], non potest substantia panis aut vini redire, nisi corpore aut sanguine Christi iterum converso in substantiam panis vel vini, quod est impossibile; sicut, si aër sit conversus in ignem, non potest aër redire, nisi iterum ignis convertatur in aërem. Si vero substantia panis aut vini sit annihilata, non potest iterum redire, quia quod in nihilum decidit, non redit idem numero: nisi forte dicatur redire 165praedicta substantia, quia Deus de novo creat aliam novam substantiam loco primae. Secundo videtur hoc esse impossibile, quia non est dare quando substantia panis redeat. Manifestum est enim ex supradictis [art. praec.; q. praec. art. 6. ad 3], quod manentibus speciebus panis et vini, manet corpus et sanguis Christi, quae non sunt simul cum substantia panis et vini in hoc sacramento, secundum praehabita [q. 75. art. 2.]. Unde substantia panis et vini non potest redire, speciebus sacramentalibus manentibus. Similiter etiam non eis cessantibus: quia jam substantia panis et vini esset sine propriis accidentibus, quod est impossibile. Nisi forte dicatur quod in ipso ultimo instanti corruptionis specierum redit, non quidem substantia panis et vini, quia illud idem instans est in quo primo habent esse substantiae generatae ex speciebus: sed materia panis et vini, quae magis de novo creata diceretur quam rediens, proprie loquendo. Et secundum hoc, posset sustineri praedicta positio.
Daarom hebben anderen gezegd, dat de zelfstandigheid van het brood en den wijn terugkeert, juist wanneer de gedaanten vergaan; op die manier ontstaan asch, wormen e. d. uit de terugkeerende zelfstandigheid van het brood en den wijn. Maar deze stelling schijnt niet mogelijk. Vooreerst omdat, als de zelfstandigheid van het brood en den wijn veranderd is in het Lichaam en Bloed, zooals boven is uiteengezet (75e Kw. 2e, 4e Art.), de zelfstandigheid van het brood en den wijn niet kan terugkeeren, tenzij het Lichaam en Bloed van Christus wederom veranderd is in de zelfstandigheid van het brood en den wijn, hetgeen onmogelijk is: op dezelfde wijze als na een verandering van lucht in vuur de lucht niet kan terugkeeren, tenzij het vuur wederom in lucht verandert. Indien echter de zelfstandigheid van het brood 165en den wijn is vernietigd, dan kan zij niet wederom terugkeeren, want wat in het niet is vervallen komt niet als een en hetzelfde ding terug: hoogstens zou men kunnen zeggen, dat genoemde zelfstandigheid terugkeert, inzoover God een andere nieuwe zelfstandigheid schept in de plaats van de eerste. — Ten tweede schijnt dit onmogelijk te zijn, omdat men niet kan aangeven, wanneer de zelfstandigheid van het brood terugkeert. — Want uit het boven gezegde (vorig art.; 76e Kw. 6e Art. 3e Antw.) is het duidelijk, dat, zoolang de gedaanten van het brood en den wijn blijven, óók blijven het Lichaam en Bloed van Christus, welke, volgens het vroeger aangetoonde (75e Kw. 2e Art.), in dit Sacrament niet samengaan met de zelfstandigheid van het brood en den wijn. Dus kan de zelfstandigheid van het brood en den wijn niet terugkeeren, zoolang de sacramenteele gedaanten blijven. Evenmin ook wanneer zij ophouden: dan toch zou de zelfstandigheid van het brood en den wijn zonder de eigen bijkomstigheden zijn, hetgeen onmogelijk is. — Hoogstens zou men kunnen zeggen, dat precies op het laatste oogenblik van het vergaan der gedaanten, wel niet de zelfstandigheid van het brood en den wijn terugkeert (immers in datzelfde oogenblik hebben de uit de gedaanten ontstane zelfstandigheden voor het eerst het zijn), maar dan toch de stof van het brood en den wijn, die strikt genomen eerder nieuw geschapen dan terugkeerend zou 166moeten heeten. In dien zin zou voornoemde stelling gehandhaafd kunnen worden.Daarom hebben anderen gezegd, dat de zelfstandigheid van het brood en de wijn terugkeert, juist wanneer de gedaanten vergaan; op die manier ontstaan as, wormen e. d. uit de terugkerende zelfstandigheid van het brood en de wijn. Maar deze stelling schijnt niet mogelijk. Vooreerst omdat, als de zelfstandigheid van het brood en de wijn veranderd is in het Lichaam en Bloed, zoals boven is uiteengezet (75e Kw. 2e, 4e Art.), de zelfstandigheid van het brood en de wijn niet kan terugkeren, tenzij het Lichaam en Bloed van Christus wederom veranderd is in de zelfstandigheid van het brood en de wijn, hetgeen onmogelijk is: op dezelfde wijze als na een verandering van lucht in vuur de lucht niet kan terugkeren, tenzij het vuur wederom in lucht verandert. Indien echter de zelfstandigheid van het brood 165en de wijn is vernietigd, dan kan zij niet wederom terugkeren, want wat in het niet is vervallen komt niet als een en hetzelfde ding terug: hoogstens zou men kunnen zeggen, dat genoemde zelfstandigheid terugkeert, inzover God een andere nieuwe zelfstandigheid schept in de plaats van de eerste. — Ten tweede schijnt dit onmogelijk te zijn, omdat men niet kan aangeven, wanneer de zelfstandigheid van het brood terugkeert. — Want uit het boven gezegde (vorig art.; 76e Kw. 6e Art. 3e Antw.) is het duidelijk, dat, zolang de gedaanten van het brood en de wijn blijven, óók blijven het Lichaam en Bloed van Christus, welke, volgens het vroeger aangetoonde (75e Kw. 2e Art.), in dit Sacrament niet samengaan met de zelfstandigheid van het brood en de wijn. Dus kan de zelfstandigheid van het brood en de wijn niet terugkeren, zolang de sacramentele gedaanten blijven. Evenmin ook wanneer zij ophouden: dan toch zou de zelfstandigheid van het brood en de wijn zonder de eigen bijkomstigheden zijn, hetgeen onmogelijk is. — Hoogstens zou men kunnen zeggen, dat precies op het laatste ogenblik van het vergaan van de gedaanten, wel niet de zelfstandigheid van het brood en de wijn terugkeert (immers in datzelfde ogenblik hebben de uit de gedaanten ontstane zelfstandigheden voor het eerst het zijn), maar dan toch de stof van het brood en de wijn, die strikt genomen eerder nieuw geschapen dan terugkerend zou 166moeten heten. In die zin zou voornoemde stelling gehandhaafd kunnen worden.
Verum quia non rationabiliter videtur dici quod miraculose aliquid accidat 166in hoc sacramento nisi ex ipsa consecratione, ex qua non est quod materia creetur vel redeat, melius videtur dicendum, quod in ipsa consecratione miraculose datur quantitati dimensivae panis et vini quod sit primum subjectum subsequentium formarum. Hoc autem est proprium materiae. Et ideo ex consequenti datur praedictae quantitati dimensivae omne illud quod ad materiam pertinet. Et ideo quidquid posset generari ex materia panis vel vini, si adesset1, totum potest generari ex praedicta quantitate dimensiva panis vel vini, non quidem novo miraculo, sed ex vi miraculi prius facti.
Daar het evenwel niet redelijk schijnt te beweren, dat er in dit Sacrament een wonder plaats heeft tenzij krachtens de consecratie, welke geen geschapen worden of terugkeeren van de stof bewerkt, lijkt het beter te zeggen, dat in de consecratie zelf door een wonder aan de meetbare hoegrootheid van het brood en den wijn gegeven wordt het eerste subject te zijn van de volgende vormen. Dit nu is eigen aan de stof. In aansluiting daarop wordt dan ook aan gezegde meetbare hoegrootheid alles gegeven, wat bij de stof thuis hoort. Al wat daarom uit de stof van het brood zou kunnen ontstaan, gesteld dat deze aanwezig was, kan niet minder uit genoemde meetbare hoegrootheid van het brood en den wijn ontstaan, niet door een nieuw wonder maar krachtens het vroeger gebeurde wonder.Daar het evenwel niet redelijk schijnt te beweren, dat er in dit Sacrament een wonder plaats heeft tenzij krachtens de consecratie, welke geen geschapen worden of terugkeren van de stof bewerkt, lijkt het beter te zeggen, dat in de consecratie zelf door een wonder aan de meetbare hoegrootheid van het brood en de wijn gegeven wordt het eerste subject te zijn van de volgende vormen. Dit nu is eigen aan de stof. In aansluiting daarop wordt dan ook aan gezegde meetbare hoegrootheid alles gegeven, wat bij de stof thuis hoort. Al wat daarom uit de stof van het brood zou kunnen ontstaan, gesteld dat deze aanwezig was, kan niet minder uit genoemde meetbare hoegrootheid van het brood en de wijn ontstaan, niet door een nieuw wonder maar krachtens het vroeger gebeurde wonder.
Ad primum ergo dicendum quod quamvis non sit ibi materia ex qua aliquid generetur, quantitas tamen dimensiva supplet vicem materiae, ut dictum est [in corp.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wel is er daar geen stof, waaruit iets kan ontstaan, maar de meetbare hoegrootheid vervult de rol van de stof, gelijk gezegd is (in de Leerst.).
Ad secundum dicendum quod illae species sacramentales sunt quidem accidentia, habent tamen actum et vim substantiae, ut dictum est [ibid.; art. 3.].
2. Deze sacramenteele gedaanten zijn weliswaar bijkomstigheden, maar zij hebben de daadwerkelijkheid en de kracht van de zelfstandigheid (t.a.p. en 3e Art.).2. Deze sacramentele gedaanten zijn weliswaar bijkomstigheden, maar zij hebben de daadwerkelijkheid en de kracht van de zelfstandigheid (t.a.p. en 3e Art.).
167Ad tertium dicendum quod quantitas dimensiva panis et vini retinet naturam propriam, et accipit miraculose vim et proprietatem substantiae. Et ideo potest transire in utrumque, idest in substantiam et dimensionem.
1673. De meetbare hoegrootheid van het brood en den wijn behoudt haar eigen natuur en krijgt door een wonder de kracht en het eigene van de zelfstandigheid. En daarom kan zij in beide overgaan d.w.z. in de zelfstandigheid en de bijkomstigheid.1673. De meetbare hoegrootheid van het brood en de wijn behoudt haar eigen natuur en krijgt door een wonder de kracht en het eigene van de zelfstandigheid. En daarom kan zij in beide overgaan d.w.z. in de zelfstandigheid en de bijkomstigheid.
Utrum species sacramentales possint nutrire
Kunnen de sacramenteele gedaanten voeden?Kunnen de sacramentele gedaanten voeden?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod species sacramentales non possint nutrire. Dicit enim Ambrosius in lib. 5. de Sacramentis [cap. 4.]. « Non iste panis est qui vadit in corpus: sed panis vitae aeternae, qui animae nostrae substantiam fulcit ». Sed omne quod nutrit vadit in corpus. Ergo panis iste non nutrit. Et eadem ratio est de vino.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de sacramenteele gedaanten niet kunnen voeden. — 1. Want Ambrosius zegt: « Dit brood gaat niet over in het lichaam, neen, het is eeuwiglevendmakend brood, dat het wezen van onze ziel onderhoudt ». Maar al wat voedt gaat in het lichaam over. Dus dit brood voedt niet. En hetzelfde geldt van den wijn.Bedenkingen. — Men beweert, dat de sacramentele gedaanten niet kunnen voeden. — 1. Want Ambrosius zegt: “Dit brood gaat niet over in het lichaam, neen, het is eeuwiglevendmakend brood, dat het wezen van onze ziel onderhoudt”. Maar al wat voedt gaat in het lichaam over. Dus dit brood voedt niet. En hetzelfde geldt van de wijn.
2. Praeterea, sicut dicitur 2. de Generatione [cap. 8. n. 4.], « ex eisdem nutrimur, ex quibus sumus ». Species autem sacramentales sunt accidentia ex quibus homo non constat: non enim accidens est pars 168substantiae. Ergo videtur quod species sacramentales nutrire non possint.
2. Zooals in De Generatione gezegd wordt, « voeden wij ons met dezelfde dingen, waaruit we zijn ». Nu zijn de sacramenteele gedaanten bijkomstigheden, waaruit de mensch niet bestaat: de bijkomstigheid immers is geen deel van de 168zelfstandigheid. Dus schijnen de sacramenteele gedaanten niet te kunnen voeden.2. Zoals in De Generatione gezegd wordt, “voeden wij ons met dezelfde dingen, waaruit we zijn”. Nu zijn de sacramentele gedaanten bijkomstigheden, waaruit de mens niet bestaat: de bijkomstigheid immers is geen deel van de 168zelfstandigheid. Dus schijnen de sacramentele gedaanten niet te kunnen voeden.
3. Praeterea, Philosophus 2. de Anima [cap. 4. n. 13.] dicit quod « alimentum nutrit prout est substantia quaedam, auget autem prout est aliquid quantum ». Sed species sacramentales non sunt substantia. Ergo non possunt nutrire.
3. De Wijsgeer zegt dat « het eten ons voedt, inzoover het een zelfstandigheid is, maar ons doet groeien, inzoover het een hoegrootheid heeft ». Nu zijn de sacramenteele gedaanten geen zelfstandigheid. Dus kunnen zij niet voeden.3. De Wijsgeer zegt dat “het eten ons voedt, inzover het een zelfstandigheid is, maar ons doet groeien, inzover het een hoegrootheid heeft”. Nu zijn de sacramentele gedaanten geen zelfstandigheid. Dus kunnen zij niet voeden.
Sed contra est quod Apostolus 1. Cor. 11. [v. 21], loquens de hoc sacramento, dicit: « Alius quidem esurit, alius autem ebrius est »: ubi dicit Glossa [ordin.], quod « notat illos qui, post celebrationem sacri mysterii et consecrationem panis et vini suas oblationes vendicabant, et, aliis non communicantes, soli sumebant, ita ut inde etiam inebriarentur ». Quod quidem non posset contingere si sacramentales species non nutrirent. Ergo species sacramentales nutriunt.
Daartegenover staat echter, dat de Apostel (1 Cor. 11. 21), over dit Sacrament handelend, zegt: « De een lijdt honger, terwijl de ander dronken is », waarbij de Glossa opmerkt, dat « hij diegenen op het oog heeft, die, na de viering van het heilig Geheim en de consecratie van het brood en den wijn, hun eigen offergaven opeischten en voor zich alleen gebruikten, zonder aan anderen mee te deelen, hetgeen tot gevolg had, dat ze er zelf dronken van werden ». Dit echter zou niet kunnen gebeuren, als de sacramenteele gedaanten niet zouden voeden. Dus voeden de sacramenteele gedaanten.Daartegenover staat echter, dat de Apostel (1 Kor. 11. 21), over dit Sacrament handelend, zegt: “De een lijdt honger, terwijl de ander dronken is”, waarbij de Glossa opmerkt, dat “hij diegenen op het oog heeft, die, na de viering van het heilig Geheim en de consecratie van het brood en de wijn, hun eigen offergaven opeisten en voor zich alleen gebruikten, zonder aan anderen mee te delen, hetgeen tot gevolg had, dat ze er zelf dronken van werden”. Dit echter zou niet kunnen gebeuren, als de sacramentele gedaanten niet zouden voeden. Dus voeden de sacramentele gedaanten.
Respondeo dicendum quod haec quaestio difficultatem non habet, praecedenti quaestione soluta. Ex hoc enim ut dicitur 2. de Anima [cap. 4. n. 16912.], cibus nutrit quod convertitur in substantiam nutriti. Dictum est autem [art. praec.], quod species sacramentales possunt converti in substantiam aliquam, quae ex eis generatur. Per eamdem autem rationem possunt converti in corpus humanum, per quam possunt converti in cineres vel in vermes. Et ideo manifestum est quod nutriunt.
Leerstelling. — Dit vraagstuk heeft geen moeilijkheid na de oplossing van het vorige vraagstuk. Zooals immers in De Anima gezegd wordt, voedt de spijs doordat ze overgaat in de zelfstandigheid van hem, die gevoed wordt. Nu is 169gezegd (5e Art.), dat de sacramenteele gedaanten kunnen overgaan in een zelfstandigheid, die er uit ontstaat. Maar evengoed als ze kunnen overgaan in asch of wormen, kunnen zij óók overgaan in het menschelijk lichaam. En dus is het zonneklaar, dat zij kunnen voeden.Leerstelling. — Dit vraagstuk heeft geen moeilijkheid na de oplossing van het vorige vraagstuk. Zoals immers in De Anima gezegd wordt, voedt de spijs doordat ze overgaat in de zelfstandigheid van hem, die gevoed wordt. Nu is 169gezegd (5e Art.), dat de sacramentele gedaanten kunnen overgaan in een zelfstandigheid, die er uit ontstaat. Maar evengoed als ze kunnen overgaan in as of wormen, kunnen zij óók overgaan in het menselijk lichaam. En dus is het zonneklaar, dat zij kunnen voeden.
Quod autem quidam dicunt quod non vere nutriunt, quasi in corpus humanum convertantur, sed reficiunt et confortant quadam sensuum immutatione, sicut homo confortatur ex odore cibi et inebriatur ex odore vini, ad sensum patet esse falsum. Talis enim refectio non diu sufficit homini, cujus corpus propter continuam deperditionem restauratione indiget. Et tamen homo diu sustentari posset, si hostias et vinum consecratum sumeret in magna quantitate.
De bewering van sommigen, dat zij niet echt voeden door een overgaan in het menschelijk lichaam, maar dat zij door een inwerking op de zintuigen verkwikken en versterken op de wijze, waarop de mensch versterkt wordt door den geur van spijs en dronken raakt door den geur van wijn, blijkt zintuigelijk valsch te zijn. Zoo'n verkwikking immers is niet langen tijd voldoende voor een mensch, wiens lichaam tengevolge van de voortdurende afname herstelling behoeft. En toch zou de mensch het er langen tijd op uithouden, als hij in groote hoeveelheid geconsecreerde hosties en wijn nuttigde.De bewering van sommigen, dat zij niet echt voeden door een overgaan in het menselijk lichaam, maar dat zij door een inwerking op de zintuigen verkwikken en versterken op de wijze, waarop de mens versterkt wordt door de geur van spijs en dronken raakt door de geur van wijn, blijkt zintuigelijk vals te zijn. Zo'n verkwikking immers is niet langen tijd voldoende voor een mens, wiens lichaam tengevolge van de voortdurende afname herstelling behoeft. En toch zou de mens het er langen tijd op uithouden, als hij in grote hoeveelheid geconsecreerde hosties en wijn nuttigde.
Similiter etiam non potest stare, quod quidam dicunt quod species sacramentales nutriunt propter formam substantialem panis et vini, quae remanet. Tum quia non remanet, ut supra dictum est [q. 75. art. 6.]. Tum quia non est actus formae nutrire, sed magis materiae, quae accipit formam nutriti, recedente forma nutrimenti. Unde dicitur in 2. de Anima [cap. 4. n. 10], 170quod nutrimentum in principio est dissimile, in fine autem simile.
Evenmin kan het gezegde van sommigen standhouden, dat nl. de sacramenteele gedaanten voeden door den zelfstandigheidsvorm, welke zou blijven. En omdat hij niet blijft, zooals boven is uiteengezet (75e Kw. 6e Art.). En omdat het niet de akt van den vorm is te voeden, maar meer van de stof, die, terwijl de vorm van het voedsel verdwijnt, den vorm van den gevoede aanneemt. 170Weshalve in De Anima gezegd wordt, dat het voedsel in het begin anders is, op het eind echter gelijk.Evenmin kan het gezegde van sommigen standhouden, dat nl. de sacramentele gedaanten voeden door de zelfstandigheidsvorm, welke zou blijven. En omdat hij niet blijft, zoals boven is uiteengezet (75e Kw. 6e Art.). En omdat het niet de act van de vorm is te voeden, maar meer van de stof, die, terwijl de vorm van het voedsel verdwijnt, de vorm van de gevoede aanneemt. 170Weshalve in De Anima gezegd wordt, dat het voedsel in het begin anders is, op het eind echter gelijk.
Ad primum ergo dicendum quod, facta consecratione, dupliciter potest dici panis in hoc sacramento esse. Uno modo, ipsae species panis quae retinent nomen prioris substantiae: ut Gregorius dicit in hom. Paschali [Lanfr. de Corp. et Sang. Dom. cap. 20.]. Alio modo potest dici panis ipsum corpus Christi, quod est panis mysticus de coelo descendens. Ambrosius ergo, cum dicit quod « iste panis non transit in corpus », accipit panem secundo modo: quia scilicet corpus Christi non convertitur in corpus hominis, sed reficit mentem ejus. Non autem loquitur de pane primo modo dicto.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Men kan na de consecratie in dit Sacrament op twee wijzen van brood spreken. Vooreerst kunnen zoo genoemd worden de gedaanten van brood, die den naam van de vroegere zelfstandigheid behouden, gelijk Gregorius zegt. Vervolgens kan brood genoemd worden het Lichaam zelf van Christus, dat het mystieke brood is, « uit den hemel nederdalend ». Wanneer dan Ambrosius zegt, dat « dit brood niet overgaat in het lichaam », neemt hij het brood in den tweeden zin: het Lichaam van Christus gaat nl. niet over in het lichaam van den mensch, maar voedt zijn geest. Maar hij spreekt niet van het brood in den eersten zin.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Men kan na de consecratie in dit Sacrament op twee wijzen van brood spreken. Vooreerst kunnen zo genoemd worden de gedaanten van brood, die de naam van de vroegere zelfstandigheid behouden, gelijk Gregorius zegt. Vervolgens kan brood genoemd worden het Lichaam zelf van Christus, dat het mystieke brood is, “uit de hemel nederdalend”. Wanneer dan Ambrosius zegt, dat “dit brood niet overgaat in het lichaam”, neemt hij het brood in de tweede zin: het Lichaam van Christus gaat nl. niet over in het lichaam van de mens, maar voedt zijn geest. Maar hij spreekt niet van het brood in de eerste zin.
Ad secundum dicendum quod species sacramentales, etsi non sint ea ex quibus corpus hominis constat, tamen in ea convertuntur, sicut dictum est [in corp.].
2. Alhoewel de sacramenteele gedaanten niet datgene zijn, waaruit het lichaam van den mensch bestaat, gaan zij toch daarin over, gelijk gezegd is (in de Leerst.).2. Alhoewel de sacramentele gedaanten niet datgene zijn, waaruit het lichaam van de mens bestaat, gaan zij toch daarin over, gelijk gezegd is (in de Leerst.).
Ad tertium dicendum quod species sacramentales, quamvis non sint substantia, habent tamen virtutem substantiae, sicut dictum est [art. 3. ad 3; art. 5. ad 2.].
3. Al zijn de sacramenteele gedaanten geen zelfstandigheid, ze hebben toch de kracht van een zelfstandigheid, gelijk gezegd is (3e Art. 3e Antw.; 5e Art. 2e Antw.).3. Al zijn de sacramentele gedaanten geen zelfstandigheid, ze hebben toch de kracht van een zelfstandigheid, gelijk gezegd is (3e Art. 3e Antw.; 5e Art. 2e Antw.).
Utrum species sacramentales frangantur in hoc sacramento
Worden de sacramenteele gedaanten in dit Sacrament gebroken?Worden de sacramentele gedaanten in dit Sacrament gebroken?
171Ad septimum sic proceditur. Videtur quod species sacramentales non frangantur in hoc sacramento. Dicit enim Philosophus 4. Meteor. [cap. 9. n. 12.], quod corpora dicuntur frangibilia propter determinatam dispositionem pororum. Quod non potest attribui sacramentalibus speciebus. Ergo sacramentales species non possunt frangi.
171Bedenkingen. — Men beweert, dat de sacramenteele gedaanten in dit Sacrament niet worden gebroken. — 1. De Wijsgeer zegt immers, dat de lichamen breekbaar genoemd worden om reden van een bepaalde schikking van de poriën. Daarvan kan men echter niet spreken bij de sacramenteele gedaanten. Dus kunnen de sacramenteele gedaanten niet worden gebroken.171Bedenkingen. — Men beweert, dat de sacramentele gedaanten in dit Sacrament niet worden gebroken. — 1. De Wijsgeer zegt immers, dat de lichamen breekbaar genoemd worden om reden van een bepaalde schikking van de poriën. Daarvan kan men echter niet spreken bij de sacramentele gedaanten. Dus kunnen de sacramentele gedaanten niet worden gebroken.
2. Praeterea, fractionem sequitur sonus. Sed species sacramentales non sunt sonabiles: dicit enim Philosophus 2. de Anima [cap. 8. n. 1, 2.], quod « sonabile est corpus durum habens superficiem lenem »1. Ergo species sacramentales non franguntur.
2. Het breken gaat gepaard met een geluid. Nu zijn de sacramenteele gedaanten niet geluidgevend, want de Wijsgeer zegt, dat het geluidgevende ding een hard lichaam met geringe oppervlakte is. Dus worden de sacramenteele gedaanten niet gebroken.2. Het breken gaat gepaard met een geluid. Nu zijn de sacramentele gedaanten niet geluidgevend, want de Wijsgeer zegt, dat het geluidgevende ding een hard lichaam met geringe oppervlakte is. Dus worden de sacramentele gedaanten niet gebroken.
3. Praeterea, ejusdem videtur esse manducari frangi et masticari. Sed verum corpus Christi est quod manducatur, secundum illud Joan. 6. [v. 55, 17257] : « Qui manducat meam carnem et bibit meum sanguinem ». Ergo corpus Christi est, quod frangitur et masticatur. Unde et in confessione Berengarii [can.: Ego Berengarius, De Consecrat. Dist. 2.] dicitur: « Consentio sanctae Romanae Ecclesiae, et corde et ore profiteor, panem et vinum quae in altari ponuntur, post consecrationem verum corpus et sanguinem Christi esse, et in veritate manibus sacerdotum tractari, frangi et fidelium dentibus atteri ». Non ergo fractio debet attribui sacramentalibus speciebus.
3. Gebroken worden en gekauwd worden schijnen aan dezelfde zaak toe te komen. Wat nu gegeten wordt is het waarachtig Lichaam van Christus, volgens het woord van Joannes (6. 55, 57) : « Wie Mijn Vleesch eet en Mijn Bloed drinkt ». Dus is 172het het Lichaam van Christus, dat gebroken en gekauwd wordt. Vandaar dat in de Geloofsbelijdenis van Berengarius gezegd wordt: « In overeenstemming met de heilige Roomsche Kerk belijd ik met hart en tong, dat het brood en de wijn, die op het altaar geplaatst worden, na de consecratie het waarachtig Lichaam en Bloed van Christus zijn, hetwelk door de handen der priesters wordt aangeraakt en gebroken en door de tanden der geloovigen wordt stuk gemalen ». Dus moet men het breken niet toeschrijven aan de sacramenteele gedaanten.3. Gebroken worden en gekauwd worden schijnen aan dezelfde zaak toe te komen. Wat nu gegeten wordt is het waarachtig Lichaam van Christus, volgens het woord van Johannes (6, 55, 57): “Wie Mijn Vlees eet en Mijn Bloed drinkt”. Dus is 172het het Lichaam van Christus, dat gebroken en gekauwd wordt. Vandaar dat in de Geloofsbelijdenis van Berengarius gezegd wordt: “In overeenstemming met de heilige Roomse Kerk belijd ik met hart en tong, dat het brood en de wijn, die op het altaar geplaatst worden, na de consecratie het waarachtig Lichaam en Bloed van Christus zijn, hetwelk door de handen van de priesters wordt aangeraakt en gebroken en door de tanden van de gelovigen wordt stuk gemalen”. Dus moet men het breken niet toeschrijven aan de sacramentele gedaanten.
Sed contra est quod fractio fit per divisionem quanti. Sed nullum quantum ibi dividitur, nisi species sacramentales: quia neque corpus Christi quod est incorruptibile, neque substantia panis quae non manet. Ergo species sacramentales franguntur.
Daartegenover staat echter, dat het breken gebeurt door de verdeeling van het hoegroote. Welnu, hier wordt geen enkel hoegroot ding verdeeld, tenzij de sacramenteele gedaanten: immers niet het Lichaam van Christus, dat onvergankelijk is, noch de zelfstandigheid van het brood, die niet blijft. Dus worden de sacramenteele gedaanten gebroken.Daartegenover staat echter, dat het breken gebeurt door de verdeling van het hoegrote. Welnu, hier wordt geen enkel hoegroot ding verdeeld, tenzij de sacramentele gedaanten: immers niet het Lichaam van Christus, dat onvergankelijk is, noch de zelfstandigheid van het brood, die niet blijft. Dus worden de sacramentele gedaanten gebroken.
Respondeo dicendum quod apud antiquos circa hoc multiplex fuit opinio. Quidam enim dixerunt quod non erat in hoc sacramento fractio secundum rei veritatem, sed solum secundum aspectum intuentium. Sed hoc non potest 173stare. Quia in hoc sacramento veritatis sensus non decipitur circa ea quorum judicium ad ipsum pertinet: inter quae est fractio, per quam ex uno fiunt multa, quae quidem sunt sensibilia communia, ut patet in lib. 2. de Anima [cap. 6. n. 2, 3.].
Leerstelling. — Bij de Ouden waren hieromtrent veel verschillende meeningen. Want sommigen hebben beweerd, dat er in dit Sacrament geen breking was volgens de werkelijke toedracht van de zaak maar alleen volgens het zien van de toeschouwers. — Maar dat is onhoudbaar. In dit Sacrament der 173waarheid immers bedriegen de zinnen zich niet in die dingen, waarin aan hen het oordeel toekomt: en daartoe hoort ook het breken, waardoor vele worden uit één: deze zijn algemeen-zintuigelijk-waarneembaarheden, zooals blijkt in De Anima.Leerstelling. — Bij de Ouden waren hieromtrent veel verschillende meningen. Want sommigen hebben beweerd, dat er in dit Sacrament geen breking was volgens de werkelijke toedracht van de zaak maar alleen volgens het zien van de toeschouwers. — Maar dat is onhoudbaar. In dit Sacrament van de 173waarheid immers bedriegen de zinnen zich niet in die dingen, waarin aan hen het oordeel toekomt: en daartoe hoort ook het breken, waardoor vele worden uit één: deze zijn algemeen-zintuigelijk-waarneembaarheden, zoals blijkt in De Anima.
Unde alii dixerunt quod erat quidem ibi vera fractio sine subjecto existente. Sed hoc etiam sensui contradicit. Apparet enim in hoc sacramento aliquid quantum, prius unum existens, postea in multa partitum; quod quidem oportet esse subjectum fractionis.
Daarom hebben anderen verklaard, dat er een echte breking optrad, maar zonder subject. — Doch ook dit weerspreekt de zinnen. Er doet zich immers in dit Sacrament duidelijk iets hoegroots voor, dat eerst één is en later in deelen is verdeeld: dat moet het subject van de breking zijn.Daarom hebben anderen verklaard, dat er een echte breking optrad, maar zonder subject. — Doch ook dit weerspreekt de zinnen. Er doet zich immers in dit Sacrament duidelijk iets hoegroots voor, dat eerst één is en later in delen is verdeeld: dat moet het subject van de breking zijn.
Non autem potest dici quod ipsum corpus Christi verum frangatur. Primo quidem, quia est incorruptibile et impassibile. Secundo, quia est totum sub qualibet parte, ut supra habitum est [q. 76. art.3.]: quod quidem est contra rationem ejus quod frangitur.
Nu kan men niet beweren, dat het waarachtig Lichaam van Christus in zichzelf wordt gebroken. Vooreerst omdat het onvergankelijk en onlijdbaar is. — Ten tweede omdat het in zijn geheel onder elk deel is, zooals boven is uiteengezet (76e Kw. 3e Art.), hetgeen tegen het begrip van het gebrokene is.Nu kan men niet beweren, dat het waarachtig Lichaam van Christus in zichzelf wordt gebroken. Vooreerst omdat het onvergankelijk en onlijdbaar is. — Ten tweede omdat het in zijn geheel onder elk deel is, zoals boven is uiteengezet (76e Kw. 3e Art.), hetgeen tegen het begrip van het gebrokene is.
Unde relinquitur quod fractio fit sicut in subjecto in quantitate dimensiva panis, sicut et alia accidentia. Et sicut species sacramentales sunt sacramentum corporis Christi veri, ita fractio hujusmodi specierum est sacramentum Dominicae passionis, quae fuit in corpore Christi vero.
Dus schiet over, dat de breking haar subject heeft in de meetbare hoegrootheid, juist zooals de andere bijkomstigheden. En zooals de sacramenteele gedaanten het Sacrament zijn van het waarachtig Lichaam van Christus, zoo is de breking van deze gedaanten het Sacrament van 's Heeren lijden, dat in het waarachtig Lichaam van Christus was.Dus schiet over, dat de breking haar subject heeft in de meetbare hoegrootheid, juist zoals de andere bijkomstigheden. En zoals de sacramentele gedaanten het Sacrament zijn van het waarachtig Lichaam van Christus, zo is de breking van deze gedaanten het Sacrament van 's Heren lijden, dat in het waarachtig Lichaam van Christus was.
174Ad primum ergo dicendum quod, sicut in speciebus sacramentalibus remanet rarum, et densum, ut supra dictum est [art. 2. ad 3.], ita etiam remanet ibi porositas: et per consequens frangibilitas.
174Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals in de sacramenteele gedaanten het ijle en het dichte blijft, gelijk boven gezegd is (2e Art. 3e Antw.), zoo blijft er ook de poreusheid in en bijgevolg de breekbaarheid.174Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals in de sacramentele gedaanten het ijle en het dichte blijft, gelijk boven gezegd is (2e Art. 3e Antw.), zo blijft er ook de poreusheid in en bijgevolg de breekbaarheid.
Ad secundum dicendum quod densitatem sequitur duritia. Et ideo, ex quo in speciebus sacramentalibus remanet densitas, consequens est quod remaneat ibi duritia: et per consequens sonabilitas.
2. De dichtheid gaat gepaard met hardheid. Daar dus in de sacramenteele gedaanten de dichtheid blijft, blijft er bijgevolg ook de hardheid in en gevolgelijk ook het geluidgeven.2. De dichtheid gaat gepaard met hardheid. Daar dus in de sacramentele gedaanten de dichtheid blijft, blijft er bijgevolg ook de hardheid in en gevolgelijk ook het geluidgeven.
Ad tertium dicendum quod illud quod manducatur in propria specie, ipsum et frangitur et masticatur in sua specie. Corpus autem Christi non manducatur in sua specie, sed in specie sacramentali. Unde et super illud Joan. 6. [v. 64] : « Caro non prodest quidquam », dicit Augustinus [tract. 27. in Joan. n. 5] : « Hoc est intelligendum secundum illos qui carnaliter intelligebant. Carnem quippe sic intellexerunt, quomodo in cadavere dilaniatur, aut in macello venditur ». Et ideo ipsum corpus Christi non frangitur, nisi secundum speciem sacramentalem. Et hoc modo intelligenda est confessio Berengarii: ut fractio et attritio dentium referatur ad speciem sacramentalem sub qua vere est corpus Christi.
3. Wat in eigen gedaante wordt gegeten, dat wordt ook in eigen gedaante gebroken en gekauwd. Het Lichaam van Christus wordt echter niet in eigen gedaante gegeten maar in sacramenteele gedaante. Bij het woord van Joannes (6. 64) : « Het Vleesch dient tot niets » zegt dan ook Augustinus: « Dit is te verstaan met het oog op hen, die er een vleeschelijk begrip aan hechten. Zij verstonden nl. het Vleesch in den zin, waarin vleesch van een dood lichaam wordt afgescheurd of in de slagerij wordt verkocht ». Daarom wordt het Lichaam van Christus ook niet in zichzelf gebroken maar alleen volgens de sacramenteele gedaante. En in dien zin moet men de Geloofsbelijdenis van Berengarius verstaan: dat nl. het breken en het vermalen met de tanden betrokken wordt op de sacramenteele gedaante, waaronder het Lichaam van Christus waarachtig tegenwoordig is.3. Wat in eigen gedaante wordt gegeten, dat wordt ook in eigen gedaante gebroken en gekauwd. Het Lichaam van Christus wordt echter niet in eigen gedaante gegeten maar in sacramentele gedaante. Bij het woord van Johannes (6, 64): “Het Vlees dient tot niets” zegt dan ook Augustinus: “Dit is te verstaan met het oog op hen, die er een vleselijk begrip aan hechten. Zij verstonden nl. het Vlees in de zin, waarin vlees van een dood lichaam wordt afgescheurd of in de slagerij wordt verkocht”. Daarom wordt het Lichaam van Christus ook niet in zichzelf gebroken maar alleen volgens de sacramentele gedaante. En in die zin moet men de Geloofsbelijdenis van Berengarius verstaan: dat nl. het breken en het vermalen met de tanden betrokken wordt op de sacramentele gedaante, waaronder het Lichaam van Christus waarachtig tegenwoordig is.
Utrum aliquis liquor possit vino consecrato commisceri
Kan er een vloeistof gemengd worden bij den geconsecreerden wijn?Kan er een vloeistof gemengd worden bij de geconsecreerde wijn?
175Ad octavum sic proceditur. Videtur quod vino consecrato non possit aliquis liquor misceri. Omne enim quod permiscetur alicui, recipit qualitatem ipsius. Sed nullus liquor potest recipere qualitatem sacramentalium specierum; quia accidentia illa sunt sine subjecto, ut dictum est [art. 1.]. Ergo videtur quod nullus liquor possit permisceri speciebus sacramentalibus vini.
175Bedenkingen. — Men beweert, dat er geen vloeistof gemengd kan worden bij den geconsecreerden wijn. — 1. Want al wat bij iets gemengd wordt, neemt de hoedanigheid daarvan aan. Welnu, geen enkele vloeistof kan de hoedanigheid van de sacramenteele gedaanten aannemen, daar deze bijkomstigheden zonder subject zijn, zooals gezegd is (1e Art.). Dus schijnt geen enkele vloeistof bij de sacramenteele gedaante van wijn gemengd te kunnen worden.175Bedenkingen. — Men beweert, dat er geen vloeistof gemengd kan worden bij de geconsecreerde wijn. — 1. Want al wat bij iets gemengd wordt, neemt de hoedanigheid daarvan aan. Welnu, geen enkele vloeistof kan de hoedanigheid van de sacramentele gedaanten aannemen, daar deze bijkomstigheden zonder subject zijn, zoals gezegd is (1e Art.). Dus schijnt geen enkele vloeistof bij de sacramentele gedaante van wijn gemengd te kunnen worden.
2. Praeterea, si aliquis liquor permisceatur illis speciebus, oportet quod ex his fiat aliquid unum. Sed non potest fieri aliquid unum neque ex liquore, qui est substantia, et speciebus sacramentalibus, quae sunt accidentia; neque ex liquore et sanguine Christi, qui, ratione suae incorruptibilitatis, neque additionem recipit, neque diminutionem. Ergo nullus liquor potest admisceri vino consecrato.
2. Als er een vloeistof onder die gedaante vermengd wordt, moet daaruit iets ééns ontstaan. Maar er kan niet iets ééns ontstaan uit de zelfstandige vloeistof en de bijkomstige sacramenteele gedaante, noch uit de vloeistof en het Bloed van Christus, dat vanwege zijn onvergankelijkheid evenmin toevoeging als vermindering toelaat. Dus kan er geen vloeistof bij den geconsecreerden wijn gemengd worden.2. Als er een vloeistof onder die gedaante vermengd wordt, moet daaruit iets ééns ontstaan. Maar er kan niet iets ééns ontstaan uit de zelfstandige vloeistof en de bijkomstige sacramentele gedaante, noch uit de vloeistof en het Bloed van Christus, dat vanwege zijn onvergankelijkheid evenmin toevoeging als vermindering toelaat. Dus kan er geen vloeistof bij de geconsecreerde wijn gemengd worden.
3. Praeterea, si aliquis liquor admisceatur vino consecrato, videtur quod 176etiam ipse efficiatur consecratus: sicut aqua quae admiscetur aquae benedictae, efficitur benedicta. Sed vinum consecratum est vere sanguis Christi. Ergo etiam liquor permixtus esset sanguis Christi. Et ita aliquid fieret sanguis Christi, aliter quam per consecrationem: quod est inconveniens. Non ergo vino consecrato potest aliquis liquor permisceri.
3. Als er een vloeistof bij den geconsecreerden wijn gemengd 176wordt, schijnt zij zelf geconsecreerd te worden, zooals water, dat bij gewijd water gemengd wordt, zelf gewijd wordt. Nu is geconsecreerde wijn het waarachtig Bloed van Christus. Dus zou ook de gemengde vloeistof het Bloed van Christus zijn. En zoo zou het Bloed van Christus op een andere wijze worden dan door consecratie, hetgeen niet aan te nemen is. Derhalve kan er geen vloeistof onder den geconsecreerden wijn vermengd worden.3. Als er een vloeistof bij de geconsecreerde wijn gemengd 176wordt, schijnt zij zelf geconsecreerd te worden, zoals water, dat bij gewijd water gemengd wordt, zelf gewijd wordt. Nu is geconsecreerde wijn het waarachtig Bloed van Christus. Dus zou ook de gemengde vloeistof het Bloed van Christus zijn. En zo zou het Bloed van Christus op een andere wijze worden dan door consecratie, hetgeen niet aan te nemen is. Derhalve kan er geen vloeistof onder de geconsecreerde wijn vermengd worden.
4. Praeterea, si duorum unum totaliter corrumpatur, non erit mixtio, ut dicitur in 1. de Generatione [cap. 10. n. 2.]. Sed ad permixtionem cujuscumque liquoris videtur corrumpi species sacramentalis vini, ita quod sub ea desinat esse sanguis Christi. Tum quia magnum et parvum sunt differentiae quantitatis et diversificant ipsam, sicut album et nigrum colorem. Tum etiam quia liquor permixtus, cum non habeat obstaculum, videtur undique diffundi per totum: et ita desinit ibi esse sanguis Christi. Non ergo aliquis liquor potest permisceri vino consecrato.
4. Als er van twee één volkomen vergaat, krijgt men geen mengsel, zooals in De Generatione gezegd wordt. Maar bij elke bijmenging van een andere vloeistof schijnt de sacramenteele gedaante van wijn te vergaan met het gevolg, dat het Bloed van Christus ophoudt eronder aanwezig te zijn. Zoowel omdat groot en klein onderscheidingen zijn van de hoegrootheid en haar tot een andere maken. Alsook omdat de bijgemengde vloeistof, geen beletsel ontmoetend, zich overal over het geheel schijnt te verspreiden: en zoo houdt er het Bloed van Christus op, daar dit er niet te gelijk kan zijn met een andere zelfstandigheid. Dus kan er geen vloeistof onder den geconsecreerden wijn vermengd worden.4. Als er van twee één volkomen vergaat, krijgt men geen mengsel, zoals in De Generatione gezegd wordt. Maar bij elke bijmenging van een andere vloeistof schijnt de sacramentele gedaante van wijn te vergaan met het gevolg, dat het Bloed van Christus ophoudt eronder aanwezig te zijn. Zowel omdat groot en klein onderscheidingen zijn van de hoegrootheid en haar tot een andere maken. Alsook omdat de bijgemengde vloeistof, geen beletsel ontmoetend, zich overal over het geheel schijnt te verspreiden: en zo houdt er het Bloed van Christus op, daar dit er niet te gelijk kan zijn met een andere zelfstandigheid. Dus kan er geen vloeistof onder de geconsecreerde wijn vermengd worden.
Sed contra est quod ad sensum patet alium liquorem vino permisceri posse post consecrationem, sicut et ante.
Daartegenover staat echter, dat zintuigelijk blijkt, hoe na de consecratie, evengoed als ervoor, een andere vloeistof bij den wijn kan gemengd worden.Daartegenover staat echter, dat zintuigelijk blijkt, hoe na de consecratie, evengoed als ervoor, een andere vloeistof bij de wijn kan gemengd worden.
177Respondeo dicendum quod istius quaestionis veritas manifesta est ex praemissis. Dictum est enim supra [art. 3; art. 5. ad 2.] quod species in hoc sacramento remanentes, sicut adipiscuntur virtute consecrationis modum essendi substantiae, ita etiam consequuntur modum agendi et patiendi: ut scilicet agere et pati possint, quidquid ageret vel pateretur substantia si ibi praesens existeret. Manifestum est autem quod si esset ibi substantia vini, liquor aliquis posset ei permisceri.
177Leerstelling. — Wat in dit vraagstuk de waarheid is, is duidelijk uit het voorgaande. Er is immers boven gezegd (3e Art.; 5e Art. 2e Antw.), dat de in dit Sacrament overblijvende gedaanten, die door de kracht van de consecratie de wijze van zijn van de zelfstandigheid krijgen, op dezelfde manier ook de wijze van werken en lijden daarvan krijgen, in dien zin nl. dat ze kunnen werken en lijden, alwat de zelfstandigheid, gesteld dat zij daar aanwezig was, zou werken en lijden. Nu is het duidelijk, dat, als daar de zelfstandigheid van den wijn was, er een andere vloeistof mee kon vermengd worden.177Leerstelling. — Wat in dit vraagstuk de waarheid is, is duidelijk uit het voorgaande. Er is immers boven gezegd (3e Art.; 5e Art. 2e Antw.), dat de in dit Sacrament overblijvende gedaanten, die door de kracht van de consecratie de wijze van zijn van de zelfstandigheid krijgen, op dezelfde manier ook de wijze van werken en lijden daarvan krijgen, in die zin nl. dat ze kunnen werken en lijden, alwat de zelfstandigheid, gesteld dat zij daar aanwezig was, zou werken en lijden. Nu is het duidelijk, dat, als daar de zelfstandigheid van de wijn was, er een andere vloeistof mee kon vermengd worden.
Hujus tamen permixtionis diversus esset effectus et secundum formam liquoris, et secundum quantitatem. Si enim permisceretur aliquis liquor in tanta quantitate, quod posset diffundi per totum vinum, totum fieret permixtum. Quod autem est commixtum ex duobus, neutrum miscibilium est, sed utrumque transit in quoddam tertium ex his compositum. Unde sequeretur quod vinum prius existens non remaneret1. Sed si liquor permixtus esset alterius speciei, puta si permisceretur aqua, solveretur species vini, et esset liquor alterius speciei2. Si autem esset ejusdem speciei liquor adjunctus, puta si vinum 178permisceretur vino, remaneret quidem eadem species, sed non remaneret idem numero vinum. Quod declarat diversitas accidentium: puta si unum vinum esset album, et aliud rubeum.
Het gevolg van zoo'n vermenging zou evenwel verschillend zijn, naar gelang van den vorm van de vloeistof en ook naar gelang van de hoeveelheid. Want als er een vloeistof zou bijgemengd worden in zulk een hoeveelheid, dat zij zich overal door den wijn kan verspreiden, dan zou het geheel gemengd zijn. Wat nu uit twee samengemengd is, is geen van de beide samengemengden: deze gaan integendeel met hun tweeën in een derde, uit hen samengesteld, over. Dus zou bijgevolg de eerst aanwezige wijn niet blijven, als de bijgemengde vloeistof van een andere soort zou zijn. [De vertaling van «Sed si liquor permixtus esset alterius speciei, puta si permisceretur aqua» ontbreekt in de uitgave.] — Mocht de toegevoegde vloeistof van dezelfde 178soort zijn b.v. als er bij den wijn wijn gemengd werd, dan zou wel dezelfde soort blijven maar niet deze afzonderlijke wijn. Dienaangaande geeft de verscheidenheid van de bijkomstigheden uitkomst b.v. als de eene wijn wit zou zijn en de andere rood.Het gevolg van zo'n vermenging zou evenwel verschillend zijn, naar gelang van de vorm van de vloeistof en ook naar gelang van de hoeveelheid. Want als er een vloeistof zou bijgemengd worden in zulk een hoeveelheid, dat zij zich overal door de wijn kan verspreiden, dan zou het geheel gemengd zijn. Wat nu uit twee samengemengd is, is geen van de beide samengemengden: deze gaan integendeel met hun tweeën in een derde, uit hen samengesteld, over. Dus zou bijgevolg de eerst aanwezige wijn niet blijven, als de bijgemengde vloeistof van een andere soort zou zijn. [De vertaling van “Sed si liquor permixtus esset alterius speciei, puta si permisceretur aqua” ontbreekt in de uitgave.] — Mocht de toegevoegde vloeistof van dezelfde 178soort zijn bv. als er bij de wijn wijn gemengd werd, dan zou wel dezelfde soort blijven maar niet deze afzonderlijke wijn. Dienaangaande geeft de verscheidenheid van de bijkomstigheden uitkomst bv. als de ene wijn wit zou zijn en de andere rood.
Si vero liquor adjunctus esset tam parvae quantitatis quod non posset perfundi per totum, non fieret totum vinum permixtum, sed aliqua pars ejus. Quae quidem non remaneret eadem numero propter permixtionem extraneae materiae. Remaneret tamen eadem specie, non solum si parvus liquor permixtus esset ejusdem speciei, sed etiam si esset alterius speciei: quia gutta aquae multo vino permixta transit in speciem vini, ut dicitur in 1. de Generatione [cap. 5. n. 11.].
Wanneer echter de toegevoegde vloeistof zoo gering zou zijn, dat zij zich niet over het geheel kan verspreiden, dan zou niet de heele wijn gemengd zijn, maar een deel ervan. Dit zou niet in zijn afzonderlijkheid voort blijven bestaan vanwege de vermenging van een andere stof. Maar het zou in soort gelijk blijven, niet alleen wanneer de geringe hoeveelheid bijgemengde vloeistof van dezelfde soort zou zijn, maar ook wanneer zij van een andere soort mocht zijn: een druppel water immers, bij een groote hoeveelheid wijn gemengd, gaat tot de soort van wijn over, zooals in De Generatione gezegd wordt.Wanneer echter de toegevoegde vloeistof zo gering zou zijn, dat zij zich niet over het geheel kan verspreiden, dan zou niet de hele wijn gemengd zijn, maar een deel ervan. Dit zou niet in zijn afzonderlijkheid voort blijven bestaan vanwege de vermenging van een andere stof. Maar het zou in soort gelijk blijven, niet alleen wanneer de geringe hoeveelheid bijgemengde vloeistof van dezelfde soort zou zijn, maar ook wanneer zij van een andere soort mocht zijn: een druppel water immers, bij een grote hoeveelheid wijn gemengd, gaat tot de soort van wijn over, zoals in De Generatione gezegd wordt.
Manifestum est autem ex praedictis [art. 4; q. 76. art. 6. ad 3.], quod corpus et sanguis Christi remanent in hoc sacramento, quando illae species manent eaedem numero: consecratur enim hic panis, et hoc vinum. Unde si fiat tanta permixtio liquoris cujuscumque quod pertingat ad totum vinum consecratum et fiat permixtum, erit aliud numero, et non remanebit ibi sanguis Christi. Si vero fiat tam parva alicujus liquoris 179adjunctio quod non possit diffundi per totum, sed usque ad aliquam partem specierum, desinet esse sanguis Christi sub illa parte vini consecrati, remanebit tamen sub alia.
Nu is het uit het vroeger gezegde duidelijk (4e Art.; 76e Kw. 6e Art. 3e Antw.), dat het Lichaam en Bloed van Christus zoolang in dit Sacrament blijven, als die gedaanten in haar afzonderlijkheid blijven: immers dit brood en deze wijn worden geconsecreerd. Indien er dus zoo'n sterke vermenging, met welke andere vloeistof dan ook, plaats heeft, dat de bewuste vloeistof overal in den geconsecreerden wijn terecht komt en er een mengsel ontstaat, dan zal dit een nieuw afzonderlijk iets zijn en zal het Bloed van Christus er niet blijven. Maar indien de toevoeging 179van een vloeistof zoo gering is, dat die vloeistof zich niet over het geheel kan verspreiden maar slechts over een deel van de gedaanten, dan zal het Bloed van Christus onder dat deel van den geconsecreerden wijn ophouden maar onder het overige deel blijven.Nu is het uit het vroeger gezegde duidelijk (4e Art.; 76e Kw. 6e Art. 3e Antw.), dat het Lichaam en Bloed van Christus zolang in dit Sacrament blijven, als die gedaanten in haar afzonderlijkheid blijven: immers dit brood en deze wijn worden geconsecreerd. Indien er dus zo'n sterke vermenging, met welke andere vloeistof dan ook, plaats heeft, dat de bewuste vloeistof overal in de geconsecreerde wijn terecht komt en er een mengsel ontstaat, dan zal dit een nieuw afzonderlijk iets zijn en zal het Bloed van Christus er niet blijven. Maar indien de toevoeging 179van een vloeistof zo gering is, dat die vloeistof zich niet over het geheel kan verspreiden maar slechts over een deel van de gedaanten, dan zal het Bloed van Christus onder dat deel van de geconsecreerde wijn ophouden maar onder het overige deel blijven.
Ad primum ergo dicendum quod Innocentius III. dicit in quadam Decretali [cap.: Cum Marthae, De Celebrat. Missar.], quod « ipsa accidentia vinum appositum videntur afficere: quia, si aqua fuerit apposita, vini saporem assumit. Contingit igitur accidentia mutare subjectum, sicut et subjectum contingit accidentia permutare. Cedit quippe natura miraculo, et virtus supra consuetudinem operatur ». Hoc tamen non est sic intelligendum quasi idem numero accidens quod prius fuit in vino ante consecrationem, postmodum fiat in vino apposito: sed talis permutatio fit per actionem. Nam accidentia vini remanentia retinent actionem substantiae, secundum praedicta [in corp.]. Et ita immutando afficiunt liquorem appositum.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Innocentius III zegt dat « de bijkomstigheden schijnen over te gaan in den toegevoegden wijn, want als er water toegevoegd werd, zou het den smaak van den wijn overnemen. Het gevalt dus, dat de bijkomstigheden het subject veranderen, zooals het ook voorkomt, dat het subject de bijkomstigheden verandert. De natuur wijkt blijkbaar voor het wonder en er werkt een kracht, die allen gewonen regel te boven gaat ». Dit moet men echter niet zóó verstaan, alsof een en dezelfde bijkomstigheid eerst in den wijn is vóór de consecratie en daarna in den toegevoegden wijn is: neen, die verandering gebeurt door inwerking. Want de overblijvende bijkomstigheden van den wijn behouden de werkdadigheid van de zelfstandigheid, volgens het boven gezegde (in de Leerst.) : en zoo gaan ze op de toegevoegde vloeistof over, inzoover zij deze veranderen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Innocentius III zegt dat “de bijkomstigheden schijnen over te gaan in de toegevoegde wijn, want als er water toegevoegd werd, zou het de smaak van de wijn overnemen. Het gevalt dus, dat de bijkomstigheden het subject veranderen, zoals het ook voorkomt, dat het subject de bijkomstigheden verandert. De natuur wijkt blijkbaar voor het wonder en er werkt een kracht, die allen gewonen regel te boven gaat”. Dit moet men echter niet zó verstaan, alsof een en dezelfde bijkomstigheid eerst in de wijn is vóór de consecratie en daarna in de toegevoegde wijn is: neen, die verandering gebeurt door inwerking. Want de overblijvende bijkomstigheden van de wijn behouden de werkdadigheid van de zelfstandigheid, volgens het boven gezegde (in de Leerst.): en zo gaan ze op de toegevoegde vloeistof over, inzover zij deze veranderen.
Ad secundum dicendum quod liquor appositus vino consecrato nullo modo miscetur substantiae sanguinis Christi. Miscetur tamen speciebus 180sacramentalibus, ita tamen quod, permixtione facta, corrumpuntur praedictae species, vel in toto vel in parte, secundum modum, quo supra dictum est [art. 5.] quod ex speciebus illis potest aliquid generari. Et si quidem corrumpantur in toto, nulla jam remanet quaestio: quia jam totum erit uniforme. Si autem corrumpantur in parte, erit quidem una dimensio secundum continuitatem quantitatis, non tamen una secundum modum essendi: quia una pars ejus erit sine subjecto, alia erit in subjecto; sicut, si aliquod corpus constituatur ex duobus metallis, erit unum corpus secundum rationem quantitatis, non tamen unum secundum speciem materiae.
2. De aan den geconsecreerden wijn toegevoegde vloeistof vermengt zich geenszins met de zelfstandigheid van het Bloed van 180Christus. Zij vermengt zich met de sacramenteele gedaante, met dien verstande evenwel, dat bij de vermenging de genoemde gedaante geheel of gedeeltelijk vergaat, op de wijze, waarop volgens het boven gezegde (5e Art.) uit die geboorte iets kan ontstaan. Vergaat zij geheel, dan blijft er geen enkele moeilijkheid over, omdat in dat geval het geheel overal hetzelfde wordt. Vergaat zij echter gedeeltelijk, dan zal men één afmeting hebben volgens aaneengeslotenheid van de hoegrootheid maar niet volgens zijnswijze: immers het eene deel is nog altijd zonder subject, het andere zal in een subject zijn; op dezelfde manier als een uit twee metalen samengesteld lichaam één lichaam is, wat de hoegrootheid aangaat maar niet wat de soort van zijn natuur aangaat.2. De aan de geconsecreerde wijn toegevoegde vloeistof vermengt zich geenszins met de zelfstandigheid van het Bloed van 180Christus. Zij vermengt zich met de sacramentele gedaante, met die verstande evenwel, dat bij de vermenging de genoemde gedaante geheel of gedeeltelijk vergaat, op de wijze, waarop volgens het boven gezegde (5e Art.) uit die geboorte iets kan ontstaan. Vergaat zij geheel, dan blijft er geen enkele moeilijkheid over, omdat in dat geval het geheel overal hetzelfde wordt. Vergaat zij echter gedeeltelijk, dan zal men één afmeting hebben volgens aaneengeslotenheid van de hoegrootheid maar niet volgens zijnswijze: immers het ene deel is nog altijd zonder subject, het andere zal in een subject zijn; op dezelfde manier als een uit twee metalen samengesteld lichaam één lichaam is, wat de hoegrootheid aangaat maar niet wat de soort van zijn natuur aangaat.
Ad tertium dicendum quod, sicut Innocentius III. dicit in Decretali praedicta, « si post consecrationem calicis aliud vinum mittatur in calicem. illud quidem non transit in sanguinem, neque sanguini commiscetur: sed accidentibus prioris vini commixtum, corpori quod sub eis latet undique circumfunditur, non madidans circumfusum ». Quod quidem intelligendum est quando non fit tanta permixtio liquoris extranei quod sanguis Christi desinat esse sub toto. Tunc enim dicitur undique circumfundi, non quia 181tangat sanguinem Christi secundum ejus proprias dimensiones: sed secundum dimensiones sacramentales, sub quibus continetur. Nec est simile de aqua benedicta: quia illa benedictio nullam immutationem facit circa substantiam aquae, sicut facit consecratio vini.
3. Zooals Innocentius III zegt, « gaat, in het geval dat er na de consecratie van den kelk andere wijn in den kelk wordt gedaan, deze nieuwe wijn niet in het Bloed over, noch vermengt hij zich met het Bloed: maar, zich vermengend met de bijkomstigheden van den eerst aanwezigen wijn, omstroomt hij van alle kanten het onder haar verborgen Lichaam, zonder dat dit daardoor bevochtigd wordt ». Dat geldt, wanneer de vermenging met een vreemde vloeistof niet zóó sterk is, dat het Bloed over het geheel ophoudt. Dan heet zij « van alle kanten te omstroomen », niet alsof zij het Bloed van Christus volgens de eigen afmetingen 181ervan raakt, maar alleen volgens de sacramenteele afmetingen, waaronder het is vervat. — De vergelijking met het wijwater gaat niet op, want die wijding bewerkt geen enkele verandering inzake de zelfstandigheid van het water, in tegenstelling met wat de consecratie van den wijn doet.3. Zoals Innocentius III zegt, “gaat, in het geval dat er na de consecratie van de kelk andere wijn in de kelk wordt gedaan, deze nieuwe wijn niet in het Bloed over, noch vermengt hij zich met het Bloed: maar, zich vermengend met de bijkomstigheden van de eerst aanwezigen wijn, omstroomt hij van alle kanten het onder haar verborgen Lichaam, zonder dat dit daardoor bevochtigd wordt”. Dat geldt, wanneer de vermenging met een vreemde vloeistof niet zó sterk is, dat het Bloed over het geheel ophoudt. Dan heet zij “van alle kanten te omstromen”, niet alsof zij het Bloed van Christus volgens de eigen afmetingen 181ervan raakt, maar alleen volgens de sacramentele afmetingen, waaronder het is vervat. — De vergelijking met het wijwater gaat niet op, want die wijding bewerkt geen enkele verandering inzake de zelfstandigheid van het water, in tegenstelling met wat de consecratie van de wijn doet.
Ad quartum dicendum quod quidam posuerunt quod quantumcumque parva fiat extranei liquoris permixtio, substantia sanguinis Christi desinit esse sub toto. Et hoc ratione inducta. Quae tamen non cogit. Quia magnum et parvum diversificant quantitatem dimensivam non quantum ad ejus essentiam, sed quantum ad determinationem mensurae.
4. Sommigen hebben beweerd, dat, hoe gering ook de bijmenging van de vreemde vloeistof is, de zelfstandigheid van het Bloed van Christus over het geheel ophoudt. En dat wel om de aangegeven reden. Maar deze is niet dwingend. Want groot en klein maken de meetbare hoegrootheid tot een andere, niet in haar wezen, maar volgens de bepalende maat.
Similiter etiam liquor appositus adeo potest esse parvus quod sua parvitate impeditur ne diffundatur per totum, et non solis dimensionibus: quae, licet sint sine subjecto, tamen obstant alteri liquori, sicut et substantia si ibi adesset, secundum ea quae praemissa sunt. [in corp.].
Ook de andere reden gaat niet op: de toegevoegde vloeistof kan zoo weinig zijn, dat zij reeds door haar geringheid verhinderd wordt zich over het geheel te verspreiden; maar verder wordt zij hierin ook verhinderd door de afmetingen, die, al zijn zij dan zonder subject, toch een andere vloeistof tegenhouden, niet minder dan de zelfstandigheid, wanneer deze aanwezig was, volgens het vroeger gezegde (in de Leerst.).Ook de andere reden gaat niet op: de toegevoegde vloeistof kan zo weinig zijn, dat zij reeds door haar geringheid verhinderd wordt zich over het geheel te verspreiden; maar verder wordt zij hierin ook verhinderd door de afmetingen, die, al zijn zij dan zonder subject, toch een andere vloeistof tegenhouden, niet minder dan de zelfstandigheid, wanneer deze aanwezig was, volgens het vroeger gezegde (in de Leerst.).