De forma sacramenti Eucharistiae, in sex articulos divisa
Over den vorm van dit SacramentOver de vorm van dit Sacrament
182Deinde considerandum est de forma hujus sacramenti.
182Vervolgens dient de vorm van dit Sacrament te worden beschouwd.
Et circa hoc quaeruntur sex: 1. Quae sit forma hujus sacramenti. — 2. Utrum sit conveniens forma consecrationis panis. — 3. Utrum sit conveniens forma consecrationis sanguinis. — 4. De virtute utriusque formae. — 5. De veritate locutionis. — 6. De comparatione unius formae ad aliam.
Hieromtrent stellen wij zes vragen. 1. Wat is de vorm van dit Sacrament? 2. Is de vorm van de consecratie van het brood geschikt? 3. Is de vorm van de consecratie van het Bloed geschikt? 4. Over de kracht van de twee vormen. 5. Over de waarheid van het erin gezegde. 6. Over de vergelijking van den eenen vorm met den andere.Hieromtrent stellen wij zes vragen. 1. Wat is de vorm van dit Sacrament? 2. Is de vorm van de consecratie van het brood geschikt? 3. Is de vorm van de consecratie van het Bloed geschikt? 4. Over de kracht van de twee vormen. 5. Over de waarheid van het erin gezegde. 6. Over de vergelijking van de ene vorm met de andere.
Utrum haec sit forma hujus sacramenti: « Hoc est corpus meum », et: « Hic est calix sanguinis mei »
Is de vorm van dit Sacrament: Dit is Mijn Lichaam, en: Dit is de kelk van Mijn Bloed?
183Ad primum sic proceditur. Videtur quod haec non sit forma hujus sacramenti: « Hoc est corpus meum »: et « Hic est calix sanguinis mei ». Illa enim verba videntur pertinere ad formam hujus sacramenti, quibus Christus corpus suum et sanguinem consecravit. Sed Christus ante benedixit panem acceptum, et postea dixit: « Accipite et comedite: hoc est corpus meum », ut habetur Matth. 26. [v. 26] ; et similiter fecit de calice. Ergo praedicta verba non sunt forma hujus sacramenti.
183Bedenkingen. — Men beweert, dat de vorm van dit Sacrament niet is: « Dit is Mijn Lichaam », en: « Dit is de kelk van Mijn Bloed ». — 1. Immers schijnen tot den vorm van het Sacrament die woorden te behooren, waardoor Christus Zijn Lichaam en Bloed heeft geconsecreerd. Welnu, Christus heeft eerst het brood genomen en het gezegend en daarna pas gezegd: « Neemt en eet: Dit is Mijn Lichaam », zooals men vindt bij Mattheus (26. 26) ; en hetzelfde heeft Hij met den kelk gedaan. Dus zijn genoemde woorden niet de vorm van dit Sacrament.183Bedenkingen. — Men beweert, dat de vorm van dit Sacrament niet is: “Dit is Mijn Lichaam”, en: “Dit is de kelk van Mijn Bloed”. — 1. Immers schijnen tot de vorm van het Sacrament die woorden te behoren, waardoor Christus Zijn Lichaam en Bloed heeft geconsecreerd. Welnu, Christus heeft eerst het brood genomen en het gezegend en daarna pas gezegd: “Neemt en eet: Dit is Mijn Lichaam”, zoals men vindt bij Matteüs (26, 26); en hetzelfde heeft Hij met de kelk gedaan. Dus zijn genoemde woorden niet de vorm van dit Sacrament.
2. Praeterea, Eusebius Emissenus dicit [Pseudo-Hieron. Epist. 39.] quod « invisibilis sacerdos visibiles creaturas in suum corpus convertit, dicens: Accipite, et comedite; hoc est corpus meum ». Ergo totum hoc videtur pertinere ad formam hujus sacramenti. Et eadem ratio est de verbis pertinentibus ad sanguinem.
2. Eusebius Emesenus zegt, dat « de onzichtbare Priester zichtbare dingen van deze wereld in Zijn Lichaam verandert, zeggende: Neemt en eet, Dit is Mijn Lichaam ». Dus schijnt dit heele gezegde tot den vorm van het Sacrament te behooren. En hetzelfde geldt van de woorden, die het Bloed betreffen.2. Eusebius Emesenus zegt, dat “de onzichtbare Priester zichtbare dingen van deze wereld in Zijn Lichaam verandert, zeggende: Neemt en eet, Dit is Mijn Lichaam”. Dus schijnt dit hele gezegde tot de vorm van het Sacrament te behoren. En hetzelfde geldt van de woorden, die het Bloed betreffen.
1843. Praeterea, in forma baptismi exprimitur persona ministri et actus ejus, cum dicitur: « Ego te baptizo ». Sed in praemissis verbis nulla fit mentio de persona ministri nec de actu ejus. Ergo non est conveniens forma sacramenti.
1843. In den vorm van het doopsel wordt de persoon en de handeling van den bedienaar uitgedrukt met de woorden: « Ik doop in ». Nu wordt er in de aangegeven woorden volstrekt geen melding gemaakt van den persoon van den bedienaar noch van zijn handeling. Dus is dat geen geschikte vorm van het Sacrament.1843. In de vorm van het doopsel wordt de persoon en de handeling van de bedienaar uitgedrukt met de woorden: “Ik doop in”. Nu wordt er in de aangegeven woorden volstrekt geen melding gemaakt van de persoon van de bedienaar noch van zijn handeling. Dus is dat geen geschikte vorm van het Sacrament.
4. Praeterea, forma sacramenti sufficit ad perfectionem sacramenti: unde sacramentum baptismi quandoque perfici potest solis verbis formae prolatis, omnibus aliis praetermissis. Si ergo praedicta verba sunt forma hujus sacramenti, videtur quod aliquando possit hoc sacramentum perfici his solis verbis prolatis, et omnibus aliis praetermissis quae in missa dicuntur. Quod tamen videtur esse falsum; quia, ubi verba alia praetermitterentur, praedicta verba acciperentur ex persona sacerdotis proferentis, in cujus corpus et sanguinem panis et vinum non convertuntur. Non ergo praedicta verba sunt forma hujus sacramenti.
4. De vorm van een sacrament volstaat voor het tot stand komen van het sacrament: daarom is het mogelijk, dat het sacrament van het doopsel weleens wordt voltrokken door de woorden van den vorm alleen, met weglating van alle andere. Indien dus genoemde woorden de vorm van dit Sacrament zijn, schijnt het mogelijk, dat dit Sacrament weleens wordt voltrokken door deze woorden alleen, met weglating van alle andere, die in de Mis gezegd worden. Dit echter schijnt valsch te zijn: immers bij weglating van de andere woorden zouden genoemde woorden verstaan worden volgens den persoon van den priester, die ze uitspreekt — in wiens lichaam en bloed het brood en de wijn niet veranderd worden. Dus zijn genoemde woorden niet de vorm van dit Sacrament.4. De vorm van een sacrament volstaat voor het tot stand komen van het sacrament: daarom is het mogelijk, dat het sacrament van het doopsel weleens wordt voltrokken door de woorden van de vorm alleen, met weglating van alle andere. Indien dus genoemde woorden de vorm van dit Sacrament zijn, schijnt het mogelijk, dat dit Sacrament weleens wordt voltrokken door deze woorden alleen, met weglating van alle andere, die in de Mis gezegd worden. Dit echter schijnt vals te zijn: immers bij weglating van de andere woorden zouden genoemde woorden verstaan worden volgens de persoon van de priester, die ze uitspreekt — in wiens lichaam en bloed het brood en de wijn niet veranderd worden. Dus zijn genoemde woorden niet de vorm van dit Sacrament.
Sed contra est quod Ambrosius dicit in lib. 4. de Sacramentis [cap. 4.] : « Consecratio fit verbis et sermonibus Domini Jesu. Nam per reliqua omnia, 185quae dicuntur, laus Deo defertur, oratione petitur pro populo, pro regibus, pro caeteris. Ubi autem sacramentum conficitur, jam non suis sermonibus sacerdos utitur, sed utitur sermonibus Christi ». Ergo sermo Christi hoc conficit sacramentum.
Daartegenover staat echter, dat Ambrosius zegt: « De consecratie gebeurt door de woorden en uitdrukkingen van den Heer Jesus. Want in al de andere woorden, die gesproken worden, 185wordt aan God lof gebracht en wordt met smeekgebed gevraagd voor het volk, voor de koningen, voor allen. Maar als het Sacrament wordt voltrokken, dan gebruikt de priester niet meer zijn eigen woorden, maar gebruikt hij de woorden van Christus. Dus is het het woord van Christus, dat het Sacrament voltrekt ».Daartegenover staat echter, dat Ambrosius zegt: “De consecratie gebeurt door de woorden en uitdrukkingen van de Heer Jesus. Want in al de andere woorden, die gesproken worden, 185wordt aan God lof gebracht en wordt met smeekgebed gevraagd voor het volk, voor de koningen, voor allen. Maar als het Sacrament wordt voltrokken, dan gebruikt de priester niet meer zijn eigen woorden, maar gebruikt hij de woorden van Christus. Dus is het het woord van Christus, dat het Sacrament voltrekt”.
Respondeo dicendum quod hoc sacramentum ab aliis sacramentis differt in duobus. Primo quidem, quantum ad hoc quod hoc sacramentum perficitur in consecratione materiae: alia vero sacramenta perficiuntur in usu materiae consecratae. Secundo, quia in aliis sacramentis consecratio materiae consistit solum in quadam benedictione, ex qua materia consecrata accipit instrumentaliter quandam spiritualem virtutem, quae per ministrum, qui est instrumentum animatum, potest ad instrumenta inanimata procedere. Sed in hoc sacramento consecratio materiae consistit in quadam miraculosa conversione substantiae, quae a solo Deo perfici potest. Unde minister in hoc sacramento perficiendo non habet alium actum nisi prolationem verborum.
Leerstelling. — Dit Sacrament verschilt van de andere sacramenten in twee opzichten. Vooreerst inzoover dit Sacrament voltrokken wordt bij de consecratie van de stof, terwijl de andere sacramenten voltrokken worden bij het gebruik van de geconsecreerde stof. — Ten tweede inzoover de consecratie van de stof bij de andere sacramenten alleen maar bestaat in een zekere zegening, waardoor de geconsecreerde stof een soort geestelijke werktuigelijke kracht ontvangt, die door den bedienaar, het bezielde werktuig, naar de onbezielde werktuigen kan toevloeien. Maar bij dit Sacrament bestaat de consecratie van de stof in een wonderbare verandering van de zelfstandigheid, die alleen door God tot stand gebracht kan worden. Daarom heeft de bedienaar bij het tot stand brengen van dit Sacrament geen andere handeling dan het uitspreken van de woorden.Leerstelling. — Dit Sacrament verschilt van de andere sacramenten in twee opzichten. Vooreerst inzover dit Sacrament voltrokken wordt bij de consecratie van de stof, terwijl de andere sacramenten voltrokken worden bij het gebruik van de geconsecreerde stof. — Ten tweede inzover de consecratie van de stof bij de andere sacramenten alleen maar bestaat in een zekere zegening, waardoor de geconsecreerde stof een soort geestelijke werktuigelijke kracht ontvangt, die door de bedienaar, het bezielde werktuig, naar de onbezielde werktuigen kan toevloeien. Maar bij dit Sacrament bestaat de consecratie van de stof in een wonderbare verandering van de zelfstandigheid, die alleen door God tot stand gebracht kan worden. Daarom heeft de bedienaar bij het tot stand brengen van dit Sacrament geen andere handeling dan het uitspreken van de woorden.
Et quia forma debet esse conveniens rei, ideo forma hujus sacramenti 186differt a formis aliorum sacramentorum in duobus. Primo quidem, quia formae aliorum sacramentorum important usum materiae, puta baptizationem vel consignationem: sed forma hujus sacramenti importat solam consecrationem materiae, quae in transsubstantiatione consistit; puta cum dicitur: « Hoc est corpus meum », vel: « Hic est calix sanguinis mei ». Secundo, quia formae aliorum sacramentorum proferuntur ex persona ministri: sive per modum exercentis actum, sicut cum dicitur: « Ego te baptizo », vel: « Ego te confirmo », etc.; sive per modum imperantis, sicut cum in sacramento ordinis dicitur: « Accipe potestatem », etc.; sive per modum deprecantis, sicut cum in sacramento extremae unctionis dicitur: « Per istam unctionem, et nostram intercessionem », etc. Sed forma hujus sacramenti profertur quasi ex persona ipsius Christi loquentis; ut detur intelligi quod minister in perfectione hujus sacramenti nihil agit nisi quod profert verba Christi.
En omdat nu de vorm moet passen bij het ding, daarom verschilt de vorm van dit Sacrament in twee opzichten van de vormen 186der andere sacramenten. Vooreerst inzoover de vormen van de andere sacramenten het gebruik van de stof aangeven b.v. het doopen of het teekenen, terwijl de vorm van dit Sacrament alleen maar de consecratie van de stof, die een zelfstandigheidsverandering is, aangeeft, met de woorden: « Dit is Mijn Lichaam » of « Dit is de kelk van Mijn Bloed ». — Ten tweede inzoover de vormen van de andere sacramenten worden uitgesproken in den persoon van den bedienaar, hetzij als handelend b.v. bij de woorden: « Ik doop u » of « Ik vorm u », hetzij als bevelend, zooals bij het sacrament van het priesterschap wordt gezegd: « Ontvang de macht » enz., hetzij als smeekend, zooals wanneer bij het sacrament van het laatste oliesel wordt gezegd: « Door deze zalving en onze tusschenkomst » enz. Maar de vorm van dit Sacrament wordt gebezigd in den persoon van Christus Zelf, die spreekt, opdat zoo te verstaan gegeven worde, dat de bedienaar bij het tot stand brengen van dit Sacrament niets doet dan alleen maar de woorden van Christus bezigen.En omdat nu de vorm moet passen bij het ding, daarom verschilt de vorm van dit Sacrament in twee opzichten van de vormen 186van de andere sacramenten. Vooreerst inzover de vormen van de andere sacramenten het gebruik van de stof aangeven bv. het dopen of het tekenen, terwijl de vorm van dit Sacrament alleen maar de consecratie van de stof, die een zelfstandigheidsverandering is, aangeeft, met de woorden: “Dit is Mijn Lichaam” of “Dit is de kelk van Mijn Bloed”. — Ten tweede inzover de vormen van de andere sacramenten worden uitgesproken in de persoon van de bedienaar, hetzij als handelend bv. bij de woorden: “Ik doop u” of “Ik vorm u”, hetzij als bevelend, zoals bij het sacrament van het priesterschap wordt gezegd: “Ontvang de macht” enz., hetzij als smekend, zoals wanneer bij het sacrament van het laatste oliesel wordt gezegd: “Door deze zalving en onze tussenkomst” enz. Maar de vorm van dit Sacrament wordt gebezigd in de persoon van Christus Zelf, die spreekt, opdat zo te verstaan gegeven worde, dat de bedienaar bij het tot stand brengen van dit Sacrament niets doet dan alleen maar de woorden van Christus bezigen.
Ad primum ergo dicendum quod circa hoc est multiplex opinio. Quidam enim dixerunt quod Christus, qui habebat potestatem excellentiae in 187sacramentis, absque omni forma verborum hoc sacramentum perfecit; et postea verba protulit sub quibus alii postmodum consecrarent. Quod videntur sonare verba Innocentii III. dicentis [lib. 4. de Myster. Missae, cap. 6.] : « Sane dici potest quod Christus virtute divina confecit, et postea formam expressit sub qua posteri benedicerent ». Sed contra hoc expresse sunt verba Evangelii, in quibus dicitur quod Christus benedixit. Quae quidem benedictio aliquibus verbis facta est. Unde praedicta verba Innocentii sunt opinative magis dicta quam determinative.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hierover zijn vele meeningen. Sommigen immers hebben beweerd, dat Christus, die een voorrang van bediening in zake de sacramenten bezat, zonder 187een enkel woord als vorm dit Sacrament heeft voltrokken en dat Hij daarna de woorden heeft gezegd, waarmee anderen later zouden consecreeren. Dat schijnt de bedoeling te zijn van de woorden van Innocentius III, die zegt: « Zonder twijfel kan men beweren, dat Christus door goddelijke kracht de Eucharistie heeft voltrokken en dat Hij daarna den vorm heeft uitgesproken, die het nageslacht zou dienen tot zegenspreuk ». Maar hiertegen zijn heel duidelijk de woorden van het Evangelie, in welke gezegd wordt, dat Christus zegende, wat met woorden moet zijn gebeurd. Voornoemde woorden van Innocentius zijn daarom méér bij wijze van gissing dan als beslissende uitspraak naar voren gebracht. —Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hierover zijn vele meningen. Sommigen immers hebben beweerd, dat Christus, die een voorrang van bediening in zake de sacramenten bezat, zonder 187een enkel woord als vorm dit Sacrament heeft voltrokken en dat Hij daarna de woorden heeft gezegd, waarmee anderen later zouden consecreren. Dat schijnt de bedoeling te zijn van de woorden van Innocentius III, die zegt: “Zonder twijfel kan men beweren, dat Christus door goddelijke kracht de Eucharistie heeft voltrokken en dat Hij daarna de vorm heeft uitgesproken, die het nageslacht zou dienen tot zegenspreuk”. Maar hiertegen zijn heel duidelijk de woorden van het Evangelie, in welke gezegd wordt, dat Christus zegende, wat met woorden moet zijn gebeurd. Voornoemde woorden van Innocentius zijn daarom méér bij wijze van gissing dan als beslissende uitspraak naar voren gebracht. —
Quidam autem dixerunt quod benedictio illa facta est quibusdam aliis verbis nobis ignotis. Sed nec hoc stare potest. Quia benedictio consecrationis nunc perficitur per recitationem eorum quae tunc acta sunt. Unde si tunc per haec verba non est facta consecratio, nec modo fieret. Et ideo alii dixerunt quod illa benedictio eisdem etiam verbis facta est quibus modo fit, sed Christus ea bis protulit: primo quidem secrete, ad consecrandum: secundo manifeste ad instruendum. Sed nec hoc stare potest. Quia sacerdos consecrat proferens haec verba, non ut a Christo in occulta benedictione dicta, sed ut 188publice prolata. Unde, cum non habeant vim hujusmodi verba nisi ex Christi prolatione, videtur quod etiam Christus manifeste ea proferens consecraverit.
Sommigen hebben dan beweerd, dat die zegening gebeurd is met eenige andere, ons onbekende, woorden. Maar ook dat kan geen stand houden, omdat de zegening van de consecratie nu voltrokken wordt door het verhaal van wat toen is geschied; gesteld dus dat door deze woorden de consecratie toen niet heeft plaats gehad, dan ook nu niet. — Daarom hebben anderen gezegd, dat die zegening heeft plaats gehad met juist dezelfde woorden als nu, maar dat Christus ze tweemaal heeft gesproken, eerst zacht om te consecreeren, daarna luidop om ons te leeren. Doch ook dát kan geen stand houden, want de priester consecreert door deze woorden uit te spreken, niet als door Christus bij een geheime 188zegening gebezigd, maar als openlijk gezegd. Gegeven dus dat deze woorden geen kracht hebben dan alleen maar uit het gebruik ervan door Christus, schijnt ook Christus geconsecreerd te hebben door het luidop uitspreken van deze woorden.Sommigen hebben dan beweerd, dat die zegening gebeurd is met enige andere, ons onbekende, woorden. Maar ook dat kan geen stand houden, omdat de zegening van de consecratie nu voltrokken wordt door het verhaal van wat toen is geschied; gesteld dus dat door deze woorden de consecratie toen niet heeft plaats gehad, dan ook nu niet. — Daarom hebben anderen gezegd, dat die zegening heeft plaats gehad met juist dezelfde woorden als nu, maar dat Christus ze tweemaal heeft gesproken, eerst zacht om te consecreren, daarna luidop om ons te leren. Doch ook dát kan geen stand houden, want de priester consecreert door deze woorden uit te spreken, niet als door Christus bij een geheime 188zegening gebezigd, maar als openlijk gezegd. Gegeven dus dat deze woorden geen kracht hebben dan alleen maar uit het gebruik ervan door Christus, schijnt ook Christus geconsecreerd te hebben door het luidop uitspreken van deze woorden.
Et ideo alii dixerunt quod Evangelistae non semper eumdem ordinem in recitando servaverunt quo res sunt gestae: ut patet per Augustinum in lib. 2. de Consensu Evang. [cap. 21, 30, 44.]. Unde intelligendum est ordinem rei gestae sic exprimi posse: « Accipiens panem benedixit, dicens: Hoc est corpus meum, et deinde fregit, et dedit discipulis suis ». Sed idem sensus haberi potest etiam verbis Evangelii non mutatis. Nam hoc participium « dicens », concomitantiam quamdam importat verborum prolatorum ad ea quae praecedunt. Non autem oportet quod haec concomitantia intelligatur solum respectu ultimi verbi prolati, quasi Christus tunc ista verba protulerit quando dedit discipulis suis; sed potest intelligi concomitantia respectu totius praecedentis, ut sit sensus: Dum benediceret et frangeret, et daret discipulis suis, haec verba dixit: « Accipite », etc.
— Anderen dan ook hebben gezegd, dat de evangelisten bij het verhalen niet altijd dezelfde orde in acht hebben genomen, als waarin de dingen gebeurd zijn, zooals blijkt bij Augustinus. Men kan zich daarom de orde der gebeurtenissen aldus uitgedrukt denken: « Het brood nemende zegende Hij het, zeggende: « Dit is Mijn Lichaam », en daarna brak Hij het en gaf Hij het aan Zijn leerlingen ». Men kan evenwel denzelfden zin krijgen, óók zonder verandering van de woorden van het Evangelie. Want dit deelwoord « zeggende » geeft een zekere gelijktijdigheid aan van de gesproken woorden met datgene wat voorafgaat. Nu is het niet noodig deze gelijktijdigheid alleen maar te verstaan ten opzichte van het laatst uitgesproken woord, alsof Christus die woorden heeft gesproken, toen Hij ronddeelde: men kan de gelijktijdigheid ook verstaan ten opzichte van alles wat voorafging, zoodat de zin wordt: Terwijl Hij zegende, brak en aan Zijn leerlingen gaf, zeide Hij deze woorden: « Neemt » enz.— Anderen dan ook hebben gezegd, dat de evangelisten bij het verhalen niet altijd dezelfde orde in acht hebben genomen, als waarin de dingen gebeurd zijn, zoals blijkt bij Augustinus. Men kan zich daarom de orde van de gebeurtenissen aldus uitgedrukt denken: “Het brood nemende zegende Hij het, zeggende: ‘Dit is Mijn Lichaam’, en daarna brak Hij het en gaf Hij het aan Zijn leerlingen”. Men kan evenwel dezelfde zin krijgen, óók zonder verandering van de woorden van het Evangelie. Want dit deelwoord “zeggende” geeft een zekere gelijktijdigheid aan van de gesproken woorden met datgene wat voorafgaat. Nu is het niet nodig deze gelijktijdigheid alleen maar te verstaan ten opzichte van het laatst uitgesproken woord, alsof Christus die woorden heeft gesproken, toen Hij ronddeelde: men kan de gelijktijdigheid ook verstaan ten opzichte van alles wat voorafging, zodat de zin wordt: Terwijl Hij zegende, brak en aan Zijn leerlingen gaf, zeide Hij deze woorden: “Neemt” enz.
Ad secundum dicendum quod in his verbis: « Accipite et comedite » intelligitur usus materiae consecratae, qui non est de necessitate hujus 189sacramenti, ut supra habitum est [q. 74. art. 7.]. Et ideo nec haec verba sunt de substantia formae. Quia tamen ad quamdam perfectionem sacramenti pertinet materiae consecratae usus, sicut operatio non est prima, sed secunda perfectio rei: ideo per omnia ista verba exprimitur tota perfectio hujus sacramenti. Et hoc modo Eusebius intellexit his verbis confici sacramentum, quantum ad primam et secundam perfectionem ipsius.
2. Deze woorden « Neemt en eet » geven het gebruik aan van de geconsecreerde stof, dat niet tot het wezen van dit 189Sacrament behoort, zooals boven is uiteengezet (74e Kw. 7e Art.). Daarom behooren deze woorden ook niet tot het wezen van den vorm. Omdat echter het gebruik van de geconsecreerde stof een zekere volkomenheid van het Sacrament inhoudt, zooals de werking van een ding niet zijn eerste maar zijn tweede volkomenheid is, daarom wordt door al die woorden te zamen heel de volkomenheid van dit Sacrament uitgedrukt: en op die manier heeft Eusebius bedoeld, dat door deze woorden het Sacrament voltrokken wordt wat betreft zijn eerste én tweede volkomenheid.2. Deze woorden “Neemt en eet” geven het gebruik aan van de geconsecreerde stof, dat niet tot het wezen van dit 189Sacrament behoort, zoals boven is uiteengezet (74e Kw. 7e Art.). Daarom behoren deze woorden ook niet tot het wezen van de vorm. Omdat echter het gebruik van de geconsecreerde stof een zekere volkomenheid van het Sacrament inhoudt, zoals de werking van een ding niet zijn eerste maar zijn tweede volkomenheid is, daarom wordt door al die woorden te zamen heel de volkomenheid van dit Sacrament uitgedrukt: en op die manier heeft Eusebius bedoeld, dat door deze woorden het Sacrament voltrokken wordt wat betreft zijn eerste én tweede volkomenheid.
Ad tertium dicendum quod in sacramento baptismi minister aliquem actum exercet circa usum materiae, qui est de essentia sacramenti: quod non est in hoc sacramento. Et ideo non est similis ratio.
3. Bij het sacrament des doopsels verricht de bedienaar een handeling met betrekking tot het gebruik van de stof, dat tot het wezen van het sacrament behoort. Dit laatste is echter niet het geval in dit Sacrament en dus gaat de vergelijking niet op.3. Bij het sacrament van het doopsel verricht de bedienaar een handeling met betrekking tot het gebruik van de stof, dat tot het wezen van het sacrament behoort. Dit laatste is echter niet het geval in dit Sacrament en dus gaat de vergelijking niet op.
Ad quartum dicendum quod quidam dixerunt hoc sacramentum perfici non posse praedictis verbis prolatis et aliis praetermissis, praecipue quae sunt in canone missae. Sed hoc patet esse falsum. Tum ex verbis Ambrosii supra inductis [in arg. Sed cont.]. Tum etiam quia canon missae non est idem apud omnes, nec secundum omnia tempora, sed diversa sunt a diversis apposita.
4. Sommigen hebben beweerd, dat dit Sacrament niet kan voltrokken worden door het uitspreken van de genoemde woorden met weglating van de andere, vooral van die, welke in den canon van de Mis staan. Maar dit blijkt onjuist te zijn, zoowel uit de boven aangehaalde woorden van Ambrosius (in de Tegenbed.), alsook omdat de canon van de Mis niet bij allen en in alle tijden dezelfde is, maar er door verschillende menschen verschillende toevoegingen zijn gedaan.4. Sommigen hebben beweerd, dat dit Sacrament niet kan voltrokken worden door het uitspreken van de genoemde woorden met weglating van de andere, vooral van die, welke in de canon van de Mis staan. Maar dit blijkt onjuist te zijn, zowel uit de boven aangehaalde woorden van Ambrosius (in de Tegenbed.), alsook omdat de canon van de Mis niet bij allen en in alle tijden dezelfde is, maar er door verschillende mensen verschillende toevoegingen zijn gedaan.
Unde dicendum est quod, si sacerdos sola verba praedicta proferret cum 190intentione conficiendi hoc sacramentum, perficeretur hoc sacramentum: quia intentio faceret ut haec verba intelligerentur quasi ex persona Christi prolata, etiam si verbis praecedentibus hoc non recitaretur. Graviter tamen peccaret sacerdos sic conficiens hoc sacramentum, utpote ritum Ecclesiae non servans. Nec est simile de baptismo, quod est sacramentum necessitatis: defectum autem hujus sacramenti potest supplere spiritualis manducatio, sicut Augustinus dicit.
Derhalve moet men zeggen, dat wanneer de priester alleen maar de genoemde woorden zou uitspreken 190met de bedoeling dit Sacrament te voltrekken, dit Sacrament zou voltrokken worden, omdat de bedoeling zou maken, dat deze woorden den zin zouden hebben van gezegd te worden in den persoon van Christus, ook al zou dit niet aangegeven worden door de voorafgaande woorden; maar de priester, die zóó dit Sacrament voltrok, zou zwaar zondigen wegens niet onderhouden van den ritus van de Kerk. De vergelijking met het doopsel gaat niet op, omdat het doopsel een noodzakelijk sacrament is, terwijl in de afwezigheid van dit Sacrament het geestelijk eten kan voorzien, zooals Augustinus zegt.Derhalve moet men zeggen, dat wanneer de priester alleen maar de genoemde woorden zou uitspreken 190met de bedoeling dit Sacrament te voltrekken, dit Sacrament zou voltrokken worden, omdat de bedoeling zou maken, dat deze woorden de zin zouden hebben van gezegd te worden in de persoon van Christus, ook al zou dit niet aangegeven worden door de voorafgaande woorden; maar de priester, die zó dit Sacrament voltrok, zou zwaar zondigen wegens niet onderhouden van de ritus van de Kerk. De vergelijking met het doopsel gaat niet op, omdat het doopsel een noodzakelijk sacrament is, terwijl in de afwezigheid van dit Sacrament het geestelijk eten kan voorzien, zoals Augustinus zegt.
Utrum haec sit conveniens forma consecrationis panis: « Hoc est corpus meum »
Is dit een geschikte vorm van de consecratie van het brood: Dit is Mijn Lichaam?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod haec non sit conveniens forma consecrationis panis: « Hoc est corpus meum ». Per formam enim 191sacramenti debet exprimi sacramenti effectus. Sed effectus qui fit in consecratione panis, est conversio substantiae panis in corpus Christi, quae magis exprimitur per hoc verbum « fit », quam per hoc verbum « est ». Ergo in forma consecrationis deberet dici: « Hoc fit corpus meum ».
Bedenkingen. — Men beweert, dat dit niet een geschikte vorm van de consecratie van het brood is: « Dit is Mijn Lichaam ». — 1. Door den vorm van een sacrament moet immers het uitwerksel van het sacrament worden uitgedrukt. Nu is het uitwerksel, dat bij de consecratie van het brood tot stand komt, 191de verandering van de zelfstandigheid van het brood in het Lichaam van Christus, welke verandering beter uitgedrukt wordt door het woord « wordt » dan door het woord « is ». Dus moest in den vorm van de consecratie gezegd worden: « Dit wordt Mijn Lichaam ».Bedenkingen. — Men beweert, dat dit niet een geschikte vorm van de consecratie van het brood is: “Dit is Mijn Lichaam”. — 1. Door de vorm van een sacrament moet immers het uitwerksel van het sacrament worden uitgedrukt. Nu is het uitwerksel, dat bij de consecratie van het brood tot stand komt, 191de verandering van de zelfstandigheid van het brood in het Lichaam van Christus, welke verandering beter uitgedrukt wordt door het woord “wordt” dan door het woord “is”. Dus moest in de vorm van de consecratie gezegd worden: “Dit wordt Mijn Lichaam”.
2. Praeterea, Ambrosius dicit in lib. 4. de Sacramentis [cap. 4.] : « Sermo Christi hoc conficit sacramentum. Quis sermo Christi? Hic quo facta sunt omnia: Jussit Dominus et facta sunt coeli et terra ». Ergo et forma hujus sacramenti convenientior esset per verbum imperativum, ut diceretur: « Hoc sit corpus meum ».
2. Ambrosius zegt: « Het woord van Christus voltrekt dit Sacrament. Welk woord van Christus? Datgene waardoor alle dingen gemaakt zijn. De Heer beval en de hemelen en de aarde zijn gemaakt ». Dus zou het ook voor den vorm van dit Sacrament geschikter zijn, als de bevelende wijs werd gebruikt b.v. als er gezegd werd: « Dit zij Mijn Lichaam ».2. Ambrosius zegt: “Het woord van Christus voltrekt dit Sacrament. Welk woord van Christus? Datgene waardoor alle dingen gemaakt zijn. De Heer beval en de hemelen en de aarde zijn gemaakt”. Dus zou het ook voor de vorm van dit Sacrament geschikter zijn, als de bevelende wijs werd gebruikt bv. als er gezegd werd: “Dit zij Mijn Lichaam”.
3. Praeterea, per subjectum hujus locutionis importatur illud quod convertitur: sicut per praedicatum importatur conversionis terminus. Sed, sicut est determinatum id in quod fit conversio, non enim fit conversio nisi in corpus Christi, ita est determinatum id quod convertitur, non enim convertitur in corpus Christi nisi panis. Ergo sicut ex parte praedicati ponitur nomen, ita ex parte subjecti debet poni nomen, ut dicatur: « Hic panis est corpus meum ».
3. Het onderwerp van dezen zin houdt het veranderende ding in, terwijl het gezegde het eindpunt van de verandering inhoudt. Zooals nu datgene bepaald is, waarop de verandering uitloopt (de verandering immers loopt alleen maar uit op het Lichaam van Christus), zoo is ook het veranderde ding bepaald (immers alleen het brood verandert in het Lichaam van Christus). Zooals derhalve in het gezegde een naamwoord wordt gebruikt, zoo moest ook bij het onderwerp een naamwoord gebruikt worden door b.v. te zeggen: « Dit brood is Mijn Lichaam ».3. Het onderwerp van deze zin houdt het veranderende ding in, terwijl het gezegde het eindpunt van de verandering inhoudt. Zoals nu datgene bepaald is, waarop de verandering uitloopt (de verandering immers loopt alleen maar uit op het Lichaam van Christus), zo is ook het veranderde ding bepaald (immers alleen het brood verandert in het Lichaam van Christus). Zoals derhalve in het gezegde een naamwoord wordt gebruikt, zo moest ook bij het onderwerp een naamwoord gebruikt worden door bv. te zeggen: “Dit brood is Mijn Lichaam”.
4. Praeterea, sicut id in quod terminatur conversio est determinatae 192naturae, quia est corpus, ita etiam est determinatae personae. Ergo, sicut ad determinandam naturam dicitur corpus, ita1 ad determinandam personam deberet dici: « Hoc est corpus Christi ».
4. Datgene, waarin de verandering eindigt, heeft een bepaalde 192natuur (het is immers een Lichaam), maar het behoort ook tot een bepaalden Persoon. Zooals er derhalve « Lichaam » gezegd wordt om de natuur aan te geven, zoo moest er ook om den Persoon aan te geven gezegd worden: « Dit is het Lichaam van Christus ».4. Datgene, waarin de verandering eindigt, heeft een bepaalde 192natuur (het is immers een Lichaam), maar het behoort ook tot een bepaalden Persoon. Zoals er derhalve “Lichaam” gezegd wordt om de natuur aan te geven, zo moest er ook om de Persoon aan te geven gezegd worden: “Dit is het Lichaam van Christus”.
5. Praeterea, in verbis formae non debet poni aliquid quod non sit de substantia ejus. Inconvenienter ergo additur in quibusdam libris haec conjunctio « enim », quae non est de substantia formae.
5. In de woorden van den vorm moet niet iets gezegd worden, wat niet tot het wezen ervan behoort. Dus is het verkeerd, dat in sommige boeken de toevoeging « want » gedaan wordt, welke niet tot het wezen van den vorm behoort.5. In de woorden van de vorm moet niet iets gezegd worden, wat niet tot het wezen ervan behoort. Dus is het verkeerd, dat in sommige boeken de toevoeging “want” gedaan wordt, welke niet tot het wezen van de vorm behoort.
Sed contra est quod Dominus hac forma in consecrando est usus, ut patet Matth. 26. [v. 26].
Daartegenover staat echter, dat de Heer bij het consecreeren dezen vorm heeft gebruikt, zooals blijkt bij Mattheus (26. 26).Daartegenover staat echter, dat de Heer bij het consecreren deze vorm heeft gebruikt, zoals blijkt bij Matteüs (26, 26).
Respondeo dicendum quod haec est conveniens forma consecrationis panis. Dictum est enim [art. praec.], quod haec consecratio consistit in conversione substantiae panis in corpus Christi. Oportet autem formam sacramenti significare id quod in sacramento efficitur. Unde et forma consecrationis panis debet significare ipsam conversionem panis in corpus Christi. 193In qua tria considerantur: scilicet ipsa conversio, et terminus a quo, et terminus ad quem.
Leerstelling. — Dit is een geschikte vorm van de consecratie van het brood. Er is immers gezegd (vorig Art.), dat deze consecratie bestaat in de verandering van de zelfstandigheid van het brood in het Lichaam van Christus. Nu moet de vorm van een sacrament beteekenen datgene, wat in het sacrament wordt uitgewerkt. Daarom moet ook de vorm van de consecratie van het brood juist de verandering beteekenen van het brood in het Lichaam van Christus, bij welke verandering men op drie zaken 193moet letten t.w. op de verandering zelf, het eindpunt en het uitgangspunt.Leerstelling. — Dit is een geschikte vorm van de consecratie van het brood. Er is immers gezegd (vorig Art.), dat deze consecratie bestaat in de verandering van de zelfstandigheid van het brood in het Lichaam van Christus. Nu moet de vorm van een sacrament betekenen datgene, wat in het sacrament wordt uitgewerkt. Daarom moet ook de vorm van de consecratie van het brood juist de verandering betekenen van het brood in het Lichaam van Christus, bij welke verandering men op drie zaken 193moet letten t.w. op de verandering zelf, het eindpunt en het uitgangspunt.
Conversio autem potest considerari dupliciter: uno modo, ut in fieri; alio modo, ut in facto esse. Non autem debuit significari conversio in hac forma ut in fieri, sed ut in facto esse. Primo quidem, quia haec conversio non est successiva, ut supra dictum est [q. 75. art. 7.], sed instantanea: in hujusmodi autem mutationibus fieri non est nisi factum esse. Secundo, quia ita se habent formae sacramentales ad significandum effectum sacramenti, sicut se habent formae artificiales ad representandum effectum artis. Forma autem artificialis est similitudo ultimi effectus in quem fertur intentio artificis: sicut forma artis in mente aedificatoris est forma domus aedificatae principaliter, aedificationis autem per consequens. Unde et in hac forma debet exprimi conversio ut in facto esse, ad quod fertur intentio.
De verandering kan op twee manieren beschouwd worden: vooreerst als in wording, vervolgens als in geworden zijn. Nu moest in dezen vorm de verandering niet worden beteekend als in wording maar als in geworden zijn: op de eerste plaats, omdat deze verandering niet geleidelijk geschiedt zooals boven is gezegd (75e Kw. 7e Art.), maar ineens; en bij zulke veranderingen is worden niets anders dan geworden zijn. Ten tweede omdat de sacramenteele vormen op dezelfde wijze het uitwerksel van het sacrament uitbeelden als kunstvormen het werkstuk van de kunst uitbeelden. Nu is de kunstvorm de gelijkenis van het uiteindelijk werkstuk, waarop zich de bedoeling van den kunstenaar richt, zooals b.v. de kunstvorm in het verstand van den bouwer voornamelijk de vorm is van het afgebouwde huis en slechts gevolgelijk van den aanbouw. Daarom moet ook in den onderhavigen vorm de verandering worden aangegeven als in geworden zijn, want daarop richt zich de bedoeling.De verandering kan op twee manieren beschouwd worden: vooreerst als in wording, vervolgens als in geworden zijn. Nu moest in deze vorm de verandering niet worden betekend als in wording maar als in geworden zijn: op de eerste plaats, omdat deze verandering niet geleidelijk geschiedt zoals boven is gezegd (75e Kw. 7e Art.), maar ineens; en bij zulke veranderingen is worden niets anders dan geworden zijn. Ten tweede omdat de sacramentele vormen op dezelfde wijze het uitwerksel van het sacrament uitbeelden als kunstvormen het werkstuk van de kunst uitbeelden. Nu is de kunstvorm de gelijkenis van het uiteindelijk werkstuk, waarop zich de bedoeling van de kunstenaar richt, zoals bv. de kunstvorm in het verstand van de bouwer voornamelijk de vorm is van het afgebouwde huis en slechts gevolgelijk van de aanbouw. Daarom moet ook in de onderhavige vorm de verandering worden aangegeven als in geworden zijn, want daarop richt zich de bedoeling.
Et quia ipsa conversio exprimitur in hac forma ut in facto esse, necesse est quod extrema conversionis significentur ut se habent in facto esse conversionis. Tunc autem terminus ad quem habet propriam naturam suae 194substantiae: sed terminus a quo non manet secundum suam substantiam, sed solum secundum accidentia, quibus sensui subjacet, et ad sensum determinari potest. Unde convenienter terminus conversionis a quo exprimitur per pronomen demonstrativum relatum ad accidentia sensibilia, quae manent. Terminus autem ad quem exprimitur per nomen significans naturam ejus in quod fit conversio: quod quidem est totum corpus Christi, et non sola caro ejus, ut dictum est [q. 76. art. 1. ad 2.]. Unde haec forma est convenientissima: « Hoc est corpus meum ».
— En omdat de verandering zelf in dezen vorm wordt aangegeven als in geworden zijn, moeten de uitersten van de verandering zóó beteekend worden, als zij zich bevinden bij het geworden zijn van de verandering. Dan echter heeft het eindpunt zijn eigen zelfstandige natuur, het uitgangspunt evenwel blijft niet volgens 194zijn eigen zelfstandigheid maar slechts volgens de bijkomstigheden, waardoor het zintuigelijk waarneembaar is, en naar zintuigelijken indruk kan bepaald worden. Derhalve wordt het uitgangspunt van de verandering terecht aangegeven met het aanwijzend voornaamwoord, dat zich betrekt op de blijvende zintuigelijk waarneembare bijkomstigheden, terwijl het eindpunt wordt aangegeven met een naam, die de natuur beteekent van datgene, waarin de verandering plaats heeft t.w. het geheele Lichaam van Christus, niet alleen Zijn Vleesch, zooals gezegd is (76e Kw. 1e Art. 2e Antw.). Dus is deze vorm zeer geschikt: « Dit is Mijn Lichaam ».— En omdat de verandering zelf in deze vorm wordt aangegeven als in geworden zijn, moeten de uitersten van de verandering zó betekend worden, als zij zich bevinden bij het geworden zijn van de verandering. Dan echter heeft het eindpunt zijn eigen zelfstandige natuur, het uitgangspunt evenwel blijft niet volgens 194zijn eigen zelfstandigheid maar slechts volgens de bijkomstigheden, waardoor het zintuigelijk waarneembaar is, en naar zintuigelijke indruk kan bepaald worden. Derhalve wordt het uitgangspunt van de verandering terecht aangegeven met het aanwijzend voornaamwoord, dat zich betrekt op de blijvende zintuigelijk waarneembare bijkomstigheden, terwijl het eindpunt wordt aangegeven met een naam, die de natuur betekent van datgene, waarin de verandering plaats heeft t.w. het gehele Lichaam van Christus, niet alleen Zijn Vlees, zoals gezegd is (76e Kw. 1e Art. 2e Antw.). Dus is deze vorm zeer geschikt: “Dit is Mijn Lichaam”.
Ad primum ergo dicendum quod fieri non est ultimus effectus hujus consecrationis, sed factum esse, ut dictum est [in corp.]. Et ideo hoc potius exprimi debet in forma.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Worden is niet het laatste uitwerksel van deze consecratie; dat is geworden zijn, zooals gezegd is (in de Leerst.) en daarom moet veeleer dat in den vorm uitgedrukt worden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Worden is niet het laatste uitwerksel van deze consecratie; dat is geworden zijn, zoals gezegd is (in de Leerst.) en daarom moet veeleer dat in de vorm uitgedrukt worden.
Ad secundum dicendum quod sermo Dei operatus est in creatione rerum, qui etiam operatur in hac consecratione: aliter tamen et aliter. Nam hic operatur effective, et2 sacramentaliter, idest secundum vim significationis. Et ideo oportet in hoc sermone significari ultimum effectum 195consecrationis per verbum substantivum indicativi modi et praesentis temporis. Sed in creatione rerum operatus est solum effective; quae quidem efficientia est per imperium suae sapientiae. Et ideo in creatione rerum exprimitur sermo divinus per verbum imperativi modi: secundum illud Gen. 1. [v. 3] : « Fiat lux, et facta est lux ».
2. Het woord van God heeft gewerkt bij de schepping der dingen en werkt ook in deze consecratie maar niet op gelijke wijze; want hier werkt het als een uitwerkende oorzaak en tevens sacramenteel d.w.z. volgens de draagkracht van de beteekenis, en daarom moet in dit woord het laatste uitwerksel van de 195consecratie beteekend worden door een zelfstandig naamwoord, de aangevende wijs en den tegenwoordigen tijd. Bij de schepping der dingen echter heeft het alleen als een uitwerkende oorzaak gewerkt, wat gebeurt door het bevel Zijner Wijsheid; en daarom wordt bij de schepping der dingen het goddelijk woord uitgedrukt in de bevelende wijs, zooals in het Boek der Schepping (1. 3) : « Het worde licht; en het licht is geworden ».2. Het woord van God heeft gewerkt bij de schepping van de dingen en werkt ook in deze consecratie maar niet op gelijke wijze; want hier werkt het als een uitwerkende oorzaak en tevens sacramenteel d.w.z. volgens de draagkracht van de betekenis, en daarom moet in dit woord het laatste uitwerksel van de 195consecratie betekend worden door een zelfstandig naamwoord, de aangevende wijs en de tegenwoordige tijd. Bij de schepping van de dingen echter heeft het alleen als een uitwerkende oorzaak gewerkt, wat gebeurt door het bevel Van zijn Wijsheid; en daarom wordt bij de schepping van de dingen het goddelijk woord uitgedrukt in de bevelende wijs, zoals in het Boek van de Schepping (1, 3): “Het worde licht; en het licht is geworden”.
Ad tertium dicendum quod terminus a quo in ipso facto esse conversionis non retinet naturam suae substantiae, sicut terminus ad quem. Et ideo non est simile.
3. Het uitgangspunt behoudt bij het geworden zijn van de verandering zijn eigen zelfstandige natuur niet, zooals dit wel het geval is met het eindpunt. En dus gaat de vergelijking niet op.3. Het uitgangspunt behoudt bij het geworden zijn van de verandering zijn eigen zelfstandige natuur niet, zoals dit wel het geval is met het eindpunt. En dus gaat de vergelijking niet op.
Ad quartum dicendum quod per hoc pronomen « meum », quod includit demonstrationem primae personae, quae est persona loquentis, sufficienter exprimitur persona Christi, ex cujus persona haec proferuntur, ut dictum est [art. praec.].
4. Door dat voornaamwoord: « Mijn », dat den eersten persoon aanwijst, d.w.z. den persoon van den spreker, wordt voldoende uitgedrukt de Persoon van Christus, waarin deze woorden worden gesproken, zooals gezegd is (vorig Art.).4. Door dat voornaamwoord: “Mijn”, dat de eerste persoon aanwijst, d.w.z. de persoon van de spreker, wordt voldoende uitgedrukt de Persoon van Christus, waarin deze woorden worden gesproken, zoals gezegd is (vorig Art.).
Ad quintum dicendum quod haec conjunctio « enim » apponitur in hac forma secundum consuetudinem Romanae Ecclesiae, a beato Petro apostolo derivatam. Et hoc propter continuationem ad verba praecedentia. Et ideo non est de forma: sicut nec verba praecedentia formam.
5. Dit voegwoord « want » wordt er in dezen vorm bij gezegd volgens het gebruik van de Romeinsche Kerk, dat afkomstig is van den H. Apostel Petrus; de opzet is om het verband uit te drukken met de voorafgaande woorden; daarom hoort het ook niet bij den vorm evenmin als de woorden, die aan den vorm voorafgaan.5. Dit voegwoord “want” wordt er in deze vorm bij gezegd volgens het gebruik van de Romeinse Kerk, dat afkomstig is van de H. Apostel Petrus; de opzet is om het verband uit te drukken met de voorafgaande woorden; daarom hoort het ook niet bij de vorm evenmin als de woorden, die aan de vorm voorafgaan.
Utrum haec sit conveniens forma consecrationis vini: « Hic est calix sanguinis mei », etc.
Is dit een geschikte vorm van de consecratie van den wijn: Dit is de Kelk van Mijn Bloed?Is dit een geschikte vorm van de consecratie van de wijn: Dit is de Kelk van Mijn Bloed?
196Ad tertium sic proceditur. Videtur quod haec non sit conveniens forma consecrationis vini: « Hic est calix sanguinis mei, novi et aeterni Testamenti, mysterium fidei, qui pro vobis et pro multis effundetur in remissionem peccatorum ». Sicut enim panis convertitur in corpus Christi ex vi consecrationis, ita et vinum in sanguinem Christi, sicut ex praedictis patet [q. 76. art. 1, 2.]. Sed in forma consecrationis panis ponitur in recto corpus Christi, nec aliquid aliud additur. Inconvenienter ergo in hac forma ponitur sanguis Christi in obliquo, et additur calix in recto, cum dicitur: « Hic est calix sanguinis mei ».
196Bedenkingen. — Men beweert, dat dit niet een geschikte vorm is van de consecratie van den wijn: « Dat is de kelk van Mijn Bloed, van het Nieuw en eeuwig Testament, het geheim des geloofs, dat voor u en voor velen zal vergoten worden tot vergiffenis van de zonden ». — 1. Want zooals het brood verandert in het Lichaam van Christus uit kracht van de consecratie, zoo ook de wijn in het Bloed van Christus, gelijk uit het bovenstaande blijkt (76e Kw. 1e, 2e Art.). Nu wordt in den vorm van de consecratie van het brood rechtstreeks gesproken van het Lichaam van Christus en zonder bijvoeging van iets anders. Dus wordt in dezen vorm ten onrechte onrechtstreeks gesproken van het Bloed van Christus en wordt er in rechtstreekschen vorm iets bijgezet van den kelk, aldus: « Dit is de kelk van Mijn Bloed ».196Bedenkingen. — Men beweert, dat dit niet een geschikte vorm is van de consecratie van de wijn: “Dat is de kelk van Mijn Bloed, van het Nieuw en eeuwig Testament, het geheim van het geloof, dat voor u en voor velen zal vergoten worden tot vergiffenis van de zonden”. — 1. Want zoals het brood verandert in het Lichaam van Christus uit kracht van de consecratie, zo ook de wijn in het Bloed van Christus, gelijk uit het bovenstaande blijkt (76e Kw. 1e, 2e Art.). Nu wordt in de vorm van de consecratie van het brood rechtstreeks gesproken van het Lichaam van Christus en zonder bijvoeging van iets anders. Dus wordt in deze vorm ten onrechte onrechtstreeks gesproken van het Bloed van Christus en wordt er in rechtstreekse vorm iets bijgezet van de kelk, aldus: “Dit is de kelk van Mijn Bloed”.
2. Praeterea, non sunt majoris efficaciae verba quae proferuntur in 197consecratione panis quam ea quae proferuntur in consecratione vini: cum utraque sint verba Christi. Sed statim dicto: « Hoc est corpus meum », est perfecta consecratio panis. Ergo statim cum dictum est: « Hic est calix sanguinis mei » est perfecta consecratio sanguinis. Et ita ea quae sequuntur, non videntur esse de substantia formae: praesertim cum pertineant ad proprietates hujus sacramenti.
2. De woorden bij de consecratie van het brood gesproken hebben geen grootere kracht dan die welke worden gesproken bij de 197consecratie van den wijn, daar ze alle twee woorden van Christus zijn. Nu is de consecratie van het brood af, zoodra er gezegd is: « Dit is Mijn Lichaam ». Dus is ook de consecratie van het Bloed af, zoodra er gezegd is: « Dit is de kelk van Mijn Bloed »; en derhalve schijnen de nog volgende woorden niet tot het wezen van den vorm te behooren, temeer omdat zij zich betrekken op de eigenschappen van dit Sacrament.2. De woorden bij de consecratie van het brood gesproken hebben geen grotere kracht dan die welke worden gesproken bij de 197consecratie van de wijn, daar ze alle twee woorden van Christus zijn. Nu is de consecratie van het brood af, zodra er gezegd is: “Dit is Mijn Lichaam”. Dus is ook de consecratie van het Bloed af, zodra er gezegd is: “Dit is de kelk van Mijn Bloed”; en derhalve schijnen de nog volgende woorden niet tot het wezen van de vorm te behoren, temeer omdat zij zich betrekken op de eigenschappen van dit Sacrament.
3. Praeterea, Testamentum novum pertinere videtur ad internam inspirationem, ut patet ex hoc quod Apostolus ad Hebr. 8 [v. 8, 10] introducit verba quae habentur Jerem. 31. [v. 31, 33] : « Consummabo super domum Israël testamentum novum, dando leges meas in mentem eorum ». Sacramentum autem exterius visibiliter agitur. Inconvenienter ergo in forma sacramenti dicitur: « Novi Testamenti ».
3. Het Nieuw Testament schijnt iets te zijn van innerlijke inspraken, zooals hieruit blijkt dat de Apostel (Hebr. 8. 8, 10) de woorden van Jeremias (31. 31, 33) aanhaalt: « Ik zal over het huis van Israël een Nieuw Testament voltrekken... doordat Ik Mijn wetten in hun harten geef ». Een sacrament wordt daarentegen uitwendig zichtbaar voltrokken. Dus wordt verkeerdelijk in den vorm van dit Sacrament gezegd: « van het Nieuw Testament ».3. Het Nieuw Testament schijnt iets te zijn van innerlijke inspraken, zoals hieruit blijkt dat de Apostel (Hebr. 8. 8, 10) de woorden van Jeremia (31, 31, 33) aanhaalt: “Ik zal over het huis van Israël een Nieuw Testament voltrekken... doordat Ik Mijn wetten in hun harten geef”. Een sacrament wordt daarentegen uitwendig zichtbaar voltrokken. Dus wordt verkeerdelijk in de vorm van dit Sacrament gezegd: “van het Nieuw Testament”.
4. Praeterea, « novum » dicitur aliquid ex eo quod est prope principium sui esse. Aeternum autem non habet principium sui esse. Ergo inconvenienter dicitur « novi et aeterni » : quia videtur contradictionem implicare.
4. Iets wordt nieuw genoemd, omdat het dicht bij het begin van zijn bestaan is. Maar het eeuwige heeft geen begin van zijn bestaan. Dus wordt verkeerdelijk gezegd: « van het Nieuw en eeuwig », hetgeen een tegenspraak schijnt in te houden.4. Iets wordt nieuw genoemd, omdat het dicht bij het begin van zijn bestaan is. Maar het eeuwige heeft geen begin van zijn bestaan. Dus wordt verkeerdelijk gezegd: “van het Nieuw en eeuwig”, hetgeen een tegenspraak schijnt in te houden.
5. Praeterea, occasiones erroris sunt hominibus subtrahendae, secundum illud Isa. 57. [v. 14]: « Auferte offendicula de via populi mei ». 198Sed quidam erraverunt aestimantes mystice solum esse corpus et sanguinem Christi in hoc sacramento. Ergo in hac forma inconvenienter ponitur: « Mysterium fidei ».
5. Men moet de aanleidingen tot dwaling van de menschen wegnemen, volgens Isaïas (57. 14) : « Verwijdert de steenen des 198aanstoots van den weg van Mijn volk ». Nu hebben sommigen gedwaald door te denken, dat het Lichaam en Bloed van Christus alleen maar op mystieke wijze in dit Sacrament tegenwoordig is. Dus wordt in dezen vorm verkeerdelijk gezegd: « het geheim des geloofs ».5. Men moet de aanleidingen tot dwaling van de mensen wegnemen, volgens Jesaja (57, 14): “Verwijdert de stenen des 198aanstoots van de weg van Mijn volk”. Nu hebben sommigen gedwaald door te denken, dat het Lichaam en Bloed van Christus alleen maar op mystieke wijze in dit Sacrament tegenwoordig is. Dus wordt in deze vorm verkeerdelijk gezegd: “het geheim van het geloof”.
6. Praeterea, supra dictum est [q. 73. art. 3. ad 3; q. 74. art. 4. ad 3.], quod sicut baptismus est sacramentum fidei, ita Eucharistia est sacramentum charitatis. Ergo in hac forma magis debet poni charitas quam fides.
6. Zooals boven gezegd is (73e Kw. 3e Art. 3e Antw.; 74e Kw. 4e Art. 3e Antw.), is de Eucharistie het « Sacrament van de liefde », gelijk het doopsel « het sacrament van het geloof » is. Dus moet in dezen vorm eerder gesproken worden van de liefde dan van het geloof.6. Zoals boven gezegd is (73e Kw. 3e Art. 3e Antw.; 74e Kw. 4e Art. 3e Antw.), is de Eucharistie het “Sacrament van de liefde”, gelijk het doopsel “het sacrament van het geloof” is. Dus moet in deze vorm eerder gesproken worden van de liefde dan van het geloof.
7. Praeterea, totum hoc sacramentum, et quantum ad corpus et quantum ad sanguinem, est memoriale Dominicae passionis, secundum illud 1. Corinth. 11. [v. 26]: « Quotiescumque manducabitis panem hunc et calicem bibetis, mortem Domini annuntiabitis ». Non ergo magis debuit in forma consecrationis sanguinis fieri mentio de passione Christi et ejus fructu, quam in forma consecrationis corporis: praesertim cum Luc. 22. [v. 19]. Dominus dixerit: « Hoc est corpus meum, quod pro vobis tradetur ».
7. Dit Sacrament is in zijn geheel, zoowel wat het Lichaam als wat het Bloed betreft, een herinnering aan het lijden des Heeren, volgens den Eersten Brief aan de Corinthiërs (11. 26) : « Zoo dikwijls gij dit brood zult eten en den kelk zult drinken, zult gij den dood des Heeren verkondigen ». Dus had in den vorm van de consecratie van het Bloed niet méér melding gemaakt moeten worden van het lijden des Heeren en de vruchten ervan dan in de consecratie van het Lichaam, temeer daar de Heer gezegd heeft (Luc. 22. 19) : « Dit is Mijn Lichaam, dat voor u zal worden overgeleverd ».7. Dit Sacrament is in zijn geheel, zowel wat het Lichaam als wat het Bloed betreft, een herinnering aan het lijden van de Heer, volgens de Eerste Brief aan de Korintiërs (11, 26): “Zo dikwijls gij dit brood zult eten en de kelk zult drinken, zult gij de dood van de Heer verkondigen”. Dus had in de vorm van de consecratie van het Bloed niet méér melding gemaakt moeten worden van het lijden van de Heer en de vruchten ervan dan in de consecratie van het Lichaam, temeer daar de Heer gezegd heeft (Luk. 22. 19): “Dit is Mijn Lichaam, dat voor u zal worden overgeleverd”.
8. Praeterea, passio Christi, ut supra habitum est [q. 48. art. 2; q. 49. 199art. 3.], ad sufficientiam profuit omnibus, quantum vero ad efficientiam profuit multis. Debuit ergo dici: « Qui effundetur pro omnibus », aut « pro multis », sine hoc quod adderetur « pro vobis ».
8. Het lijden van Christus was, zooals boven is uiteengezet (48e Kw. 2e Art.; 49e Kw. 3e Art.), op zich voldoende om 199allen ten voordeel te strekken en het was feitelijk voldoende voor velen. Dus had moeten gezegd worden: « dat vergoten zal worden voor allen » of « voor velen », zonder de toevoeging: « voor u ».8. Het lijden van Christus was, zoals boven is uiteengezet (48e Kw. 2e Art.; 49e Kw. 3e Art.), op zich voldoende om 199allen ten voordeel te strekken en het was feitelijk voldoende voor velen. Dus had moeten gezegd worden: “dat vergoten zal worden voor allen” of “voor velen”, zonder de toevoeging: “voor u”.
9. Praeterea, verba quibus hoc sacramentum conficitur, efficaciam habent ex institutione Christi. Sed nullus Evangelista recitat Christum haec omnia verba dixisse. Ergo haec non est conveniens forma consecrationis vini.
9. De woorden, waarmee dit Sacrament wordt voltrokken, ontleenen hun kracht aan de instelling door Christus. Nu verhaalt geen enkele evangelist, dat Christus al deze woorden heeft gezegd. Dus is dit niet een geschikte vorm van de consecratie van den wijn.9. De woorden, waarmee dit Sacrament wordt voltrokken, ontlenen hun kracht aan de instelling door Christus. Nu verhaalt geen enkele evangelist, dat Christus al deze woorden heeft gezegd. Dus is dit niet een geschikte vorm van de consecratie van de wijn.
Sed contra est quod Ecclesia ab apostolis instructa utitur hac forma in consecratione vini.
Daartegenover staat echter, dat de Kerk, door de Apostelen onderwezen, dezen vorm gebruikt bij de consecratie van den wijn.Daartegenover staat echter, dat de Kerk, door de Apostelen onderwezen, deze vorm gebruikt bij de consecratie van de wijn.
Respondeo dicendum quod circa hanc formam est duplex opinio. Quidam enim dixerunt quod de substantia formae hujus est hoc solum quod dicitur: « Hic est calix sanguinis mei », non autem ea quae sequuntur. Sed hoc videtur inconveniens: quia ea quae sequuntur, sunt quaedam determinationes praedicati, idest sanguinis Christi; unde pertinent ad integritatem ejusdem locutionis.
Leerstelling. — Met betrekking tot dezen vorm zijn er twee meeningen. Sommigen immers hebben beweerd, dat tot het wezen van dezen vorm alleen maar de woorden behooren: « Dit is de kelk van Mijn Bloed », niet echter de volgende. Maar dit schijnt onjuist, want de volgende woorden zijn een nadere bepaling van het gezegde d. i. van het Bloed van Christus; dus behooren zij tot de volledigheid van het gesprokene.Leerstelling. — Met betrekking tot deze vorm zijn er twee meningen. Sommigen immers hebben beweerd, dat tot het wezen van deze vorm alleen maar de woorden behoren: “Dit is de kelk van Mijn Bloed”, niet echter de volgende. Maar dit schijnt onjuist, want de volgende woorden zijn een nadere bepaling van het gezegde d.i. van het Bloed van Christus; dus behoren zij tot de volledigheid van het gesprokene.
Et propter hoc sunt alii qui melius dicunt quod omnia sequentia sunt de 200substantia formae usque ad hoc quod postea sequitur: « Haec quotiescumque feceritis », quod pertinet ad usum hujus sacramenti. unde non est de substantia formae. Et inde est quod sacerdos eodem ritu et modo, scilicet tenendo calicem in manibus, omnia haec verba profert. Luc. etiam 22. [v. 20] interponuntur verba sequentia verbis praemissis, cum dicitur: « Hic calix novum testamentum est in meo sanguine ».
Daarom wordt 200door anderen juister gezegd, dat al wat volgt tot het wezen van den vorm behoort, tot aan de later komende woorden: « Zoodikwijls gij dit doen zult », wat op het gebruik van dit Sacrament slaat en daarom niet tot het wezen van den vorm behoort. Vandaar dat de priester al deze woorden uitspreekt onder denzelfden ritus en dezelfde handeling d.w.z. terwijl hij den kelk vasthoudt. Bij Lucas (22. 20) worden ook de latere woorden vermengd met de voorafgaande, als er gezegd wordt: « Deze kelk is het Nieuwe Verbond in Mijn Bloed ».Daarom wordt 200door anderen juister gezegd, dat al wat volgt tot het wezen van de vorm behoort, tot aan de later komende woorden: “Zoodikwijls gij dit doen zult”, wat op het gebruik van dit Sacrament slaat en daarom niet tot het wezen van de vorm behoort. Vandaar dat de priester al deze woorden uitspreekt onder dezelfde ritus en dezelfde handeling d.w.z. terwijl hij de kelk vasthoudt. Bij Lukas (22, 20) worden ook de latere woorden vermengd met de voorafgaande, als er gezegd wordt: “Deze kelk is het Nieuwe Verbond in Mijn Bloed”.
Dicendum est ergo quod omnia praedicta verba sunt de substantia formae: sed per prima verba, cum dicitur: « Hic est calix sanguinis mei », significatur ipsa conversio vini in sanguinem, eo modo quo dictum est [art. praec.] in forma consecrationis panis; per verba autem sequentia designatur virtus sanguinis effusi in passione, quae operatur in hoc sacramento. Quae quidem ad tria ordinatur. Primo quidem, et principaliter, ad adipiscendam aeternam haereditatem: secundum illud Hebr. 10. [v. 19]: « Habentes fiduciam in introitu sanctorum per sanguinem eius ». Et ad hoc designandum dicitur: « Novi et aeterni Testamenti ». Secundo, ad justitiam gratiae quae est per fidem: secundum illud Rom. 3. [v. 25, 26] : « Quem proposuit Deus 201propitiatorem per fidem in sanguine ipsius, ut sit ipse justus et justificans eum qui ex fide est Jesu Christi ». Et quantum ad hoc subditur: « Mysterium fidei ». Tertio autem, ad removendum impedimenta utriusque praedictorum, scilicet peccata: secundum illud Hebr. 9. [v. 14] : « Sanguis Christi emundabit conscientias nostras ab operibus mortuis », idest a peccatis. Et quantum ad hoc subditur: « Qui pro vobis et pro multis1 effundetur in remissionem peccatorum ».
Men moet dus zeggen, dat al de genoemde woorden tot het wezen van den vorm behooren, maar dat door de eerste woorden nl.: « Dit is de kelk van Mijn Bloed » de verandering zelf van den wijn in het Bloed wordt beteekend, zooals gezegd is (vorig Art.) van den vorm van de consecratie van het brood, terwijl door de volgende woorden de kracht wordt aangegeven van het Bloed, dat vergoten werd bij het lijden, hetwelk in dit Sacrament werkt en op drie doeleinden is gericht. En wel vooreerst en voornamelijk op het verwerven van de eeuwige erfenis, volgens het woord van den Brief aan de Hebreën (10.19) : « Vertrouwend tot het Heilige te zullen binnengaan door het Bloed van Christus »; en om dit aan te geven wordt er gezegd: « van het Nieuw en eeuwig Testament ». Ten tweede op de gerechtigheid van de genade, die is door het 201geloof, volgens het woord van den Brief aan de Romeinen (3. 25, 26) : « Dien God gesteld heeft tot Verzoener door het geloof in Zijn Bloed; opdat Hijzelf rechtvaardig zij en hem rechtvaardige, die uit het geloof is in Jesus Christus »; en met betrekking tot dit wordt er bijgevoegd: « het geheim des geloofs ». Ten derde op het wegnemen van de beletselen voor de beide voorgaande doeleinden d. w. z. de zonden, volgens het woord van den Brief aan de Hebreën (9. 14) : « Het Bloed van Christus ... zal ons geweten reinigen van de doode werken » .d. i. van de zonden; en met betrekking tot dit wordt er bijgevoegd: « Dat voor u en voor velen zal vergoten worden tot vergiffenis van de zonden ».Men moet dus zeggen, dat al de genoemde woorden tot het wezen van de vorm behoren, maar dat door de eerste woorden nl.: “Dit is de kelk van Mijn Bloed” de verandering zelf van de wijn in het Bloed wordt betekend, zoals gezegd is (vorig Art.) van de vorm van de consecratie van het brood, terwijl door de volgende woorden de kracht wordt aangegeven van het Bloed, dat vergoten werd bij het lijden, hetwelk in dit Sacrament werkt en op drie doeleinden is gericht. En wel vooreerst en voornamelijk op het verwerven van de eeuwige erfenis, volgens het woord van de Brief aan de Hebreën (10.19): “Vertrouwend tot het Heilige te zullen binnengaan door het Bloed van Christus”; en om dit aan te geven wordt er gezegd: “van het Nieuw en eeuwig Testament”. Ten tweede op de gerechtigheid van de genade, die is door het 201geloof, volgens het woord van de Brief aan de Romeinen (3, 25, 26): “Die God gesteld heeft tot Verzoener door het geloof in Zijn Bloed; opdat Hijzelf rechtvaardig zij en hem rechtvaardige, die uit het geloof is in Jesus Christus”; en met betrekking tot dit wordt er bijgevoegd: “het geheim van het geloof”. Ten derde op het wegnemen van de beletselen voor de beide voorgaande doeleinden d. w. z. de zonden, volgens het woord van de Brief aan de Hebreën (9, 14): “Het Bloed van Christus ... zal ons geweten reinigen van de dode werken” .d.i. van de zonden; en met betrekking tot dit wordt er bijgevoegd: “Dat voor u en voor velen zal vergoten worden tot vergiffenis van de zonden”.
Ad primum ergo dicendum quod cum dicitur: « Hic est calix sanguinis mei », est locutio figurativa, et potest dupliciter intelligi. Uno modo, secundum metonymiam, qua ponitur continens pro contento, ut sit sensus: « Hic est sanguis meus contentus in calice ». De quo fit hic mentio, quia sanguis Christi in hoc sacramento consecratur, inquantum est potus fidelium, quod 202non importatur in ratione sanguinis: et ideo oportuit hoc designari per vas huic usui accomodatum.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het gezegde: « Dit is de kelk van Mijn Bloed » is een oneigenlijke uitdrukking en kan tweevoudig verstaan worden. Vooreerst als een naamsverwisseling, waardoor datgene, wat iets inhoudt, gezet wordt in plaats van den inhoud, zoodat de zin is: « Dit is Mijn Bloed vervat in den kelk », waarvan hier melding wordt gemaakt, omdat in dit Sacrament het Bloed van Christus geconsecreerd wordt als drank van de geloovigen, hetgeen niet gegeven is met het begrip « Bloed », weshalve dit moest worden aangeduid door een voor dergelijk gebruik bestemd vaatwerk.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het gezegde: “Dit is de kelk van Mijn Bloed” is een oneigenlijke uitdrukking en kan tweevoudig verstaan worden. Vooreerst als een naamsverwisseling, waardoor datgene, wat iets inhoudt, gezet wordt in plaats van de inhoud, zodat de zin is: “Dit is Mijn Bloed vervat in de kelk”, waarvan hier melding wordt gemaakt, omdat in dit Sacrament het Bloed van Christus geconsecreerd wordt als drank van de gelovigen, hetgeen niet gegeven is met het begrip “Bloed”, weshalve dit moest worden aangeduid door een voor dergelijk gebruik bestemd vaatwerk.
Alio modo potest intelligi secundum metaphoram, prout per calicem similitudinarie intelligitur passio Christi, quae ad similitudinem calicis inebriat, secundum illud Tren. 3. [v. 15] : « Replevit me amaritudinibus, inebriavit me absynthio »: unde et ipse Dominus passionem suam calicem nominat, Matth. 26. [v. 39], dicens: « Transeat a me calix iste », ut sit sensus: « Hic est calix passionis meae ». De qua fit mentio in sanguine seorsum a corpore consecrato, quia separatio sanguinis a corpore fuit per passionem.
Ten tweede kan 202het verstaan worden in overdrachtelijken zin, inzoover nl. door den kelk vergelijkenderwijs verstaan wordt het lijden van Christus, dat gelijk een kelk dronken maakt, volgens het woord van de Klaagliederen (3. 15) : « Hij heeft mij vervuld met droefenissen, dronken gemaakt met alsem »; waarom ook de Heer Zelf Zijn lijden een kelk noemt zeggende (Matth. 26. 39) : « Laat dezen kelk aan Mij voorbijgaan »; zoodat de zin is: « Dit is de kelk van Mijn lijden », waarvan melding wordt gemaakt bij het afzonderlijk naast het Lichaam geconsecreerde Bloed, omdat de scheiding, welke het Bloed scheidde van het Lichaam, plaats vond door het lijden.Ten tweede kan 202het verstaan worden in overdrachtelijke zin, inzover nl. door de kelk vergelijkenderwijs verstaan wordt het lijden van Christus, dat gelijk een kelk dronken maakt, volgens het woord van de Klaagliederen (3, 15): “Hij heeft mij vervuld met droefenissen, dronken gemaakt met alsem”; waarom ook de Heer Zelf Zijn lijden een kelk noemt zeggende (Matt. 26. 39): “Laat deze kelk aan Mij voorbijgaan”; zodat de zin is: “Dit is de kelk van Mijn lijden”, waarvan melding wordt gemaakt bij het afzonderlijk naast het Lichaam geconsecreerde Bloed, omdat de scheiding, welke het Bloed scheidde van het Lichaam, plaats vond door het lijden.
Ad secundum dicendum quod, quia ut dictum est [solut. praec.; q. 76. art. 2. ad 1.], sanguis seorsum consecratus expresse passionem Christi repraesentat, ideo potius in consecratione sanguinis fit mentio de effectu passionis, quam in consecratione corporis, quod est passionis subjectum. Quod etiam designatur in hoc quod Dominus dicit: « Quod pro vobis tradetur », quasi diceret: « Quod pro vobis passioni subjicietur ».
2. Omdat, zooals gezegd is (in het vorig Antw.; 76e Kw. 2e Art. 1e Antw.), het afzonderlijk geconsecreerde Bloed uitdrukkelijk het lijden van Christus verbeeldt, daarom wordt bij de consecratie van het Bloed melding gemaakt van het uitwerksel van het lijden en gebeurt dit niet bij de consecratie van het Lichaam, dat het onderwerp is van het lijden, hetgeen ook door 's Heeren woord wordt aangegeven: « Dat voor u zal worden overgeleverd », als zeide Hij: « Dat voor u aan het lijden zal worden onderworpen ».2. Omdat, zoals gezegd is (in het vorig Antw.; 76e Kw. 2e Art. 1e Antw.), het afzonderlijk geconsecreerde Bloed uitdrukkelijk het lijden van Christus verbeeldt, daarom wordt bij de consecratie van het Bloed melding gemaakt van het uitwerksel van het lijden en gebeurt dit niet bij de consecratie van het Lichaam, dat het onderwerp is van het lijden, hetgeen ook door 's Heren woord wordt aangegeven: “Dat voor u zal worden overgeleverd”, als zeide Hij: “Dat voor u aan het lijden zal worden onderworpen”.
Ad tertium dicendum quod testamentum est dispositio haereditatis. 203Haereditatem autem coelestem disposuit Deus hominibus dandam per virtutem sanguinis Jesu Christi: quia, ut dicitur Hebr. 9. [v. 16] : « Ubi est testamentum, mors necesse est intercedat testatoris », Sanguis autem Christi dupliciter est hominibus exhibitus. Primo quidem, in figura: quod pertinet ad vetus Testamentum. Et ideo Apostolus ibidem [v. 18] concludit: « Unde nec primum testamentum sine sanguine dedicatum est »: quod patet ex hoc quod sicut dicitur Exod. 24. [v. 7, 8], « lecto omni mandato legis a Moyse, omnem populum aspersit, dicens: Hic est sanguis Testamenti, quod mandavit ad vos Deus ». Secundo autem est exhibitus in rei veritate: quod pertinet ad novum Testamentum. Et hoc est quod Apostolus ibidem [v. 15] praemittit dicens: « Ideo novi Testamenti mediator est Christus, ut, morte intercedente, repromissionem accipiant qui vocati sunt aeternae haereditatis ». Dicitur ergo: « Hic sanguis novi Testamenti », quia jam non in figura, sed in veritate exhibetur. Unde subditur: « Qui pro vobis effundetur ». Interna autem inspiratio ex hujus sanguinis virtute 204procedit secundum quod passione Christi justificamur.
3. Een testament is de beschikking over een erfenis. Nu heeft God beschikt de hemelsche erfenis aan de menschen te geven 203door de kracht van het Bloed van Jesus Christus, want, zooals gezegd wordt in den Brief aan de Hebreën (9. 16) : « Waar een testament is, daar moet de dood van den erflater tusschen beide treden ». Het Bloed van Christus is echter op twee manieren aan de menschen gegeven. Vooreerst in voorafbeelding, wat behoort tot het Oude Testament; en daarom besluit de Apostel op die plaats aldus: « Daarom is ook het eerste Testament niet zonder bloed ingewijd », hetgeen hieruit blijkt, dat in het Boek van den Uittocht (24. 7, 8) gezegd wordt: « Nadat Mozes al de geboden van de Wet had voorgelezen, besprenkelde hij het geheele volk zeggende: Dit is het Bloed van het Testament, dat God u heeft nagelaten ». Vervolgens is het in werkelijkheid gegeven, wat behoort tot het Nieuwe Testament; en dat laat de Apostel op die plaats voorafgaan, als hij zegt: « Daarom is (Christus) de Middelaar van een Nieuw Testament, opdat, door tusschenkomst van zijn dood, zij die geroepen zijn de belofte ontvangen van een eeuwige erfenis ». Er wordt derhalve gezegd: « Dit is het Bloed van het Nieuw Testament », omdat het niet meer in voorafbeelding maar in werkelijkheid wordt gegeven; vandaar dat er bijgevoegd wordt: « Dat voor u zal worden vergoten ». — De inwendige inspraken dan komen voort uit de kracht van dit Bloed, aangezien wij door het lijden van Christus gerechtvaardigd worden.3. Een testament is de beschikking over een erfenis. Nu heeft God beschikt de hemelse erfenis aan de mensen te geven 203door de kracht van het Bloed van Jesus Christus, want, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Hebreën (9, 16): “Waar een testament is, daar moet de dood van de erflater tussen beide treden”. Het Bloed van Christus is echter op twee manieren aan de mensen gegeven. Vooreerst in voorafbeelding, wat behoort tot het Oude Testament; en daarom besluit de Apostel op die plaats aldus: “Daarom is ook het eerste Testament niet zonder bloed ingewijd”, hetgeen hieruit blijkt, dat in het Boek van de Uittocht (24, 7, 8) gezegd wordt: “Nadat Mozes al de geboden van de Wet had voorgelezen, besprenkelde hij het gehele volk zeggende: Dit is het Bloed van het Testament, dat God u heeft nagelaten”. Vervolgens is het in werkelijkheid gegeven, wat behoort tot het Nieuwe Testament; en dat laat de Apostel op die plaats voorafgaan, als hij zegt: “Daarom is (Christus) de Middelaar van een Nieuw Testament, opdat, door tussenkomst van zijn dood, zij die geroepen zijn de belofte ontvangen van een eeuwige erfenis”. Er wordt derhalve gezegd: “Dit is het Bloed van het Nieuw Testament”, omdat het niet meer in voorafbeelding maar in werkelijkheid wordt gegeven; vandaar dat er bijgevoegd wordt: “Dat voor u zal worden vergoten”. — De inwendige inspraken dan komen voort uit de kracht van dit Bloed, aangezien wij door het lijden van Christus gerechtvaardigd worden.
Ad quartum dicendum quod hoc Testamentum est novum ratione exhibitionis. Dicitur autem aeternum tam ratione aeternae Dei praeordinationis; quam etiam ratione aeternae haereditatis, quae per hoc Testamentum disponitur. Ipsa etiam persona Christi, cujus sanguine Testamentum disponitur. est aeterna.
2044. Dit Testament is « Nieuw » wat betreft het feitelijk gegeven worden; het heet echter « eeuwig » om reden van de eeuwige verordening Gods en ook om reden van de eeuwige erfenis, waarover door dit Testament wordt beschikt: ook de Persoon zelf van Christus, door wiens Bloed het Testament wordt beschikt, is eeuwig.2044. Dit Testament is “Nieuw” wat betreft het feitelijk gegeven worden; het heet echter “eeuwig” om reden van de eeuwige verordening Gods en ook om reden van de eeuwige erfenis, waarover door dit Testament wordt beschikt: ook de Persoon zelf van Christus, door wiens Bloed het Testament wordt beschikt, is eeuwig.
Ad quintum dicendum quod mysterium hic ponitur. non quidem ad excludendam rei veritatem, sed ad ostendendam occultationem. Quia et ipse sanguis Christi occulto modo est in hoc sacramento; et ipsa passio Christi occulte fuit figurata in veteri Testamento.
5. Hier wordt gesproken van « geheim », niet om de werkelijkheid uit te sluiten, maar om de verborgenheid aan te geven; het Bloed van Christus is immers op een verborgen wijze in dit Sacrament tegenwoordig en het lijden van Christus was op een verborgen wijze in het Oud Testament voorafgebeeld.5. Hier wordt gesproken van “geheim”, niet om de werkelijkheid uit te sluiten, maar om de verborgenheid aan te geven; het Bloed van Christus is immers op een verborgen wijze in dit Sacrament tegenwoordig en het lijden van Christus was op een verborgen wijze in het Oud Testament voorafgebeeld.
Ad sextum dicendum quod dicitur « Mysterium2 fidei ». quasi fidei objectum: quia quod sanguis Christi secundum veritatem sit in hoc sacramento, sola fide tenetur. Ipsa etiam Christi passio per fidem justificat. Baptismus autem dicitur sacramentum fidei: quia est quaedam fidei protestatio. Hoc autem est sacramentum charitatis, quasi figurativum et effectivum.
6. Er wordt gezegd « geheim des geloofs » d. i. zooveel als voorwerp van geloof, want alleen door het geloof wordt gehouden, dat het Bloed van Christus in werkelijkheid in dit Sacrament tegenwoordig is. Het lijden van Christus rechtvaardigt ook door het geloof. — Het doopsel echter wordt het « sacrament des geloofs » genoemd als een belijdenis van geloof. Dit daarentegen is het « Sacrament der liefde » als uitbeelding en bewerker daarvan.6. Er wordt gezegd “geheim van het geloof” d.i. zoveel als voorwerp van geloof, want alleen door het geloof wordt gehouden, dat het Bloed van Christus in werkelijkheid in dit Sacrament tegenwoordig is. Het lijden van Christus rechtvaardigt ook door het geloof. — Het doopsel echter wordt het “sacrament van het geloof” genoemd als een belijdenis van geloof. Dit daarentegen is het “Sacrament van de liefde” als uitbeelding en bewerker daarvan.
Ad septimum dicendum quod, sicut dictum est [in resp. ad 2.], sanguis 205seorsum consecratus a corpore expressius repraesentat passionem Christi. Et ideo potius in consecratione sanguinis fit mentio de passione Christi et fructu ipsius, quam in consecratione corporis.
7. Zooals gezegd is (2e Antw.), is het afzonderlijk naast het 205Lichaam geconsecreerde Bloed een uitdrukkelijke afbeelding van het lijden van Christus en daarom wordt bij de consecratie van het Bloed melding gemaakt van het lijden van Christus en de vruchten ervan en gebeurt dit niet bij de consecratie van het Lichaam.7. Zoals gezegd is (2e Antw.), is het afzonderlijk naast het 205Lichaam geconsecreerde Bloed een uitdrukkelijke afbeelding van het lijden van Christus en daarom wordt bij de consecratie van het Bloed melding gemaakt van het lijden van Christus en de vruchten ervan en gebeurt dit niet bij de consecratie van het Lichaam.
Ad octavum dicendum quod sanguis passionis Christi non solum habet efficaciam in Judaeis electis, quibus exhibitus est sanguis veteris Testamenti, sed etiam in gentilibus; nec solum in sacerdotibus qui hoc conficiunt sacramentum, vel aliis qui sumunt, sed etiam in illis pro quibus offertur. Et ideo signanter dicit « pro vobis », Judaeis, et « pro multis », scilicet gentilibus; vel « pro vobis » manducantibus, et « pro multis » pro quibus offertur.
8. Het Bloed van het lijden van Christus is niet alleen werkdadig onder de uitverkoren Joden, aan wie het bloed van het Oud Testament is gegeven, maar ook onder de heidenen; en niet alleen onder de dit Sacrament voltrekkende priesters en de andere ontvangers, maar ook onder degenen, voor wie het wordt opgedragen En daarom zegt Hij bepaaldelijk « voor u » Joden, en « voor velen » d. i. de heidenen; of « voor u », die ervan eten, en « voor velen », voor wie het wordt opgedragen.8. Het Bloed van het lijden van Christus is niet alleen werkdadig onder de uitverkoren Joden, aan wie het bloed van het Oud Testament is gegeven, maar ook onder de heidenen; en niet alleen onder de dit Sacrament voltrekkende priesters en de andere ontvangers, maar ook onder degenen, voor wie het wordt opgedragen En daarom zegt Hij bepaaldelijk “voor u” Joden, en “voor velen” d.i. de heidenen; of “voor u”, die ervan eten, en “voor velen”, voor wie het wordt opgedragen.
Ad nonum dicendum quod Evangelistae non intendebant tradere formas sacramentorum, quas in primitiva Ecclesia oportebat esse occultas, ut dicit Dionysius in fine Ecclesiast. Hierar. [cap. 7. § 10]. Sed intenderunt historiam de Christo texere. Et tamen haec omnia fere verba ex diversis Scripturae locis accipi possunt; nam quod dicitur: « Hic est calix », habetur Luc. 22. [v. 20] et 1. Cor. 11. [v. 25], Matth. autem 26. [v. 28] dicitur: « Hic est sanguis meus novi Testamenti, qui pro multis effundetur in remissionem 206peccatorum ». Quod autem additur « aeterni », et iterum « mysterium fidei », ex traditione Domini habetur, quae ad Ecclesiam per apostolos pervenit: secundum illud 1. Cor. 11. [v. 23]: « Ego accepi a Domino quod et tradidi vobis ».
9. De evangelisten bedoelden niet de vormen van de sacramenten mee te deelen (deze moesten in de beginnende Kerk verborgen blijven, zooals Dionysius zegt), maar de geschiedenis van Christus te verhalen. En toch kunnen bijna al de onderhavige woorden uit de verschillende Schriftuurplaatsen gehaald worden. Want het gezegde: « Dit is de kelk » vindt men in Lucas (22. 20) en in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (11. 25) ; bij Mattheus (26. 28) wordt verder gezegd: « Dit is Mijn Bloed van het Nieuw Testament, dat voor velen zal vergoten worden 206tot vergiffenis van de zonden ». De toevoeging « van het eeuwig » en ook: « geheim des geloofs » heeft men uit de Overlevering des Heeren, die door de Apostelen tot de Kerk is gekomen, volgens het woord van den Eersten Brief aan de Corinthiërs (11. 23) : « Ik heb van den Heer ontvangen, wat ik u ook heb overgeleverd ».9. De evangelisten bedoelden niet de vormen van de sacramenten mee te delen (deze moesten in de beginnende Kerk verborgen blijven, zoals Dionysius zegt), maar de geschiedenis van Christus te verhalen. En toch kunnen bijna al de onderhavige woorden uit de verschillende Schriftuurplaatsen gehaald worden. Want het gezegde: “Dit is de kelk” vindt men in Lukas (22, 20) en in de Eerste Brief aan de Korintiërs (11, 25); bij Matteüs (26, 28) wordt verder gezegd: “Dit is Mijn Bloed van het Nieuw Testament, dat voor velen zal vergoten worden 206tot vergiffenis van de zonden”. De toevoeging “van het eeuwig” en ook: “geheim van het geloof” heeft men uit de Overlevering van de Heer, die door de Apostelen tot de Kerk is gekomen, volgens het woord van de Eerste Brief aan de Korintiërs (11, 23): “Ik heb van de Heer ontvangen, wat ik u ook heb overgeleverd”.
Utrum praedictis verbis formarum insit aliqua vis creata effectiva consecrationis
Is er in de genoemde woorden van de vormen een geschapen kracht, die de consecratie bewerkt?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod praedictis verbis formarum non insit aliqua vis creata effectiva consecrationis. Dicit enim Damascenus in 4. lib. [Orth. Fid. cap. 13.] : « Sola virtute Spiritus Sancti fit conversio panis in corpus Christi ». Sed virtus Spiritus Sancti est virtus increata. Ergo nulla virtute creata horum verborum conficitur hoc sacramentum.
Bedenkingen. — Men beweert, dat er in de genoemde woorden van de vormen geen geschapen kracht is, die de consecratie bewerkt. — 1. Damascenus zegt immers: « Alleen door de kracht van den H. Geest geschiedt de verandering van het brood in het Lichaam van Christus ». Nu is de kracht van den H. Geest een ongeschapen kracht. Dus komt dit Sacrament niet tot stand door eenige geschapen kracht van deze woorden.Bedenkingen. — Men beweert, dat er in de genoemde woorden van de vormen geen geschapen kracht is, die de consecratie bewerkt. — 1. Damascenus zegt immers: “Alleen door de kracht van de H. Geest geschiedt de verandering van het brood in het Lichaam van Christus”. Nu is de kracht van de H. Geest een ongeschapen kracht. Dus komt dit Sacrament niet tot stand door enige geschapen kracht van deze woorden.
2. Praeterea, opera miraculosa non fiunt aliqua virtute creata, sed sola 207virtute divina, ut in 1. habitum est [q. 110. art. 4.]. Sed conversio panis et vini in corpus et sanguinem Christi est opus non minus miraculosum quam creatio rerum, vel etiam formatio corporis Christi in utero virginali, quae quidem nulla virtute creata fieri potuerunt. Ergo neque hoc sacramentum consecratur aliqua virtute creata dictorum verborum.
2. Wonderwerken geschieden niet door een of andere geschapen kracht, maar alleen door de kracht Gods, gelijk in het 207Eerste Deel (110e Kw. 4e Art.) is uiteengezet. Welnu, de verandering van het brood en den wijn in het Lichaam en Bloed van Christus is geen minder wonderwerk dan de schepping der dingen of ook dan de vorming van het Lichaam van Christus in den schoot van de Maagd, gebeurtenissen, die niet door een of andere geschapen kracht hebben kunnen plaats vinden. Dus wordt ook dit Sacrament niet geconsecreerd door een geschapen kracht van de genoemde woorden.2. Wonderwerken geschieden niet door een of andere geschapen kracht, maar alleen door de kracht Gods, gelijk in het 207Eerste Deel (110e Kw. 4e Art.) is uiteengezet. Welnu, de verandering van het brood en de wijn in het Lichaam en Bloed van Christus is geen minder wonderwerk dan de schepping van de dingen of ook dan de vorming van het Lichaam van Christus in de schoot van de Maagd, gebeurtenissen, die niet door een of andere geschapen kracht hebben kunnen plaats vinden. Dus wordt ook dit Sacrament niet geconsecreerd door een geschapen kracht van de genoemde woorden.
3. Praeterea, praedicta verba non sunt simplicia, sed ex multis composita: nec simul, sed successive proferuntur. Conversio autem praedicta, ut supra dictum est [q. 75. art. 7.], fit in instanti: unde oportet quod fiat per simplicem virtutem. Non ergo fit per virtutem horum verborum.
3. Genoemde woorden zijn niet enkelvoudig maar een samenstel van vele; ook worden zij niet tegelijk maar na elkaar uitgesproken. Maar de genoemde verandering gebeurt, zooals boven is gezegd (75e Kw. 7e Art.), in één oogenblik, waarom ze moet gebeuren door een enkelvoudige kracht. Dus gebeurt ze niet door kracht van deze woorden.3. Genoemde woorden zijn niet enkelvoudig maar een samenstel van vele; ook worden zij niet tegelijk maar na elkaar uitgesproken. Maar de genoemde verandering gebeurt, zoals boven is gezegd (75e Kw. 7e Art.), in één ogenblik, waarom ze moet gebeuren door een enkelvoudige kracht. Dus gebeurt ze niet door kracht van deze woorden.
Sed contra est quod Ambrosius dicit in lib. 4. de Sacramentis [cap. 4.] : « Si tanta est vis in sermone Domini Jesu ut inciperet esse quod non erat, quanto magis operatorius est ut sint quae erant, et in aliud commutentur? Et sic quod erat panis ante consecrationem, jam corpus Christi est post consecrationem, quia sermo Christi creaturam mutat ».
Daartegenover staat echter, dat Ambrosius zegt: « Als er zulk een kracht is in de woorden van den Heer Jesus, dat hetgeen niet was, begon te zijn, hoeveel te méér kunnen zij dan bewerken, dat, hetgeen was, is en verandert in iets anders? Zoo dan is datgene, wat vóór de consecratie brood was, na de consecratie het Lichaam van Christus, want de woorden van Christus doen het geschapene veranderen ».Daartegenover staat echter, dat Ambrosius zegt: “Als er zulk een kracht is in de woorden van de Heer Jesus, dat hetgeen niet was, begon te zijn, hoeveel te méér kunnen zij dan bewerken, dat, hetgeen was, is en verandert in iets anders? Zo dan is datgene, wat vóór de consecratie brood was, na de consecratie het Lichaam van Christus, want de woorden van Christus doen het geschapene veranderen”.
208Respondeo dicendum quod quidam dixerunt, nullam virtutem creatam esse nec in praedictis verbis ad transsubstantiationem faciendam, nec etiam in aliis sacramentorum formis, nec etiam in ipsis sacramentis ad inducendos sacramentorum effectus. Quod, sicut supra habitum est [q. 62. art. 1.], et dictis sanctorum repugnat, et derogat dignitati sacramentorum novae legis. Unde, cum hoc sacramentum sit prae caeteris dignius, sicut supra dictum est [q. 65. art. 3.], consequens est quod in verbis formalibus hujus sacramenti sit quaedam virtus creata ad conversionem hujus sacramenti faciendam: instrumentalis tamen, sicut et in aliis sacramentis, sicut supra dictum est [q. 62. art. 3, 4.]. Cum enim haec verba ex persona Christi proferantur, ex ejus mandato consequuntur virtutem instrumentalem a Christo: sicut et caetera ejus facta vel dicta habent instrumentaliter salutiferam virtutem, ut supra dictum est [q. 68. art. 6; q. 56. art. 1 ad 3.].
208Leerstelling. — Sommigen hebben gezegd, dat er geen enkele geschapen kracht is in de genoemde woorden voor het bewerken van de zelfstandigheidsverandering, noch ook in de andere sacramenteele vormen of in de sacramenten zelf voor het tot stand brengen van de uitwerkselen der sacramenten — een meening, die zooals boven is uiteengezet (62e Kw. 1e Art.), in strijd is met de uitlatingen van de heiligen en bovendien te kort doet aan de waardigheid van de sacramenten van de Nieuwe Wet. Aangezien derhalve dit Sacrament nog waardiger is dan de overige, zooals boven gezegd is (65e Kw. 3e Art.), is de gevolgtrekking te maken, dat in de tot den vorm van dit Sacrament behoorende woorden een zekere geschapen kracht is, die de verandering van dit Sacrament bewerkt, wel te verstaan een werktuigelijke kracht, zooals ook in de andere sacramenten, gelijk boven is gezegd (62e Kw. 3e en 4e Art.). Daar immers deze woorden in den persoon van Christus worden uitgesproken, hebben zij, tengevolge van Zijn bevel, een van Christus komende werktuigelijke kracht, zooals ook Zijn andere daden of woorden een werktuigelijke heilskracht bezitten, gelijk boven gezegd is (68e Kw. 6e Art.; 56e Kw. 1e Art. 3e Antw.).208Leerstelling. — Sommigen hebben gezegd, dat er geen enkele geschapen kracht is in de genoemde woorden voor het bewerken van de zelfstandigheidsverandering, noch ook in de andere sacramentele vormen of in de sacramenten zelf voor het tot stand brengen van de uitwerkselen van de sacramenten — een mening, die zoals boven is uiteengezet (62e Kw. 1e Art.), in strijd is met de uitlatingen van de heiligen en bovendien te kort doet aan de waardigheid van de sacramenten van de Nieuwe Wet. Aangezien derhalve dit Sacrament nog waardiger is dan de overige, zoals boven gezegd is (65e Kw. 3e Art.), is de gevolgtrekking te maken, dat in de tot de vorm van dit Sacrament behorende woorden een zekere geschapen kracht is, die de verandering van dit Sacrament bewerkt, wel te verstaan een werktuigelijke kracht, zoals ook in de andere sacramenten, gelijk boven is gezegd (62e Kw. 3e en 4e Art.). Daar immers deze woorden in de persoon van Christus worden uitgesproken, hebben zij, tengevolge van Zijn bevel, een van Christus komende werktuigelijke kracht, zoals ook Zijn andere daden of woorden een werktuigelijke heilskracht bezitten, gelijk boven gezegd is (68e Kw. 6e Art.; 56e Kw. 1e Art. 3e Antw.).
Ad primum ergo dicendum quod cum dicitur sola virtute Spiritus Sancti panem in corpus Christi converti, non excluditur virtus instrumentalis quae 209est in forma hujus sacramenti: sicut, cum dicitur quod solus faber facit cultellum, non excluditur virtus martelli.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wanneer er gezegd wordt, dat alleen door de kracht van den H. Geest het brood verandert in het Lichaam van Christus, wordt niet 209uitgesloten de werktuigelijke kracht, die in den vorm van dit Sacrament is, evenmin als, wanneer gezegd wordt: « Alleen de smid maakt het mes », de kracht van den hamer wordt uitgesloten.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wanneer er gezegd wordt, dat alleen door de kracht van de H. Geest het brood verandert in het Lichaam van Christus, wordt niet 209uitgesloten de werktuigelijke kracht, die in de vorm van dit Sacrament is, evenmin als, wanneer gezegd wordt: “Alleen de smid maakt het mes”, de kracht van de hamer wordt uitgesloten.
Ad secundum dicendum quod opera miraculosa nulla creatura potest facere quasi agens principale: potest tamen ea facere instrumentaliter, sicut ipse tactus manus Christi sanavit leprosum. Et per hunc modum verba Christi convertunt panem in corpus Christi. Quod quidem fieri non potuit in conceptione corporis Christi, qua corpus Christi formabatur, ut aliquid a corpore Christi procedens haberet instrumentalem virtutem ad ipsius corporis formationem. In creatione etiam non fuit aliquod extremum in quod instrumentalis actio creaturae posset terminari. Unde non est simile.
2. Wonderwerken kan geen enkel schepsel tot stand brengen als hoofdoorzaak; maar wel als werktuigelijke oorzaak, gelijk de aanraking van Christus' hand den melaatsche genas. Op deze wijze dan veranderen de woorden van Christus het brood in het Lichaam van Christus. Zoo iets kon niet gebeuren bij de ontvangenis van Christus' Lichaam, toen Christus' Lichaam gevormd werd, dat nl. iets dat uit Christus' Lichaam voortkwam, een werktuigelijke kracht bezat met het oog op de vorming van dat zelfde Lichaam. Bij de schepping was er verder geen uiterste term, waarop de werktuigelijke werking van een schepsel kon uitgeoefend worden. En dus gaat de vergelijking niet op.2. Wonderwerken kan geen enkel schepsel tot stand brengen als hoofdoorzaak; maar wel als werktuigelijke oorzaak, gelijk de aanraking van Christus' hand de melaatse genas. Op deze wijze dan veranderen de woorden van Christus het brood in het Lichaam van Christus. Zo iets kon niet gebeuren bij de ontvangenis van Christus' Lichaam, toen Christus' Lichaam gevormd werd, dat nl. iets dat uit Christus' Lichaam voortkwam, een werktuigelijke kracht bezat met het oog op de vorming van dat zelfde Lichaam. Bij de schepping was er verder geen uiterste term, waarop de werktuigelijke werking van een schepsel kon uitgeoefend worden. En dus gaat de vergelijking niet op.
Ad tertium dicendum quod praedicta verba quibus fit consecratio, sacramentaliter operantur. Unde vis conversiva quae est in formis horum sacramentorum, consequitur significationem, quae in prolatione ultimae dictionis terminatur. Et ideo in ultimo instanti prolationis verborum praedicta verba consequuntur hanc virtutem: in ordine tamen ad praecedentia. Et haec virtus est simplex ratione simplicis significati: licet in ipsis verbis exterius 210prolatis sit1 quaedam compositio.
3. Genoemde woorden, waardoor de consecratie plaats heeft, werken sacramenteel; de verandering-uitwerkende kracht, die in de vormen van deze Sacramenten is, volgt daarom de beteekenis, welke bij het uitspreken van het laatste woord haar eindterm bereikt. Daarom krijgen genoemde woorden de bewuste kracht op het laatste oogenblik van het uitspreken der woorden, evenwel in verband met wat voorafgaat; en deze kracht is enkelvoudig 210vanwege de enkelvoudigheid van het beteekende, al is er dan in de uitwendig gesproken woorden een zekere samenstelling.3. Genoemde woorden, waardoor de consecratie plaats heeft, werken sacramenteel; de verandering-uitwerkende kracht, die in de vormen van deze Sacramenten is, volgt daarom de betekenis, welke bij het uitspreken van het laatste woord haar eindterm bereikt. Daarom krijgen genoemde woorden de bewuste kracht op het laatste ogenblik van het uitspreken van de woorden, evenwel in verband met wat voorafgaat; en deze kracht is enkelvoudig 210vanwege de enkelvoudigheid van het betekende, al is er dan in de uitwendig gesproken woorden een zekere samenstelling.
Utrum praedictae locutiones sint verae
Zijn genoemde gezegdes waar?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod praedictae locutiones non sint verae. Cum enim dicitur: « Hoc est corpus meum », ly « hoc » est demonstrativum substantiae. Sed secundum praedicta [art. 1 ; art. 4, ad 3; q. 75. art. 2, 7.], quando profertur hoc pronomen, « hoc », adhuc est ibi substantia panis: quia transsubstantiatio fit in ultimo instanti prolationis verborum. Sed haec est falsa: « Panis est corpus Christi ». Ergo et haec est falsa: « Hoc est corpus meum ».
Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat genoemde gezegdes niet waar zijn. — 1. Wanneer er immers gezegd wordt: « Dit is Mijn Lichaam », dan wijst het woordje « dit » op een zelfstandigheid. Maar bij het uitspreken van het voornaamwoord « dit » is, volgens het voorgaande (1e Art.; 4e Art. 3e Antw.; 75e Kw. 2e, 7e Art.), de zelfstandigheid van het brood nog aanwezig, daar de zelfstandigheidsverandering plaats heeft op het laatste oogenblik van het uitspreken der woorden. Nu is deze zin valsch: « Het brood is het Lichaam van Christus ». Dus is ook deze zin valsch: « Dit is Mijn Lichaam ».Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat genoemde gezegdes niet waar zijn. — 1. Wanneer er immers gezegd wordt: “Dit is Mijn Lichaam”, dan wijst het woordje “dit” op een zelfstandigheid. Maar bij het uitspreken van het voornaamwoord “dit” is, volgens het voorgaande (1e Art.; 4e Art. 3e Antw.; 75e Kw. 2e, 7e Art.), de zelfstandigheid van het brood nog aanwezig, daar de zelfstandigheidsverandering plaats heeft op het laatste ogenblik van het uitspreken van de woorden. Nu is deze zin vals: “Het brood is het Lichaam van Christus”. Dus is ook deze zin vals: “Dit is Mijn Lichaam”.
2. Praeterea, hoc pronomen « hoc », facit demonstrationem ad sensum. Sed species sensibiles quae sunt in hoc sacramento, neque sunt ipsum 211corpus Christi, neque accidentia corporis Christi. Ergo haec locutio non potest esse vera: « Hoc est corpus meum ».
2. Het voornaamwoord « dit » wijst op iets zintuigelijk waarneembaars. Maar de zintuigelijk waarneembare gedaanten, die 211men in dit Sacrament vindt, zijn noch het Lichaam van Christus, noch de bijkomstigheden van het Lichaam van Christus. Dus kan dit gezegde niet waar zijn: « Dit is Mijn Lichaam ».2. Het voornaamwoord “dit” wijst op iets zintuigelijk waarneembaars. Maar de zintuigelijk waarneembare gedaanten, die 211men in dit Sacrament vindt, zijn noch het Lichaam van Christus, noch de bijkomstigheden van het Lichaam van Christus. Dus kan dit gezegde niet waar zijn: “Dit is Mijn Lichaam”.
3. Praeterea, haec verba, sicut dictum est [art. 4. ad 3.], sua significatione efficiunt conversionem panis in corpus Christi. Sed causa effectiva praeintelligitur effectui. Ergo significatio horum verborum praeintelligitur conversioni panis in corpus Christi. Sed ante conversionem haec est falsa: « Hoc est corpus meum ». Ergo simpliciter est judicandum quod sit falsa. Et eadem ratio est de hac locutione: « Hic est calix sanguinis mei », etc.
3. Zooals gezegd is (4e Art. 3e Antw.), bewerken deze woorden door hun beteekenis de verandering van het brood in het Lichaam van Christus. Nu moet men zich de bewerkende oorzaak denken vóór het uitwerksel. Dus moet men zich de beteekenis van deze woorden denken vóór de verandering van het brood in het Lichaam van Christus. Maar vóór de verandering is deze zin valsch: « Dit is Mijn Lichaam ». Dus moet hij zonder meer als valsch beschouwd worden; en hetzelfde geldt van het gezegde: « Dit is de kelk van Mijn Bloed » enz.3. Zoals gezegd is (4e Art. 3e Antw.), bewerken deze woorden door hun betekenis de verandering van het brood in het Lichaam van Christus. Nu moet men zich de bewerkende oorzaak denken vóór het uitwerksel. Dus moet men zich de betekenis van deze woorden denken vóór de verandering van het brood in het Lichaam van Christus. Maar vóór de verandering is deze zin vals: “Dit is Mijn Lichaam”. Dus moet hij zonder meer als vals beschouwd worden; en hetzelfde geldt van het gezegde: “Dit is de kelk van Mijn Bloed” enz.
Sed contra est quod haec verba proferuntur ex persona Christi, qui de se dicit Joan. 14. [v. 6] : « Ego sum veritas ».
Daartegenover staat echter, dat deze woorden gesproken worden in den persoon van Christus, die van Zichzelf zegt: « Ik ben de Waarheid ».Daartegenover staat echter, dat deze woorden gesproken worden in de persoon van Christus, die van Zichzelf zegt: “Ik ben de Waarheid”.
Respondeo dicendum quod circa hoc multiplex fuit opinio. Quidam enim dixerunt, quod in hac locutione: « Hoc est corpus meum », haec dictio « hoc » importat demonstrationem ut conceptam, et non ut exercitam: quia 212tota ista locutio sumitur materialiter, cum recitative proferatur; recitat enim sacerdos Christum dixisse: « Hoc est corpus meum ».
Leerstelling. — Hieraangaande zijn er vele meeningen geweest. Sommigen immers hebben beweerd, dat in den zin: « Dit is Mijn Lichaam » het woordje « dit » een gedachte, geen werkelijke aanwijzing inhoudt, aangezien heel deze zin als een eenvoudige weergave wordt gebezigd, daar hij verhalenderwijs 212wordt gesproken: de priester verhaalt immers, dat Christus gezegd heeft: « Dit is Mijn Lichaam ».Leerstelling. — Hieraangaande zijn er vele meningen geweest. Sommigen immers hebben beweerd, dat in de zin: “Dit is Mijn Lichaam” het woordje “dit” een gedachte, geen werkelijke aanwijzing inhoudt, aangezien heel deze zin als een eenvoudige weergave wordt gebezigd, daar hij verhalenderwijs 212wordt gesproken: de priester verhaalt immers, dat Christus gezegd heeft: “Dit is Mijn Lichaam”.
Sed hoc stare non potest. Quia secundum hoc, verba haec non applicarentur ad materiam corporalem praesentem et ita non perficeretur sacramentum: dicit enim Augustinus super Joan. [tract. 80. n. 3.]: « Accedit verbum ad elementum et fit sacramentum ». Et praeterea1 ex hoc totaliter non evitatur difficultas hujus quaestionis: quia eaedem rationes manent circa primam prolationem qua Christus haec verba protulit; quare2 manifestum est quod non materialiter, sed significative sumebantur. Et ideo dicendum est quod etiam quando proferuntur a sacerdote, significative, et non tantum materialiter sumuntur. Nec obstat quod sacerdos ea recitative profert quasi a Christo dicta. Quia propter infinitam virtutem Christi, sicut ex contactu carnis suae vis regenerativa pervenit non solum ad illas aquas quae Christum tetigerunt, sed ad omnes ubique terrarum per omnia futura saecula; ita etiam ex prolatione ipsius Christi haec verba virtutem consecrativam sunt consecuta 213a quocumque sacerdote dicantur, ac si Christus ea praesentialiter proferret.
Maar dit kan geen stand houden, want in deze veronderstelling zouden bedoelde woorden zich niet betrekken op de aanwezige lichamelijke stof en dus zou het Sacrament niet voltrokken worden. Augustinus toch zegt: « Het woord komt bij de stof en het sacrament ontstaat ». Bovendien ontkomt men op deze manier niet geheel en al aan de moeilijkheid van de gestelde vraag, omdat dezelfde bedenkingen blijven bestaan met betrekking tot de eerste gebruikmaking van deze woorden door Christus. Want toen werden ze heel duidelijk niet als een eenvoudige weergave maar volgens hun beteekenis gebezigd. Daarom moet men zeggen, dat zij, ook wanneer zij door den priester worden uitgesproken, volgens hun beteekenis worden gebezigd en niet als een eenvoudige weergave. Het geeft niets, dat de priester ze verhalenderwijs uitspreekt als gezegd door Christus: de oneindige kracht van Christus immers, die door de aanraking met Zijn Vleesch de herborenmakende kracht deed toekomen, niet alleen aan het water, dat Christus beroerde, maar aan alle water van alle landen in alle latere tijden, heeft ook door het spreken van Christus aan deze woorden een 213consecreerende kracht gegeven, door welken priester ze ook mogen worden uitgesproken, juist alsof Christus ze op het oogenblik uitbracht.Maar dit kan geen stand houden, want in deze veronderstelling zouden bedoelde woorden zich niet betrekken op de aanwezige lichamelijke stof en dus zou het Sacrament niet voltrokken worden. Augustinus toch zegt: “Het woord komt bij de stof en het sacrament ontstaat”. Bovendien ontkomt men op deze manier niet geheel en al aan de moeilijkheid van de gestelde vraag, omdat dezelfde bedenkingen blijven bestaan met betrekking tot de eerste gebruikmaking van deze woorden door Christus. Want toen werden ze heel duidelijk niet als een eenvoudige weergave maar volgens hun betekenis gebezigd. Daarom moet men zeggen, dat zij, ook wanneer zij door de priester worden uitgesproken, volgens hun betekenis worden gebezigd en niet als een eenvoudige weergave. Het geeft niets, dat de priester ze verhalenderwijs uitspreekt als gezegd door Christus: de oneindige kracht van Christus immers, die door de aanraking met Zijn Vlees de herborenmakende kracht deed toekomen, niet alleen aan het water, dat Christus beroerde, maar aan alle water van alle landen in alle latere tijden, heeft ook door het spreken van Christus aan deze woorden een 213consecrerende kracht gegeven, door welke priester ze ook mogen worden uitgesproken, juist alsof Christus ze op het ogenblik uitbracht.
Et ideo alii dixerunt quod haec dictio « hoc » in hac locutione facit demonstrationem, non ad sensum, sed ad intellectum: ut sit sensus: « Hoc est corpus meum » idest: « significatum per hoc est corpus meum ».
— Anderen hebben daarom beweerd, dat het woordje « dit » in genoemd gezegde niet iets zintuigelijk waarneembaars maar iets verstandelijk waarneembaars aanwijst, zoodat de beteekenis wordt: « Dit is Mijn Lichaam » d.w.z. het door dit beteekende is Mijn Lichaam.— Anderen hebben daarom beweerd, dat het woordje “dit” in genoemd gezegde niet iets zintuigelijk waarneembaars maar iets verstandelijk waarneembaars aanwijst, zodat de betekenis wordt: “Dit is Mijn Lichaam” d.w.z. het door dit betekende is Mijn Lichaam.
Sed nec hoc stare potest. Quia cum in sacramentis hoc efficiatur quod significatur, non fieret per hanc formam ut corpus Christi sit in hoc sacramento secundum veritatem, sed solum sicut in signo. Quod est haereticum, ut supra dictum est [q. 75. art. 1.].
Maar ook dat kan geen stand houden, want daar bij de sacramenten datgene wordt uitgewerkt, wat beteekend wordt, zou deze vorm niet teweegbrengen, dat het Lichaam van Christus in dit Sacrament aanwezig is in werkelijkheid maar alleen maar in teeken, hetgeen kettersch is, zooals boven gezegd is (75e Kw. 1e Art.).Maar ook dat kan geen stand houden, want daar bij de sacramenten datgene wordt uitgewerkt, wat betekend wordt, zou deze vorm niet teweegbrengen, dat het Lichaam van Christus in dit Sacrament aanwezig is in werkelijkheid maar alleen maar in teken, hetgeen ketters is, zoals boven gezegd is (75e Kw. 1e Art.).
Et ideo alii dixerunt, quod haec dictio « hoc » facit demonstrationem ad sensum, sed intelligitur haec demonstratio non pro illo instanti locutionis quo profertur haec dictio, sed pro ultimo instanti locutionis: sicut cum aliquis dicit: « Nunc taceo » hoc adverbium « nunc » facit demonstrationem pro instanti immediate sequenti locutionem; est enim sensus: « Statim his verbis dictis, taceo ».
— Daarom hebben anderen beweerd, dat het woordje « dit » iets zintuigelijk waarneembaars aanwijst, maar dat deze aanwijzing moet begrepen worden, niet voor het oogenblik, waarop dit woordje wordt uitgesproken, maar voor het laatste oogenblik van het heele gezegde, zooals wanneer iemand zegt « nu zwijg ik », dit bijwoord nu het oogenblik aanwijst, dat onmiddellijk op het gezegde volgt; bedoeld wordt immers: « zoodra ik deze woorden heb gezegd, zwijg ik ».— Daarom hebben anderen beweerd, dat het woordje “dit” iets zintuigelijk waarneembaars aanwijst, maar dat deze aanwijzing moet begrepen worden, niet voor het ogenblik, waarop dit woordje wordt uitgesproken, maar voor het laatste ogenblik van het hele gezegde, zoals wanneer iemand zegt “nu zwijg ik”, dit bijwoord nu het ogenblik aanwijst, dat onmiddellijk op het gezegde volgt; bedoeld wordt immers: “zodra ik deze woorden heb gezegd, zwijg ik”.
Sed nec hoc stare potest. Quia secundum hoc, hujus locutionis esset sensus: « Corpus meum est corpus meum ». Quod praedicta locutio non facit: quia 214hoc fuit etiam ante prolationem verborum. Unde nec hoc praedicta locutio significat.
Maar ook dit kan geen stand houden, want op deze manier zou de beteekenis van dit gezegde zijn: « Mijn Lichaam is Mijn Lichaam », hetgeen niet teweeggebracht wordt door genoemd gezegde, want dit 214was ook vóór het uitspreken van de woorden het geval; dus is ook dit niet de beteekenis van genoemd gezegde.Maar ook dit kan geen stand houden, want op deze manier zou de betekenis van dit gezegde zijn: “Mijn Lichaam is Mijn Lichaam”, hetgeen niet teweeggebracht wordt door genoemd gezegde, want dit 214was ook vóór het uitspreken van de woorden het geval; dus is ook dit niet de betekenis van genoemd gezegde.
Et ideo aliter dicendum est quod, sicut praedictum est [art. praec.], haec locutio habet virtutem factivam conversionis panis in corpus Christi. Et ideo comparatur ad alias locutiones, quae habent solum vim significativam et non factivam, sicut comparatur conceptio intellectus practici, quae est factiva rei, conceptioni intellectus nostri speculativi, quae est accepta a rebus: nam « voces sunt signa intellectuum », secundum Philosophum [lib. 1. Periher. cap. 1. n. 2.]. Et ideo, sicut conceptio intellectus practici non praesupponit rem conceptam, sed facit eam, ita veritas hujus locutionis non praesupponit rem significatam, sed facit eam: sic enim se habet verbum Dei ad res factas per verbum. Haec autem conversio non fit successive, sed in instanti, sicut dictum est [q. 75. art. 7.]. Et ideo oportet quidem intelligere praedictam locutionem secundum ultimum instans prolationis verborum: non tamen ita quod praesupponatur ex parte subjecti id quod est terminus conversionis, scilicet quod corpus Christi sit corpus Christi; neque etiam illud 215quod fuit ante conversionem, scilicet panis; sed id quod communiter se habet quantum ad utrumque, scilicet contentum in generali sub istis speciebus. Non enim faciunt haec verba quod corpus Christi sit corpus Christi; neque quod panis sit corpus Christi; sed quod contentum sub his speciebus, quod prius erat panis, sit corpus Christi. Et ideo signanter non dicit Dominus: « Hic panis est corpus meum », quod esset secundum intellectum secundae opinionis; neque: « Hoc corpus meum est corpus meum », quod esset secundum intellectum tertiae: sed in generali: « Hoc est corpus meum », nullo nomine apposito a parte subjecti, sed solo pronomine, quod significat substantiam in communi sine qualitate, idest forma determinata.
— Derhalve moet men iets anders zeggen nl. dat, zooals reeds verklaard is (vorig Art.), dit gezegde de kracht heeft om de verandering te bewerken van het brood in het Lichaam van Christus. En dus verhoudt het zich tot andere gezegdes, die alleen iets kunnen beteekenen en niet iets kunnen bewerken, als de daad van het makend verstand, dat de dingen bewerkt, zich verhoudt tot de daad van het beschouwend verstand, dat aan de dingen ontleent; volgens den Wijsgeer immers zijn woorden teekens van wat in het verstand is. En zooals daarom de daad van het makend verstand het begrepen ding niet veronderstelt, maar maakt, zoo veronderstelt de waarheid van het onderhavige gezegde niet de beteekende zaak, maar maakt zij die zaak; zóó toch verhoudt Zich ook het Woord Gods tot de dingen, gemaakt door het Woord. Nu gebeurt deze verandering niet geleidelijk maar in één oogenblik, zooals gezegd is (75e Kw. 7e Art.). Derhalve moet men ongetwijfeld het genoemde gezegde verstaan met betrekking tot het laatste oogenblik van het uitspreken der woorden, echter niet zóó, dat als subject wordt verondersteld, wat het eindpunt van de verandering is nl. dat het Lichaam van Christus het Lichaam van Christus is, noch ook wat vóór de verandering 215was nl. het brood, maar datgene, wat zich tot beide onbestemd verhoudt nl. wat in het algemeen onder deze gedaanten is. Genoemde woorden maken immers niet, dat het Lichaam van Christus het Lichaam van Christus is, [De vertaling van «neque quod panis sit corpus Christi» ontbreekt in de uitgave.] maar dat het onder deze gedaanten vervatte, dat eerst brood was, het Lichaam van Christus is. En daarom zegt de Heer, heel beteekenend, niet: « Dit brood is Mijn Lichaam », hetgeen volgens den gedachtegang van de tweede meening zou zijn; noch: « Dit Mijn Lichaam is Mijn Lichaam », hetgeen volgens den gedachtegang van de derde meening zou zijn; maar in het algemeen: « Dit is Mijn Lichaam », geen enkel naamwoord gebruikend voor het subject, slechts een voornaamwoord, dat een zelfstandigheid in het algemeen beteekent, zonder hoedanigheid d.w.z. bepaalden vorm.— Derhalve moet men iets anders zeggen nl. dat, zoals reeds verklaard is (vorig Art.), dit gezegde de kracht heeft om de verandering te bewerken van het brood in het Lichaam van Christus. En dus verhoudt het zich tot andere gezegdes, die alleen iets kunnen betekenen en niet iets kunnen bewerken, als de daad van het makend verstand, dat de dingen bewerkt, zich verhoudt tot de daad van het beschouwend verstand, dat aan de dingen ontleent; volgens de Wijsgeer immers zijn woorden tekens van wat in het verstand is. En zoals daarom de daad van het makend verstand het begrepen ding niet veronderstelt, maar maakt, zo veronderstelt de waarheid van het onderhavige gezegde niet de betekende zaak, maar maakt zij die zaak; zó toch verhoudt Zich ook het Woord Gods tot de dingen, gemaakt door het Woord. Nu gebeurt deze verandering niet geleidelijk maar in één ogenblik, zoals gezegd is (75e Kw. 7e Art.). Derhalve moet men ongetwijfeld het genoemde gezegde verstaan met betrekking tot het laatste ogenblik van het uitspreken van de woorden, echter niet zó, dat als subject wordt verondersteld, wat het eindpunt van de verandering is nl. dat het Lichaam van Christus het Lichaam van Christus is, noch ook wat vóór de verandering 215was nl. het brood, maar datgene, wat zich tot beide onbestemd verhoudt nl. wat in het algemeen onder deze gedaanten is. Genoemde woorden maken immers niet, dat het Lichaam van Christus het Lichaam van Christus is, [De vertaling van “neque quod panis sit corpus Christi” ontbreekt in de uitgave.] maar dat het onder deze gedaanten vervatte, dat eerst brood was, het Lichaam van Christus is. En daarom zegt de Heer, heel betekenend, niet: “Dit brood is Mijn Lichaam”, hetgeen volgens de gedachtegang van de tweede mening zou zijn; noch: “Dit Mijn Lichaam is Mijn Lichaam”, hetgeen volgens de gedachtegang van de derde mening zou zijn; maar in het algemeen: “Dit is Mijn Lichaam”, geen enkel naamwoord gebruikend voor het subject, slechts een voornaamwoord, dat een zelfstandigheid in het algemeen betekent, zonder hoedanigheid d.w.z. bepaalden vorm.
Ad primum ergo dicendum quod haec dictio « hoc » demonstrat substantiam, sed absque determinatione propriae naturae, sicut dictum est [in corpore].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het woordje « dit » wijst een zelfstandigheid aan, maar zonder bepaling van de eigen natuur, zooals gezegd is (in de Leerst.).Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het woordje “dit” wijst een zelfstandigheid aan, maar zonder bepaling van de eigen natuur, zoals gezegd is (in de Leerst.).
Ad secundum dicendum quod hoc pronomen « hoc » non demonstrat ipsa accidentia, sed substantiam sub accidentibus contentam, quae primo fuit panis, et postea est corpus Christi: quod, licet non informetur his accidentibus, 216tamen sub eis continetur.
2. Het voornaamwoord « dit » wijst niet de bijkomstigheden aan, maar de onder de bijkomstigheden vervatte zelfstandigheid, welke eerst het brood was, daarna het Lichaam van Christus is, dat weliswaar deze bijkomstigheden niet als vormen ontvangt, 216maar er toch onder vervat is.2. Het voornaamwoord “dit” wijst niet de bijkomstigheden aan, maar de onder de bijkomstigheden vervatte zelfstandigheid, welke eerst het brood was, daarna het Lichaam van Christus is, dat weliswaar deze bijkomstigheden niet als vormen ontvangt, 216maar er toch onder vervat is.
Ad tertium dicendum quod significatio hujus locutionis praeintelligitur rei significatae ordine naturae, sicut causa naturaliter est prior effectu: non tamen ordine temporis, quia haec causa simul habet secum suum effectum. Et hoc sufficit ad veritatem locutionis.
3. De beteekenis van dit gezegde moet men zich denken als voorafgaande aan het beteekende volgens de natuurorde, zooals de oorzaak in nature voorafgaat aan het uitwerksel; niet echter volgens de tijdsorde, daar deze oorzaak terstond haar uitwerksel met zich brengt: dit nu volstaat voor het waar-zijn van dit gezegde.3. De betekenis van dit gezegde moet men zich denken als voorafgaande aan het betekende volgens de natuurorde, zoals de oorzaak in nature voorafgaat aan het uitwerksel; niet echter volgens de tijdsorde, daar deze oorzaak terstond haar uitwerksel met zich brengt: dit nu volstaat voor het waar-zijn van dit gezegde.
Utrum forma consecrationis panis consequatur suum effectum antequam perficiatur forma consecrationis vini
Heeft de vorm, waardoor het brood geconsecreerd wordt, zijn uitwerking vóór het beëindigen van den vorm, waardoor de wijn geconsecreerd wordt?Heeft de vorm, waardoor het brood geconsecreerd wordt, zijn uitwerking vóór het beëindigen van de vorm, waardoor de wijn geconsecreerd wordt?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod forma consecrationis panis non consequatur suum effectum quousque perficiatur forma consecrationis vini. Sicut enim per consecrationem panis incipit esse corpus Christi sub hoc sacramento, ita per consecrationem vini incipit esse sanguis. Si ergo verba 217consecrationis panis haberent suum effectum ante consecrationem vini, sequeretur quod in hoc sacramento inciperet esse corpus Christi sine sanguine. Quod est inconveniens.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de vorm, waardoor het brood geconsecreerd wordt, geen uitwerking heeft, vooraleer de vorm, waardoor de wijn geconsecreerd wordt, beëindigd is. — 1. Gelijk immers door de consecratie van het brood het Lichaam van Christus aanwezig begint te zijn onder dit Sacrament, zoo begint door de consecratie van den wijn het Bloed 217aanwezig te zijn. Indien derhalve de woorden van de consecratie van het brood hun uitwerking hadden vóór de consecratie van den wijn, zou volgen, dat in dit Sacrament het Lichaam van Christus aanwezig begon te zijn zonder het Bloed, hetgeen onmogelijk is.Bedenkingen. — Men beweert, dat de vorm, waardoor het brood geconsecreerd wordt, geen uitwerking heeft, vooraleer de vorm, waardoor de wijn geconsecreerd wordt, beëindigd is. — 1. Gelijk immers door de consecratie van het brood het Lichaam van Christus aanwezig begint te zijn onder dit Sacrament, zo begint door de consecratie van de wijn het Bloed 217aanwezig te zijn. Indien derhalve de woorden van de consecratie van het brood hun uitwerking hadden vóór de consecratie van de wijn, zou volgen, dat in dit Sacrament het Lichaam van Christus aanwezig begon te zijn zonder het Bloed, hetgeen onmogelijk is.
2. Praeterea, unum sacramentum unum habet complementum: unde licet in baptismo sint tres immersiones, non tamen prima immersio consequitur suum effectum quousque tertia fuerit terminata. Sed totum hoc sacramentum est unum, ut supra dictum est [q. 73. art. 2.]. Ergo verba quibus consecratur panis, non consequuntur suum effectum sine verbis sacramentalibus, quibus consecratur vinum.
2. Elk sacrament komt maar één keer tot uitwerking: hoewel er daarom bij het doopsel drie onderdompelingen zijn, heeft toch de eerste onderdompeling geen uitwerking vóór de derde is geëindigd. Nu is dit heele Sacrament één, zooals boven gezegd is (73e Kw. 2e Art.). Dus hebben de woorden, waardoor het brood geconsecreerd wordt, geen uitwerking zonder de sacramenteele woorden, waardoor de wijn geconsecreerd wordt.2. Elk sacrament komt maar één keer tot uitwerking: hoewel er daarom bij het doopsel drie onderdompelingen zijn, heeft toch de eerste onderdompeling geen uitwerking vóór de derde is geëindigd. Nu is dit hele Sacrament één, zoals boven gezegd is (73e Kw. 2e Art.). Dus hebben de woorden, waardoor het brood geconsecreerd wordt, geen uitwerking zonder de sacramentele woorden, waardoor de wijn geconsecreerd wordt.
3. Praeterea, in ipsa forma consecrationis panis sunt plura verba, quorum prima non consequuntur effectum nisi prolato ultimo, sicut dictum est [art. 4. ad 3; art. 5. arg. 1 ; q. 75. art. 2, 7.]. Ergo, pari ratione, nec verba quibus consecratur corpus Christi habent effectum, nisi prolatis verbis quibus sanguis Christi consecratur.
3. In den vorm van de consecratie van het brood zelf, zijn verscheidene woorden, waarvan de eerste slechts hun uitwerksel hebben na het uitspreken van de laatste, zooals gezegd is (4e Art. 3e Antw.; 5e Art. 1e Bed.; 75e Kw. 2e en 7e Art.). Om dezelfde reden hebben dus de woorden, waardoor het Lichaam van Christus geconsecreerd wordt, slechts hun uitwerksel, na het uitspreken van de woorden, waardoor het Bloed van Christus geconsecreerd wordt.3. In de vorm van de consecratie van het brood zelf, zijn verscheidene woorden, waarvan de eerste slechts hun uitwerksel hebben na het uitspreken van de laatste, zoals gezegd is (4e Art. 3e Antw.; 5e Art. 1e Bed.; 75e Kw. 2e en 7e Art.). Om dezelfde reden hebben dus de woorden, waardoor het Lichaam van Christus geconsecreerd wordt, slechts hun uitwerksel, na het uitspreken van de woorden, waardoor het Bloed van Christus geconsecreerd wordt.
Sed contra est quod statim dictis verbis consecrationis panis, hostia 218consecrata proponitur populo adoranda. Quod non fieret si non esset ibi corpus Christi: quia sic ad idololatriam pertineret. Ergo verba consecrationis panis suum effectum consequuntur, antequam proferantur verba consecrationis vini.
Daartegenover staat echter, dat terstond na het uitspreken van 218de consecratiewoorden van het brood de geconsecreerde hostie aan het volk ter aanbidding wordt voorgehouden, wat niet zou gebeuren, als het Lichaam van Christus er niet onder aanwezig was, omdat dit neer zou komen op afgoderij. Dus hebben de consecratiewoorden van het brood hun uitwerking vóór het uitspreken van de consecratiewoorden van den wijn.Daartegenover staat echter, dat terstond na het uitspreken van 218de consecratiewoorden van het brood de geconsecreerde hostie aan het volk ter aanbidding wordt voorgehouden, wat niet zou gebeuren, als het Lichaam van Christus er niet onder aanwezig was, omdat dit neer zou komen op afgoderij. Dus hebben de consecratiewoorden van het brood hun uitwerking vóór het uitspreken van de consecratiewoorden van de wijn.
Respondeo dicendum quod quidam antiqui doctores dixerunt quod hae duae formae, scilicet consecrationis panis et vini, se invicem expectant in agendo: ita scilicet quod prima non perficit suum effectum antequam proferatur secunda.
Leerstelling. — Sommige oude leeraars hebben beweerd, dat deze twee vormen, dus van de consecratie van het brood en van den wijn, in hun werking op elkaar wachten, zoodat de eerste zijn uitwerking niet heeft vóór het uitspreken van den tweede.Leerstelling. — Sommige oude leraars hebben beweerd, dat deze twee vormen, dus van de consecratie van het brood en van de wijn, in hun werking op elkaar wachten, zodat de eerste zijn uitwerking niet heeft vóór het uitspreken van de tweede.
Sed hoc stare non potest. Quia, sicut dictum est [art. 5. ad 3.], ad veritatem hujus locutionis: « Hoc est corpus meum », requiritur propter verbum praesentis temporis, quod res significata simul tempore sit cum ipsa significatione locutionis: alioquin, si in futurum expectaretur res significata, apponeretur verbum futuri temporis, non autem verbum praesentis; ita scilicet quod non diceretur: « Hoc est corpus meum », sed: « Hoc erit corpus meum ». Significatio autem hujus locutionis completur statim completa 219prolatione horum verborum. Et ideo oportet rem significatam statim adesse, quae quidem est effectus hujus sacramenti: alioquin locutio non esset vera. Est etiam haec positio contra ritum Ecclesiae, quae statim post prolationem verborum corpus Christi adorat. Unde dicendum est quod prima forma non expectat secundam in agendo, sed statim habet suum effectum.
Maar dit is niet te handhaven, omdat, zooals gezegd is (5e Art. 3e Antw.), voor de waarheid van het gezegde: « Dit is Mijn Lichaam », vanwege den tegenwoordigen tijd van het werkwoord, vereischt is, dat de beteekende zaak gelijktijdig zij met de beteekenis van het gezegde; als daarentegen de beteekende zaak nog verwacht werd in de toekomst, zou men het werkwoord in den toekomstigen tijd, niet in den tegenwoordigen tijd zetten, zoodat men nl. niet zou zeggen: « Dit is Mijn Lichaam », maar: « Dit zal Mijn Lichaam zijn ». Nu is de beteekenis van dit gezegde volledig, zoodra het uitspreken van deze woorden volledig af is. En dus moet de beteekende zaak, welke niets anders 219is dan het uitwerksel van dit Sacrament, terstond aanwezig zijn; anders zou het gezegde niet waar zijn. — Die meening is ook tegen den ritus van de Kerk, die onmiddellijk na het uitspreken van de woorden het Lichaam van Christus aanbidt. Derhalve moet men zeggen, dat de eerste vorm in zijn werking den tweede niet afwacht, maar terstond zijn uitwerking heeft.Maar dit is niet te handhaven, omdat, zoals gezegd is (5e Art. 3e Antw.), voor de waarheid van het gezegde: “Dit is Mijn Lichaam”, vanwege de tegenwoordige tijd van het werkwoord, vereist is, dat de betekende zaak gelijktijdig zij met de betekenis van het gezegde; als daarentegen de betekende zaak nog verwacht werd in de toekomst, zou men het werkwoord in de toekomstige tijd, niet in de tegenwoordige tijd zetten, zodat men nl. niet zou zeggen: “Dit is Mijn Lichaam”, maar: “Dit zal Mijn Lichaam zijn”. Nu is de betekenis van dit gezegde volledig, zodra het uitspreken van deze woorden volledig af is. En dus moet de betekende zaak, welke niets anders 219is dan het uitwerksel van dit Sacrament, terstond aanwezig zijn; anders zou het gezegde niet waar zijn. — Die mening is ook tegen de ritus van de Kerk, die onmiddellijk na het uitspreken van de woorden het Lichaam van Christus aanbidt. Derhalve moet men zeggen, dat de eerste vorm in zijn werking de tweede niet afwacht, maar terstond zijn uitwerking heeft.
Ad primum ergo dicendum quod ex hac ratione videntur fuisse decepti illi, qui praedictam positionem posuerunt. Unde intelligendum est quod, facta consecratione panis, est quidem corpus Christi ibi ex vi sacramenti, et sanguis ex reali concomitantia; sed postmodum, per consecrationem vini, fit ibi e converso sanguis Christi ex vi sacramenti, corpus autem ex reali concomitantia; ita quod totus Christus est sub utraque specie, sicut supra dictum est [q. 76. art. 2.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Door deze redeneering hebben, naar het schijnt, de voorstanders van bovengenoemde meening zich laten verleiden. Daarom moet men weten, dat na de consecratie van het brood het Lichaam van Christus aanwezig is uit kracht van het Sacrament en het Bloed tengevolge van de verbondenheid in de werkelijkheid; maar later komt daarentegen door de consecratie van den wijn het Bloed van Christus tegenwoordig uit kracht van het Sacrament, het Lichaam echter uit verbondenheid in de werkelijkheid, zoodat de heele Christus onder beide gedaanten is, gelijk boven gezegd is (76e Kw. 2e Art.).Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Door deze redenering hebben, naar het schijnt, de voorstanders van bovengenoemde mening zich laten verleiden. Daarom moet men weten, dat na de consecratie van het brood het Lichaam van Christus aanwezig is uit kracht van het Sacrament en het Bloed tengevolge van de verbondenheid in de werkelijkheid; maar later komt daarentegen door de consecratie van de wijn het Bloed van Christus tegenwoordig uit kracht van het Sacrament, het Lichaam echter uit verbondenheid in de werkelijkheid, zodat de hele Christus onder beide gedaanten is, gelijk boven gezegd is (76e Kw. 2e Art.).
Ad secundum dicendum quod hoc sacramentum est unum perfectione, sicut supra dictum est [q. 73. art. 2] : scilicet inquantum constituitur ex duobus, scilicet cibo et potu, quorum utrumque per se habet suam 220perfectionem. Sed tres immersiones baptismi ordinantur ad unum simplicem effectum. Et ideo non est simile.
2. Dit Sacrament is één naar volkomenheid, zooals boven gezegd is (73e Kw. 2e Art.), inzoover het samengesteld is uit twee dingen t.w. spijs en drank, waarvan ieder op zich zijn eigen 220volkomenheid bezit; de drie onderdompelingen van het doopsel zijn daarentegen gericht op een enkelvoudig uitwerksel, en dus gaat de vergelijking niet op.2. Dit Sacrament is één naar volkomenheid, zoals boven gezegd is (73e Kw. 2e Art.), inzover het samengesteld is uit twee dingen t.w. spijs en drank, waarvan ieder op zich zijn eigen 220volkomenheid bezit; de drie onderdompelingen van het doopsel zijn daarentegen gericht op een enkelvoudig uitwerksel, en dus gaat de vergelijking niet op.
Ad tertium dicendum quod diversa verba quae sunt in forma consecrationis panis, constituunt veritatem unius locutionis: non autem verba diversarum formarum. Et ideo non est simile.
3. De onderscheidene woorden in den vorm van de consecratie van het brood maken te zamen de waarheid van één gezegde, wat niet geldt van de woorden der onderscheidene vormen, en dus gaat de vergelijking niet op.3. De onderscheidene woorden in de vorm van de consecratie van het brood maken te zamen de waarheid van één gezegde, wat niet geldt van de woorden van de onderscheidene vormen, en dus gaat de vergelijking niet op.