Theologische Summa · Tertia Pars · De EucharistieSumma · III · De EucharistieSumma · III · Kw. 79Kw. 79
Quaestio LXXIX

De effectibus sacramenti Eucharistiae, in octo articulos divisa

Kwestie 79

Over de uitwerkselen van het Sacrament der EucharistieOver de uitwerkselen van het Sacrament van de Eucharistie

(Acht Artikelen)

221Deinde considerandum est de effectibus hujus sacramenti.

221Vervolgens moeten we handelen over de uitwerkselen van dit Sacrament;

Et circa hoc quaeruntur octo: 1. Utrum hoc sacramentum conferat gratiam. — 2. Utrum effectus hujus sacramenti sit adeptio gloriae. — 3. Utrum effectus hujus sacramenti sit remissio peccati mortalis. — 4. Utrum per hoc sacramentum remittatur peccatum veniale. — 5. Utrum per hoc sacramentum tota poena peccati remittatur. — 6. Utrum hoc sacramentum homines praeservet a peccatis futuris. — 7. Utrum hoc sacramentum prosit aliis quam sumentibus. — 8. De impedimento effectus hujus sacramenti.

hieromtrent stellen wij acht vragen. 1. Deelt dit Sacrament genade mee? 2. Is het uitwerksel van dit Sacrament het verwerven van de glorie? 3. Is het uitwerksel van dit Sacrament de vergiffenis van de doodzonde? 4. Wordt door dit Sacrament de dagelijksche zonde vergeven? 5. Wordt door dit Sacrament de heele straf van de zonde vergeven? 6. Behoedt dit Sacrament de menschen voor toekomstige zonden? 7. Is dit Sacrament alleen nuttig voor hen die het ontvangen? 8. Over datgene wat het uitwerksel van dit Sacrament belet.hieromtrent stellen wij acht vragen. 1. Deelt dit Sacrament genade mee? 2. Is het uitwerksel van dit Sacrament het verwerven van de glorie? 3. Is het uitwerksel van dit Sacrament de vergiffenis van de doodzonde? 4. Wordt door dit Sacrament de dagelijkse zonde vergeven? 5. Wordt door dit Sacrament de hele straf van de zonde vergeven? 6. Behoedt dit Sacrament de mensen voor toekomstige zonden? 7. Is dit Sacrament alleen nuttig voor hen die het ontvangen? 8. Over datgene wat het uitwerksel van dit Sacrament belet.

Articulus I

Utrum per hoc sacramentum conferatur gratia

[4. Dist. 12. q. 2. art. 2. qla. 1. arg. Sed Contra 2; art. 2. qla. 1. ad 2.]
Ie Artikel

Wordt door dit Sacrament genade meegedeeld?

antwoord 1 ↓

222Ad primum sic proceditur. Videtur quod per hoc sacramentum non conferatur gratia. Hoc enim sacramentum est nutrimentum spirituale. Nutrimentum autem non datur nisi viventi. Cum ergo vita spiritualis sit per gratiam, non competit hoc sacramentum nisi habenti gratiam. Non ergo per hoc sacramentum confertur gratia ut primo habeatur. Similiter etiam nec ad hoc quod augeatur: quia augmentum spirituale pertinet ad sacramentum confirmationis, ut dictum est [q. 65. art. 1 ; q. 72. art. 1.]. Non ergo per hoc sacramentum gratia confertur.

222Bedenkingen. — Men beweert, dat door dit Sacrament geen genade wordt meegedeeld. — 1. Dit Sacrament is immers een geestelijk voedsel. Nu wordt voedsel alleen maar aan een levende gegeven. Daar derhalve het geestelijk leven in de genade bestaat, komt dit Sacrament alleen maar toe aan hem, die de genade heeft. Dus wordt door dit Sacrament de genade niet meegedeeld als na gemis ervan. Evenmin bij wijze van vermeerdering, aangezien de geestelijke toename thuis hoort bij het sacrament des vormsels, zooals gezegd is (65e Kw. 1e Art.; 72e Kw. 1e Art.). Dus wordt door dit Sacrament geen genade meegedeeld.222Bedenkingen. — Men beweert, dat door dit Sacrament geen genade wordt meegedeeld. — 1. Dit Sacrament is immers een geestelijk voedsel. Nu wordt voedsel alleen maar aan een levende gegeven. Daar derhalve het geestelijk leven in de genade bestaat, komt dit Sacrament alleen maar toe aan hem, die de genade heeft. Dus wordt door dit Sacrament de genade niet meegedeeld als na gemis ervan. Evenmin bij wijze van vermeerdering, aangezien de geestelijke toename thuis hoort bij het sacrament van het vormsel, zoals gezegd is (65e Kw. 1e Art.; 72e Kw. 1e Art.). Dus wordt door dit Sacrament geen genade meegedeeld.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, hoc sacramentum confertur1 ut quaedam spiritualis refectio. Sed refectio spiritualis magis videtur pertinere ad usum gratiae quam ad gratiae collationem. Ergo videtur quod per hoc sacramentum gratia non conferatur.

2. Dit Sacrament wordt gegeven als een zekere geestelijke verkwikking. Nu schijnt de geestelijke verkwikking méér te hooren bij het gebruik van de genade dan bij het verleenen van de genade. Dus schijnt door dit Sacrament geen genade te worden verleend.2. Dit Sacrament wordt gegeven als een zekere geestelijke verkwikking. Nu schijnt de geestelijke verkwikking méér te horen bij het gebruik van de genade dan bij het verlenen van de genade. Dus schijnt door dit Sacrament geen genade te worden verleend.

antwoord 3 ↓

2233. Praeterea, sicut supra dictum est [q. 74. art. 1.], in hoc sacramento corpus Christi offertur pro salute corporis, sanguis autem pro salute animae. Sed corpus non est subjectum gratiae, sed anima, ut in 2. habitum est [1-2. q. 110. art. 4.]. Ergo ad minus quantum ad corpus per hoc sacramentum gratia non confertur.

2233. Zooals boven gezegd is (74e Kw. 1e Art.), wordt in dit Sacrament het Lichaam van Christus opgedragen voor het heil van het lichaam, het Bloed voor het heil van de ziel. Maar het lichaam is geen subject van genade, gelijk in het Tweede Deel is uiteengezet (I-II 110e Kw. 4e Art.). Dus wordt minstens met betrekking tot het lichaam door dit Sacrament geen genade verleend.2233. Zoals boven gezegd is (74e Kw. 1e Art.), wordt in dit Sacrament het Lichaam van Christus opgedragen voor het heil van het lichaam, het Bloed voor het heil van de ziel. Maar het lichaam is geen subject van genade, gelijk in het Tweede Deel is uiteengezet (1-2 110e Kw. 4e Art.). Dus wordt minstens met betrekking tot het lichaam door dit Sacrament geen genade verleend.

Sed contra est quod Dominus dicit Joan. 6. [v. 52] : « Panis quem ego dabo, caro mea est pro mundi vita ». Sed vita spiritualis est per gratiam. Ergo per hoc sacramentum gratia confertur.

Daartegenover staat echter, dat de Heer zegt: « Het brood, dat Ik geven zal, is Mijn Vleesch voor het leven der wereld » (Joan. 6. 52). Nu bestaat het geestelijke leven in de genade. Dus wordt door dit Sacrament genade verleend.Daartegenover staat echter, dat de Heer zegt: “Het brood, dat Ik geven zal, is Mijn Vlees voor het leven van de wereld” (Joh. 6. 52). Nu bestaat het geestelijke leven in de genade. Dus wordt door dit Sacrament genade verleend.

Respondeo dicendum quod effectus hujus sacramenti debet considerari, primo quidem et principaliter, ex eo quod in hoc sacramento continetur, quod est Christus. Qui sicut, in mundum visibiliter veniens, contulit mundo vitam gratiae, secundum illud Joan. 1. [v. 17] : « Gratia et veritas per Jesum Christum facta est » ; ita, in hominem sacramentaliter veniens, vitam gratiae operatur secundum illud Joan. 6. [v. 58] : « Qui manducat me vivet propter me ». Unde et Cyrillus dicit [Comm. in Luc. cap. 22. v. 19, 20.] : « 224Vivificativum Dei verbum, uniens seipsum propriae carni. fecit ipsam vivificativam. Decebat enim2 eum nostris quodammodo uniri corporibus per sacram ejus carnem et pretiosum sanguinem, quae accipimus in benedictionem vivificativam in pane et vino ».

Leerstelling. — Het uitwerksel van dit Sacrament moet men eerst en vooral afmeten naar wat in dit Sacrament is vervat nl. Christus, die, evenals Hij bij Zijn zichtbare komst in de wereld het leven der genade aan de wereld heeft gegeven, volgens het woord van Joannes (1. 17) : « De genade en de waarheid is door Jesus Christus gebracht », zoo ook bij Zijn sacramenteele komst in den mensch het leven der genade bewerkt, volgens het woord van Joannes (6. 58) : « Wie Mij eet, zal door Mij 224leven ». Cyrillus zegt dan ook: « Het levendmakend Woord van God heeft, Zich verbindend met Zijn eigen Vleesch, ook dat levendmakend gemaakt. Het was dus passend, dat Hij Zich op een bepaalde manier met onze lichamen zou verbinden door Zijn heilig Vleesch en kostbaar Bloed, welke wij ontvangen door een levendmakende zegening in het brood en den wijn ».Leerstelling. — Het uitwerksel van dit Sacrament moet men eerst en vooral afmeten naar wat in dit Sacrament is vervat nl. Christus, die, evenals Hij bij Zijn zichtbare komst in de wereld het leven van de genade aan de wereld heeft gegeven, volgens het woord van Johannes (1, 17): “De genade en de waarheid is door Jesus Christus gebracht”, zo ook bij Zijn sacramentele komst in de mens het leven van de genade bewerkt, volgens het woord van Johannes (6, 58): “Wie Mij eet, zal door Mij 224leven”. Cyrillus zegt dan ook: “Het levendmakend Woord van God heeft, Zich verbindend met Zijn eigen Vlees, ook dat levendmakend gemaakt. Het was dus passend, dat Hij Zich op een bepaalde manier met onze lichamen zou verbinden door Zijn heilig Vlees en kostbaar Bloed, welke wij ontvangen door een levendmakende zegening in het brood en de wijn”.

Secundo consideratur ex eo quod per hoc sacramentum repraesentatur, quod est passio Christi, sicut supra dictum est [q. 74. art. 1 ; q. 76. art. 2. ad 1.]. Et ideo effectum, quem passio Christi fecit in mundo, hoc sacramentum facit in homine. Unde super illud Joan. 19 [v. 34] : « Continuo exivit sanguis et aqua », dicit Chrysostomus [hom. 84 in Joan.] : « Quia hinc suscipiunt principium sacra mysteria, cum accesseris ad tremendum calicem, ut ab ipsa bibiturus Christi costa ita accedas ». Unde et ipse Dominus dicit Matth. 26. [v. 28] : « Hic est sanguis meus qui pro vobis effundetur in remissionem peccatorum ».

— Ten tweede moet men het beoordeelen naar datgene, wat door dit Sacrament wordt verbeeld en dat is het lijden van Christus, zooals boven is gezegd (74e Kw. 1e Art.; 76e Kw. 2e Art. 1e Antw.). De uitwerking daarom, die het lijden van Christus in de wereld heeft gehad, heeft dit Sacrament in den mensch. Vandaar dat bij het woord van Joannes (19. 34) : « Terstond stroomde er bloed en water uit » door Chrysostomus gezegd wordt: « Omdat vanhier de heilige geheimen een begin nemen, nadert daarom zóó tot den huiveringwekkenden kelk, als traadt gij nader om te drinken uit de zijde zelf van Christus ». En de Heer Zelf zegt dan ook (Matth. 26. 28) : « Dit is Mijn Bloed... dat voor u zal worden vergoten tot vergeving van de zonden ».— Ten tweede moet men het beoordelen naar datgene, wat door dit Sacrament wordt verbeeld en dat is het lijden van Christus, zoals boven is gezegd (74e Kw. 1e Art.; 76e Kw. 2e Art. 1e Antw.). De uitwerking daarom, die het lijden van Christus in de wereld heeft gehad, heeft dit Sacrament in de mens. Vandaar dat bij het woord van Johannes (19, 34): “Terstond stroomde er bloed en water uit” door Chrysostomus gezegd wordt: “Omdat vanhier de heilige geheimen een begin nemen, nadert daarom zó tot de huiveringwekkende kelk, als traadt gij nader om te drinken uit de zijde zelf van Christus”. En de Heer Zelf zegt dan ook (Matt. 26. 28): “Dit is Mijn Bloed... dat voor u zal worden vergoten tot vergeving van de zonden”.

Tertio consideratur effectus hujus sacramenti ex modo quo traditur per modum cibi et potus. Et ideo omnem effectum, quem cibus et potus 225materialis facit quantum ad vitam corporalem, quod scilicet sustentat, auget, reparat. et delectat, hoc totum facit hoc sacramentum quantum ad vitam spiritualem. Unde Ambrosius dicit in lib. 5. de Sacramentis [cap. 4.] : « Iste panis est vitae aeternae, qui animae nostrae substantiam fulcit », et Chrysostomus dicit super Joan. [hom. 46] : « Praestat se nobis desiderantibus et palpare et comedere et amplecti ». Unde et ipse Dominus dicit Joan. 6. [v. 56] : « Caro mea vere est cibus et sanguis meus vere est potus ».

— Ten derde moet men het uitwerksel van dit Sacrament beoordeelen naar de wijze, waarop het wordt gegeven d. i. als spijs 225en drank. Elk uitwerksel daarom, dat stoffelijke spijs en drank teweegbrengen met betrekking tot het lichamelijk leven nl. onderhoud, toename, herstel en genot, dat alles bewerkt ook dat Sacrament met betrekking tot het geestelijk leven. Daarom zegt Ambrosius: « Dat is brood van het eeuwig leven, brood, dat het wezen onzer ziel onderhoudt ». En Chrysostomus zegt: « Aan ons, die naar Hem verlangen, geeft Hij Zich te tasten, te eten en te omhelzen ». En de Heer Zelf zegt dan ook: « Mijn Vleesch is waarlijk spijs en Mijn Bloed is waarlijk drank » (Joan. 6. 56).— Ten derde moet men het uitwerksel van dit Sacrament beoordelen naar de wijze, waarop het wordt gegeven d.i. als spijs 225en drank. Elk uitwerksel daarom, dat stoffelijke spijs en drank teweegbrengen met betrekking tot het lichamelijk leven nl. onderhoud, toename, herstel en genot, dat alles bewerkt ook dat Sacrament met betrekking tot het geestelijk leven. Daarom zegt Ambrosius: “Dat is brood van het eeuwig leven, brood, dat het wezen van onze ziel onderhoudt”. En Chrysostomus zegt: “Aan ons, die naar Hem verlangen, geeft Hij Zich te tasten, te eten en te omhelzen”. En de Heer Zelf zegt dan ook: “Mijn Vlees is waarlijk spijs en Mijn Bloed is waarlijk drank” (Joh. 6. 56).

Quarto consideratur effectus hujus sacramenti ex speciebus in quibus traditur hoc sacramentum. Unde Augustinus ibidem [tract. 26. n. 17] dicit: « Dominus noster corpus et sanguinem suum in eis rebus commendavit quae ad unum aliquid rediguntur ex multis: namque aliud (scilicet panis) ex multis granis in unum constat; aliud (scilicet vinum) in unum ex multis acinis confluit ». Et ideo ipse alibi dicit supra Joan. [ibid. n. 13.] : « O sacramentum pietatis, o signum unitatis, o vinculum charitatis! » Et quia Christus et ejus passio est causa gratiae et spiritualis refectio, et charitas sine gratia esse non potest, ex omnibus praemissis manifestum est quod hoc sacramentum gratiam confert.

— Ten vierde moet men het uitwerksel van dit Sacrament beoordeelen naar de gedaanten, waaronder dit Sacrament wordt gegeven. Vandaar dat Augustinus zegt: « Onze Heer heeft Zijn Lichaam en Bloed in die dingen aanbevolen, die tot iets ééns worden gemaakt uit vele, want het eerste » nl. het brood « is iets ééns, dat uit vele graankorrels bestaat, het tweede » nl. de wijn « is een samenvloeisel van vele druiven ». Daarom zegt hij elders: « O Sacrament van vroomheid, o teeken van eenheid, o band van liefde ». Daar nu Christus en Zijn lijden oorzaak zijn van genade, en geestelijke verkwikking en liefde niet kunnen zijn zonder genade, is uit al het nu gezegde duidelijk, dat dit Sacrament genade verleent.— Ten vierde moet men het uitwerksel van dit Sacrament beoordelen naar de gedaanten, waaronder dit Sacrament wordt gegeven. Vandaar dat Augustinus zegt: “Onze Heer heeft Zijn Lichaam en Bloed in die dingen aanbevolen, die tot iets ééns worden gemaakt uit vele, want het eerste” nl. het brood “is iets ééns, dat uit vele graankorrels bestaat, het tweede” nl. de wijn “is een samenvloeisel van vele druiven”. Daarom zegt hij elders: “O Sacrament van vroomheid, o teken van eenheid, o band van liefde”. Daar nu Christus en Zijn lijden oorzaak zijn van genade, en geestelijke verkwikking en liefde niet kunnen zijn zonder genade, is uit al het nu gezegde duidelijk, dat dit Sacrament genade verleent.

↑ bedenking 1

226Ad primum ergo dicendum quod hoc sacramentum ex seipso virtutem habet gratiam conferendi: nec aliquis habet gratiam ante susceptionem hujus sacramenti nisi ex aliquo voto ipsius, vel per seipsum, sicut adulti, vel voto Ecclesiae, sicut parvuli, sicut supra dictum est [q. 73. art. 3.]. Unde ex efficacia virtutis ipsius est quod etiam ex voto ipsius aliquis gratiam consequatur, per quam spiritualiter vivificetur. Restat igitur ut cum ipsum sacramentum realiter sumitur, gratia augeatur, et vita spiritualis perficiatur. Aliter tamen quam per sacramentum confirmationis, in quo augetur et perficitur gratia ad persistendum contra exteriores impugnationes inimicorum Christi. Per hoc autem sacramentum augetur gratia et perficitur spiritualis vita, ad hoc quod homo in seipso perfectus existat per conjunctionem ad Deum.

226Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dit Sacrament heeft uit zichzelf kracht om genade mee te deelen; en niemand krijgt genade vóór de ontvangst van dit Sacrament tenzij door een zeker verlangen ernaar, een persoonlijk verlangen bij volwassenen of het verlangen van de Kerk bij kinderen, zooals boven gezegd is (73e Kw. 3e Art.). Het is dus door de kracht van zijn werkdadigheid, dat iemand alleen reeds door het verlangen ernaar genade krijgt, waardoor hij geestelijkerwijze tot het leven komt. Er blijft dus over, dat, als het Sacrament zelf in werkelijkheid wordt ontvangen, de genade wordt vermeerderd en het geestelijk leven wordt vervolmaakt; maar op een andere wijze dan door het sacrament des vormsels, waardoor de genade wordt vermeerderd en vervolmaakt, opdat men zou kunnen stand houden tegen de uitwendige aanvechtingen van Christus' vijanden; door dit Sacrament echter wordt de genade vermeerderd en het geestelijk leven vervolmaakt, opdat de mensch in zichzelf volmaakt zij door verbinding met God.226Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dit Sacrament heeft uit zichzelf kracht om genade mee te delen; en niemand krijgt genade vóór de ontvangst van dit Sacrament tenzij door een zeker verlangen ernaar, een persoonlijk verlangen bij volwassenen of het verlangen van de Kerk bij kinderen, zoals boven gezegd is (73e Kw. 3e Art.). Het is dus door de kracht van zijn werkdadigheid, dat iemand alleen reeds door het verlangen ernaar genade krijgt, waardoor hij geestelijkerwijze tot het leven komt. Er blijft dus over, dat, als het Sacrament zelf in werkelijkheid wordt ontvangen, de genade wordt vermeerderd en het geestelijk leven wordt vervolmaakt; maar op een andere wijze dan door het sacrament van het vormsel, waardoor de genade wordt vermeerderd en vervolmaakt, opdat men zou kunnen stand houden tegen de uitwendige aanvechtingen van Christus' vijanden; door dit Sacrament echter wordt de genade vermeerderd en het geestelijk leven vervolmaakt, opdat de mens in zichzelf volmaakt zij door verbinding met God.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod hoc sacramentum confert gratiam spiritualiter cum virtute charitatis; unde Damascenus [lib. 4. Orth. Fid. cap. 13.] comparat hoc sacramentum carboni, quem Isaias vidit, [Isa. 6. v. 6]. Carbo enim lignum simplex non est, sed unitum igni: ita et « panis 227communionis non simplex panis est, sed unitus divinitati ». Sicut autem Gregorius dicit in hom. Pentecostes [Homil. lib. 2. hom. 30.], « amor Dei non est otiosus: magna enim operatur, si est ». Et ideo per hoc sacramentum, quantum est ex sui virtute, non solum habitus gratiae et virtutis confertur, sed etiam excitatur in actum, secundum illud 2. Cor. 5. [v. 14] : « Charitas Christi urget nos ». Et inde est quod ex virtute hujus sacramenti anima spiritualiter reficitur, per hoc quod anima spiritualiter delectatur et quodammodo inebriatur dulcedine bonitatis divinae, secundum illud Cant. 5. [v. 1] : « Comedite, amici, et bibite; et inebriamini, charissimi ».

2. Dit Sacrament geeft geestelijke genade met de deugd van liefde. Daarom vergelijkt Damascenus dit Sacrament met de door Isaïas geziene brandende kool (Isaïas 6. 6). Zulk een kool is immers geen gewoon hout, maar hout met vuur; op die wijze ook « is het brood van de Communie geen gewoon brood, maar 227brood met de Godheid ». Zooals echter Gregorius zegt « is de liefde Gods niet werkeloos: zij werkt immers groote dingen, als zij aanwezig is ». En dus wordt door dit Sacrament, voorzoover het van zijn kracht afhangt, niet alleen de blijvende gesteldheid van de genade en van de deugd verleend, maar wordt deze ook tot de daad opgewekt, volgens het woord van den Tweeden Brief aan de Corinthiërs (5. 14) : « De liefde van Christus drijft ons ». En daarom wordt door de kracht van dit Sacrament de ziel geestelijk verkwikt, omdat de ziel een geestelijk genot vindt in en als het ware dronken gemaakt wordt door de zoetheid van de goddelijke goedheid, volgens het woord van het Hooglied (5. 1) : « Eet, vrienden, en drinkt en wordt dronken, geliefden ».2. Dit Sacrament geeft geestelijke genade met de deugd van liefde. Daarom vergelijkt Damascenus dit Sacrament met de door Jesaja geziene brandende kool (Jesaja 6. 6). Zulk een kool is immers geen gewoon hout, maar hout met vuur; op die wijze ook “is het brood van de Communie geen gewoon brood, maar 227brood met de Godheid”. Zoals echter Gregorius zegt “is de liefde Gods niet werkeloos: zij werkt immers grote dingen, als zij aanwezig is”. En dus wordt door dit Sacrament, voorzover het van zijn kracht afhangt, niet alleen de blijvende gesteldheid van de genade en van de deugd verleend, maar wordt deze ook tot de daad opgewekt, volgens het woord van de Tweede Brief aan de Korintiërs (5, 14): “De liefde van Christus drijft ons”. En daarom wordt door de kracht van dit Sacrament de ziel geestelijk verkwikt, omdat de ziel een geestelijk genot vindt in en als het ware dronken gemaakt wordt door de zoetheid van de goddelijke goedheid, volgens het woord van het Hooglied (5, 1): “Eet, vrienden, en drinkt en wordt dronken, geliefden”.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod quia sacramenta operantur salutem quam significant3, ideo secundum quamdam assimilationem dicitur, quod in hoc sacramento corpus offertur pro salute corporis et sanguis pro salute animae; quamvis utrumque ad salutem utriusque operetur, cum sub utroque totus sit Christus, ut supra dictum est [q. 76. art. 2.]. Et licet corpus non sit immediatum subjectum gratiae, ex anima tamen redundat effectus gratiae ad 228corpus, dum in praesenti « membra nostra exhibemus arma justitiae Deo », ut habetur Rom. 6. [v. 13] ; et in futuro corpus nostrum sortietur incorruptionem et gloriam animae.

3. Daar de sacramenten datgene bewerken, wat ze beteekenen en waarop ze lijken, daarom zegt men vergelijkenderwijs, dat in dit Sacrament het Lichaam wordt opgedragen voor het heil van het lichaam en het Bloed voor het heil van de ziel, hoewel beide voor het heil van beide werken, aangezien onder beide de heele Christus is, zooals boven is gezegd (76e Kw. 2e Art.). En al is het lichaam niet onmiddellijk subject van genade, toch stroomt vanuit de ziel de werking der genade in het lichaam over, inzoover wij in dezen tijd onze lichamen gebruiken als « wapenen van 228de gerechtigheid Gods », zooals men vindt in den Brief aan de Romeinen (6. 13), en in de toekomst ons lichaam deel zal hebben aan de onbederfelijkheid en de glorie van de ziel.3. Daar de sacramenten datgene bewerken, wat ze betekenen en waarop ze lijken, daarom zegt men vergelijkenderwijs, dat in dit Sacrament het Lichaam wordt opgedragen voor het heil van het lichaam en het Bloed voor het heil van de ziel, hoewel beide voor het heil van beide werken, aangezien onder beide de hele Christus is, zoals boven is gezegd (76e Kw. 2e Art.). En al is het lichaam niet onmiddellijk subject van genade, toch stroomt vanuit de ziel de werking van de genade in het lichaam over, inzover wij in deze tijd onze lichamen gebruiken als “wapenen van 228de gerechtigheid Gods”, zoals men vindt in de Brief aan de Romeinen (6, 13), en in de toekomst ons lichaam deel zal hebben aan de onbederfelijkheid en de glorie van de ziel.

Articulus II

Utrum effectus hujus sacramenti sit adeptio gloriae

[In Joan. cap. 6. lect. 7.]
IIe Artikel

Is het uitwerksel van dit Sacrament het verwerven van de glorie?

antwoord 1 ↓

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod effectus hujus sacramenti non sit adeptio gloriae. Effectus enim proportionatur suae causae. Sed hoc sacramentum competit viatoribus: unde et viaticum dicitur. Cum igitur viatores nondum sint capaces gloriae, videtur quod hoc sacramentum non causet adeptionem gloriae.

Bedenkingen. — Men beweert, dat het uitwerksel van dit Sacrament niet het verwerven van de glorie is. — 1. Het uitwerksel immers is evenredig aan zijn oorzaak. Welnu, dit Sacrament komt toe aan pelgrims naar den hemel: vandaar ook dat het teerspijze genoemd wordt. Daar derhalve pelgrims naar den hemel nog niet in staat zijn de glorie te ontvangen, schijnt dit Sacrament niet het verwerven van de glorie te bewerken.Bedenkingen. — Men beweert, dat het uitwerksel van dit Sacrament niet het verwerven van de glorie is. — 1. Het uitwerksel immers is evenredig aan zijn oorzaak. Welnu, dit Sacrament komt toe aan pelgrims naar de hemel: vandaar ook dat het teerspijze genoemd wordt. Daar derhalve pelgrims naar de hemel nog niet in staat zijn de glorie te ontvangen, schijnt dit Sacrament niet het verwerven van de glorie te bewerken.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, posita causa sufficienti, ponitur effectus. Sed multi accipiunt hoc sacramentum, qui nunquam pervenient ad gloriam: ut patet per Augustinum 21. de Civ. Dei [cap. 25.]. Non ergo hoc sacramentum est causa adeptionis gloriae.

2. Bij aanwezigheid van een voldoende oorzaak volgt het uitwerksel. Nu ontvangen velen dit Sacrament, die nooit tot de glorie zullen komen, zooals blijkt bij Augustinus. Dus is dit Sacrament geen oorzaak van het verwerven der glorie.2. Bij aanwezigheid van een voldoende oorzaak volgt het uitwerksel. Nu ontvangen velen dit Sacrament, die nooit tot de glorie zullen komen, zoals blijkt bij Augustinus. Dus is dit Sacrament geen oorzaak van het verwerven van de glorie.

antwoord 3 ↓

2293. Praeterea, majus non efficitur a minori: quia nihil agit ultra suam speciem. Sed minus est accipere Christum sub specie aliena, quod fit in hoc sacramento, quam frui eo in specie propria, quod pertinet ad gloriam. Ergo hoc sacramentum non causat adeptionem gloriae.

2293. Het meerdere wordt niet bewerkt door het mindere, daar niets boven zijn eigen soort werkt. Nu Christus ontvangen onder andere gedaanten, hetgeen in dit Sacrament gebeurt, is iets minders dan Hem genieten in Zijn eigen gedaante, hetgeen plaats heeft in de glorie. Dus veroorzaakt dit Sacrament niet het verwerven van de glorie.

Sed contra est quod dicitur Joan. 6. [v. 52] : « Si quis manducaverit ex hoc pane, vivet in aeternum ». Sed vita aeterna est vita gloriae. Ergo effectus hujus sacramenti est adeptio gloriae.

Daartegenover staat echter, dat bij Joannes (6. 52) gezegd wordt: « Wie van dit brood zal eten, zal leven in eeuwigheid ». Het eeuwig leven nu is het leven der glorie. Dus is het uitwerksel van dit Sacrament het verwerven der glorie.Daartegenover staat echter, dat bij Johannes (6, 52) gezegd wordt: “Wie van dit brood zal eten, zal leven in eeuwigheid”. Het eeuwig leven nu is het leven van de glorie. Dus is het uitwerksel van dit Sacrament het verwerven van de glorie.

Respondeo dicendum quod in hoc sacramento potest considerari et id ex quo habet effectum scilicet ipse Christus contentus, et passio ejus repraesentata ; et id per quod habet effectum, scilicet usus sacramenti et species ejus. Et quantum ad utrumque competit huic sacramento, quod causet adeptionem vitae aeternae. Nam ipse Christus per suam passionem aperuit nobis aditum vitae aeternae, secundum illud Hebr. 9. [v. 15] : « Novi testamenti mediator est, ut, morte intercedente, qui vocati sunt accipiant repromissionem 230aeternae haereditatis ». Unde et in forma hujus sacramenti dicitur: « Hic est calix sanguinis mei, novi et aeterni Testamenti ».

Leerstelling. — In dit Sacrament kan men beschouwen datgene, uit kracht waarvan het zijn uitwerking heeft nl. Christus Zelf, die hier is vervat, en Zijn lijden, dat hier is verbeeld, en ook datgene, waardoor het zijn uitwerking heeft nl. het gebruik van het Sacrament en de gedaanten ervan. Wat beide dan aangaat, komt het aan dit Sacrament toe het verwerven van het eeuwige leven te veroorzaken. Want Christus heeft door Zijn lijden ons den toegang tot het eeuwige leven geopend, volgens het woord van den Brief aan de Hebreën (9. 15) : « Hij is de Middelaar van een Nieuw Testament, opdat, door tusschenkomst 230van Zijn dood, zij die geroepen zijn, de belofte van de eeuwige erfenis ontvangen ». Daarom wordt ook in den vorm van dit Sacrament gezegd: « Dit is de kelk van Mijn Bloed, van het Nieuw en eeuwig Testament ».Leerstelling. — In dit Sacrament kan men beschouwen datgene, uit kracht waarvan het zijn uitwerking heeft nl. Christus Zelf, die hier is vervat, en Zijn lijden, dat hier is verbeeld, en ook datgene, waardoor het zijn uitwerking heeft nl. het gebruik van het Sacrament en de gedaanten ervan. Wat beide dan aangaat, komt het aan dit Sacrament toe het verwerven van het eeuwige leven te veroorzaken. Want Christus heeft door Zijn lijden ons de toegang tot het eeuwige leven geopend, volgens het woord van de Brief aan de Hebreën (9, 15): “Hij is de Middelaar van een Nieuw Testament, opdat, door tussenkomst 230van Zijn dood, zij die geroepen zijn, de belofte van de eeuwige erfenis ontvangen”. Daarom wordt ook in de vorm van dit Sacrament gezegd: “Dit is de kelk van Mijn Bloed, van het Nieuw en eeuwig Testament”.

Similiter etiam refectio cibi spiritualis, et unitas significata per species panis et vini habentur quidem in praesenti, sed imperfecte: perfecte autem in statu gloriae. Unde Augustinus dicit super illud Joan. 6. [v. 56] : « Caro mea vere est cibus » [tract. 26. in Joan. n. 17.] : « Cum cibo et potu id appetant homines ut non esuriant neque sitiant, hoc veraciter non praestat nisi iste cibus et potus, qui eos, a quibus sumitur, immortales et incorruptibiles facit in societate sanctorum, ubi pax erit et unitas plena atque perfecta ».

Op gelijke wijze worden de verkwikking van de geestelijke spijs en de door de gedaanten van brood en wijn beteekende eenheid weliswaar reeds nu bezeten, maar onvolmaakt, volmaakt pas in den hemel. Daarom zegt Augustinus bij het woord van Joannes (6. 56) : « Mijn Vleesch is waarlijk spijs »: « Met spijs en drank zoeken de menschen, dat ze niet meer mogen hongeren of dorsten; in waarheid geeft dit alleen die spijs en drank, die de ontvangers ervan onsterfelijk en onbederfelijk maakt in de gemeenschap der heiligen, waar vrede zal zijn en volle en volmaakte eenheid ».Op gelijke wijze worden de verkwikking van de geestelijke spijs en de door de gedaanten van brood en wijn betekende eenheid weliswaar reeds nu bezeten, maar onvolmaakt, volmaakt pas in de hemel. Daarom zegt Augustinus bij het woord van Johannes (6, 56): “Mijn Vlees is waarlijk spijs”: “Met spijs en drank zoeken de mensen, dat ze niet meer mogen hongeren of dorsten; in waarheid geeft dit alleen die spijs en drank, die de ontvangers ervan onsterfelijk en onbederfelijk maakt in de gemeenschap van de heiligen, waar vrede zal zijn en volle en volmaakte eenheid”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod sicut passio Christi, in cujus virtute hoc sacramentum operatur, est quidem causa sufficiens gloriae, non tamen ita quod statim per ipsam introducamur in gloriam, sed oportet ut prius « simul compatiamur », ut postea « simul glorificemur », sicut dicitur Rom. 8. [v. 17] : ita hoc sacramentum non statim nos in gloriam introducit, sed dat nobis virtutem perveniendi ad gloriam. Et ideo viaticum dicitur. In cujus 231figuram legitur 3. Reg. 19. [v. 8], quod Elias « comedit et bibit, et ambulavit in fortitudine cibi illius quadraginta diebus et quadraginta noctibus, usque ad montem Dei Oreb ».

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals het lijden van Christus, in welks kracht dit Sacrament werkt, wel voldoende oorzaak is van de glorie, maar niet zóó, dat wij er terstond door worden binnengevoerd in de glorie, daar wij integendeel eerst samen moeten lijden om later samen verheerlijkt te worden, gelijk in den Brief aan de Romeinen (8. 17) gezegd wordt, zoo voert ook dit Sacrament ons niet terstond in de glorie binnen, maar geeft het ons de kracht om tot de glorie te komen, weshalve 231het teerspijze genoemd wordt; een voorafbeelding ervan vinden wij in het Derde Boek der Koningen (19. 8), waar wij lezen, dat « Elias at en dronk en in de kracht van die spijs veertig dagen en veertig nachten wandelde tot aan den berg Gods Horeb ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals het lijden van Christus, in welks kracht dit Sacrament werkt, wel voldoende oorzaak is van de glorie, maar niet zó, dat wij er terstond door worden binnengevoerd in de glorie, daar wij integendeel eerst samen moeten lijden om later samen verheerlijkt te worden, gelijk in de Brief aan de Romeinen (8, 17) gezegd wordt, zo voert ook dit Sacrament ons niet terstond in de glorie binnen, maar geeft het ons de kracht om tot de glorie te komen, weshalve 231het teerspijze genoemd wordt; een voorafbeelding ervan vinden wij in het Derde Boek van de Koningen (19, 8)a, waar wij lezen, dat “Elias at en dronk en in de kracht van die spijs veertig dagen en veertig nachten wandelde tot aan de berg Gods Horeb”.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod sicut passio Christi non habet suum effectum in his qui se ad eam non habent ut debent, ita et per hoc sacramentum non adipiscuntur gloriam qui indecenter ipsum suscipiunt. Unde Augustinus dicit super Joan. exponens illa verba: « Aliud est sacramentum, et aliud virtus sacramenti » [loc. sup. cit.] : « Multi de altari accipiunt, et accipiendo moriuntur. Panem ergo caelestem spiritualiter manducate: innocentiam ad altare apportate ». Unde non est mirum si illi qui innocentiam non servant, effectum hujus sacramenti non consequuntur.

2. Zooals het lijden van Christus zijn uitwerking niet heeft in hen, die er zich niet toe verhouden gelijk het moet, zoo wordt ook door dit Sacrament niet de glorie verworven door hen, die het onwaardig ontvangen. Daarom zegt Augustinus bij Joannes, de woorden van de aangehaalde plaats uitleggend: « Iets anders is het Sacrament, iets anders de kracht van het Sacrament. Velen ontvangen van het altaar en door te ontvangen sterven zij. Eet daarom een hemelsch brood op geestelijke wijze, brengt onschuld mee naar het altaar ». Daarom is het geen wonder, als zij, die hun onschuld niet bewaren, niet deelachtig worden aan het uitwerksel van dit Sacrament.2. Zoals het lijden van Christus zijn uitwerking niet heeft in hen, die er zich niet toe verhouden gelijk het moet, zo wordt ook door dit Sacrament niet de glorie verworven door hen, die het onwaardig ontvangen. Daarom zegt Augustinus bij Johannes, de woorden van de aangehaalde plaats uitleggend: “Iets anders is het Sacrament, iets anders de kracht van het Sacrament. Velen ontvangen van het altaar en door te ontvangen sterven zij. Eet daarom een hemels brood op geestelijke wijze, brengt onschuld mee naar het altaar”. Daarom is het geen wonder, als zij, die hun onschuld niet bewaren, niet deelachtig worden aan het uitwerksel van dit Sacrament.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod hoc quod Christus sub aliena specie sumitur, pertinet ad rationem sacramenti, quod instrumentaliter agit. Nihil autem prohibet, causam instrumentalem producere potiorem effectum, ut ex supradictis patet [q. 77. art. 3. ad 3.].

3. Dat Christus onder een andere gedaante wordt genuttigd, hoort tot de eigenaardigheid van de Eucharistie als Sacrament: de sacramenten nu werken als werktuigen. Niets echter belet, dat een werktuigelijke oorzaak een hooger uitwerksel voortbrengt, zooals uit het boven gezegde blijkt (77e Kw. 3e Art. 3e Antw.).3. Dat Christus onder een andere gedaante wordt genuttigd, hoort tot de eigenaardigheid van de Eucharistie als Sacrament: de sacramenten nu werken als werktuigen. Niets echter belet, dat een werktuigelijke oorzaak een hoger uitwerksel voortbrengt, zoals uit het boven gezegde blijkt (77e Kw. 3e Art. 3e Antw.).

Articulus III

Utrum effectus hujus sacramenti sit remissio peccati mortalis

[4. Dist. 9. art. 3. qla. 2; Dist. 12. q. 2. art. 2. qla. 2.]
IIIe Artikel

Is het uitwerksel van dit Sacrament de vergiffenis van de doodzonde?

antwoord 1 ↓

232Ad tertium sic proceditur. Videtur quod effectus hujus sacramenti sit remissio peccati mortalis. Dicitur enim in quadam Collecta: « Sit hoc sacramentum ablutio scelerum ». Sed scelera dicuntur peccata mortalia. Ergo per hoc sacramentum peccata mortalia abluuntur.

232Bedenkingen. — Men beweert, dat het uitwerksel van dit Sacrament de vergiffenis van de doodzonde is. — 1. Want in een collecte wordt gezegd: « Dit Sacrament zij de afwassching der misdaden ». Nu wordt met misdaden doodzonden bedoeld. Dus worden door dit Sacrament de doodzonden afgewasschen.232Bedenkingen. — Men beweert, dat het uitwerksel van dit Sacrament de vergiffenis van de doodzonde is. — 1. Want in een collecte wordt gezegd: “Dit Sacrament zij de afwassing van de misdaden”. Nu wordt met misdaden doodzonden bedoeld. Dus worden door dit Sacrament de doodzonden afgewassen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, hoc sacramentum agit in virtute passionis Christi, sicut et baptismus. Sed per baptismum dimittuntur peccata mortalia, ut supra dictum est [q. 69. art 1.]. Ergo et per hoc sacramentum, praesertim cum in forma hujus sacramenti dicatur: « Qui pro multis effundetur in remissionem peccatorum ».

2. Dit Sacrament werkt in kracht van het lijden van Christus, gelijk het doopsel. Nu worden door het doopsel de doodzonden vergeven, zooals boven is gezegd (69e Kw. 1e Art.). Dus ook door dit Sacrament, temeer omdat in den vorm van dit Sacrament gezegd wordt: « Dat voor velen zal vergoten worden tot vergiffenis der zonden ».2. Dit Sacrament werkt in kracht van het lijden van Christus, gelijk het doopsel. Nu worden door het doopsel de doodzonden vergeven, zoals boven is gezegd (69e Kw. 1e Art.). Dus ook door dit Sacrament, temeer omdat in de vorm van dit Sacrament gezegd wordt: “Dat voor velen zal vergoten worden tot vergiffenis van de zonden”.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, per hoc sacramentum gratia confertur, ut dictum est [art. 1.]. Sed per gratiam justificatur homo a peccatis mortalibus, secundum illud Rom. 3. [v. 24] : « Justificati gratis per gratiam ipsius ». Ergo per 233hoc sacramentum remittuntur peccata mortalia.

3. Door dit Sacrament wordt genade verleend, zooals gezegd is (1e Art.). Nu wordt door de genade de mensch gerechtvaardigd van de doodzonden, volgens het woord van den Brief aan de Romeinen (3. 24) : « Om niets gerechtvaardigd door Zijn 233genade ». Dus worden door dit Sacrament de doodzonden vergeven.3. Door dit Sacrament wordt genade verleend, zoals gezegd is (1e Art.). Nu wordt door de genade de mens gerechtvaardigd van de doodzonden, volgens het woord van de Brief aan de Romeinen (3, 24): “Om niets gerechtvaardigd door Zijn 233genade”. Dus worden door dit Sacrament de doodzonden vergeven.

Sed contra est quod dicitur 1. Cor. 11. [v. 29] : « Qui manducat et bibit indigne, judicium sibi manducat et bibit ». Dicit autem Glossa [Petri Lomb.] ibidem, quod « ille manducat et bibit indigne qui in crimine est, vel irreverenter tractat: et talis manducat et bibit sibi judicium, idest damnationem ». Ergo ille qui est in peccato mortali, per hoc quod accipit hoc sacramentum, magis accumulat sibi peccatum quam remissionem sui peccati consequatur.

Daartegenover staat echter, dat in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (11. 29) gezegd wordt: « Wie onwaardig eet en drinkt, eet en drinkt zich een oordeel »; nu zegt de Glossa op die plaats, dat « hij onwaardig eet en drinkt, die een misdaad op zijn geweten heeft of die het Sacrament oneerbiedig behandelt; en zoo iemand eet en drinkt zich een oordeel d. i. veroordeeling ». Hij dus, die in doodzonde is, in plaats van door de ontvangst van dit Sacrament de vergiffenis van zijn zonde te verkrijgen, vermeerdert veeleer erdoor zijn zonde.Daartegenover staat echter, dat in de Eerste Brief aan de Korintiërs (11, 29) gezegd wordt: “Wie onwaardig eet en drinkt, eet en drinkt zich een oordeel”; nu zegt de Glossa op die plaats, dat “hij onwaardig eet en drinkt, die een misdaad op zijn geweten heeft of die het Sacrament oneerbiedig behandelt; en zo iemand eet en drinkt zich een oordeel d.i. veroordeling”. Hij dus, die in doodzonde is, in plaats van door de ontvangst van dit Sacrament de vergiffenis van zijn zonde te verkrijgen, vermeerdert veeleer erdoor zijn zonde.

Respondeo dicendum quod virtus hujus sacramenti potest considerari dupliciter. Uno modo, secundum se. Et sic hoc sacramentum habet virtutem ad remittendum quaecumque peccata ex passione Christi, quae est fons et causa remissionis peccatorum.

Leerstelling. — De kracht van dit Sacrament kan men op twee manieren beschouwen. Vooreerst op zich en zoo heeft dit Sacrament de kracht om alle mogelijke zonden te vergeven door het lijden van Christus, dat de bron en de oorzaak is van de vergiffenis der zonden.Leerstelling. — De kracht van dit Sacrament kan men op twee manieren beschouwen. Vooreerst op zich en zo heeft dit Sacrament de kracht om alle mogelijke zonden te vergeven door het lijden van Christus, dat de bron en de oorzaak is van de vergiffenis van de zonden.

Alio modo potest considerari per comparationem ad eum qui recipit hoc sacramentum, prout in eo invenitur vel non invenitur impedimentum 234percipiendi hujus sacramenti effectum. Quicumque autem habet conscientiam peccati mortalis, habet in se impedimentum percipiendi effectum hujus sacramenti, eo quod non est conveniens susceptor hujus sacramenti: tum quia non vivit spiritualiter, et ita non debet spirituale nutrimentum suscipere, quod non est nisi viventis; tum quia non potest uniri Christo quod fit per hoc sacramentum, dum est in affectu peccandi mortaliter. Et ideo, ut dicitur in lib. de Ecclesiast. Dogmatib. [cap. 23.], « si mens in actu1 peccandi est, gravatur magis Eucharistiae perceptione quam purificetur ». Unde hoc sacramentum in eo qui ipsum percipit in conscientia peccati mortalis, non operatur remissionem peccati.

Dan kan zij beschouwd worden in verhouding tot dengene, die dit Sacrament ontvangt, inzoover nl. al dan niet een beletsel voor het ontvangen van het uitwerksel van dit Sacrament in hem gevonden wordt. Iedereen nu, die zich van een doodzonde bewust is, heeft een beletsel in zich voor 234het ontvangen van het uitwerksel van dit Sacrament, daar hij geen geschikte ontvanger is van dit Sacrament, zoowel omdat hij geestelijkerwijze niet leeft en daarom geen geestelijk voedsel moet ontvangen, wat alleen aan een levende toekomt, alsook omdat hij niet met Christus vereenigd kan worden (hetgeen door dit Sacrament wordt bewerkt) voor den tijd, dat hij aan de doodzonde gehecht is. Vandaar dat in het Boek De Ecclesiasticis Dogmatibus gezegd wordt: « als de ziel gehecht is aan de zonde, wordt zij meer bezwaard door de ontvangst van de Eucharistie dan gereinigd ». Daarom bewerkt dit Sacrament geen vergiffenis van zonde in hem, die het ontvangt, terwijl hij zich van een doodzonde bewust is.Dan kan zij beschouwd worden in verhouding tot dengene, die dit Sacrament ontvangt, inzover nl. al dan niet een beletsel voor het ontvangen van het uitwerksel van dit Sacrament in hem gevonden wordt. Iedereen nu, die zich van een doodzonde bewust is, heeft een beletsel in zich voor 234het ontvangen van het uitwerksel van dit Sacrament, daar hij geen geschikte ontvanger is van dit Sacrament, zowel omdat hij geestelijkerwijze niet leeft en daarom geen geestelijk voedsel moet ontvangen, wat alleen aan een levende toekomt, alsook omdat hij niet met Christus verenigd kan worden (hetgeen door dit Sacrament wordt bewerkt) voor de tijd, dat hij aan de doodzonde gehecht is. Vandaar dat in het Boek De Ecclesiasticis Dogmatibus gezegd wordt: “als de ziel gehecht is aan de zonde, wordt zij meer bezwaard door de ontvangst van de Eucharistie dan gereinigd”. Daarom bewerkt dit Sacrament geen vergiffenis van zonde in hem, die het ontvangt, terwijl hij zich van een doodzonde bewust is.

Potest tamen hoc sacramentum operari remissionem peccati dupliciter. Uno modo non perceptum actu, sed voto: sicut cum quis prius justificatur a peccato. Alio modo, etiam perceptum ab eo qui est in peccato mortali, cujus conscientiam et affectum non habet. Forte enim primo non fuit sufficienter contritus, sed devote et reverenter accedens consequetur per hoc 235sacramentum gratiam charitatis, quae contritionem perficiet et remissionem peccati.

— Toch kan dit Sacrament op twee wijzen vergiffenis van zonden bewerken. Op de eerste plaats als niet ontvangen in werkelijkheid maar in begeerte, zooals geschiedt wanneer een zondaar vooraf gerechtvaardigd wordt. Op de tweede plaats ook als in werkelijkheid ontvangen door iemand, die een doodzonde heeft, maar waarvan hij zich niet bewust is en waaraan hij niet gehecht is; misschien had hij vooraf geen voldoende berouw, maar nu krijgt hij, terwijl hij met godsvrucht en eerbied tot het Sacrament nadert, de genade 235van de liefde, die zijn berouw vervolmaakt, en de vergiffenis van de zonde.— Toch kan dit Sacrament op twee wijzen vergiffenis van zonden bewerken. Op de eerste plaats als niet ontvangen in werkelijkheid maar in begeerte, zoals geschiedt wanneer een zondaar vooraf gerechtvaardigd wordt. Op de tweede plaats ook als in werkelijkheid ontvangen door iemand, die een doodzonde heeft, maar waarvan hij zich niet bewust is en waaraan hij niet gehecht is; misschien had hij vooraf geen voldoende berouw, maar nu krijgt hij, terwijl hij met godsvrucht en eerbied tot het Sacrament nadert, de genade 235van de liefde, die zijn berouw vervolmaakt, en de vergiffenis van de zonde.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod petimus ut hoc sacramentum sit ablutio scelerum: vel eorum quorum conscientiam non habemus, secundum illud Ps. 18. [v. 13] : « Ab occultis meis munda me, Domine » ; vel ut contritio in nobis perficiatur ad scelerum remissionem; vel etiam ut nobis robur detur ad scelera vitanda.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wij vragen, dat dit Sacrament de afwassching der misdaden moge zijn, ofwel van diegene, waarvan wij ons niet bewust zijn, volgens het psalmvers: « Reinig mij, Heer, van mijn verborgenheden » (Ps. 18. 13), ofwel opdat het berouw vervolmaakt moge worden, zoodat de misdaden worden vergeven, of ook wel opdat ons de kracht worde gegeven misdaden te vermijden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wij vragen, dat dit Sacrament de afwassing van de misdaden moge zijn, ofwel van diegene, waarvan wij ons niet bewust zijn, volgens het psalmvers: “Reinig mij, Heer, van mijn verborgenheden” (Ps. 18. 13)a, ofwel opdat het berouw vervolmaakt moge worden, zodat de misdaden worden vergeven, of ook wel opdat ons de kracht worde gegeven misdaden te vermijden.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod baptismus est spiritualis generatio quae est mutatio de non esse spirituali in esse spirituale, et datur per modum ablutionis. Et ideo, quantum ad utrumque, non inconvenienter accedit ad baptismum qui habet conscientiam peccati mortalis. Sed per hoc sacramentum homo sumit in se Christum per modum spiritualis nutrimenti: quod non competit mortuo in peccatis. Et ideo non est similis ratio.

2. Het doopsel is een geestelijke geboorte d. i. een verandering van geestelijkerwijze niet-zijn tot geestelijkerwijze zijn, en het wordt toegediend door middel van afwassching; van beide kanten gezien, doet men dus niet onredelijk, als men tot het doopsel gaat, terwijl men zich van een doodzonde bewust is. Maar door dit Sacrament ontvangt de mensch in zich Christus als een geestelijk voedsel en dat komt niet toe aan hem, die dood is door de zonde. En dus gaat de vergelijking niet op.2. Het doopsel is een geestelijke geboorte d.i. een verandering van geestelijkerwijze niet-zijn tot geestelijkerwijze zijn, en het wordt toegediend door middel van afwassing; van beide kanten gezien, doet men dus niet onredelijk, als men tot het doopsel gaat, terwijl men zich van een doodzonde bewust is. Maar door dit Sacrament ontvangt de mens in zich Christus als een geestelijk voedsel en dat komt niet toe aan hem, die dood is door de zonde. En dus gaat de vergelijking niet op.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod gratia est sufficiens causa remissionis peccati mortalis, non tamen actu remittit peccatum mortale nisi cum primo 236datur peccatori. Sic autem non datur in hoc sacramento. Unde ratio non sequitur.

3. De genade is de voldoende oorzaak voor vergiffenis van de doodzonde; maar toch vergeeft zij de doodzonde niet metterdaad, tenzij zij als eerste gave aan een zondaar wordt toebedeeld. 236Maar zóó wordt zij in dit Sacrament niet gegeven. Dus gaat de redeneering niet op.3. De genade is de voldoende oorzaak voor vergiffenis van de doodzonde; maar toch vergeeft zij de doodzonde niet metterdaad, tenzij zij als eerste gave aan een zondaar wordt toebedeeld. 236Maar zó wordt zij in dit Sacrament niet gegeven. Dus gaat de redenering niet op.

Articulus IV

Utrum per hoc sacramentum remittantur peccata venialia

[Infr. q. 87. art. 3; 4. Dist. 12. q. 2. art. 1. qla. 1 ; art. 2. qla. 1.]
IVe Artikel

Worden door dit Sacrament de dagelijksche zonden vergeven?Worden door dit Sacrament de dagelijkse zonden vergeven?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod per hoc sacramentum non remittantur peccata venialia. Hoc enim sacramentum, ut Augustinus dicit super Joan. [tract. 26. n. 13.] est « sacramentum charitatis ». Sed venialia peccata non contrariantur charitati, ut in 2. habitum est [1-2. q. 88. art. 1, 2; 2-2. q. 24. art. 8. ad 2; art. 10.]. Cum ergo contrarium tollatur per suum contrarium, videtur quod peccata venialia per hoc sacramentum non remittantur.

Bedenkingen. — Men beweert, dat door dit Sacrament de dagelijksche zonden niet worden vergeven. — 1. Dit Sacrament immers is, zooals Augustinus zegt « het Sacrament der liefde ». Nu zijn de dagelijksche zonden niet tegen de liefde, zooals in het Tweede Deel is uiteengezet (I-II 88e Kw. 1e en 2e Art.; 24e Kw. 8e Art. 2e Antw.; 10e Art.). Daar dus het tegengestelde alleen door het tegengestelde wordt opgeheven, schijnen de dagelijksche zonden door dit Sacrament niet te worden vergeven.Bedenkingen. — Men beweert, dat door dit Sacrament de dagelijkse zonden niet worden vergeven. — 1. Dit Sacrament immers is, zoals Augustinus zegt “het Sacrament van de liefde”. Nu zijn de dagelijkse zonden niet tegen de liefde, zoals in het Tweede Deel is uiteengezet (1-2 88e Kw. 1e en 2e Art.; 24e Kw. 8e Art. 2e Antw.; 10e Art.). Daar dus het tegengestelde alleen door het tegengestelde wordt opgeheven, schijnen de dagelijkse zonden door dit Sacrament niet te worden vergeven.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, si peccata venialia per hoc sacramentum remittantur, qua ratione remittitur unum, remittuntur et omnia. Sed non videtur quod omnia 237remittantur: quia sic frequenter aliquis esset absque omni peccato veniali, contra id quod dicitur 1. Joan. 1. [v. 8] : « Si dixerimus quia peccatum non habemus, ipsi nos seducimus ». Non ergo per hoc sacramentum remittitur aliquod peccatum veniale.

2. Als de dagelijksche zonden door dit Sacrament worden vergeven, dan worden evengoed alle vergeven als één. Maar het schijnt, dat niet alle worden vergeven, want in dat geval zou iemand dikwijls zonder een enkele dagelijksche zonde zijn, wat 237niet overeenstemt met het woord van den Eersten Brief van Joannes (1. 8) : « Als wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, bedriegen wij onszelf ». Dus wordt door dit Sacrament geen dagelijksche zonde vergeven.2. Als de dagelijkse zonden door dit Sacrament worden vergeven, dan worden evengoed alle vergeven als één. Maar het schijnt, dat niet alle worden vergeven, want in dat geval zou iemand dikwijls zonder een enkele dagelijkse zonde zijn, wat 237niet overeenstemt met het woord van de Eerste Brief van Johannes (1, 8): “Als wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, bedriegen wij onszelf”. Dus wordt door dit Sacrament geen dagelijkse zonde vergeven.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, contraria mutuo se expellunt. Sed peccata venialia non prohibent a perceptione hujus sacramenti: dicit enim Augustinus [tract. 26. in Joan. n. 11.] super illud Joan. 6. [v. 49] : « Patres vestri manducaverunt manna in deserto, et mortui sunt »1 : « Innocentiam, inquit, ad altare apportate: peccata, etsi sunt quotidiana, non sunt mortifera ». Ergo neque peccata venialia per hoc sacramentum tolluntur.

3. Tegenstrijdige dingen sluiten elkaar uit. Nu sluiten de dagelijksche zonden de ontvangst van dit Sacrament niet uit; bij het woord van Joannes (6. 49) : « Uw vaders hebben in de woestijn het manna gegeten en zijn gestorven » zegt immers Augustinus: « Brengt onschuld mee naar het altaar: uw zonden mogen misschien de gewone dagelijksche zijn, als ze maar niet doodbrengend zijn ». Dus worden door dit Sacrament de dagelijksche zonden ook niet weggenomen.3. Tegenstrijdige dingen sluiten elkaar uit. Nu sluiten de dagelijkse zonden de ontvangst van dit Sacrament niet uit; bij het woord van Johannes (6, 49): “Uw vaders hebben in de woestijn het manna gegeten en zijn gestorven” zegt immers Augustinus: “Brengt onschuld mee naar het altaar: uw zonden mogen misschien de gewone dagelijkse zijn, als ze maar niet doodbrengend zijn”. Dus worden door dit Sacrament de dagelijkse zonden ook niet weggenomen.

Sed contra est quod Innocentius III. dicit [lib. 4. de Myster. Missae, cap. 44.], quod hoc sacramentum « venialia delet et cavet mortalia ».

Daartegenover staat echter, wat Innocentius III zegt nl. dat dit Sacrament « de dagelijksche zonden uitdelgt en voor doodzonden behoedt ».Daartegenover staat echter, wat Innocentius III zegt nl. dat dit Sacrament “de dagelijkse zonden uitdelgt en voor doodzonden behoedt”.

Respondeo dicendum quod in hoc sacramento duo possunt considerari: scilicet ipsum sacramentum, et res sacramenti. Et ex utroque apparet quod 238hoc sacramentum habet virtutem ad remissionem venialium peccatorum. Nam hoc sacramentum sumitur sub specie cibi nutrientis. Nutrimentum autem cibi est necessarium corpori ad restaurandum id quod quotidie deperditur per actionem caloris naturalis2. Spiritualiter autem quotidie aliquid in nobis deperditur ex calore concupiscentiae per peccata venialia, quae diminuunt fervorem charitatis, ut in 2. habitum est [2-2. q. 24. art. 10; q. 44. art. 3.]. Et ideo competit huic sacramento ut remittat peccata venialia. Unde et Ambrosius dicit in lib. 5. de Sacramentis [cap. 4.], quod « iste panis quotidianus sumitur in remedium quotidianae infirmitatis ».

Leerstelling. — In dit Sacrament kan men twee dingen beschouwen t.w. het Sacrament zelf en de werkelijkheid van het Sacrament. En uit beide blijkt, dat dit Sacrament kracht heeft 238tot vergiffenis van de dagelijksche zonden. Want dit Sacrament wordt genuttigd onder de gedaante van voedende spijs. Nu is de door de spijs gegeven voeding noodzakelijk voor het lichaam tot herstel van wat dagelijks door de werking van de natuurlijke warmte teloorgaat. Op geestelijke wijze dan gaat dagelijks iets in ons teloor door het vuur van de begeerlijkheid door middel van de dagelijksche zonden, die de vurigheid van de liefde verminderen, zooals in het Tweede Deel is uiteengezet (II-II 24e Kw. 10e Art.; 44e Kw. 3e Art.). En daarom komt het aan dit Sacrament toe de dagelijksche zonden te vergeven. Vandaar dat Ambrosius zegt: « dit dagelijksch brood wordt genuttigd tot herstel van de dagelijksche zwakheid ».Leerstelling. — In dit Sacrament kan men twee dingen beschouwen t.w. het Sacrament zelf en de werkelijkheid van het Sacrament. En uit beide blijkt, dat dit Sacrament kracht heeft 238tot vergiffenis van de dagelijkse zonden. Want dit Sacrament wordt genuttigd onder de gedaante van voedende spijs. Nu is de door de spijs gegeven voeding noodzakelijk voor het lichaam tot herstel van wat dagelijks door de werking van de natuurlijke warmte teloorgaat. Op geestelijke wijze dan gaat dagelijks iets in ons teloor door het vuur van de begeerlijkheid door middel van de dagelijkse zonden, die de vurigheid van de liefde verminderen, zoals in het Tweede Deel is uiteengezet (2-2 24e Kw. 10e Art.; 44e Kw. 3e Art.). En daarom komt het aan dit Sacrament toe de dagelijkse zonden te vergeven. Vandaar dat Ambrosius zegt: “dit dagelijks brood wordt genuttigd tot herstel van de dagelijkse zwakheid”.

Res autem hujus sacramenti est charitas, non solum quantum ad habitum, sed etiam quantum ad actum, qui excitatur in hoc sacramento: per quem peccata venialia solvuntur. Unde manifestum est quod virtute hujus sacramenti remittuntur peccata venialia.

— De werkelijkheid van dit Sacrament evenwel is de liefde, niet alleen als deugd, maar ook als daad, welke daad in dit Sacrament wordt opgewekt. En daardoor worden de dagelijksche zonden weggenomen. Dus is het duidelijk, dat door de kracht van dit Sacrament de dagelijksche zonden worden vergeven.— De werkelijkheid van dit Sacrament evenwel is de liefde, niet alleen als deugd, maar ook als daad, welke daad in dit Sacrament wordt opgewekt. En daardoor worden de dagelijkse zonden weggenomen. Dus is het duidelijk, dat door de kracht van dit Sacrament de dagelijkse zonden worden vergeven.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod peccata venialia, etsi non contrariantur charitati quantum ad habitum, contrariantur tamen ei quantum ad fervorem 239actus, qui excitatur per hoc sacramentum. Ratione cujus peccata venialia tolluntur.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De dagelijksche zonden zijn inderdaad niet tegen de liefde als deugd, maar ze 239zijn wel tegen de vurigheid van haar akt, welke nu juist door dit Sacrament wordt opgewekt en waardoor de dagelijksche zonden worden weggenomen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De dagelijkse zonden zijn inderdaad niet tegen de liefde als deugd, maar ze 239zijn wel tegen de vurigheid van haar act, welke nu juist door dit Sacrament wordt opgewekt en waardoor de dagelijkse zonden worden weggenomen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod illud verbum non est intelligendum, quin aliqua hora possit homo esse absque omni reatu peccati venialis: sed quia vitam istam sancti non ducunt sine peccatis venialibus.

2. Dat gezegde is niet zóó te verstaan, alsof een mensch nooit eenig uur zonder eenige dagelijksche zonde zou kunnen zijn, maar in dien zin, dat ook heiligen dit leven niet doorbrengen zonder dagelijksche zonden.2. Dat gezegde is niet zó te verstaan, alsof een mens nooit enig uur zonder enige dagelijkse zonde zou kunnen zijn, maar in die zin, dat ook heiligen dit leven niet doorbrengen zonder dagelijkse zonden.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod major est virtus charitatis, cujus est hoc sacramentum, quam venialium peccatorum: nam charitas tollit per suum actum peccata venialia, quae tamen non possunt totaliter impedire actum charitatis. Et eadem ratio est de hoc sacramento.

3. De kracht van de liefde, waarvan dit het Sacrament is, is grooter dan die der dagelijksche zonden. Want de liefde neemt door haar daad de dagelijksche zonden weg, terwijl deze de daad van de liefde niet geheel kunnen beletten. En hetzelfde geldt van dit Sacrament.3. De kracht van de liefde, waarvan dit het Sacrament is, is groter dan die van de dagelijkse zonden. Want de liefde neemt door haar daad de dagelijkse zonden weg, terwijl deze de daad van de liefde niet geheel kunnen beletten. En hetzelfde geldt van dit Sacrament.

Articulus V

Utrum per hoc sacramentum tota poena peccati remittatur

[4. Dist. 4. q. 2. art. 1. qla. 2. ad 3; Dist. 12. q. 2. art. 2. qla. 3.]
Ve Artikel

Wordt door dit Sacrament de heele straf van de zonde vergeven?Wordt door dit Sacrament de hele straf van de zonde vergeven?

antwoord 1 ↓

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod per hoc sacramentum tota poena peccati remittatur. Homo enim per hoc sacramentum suscipit in se 240effectum passionis Christi, ut dictum est [art. 1, 2.], sicut et per baptismum. Sed per baptismum percipit homo remissionem omnis poenae virtute passionis Christi, quae sufficienter satisfecit pro omnibus peccatis, ut ex supradictis patet [q. 69. art. 2.]. Ergo videtur quod per hoc sacramentum homini remittatur totus reatus poenae.

Bedenkingen. — Men beweert, dat door dit Sacrament de heele straf van de zonde wordt vergeven. — 1. Want door dit Sacrament ontvangt de mensch in zich het uitwerksel van 240Christus' lijden, gelijk gezegd is (1e en 2e Art.), zooals de mensch ook door het doopsel de vergiffenis van alle straf ontvangt uit kracht van Christus' lijden, dat voldoende heeft voldaan voor alle zonden, gelijk uit het boven gezegde blijkt (69e Kw. 2e Art.). Dus schijnt door dit Sacrament de heele strafschuldigheid te worden vergeven.Bedenkingen. — Men beweert, dat door dit Sacrament de hele straf van de zonde wordt vergeven. — 1. Want door dit Sacrament ontvangt de mens in zich het uitwerksel van 240Christus' lijden, gelijk gezegd is (1e en 2e Art.), zoals de mens ook door het doopsel de vergiffenis van alle straf ontvangt uit kracht van Christus' lijden, dat voldoende heeft voldaan voor alle zonden, gelijk uit het boven gezegde blijkt (69e Kw. 2e Art.). Dus schijnt door dit Sacrament de hele strafschuldigheid te worden vergeven.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Alexander I, papa dicit [in epist. ad omnes orth.] : « Nihil in sacrificiis majus esse potest, quam corpus, et sanguis Christi ». Sed per sacrificia veteris legis homo satisfaciebat pro peccatis suis: dicitur enim Levit. 4. et 5.: « Si peccaverit homo, offeret (hoc vel illud) pro peccato suo, et remittetur ei ». Ergo multo magis hoc sacramentum valet ad remissionem omnis poenae.

2. Paus Alexander I zegt: « Onder de offers kan niets grooter zijn dan het Lichaam en Bloed van Christus ». Welnu, door de offers van de Oude Wet voldeed de mensch voor zijn zonden; in het Boek Leviticus (4 en 5) wordt immers gezegd: « Als de mensch gezondigd heeft, zal hij (dit of dat) voor zijn zonde opdragen en zij zal hem vergeven worden ». Dus is veel meer dit Sacrament toereikend tot vergiffenis van de straf.2. Paus Alexander I zegt: “Onder de offers kan niets groter zijn dan het Lichaam en Bloed van Christus”. Welnu, door de offers van de Oude Wet voldeed de mens voor zijn zonden; in het Boek Leviticus (4 en 5) wordt immers gezegd: “Als de mens gezondigd heeft, zal hij (dit of dat) voor zijn zonde opdragen en zij zal hem vergeven worden”. Dus is veel meer dit Sacrament toereikend tot vergiffenis van de straf.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, constat quod per hoc sacramentum aliquid de reatu poenae dimittitur: unde et in satisfactionem aliquibus injungitur, quod pro se missas faciant celebrare. Sed qua ratione una pars poenae dimittitur, eadem ratione et alia: cum virtus Christi quae in hoc sacramento continetur, sit infinita. Ergo videtur quod per hoc sacramentum tota poena tollatur.

3. Het is zeker, dat door dit Sacrament iets van de strafschuldigheid wordt vergeven; daarom wordt ook aan sommigen als genoegdoening opgelegd, dat zij Missen voor zich laten lezen. Maar evengoed als het eene gedeelte van de straf wordt vergeven, wordt ook het andere vergeven, daar de kracht van Christus, die in dit Sacrament is vervat, oneindig is. Dus schijnt door dit Sacrament de heele straf te worden weggenomen.3. Het is zeker, dat door dit Sacrament iets van de strafschuldigheid wordt vergeven; daarom wordt ook aan sommigen als genoegdoening opgelegd, dat zij Missen voor zich laten lezen. Maar evengoed als het ene gedeelte van de straf wordt vergeven, wordt ook het andere vergeven, daar de kracht van Christus, die in dit Sacrament is vervat, oneindig is. Dus schijnt door dit Sacrament de hele straf te worden weggenomen.

241Sed contra est quod secundum hoc non esset homini alia poena injungenda: sicut nec baptizato injungitur.

241Daartegenover staat echter, dat in die veronderstelling aan den mensch geen andere straf zou moeten worden opgelegd, evenmin als dat gebeurt bij den gedoopte.241Daartegenover staat echter, dat in die veronderstelling aan de mens geen andere straf zou moeten worden opgelegd, evenmin als dat gebeurt bij de gedoopte.

Respondeo dicendum quod hoc sacramentum simul est sacrificium et sacramentum: sed rationem sacrificii habet inquantum offertur; rationem autem sacramenti inquantum sumitur. Et ideo effectum sacramenti habet in eo qui sumit: effectum autem sacrificii in eo qui offert, vel in his pro quibus offertur.

Leerstelling. — Dit Sacrament is tegelijk Offer en Sacrament; het wezen van Offer heeft het, inzoover het wordt opgedragen, het wezen van Sacrament, inzoover het wordt genuttigd. Daarom heeft het uitwerking als Sacrament in dengene, die het nuttigt, maar uitwerking als Offer in dengene, die het opdraagt of in degenen, voor wie het opgedragen wordt.Leerstelling. — Dit Sacrament is tegelijk Offer en Sacrament; het wezen van Offer heeft het, inzover het wordt opgedragen, het wezen van Sacrament, inzover het wordt genuttigd. Daarom heeft het uitwerking als Sacrament in dengene, die het nuttigt, maar uitwerking als Offer in dengene, die het opdraagt of in degenen, voor wie het opgedragen wordt.

Si igitur consideretur ut sacramentum, habet effectum dupliciter: uno modo, directe ex vi sacramenti; alio modo, quasi ex quadam concomitantia; sicut et circa continentiam sacramenti dictum est [q. 76. art. 1, 2.]. Ex vi quidem sacramenti, directe habet illum effectum ad quem est institutum. Non est autem institutum ad satisfaciendum, sed ad spiritualiter nutriendum per unionem ad Christum et ad membra ejus, sicut et nutrimentum unitur nutrito. Sed quia haec unitas fit per charitatem, ex cujus fervore aliquis consequitur remissionem non solum culpae sed etiam poenae; inde est quod ex 242consequenti, per quamdam concomitantiam ad principalem effectum, homo consequitur remissionem poenae; non quidem totius, sed secundum modum suae devotionis et fervoris.

Wanneer het dan als Sacrament wordt beschouwd, heeft het een tweevoudige uitwerking: op de eerste plaats onmiddellijk uit kracht van het Sacrament, vervolgens als door een zekere verbondenheid, gelijk ook gezegd is met betrekking tot wat in dit Sacrament vervat is (76e Kw. 1e en 2e Art.). Uit kracht van het Sacrament heeft het onmiddellijk die uitwerking, waarvoor het is ingesteld. Nu is het niet ingesteld om te voldoen maar om geestelijk te voeden door vereeniging met Christus en Zijn ledematen, zooals voedsel zich vereenigt met den gevoede. Maar omdat deze eenheid tot stand komt door de liefde en het door de vurigheid van de liefde is, dat iemand kwijtschelding krijgt, niet alleen van de schuld, maar ook van de straf, daarom krijgt de mensch 242gevolgelijk, door een zekeren samenhang met het hoofduitwerksel, de kwijtschelding van de straf, niet in haar geheel, maar naar de mate van zijn godsvrucht en vurigheid.Wanneer het dan als Sacrament wordt beschouwd, heeft het een tweevoudige uitwerking: op de eerste plaats onmiddellijk uit kracht van het Sacrament, vervolgens als door een zekere verbondenheid, gelijk ook gezegd is met betrekking tot wat in dit Sacrament vervat is (76e Kw. 1e en 2e Art.). Uit kracht van het Sacrament heeft het onmiddellijk die uitwerking, waarvoor het is ingesteld. Nu is het niet ingesteld om te voldoen maar om geestelijk te voeden door vereniging met Christus en Zijn ledematen, zoals voedsel zich verenigt met de gevoede. Maar omdat deze eenheid tot stand komt door de liefde en het door de vurigheid van de liefde is, dat iemand kwijtschelding krijgt, niet alleen van de schuld, maar ook van de straf, daarom krijgt de mens 242gevolgelijk, door een zekeren samenhang met het hoofduitwerksel, de kwijtschelding van de straf, niet in haar geheel, maar naar de mate van zijn godsvrucht en vurigheid.

Inquantum vero est sacrificium, habet vim satisfactivam. Sed in satisfactione magis attenditur affectus offerentis quam quantitas oblationis. Unde et Dominus dicit Luc. 21. [v. 4] de vidua, quae obtulit duo aera, quod « plus omnibus misit ». Quamvis ergo haec oblatio ex sui quantitate sufficiat ad satisfaciendum pro omni poena, tamen fit satisfactoria illis pro quibus offertur, vel etiam offerentibus, secundum quantitatem suae devotionis, et non pro tota poena.

— Inzoover het echter een Offer is, heeft het kracht om te voldoen. Maar bij het voldoen wordt méér gelet op de gesteldheid van hem, die opdraagt, dan op de hoegrootheid van het opgedragene. Van de weduwe, die twee penningen opdroeg, zegt de Heer dan ook, bij Lucas (21. 4), dat « zij méér dan alle anderen heeft gestort ». Hoewel dus het hier opgedragene naar zijn hoegrootheid toereikend is om voor alle straf te voldoen, voldoet het feitelijk voor degenen, voor wie het wordt opgedragen, volgens de grootte van hun godsvrucht en niet wat de heele straf betreft.— Inzover het echter een Offer is, heeft het kracht om te voldoen. Maar bij het voldoen wordt méér gelet op de gesteldheid van hem, die opdraagt, dan op de hoegrootheid van het opgedragene. Van de weduwe, die twee penningen opdroeg, zegt de Heer dan ook, bij Lukas (21, 4), dat “zij méér dan alle anderen heeft gestort”. Hoewel dus het hier opgedragene naar zijn hoegrootheid toereikend is om voor alle straf te voldoen, voldoet het feitelijk voor degenen, voor wie het wordt opgedragen, volgens de grootte van hun godsvrucht en niet wat de hele straf betreft.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod sacramentum baptismi directe ordinatur ad remissionem poenae et culpae, non autem Eucharistia: quia baptismus datur homini quasi commorienti Christo; Eucharistia autem quasi nutriendo et perficiendo per Christum. Unde non est similis ratio.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het sacrament van het doopsel is onmiddellijk gericht op de kwijtschelding van straf en schuld, de Eucharistie echter niet; want het doopsel wordt aan den mensch gegeven als meestervend met Christus, de Eucharistie echter wordt gegeven als voeding en vervolmaking door Christus. Dus gaat de vergelijking niet op.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het sacrament van het doopsel is onmiddellijk gericht op de kwijtschelding van straf en schuld, de Eucharistie echter niet; want het doopsel wordt aan de mens gegeven als meestervend met Christus, de Eucharistie echter wordt gegeven als voeding en vervolmaking door Christus. Dus gaat de vergelijking niet op.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod alia sacrificia et oblationes non operabantur remissionem totius poenae, neque quantum ad quantitatem oblati, 243sicut hoc sacrificium; neque quantum ad devotionem hominis, ex qua contingit quod etiam hic non tollitur tota poena.

2. Die offers en offeranden bewerkten niet de vergeving van de heele straf, noch naar de hoegrootheid van het opgedragene, 243zooals dit Offer, noch naar 's menschen godsvrucht, door wier tekort ook hier de heele straf niet wordt weggenomen.2. Die offers en offeranden bewerkten niet de vergeving van de hele straf, noch naar de hoegrootheid van het opgedragene, 243zoals dit Offer, noch naar 's mensen godsvrucht, door wier tekort ook hier de hele straf niet wordt weggenomen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod hoc quod tollitur pars poenae et non tota poena per hoc sacramentum, non contingit ex defectu virtutis Christi, sed ex defectu devotionis humanae.

3. Dat slechts een deel van de straf en niet de heele straf door dit Sacrament wordt weggenomen is niet door een tekort van Christus' kracht, maar door een tekort van 's menschen godsvrucht.3. Dat slechts een deel van de straf en niet de hele straf door dit Sacrament wordt weggenomen is niet door een tekort van Christus' kracht, maar door een tekort van 's mensen godsvrucht.

Articulus VI

Utrum per hoc sacramentum praeservetur homo a peccatis futuris

[4. Dist. 12. q. 2. art. 2. qla. 2. ad 1.]
VIe Artikel

Wordt de mensch door dit Sacrament voor toekomstige zonden behoed?Wordt de mens door dit Sacrament voor toekomstige zonden behoed?

antwoord 1 ↓

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod per hoc sacramentum non praeservetur homo a peccatis futuris. Multi enim digne sumentes hoc sacramentum postea in peccatum cadunt. Quod non accideret si hoc sacramentum praeservaret a peccatis futuris. Non ergo effectus hujus sacramenti est a peccatis futuris praeservare.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de mensch door dit Sacrament niet voor toekomstige zonden wordt behoed. — 1. Velen immers, die dit Sacrament waardig ontvangen, vallen later in zonde, wat niet zou gebeuren, als dit Sacrament voor toekomstige zonden zou behoeden.Bedenkingen. — Men beweert, dat de mens door dit Sacrament niet voor toekomstige zonden wordt behoed. — 1. Velen immers, die dit Sacrament waardig ontvangen, vallen later in zonde, wat niet zou gebeuren, als dit Sacrament voor toekomstige zonden zou behoeden.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Eucharistia est sacramentum charitatis, ut supra dictum est [art. 4.]. Sed charitas non videtur praeservare a peccatis futuris: quia 244semel habita potest amitti per peccatum, ut in 2. habitum est [2-2. q. 24. art. 11.]. Ergo videtur quod nec hoc sacramentum praeservet hominem a peccato.

2. De Eucharistie is het « Sacrament van de liefde », zooals boven gezegd is (4e Art.). Nu schijnt de liefde niet voor toekomstige zonden te behoeden, want, eenmaal ontvangen, kan zij 244weer verloren worden door de zonde, zooals in het Tweede Deel is uiteengezet (II-II 24e Kw. 11e Art.). Dus schijnt ook dit Sacrament den mensch niet voor zonde te behoeden.2. De Eucharistie is het “Sacrament van de liefde”, zoals boven gezegd is (4e Art.). Nu schijnt de liefde niet voor toekomstige zonden te behoeden, want, eenmaal ontvangen, kan zij 244weer verloren worden door de zonde, zoals in het Tweede Deel is uiteengezet (2-2 24e Kw. 11e Art.). Dus schijnt ook dit Sacrament de mens niet voor zonde te behoeden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, origo peccati in nobis est « lex peccati, quae est in membris nostris », ut patet per Apostolum Rom. 7. [v. 23]. Sed mitigatio fomitis, qui est lex peccati, non ponitur effectus hujus sacramenti, sed magis baptismi. Ergo praeservare a peccatis futuris non est effectus hujus sacramenti.

3. De oorsprong van de zonde is in ons « de wet van de zonde, die in onze ledematen is », zooals blijkt bij den Apostel (Rom. 7. 23). Nu wordt de vermindering van de begeerlijkheid, waarin de wet van de zonde bestaat, niet aangegeven als uitwerksel van dit Sacrament, maar veeleer als van het doopsel. Dus is voorbehoeding voor toekomstige zonden geen uitwerksel van dit Sacrament.3. De oorsprong van de zonde is in ons “de wet van de zonde, die in onze ledematen is”, zoals blijkt bij de Apostel (Rom. 7. 23). Nu wordt de vermindering van de begeerlijkheid, waarin de wet van de zonde bestaat, niet aangegeven als uitwerksel van dit Sacrament, maar veeleer als van het doopsel. Dus is voorbehoeding voor toekomstige zonden geen uitwerksel van dit Sacrament.

Sed contra est quod Dominus dicit Joan. 6. [v. 50] : « Hic est panis de coelo descendens, ut, si quis ex ipso manducaverit, non moriatur ». Quod quidem manifestum est non intelligi de morte corporali. Ergo intelligitur quod hoc sacramentum praeservet a morte spirituali quae est peccatum.

Daartegenover staat echter, dat de Heer zegt: « Dit is het brood, dat van den hemel nederdaalt, opdat wie daarvan eet niet sterve » (Joan. 6. 50) hetgeen duidelijk niet bedoeld wordt van den lichamelijken dood. Dus wordt bedoeld, dat dit Sacrament behoedt voor den geestelijken dood, welke juist door de zonde is.Daartegenover staat echter, dat de Heer zegt: “Dit is het brood, dat van de hemel nederdaalt, opdat wie daarvan eet niet sterve” (Joh. 6. 50) hetgeen duidelijk niet bedoeld wordt van de lichamelijke dood. Dus wordt bedoeld, dat dit Sacrament behoedt voor de geestelijke dood, welke juist door de zonde is.

Respondeo dicendum quod peccatum est quaedam spiritualis mors animae. Unde hoc modo praeservatur aliquis a peccato futuro, quo praeservatur corpus a morte futura. Quod quidem fit dupliciter. Uno modo, 245inquantum natura hominis interius roboratur contra interiora corruptiva: et sic praeservatur a morte per cibum et medicinam. Alio modo, per hoc quod munitur contra exteriores impugnationes: et sic praeservatur per arma quibus munitur corpus.

Leerstelling. — De zonde is als de geestelijke dood van de ziel. Dus wordt men zóó voor toekomstige zonde behoed, als het lichaam wordt behoed voor een toekomstigen dood. En dat 245gebeurt op twee wijzen. Vooreerst inzoover de natuur van den mensch innerlijk wordt versterkt tegen inwendige elementen van bederf, en wat dat betreft wordt de mensch voor de dood behoed door spijs en geneesmiddelen. Vervolgens inzoover hij wordt beveiligd tegen aanvallen van buiten, en wat dat betreft wordt hij behoed door wapenen, waarmee het lichaam wordt beveiligd.Leerstelling. — De zonde is als de geestelijke dood van de ziel. Dus wordt men zó voor toekomstige zonde behoed, als het lichaam wordt behoed voor een toekomstigen dood. En dat 245gebeurt op twee wijzen. Vooreerst inzover de natuur van de mens innerlijk wordt versterkt tegen inwendige elementen van bederf, en wat dat betreft wordt de mens voor de dood behoed door spijs en geneesmiddelen. Vervolgens inzover hij wordt beveiligd tegen aanvallen van buiten, en wat dat betreft wordt hij behoed door wapenen, waarmee het lichaam wordt beveiligd.

Utroque autem modo hoc sacramentum praeservat a peccato. Nam primo quidem, per hoc quod Christo conjungit per gratiam, roborat spiritualem vitam hominis, tanquam spiritualis cibus et spiritualis medicina, secundum illud Psalm. 103. [v. 15] : « Panis cor hominis confirmat ». Et Augustinus dicit super Joan. [tract. 26. n. 11.] : « Securus accede, panis est non venenum ». Alio modo, inquantum est quoddam signum passionis Christi, per quam victi sunt daemones: repellit omnem daemonum impugnationem. Unde Chrysostomus dicit super Joan. [hom. 45. n. 3.] : « Ut leones flammam spirantes, sic ab illa mensa discedimus terribiles effecti diabolo ».

Op beide wijzen dan behoedt dit Sacrament voor de zonde. Want vooreerst doet het, door met Christus in de genade te vereenigen, het geestelijk leven van den mensch sterker worden, als een geestelijke spijs en een geestelijk geneesmiddel, volgens het woord van het Boek der Psalmen (103. 15) : « Het brood versterkt het hart van den mensch ». En Augustinus zegt: « Kom gerust nader bij, het is brood, geen vergif ». Vervolgens weert het, als een teeken van Christus' lijden, waardoor de duivels overwonnen zijn, alle duivelsche aanvechting af. Daarom zegt Chrysostomus: « Als vuurspuwende leeuwen, zoo scheiden wij van deze tafel, schrikwekkend geworden voor den duivel ».Op beide wijzen dan behoedt dit Sacrament voor de zonde. Want vooreerst doet het, door met Christus in de genade te verenigen, het geestelijk leven van de mens sterker worden, als een geestelijke spijs en een geestelijk geneesmiddel, volgens het woord van het Boek van de Psalmen (103, 15)a: “Het brood versterkt het hart van de mens”. En Augustinus zegt: “Kom gerust nader bij, het is brood, geen vergif”. Vervolgens weert het, als een teken van Christus' lijden, waardoor de duivels overwonnen zijn, alle duivelse aanvechting af. Daarom zegt Chrysostomus: “Als vuurspuwende leeuwen, zo scheiden wij van deze tafel, schrikwekkend geworden voor de duivel”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod effectus hujus sacramenti recipitur in homine secundum hominis conditionem: sicut contingit de qualibet causa activa, quod ejus effectus recipitur in materia secundum modum materiae. 246Homo autem in statu viae est hujus conditionis quod liberum arbitrium ejus potest flecti in bonum et malum. Unde, licet hoc sacramentum, quantum est de se, habeat virtutem praeservativam a peccato, non tamen aufert homini possibilitatem peccandi.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het uitwerksel van dit Sacrament wordt in den mensch ontvangen volgens de gesteltenis van den mensch, zooals met betrekking tot iedere 246werkende oorzaak gebeurt, dat haar uitwerksel in de stof wordt ontvangen volgens de gesteldheid van de stof. Nu is de gesteltenis van den mensch op zijn pelgrimsreis deze, dat zijn vrije wil zich naar het goede en naar het kwade kan keeren. Hoewel dus dit Sacrament op zich genomen kracht heeft om voor de zonde te behoeden, neemt het toch voor den mensch de mogelijkheid tot zondigen niet weg.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het uitwerksel van dit Sacrament wordt in de mens ontvangen volgens de gesteltenis van de mens, zoals met betrekking tot iedere 246werkende oorzaak gebeurt, dat haar uitwerksel in de stof wordt ontvangen volgens de gesteldheid van de stof. Nu is de gesteltenis van de mens op zijn pelgrimsreis deze, dat zijn vrije wil zich naar het goede en naar het kwade kan keren. Hoewel dus dit Sacrament op zich genomen kracht heeft om voor de zonde te behoeden, neemt het toch voor de mens de mogelijkheid tot zondigen niet weg.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod etiam charitas, quantum est in se, praeservat hominem a peccato, secundum illud Rom. 13. [v. 10] : « Dilectio proximi malum non operatur ». Sed ex mutabilitate liberi arbitrii contingit, quod aliquis post habitam charitatem peccat: sicut et post susceptionem hujus sacramenti.

2. Op zich genomen behoedt ook de liefde den mensch voor de zonde, volgens het woord van den Brief aan de Romeinen (13. 10) : « De liefde tot den naaste doet geen kwaad » : maar het is door de veranderlijkheid van den vrijen wil, dat iemand na ontvangst van de liefde nog zondigt, zooals ook na ontvangst van dit Sacrament.2. Op zich genomen behoedt ook de liefde de mens voor de zonde, volgens het woord van de Brief aan de Romeinen (13, 10): “De liefde tot de naaste doet geen kwaad”: maar het is door de veranderlijkheid van de vrije wil, dat iemand na ontvangst van de liefde nog zondigt, zoals ook na ontvangst van dit Sacrament.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod licet hoc sacramentum non directe ordinetur ad diminutionem fomitis, diminuit tamen fomitem ex quadam consequentia, inquantum auget charitatem: quia, sicut Augustinus dicit in lib. 83. QQ. [q. 36.], « augmentum charitatis est diminutio cupiditatis ». Directe autem confirmat cor hominis in bono, per quod etiam praeservatur homo a peccato.

3. Al is dit Sacrament niet onmiddellijk gericht op de vermindering van de begeerlijkheid, vermindert het de begeerlijkheid toch langs een omweg, inzoover het de liefde vermeerdert, want, zooals Augustinus zegt: « de vermeerdering van de liefde is de vermindering van de begeerlijkheid ». Onmiddellijk echter versterkt het 's menschen hart in het goede, waardoor de mensch ook voor de zonde behoed wordt.3. Al is dit Sacrament niet onmiddellijk gericht op de vermindering van de begeerlijkheid, vermindert het de begeerlijkheid toch langs een omweg, inzover het de liefde vermeerdert, want, zoals Augustinus zegt: “de vermeerdering van de liefde is de vermindering van de begeerlijkheid”. Onmiddellijk echter versterkt het 's mensen hart in het goede, waardoor de mens ook voor de zonde behoed wordt.

Articulus VII

Utrum hoc sacramentum prosit aliis quam sumentibus

[Supr. art. 5; q. 78. art. 3. ad 8; 4. Dist. 12. q. 2. art. 2. qla. 2. ad 4; Dist. 45. q. 2. art. 3. qla. 1. ad 3; In Joan. cap. 6. lect. 6; 1 ad Cor. cap. 11. lect. 6.]
VIIe Artikel

Is dit Sacrament alleen nuttig voor hen die het ontvangen?

antwoord 1 ↓

247Ad septimum sic proceditur. Videtur quod hoc sacramentum non prosit nisi sumenti. Hoc enim sacramentum est unius generis cum aliis sacramentis, utpote aliis condivisum. Sed alia sacramenta non prosunt nisi sumentibus, sicut effectum baptismi non suscipit nisi baptizatus. Ergo nec hoc sacramentum prodest aliis, nisi sumenti.

247Bedenkingen. — Men beweert, dat dit Sacrament alleen nuttig is voor den ontvangende. — 1. Dit Sacrament is immers van hetzelfde geslacht als de andere sacramenten, als lid van de gemeenschappelijke verdeeling. Nu zijn de andere sacramenten alleen maar nuttig voor de ontvangenden, zooals alleen de gedoopte de uitwerking van het doopsel in zich krijgt. Dus is ook dit Sacrament alleen maar nuttig voor den ontvangende.247Bedenkingen. — Men beweert, dat dit Sacrament alleen nuttig is voor de ontvangende. — 1. Dit Sacrament is immers van hetzelfde geslacht als de andere sacramenten, als lid van de gemeenschappelijke verdeling. Nu zijn de andere sacramenten alleen maar nuttig voor de ontvangenden, zoals alleen de gedoopte de uitwerking van het doopsel in zich krijgt. Dus is ook dit Sacrament alleen maar nuttig voor de ontvangende.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, effectus hujus sacramenti est adeptio gratiae et gloriae, et remissio culpae, ad minus venialis. Si ergo hoc sacramentum haberet effectum in aliis quam in sumentibus, posset contingere quod aliquis adipisceretur et gratiam et gloriam et remissionem culpae, absque actione et passione propria, alio sumente vel offerente sacramentum.

2. Het uitwerksel van dit Sacrament is het verwerven van de genade en van de glorie en de kwijtschelding van de zonde, minstens van de dagelijksche zonde. Indien dus dit Sacrament uitwerking zou hebben ook buiten de ontvangers, zou het kunnen gebeuren, dat iemand én de genade én de glorie én de kwijtschelding van de zonde zou verkrijgen, zonder dat hij zelf iets doet of ondergaat, eenvoudig omdat een ander dit Sacrament ontvangt of opdraagt.2. Het uitwerksel van dit Sacrament is het verwerven van de genade en van de glorie en de kwijtschelding van de zonde, minstens van de dagelijkse zonde. Indien dus dit Sacrament uitwerking zou hebben ook buiten de ontvangers, zou het kunnen gebeuren, dat iemand én de genade én de glorie én de kwijtschelding van de zonde zou verkrijgen, zonder dat hij zelf iets doet of ondergaat, eenvoudig omdat een ander dit Sacrament ontvangt of opdraagt.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, multiplicata causa, multiplicatur effectus. Si ergo hoc 248sacramentum prodesset aliis quam sumentibus, sequeretur quod magis prodesset alicui si multi sumerent hoc sacramentum, multis1 hostiis in una missa consecratis, quod non habet Ecclesiae consuetudo: ut scilicet multi communicent pro alicujus salute. Non ergo videtur, quod hoc sacramentum prosit nisi sumenti.

3. Bij vermenigvuldiging van de oorzaak wordt het uitwerksel 248vermenigvuldigd. Indien dus dit Sacrament ook voor niet-ontvangers nuttig zou zijn, zou volgen, dat het voor iemand méér nut opleverde, wanneer dit Sacrament werd ontvangen met vele hosties — wat buiten de gewoonte van de Kerk ligt: dat nl. velen te communie gaan voor iemands welzijn. Dus schijnt dit Sacrament alleen maar nuttig te zijn voor den ontvanger.3. Bij vermenigvuldiging van de oorzaak wordt het uitwerksel 248vermenigvuldigd. Indien dus dit Sacrament ook voor niet-ontvangers nuttig zou zijn, zou volgen, dat het voor iemand méér nut opleverde, wanneer dit Sacrament werd ontvangen met vele hosties — wat buiten de gewoonte van de Kerk ligt: dat nl. velen te communie gaan voor iemands welzijn. Dus schijnt dit Sacrament alleen maar nuttig te zijn voor de ontvanger.

Sed contra est quod in celebratione hujus sacramenti fit pro multis deprecatio. Quod frustra fieret nisi hoc sacramentum aliis prodesset. Hoc ergo sacramentum non solum sumentibus prodest.

Daartegenover staat echter, dat bij de viering van dit Sacrament voor vele anderen wordt gebeden, hetgeen vruchteloos zou zijn, als dit Sacrament voor anderen geen nut had.

Respondeo dicendum quod, sicut prius dictum est [art. 5.], hoc sacramentum non solum est sacramentum, sed etiam est sacrificium. Inquantum enim in hoc sacramento repraesentatur passio Christi, quia Christus « obtulit se hostiam Deo », ut dicitur Ephes. 5. [v. 2], habet rationem sacrificii: inquantum vero in hoc sacramento traditur invisibilis gratia sub visibili specie, habet rationem sacramenti. Sic ergo hoc sacramentum sumentibus quidem 249prodest et per modum sacramenti et per modum sacrificii, quia pro omnibus sumentibus offertur. Dicitur enim in canone missae: « Quotquot ex hac altaris participatione sacrosanctum Filii tui corpus et sanguinem sumpserimus, omni benedictione coelesti et gratia repleamur ». Sed aliis, qui non sumunt, prodest per modum sacrificii, inquantum pro salute eorum offertur: unde et in canone missae dicitur: « Memento, Domine, famulorum famularumque tuarum, pro quibus tibi offerimus vel qui tibi offerunt hoc sacrificium laudis, pro se suisque omnibus, pro redemptione animarum suarum, pro spe salutis et incolumitatis suae ». Et utrumque modum proficiendi Dominus expressit, dicens Matth. 26 [v. 28] : « Qui pro vobis », scilicet sumentibus, « et pro multis », scilicet aliis, « effundetur in remissionem peccatorum ».

Leerstelling. — Zooals vroeger gezegd is (5e Art.), is dit Sacrament niet alleen Sacrament, maar is het ook Offer. Want inzoover in dit Sacrament een afbeelding tot stand komt van het lijden van Christus, waarin, gelijk in den Brief aan de Ephesiërs (5. 2) gezegd wordt, Christus « Zich als een offerlam aan God heeft opgedragen », heeft het het wezen van Offer; inzoover echter in dit Sacrament onzichtbare genade onder zichtbare gedaante wordt gegeven, heeft het het wezen van Sacrament. Voor de ontvangers dan is dit Sacrament nuttig én als Sacrament én ook als Offer, aangezien het wordt opgedragen voor allen, die 249het ontvangen. In den canon van de Mis wordt immers gezegd: « Mogen wij allen, die hier in deelname aan het altaar het hoogheilig Lichaam en Bloed van Uw Zoon ontvangen, van alle hemelsche zegening en genade vervuld worden ». — Maar voor de niet-ontvangers is het nuttig als Offer, inzoover het voor hun heil wordt opgedragen. Vandaar dat in den canon van de Mis gezegd wordt: « Gedenk, o Heer, uw dienaren en dienaressen, voor wie wij aan U opdragen of die zelf aan U opdragen dit Offer van lof, voor zich en al de hunnen, voor de verlossing van hun zielen, voor de hoop op hun heil en behoud ». Beide wijzen van voordeelig zijn heeft de Heer tot uitdrukking gebracht, toen Hij zeide (Matth. 26 28) : « Dat voor u » d. i. die ontvangen « en voor velen » d. i. anderen « zal vergoten worden tot vergiffenis der zonden ».Leerstelling. — Zoals vroeger gezegd is (5e Art.), is dit Sacrament niet alleen Sacrament, maar is het ook Offer. Want inzover in dit Sacrament een afbeelding tot stand komt van het lijden van Christus, waarin, gelijk in de Brief aan de Efesiërs (5, 2) gezegd wordt, Christus “Zich als een offerlam aan God heeft opgedragen”, heeft het het wezen van Offer; inzover echter in dit Sacrament onzichtbare genade onder zichtbare gedaante wordt gegeven, heeft het het wezen van Sacrament. Voor de ontvangers dan is dit Sacrament nuttig én als Sacrament én ook als Offer, aangezien het wordt opgedragen voor allen, die 249het ontvangen. In de canon van de Mis wordt immers gezegd: “Mogen wij allen, die hier in deelname aan het altaar het hoogheilig Lichaam en Bloed van Uw Zoon ontvangen, van alle hemelse zegening en genade vervuld worden”. — Maar voor de niet-ontvangers is het nuttig als Offer, inzover het voor hun heil wordt opgedragen. Vandaar dat in de canon van de Mis gezegd wordt: “Gedenk, o Heer, uw dienaren en dienaressen, voor wie wij aan U opdragen of die zelf aan U opdragen dit Offer van lof, voor zich en al de hunnen, voor de verlossing van hun zielen, voor de hoop op hun heil en behoud”. Beide wijzen van voordelig zijn heeft de Heer tot uitdrukking gebracht, toen Hij zeide (Matt. 26 28): “Dat voor u” d.i. die ontvangen “en voor velen” d.i. anderen “zal vergoten worden tot vergiffenis van de zonden”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod hoc sacramentum prae aliis habet quod est sacrificium. Et ideo non est similis ratio.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dit Sacrament heeft iets boven de andere sacramenten nl. dat het een Offer is; en dus gaat de vergelijking niet op.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod sicut passio Christi prodest quidem omnibus quantum ad sufficientiam, et2 ad remissionem culpae, et 250adeptionem gratiae et gloriae, sed effectum non habet nisi in illis qui passioni Christi conjunguntur per fidem, et charitatem; ita et hoc sacrificium quod est memoriale Dominicae passionis, non habet effectum nisi in illis qui conjunguntur huic sacramento per fidem et charitatem. Unde et Augustinus dicit ad Renatum [lib. 1. de Anima, cap. 9.] : « Quis offerat corpus Christi nisi pro his qui sunt membra Christi? » Unde et in canone missae non oratur pro his qui sunt extra Ecclesiam. Illis tamen prodest plus vel minus, secundum modum devotionis eorum.

2. Evenals het lijden van Christus op zich zelf genomen wel voldoende is om allen te strekken tot vergiffenis van de zonde en verwerving van de genade en de glorie, maar het toch zijn 250feitelijke uitwerking alleen heeft in degenen, die met het lijden van Christus in verbinding treden door het geloof en de liefde, zoo heeft ook dit Offer, de gedachtenis aan 's Heeren lijden, zijn feitelijke uitwerking alleen in degenen, die met dit Sacrament in verbinding treden door het geloof en de liefde. Daarom zegt Augustinus dan ook tot Renatus: « Wie zou het Lichaam van Christus opdragen voor anderen dan voor hen, die ledematen van Christus zijn? » Daarom wordt in den canon van de Mis ook niet gebeden voor hen, die buiten de Kerk zijn. Maar voor de genoemden is het Sacrament voordeelig in meerdere of mindere mate naar den graad van hun godsvrucht.2. Evenals het lijden van Christus op zichzelf genomen wel voldoende is om allen te strekken tot vergiffenis van de zonde en verwerving van de genade en de glorie, maar het toch zijn 250feitelijke uitwerking alleen heeft in degenen, die met het lijden van Christus in verbinding treden door het geloof en de liefde, zo heeft ook dit Offer, de gedachtenis aan 's Heren lijden, zijn feitelijke uitwerking alleen in degenen, die met dit Sacrament in verbinding treden door het geloof en de liefde. Daarom zegt Augustinus dan ook tot Renatus: “Wie zou het Lichaam van Christus opdragen voor anderen dan voor hen, die ledematen van Christus zijn?” Daarom wordt in de canon van de Mis ook niet gebeden voor hen, die buiten de Kerk zijn. Maar voor de genoemden is het Sacrament voordelig in meerdere of mindere mate naar de graad van hun godsvrucht.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod sumptio pertinet ad rationem sacramenti: sed oblatio pertinet ad rationem sacrificii. Et ideo ex hoc quod aliquis sumit corpus Christi, vel etiam plures, non accrescit aliis aliquod juvamentum. Similiter etiam ex hoc quod sacerdos plures hostias consecrat in una missa, non multiplicatur effectus hujus sacramenti, quia non est nisi unum sacrificium: nihil enim plus est virtutis in multis hostiis consecratis, quam in una, cum sub omnibus et sub una non sit nisi totus Christus. Unde nec si aliquis simul in una missa multas hostias consecratas sumat, participabit majorem 251effectum sacramenti. In pluribus vero missis multiplicatur sacrificii oblatio. Et ideo multiplicatur effectus sacrificii et sacramenti.

3. Het ontvangen is iets van het Sacrament, het opdragen is iets van het Offer. Met het feit, dat één of meerdere personen het Lichaam van Christus ontvangen, is een ander dus niet geholpen. Dat de priester in één Mis meerdere hosties consecreert, vermenigvuldigt ook niet het uitwerksel van dit Sacrament, want het blijft één Offer: in vele geconsecreerde hosties is er immers volstrekt niet méér kracht dan in ééne, daar onder alle en onder ééne niets méér en niets minder is dan de heele Christus. Vandaar ook dat wanneer één persoon vele in één Mis geconsecreerde hosties ontvangt, hij toch niet volmaakter aan de uitwerking van het Sacrament zal deelhebben. Maar als er meerdere Missen 251zijn, wordt het opdragen van het Offer vermenigvuldigd en wordt dus ook vermenigvuldigd het uitwerksel van het Offer en van het Sacrament.3. Het ontvangen is iets van het Sacrament, het opdragen is iets van het Offer. Met het feit, dat één of meerdere personen het Lichaam van Christus ontvangen, is een ander dus niet geholpen. Dat de priester in één Mis meerdere hosties consecreert, vermenigvuldigt ook niet het uitwerksel van dit Sacrament, want het blijft één Offer: in vele geconsecreerde hosties is er immers volstrekt niet méér kracht dan in één, daar onder alle en onder één niets méér en niets minder is dan de hele Christus. Vandaar ook dat wanneer één persoon vele in één Mis geconsecreerde hosties ontvangt, hij toch niet volmaakter aan de uitwerking van het Sacrament zal deelhebben. Maar als er meerdere Missen 251zijn, wordt het opdragen van het Offer vermenigvuldigd en wordt dus ook vermenigvuldigd het uitwerksel van het Offer en van het Sacrament.

Articulus VIII

Utrum per veniale peccatum impediatur effectus hujus sacramenti

[4. Dist. 12. q. 2. art. 1 qla. 3; art. 2. qla. 1. ad. 2.]
VIIIe Artikel

Wordt de uitwerking van dit Sacrament belet door de dagelijksche zonde?Wordt de uitwerking van dit Sacrament belet door de dagelijkse zonde?

antwoord 1 ↓

Ad octavum sic proceditur. Videtur quod per veniale peccatum non impediatur effectus hujus sacramenti. Dicit enim Augustinus super illud Joan. 6. [v. 49] : « Patres vestri manducaverunt manna »1, tract. 26. in Joan. n. 11 : « Panem coelestem spiritualiter manducate; innocentiam ad altare apportate; peccata, etsi sunt quotidiana, non sunt mortifera ». Ex quo patet quod venialia peccata, quae quotidiana dicuntur, spiritualem manducationem non impediunt. Sed spiritualiter manducantes effectum hujus sacramenti percipiunt. Ergo peccata venialia non impediunt effectum hujus sacramenti.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de uitwerking van dit Sacrament niet belet wordt door de dagelijksche zonde. — 1. Bij Joannes (6. 49) : « Uw vaders hebben het manna gegeten » wordt immers door Augustinus gezegd: « Een geestelijk brood moet gij geestelijk eten; brengt onschuld mee naar het altaar; uw zonden mogen misschien de gewone dagelijksche zijn, als ze maar niet doodbrengend zijn ». Hieruit blijkt dat de zgn. dagelijksche zonden geen beletsel vormen voor het geestelijk eten van dit Sacrament. Zij nu die geestelijk eten, worden aan de uitwerking van dit Sacrament deelachtig. Dus beletten de dagelijksche zonden de uitwerking van dit Sacrament niet.Bedenkingen. — Men beweert, dat de uitwerking van dit Sacrament niet belet wordt door de dagelijkse zonde. — 1. Bij Johannes (6, 49): “Uw vaders hebben het manna gegeten” wordt immers door Augustinus gezegd: “Een geestelijk brood moet gij geestelijk eten; brengt onschuld mee naar het altaar; uw zonden mogen misschien de gewone dagelijkse zijn, als ze maar niet doodbrengend zijn”. Hieruit blijkt dat de zgn. dagelijkse zonden geen beletsel vormen voor het geestelijk eten van dit Sacrament. Zij nu die geestelijk eten, worden aan de uitwerking van dit Sacrament deelachtig. Dus beletten de dagelijkse zonden de uitwerking van dit Sacrament niet.

antwoord 2 ↓

2522. Praeterea, hoc sacramentum non est minoris virtutis quam baptismus. Sed effectum baptismi, sicut supra dictum est [q. 69. art. 9. 10.], impedit sola fictio: ad quam non pertinent peccata venialia, quia, sicut Sap. 1. [v. 5] dicitur: « Spiritus Sanctus disciplinae effugiet fictum », qui tamen per peccata venialia non fugatur. Ergo neque effectum hujus sacramenti impediunt peccata venialia.

2522. Dit Sacrament heeft geen mindere kracht dan het doopsel. Nu wordt de uitwerking van het doopsel, zooals boven gezegd is (69e Kw. 9e en 10e Art.), alleen maar door veinzerij tegengehouden en met zoo iets hebben de dagelijksche zonden niets uit te staan, want, zooals in het Boek der Wijsheid (1. 5) gezegd wordt « de Heilige Geest van de tucht zal veinzerij ontvluchten ». terwijl zeker is, dat de H. Geest niet op de vlucht gedreven wordt door de dagelijksche zonden. Dus wordt ook de uitwerking van dit Sacrament niet tegengehouden door de dagelijksche zonden.2522. Dit Sacrament heeft geen mindere kracht dan het doopsel. Nu wordt de uitwerking van het doopsel, zoals boven gezegd is (69e Kw. 9e en 10e Art.), alleen maar door veinzerij tegengehouden en met zo iets hebben de dagelijkse zonden niets uit te staan, want, zoals in het Boek van de Wijsheid (1, 5) gezegd wordt “de Heilige Geest van de tucht zal veinzerij ontvluchten”. terwijl zeker is, dat de H. Geest niet op de vlucht gedreven wordt door de dagelijkse zonden. Dus wordt ook de uitwerking van dit Sacrament niet tegengehouden door de dagelijkse zonden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, nihil quod removetur per actionem alicujus causae, potest impedire ejus effectum. Sed peccata venialia tolluntur per hoc sacramentum. Ergo non impediunt ejus effectum.

3. Wat door de werking van een oorzaak wordt weggenomen, kan onmogelijk haar uitwerking beletten. Nu worden de dagelijksche zonden door dit Sacrament weggenomen. Dus beletten zij ook zijn werking niet.3. Wat door de werking van een oorzaak wordt weggenomen, kan onmogelijk haar uitwerking beletten. Nu worden de dagelijkse zonden door dit Sacrament weggenomen. Dus beletten zij ook zijn werking niet.

Sed contra est quod Damascenus dicit in 4. lib. [Orth. Fid. cap. 13.] : « Ignis ejus, quod in nobis est, desiderii, assumens eam, quae ex carbone [idest ex hoc sacramento] ignitionem, comburat nostra peccata, et illuminet corda nostra, ut participatione divini ignis igniamur et deificemur ». Sed ignis nostri desiderii vel amoris impeditur per peccata venialia, quae impediunt fervorem charitatis, ut in 2. habitum est [2-2. q. 24. art. 10 ; q. 54. 253art. 3.]. Ergo peccata venialia impediunt effectum hujus sacramenti.

Daartegenover staat echter, dat Damascenus zegt: « Het vuur van het in ons aanwezige verlangen, ontstoken door deze brandende kool d. i. dit Sacrament, zal onze zonden verteeren en onze harten verlichten, opdat wij door de deelname aan het goddelijk vuur in vuur mogen ontsteken en vergoddelijkt mogen worden ». Nu wordt het vuur van ons verlangen en onze liefde tegengewerkt door de dagelijksche zonden, die de vurigheid van de liefde verhinderen, zooals in het Tweede Deel is uiteengezet 253(II-II 24e Kw. 10e Art.; 54e Kw. 3e Art.). Dus beletten de dagelijksche zonden de uitwerking van dit Sacrament.Daartegenover staat echter, dat Damascenus zegt: “Het vuur van het in ons aanwezige verlangen, ontstoken door deze brandende kool d.i. dit Sacrament, zal onze zonden verteren en onze harten verlichten, opdat wij door de deelname aan het goddelijk vuur in vuur mogen ontsteken en vergoddelijkt mogen worden”. Nu wordt het vuur van ons verlangen en onze liefde tegengewerkt door de dagelijkse zonden, die de vurigheid van de liefde verhinderen, zoals in het Tweede Deel is uiteengezet 253(2-2 24e Kw. 10e Art.; 54e Kw. 3e Art.). Dus beletten de dagelijkse zonden de uitwerking van dit Sacrament.

Respondeo dicendum quod peccata venialia dupliciter accipi possunt: uno modo, prout sunt praeterita; alio modo, prout sunt actu exercita. Primo quidem modo, peccata venialia nullo modo impediunt effectum hujus sacramenti. Potest enim contingere quod aliquis post multa peccata venialia commissa devote accedat ad hoc sacramentum, et plenarie hujus sacramenti consequatur effectum.

Leerstelling. — De dagelijksche zonden kunnen op twee manieren beschouwd worden: vooreerst als vroeger bedreven, vervolgens als metterdaad bedreven. In de eerste beschouwing beletten de dagelijksche zonden volstrekt niet de uitwerking van dit Sacrament. Het kan immers gebeuren, dat iemand, na vele dagelijksche zonden bedreven te hebben, met godsvrucht tot dit Sacrament nadert en ten volle aan de uitwerking van dit Sacrament deelachtig wordt.Leerstelling. — De dagelijkse zonden kunnen op twee manieren beschouwd worden: vooreerst als vroeger bedreven, vervolgens als metterdaad bedreven. In de eerste beschouwing beletten de dagelijkse zonden volstrekt niet de uitwerking van dit Sacrament. Het kan immers gebeuren, dat iemand, na vele dagelijkse zonden bedreven te hebben, met godsvrucht tot dit Sacrament nadert en ten volle aan de uitwerking van dit Sacrament deelachtig wordt.

Secundo autem modo, peccata venialia non ex toto impediunt hujus sacramenti effectum, sed in parte. Dictum est enim [art. 1.], quod effectus hujus sacramenti non solum est adeptio habitualis gratiae vel charitatis, sed etiam quaedam actualis refectio spiritualis dulcedinis. Quae quidem impeditur si aliquis accedat ad hoc sacramentum per peccata venialia mente distractus. Non autem tollitur augmentum habitualis gratiae vel charitatis.

In de tweede beschouwing beletten de dagelijksche zonden niet geheel en al de uitwerking van dit Sacrament, maar wel ten deele. Er is immers gezegd (1e Art.), dat het uitwerksel van dit Sacrament niet alleen de verwerving van de genade en liefde als blijvende gesteldheden, maar ook een zekere dadelijke, in geestelijke zoetheid bestaande, verkwikking is en deze wordt verhinderd, als iemand tot dit Sacrament nadert met een door dagelijksche zonden verstrooiden geest; maar de vermeerdering van de genade en liefde als blijvende gesteldheden worden dan niet tegengehouden.In de tweede beschouwing beletten de dagelijkse zonden niet geheel en al de uitwerking van dit Sacrament, maar wel ten dele. Er is immers gezegd (1e Art.), dat het uitwerksel van dit Sacrament niet alleen de verwerving van de genade en liefde als blijvende gesteldheden, maar ook een zekere dadelijke, in geestelijke zoetheid bestaande, verkwikking is en deze wordt verhinderd, als iemand tot dit Sacrament nadert met een door dagelijkse zonden verstrooiden geest; maar de vermeerdering van de genade en liefde als blijvende gesteldheden worden dan niet tegengehouden.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod ille qui cum actu venialis peccati ad 254hoc sacramentum accedit, habitualiter quidem manducat spiritualiter, sed non actualiter. Et ideo habitualem effectum hujus sacramenti percipit. non autem actualem.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wie tot dit 254Sacrament nadert met een heeterdaad bedreven dagelijksche zonde, heeft de blijvende gesteldheid van geestelijk eten, maar niet de daad; daarom wordt hij wel deelachtig aan het in een blijvende gesteldheid bestaande uitwerksel van dit Sacrament, maar niet aan het dadelijke.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wie tot dit 254Sacrament nadert met een heterdaad bedreven dagelijkse zonde, heeft de blijvende gesteldheid van geestelijk eten, maar niet de daad; daarom wordt hij wel deelachtig aan het in een blijvende gesteldheid bestaande uitwerksel van dit Sacrament, maar niet aan het dadelijke.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod baptismus non ita ordinatur ad actualem effectum. idest fervorem charitatis, sicut hoc sacramentum. Nam baptismus est spiritualis regeneratio, per quam acquiritur prima perfectio, quae est habitus vel forma: hoc autem sacramentum est spiritualis manducatio, quae habet actualem delectationem.

2. Het doopsel is niet zóó als dit Sacrament gericht op een dadelijk uitwerksel d. i. de vurigheid van de liefde. Want het doopsel is een geestelijke hergeboorte, waardoor de eerste volmaaktheid, die een blijvende gesteldheid of een vorm is, verkregen wordt. Dit Sacrament echter is een geestelijk eten, hetgeen een dadelijk genot geeft.2. Het doopsel is niet zó als dit Sacrament gericht op een dadelijk uitwerksel d.i. de vurigheid van de liefde. Want het doopsel is een geestelijke hergeboorte, waardoor de eerste volmaaktheid, die een blijvende gesteldheid of een vorm is, verkregen wordt. Dit Sacrament echter is een geestelijk eten, hetgeen een dadelijk genot geeft.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod illa ratio procedit de venialibus praeteritis, quae per hoc sacramentum tolluntur.

3. Deze redeneering betrekt zich op de vroeger gebeurde dagelijksche zonden, die door dit Sacrament worden weggenomen.3. Deze redenering betrekt zich op de vroeger gebeurde dagelijkse zonden, die door dit Sacrament worden weggenomen.