De causa sacramentorum
Over de oorzaak der SacramentenOver de oorzaak van de Sacramenten
112Deinde considerandum est de causa sacramentorum, sive per auctoritatem, sive per ministerium.
112Verder moeten we de oorzaken der Sacramenten, den insteller nl. en de bedienaars nagaan.112Verder moeten we de oorzaken van de Sacramenten, de insteller nl. en de bedienaars nagaan.
Et circa hoc quaeruntur decem : 1. Utrum solus Deus interius operetur in sacramentis. — 2. Utrum institutio sacramentorum sit solum a Deo. — 3. De potestate, quam Christus habuit in sacramentis. — 4. Utrum illam potestatem potuerit aliis communicare. — 5. Utrum potestas ministerii in sacramentis conveniat malis. — 6. Utrum mali peccent dispensando sacramenta. — 7. Utrum angeli possint esse ministri sacramentorum. — 8. Utrum intentio ministri requiratur in sacramentis. — 1139. Utrum requiratur ibi recta fides, ita scilicet, quod infidelis non possit tradere sacramenta. — 10. Utrum requiratur ibi recta intentio.
Daarover dienen tien vragen gesteld : 1. Is het God alleen die innerlijk werkt in de Sacramenten? 2. Heeft God alleen de macht om Sacramenten in te stellen? 3. Welke macht had Christus met betrekking tot de Sacramenten? 4. Kon Christus die macht aan anderen mededeelen? 5. Komt de bedieningsmacht in de Sacramenten ook aan boozen toe? 6. Zondigen booze bedienaars wanneer zij de Sacramenten uitreiken? 7. Kunnen engelen bedienaars zijn van de Sacramenten? 8. Is het opzet van den bedienaar noodig bij het toedienen van de Sacramenten 1139. Moet de bedienaar het ware geloof belijden; en kan een ongeloovige geen Sacramenten toedienen? 10. Is er voor de Sacramenten een zuiver opzet vandoen?Daarover dienen tien vragen gesteld: 1. Is het God alleen die innerlijk werkt in de Sacramenten? 2. Heeft God alleen de macht om Sacramenten in te stellen? 3. Welke macht had Christus met betrekking tot de Sacramenten? 4. Kon Christus die macht aan anderen mededelen? 5. Komt de bedieningsmacht in de Sacramenten ook aan boze toe? 6. Zondigen boze bedienaars wanneer zij de Sacramenten uitreiken? 7. Kunnen engelen bedienaars zijn van de Sacramenten? 8. Is het opzet van de bedienaar nodig bij het toedienen van de Sacramenten 1139. Moet de bedienaar het ware geloof belijden; en kan een ongelovige geen Sacramenten toedienen? 10. Is er voor de Sacramenten een zuiver opzet vandoen?
Utrum solus Deus operetur interius ad effectum sacramenti
Is het God alleen die innerlijk werkt in de sacramenten?
Ad primum sic proceditur. Videtur, quod non solus Deus, sed etiam minister interius operetur ad effectum sacramenti. Interior enim sacramenti effectus est, ut homo purgetur a peccatis, et illuminetur per gratiam. Sed ad ministros Ecclesiae pertinet purgare, illuminare, et perficere, ut patet per Dionysium in 5. cap. Ecclesiast. Hierarch. [Part. 1, § 3]. Ergo videtur, quod non solus Deus, sed etiam ministri Ecclesiae interius operentur ad sacramenti effectum.
Bedenkingen. — Men beweert dat niet alleen God doch ook de bedienaar innerlijk tot het uitwerksel van het sacrament bijdraagt. — 1. Het innerlijke uitwerksel van het sacrament bestaat om den mensch van zijn zonden te reinigen en door de genade te verlichten. « Nu komt het echter, zooals blijkt uit hetgeen Dionysius zegt in zijn boek Over de Hemelreien, de bedienaars der Kerk toe, te reinigen, te verlichten, te vervolmaken. » Zoo draagt niet alleen God, maar ook de bedienaars der heilige Kerk dragen innerlijk tot het uitwerksel van het sacrament bij.Bedenkingen. — Men beweert dat niet alleen God doch ook de bedienaar innerlijk tot het uitwerksel van het sacrament bijdraagt. — 1. Het innerlijke uitwerksel van het sacrament bestaat om de mens van zijn zonden te reinigen en door de genade te verlichten. “Nu komt het echter, zoals blijkt uit hetgeen Dionysius zegt in zijn boek Over de Hemelreien, de bedienaars van de Kerk toe, te reinigen, te verlichten, te vervolmaken.” Zo draagt niet alleen God, maar ook de bedienaars van de heilige Kerk dragen innerlijk tot het uitwerksel van het sacrament bij.
2. Praeterea, in collatione sacramentorum quaedam orationum suffragia proponuntur. Sed orationes justorum sunt magis apud Deum 114exaudibiles, quam quorumcumque, secundum illud Joan. 9. [v. 31] : « Si quis Dei cultor est, et voluntatem ejus facit, hunc Deus exaudit. » Ergo videtur, quod majorem effectum sacramenti consequatur ille, qui recipit ipsum a bono ministro. Sic ergo et minister aliquid operatur ad interiorem effectum, et non solus Deus.
2. Bij de uitreiking van de sacramenten worden smeekgebeden opgedragen. De gebeden van een rechtvaardige worden echter beter dan die van om het even wie verhoord. In het evangelie van 114St. Jan (9/31) staat immers geschreven : « Wie God eert en zijn wil doet, dien verhoort God. » Zoo haalt dus hij die een sacrament van een waardig bedienaar ontvangt van eenzelfde sacrament meer vruchten in huis, en daaruit volgt dat niet alleen God doch ook de bedienaar tot het innerlijke uitwerksel bijdraagt.2. Bij de uitreiking van de sacramenten worden smeekgebeden opgedragen. De gebeden van een rechtvaardige worden echter beter dan die van om het even wie verhoord. In het evangelie van 114St. Jan (9/31) staat immers geschreven: “Wie God eert en zijn wil doet, die verhoort God.” Zo haalt dus hij die een sacrament van een waardig bedienaar ontvangt van eenzelfde sacrament meer vruchten in huis, en daaruit volgt dat niet alleen God doch ook de bedienaar tot het innerlijke uitwerksel bijdraagt.
3. Praeterea, dignior est homo, quam res inanimata. Sed res inanimata aliquid operatur ad interiorem effectum, nam « aqua corpus tangit, et cor abluit », ut Augustinus dicit super Joan. [tract. 80.]. Ergo homo aliquid operatur ad interiorem effectum sacramenti, et non solus Deus.
3. De mensch staat hooger dan de levenlooze wezens. Welnu daar zijn levenlooze wezens die tot het innerlijke uitwerksel bijdragen, « het water immers raakt het lichaam aan en de ziel wordt gereinigd », aldus de h. Augustinus op Joan. (80e Traktaat). Zoo brengt dus de mensch tot het innerlijke uitwerksel van het sacrament het zijne bij, en doet God niet alles alleen.3. De mens staat hoger dan de levenloze wezens. Welnu daar zijn levenloze wezens die tot het innerlijke uitwerksel bijdragen, “het water immers raakt het lichaam aan en de ziel wordt gereinigd”, aldus de h. Augustinus op Joh. (80e Traktaat). Zo brengt dus de mens tot het innerlijke uitwerksel van het sacrament het zijne bij, en doet God niet alles alleen.
Sed contra est, quod dicitur Rom. 8 [v. 33] : « Deus est, qui justificat. » Cum ergo interior effectus omnium sacramentorum sit justificatio, videtur quod solus Deus operetur interiorem effectum sacramenti.
Daartegenover staat echter wat St. Paulus zegt in zijn Brief aan de Romeinen (8/33) : «God is het Die rechtvaardig maakt.» Daar nu het innerlijke uitwerksel van alle sacramenten op de rechtvaardigmaking neerkomt is het God alleen die het innerlijke uitwerksel van een sacrament bewerkt.Daartegenover staat echter wat St. Paulus zegt in zijn Brief aan de Romeinen (8/33): “God is het Die rechtvaardig maakt.” Daar nu het innerlijke uitwerksel van alle sacramenten op de rechtvaardigmaking neerkomt is het God alleen die het innerlijke uitwerksel van een sacrament bewerkt.
Respondeo dicendum, quod operari aliquem effectum contingit dupliciter : uno modo per modum principalis agentis, alio modo per modum 115instrumenti. Primo igitur modo solus Deus operatur interiorem effectum sacramenti, tum quia solus Deus illabitur animae, in qua sacramenti effectus existit, non autem potest aliquid immediate operari, ubi non est; tum quia gratia, quae est interior sacramenti effectus est a solo Deo, ut in 2. dictum est [1-2. q. 112. art. 1] ; character etiam, qui est interior quorumdam sacramentorum effectus, est virtus instrumentalis, quae manat a principali agente, quod est Deus. Secundo autem modo homo potest operari ad interiorem effectum sacramenti, inquantum operatur per modum ministri, nam eadem ratio est ministri et instrumenti; utriusque enim actio exterius adhibetur, sed sortitur effectum interiorem ex virtute principalis agentis, quod est Deus.
Leerstelling. — Een uitwerksel kan op tweeërlei wijze bewerkt worden, vooreerst door toedoen alleen van een bewerkende hoofdoorzaak en verder met behulp van een werktuigelijke 115oorzaak. Op de eerste manier bewerkt alleen God het innerlijke uitwerksel der sacramenten, dit omdat alleen God de ziel waar het uitwerksel van het sacrament zich voordoet kan binnentreden; iets kan immers daar waar het niet eens is, niet rechtstreeks inwerken. Daarbij komt nog dat de genade, innerlijk uitwerksel der sacramenten, zooals in het IIe Deel bewezen werd (I, II, Kw. 112, a. 1.) van God alleen voortkomt, ja ook het merkteeken, innerlijk uitwerksel van sommige sacramenten, is een werktuigelijke kracht die voortkomt van de bewerkende hoofdoorzaak die God is. Op de tweede manier, kan echter de mensch in zoover hij als bedienaar handelt tot het innerlijke uitwerksel der sacramenten bijdragen; bedienaar zijn en werktuig zijn, komt immers zoowat op het zelfde neer, beide toch handelen alleen van buiten uit, maar het innerlijke uitwerksel, komt dank zij de kracht van de bewerkende oorzaak die God is tot stand.Leerstelling. — Een uitwerksel kan op tweeërlei wijze bewerkt worden, vooreerst door toedoen alleen van een bewerkende hoofdoorzaak en verder met behulp van een werktuigelijke 115oorzaak. Op de eerste manier bewerkt alleen God het innerlijke uitwerksel van de sacramenten, dit omdat alleen God de ziel waar het uitwerksel van het sacrament zich voordoet kan binnentreden; iets kan immers daar waar het niet eens is, niet rechtstreeks inwerken. Daarbij komt nog dat de genade, innerlijk uitwerksel van de sacramenten, zoals in het 2e Deel bewezen werd (I, II, Kw. 112, a. 1.) van God alleen voortkomt, ja ook het merkteken, innerlijk uitwerksel van sommige sacramenten, is een werktuigelijke kracht die voortkomt van de bewerkende hoofdoorzaak die God is. Op de tweede manier, kan echter de mens in zover hij als bedienaar handelt tot het innerlijke uitwerksel van de sacramenten bijdragen; bedienaar zijn en werktuig zijn, komt immers zowat op het zelfde neer, beide toch handelen alleen van buiten uit, maar het innerlijke uitwerksel, komt dank zij de kracht van de bewerkende oorzaak die God is tot stand.
Ad primum ergo dicendum, quod purgatio, secundum quod attribuitur ministris Ecclesiae, non est a peccato, sed dicuntur diaconi purgare, inquantum vel immundos ejiciunt a coetu fidelium, vel eos sacris 116admonitionibus disponunt ad sacramentorum receptionem. Similiter etiam sacerdotes illuminare dicuntur sacrum populum, non quidem gratiam infundendo, sed sacramenta gratiae tradendo, ut patet per Dionysium [l. c. §§ 3, 6],
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het zuiveringswerk dat den bedienaar der heilige Kerk wordt toegeschreven reinigt niet van zonden. Zegt men nu dat de diakens reinigen, dan is het alleen inzoover ze de onzuiveren ofwel uit de vergadering verdrijven ofwel door vroome vermaningen tot het ontvangen der sacramenten voorbereiden. Zoo ook wordt van de priesters gezegd dat 116zij het heilige volk verlichten niet door het genade in te storten, maar zooals blijkt uit hetgeen Dionysius op dezelfde plaats schrijft : « door sacramenten uit te reiken ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het zuiveringswerk dat de bedienaar van de heilige Kerk wordt toegeschreven reinigt niet van zonden. Zegt men nu dat de diakens reinigen, dan is het alleen inzover ze de onzuiveren ofwel uit de vergadering verdrijven ofwel door vrome vermaningen tot het ontvangen van de sacramenten voorbereiden. Zo ook wordt van de priesters gezegd dat 116zij het heilige volk verlichten niet door het genade in te storten, maar zoals blijkt uit hetgeen Dionysius op dezelfde plaats schrijft: “door sacramenten uit te reiken”.
Ad secundum dicendum, quod orationes, quae dicuntur in sacramentorum collatione, proponuntur Deo, non ex parte singularis personae, sed ex parte totius Ecclesiae, cujus preces sunt apud Deum exaudibiles, secundum illud Matth. 18. [v. 19] : « Si duo ex vobis consenserint super terram, de omni re, quamcumque petierint, fiet illis a Patre meo. » Nihil tamen prohibet, quin devotio viri justi ad hoc aliquid operetur; illud tamen, quod est sacramenti effectus, non impetratur oratione Ecclesiae vel ministri, sed ex merito passionis Christi, cujus virtus operatur in sacramentis, ut dictum est [q. 62. art. 5.]. Unde effectus sacramenti non datur melior per meliorem ministrum. Aliquid tamen annexum impetrari potest recipienti sacramentum per devotionem ministri; nec tamen minister illud operatur, sed impetrat operandum a Deo.
2. De smeekgebeden die bij de uitreiking van de sacramenten gedaan worden, worden God niet in naam van een afzonderlijk mensch doch in naam van heel de heilige Kerk, wier gebeden God welgevallig zijn opgedragen. Het Evangelie van Mattheus (18/19) zegt immers : « Indien twee van u op de aarde overeenstemmen, om wat ook te vragen, zullen zij het van mijn Vader bekomen. » Niets belet echter dat de godsvrucht van een rechtvaardige iets daartoe zou bijdragen. Maar het eigenlijke uitwerksel van het sacrament wordt niet dank zij het gebed van de heilige kerk, of van een bedienaar, maar wel dank zij de verdiensten van het lijden van Christus, waarvan de kracht zooals het bewezen werd (Kw. 61, A. 5) in de sacramenten werkzaam is verkregen. Zoo is het uitwerksel van een sacrament dus niet beter alleen omdat de bedienaar beter gesteld is, maar dank zij de godsvrucht van den bedienaar kan wel voor dengene die het sacrament ontvangt iets meer verkregen worden; dit echter bewerkt niet de bedienaar maar hij verkrijgt dat God het bewerke.2. De smeekgebeden die bij de uitreiking van de sacramenten gedaan worden, worden God niet in naam van een afzonderlijk mens doch in naam van heel de heilige Kerk, wier gebeden God welgevallig zijn opgedragen. Het Evangelie van Matteüs (18/19) zegt immers: “Indien twee van u op de aarde overeenstemmen, om wat ook te vragen, zullen zij het van mijn Vader bekomen.” Niets belet echter dat de godsvrucht van een rechtvaardige iets daartoe zou bijdragen. Maar het eigenlijke uitwerksel van het sacrament wordt niet dank zij het gebed van de heilige kerk, of van een bedienaar, maar wel dank zij de verdiensten van het lijden van Christus, waarvan de kracht zoals het bewezen werd (Kw. 61, A. 5) in de sacramenten werkzaam is verkregen. Zo is het uitwerksel van een sacrament dus niet beter alleen omdat de bedienaar beter gesteld is, maar dank zij de godsvrucht van de bedienaar kan wel voor dengene die het sacrament ontvangt iets meer verkregen worden; dit echter bewerkt niet de bedienaar maar hij verkrijgt dat God het bewerke.
Ad tertium dicendum, quod res inanimatae non operantur aliquid ad 117interiorem effectum, nisi instrumentaliter, ut dictum est [in corp.] ; et similiter homines non operantur ad sacramentorum interiorem effectum, nisi per modum ministerii, ut dictum est [ibid.].
3. Behalve op werktuigelijke wijze dragen levenlooze dingen 117zooals in de Leerstelling gezegd werd, tot het innerlijke uitwerksel niet bij; wat verder de menschen betreft, ook deze dragen zooals ook in de Leerstelling werd aangetoond, behalve door hun bediening tot het innerlijke uitwerksel der sacramenten niet bij.3. Behalve op werktuigelijke wijze dragen levenloze dingen 117zoals in de Leerstelling gezegd werd, tot het innerlijke uitwerksel niet bij; wat verder de mensen betreft, ook deze dragen zoals ook in de Leerstelling werd aangetoond, behalve door hun bediening tot het innerlijke uitwerksel van de sacramenten niet bij.
Utrum sacramenta sint solum ex institutione divina
Is de instelling der sacramenten aan God alleen voorbehouden?Is de instelling van de sacramenten aan God alleen voorbehouden?
Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod sacramenta non sint solum ex institutione divina. Ea enim quae sunt divinitus instituta, traduntur nobis in sacra Scriptura. Sed quaedam aguntur in sacramentis, de quibus nulla fit mentio in sacra Scriptura, puta de chrismate, quo homines confirmantur, et de oleo, quo sacerdotes inunguntur, et de multis aliis tam verbis, quam factis, quibus utimur in sacramentis. Non ergo sacramenta sunt solum ex institutione divina.
Bedenkingen. — Men beweert dat de sacramenten niet door God alleen werden ingesteld. — 1. Van alles wat door de goddelijke instelling werd ingevoerd, wordt in de heilige Schrift gewag gemaakt. Nu komt in den eeredienst der sacramenten allerlei voor, waarvan in de heilige Schrift geen spraak is, zoo b. v. staat er niets over het chrisma waarmede de menschen gevormd worden, niets over de olie waarmede de priesters gezalfd worden; niets over veel andere dingen, woorden en handelingen die bij de sacramenten voorkomen. Zoo werden dus de sacramenten niet door God alleen ingesteld.Bedenkingen. — Men beweert dat de sacramenten niet door God alleen werden ingesteld. — 1. Van alles wat door de goddelijke instelling werd ingevoerd, wordt in de heilige Schrift gewag gemaakt. Nu komt in de eredienst van de sacramenten allerlei voor, waarvan in de heilige Schrift geen spraak is, zo bv. staat er niets over het chrisma waarmede de mensen gevormd worden, niets over de olie waarmede de priesters gezalfd worden; niets over veel andere dingen, woorden en handelingen die bij de sacramenten voorkomen. Zo werden dus de sacramenten niet door God alleen ingesteld.
2. Praeterea, sacramenta sunt quaedam signa. Res autem sensibiles 118naturaliter quaedam significant; nec potest dici, quod Deus quibusdam significationibus delectetur, et non aliis, quia ipse omnia quae fecit, approbat; hoc autem proprium videtur esse daemonum, ut quibusdam signis ad aliquid alliciantur : dicit enim Augustinus 21. de Civit. [cap. 6.] : « Illiciuntur daemones ad inhabitandum per creaturas, quas non ipsi, sed Deus condidit, delectabilibus pro sua diversitate diversis, non ut animalia cibis, sed ut spiritus signis ». Non ergo videtur, quod sacramenta indigeant esse ex institutione divina.
2. Sacramenten zijn teekenen, en stoffelijke dingen beteekenen 118iets door hun natuur zelf. Nu gaat het niet aan te zeggen dat sommige teekenen God welgevallig zijn, andere integendeel niet; alles toch wat God gemaakt heeft keurt hij goed. Aan de duivelen is het echter eigen door sommige teekenen tot iets te worden aangetrokken, St. Augustinus zegt immers in zijn Boek de Stad Gods (21/6) : « De duivelen worden zooals de dieren niet door voedsel maar zooals overigens voor geesten past met behulp van teekenen al naargelang den uiteenloopenden aard van dezen meebrengt door een of ander aantrekkelijks er toe aangelokt bij de schepselen te gaan inwonen; die schepselen echter hebben niet de duivelen zelf gemaakt maar God heeft ze gemaakt. » Zoo is het dus niet noodzakelijk dat alleen God de sacramenten zou hebben ingesteld.2. Sacramenten zijn tekenen, en stoffelijke dingen betekenen 118iets door hun natuur zelf. Nu gaat het niet aan te zeggen dat sommige tekenen God welgevallig zijn, andere integendeel niet; alles toch wat God gemaakt heeft keurt hij goed. Aan de duivelen is het echter eigen door sommige tekenen tot iets te worden aangetrokken, St. Augustinus zegt immers in zijn Boek de Stad Gods (21/6): “De duivelen worden zoals de dieren niet door voedsel maar zoals overigens voor geesten past met behulp van tekenen al naargelang de uiteenlopende aard van deze meebrengt door een of ander aantrekkelijks er toe aangelokt bij de schepselen te gaan inwonen; die schepselen echter hebben niet de duivelen zelf gemaakt maar God heeft ze gemaakt.” Zo is het dus niet noodzakelijk dat alleen God de sacramenten zou hebben ingesteld.
3. Praeterea, Apostoli vicem Dei gesserunt in terris, unde Apostolus dicit 2. ad Corinth. 2. [v. 10] : « Nam et ego quod donavi, si quid donavi, propter vos in persona Christi, » idest ac si ipse Christus donasset. Sic ergo videtur, quod Apostoli et eorum successores possint nova sacramenta instituere.
3. De apostelen waren op aarde de plaatsvervangers van God, daarom zegt de Apostel in zijn 2en Brief aan de Korinthiërs (2/10) : « Want wat ik zelf vergeven heb, indien ik althans iets te vergeven had, dat heb ik om uwentwil gedaan ten overstaan van Christus, » d. i. alsof Christus zelf vergeven had. Daaruit volgt dat de apostelen en hun opvolgers nieuwe sacramenten mogen instellen.3. De apostelen waren op aarde de plaatsvervangers van God, daarom zegt de Apostel in zijn 2en Brief aan de Korintiërs (2/10): “Want wat ik zelf vergeven heb, indien ik althans iets te vergeven had, dat heb ik om uwentwil gedaan ten overstaan van Christus,” d.i. alsof Christus zelf vergeven had. Daaruit volgt dat de apostelen en hun opvolgers nieuwe sacramenten mogen instellen.
Sed contra est, quod ille instituit aliquid, qui dat ei robur et virtutem, 119sicut patet de institutoribus legum. Sed virtus sacramenti est a solo Deo, ut patet ex praedictis [art. praec. et q. 62. art. 1.]. Ergo solus Deus potest instituere sacramentum.
Daartegenover echter staat dat, zooals blijkt aan degenen die 119wetten uitvaardigen, hij iets instelt die het macht en kracht geeft. Welnu, zooals werd aangetoond (Vorig Art. en Kw. 62, A. 1 en 5) komt de kracht der sacramenten van God alleen. Alleen dus God kan sacramenten instellen.Daartegenover echter staat dat, zoals blijkt aan degenen die 119wetten uitvaardigen, hij iets instelt die het macht en kracht geeft. Welnu, zoals werd aangetoond (Vorig Art. en Kw. 62, A. 1 en 5) komt de kracht van de sacramenten van God alleen. Alleen dus God kan sacramenten instellen.
Respondeo dicendum, quod, sicut ex supradictis patet [ibidem], sacramenta instrumentaliter operantur ad spirituales effectus. Instrumentum autem habet virtutem a principali agente; agens autem respectu sacramenti est duplex, scilicet instituens sacramentum, et utens sacramento instituto, applicando scilicet ipsum ad inducendum effectum. Virtus autem sacramenti non potest esse ab eo, qui utitur sacramento, quia non operatur nisi per modum ministerii. Unde relinquitur, quod virtus sacramenti sit ab eo, qui instituit sacramentum. Cum igitur virtus sacramenti sit a solo Deo, consequens est, quod solus Deus sit sacramentorum institutor.
Leerstelling. — De sacramenten bewerken werktuigelijk geestelijke uitwerkselen (zooals blijkt uit het voorgaande : Vorig art.) en daarbij komt nog dat een werktuig zijn kracht van de bewerkende hoofdoorzaak betrekt. De sacramenten hebben echter een dubbele bewerkende oorzaak, een oorzaak nl. die het sacrament instelt en een oorzaak die het ingestelde sacrament gebruikt; die het m. a. w. omwille van zijn uitwerkselen toedient. Nu kan de kracht van het sacrament niet komen van diegene die het sacrament toedient; hij immers treedt enkel als bedienaar op. Zoo moet dan besloten worden dat de kracht van het sacrament voortkomt van dengene die het sacrament instelde en, daar de kracht van het sacrament alleen van God voortkomt, zoo is het klaar dat alleen God insteller is van de sacramenten.Leerstelling. — De sacramenten bewerken werktuigelijk geestelijke uitwerkselen (zoals blijkt uit het voorgaande: Vorig art.) en daarbij komt nog dat een werktuig zijn kracht van de bewerkende hoofdoorzaak betrekt. De sacramenten hebben echter een dubbele bewerkende oorzaak, een oorzaak nl. die het sacrament instelt en een oorzaak die het ingestelde sacrament gebruikt; die het m. a. w. omwille van zijn uitwerkselen toedient. Nu kan de kracht van het sacrament niet komen van diegene die het sacrament toedient; hij immers treedt enkel als bedienaar op. Zo moet dan besloten worden dat de kracht van het sacrament voortkomt van dengene die het sacrament instelde en, daar de kracht van het sacrament alleen van God voortkomt, zo is het klaar dat alleen God insteller is van de sacramenten.
Ad primum ergo dicendum, quod illa quae aguntur in sacramentis, per homines instituta, non sunt de necessitate sacramenti, sed ad quandam 120solemnitatem, quae adhibetur sacramentis ad excitandam devotionem et reverentiam in his, qui sacramenta suscipiunt; ea vero quae sunt de necessitate sacramenti ab ipso Christo instituta sunt, qui est Deus et homo. Et licet non sint omnia tradita in Scripturis, habet tamen ea Ecclesia ex familiari Apostolorum traditione, sicut Apostolus dicit 1. ad Cor. 11 [v. 34] : « Caetera cum venero, disponam. »
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wat in den ritus der sacramenten door menschen werd ingesteld is voor het wezen 120van een sacrament niet onontbeerlijk, maar wordt aangewend om de sacramenten meer plecht bij te zetten, de godsvrucht te bevorderen en ook bij degenen die het sacrament ontvangen den eerbied in de hand te werken. Wat integendeel voor het wezen der sacramenten noodzakelijk is, werd door Christus, die tevens God en mensch is, ingesteld. Hoewel nu dit alles niet door de Heilige Schrift werd overgeleverd, toch is het dank zij de overlevering der Apostelen met wie ze in betrekking stond, aan de kerk bekend. Zoo spreekt overigens ook de apostel in zijn Eersten Brief aan de Korinthiërs (11/34) : « De overige aangelegenheden zal ik regelen als ik kom. »Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wat in de ritus van de sacramenten door mensen werd ingesteld is voor het wezen 120van een sacrament niet onontbeerlijk, maar wordt aangewend om de sacramenten meer plecht bij te zetten, de godsvrucht te bevorderen en ook bij degenen die het sacrament ontvangen de eerbied in de hand te werken. Wat integendeel voor het wezen van de sacramenten noodzakelijk is, werd door Christus, die tevens God en mens is, ingesteld. Hoewel nu dit alles niet door de Heilige Schrift werd overgeleverd, toch is het dank zij de overlevering van de Apostelen met wie ze in betrekking stond, aan de kerk bekend. Zo spreekt overigens ook de apostel in zijn Eersten Brief aan de Korintiërs (11/34): “De overige aangelegenheden zal ik regelen als ik kom.”
Ad secundum dicendum, quod res sensibiles aptitudinem quandam habent ad significandum spirituales effectus ex sui natura. Sed ista aptitudo determinatur ad specialem significationem ex institutione divina. Et hoc est quod Hugo de S. Victore [lib. 1. de Sacram., part. 9, cap. 2.] dicit, quod « sacramentum ex institutione significat ». Praeelegit tamen Deus quasdam res aliis ad significationes sacramentales, non quia ad eas contrahatur ejus affectus, sed ut sit convenientior significatio.
2. De stoffelijke dingen hebben van natuur uit een zekere vaardigheid om geestelijke uitwerkselen te beteekenen, doch die vaardigheid wordt door de goddelijke instelling voor een bijzondere beteekenis aangewend. Dit is het overigens wat Hugo van S. Victor in zijn Boek : « De Sacramenten » zegt (1/9/1) : « Het sacrament krijgt zijn beteekenis door zijn instelling. » Alleen heeft God voor wat in de sacramenten moest beteekend worden sommige dingen boven andere uitverkoren, niet omdat de liefde alleen daarop zou gericht blijven, maar opdat de beteekenis der sacramenten beter zou worden te kennen gegeven.2. De stoffelijke dingen hebben van natuur uit een zekere vaardigheid om geestelijke uitwerkselen te betekenen, doch die vaardigheid wordt door de goddelijke instelling voor een bijzondere betekenis aangewend. Dit is het overigens wat Hugo van S. Victor in zijn Boek: “De Sacramenten” zegt (1/9/1): “Het sacrament krijgt zijn betekenis door zijn instelling.” Alleen heeft God voor wat in de sacramenten moest betekend worden sommige dingen boven andere uitverkoren, niet omdat de liefde alleen daarop zou gericht blijven, maar opdat de betekenis van de sacramenten beter zou worden te kennen gegeven.
Ad tertium dicendum, quod Apostoli et eorum successores sunt vicarii 121Dei, quantum ad regimen Ecclesiae constitutae per fidem et fidei sacramenta. Unde sicut non licet eis constituere aliam Ecclesiam, ita non licet eis tradere aliam fidem, neque instituere alia sacramenta. Sed per sacramenta, quae de latere Christi pendentis in cruce fluxerunt, dicitur esse fabricata Ecclesia Christi.
3. De Apostelen en hun opvolgers zijn de plaatsvervangers van 121God in het bestuur van de heilige kerk die op het geloof en de sacramenten welke het belijdt werd gegrondvest. Zooals het hun dus niet geoorloofd is een andere kerk te stichten, zoo mogen ze geen ander geloof overleveren en andere sacramenten instellen; er wordt immers gezegd dat de kerk van Christus uit de sacramenten, die, wanneer hij aan het kruis hing, uit de zijde van Christus vloeiden, gevormd werd.3. De Apostelen en hun opvolgers zijn de plaatsvervangers van 121God in het bestuur van de heilige kerk die op het geloof en de sacramenten welke het belijdt werd gegrondvest. Zoals het hun dus niet geoorloofd is een andere kerk te stichten, zo mogen ze geen ander geloof overleveren en andere sacramenten instellen; er wordt immers gezegd dat de kerk van Christus uit de sacramenten, die, wanneer hij aan het kruis hing, uit de zijde van Christus vloeiden, gevormd werd.
Utrum Christus, secundum quod homo, habuerit potestatem operandi interiorem effectum sacramentorum
Had Christus als mensch macht om het innerlijke uitwerksel der sacramenten te bewerken?Had Christus als mens macht om het innerlijke uitwerksel van de sacramenten te bewerken?
Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod Christus, secundum quod homo, habuerit potestatem operandi interiorem effectum sacramentorum. Dicit enim Joannes Baptista, ut habetur Joan. 1 [v. 33] : « Qui me misit baptizare in aqua, ille mihi dixit : Super quem videris Spiritum descentem et manentem super eum, hic est qui baptizat in Spiritu Sancto. » Sed baptizare in Spiritu Sancto est interius gratiam Spiritus Sancti conferre. Spiritus 122Sanctus autem descendit super Christum, inquantum homo, non inquantum Deus, quia sic ipse dat Spiritum Sanctum. Ergo videtur, quod Christus, secundum quod homo, habuerit potestatem interiorem effectum sacramentorum causandi.
Bedenkingen. — Men beweert dat Christus als mensch macht had om het innerlijk uitwerksel der sacramenten te bewerken. — 1. Joannes de Dooper zegt in het Evangelie van S. Jan (1/33) : « Hij die mij zond om met water te doopen, die zeide mij : Op wien gij den Geest zult zien nederdalen en boven hem rusten, die is het die in den Geest doopt. » Welnu, doopen in den H. Geest, is innerlijk de genade van den H. Geest verleenen; 122de H. Geest immers daalde over Christus neder in zoover hij mensch, niet in zoover hij God was. Als God toch, geeft Christus zelf den H. Geest. Zoo had Christus dus als mensch macht om het innerlijke uitwerksel der sacramenten te bewerken.Bedenkingen. — Men beweert dat Christus als mens macht had om het innerlijk uitwerksel van de sacramenten te bewerken. — 1. Johannes de Doper zegt in het Evangelie van S. Jan (1/33): “Hij die mij zond om met water te dopen, die zeide mij: Op wie gij de Geest zult zien nederdalen en boven hem rusten, die is het die in de Geest doopt.” Welnu, dopen in de H. Geest, is innerlijk de genade van de H. Geest verlenen; 122de H. Geest immers daalde over Christus neder in zover hij mens, niet in zover hij God was. Als God toch, geeft Christus zelf de H. Geest. Zo had Christus dus als mens macht om het innerlijke uitwerksel van de sacramenten te bewerken.
2. Praeterea, Matth. 9 [v. 6] Dominus dicit : « Sciatis, quia Filius hominis habet potestatem in terra dimittendi peccata. » Sed remissio peccatorum est interior effectus sacramenti. Ergo videtur, quod Christus, secundum quod homo, interiorem effectum sacramentorum operetur.
2. In het Evangelie van Mattheus (9/6) zegt de Heer : « Ge moet weten dat de menschenzoon op aarde macht heeft om zonden te vergeven. » Vergeving van zonden is echter een innerlijk uitwerksel der sacramenten. Zoo bewerkt Christus dus als mensch het innerlijke uitwerksel der sacramenten.2. In het Evangelie van Matteüs (9/6) zegt de Heer: “Ge moet weten dat de mensenzoon op aarde macht heeft om zonden te vergeven.” Vergeving van zonden is echter een innerlijk uitwerksel van de sacramenten. Zo bewerkt Christus dus als mens het innerlijke uitwerksel van de sacramenten.
3. Praeterea, institutio sacramentorum pertinet ad eum, qui tanquam principale agens operatur ad interiorem sacramenti effectum. Manifestum est autem, quod Christus sacramenta instituit. Ergo ipse est, qui interius operatur sacramentorum effectum.
3. De instelling der sacramenten gaat terug op dengene die als de werking op de hoofdoorzaak het innerlijke uitwerksel der sacramenten bewerkt. Daar we nu weten dat Christus de sacramenten instelde, zoo is ook Hij het die innerlijk het uitwerksel der sacramenten bewerkt.3. De instelling van de sacramenten gaat terug op dengene die als de werking op de hoofdoorzaak het innerlijke uitwerksel van de sacramenten bewerkt. Daar we nu weten dat Christus de sacramenten instelde, zo is ook Hij het die innerlijk het uitwerksel van de sacramenten bewerkt.
4. Praeterea, nullus potest sine sacramento effectum sacramenti conferre, nisi propria virtute sacramenti effectum operetur. Sed Christus sine sacramento contulit sacramenti effectum, ut patet in Magdalena, cui dixit 123[Luc. 7. v. 48] : « Dimittuntur tibi peccata. » Ergo videtur, quod Christus, secundum quod homo, operetur interiorem sacramenti effectum.
4. Niemand kan, behalve wanneer hij uit eigen kracht het uitwerksel van het sacrament bewerkt, dit laatste zonder het sacrament verleenen. Welnu, Christus verleende het uitwerksel van het sacrament zonder het sacrament : Hij zei immers aan Magdalena « Uw zonden zijn U vergeven » (Luc. 7/48). Zoo bewerkt 123Christus dus als mensch het innerlijke uitwerksel van het sacrament.4. Niemand kan, behalve wanneer hij uit eigen kracht het uitwerksel van het sacrament bewerkt, dit laatste zonder het sacrament verlenen. Welnu, Christus verleende het uitwerksel van het sacrament zonder het sacrament: Hij zei immers aan Magdalena “Uw zonden zijn U vergeven” (Luk. 7/48). Zo bewerkt 123Christus dus als mens het innerlijke uitwerksel van het sacrament.
5. Praeterea, illud, in cujus virtute sacramentum operatur, est principale agens ad interiorem effectum. Sed sacramenta habent virtutem ex passione Christi et invocatione nominis ejus, secundum illud 1. ad Corinth. 1. [v. 13] : « Numquid Paulus pro vobis crucifixus est, aut in nomine Pauli baptizati estis? » Ergo Christus, inquantum homo, operatur interiorem effectum sacramenti.
5. Wat uit eigen kracht de sacramenten tot stand brengt, is bewerkende oorzaak van het innerlijke uitwerksel. Doch de sacramenten betrekken hun kracht van het lijden van Christus en van de aanroeping van Zijn naam; zoo schrijft toch de Apostel in zijn Eersten Brief aan de Korinthiërs (1/13) : « Werd soms Paulus voor u gekruisigd? of werd ge in den naam van Paulus gedoopt? » Christus bewerkt dus wel degelijk als mensch het innerlijke uitwerksel der sacramenten.5. Wat uit eigen kracht de sacramenten tot stand brengt, is bewerkende oorzaak van het innerlijke uitwerksel. Doch de sacramenten betrekken hun kracht van het lijden van Christus en van de aanroeping van Zijn naam; zo schrijft toch de Apostel in zijn Eersten Brief aan de Korintiërs (1/13): “Werd soms Paulus voor u gekruisigd? of werd ge in de naam van Paulus gedoopt?” Christus bewerkt dus wel degelijk als mens het innerlijke uitwerksel van de sacramenten.
Sed contra est, quod Augustinus dicit [Isidor. lib. 6. Etym. cap. 19.], quod « in sacramentis divina virtus secretius operatur salutem ». Divina autem virtus est Christi, secundum quod est Deus, non autem secundum quod est homo. Ergo Christus non operatur interiorem sacramenti effectum, secundum quod est homo, sed secundum quod est Deus.
Daartegenover staat echter wat St. Augustinus zegt in zijn Boek « tegen de Donatisten » (3/10/7), dat nl. in de sacramenten de geestelijke kracht op verborgen wijze werkt. Die goddelijke kracht nu, komt Christus als God, niet als mensch toe en zoo bewerkt Christus het innerlijke uitwerksel niet als mensch doch als God.Daartegenover staat echter wat St. Augustinus zegt in zijn Boek “tegen de Donatisten” (3/10/7), dat nl. in de sacramenten de geestelijke kracht op verborgen wijze werkt. Die goddelijke kracht nu, komt Christus als God, niet als mens toe en zo bewerkt Christus het innerlijke uitwerksel niet als mens doch als God.
Respondeo dicendum, quod interiorem sacramentorum effectum operatur Christus, et secundum quod est Deus, et secundum quod est homo, 124aliter tamen, et aliter : nam secundum quod est Deus, operatur in sacramentis per auctoritatem, secundum autem quod est homo, operatur ad interiores effectus sacramentorum meritorie et efficienter, sed instrumentaliter. Dictum est enim [q. 48. et 49.], quod passio Christi, quae competit ei secundum humanam naturam, causa est nostrae justificationis, et meritorie, et effective, non quidem per modum principalis agentis, sive per auctoritatem, sed per modum instrumenti, inquantum humanitas est instrumentum divinitatis ejus, ut supra dictum est [q. 13. art. 2. et 3.]. Sed tamen quia est instrumentum conjunctum divinitati in persona, habet quandam principalitatem et causalitatem respectu instrumentorum extrinsecorum qui sunt ministri Ecclesiae, ut ex supradictis patet [art. 1. huj. q.]. Et ideo sicut Christus, inquantum Deus, habet potestatem auctoritatis in sacramentis, ita, inquantum homo, habet potestatem ministerii principalis, sive potestatem excellentiae. Quae quidem consistit in quatuor : primo quidem in hoc, quod meritum et virtus passionis ejus operatur in sacramentis, ut supra 125dictum est [q. 62. art. 5.] ; et quia virtus passionis copulatur nobis per fidem, secundum illud ad Rom. 3. [v. 25] : « Quem proposuit Deus propitiatorem per fidem in sanguine ipsius, » quam fidem per invocationem nominis Christi protestamur. Ideo secundo ad potestatem excellentiae, quam Christus habet in sacramentis, pertinet, quod in ejus nomine sacramenta sanctificantur. Et quia ex ejus institutione sacramenta virtutem obtinent, inde est, quod tertio ad excellentiam potestatis Christi pertinet, quod ipse, qui dedit virtutem sacramentis, potuit instituere sacramenta. Et quia causa non dependet ab effectu, sed potius e converso, ideo quarto ad excellentiam potestatis Christi pertinet, quod ipse potuit effectum sacramentorum sine exteriori sacramento conferre.
Leerstelling. — Als God en als mensch beiden bewerkt Christus het innerlijke uitwerksel der sacramenten; alleen doet Hij 124zulks niet in beide opzichten op dezelfde wijze. Als God treedt Hij nl. wat de sacramenten betreft als gezaghebbend op; als mensch daarentegen draagt hij, als verdienende en bewerkende oorzaak weliswaar, maar dan alleen op werktuigelijke wijze, tot de innerlijke uitwerkselen der sacramenten bij. We hebben immers aangetoond (Kw. 48-49), dat het lijden van Christus dat hem volgens zijn menschelijke natuur toekomt, wel als verdienende en bewerkende oorzaak maar niet als bewerkende hoofdoorzaak op gezaghebbende wijze onze rechtvaardigheid bewerkt; dit doet het integendeel op werktuigelijke wijze; Christus menschelijke natuur was, zooals hierboven werd aangeduid (Kw. 13, A. 2-3) voor zijn goddelijke natuur een werktuig. Daar het hier echter een werktuig geldt dat in den persoon van Christus met de godheid verbonden is, heeft het zooals blijkt uit hetgeen hierboven gezegd werd (A. 1 dezer Kwestie) wanneer het met de uiterlijke werktuigen, met de bedienaars van de heilige kerk nl. vergeleken wordt als een hoofdrol en hooger oorzakelijkheid waar te nemen. Zooals dus Christus als God, waar het de sacramenten geldt, met gezag optreedt, zoo ook heeft Hij als mensch een hoogere bedieningsmacht, een macht nl. die op zijn waardigheid berust. Deze macht nu bedraagt vier verschillende dingen. Vooreerst zijn de verdiensten en de kracht van zijn lijden zooals hierboven werd 125aangeduid (Kw. 62, A. 5) in de sacramenten werkzaam en daar de kracht van het lijden van Christus ons door het geloof ten goede komt, er staat immers in den Brief aan de Romeinen (3/25) : « Dien God heeft voorbeschikt tot een verzoeningsmiddel door het geloof in zijn bloed. », geloof dat we met den naam van Christus te aanroepen belijden, — zoo komt ten tweede aan de waardigheidsmacht die Christus op stuk van sacramenten heeft, toe, dat deze in zijn naam zouden geheiligd worden. Daar verder de sacramenten aan Zijn instelling hun kracht te danken hebben, zoo brengt Christus waardigheidsmacht mee dat hij die de sacramenten kracht gegeven heeft ze ook kan instellen, en daar toch een oorzaak niet van haar uitwerksel afhangt maar eerder andersom, zoo bedraagt de waardigheidsmacht van Christus eindelijk ten vierde dat hij het uitwerksel van de sacramenten zonder het uiterlijk sacrament kan verleenen.Leerstelling. — Als God en als mens beiden bewerkt Christus het innerlijke uitwerksel van de sacramenten; alleen doet Hij 124zulks niet in beide opzichten op dezelfde wijze. Als God treedt Hij nl. wat de sacramenten betreft als gezaghebbend op; als mens daarentegen draagt hij, als verdienende en bewerkende oorzaak weliswaar, maar dan alleen op werktuigelijke wijze, tot de innerlijke uitwerkselen van de sacramenten bij. We hebben immers aangetoond (Kw. 48-49), dat het lijden van Christus dat hem volgens zijn menselijke natuur toekomt, wel als verdienende en bewerkende oorzaak maar niet als bewerkende hoofdoorzaak op gezaghebbende wijze onze rechtvaardigheid bewerkt; dit doet het integendeel op werktuigelijke wijze; Christus menselijke natuur was, zoals hierboven werd aangeduid (Kw. 13, A. 2-3) voor zijn goddelijke natuur een werktuig. Daar het hier echter een werktuig geldt dat in de persoon van Christus met de godheid verbonden is, heeft het zoals blijkt uit hetgeen hierboven gezegd werd (A. 1 van deze Kwestie) wanneer het met de uiterlijke werktuigen, met de bedienaars van de heilige kerk nl. vergeleken wordt als een hoofdrol en hoger oorzakelijkheid waar te nemen. Zoals dus Christus als God, waar het de sacramenten geldt, met gezag optreedt, zo ook heeft Hij als mens een hogere bedieningsmacht, een macht nl. die op zijn waardigheid berust. Deze macht nu bedraagt vier verschillende dingen. Vooreerst zijn de verdiensten en de kracht van zijn lijden zoals hierboven werd 125aangeduid (Kw. 62, A. 5) in de sacramenten werkzaam en daar de kracht van het lijden van Christus ons door het geloof ten goede komt, er staat immers in de Brief aan de Romeinen (3/25): “Die God heeft voorbeschikt tot een verzoeningsmiddel door het geloof in zijn bloed.”, geloof dat we met de naam van Christus te aanroepen belijden, — zo komt ten tweede aan de waardigheidsmacht die Christus op stuk van sacramenten heeft, toe, dat deze in zijn naam zouden geheiligd worden. Daar verder de sacramenten aan Zijn instelling hun kracht te danken hebben, zo brengt Christus waardigheidsmacht mee dat hij die de sacramenten kracht gegeven heeft ze ook kan instellen, en daar toch een oorzaak niet van haar uitwerksel afhangt maar eerder andersom, zo bedraagt de waardigheidsmacht van Christus eindelijk ten vierde dat hij het uitwerksel van de sacramenten zonder het uiterlijk sacrament kan verlenen.
Et per hoc patet responsio ad objecta : utraque enim pars objectionum secundum aliquid vera est, ut dictum est [in corp.].
Daarmee hebben we ook het antwoord op de bedenkingen gegeven, er ligt immers in hetgeen werd tegengeworpen zooals gezegd werd eenige waarheid.Daarmee hebben we ook het antwoord op de bedenkingen gegeven, er ligt immers in hetgeen werd tegengeworpen zoals gezegd werd enige waarheid.
Utrum Christus potestatem suam, quam habuit in sacramentis, potuerit ministris communicare
Kon Christus de macht die Hij wat de sacramenten betreft had aan bedienaars meedeelen?Kon Christus de macht die Hij wat de sacramenten betreft had aan bedienaars meedelen?
126Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod Christus potestatem suam, quam habuit in sacramentis, non potuerit ministris communicare. Ut enim argumentatur Augustinus contra Maximin. [lib. 3. cap. 7.], « si potuit, et non voluit, invidus fuit ». Sed invidia longe fuit a Christo, in quo fuit summa plenitudo charitatis. Ergo cum Christus non communicaverit suam potestatem ministris, videtur quod non potuerit communicare.
126Bedenkingen. — Men beweert dat de macht die Hij wat de sacramenten betreft had, niet aan bedienaars zou kunnen mededeelen. — 1. Zooals de heilige Augustinus tegen Maximianus (3/7) laat gelden « was hij indien zulks kon en niet wou, bepaald nijdig ». Nijd nu was Christus volslagen onbekend, in Hem was immers de hoogste volheid der liefde. Als Christus dus zijn macht aan de bedienaars niet meedeelde, dan is dit een teeken dat zulks niet kon.126Bedenkingen. — Men beweert dat de macht die Hij wat de sacramenten betreft had, niet aan bedienaars zou kunnen mededelen. — 1. Zoals de heilige Augustinus tegen Maximianus (3/7) laat gelden “was hij indien zulks kon en niet wou, bepaald nijdig”. Nijd nu was Christus volslagen onbekend, in Hem was immers de hoogste volheid van de liefde. Als Christus dus zijn macht aan de bedienaars niet meedeelde, dan is dit een teken dat zulks niet kon.
2. Praeterea, super illud Joan. 14 [v. 12] : « Majora horum faciet, » dicit Augustinus [tract. 72. in Joan.] : « Prorsus majus hoc esse dixerim, scilicet ut ex impio justus fiat, quam creare coelum et terram. » Sed Christus non potuit communicare discipulis, quod crearent coelum, et terram. Ergo neque quod justificarent impium. Cum igitur justificatio 127impii fiat per potestatem Christi, quam habet in sacramentis, videtur quod potestatem suam, quam in sacramentis habuit non potuerit ministris communicare.
2. In zijn 72e Traktaat op Joannes zegt Augustinus, bij de woorden : « Die zal nog grooter werk verrichten » (14/12) : « Laat ik zeggen dat de rechtvaardigmaking van een booze een grooter werk is dan de schepping van hemel en aarde. » Welnu, Christus kon zijn leerlingen niet toerusten om hemel en aarde te scheppen, dus ook niet om een booze rechtvaardig te maken. 127Aangezien nu de rechtvaardigmaking van een booze geschiedt dank zij de macht die Christus in de sacramenten heeft, zoo is het ook duidelijk dat hij de macht die hij in de sacramenten had niet aan bedienaars kon mededeelen.2. In zijn 72e Traktaat op Johannes zegt Augustinus, bij de woorden: “Die zal nog groter werk verrichten” (14/12): “Laat ik zeggen dat de rechtvaardigmaking van een boze een groter werk is dan de schepping van hemel en aarde.” Welnu, Christus kon zijn leerlingen niet toerusten om hemel en aarde te scheppen, dus ook niet om een boze rechtvaardig te maken. 127Aangezien nu de rechtvaardigmaking van een boze geschiedt dank zij de macht die Christus in de sacramenten heeft, zo is het ook duidelijk dat hij de macht die hij in de sacramenten had niet aan bedienaars kon mededelen.
3. Praeterea, Christo, inquantum est caput Ecclesiae, competit, ut ab ipso gratia derivetur ad alios, secundum illud Joan. 1. [v. 16] : « De plenitudine ejus nos omnes accepimus. » Sed hoc non fuit aliis communicabile, quia sic Ecclesia esset monstruosa, multa capita habens. Ergo videtur, quod Christus potestatem suam non potuerit ministris communicare.
3. Op grond van de woorden uit Joannes (1/16) : « Uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen » past het dat de genade van Christus, hoofd der heilige Kerk, naar anderen zou toevloeien. Welnu, dit kan niet aan anderen worden meegedeeld, anders toch zou de heilige Kerk een wangedrocht met allerhande koppen worden. Zoo heeft Christus dus zijn macht niet aan bedienaars kunnen mededeelen.3. Op grond van de woorden uit Johannes (1/16): “Uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen” past het dat de genade van Christus, hoofd van de heilige Kerk, naar anderen zou toevloeien. Welnu, dit kan niet aan anderen worden meegedeeld, anders toch zou de heilige Kerk een wangedrocht met allerhande koppen worden. Zo heeft Christus dus zijn macht niet aan bedienaars kunnen mededelen.
Sed contra est, quod super illud Joan. 1. [v. 31] : « Ego nesciebam eum, » dicit Augustinus [tract. 5. in Joan. v. 9.] quod « non noverat potestatem baptismi ipsum Dominum habiturum, et sibi retenturum. » Hoc autem non ignorasset Joannes, si talis potestas communicabilis non esset. Potuit ergo suam potestatem Christus ministris communicare.
Daartegenover staat echter dat bij de woorden van Joannes (1/33) : « Ik kende hen niet. » de heilige Augustinus zegt dat Joannes niet wist dat de Heer de macht van het Doopsel zou bezitten en voor Hem alleen opeischen. Welnu als die macht niet mededeelbaar geweest was, dan zou Joannes daarvan kennis gehad hebben. Christus kon dus zijn macht aan bedienaars mededeelen.Daartegenover staat echter dat bij de woorden van Johannes (1/33): “Ik kende hen niet.” de heilige Augustinus zegt dat Johannes niet wist dat de Heer de macht van het Doopsel zou bezitten en voor Hem alleen opeisen. Welnu als die macht niet mededeelbaar geweest was, dan zou Johannes daarvan kennis gehad hebben. Christus kon dus zijn macht aan bedienaars mededelen.
Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. 3.], Christus in 128sacramentis habuit duplicem potestatem : unam auctoritatis, quae competit ei secundum quod est Deus, et talis potestas nulli creaturae potuit communicari, sicut nec divina essentia; aliam potestatem habuit excellentiae, quae competit ei, secundum quod homo, et talem potestatem potuit ministris communicare, dando scilicet eis tantam gratiae plenitudinem, ut eorum meritum operaretur ad sacramentorum effectus, ut ad invocationem nominum ipsorum sanctificarentur sacramenta, et ut ipsi possent sacramenta instituere, et sine ritu sacramentorum effectum sacramentorum conferre solo imperio. Potest enim instrumentum conjunctum, quanto fuerit fortius, tanto magis virtutem suam instrumento separato tribuere, sicut manus baculo.
Leerstelling. — Zooals in het vorig artikel gezegd werd 128had Christus in de sacramenten een dubbele macht, een gezagsmacht die Hem naar zijn goddelijke natuur toekomt, en deze kan evenmin als de goddelijke wezenheid aan eenig schepsel worden medegedeeld; verder ook een waardigheidsmacht die hem naar zijn menschelijke natuur toekomt en die hij wel aan bedienaars kon mededeelen. Zulke volheid van genade zou hij hun nl. gegeven hebben, dat hun verdiensten tot het uitwerksel der sacramenten zou hebben bijgedragen, ja dat bij het aanroepen van hun naam de sacramenten zouden geheiligd worden, dat zij zelfs sacramenten zouden kunnen instellen, en zonder sacramenteelen ritus, alleen met zulks te bevelen, het uitwerksel der sacramenten zouden kunnen tot stand brengen. Hoe krachtiger immers een werktuig dat bij de bewerkende hoofdoorzaak aansluit is, zoo grooter macht kan het, net als de hand aan een stok, aan een afgezonderd werktuig mededeelen.Leerstelling. — Zoals in het vorig artikel gezegd werd 128had Christus in de sacramenten een dubbele macht, een gezagsmacht die Hem naar zijn goddelijke natuur toekomt, en deze kan evenmin als de goddelijke wezenheid aan enig schepsel worden medegedeeld; verder ook een waardigheidsmacht die hem naar zijn menselijke natuur toekomt en die hij wel aan bedienaars kon mededelen. Zulke volheid van genade zou hij hun nl. gegeven hebben, dat hun verdiensten tot het uitwerksel van de sacramenten zou hebben bijgedragen, ja dat bij het aanroepen van hun naam de sacramenten zouden geheiligd worden, dat zij zelfs sacramenten zouden kunnen instellen, en zonder sacramentele ritus, alleen met zulks te bevelen, het uitwerksel van de sacramenten zouden kunnen tot stand brengen. Hoe krachtiger immers een werktuig dat bij de bewerkende hoofdoorzaak aansluit is, zo groter macht kan het, net als de hand aan een stok, aan een afgezonderd werktuig mededelen.
Ad primum ergo dicendum, quod Christus non ex invidia praetermisit potestatem excellentiae Ecclesiae ministris communicare, sed propter fidelium utilitatem, ne in homine spem ponerent, et ne essent diversa sacramenta, ex quibus divisio in Ecclesia oriretur, sicut apud illos qui dicebant : « Ego 129sum Pauli, ego autem Apollo, ego vero Cephae, » ut dicitur 1. ad Corinth. 1. [v. 12].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Uit nijd is het niet dat Christus zijn waardigheidsmacht aan de bedienaars der heilige kerk niet mededeelde. Integendeel deed hij zulks tot meerdere eerbaarheid der geloovigen, opdat ze nl. niet zouden hun hoop op de menschen stellen en opdat er niet op gevaar af verdeeldheid 129in de kerk te brengen, allerlei sacramenten zouden ontstaan. Zoo ging het er toch toe bij hen die zooals in den Eersten Brief aan de Korinthiërs (1/12) te lezen staat, zeiden : « Ik ben van Paulus » « Ik ben van Apollo » « Ik van Cephas ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Uit nijd is het niet dat Christus zijn waardigheidsmacht aan de bedienaars van de heilige kerk niet mededeelde. Integendeel deed hij zulks tot meerdere eerbaarheid van de gelovigen, opdat ze nl. niet zouden hun hoop op de mensen stellen en opdat er niet op gevaar af verdeeldheid 129in de kerk te brengen, allerlei sacramenten zouden ontstaan. Zo ging het er toch toe bij hen die zoals in de Eerste Brief aan de Korintiërs (1/12) te lezen staat, zeiden: “Ik ben van Paulus” “Ik ben van Apollo” “Ik van Kefas”.
Ad secundum dicendum, quod objectio illa procedit de potestate auctoritatis, quae convenit Christo, secundum quod est Deus, licet et potestas excellentiae possit auctoritas nominari per comparationem ad alios ministros. Unde super illud 1. ad Cor. 1. [v. 13] : « Divisus est Christus, » dicit Gloss. (Lomb.) quod « potuit eis dare auctoritatem baptismi, quibus contulit ministerium ».
2. Die bedenking geldt maar voor de gezagsmacht die Christus naar zijn Godheid toekomt, niettemin kan zijn waardigheidsmacht, wanneer zij met de macht van andere bedienaars vergeleken wordt, ook een gezagsmacht genoemd worden. Daarom zegt de Glossa op de woorden uit den Eersten Brief aan de Korinthiërs (1/13) : « Is Christus in stukken gedeeld? » — : « Hij kon ook de macht over het doopsel aan diegenen geven, aan wie hij er de bediening van had toevertrouwd ».2. Die bedenking geldt maar voor de gezagsmacht die Christus naar zijn Godheid toekomt, niettemin kan zijn waardigheidsmacht, wanneer zij met de macht van andere bedienaars vergeleken wordt, ook een gezagsmacht genoemd worden. Daarom zegt de Glossa op de woorden uit de Eerste Brief aan de Korintiërs (1/13): “Is Christus in stukken gedeeld?” —: ‘Hij kon ook de macht over het doopsel aan diegenen geven, aan wie hij er de bediening van had toevertrouwd’.
Ad tertium dicendum, quod ad hoc inconveniens evitandum, ne scilicet multa capita in Ecclesia essent, Christus noluit potestatem suae excellentiae ministris communicare; si tamen communicasset, ipse esset caput principaliter, alii vero secundario.
3. Om dit bezwaar, dat er nl. in de kerk allerlei hoofden zouden zijn te voorkomen, heeft Christus zijn waardigheidsmacht niet aan bedienaars willen meedeelen. Als hij het echter wel gedaan had, dan zou Hij op de eerste plaats, de anderen alleen op de tweede plaats het hoofd geweest zijn.3. Om dit bezwaar, dat er nl. in de kerk allerlei hoofden zouden zijn te voorkomen, heeft Christus zijn waardigheidsmacht niet aan bedienaars willen meedelen. Als hij het echter wel gedaan had, dan zou Hij op de eerste plaats, de anderen alleen op de tweede plaats het hoofd geweest zijn.
Utrum per malos ministros sacramenta conferri possint
Kunnen de sacramenten door booze bedienaars worden toegediend?Kunnen de sacramenten door boze bedienaars worden toegediend?
130Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod per malos ministros sacramenta conferri non possint. Sacramenta enim novae legis ordinantur ad emundationem culpae et collationem gratiae. Sed mali, cum sint immundi, non possunt alios a peccato mundare, secundum illud Eccli. 34. [v. 4.] : « Ab immundo quid mundabitur? » Et etiam cum gratiam non habeant, non videtur quod gratiam conferre possint, quia nullus dat quod non habet. Non ergo videtur, quod per malos sacramenta conferri possint.
130Bedenkingen. — Men beweert dat de sacramenten niet door booze bedienaars kunnen worden toegediend. — 1. De sacramenten der nieuwe wet bestaan om de menschen van hun zonden te reinigen en hun genade te geven. De boozen echter, daar ze onzuiver zijn kunnen anderen niet van hun zonden zuiveren. Er staat immers in Eccl. 34/4 : « Wie zal gereinigd worden door een onreinen? » Daar ze verder de genade niet bezitten kunnen ze evenmin genade geven, niemand toch geeft wat hij niet bezit. Zoo kunnen de sacramenten dus niet door booze bedienaars worden toegediend.130Bedenkingen. — Men beweert dat de sacramenten niet door boze bedienaars kunnen worden toegediend. — 1. De sacramenten van de nieuwe wet bestaan om de mensen van hun zonden te reinigen en hun genade te geven. De bozen echter, daar ze onzuiver zijn kunnen anderen niet van hun zonden zuiveren. Er staat immers in Eccl. 34/4: “Wie zal gereinigd worden door een onreinen?” Daar ze verder de genade niet bezitten kunnen ze evenmin genade geven, niemand toch geeft wat hij niet bezit. Zo kunnen de sacramenten dus niet door boze bedienaars worden toegediend.
2. Praeterea, tota virtus sacramentorum derivatur a Christo, ut dictum est [art. 3. huj. q.]. Sed mali sunt praecisi a Christo, quia non habent charitatem, per quam membra capiti uniuntur secundum illud 1. Joan. 4. 131[v. 16] : « Qui manet in charitate, in Deo manet et Deus in eo. » Ergo videtur, quod per malos sacramenta conferri non possint.
2. Zooals aangetoond werd (in het 3e art. dezer kw.) komt elke macht der sacramenten van Christus. Welnu, daar ze de liefde waardoor de ledematen met het hoofd verbonden zijn niet bezitten zijn de boozen van Christus afgescheiden. In den Eersten Brief van Joan. (4/16) staat immers : « Wie in de liefde 131verblijft, verblijft in God en God verblijft in Hem. » Zoo kunnen de sacramenten dus niet door booze bedienaars worden toegediend.2. Zoals aangetoond werd (in het 3e art. van deze kw.) komt elke macht van de sacramenten van Christus. Welnu, daar ze de liefde waardoor de ledematen met het hoofd verbonden zijn niet bezitten zijn de bozen van Christus afgescheiden. In de Eerste Brief van Joh. (4/16) staat immers: “Wie in de liefde 131verblijft, verblijft in God en God verblijft in Hem.” Zo kunnen de sacramenten dus niet door boze bedienaars worden toegediend.
3. Praeterea, si desit aliquid horum, quae debitum est esse in sacramentis, non perficitur sacramentum, sicut si desit debita forma vel debita materia. Sed debitus minister sacramenti est ille, qui caret macula peccati, secundum illud Levit. 21. [v. 17] : « Homo de semine tuo per familias, qui habuerit maculam, non offeret panes Deo suo, nec accedet ad ministerium ejus. » Ergo videtur, quod si minister sit malus, nihil efficiatur in sacramento.
3. Wanneer iets dat tot de geldigheid vereischt was in gebreke blijft, komt het sacrament niet tot stand; zoo bv. als de vereischte vorm of stof niet wordt aangewend. Welnu de bedienaar die voor een sacrament vereischt wordt is degene die vrij blijft van zondesmet: we lezen toch in het boek Leviticus (21/17) : «Heeft iemand van uw zaad in de familiën een gebrek, dan zal hij aan God de brooden niet aanbieden en hij zal tot het dienstwerk van den Heer niet naderen. » Zoo werkt dus het sacrament wanneer de bedienaar boos gesteld is, niets uit.3. Wanneer iets dat tot de geldigheid vereist was in gebreke blijft, komt het sacrament niet tot stand; zo bv. als de vereiste vorm of stof niet wordt aangewend. Welnu de bedienaar die voor een sacrament vereist wordt is degene die vrij blijft van zondesmet: we lezen toch in het boek Leviticus (21/17): “Heeft iemand van uw zaad in de familiën een gebrek, dan zal hij aan God de broden niet aanbieden en hij zal tot het dienstwerk van de Heer niet naderen.” Zo werkt dus het sacrament wanneer de bedienaar boos gesteld is, niets uit.
Sed contra est, quod Augustinus dicit super illud Joan. 1. [v. 33] : « Super quem videris Spiritum, » etc. [tract. 5.] : « Quid in Christo non noverat Joannes potestatem baptismi ipsum Dominum habiturum, et sibi retenturum, sed ministerium plane transiturum in bonos et malos; quid tibi facit malus minister, ubi bonus est Dominus? »
Daartegenover echter staat dat Augustinus zegt op die woorden van Joannes (1/33) : « Op wien Gij den geest Gods zult zien enz... » (5e Trakt. op Joan.) : « Want wat wist Joannes niet van den Christus? Dat de Heer de macht van het doopsel zou bezitten en voor Hem opeischen, maar dat Hij de bediening ervan zou doen overgaan op goeden en slechten. Wat kan het U schelen of de bedienaar slecht is, als de Heer maar goed is? »Daartegenover echter staat dat Augustinus zegt op die woorden van Johannes (1/33): “Op wie Gij de geest Gods zult zien enz...” (5e Trakt. op Joh.): “Want wat wist Johannes niet van de Christus? Dat de Heer de macht van het doopsel zou bezitten en voor Hem opeisen, maar dat Hij de bediening ervan zou doen overgaan op goeden en slechten. Wat kan het U schelen of de bedienaar slecht is, als de Heer maar goed is?”
Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. 1. et 3. huj. q.], 132ministri Ecclesiae instrumentaliter operantur in sacramentis, eo quod quodammodo eadem ratio est ministri et instrumenti. Sicut autem supra dictum est [q. 62. art. 1. et 4.], instrumentum non agit secundum propriam formam aut virtutem, sed secundum virtutem ejus, a quo movetur. Et ideo accidit instrumento, inquantum est instrumentum, qualemcumque formam vel virtutem habeat, praeter id quod exigitur ad rationem instrumenti; sicut quod corpus medici, quod est instrumentum animae habentis artem, sit sanum vel infirmum et sicut quod fistula, per quam transit aqua, sit argentea vel plumbea. Unde ministri Ecclesiae possunt sacramenta conferre, etiamsi sint mali.
Leerstelling. — Zooals bewezen werd (1e en 3e artikel 132dezer kw.) dragen de bedienaars der heilige Kerk op werktuigelijke wijze tot de sacramenten bij, bedienaar en werktuig dekken immers als hetzelfde begrip. Hierboven ook (Kw. 62, A. 2,3) hebben we gezegd dat een werktuig niet naar eigen vorm en kracht maar wel overeenkomstig de kracht van hetgeen waardoor het bewogen wordt werkzaam is. Daarom is het zoolang voor hetgeen tot de wezenheid zelf van het werktuig vereischt wordt, een uitzondering wordt gemaakt, voor een werktuig als werktuig, van bijkomstig belang welke vorm of welke kracht het zelf bezit. Het doet er immers niet toe of bv. het lichaam van een geneesheer, dat nochtans het werktuig is van de ziel die geneeskunde kent, ziek dan wel gezond is, of een waterleiding uit lood dan wel uit zilver is. Zoo kunnen dus de bedienaars der heilige kerk ook als ze boos gesteld zijn, de sacramenten toedienen.Leerstelling. — Zoals bewezen werd (1e en 3e artikel 132van deze kw.) dragen de bedienaars van de heilige Kerk op werktuigelijke wijze tot de sacramenten bij, bedienaar en werktuig dekken immers als hetzelfde begrip. Hierboven ook (Kw. 62, A. 2,3) hebben we gezegd dat een werktuig niet naar eigen vorm en kracht maar wel overeenkomstig de kracht van hetgeen waardoor het bewogen wordt werkzaam is. Daarom is het zolang voor hetgeen tot de wezenheid zelf van het werktuig vereist wordt, een uitzondering wordt gemaakt, voor een werktuig als werktuig, van bijkomstig belang welke vorm of welke kracht het zelf bezit. Het doet er immers niet toe of bv. het lichaam van een geneesheer, dat nochtans het werktuig is van de ziel die geneeskunde kent, ziek dan wel gezond is, of een waterleiding uit lood dan wel uit zilver is. Zo kunnen dus de bedienaars van de heilige kerk ook als ze boos gesteld zijn, de sacramenten toedienen.
Ad primum ergo dicendum, quod ministri Ecclesiae neque a peccatis mundant homines ad sacramenta accedentes, neque gratiam conferunt sua virtute, sed hoc facit Christus sua potestate per eos, sicut per quaedam instrumenta. Et ideo effectus consequitur in suscipientibus sacramenta non 133secundum similitudinem ministrorum, sed secundum configurationem ad Christum.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Niet uit eigen kracht reinigen de bedienaars de menschen die tot de sacramenten naderen, en geven ze hun genade; uit eigen kracht doet zulks Christus hoewel met behulp van hen als van werktuigen. Zoo wordt dan in degenen die de sacramenten ontvangen het 133uitwerksel niet door gelijkenis met de bedienaars, maar door gelijkmaking met Christus teweeggebracht.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Niet uit eigen kracht reinigen de bedienaars de mensen die tot de sacramenten naderen, en geven ze hun genade; uit eigen kracht doet zulks Christus hoewel met behulp van hen als van werktuigen. Zo wordt dan in degenen die de sacramenten ontvangen het 133uitwerksel niet door gelijkenis met de bedienaars, maar door gelijkmaking met Christus teweeggebracht.
Ad secundum dicendum, quod per charitatem membra Christi uniuntur suo capiti, ut ab eo vitam recipiant, quia, ut dicitur 1. Joan. 3. [v. 14.] : « Qui non diligit, manet in morte. » Potest autem aliquis operari per instrumentum carens vita, et a se separatum, quantum ad corporis unionem, dummodo sit conjunctum per quandam motionem; aliter enim operatur artifex per manum, et aliter per securim. Sic igitur Christus operatur in sacramentis et per bonos, tanquam per membra viventia, et per malos, tanquam per instrumenta carentia vita.
2. Door de liefde worden de ledematen van Christus, om het laatste leven te erlangen met het hoofd verbonden, zooals immers Joan. in zijn Eersten Brief (3/14) zegt : « Blijft, wie niet bemint in de dood. » Iemand kan nu, zoolang het maar op een of andere wijze met door hem bewogen te worden bij hem aansluit, met behulp van een levenloos werktuig dat van hem is afgescheiden, en geen deel uitmaakt van zijn lichaam, een of ander bewerken; zoo arbeidt een werkman niet op dezelfde wijze met zijn handen als met een zaag. Welnu zoo ook werkt Christus in de sacramenten met behulp van de goeden als van de levende leden, met behulp van de kwaden als van werktuigen die van het leven verstoken zijn.2. Door de liefde worden de ledematen van Christus, om het laatste leven te erlangen met het hoofd verbonden, zoals immers Joh. in zijn Eersten Brief (3/14) zegt: “Blijft, wie niet bemint in de dood.” Iemand kan nu, zolang het maar op een of andere wijze met door hem bewogen te worden bij hem aansluit, met behulp van een levenloos werktuig dat van hem is afgescheiden, en geen deel uitmaakt van zijn lichaam, een of ander bewerken; zo arbeidt een werkman niet op dezelfde wijze met zijn handen als met een zaag. Welnu zo ook werkt Christus in de sacramenten met behulp van de goeden als van de levende leden, met behulp van de kwaden als van werktuigen die van het leven verstoken zijn.
Ad tertium dicendum, quod aliquid est debitum esse in sacramento dupliciter : uno modo sicut existens de necessitate sacramenti; quod quidem si desit, non perficitur sacramentum, sicut si desit debita forma vel debita materia. Alio modo est aliquid debitum esse in sacramento secundum quandam decentiam; et hoc modo debitum est, ut ministri sacramentorum sint boni.
3. Iets kan op een dubbele wijze voor de sacramenten noodzakelijk zijn; het kan namelijk tot het bestaan zelf der sacramenten vandoen zijn, zoodat wanneer het in gebreke blijft het sacrament niet bestaat, zoo bv. wanneer de vereischte vorm of stof ontbreekt; het kan ook om een zekere welvoegelijkheid in de sacramenten vereischt worden en op die wijze wordt gevergd dat de bedienaars der sacramenten zouden goed gesteld zijn.3. Iets kan op een dubbele wijze voor de sacramenten noodzakelijk zijn; het kan namelijk tot het bestaan zelf van de sacramenten vandoen zijn, zodat wanneer het in gebreke blijft het sacrament niet bestaat, zo bv. wanneer de vereiste vorm of stof ontbreekt; het kan ook om een zekere welvoegelijkheid in de sacramenten vereist worden en op die wijze wordt gevergd dat de bedienaars van de sacramenten zouden goed gesteld zijn.
Utrum mali ministrantes sacramenta peccent
Zondigen booze bedienaars bij het toedienen van de sacramenten?Zondigen boze bedienaars bij het toedienen van de sacramenten?
134Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod mali ministrantes sacramenta non peccent. Sicut enim ministratur Deo in sacramentis, ita per opera charitatis. Unde dicitur Hebr. ult. [v. 16] : « Beneficentiae et communionis nolite oblivisci : talibus enim hostiis promeretur Deus. » Sed mali non peccant si ministrent Deo in operibus charitatis; quinimmo hoc est eis consulendum, secundum illud Dan. 4. [v. 24] : « Consilium meum tibi placeat; peccata tua eleemosynis redime. » Ergo videtur, quod mali non peccent sacramenta ministrando.
134Bedenkingen. — Men beweert dat booze bedienaars niet zondigen bij het toedienen der sacramenten. Zooals men God dient in de sacramenten, zoo ook doet men het door de werken van liefde; St. Paulus immers schrijft in zijn Brief aan de Hebreërs (13/16) : « Verzuimt de weldadigheid en den onderlingen bijstand niet, want aan dergelijke sacrificies heeft God welbehagen. » Booze bedienaars nu zondigen niet wanneer zij God door werken van liefde dienen, maar wel in tegendeel moet men hun aanraden zulks te doen. De Profeet Daniel toch heeft gezegd (4/24) : « Mijn raad zij u welgevallig en koop uw zonden af door aalmoezen. » Zoo zondigen booze bedienaars dus niet bij het toedienen van de sacramenten.134Bedenkingen. — Men beweert dat boze bedienaars niet zondigen bij het toedienen van de sacramenten. Zoals men God dient in de sacramenten, zo ook doet men het door de werken van liefde; St. Paulus immers schrijft in zijn Brief aan de Hebreërs (13/16): “Verzuimt de weldadigheid en de onderlinge bijstand niet, want aan dergelijke sacrificies heeft God welbehagen.” Boze bedienaars nu zondigen niet wanneer zij God door werken van liefde dienen, maar wel in tegendeel moet men hun aanraden zulks te doen. De Profeet Daniel toch heeft gezegd (4/24): “Mijn raad zij u welgevallig en koop uw zonden af door aalmoezen.” Zo zondigen boze bedienaars dus niet bij het toedienen van de sacramenten.
2. Praeterea, quicumque communicat alicui in peccato, etiam ipse est reus peccati, secundum illud Rom. 1. [v. 32] : « Digni sunt morte, non 135solum qui peccata faciunt, sed etiam qui consentiunt facientibus. » Sed si mali ministri peccent sacramenta ministrando, illi qui ab eis sacramenta recipiunt, eis in peccato communicant. Ergo etiam ipsi peccarent, quod videtur inconveniens.
2. Wie tot iemands zonden bijdraagt maakt zich aan dezelfde zonden plichtig. De Brief aan de Romeinen (1/32) zegt immers : « Zij verdienen den dood, niet alleen degenen die de zonden 135bedrijven, doch ook diegenen die behagen vinden in wie ze doen.» Moesten nu booze bedienaars wanneer ze de sacramenten toedienen zondigen, dan zouden degenen die van hen de sacramenten ontvangen eveneens zondigen. Dit echter is onaannemelijk.2. Wie tot iemands zonden bijdraagt maakt zich aan dezelfde zonden plichtig. De Brief aan de Romeinen (1/32) zegt immers: “Zij verdienen de dood, niet alleen degenen die de zonden 135bedrijven, doch ook diegenen die behagen vinden in wie ze doen.” Moesten nu boze bedienaars wanneer ze de sacramenten toedienen zondigen, dan zouden degenen die van hen de sacramenten ontvangen eveneens zondigen. Dit echter is onaannemelijk.
3. Praeterea, nullus videtur esse perplexus, quia sic homo cogeretur desperare, quasi non potens peccatum evadere. Sed si mali peccarent sacramenta tradendo, essent perplexi, quia etiam quandoque peccarent, si sacramenta non traderent, puta cum eis ex officio incumbit necessitas : dicitur enim 1. Cor. 9. [v. 16] : « Vae mihi, si non evangelizavero : necessitas enim mihi incumbit » ; quandoque etiam propter periculum, sicut si puer in periculo mortis existens offeratur alicui peccatori baptizandus. Ergo videtur, quod mali non peccent sacramenta ministrando.
3. Niemand mag een radeloos geweten hebben, want aldus zou een mensch, alsof hij de zonde niet kon ontkomen, tot wanhoop gebracht worden. Moesten nu booze bedienaars wanneer zij de sacramenten toedienen zondigen dan zouden ze radeloos zijn; soms immers zouden ze ook zondigen wanneer ze de sacramenten niet toedienen, zoo bv. wanneer hun ambt er hen toe verplicht het wel te doen. St. Paulus toch zegt in den Eersten Brief aan de Korinthiërs (9/16) : « Wee mij, als ik niet predik, want het is een taak die mij opgelegd is » ; — of nog wanneer gevaar dreigt, wanneer bv. een stervend kind aan een boos bedienaar ten doopsel aangeboden wordt. Zoo zondigen booze bedienaars dus niet wanneer zij de sacramenten toedienen.3. Niemand mag een radeloos geweten hebben, want aldus zou een mens, alsof hij de zonde niet kon ontkomen, tot wanhoop gebracht worden. Moesten nu boze bedienaars wanneer zij de sacramenten toedienen zondigen dan zouden ze radeloos zijn; soms immers zouden ze ook zondigen wanneer ze de sacramenten niet toedienen, zo bv. wanneer hun ambt er hen toe verplicht het wel te doen. St. Paulus toch zegt in de Eerste Brief aan de Korintiërs (9/16): “Wee mij, als ik niet predik, want het is een taak die mij opgelegd is”; — of nog wanneer gevaar dreigt, wanneer bv. een stervend kind aan een boos bedienaar ten doopsel aangeboden wordt. Zo zondigen boze bedienaars dus niet wanneer zij de sacramenten toedienen.
Sed contra est, quod Dionysius dicit 1. cap. Ecclesiasticae Hierarchiae [§ 5], quod « malis non est fas nec tangere symbola », idest 136sacramentalia signa, et in epistola ad Demophilum [Ep. 8, § 2] dicit : « Talis (scilicet peccator) audax videtur, sacerdotalibus manum apponens, et non timet, neque verecundatur divina praeter divinitatem exequens, et Deum putans ignorare, quae ipse in semetipso cognovit, et decipere existimat falso nomine patrem ab ipso appellatum, et audet immundas infamias, non dicam orationes, super divina signa Christiformiter enuntiare ».
Daartegenover staat echter wat Dionysius zegt in zijn Boek over de Kerkelijke Hierarchie I. : « Het is aan boozen niet geoorloofd symbolen, dit wil zeggen sacramenteele teekenen aan te 136raken. » En in zijn Brief aan Demophilus zegt hij ook nog : « Een zondaar die zich aan priesterlijk werk durft wagen, is roekeloos, hij vreest niet en schaamt zich niet het goddelijke buiten God om te volvoeren, denkend dat God niet weet wat hij van zichzelf weet, hij meent dat hij den vader dien hij ten onrechte zijn vader noemt kan bedriegen, en hij durft het aan geilen laster, — gebed zal ik zulks niet noemen, — over de goddelijke teekenen uit te spreken. »Daartegenover staat echter wat Dionysius zegt in zijn Boek over de Kerkelijke Hierarchie I.: “Het is aan bozen niet geoorloofd symbolen, dit wil zeggen sacramentele tekenen aan te 136raken.” En in zijn Brief aan Demophilus zegt hij ook nog: ‘Een zondaar die zich aan priesterlijk werk durft wagen, is roekeloos, hij vreest niet en schaamt zich niet het goddelijke buiten God om te volvoeren, denkend dat God niet weet wat hij van zichzelf weet, hij meent dat hij de vader die hij ten onrechte zijn vader noemt kan bedriegen, en hij durft het aan geilen laster, — gebed zal ik zulks niet noemen, — over de goddelijke tekenen uit te spreken.’
Respondeo dicendum, quod aliquis in agendo peccat ex hoc, quod operatur non secundum quod oportet, ut patet per Philosophum in lib. 2. Ethic. [cap. 3. et 5.]. Dictum est autem [art. praec. ad 3.], conveniens esse, ut sacramentorum ministri sint justi, quia ministri debent Domino conformari, secundum illud Levit. 19 [v. 2] : « Sancti eritis, quoniam ego sanctus sum » ; et Eccli. 10 [v. 2] : « Secundum judicem populi, sic et ministri ejus. » Et ideo non est dubium, quin mali exhibentes se ministros Dei et Ecclesiae in dispensatione sacramentorum peccent. Et quia hoc peccatum pertinet ad irreverentiam Dei et contaminationem sacramentorum, quantum est ex parte ipsius peccatoris (licet sacramenta secundum seipsa 137incontaminabilia sint), consequens est, quod tale peccatum ex genere suo sit mortale.
Leerstelling. — Aristoteles zegt in zijn Ethica (2,3) dat iemand die bij het handelen iets verkeerds doet, zondigt. Welnu het past dat de bedienaars bij het bedienen der sacramenten zouden rechtvaardig bevonden worden, de bedienaars van God moeten immers op hem gelijken. Deshalve zegt het boek Leviticus (19, 2) : « Weest heilig, omdat Ik heilig ben. » en het Boek Ecclesiasticus (10, 2) : « Zooals de rechters van een volk zijn, zoo zijn ook zijn dienaars. » Daarom zondigen de boozen die de bediening van de kerk en van God waarnemen, elke twijfel is daaromtrent uitgesloten. Daar nu een dergelijke zonde een oneerbiedigheid is en een onteering van de sacramenten, — aan zich 137vallen de sacramenten wel niet te onteeren, maar de zondaar zelf onteert ze, — zoo volgt daaruit dat een dergelijke zonde van aard uit een doodzonde is.Leerstelling. — Aristoteles zegt in zijn Ethica (2,3) dat iemand die bij het handelen iets verkeerds doet, zondigt. Welnu het past dat de bedienaars bij het bedienen van de sacramenten zouden rechtvaardig bevonden worden, de bedienaars van God moeten immers op hem gelijken. Deshalve zegt het boek Leviticus (19, 2): “Weest heilig, omdat Ik heilig ben.” en het Boek Sirach (10, 2): “Zoals de rechters van een volk zijn, zo zijn ook zijn dienaars.” Daarom zondigen de bozen die de bediening van de kerk en van God waarnemen, elke twijfel is daaromtrent uitgesloten. Daar nu een dergelijke zonde een oneerbiedigheid is en een ontering van de sacramenten, — aan zich 137vallen de sacramenten wel niet te onteren, maar de zondaar zelf onteert ze, — zo volgt daaruit dat een dergelijke zonde van aard uit een doodzonde is.
Ad primum ergo dicendum, quod opera charitatis non sunt aliqua consecratione sanctificata, sed ipsa pertinent ad justitiae sanctitatem, sicut quaedam justitiae partes, et ideo homo, qui se exhibet Deo ministrum in operibus charitatis, si sit justus, amplius sanctificatur, si vero sit peccator, per hoc ad sanctitatem disponitur. Sed sacramenta in seipsis sanctificationem quandam habent per mysticam consecrationem, et ideo praeexigitur in ministro sanctitas justitiae, ut congruat suo ministerio. Et ideo incongrue agit, et peccat, si in peccato existens ad tale ministerium accedat.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Werken van liefde worden niet door een wijding geheiligd, maar behooren als deelen van bewuste rechtvaardigheid tot de heiligheid der rechtvaardigheid. Daarom wordt een mensch die God met de werken van liefde dient, als hij reeds rechtvaardig is, nog heiliger; is hij integendeel een zondaar, dan wordt hij erdoor tot de rechtvaardigheid voorbereid. De sacramenten echter hebben dank zij hun mystische wijding aan zich zelf iets heiligs, en daarom wordt er vooraf, zooals bij zijn bediening past, in den bedienaar de heiligheid der rechtvaardigheid vereischt. Zoo handelt hij dus verkeerd en zondigt wanneer hij in zonden zijn ambt waarneemt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Werken van liefde worden niet door een wijding geheiligd, maar behoren als delen van bewuste rechtvaardigheid tot de heiligheid van de rechtvaardigheid. Daarom wordt een mens die God met de werken van liefde dient, als hij reeds rechtvaardig is, nog heiliger; is hij integendeel een zondaar, dan wordt hij erdoor tot de rechtvaardigheid voorbereid. De sacramenten echter hebben dank zij hun mystieke wijding aan zichzelf iets heiligs, en daarom wordt er vooraf, zoals bij zijn bediening past, in de bedienaar de heiligheid van de rechtvaardigheid vereist. Zo handelt hij dus verkeerd en zondigt wanneer hij in zonden zijn ambt waarneemt.
Ad secundum dicendum, quod ille qui ad sacramenta accedit, suscipit sacramenta a ministro Ecclesiae non inquantum est talis persona, sed inquantum est minister Ecclesiae. Et ideo quamdiu ab Ecclesia toleratur in ministerio ille qui ab eo suscipit sacramentum, non communicat peccato ejus, sed communicat Ecclesiae, quae eum tamquam ministrum exhibet. Si vero ab 138Ecclesia non toleratur, puta cum degradatur, vel excommunicatur, vel suspenditur, peccat qui ab eo accipit sacramentum, quia communicat peccato ipsius.
2. Hij die tot de sacramenten nadert ontvangt de sacramenten van den bedienaar der heilige Kerk, niet in zoover deze een bepaald persoon is, maar wel inzoover hij een bedienaar is der heilige Kerk. Daarom ook draagt hij zoolang de heilige Kerk het toelaat, tot de zonden van dengenen van wien hij een sacrament 138ontvangt niet bij. Wanneer de heilige Kerk het echter niet meer toelaat, wanneer zij bv. iemand ontzet of in den ban slaat of suspendeert dan zondigt, daar hij tot diens zonden bijdraagt, hij die van een dergelijken bedienaar een sacrament ontvangt.2. Hij die tot de sacramenten nadert ontvangt de sacramenten van de bedienaar van de heilige Kerk, niet in zover deze een bepaald persoon is, maar wel inzover hij een bedienaar is van de heilige Kerk. Daarom ook draagt hij zolang de heilige Kerk het toelaat, tot de zonden van dengenen van wie hij een sacrament 138ontvangt niet bij. Wanneer de heilige Kerk het echter niet meer toelaat, wanneer zij bv. iemand ontzet of in de ban slaat of suspendeert dan zondigt, daar hij tot diens zonden bijdraagt, hij die van een dergelijken bedienaar een sacrament ontvangt.
Ad tertium dicendum, quod ille qui est in peccato mortali, non est perplexus simpliciter, si ex officio ei incumbat sacramenta dispensare, quia potest poenitere de peccato, et licite ministrare. Non est autem inconveniens, quod sit perplexus, supposito quodam, scilicet quod velit remanere in peccato. In articulo tamen necessitatis non peccaret, baptizando in casu, in quo etiam posset laicus baptizare; sic enim patet, quod non exhiberet se ministrum Ecclesiae, sed subveniret necessitatem patienti. Secus est autem in aliis sacramentis, quae non sunt tantae necessitatis, sicut baptismus, ut infra patebit [q. 67. art. 3.].
3. Degene die in staat van doodzonde verkeert is strikt gesproken wanneer zijn ambt hem verplicht sacramenten uit te reiken, niet radeloos. Hij kan immers over zijn zonden berouw hebben en op geoorloofde wijze het sacrament toedienen. Onderstelt men echter dat hij wil in zonde blijven dan is het best mogelijk dat hij radeloos wordt. Nochtans zal hij wanneer er stervensgevaar dreigt niet zondigen met in de gevallen waar ook een leek mag doopen, het doopsel toe te dienen; zoo blijkt toch dat hij zich niet als bedienaar der heilige kerk aanstelt, maar alleen een mensch die in gevaar verkeert ter hulp snelt. Voor de andere sacramenten, die niet zoo onontbeerlijk zijn als het doopsel gaat zulks echter, zooals verder zal blijken (67e Kw., A. 3-4) niet op.3. Degene die in staat van doodzonde verkeert is strikt gesproken wanneer zijn ambt hem verplicht sacramenten uit te reiken, niet radeloos. Hij kan immers over zijn zonden berouw hebben en op geoorloofde wijze het sacrament toedienen. Onderstelt men echter dat hij wil in zonde blijven dan is het best mogelijk dat hij radeloos wordt. Nochtans zal hij wanneer er stervensgevaar dreigt niet zondigen met in de gevallen waar ook een leek mag dopen, het doopsel toe te dienen; zo blijkt toch dat hij zich niet als bedienaar van de heilige kerk aanstelt, maar alleen een mens die in gevaar verkeert ter hulp snelt. Voor de andere sacramenten, die niet zo onontbeerlijk zijn als het doopsel gaat zulks echter, zoals verder zal blijken (67e Kw., A. 3-4) niet op.
Utrum angeli possint sacramenta ministrare
Kunnen Engelen sacramenten toedienen?
139Ad septimum sic proceditur. Videtur, quod angeli possint sacramenta ministrare. Quidquid enim potest minister inferior, potest et superior, sicut quidquid potest diaconus, potest sacerdos, sed non convertitur. Sed angeli sunt superiores ministri in ordine hierarchico, quam etiam quicumque homines, ut patet per Dionysium in lib. Coelest. Hierarch. [cap. 9, § 2]. Ergo cum homines possint ministrare in sacramentis, videtur quod multo magis angeli.
139Bedenkingen. — Men beweert dat de engelen sacramenten kunnen toedienen. Wat een lager bedienaar kan, dat kan ook een hooger. Al wat bv. een diaken kan, dat kan ook een priester. Welnu de engelen staan zooals overigens blijkt uit wat Dionysius in zijn Boek over de Hemelsche Hierarchie IX zegt, hooger dan alle menschen. Kunnen dus menschen de sacramenten toedienen, dan kunnen het nog veeleer de engelen.139Bedenkingen. — Men beweert dat de engelen sacramenten kunnen toedienen. Wat een lager bedienaar kan, dat kan ook een hoger. Al wat bv. een diaken kan, dat kan ook een priester. Welnu de engelen staan zoals overigens blijkt uit wat Dionysius in zijn Boek over de Hemelse Hierarchie IX zegt, hoger dan alle mensen. Kunnen dus mensen de sacramenten toedienen, dan kunnen het nog veeleer de engelen.
2. Praeterea, homines sancti assimilantur angelis in coelo, ut dicitur Matth. 22 [v. 30]. Sed aliqui sancti in coelo existentes possent ministrare in sacramentis, quia character sacramentalis est indelebilis, ut dictum est [q. praec. art. 5.]. Ergo videtur, quod etiam angeli possint in sacramentis ministrare.
2. In het Evangelie van Mattheus (22, 30) « worden de heiligen met de engelen van den hemel gelijk gesteld. » Welnu in den hemel zijn er heiligen die de sacramenten kunnen toedienen; het sacramenteel merkteeken is immers, zooals werd aangetoond (vorige Kw., 5e art.) onuitwischbaar. Zoo kunnen dus ook de engelen sacramenten toedienen.2. In het Evangelie van Matteüs (22, 30) “worden de heiligen met de engelen van de hemel gelijk gesteld.” Welnu in de hemel zijn er heiligen die de sacramenten kunnen toedienen; het sacramenteel merkteken is immers, zoals werd aangetoond (vorige Kw., 5e art.) onuitwisbaar. Zo kunnen dus ook de engelen sacramenten toedienen.
3. Praeterea, sicut supra dictum est [q. 8, art. 7.], diabolus est caput 140malorum, et mali sunt membra ejus. Sed per malos possunt ministrari sacramenta. Ergo videtur, quod etiam per daemones.
3. Er werd aangetoond (8e Kw., 7e Art.) dat de duivel het 140hoofd is der boozen, en de boozen zijn ledematen zijn. Welnu boozen kunnen de sacramenten toedienen. Dus ook de duivelen.3. Er werd aangetoond (8e Kw., 7e Art.) dat de duivel het 140hoofd is van de bozen, en de bozen zijn ledematen zijn. Welnu bozen kunnen de sacramenten toedienen. Dus ook de duivelen.
Sed contra est, quod dicitur Hebr. 5 [v. 1] : « Omnis pontifex ex hominibus assumptus pro hominibus constituitur in his quae sunt ad Deum. » Sed angeli boni vel mali non sunt ex hominibus. Ergo ipsi non constituuntur ministri in his quae sunt ad Deum, idest in sacramentis.
Daartegenover staat echter wat de Brief aan de Hebreërs zegt (5, 1) : « Ieder hoogepriester wordt uit de menschen genomen en in de plaats der menschen aangesteld voor den eeredienst aan God. » Welnu, engelen en duivelen zijn niet uit menschen en worden dus niet voor den eeredienst van God d. i. voor de sacramenten aangesteld.Daartegenover staat echter wat de Brief aan de Hebreërs zegt (5, 1): “Ieder hogepriester wordt uit de mensen genomen en in de plaats van de mensen aangesteld voor de eredienst aan God.” Welnu, engelen en duivelen zijn niet uit mensen en worden dus niet voor de eredienst van God d.i. voor de sacramenten aangesteld.
Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 62, art. 3], tota virtus sacramentorum a passione Christi derivatur, quae est Christi, secundum quod est homo, cui in natura conformantur homines, non autem angeli, sed potius secundum passionem dicitur modico ab angelis minoratus, ut patet Hebr. 2. [v. 9] ; et ideo ad homines pertinet dispensare sacramenta, et in eis ministrare, non autem ad angelos. Sciendum tamen, quod sicut Deus virtutem suam non alligavit sacramentis, quin possit sine sacramentis effectum sacramentorum conferre, ita etiam virtutem suam non alligavit 141Ecclesiae ministris, quin etiam angelis possit virtutem tribuere ministrandi in sacramentis. Et quia boni angeli sunt nuntii veritatis, si aliquod sacramentale ministerium a bonis angelis perficeretur, esset ratum habendum, quia deberet constare, hoc fieri voluntate divina, sicut quaedam templa dicuntur angelico ministerio consecrata. Si vero daemones, qui sunt spiritus mendacii, aliquod sacramentale ministerium exhiberent, non esset ratum habendum.
Leerstelling. — Hierboven toonden we aan (3e Art.) dat al de kracht der sacramenten ons toevloeit uit het lijden van Christus, als mensch; de menschen nu zijn hem in nature gelijk, de engelen geenszins. Door zijn lijden is hij immers zooals blijkt uit den Brief aan de Hebreërs (2, 7) : « voor een korte wijl beneden de engelen verlaagd geweest. » Daarom dan komt het de menschen, niet de engelen toe de sacramenten uit te reiken en er de bedienaars van te zijn. Men moet echter in acht nemen, dat God niet dermate de sacramenten zijn kracht aanbond, dat hij zonder sacramenten de uitwerkselen van deze niet zou kunnen 141toebedeelen; zoo ook heeft hij niet dermate zijn kracht aan de bedienaars der heilige kerk meegedeeld, dat hij ook aan de engelen niet zou kunnen macht schenken om de sacramenten uit te reiken. Zoo zou dan, daar toch de goede engelen verkondigers zijn van de waarheid, de sacramenteele bediening indien zij door goede engelen voltrokken werd geldig zijn; dan zou immers blijken dat het door Gods wil geschiedde; er wordt overigens gezegd dat sommige kerken door de bediening der engelen gewijd werden. Moesten echter de duivelen die geesten zijn van de leugen een sacramenteele bediening uitoefenen dan zou die bediening ongeldig zijn.Leerstelling. — Hierboven toonden we aan (3e Art.) dat al de kracht van de sacramenten ons toevloeit uit het lijden van Christus, als mens; de mensen nu zijn hem in nature gelijk, de engelen geenszins. Door zijn lijden is hij immers zoals blijkt uit de Brief aan de Hebreërs (2, 7): “voor een korte wijl beneden de engelen verlaagd geweest.” Daarom dan komt het de mensen, niet de engelen toe de sacramenten uit te reiken en er de bedienaars van te zijn. Men moet echter in acht nemen, dat God niet dermate de sacramenten zijn kracht aanbond, dat hij zonder sacramenten de uitwerkselen van deze niet zou kunnen 141toebedelen; zo ook heeft hij niet dermate zijn kracht aan de bedienaars van de heilige kerk meegedeeld, dat hij ook aan de engelen niet zou kunnen macht schenken om de sacramenten uit te reiken. Zo zou dan, daar toch de goede engelen verkondigers zijn van de waarheid, de sacramentele bediening indien zij door goede engelen voltrokken werd geldig zijn; dan zou immers blijken dat het door Gods wil geschiedde; er wordt overigens gezegd dat sommige kerken door de bediening van de engelen gewijd werden. Moesten echter de duivelen die geesten zijn van de leugen een sacramentele bediening uitoefenen dan zou die bediening ongeldig zijn.
Ad primum ergo dicendum, quod illud quod faciunt homines inferiori modo, scilicet per sensibilia sacramenta, quae sunt proportionata naturae ipsorum, faciunt angeli tanquam superiores ministri superiori modo, scilicet invisibiliter purgando, illuminando, et perficiendo.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wat de menschen op minder volmaakte wijze, d. i. met zintuigelijk waarneembare sacramenten, die aan hun natuur aangepast zijn voltrekken, dat doen de engelen als hoogere bedienaars op volmaakter manier, d. i. met te reinigen, te verlichten en te vervolmaken.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wat de mensen op minder volmaakte wijze, d.i. met zintuigelijk waarneembare sacramenten, die aan hun natuur aangepast zijn voltrekken, dat doen de engelen als hogere bedienaars op volmaakter manier, d.i. met te reinigen, te verlichten en te vervolmaken.
Ad secundum dicendum, quod sancti, qui sunt in coelo, sunt similes angelis, quantum ad participationem gloriae, non autem quantum ad conditionem naturae, et per consequens neque quantum ad sacramenta.
2. De heiligen die in den hemel zijn, zijn de engelen wat hun deelachtigheid aan de hemelsche glorie betreft gelijk; naar den aard van hun natuur beschouwd, hebben ze echter geen gelijkenis met mekaar, en dientengevolge wat de sacramenteele bediening betreft evenmin.2. De heiligen die in de hemel zijn, zijn de engelen wat hun deelachtigheid aan de hemelse glorie betreft gelijk; naar de aard van hun natuur beschouwd, hebben ze echter geen gelijkenis met mekaar, en dientengevolge wat de sacramentele bediening betreft evenmin.
Ad tertium dicendum, quod mali homines non habent quod possint 142ministrare in sacramentis ex hoc, quod per malitiam sunt membra diaboli; et ideo non sequitur, quod diabolus, qui est eorum caput, magis hoc possit.
3. Booze menschen hebben doordien ze om hun 142kwaadwilligheid ledematen van den duivel zijn de macht niet om sacramenten toe te dienen. Onnoodig dus te besluiten dat de duivel daar hij hun hoofd is, nog veeleer macht daartoe heeft.3. Boze mensen hebben doordien ze om hun 142kwaadwilligheid ledematen van de duivel zijn de macht niet om sacramenten toe te dienen. Onnodig dus te besluiten dat de duivel daar hij hun hoofd is, nog veeleer macht daartoe heeft.
Utrum intentio ministri requiratur ad perfectionem sacramenti
Wordt voor de geldigheid van het sacrament het opzet van den bedienaar vereischt?Wordt voor de geldigheid van het sacrament het opzet van de bedienaar vereist?
Ad octavum sic proceditur. Videtur, quod intentio ministri non requiratur ad perfectionem sacramenti. Minister enim in sacramento instrumentaliter operatur. Sed actio non perficitur secundum intentionem instrumenti, sed secundum intentionem principalis agentis. Ergo intentio ministri non requiritur ad perfectionem sacramenti.
Bedenkingen. — Men beweert dat het opzet van den bedienaar voor de geldigheid van het sacrament niet vereischt wordt. — 1. De bedienaar draagt als werktuigelijke kracht tot de sacramenten bij; hun werking nu wordt niet naar het opzet van het werktuig, maar wel naar het opzet van den hoofdbewerker voltrokken. Zoo wordt het opzet van den bedienaar dus niet tot de geldigheid van het sacrament vereischt.Bedenkingen. — Men beweert dat het opzet van de bedienaar voor de geldigheid van het sacrament niet vereist wordt. — 1. De bedienaar draagt als werktuigelijke kracht tot de sacramenten bij; hun werking nu wordt niet naar het opzet van het werktuig, maar wel naar het opzet van de hoofdbewerker voltrokken. Zo wordt het opzet van de bedienaar dus niet tot de geldigheid van het sacrament vereist.
2. Praeterea, non potest homini esse nota intentio alterius. Si igitur intentio ministri requiratur ad perfectionem sacramenti, non posset homini 143ad sacramentum accedenti esse notum, quod sacramentum suscepisset, et ita non posset habere certitudinem salutis, praecipue cum quaedam sacramenta sint de necessitate salutis, ut infra dicetur [q. 65. art. 4.].
2. Een mensch kan het opzet van zijn evennaaste niet achterhalen. Indien echter het opzet van den bedienaar tot de geldigheid van het sacrament vereischt werd, dan zou het een mensch 143die tot de sacramenten nadert onmogelijk zijn te weten of hij wel degelijk een sacrament ontvangen heeft, en aldus zou hij, vooral daar er eenige sacramenten zijn, die, zooals verder zal bewezen worden (65e Kw., A. 3-4) vereischt worden tot de zaligheid, aangaande zijn zaligheid geen zekerheid kunnen bezitten.2. Een mens kan het opzet van zijn evennaaste niet achterhalen. Indien echter het opzet van de bedienaar tot de geldigheid van het sacrament vereist werd, dan zou het een mens 143die tot de sacramenten nadert onmogelijk zijn te weten of hij wel degelijk een sacrament ontvangen heeft, en aldus zou hij, vooral daar er enige sacramenten zijn, die, zoals verder zal bewezen worden (65e Kw., A. 3-4) vereist worden tot de zaligheid, aangaande zijn zaligheid geen zekerheid kunnen bezitten.
3. Praeterea, intentio hominis non potest esse ad id, circa quod non est attentus. Sed aliquando illi qui in sacramentis ministrant, non attendunt ad ea quae dicunt vel faciunt, alia cogitantes. Ergo secundum hoc non perficeretur sacramentum, propter intentionis defectum.
3. Een mensch kan geen opzet hebben aangaande dingen die hij niet bemerkt. Welnu het gebeurt dat degenen die de sacramenten toedienen, doordien ze in gedachte met iets anders bezig zijn niet eens letten op hetgeen ze zeggen of doen. Aldus zou dan bij gebrek aan opzet het sacrament niet voltrokken worden.3. Een mens kan geen opzet hebben aangaande dingen die hij niet bemerkt. Welnu het gebeurt dat degenen die de sacramenten toedienen, doordien ze in gedachte met iets anders bezig zijn niet eens letten op hetgeen ze zeggen of doen. Aldus zou dan bij gebrek aan opzet het sacrament niet voltrokken worden.
Sed contra est, quod ea quae sunt praeter intentionem, sunt casualia, quod non est dicendum de operatione sacramentorum. Ergo sacramenta requirunt intentionem ministri.
Daartegenover staat echter dat wat zonder opzet geschiedt toevallig is. Dit nu mag van de sacramenteele werking niet gezegd worden, en zoo wordt dus het inzicht van den bedienaar in de sacramenten vereischt.Daartegenover staat echter dat wat zonder opzet geschiedt toevallig is. Dit nu mag van de sacramentele werking niet gezegd worden, en zo wordt dus het inzicht van de bedienaar in de sacramenten vereist.
Respondeo dicendum, quod quando aliquid se habet ad multa, oportet quod per aliquid determinetur ad unum, si illud effici debeat. Ea vero quae in sacramentis aguntur, possunt diversimode agi, sicut ablutio aquae, quae fit in baptismo, potest ordinari et ad munditiam corporalem, et ad sanitatem 144corporalem, et ad ludum, et ad multa alia hujusmodi; et ideo oportet, quod determinetur, ad unum, idest ad sacramentalem effectum per intentionem abluentis. Et haec intentio exprimitur per verba, quae in sacramentis dicuntur, puta cum dicit : « Ego te baptizo in nomine Patris, etc. ».
Leerstelling. — Wanneer iets tot verschillende doeleinden kan aangewend worden, moet het wanneer men alleen één doel wil bewerkstelligen op dat eene doel gericht worden. Welnu wat men in de sacramenten volvoert kan op verschillende manieren worden aangewend : zoo kan het wasschen met water dat in het 144doopsel gebeurt op lichamelijke reinheid, op lichamelijke gezondheid, op spel... en op andere dingen meer aangewezen zijn. Daarom moet dan het wasschen met water door het opzet van dengene die wascht op een enkel doel, op het sacramenteele uitwerksel nl. gericht worden, en dit opzet wordt door de woorden die in de sacramenten uitgesproken worden bv. wanneer men zegt : « ik doop u in den naam des Vaders enz... », uitgedrukt.Leerstelling. — Wanneer iets tot verschillende doeleinden kan aangewend worden, moet het wanneer men alleen één doel wil bewerkstelligen op dat een doel gericht worden. Welnu wat men in de sacramenten volvoert kan op verschillende manieren worden aangewend: zo kan het wassen met water dat in het 144doopsel gebeurt op lichamelijke reinheid, op lichamelijke gezondheid, op spel... en op andere dingen meer aangewezen zijn. Daarom moet dan het wassen met water door het opzet van dengene die wast op een enkel doel, op het sacramentele uitwerksel nl. gericht worden, en dit opzet wordt door de woorden die in de sacramenten uitgesproken worden bv. wanneer men zegt: “ik doop u in de naam van de Vader enz...”, uitgedrukt.
Ad primum ergo dicendum, quod instrumentum inanimatum non habet aliquam intentionem respectu effectus, sed loco intentionis est motus, quo movetur a principali agente. Sed instrumentum animatum, sicut est minister, non solum movetur, sed etiam quodammodo movet seipsum, inquantum sua voluntate movet membra ad operandum; et ideo requiritur ejus intentio, qua se subjiciat principali agenti, ut scilicet intendat facere, quod facit Christus et Ecclesia.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Een levenloos werktuig kan in verhouding tot zijn uitwerksel op geen opzet wijzen, maar dit opzet wordt door de beweging van den hoofdbeweger vervangen. Een levend werktuig daarentegen zoo bv. een bedienaar wordt niet alleen bewogen maar beweegt ook inzoover hij door zijn wil zijn ledematen tot handelen aanzet, eenigermate zich zelf. Daarom wordt dan ook bij dit laatste werktuig een opzet vereischt waardoor het zich, om te doen wat Christus en zijn Kerk doen, aan den hoofdbeweger onderwerpt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Een levenloos werktuig kan in verhouding tot zijn uitwerksel op geen opzet wijzen, maar dit opzet wordt door de beweging van de hoofdbeweger vervangen. Een levend werktuig daarentegen zo bv. een bedienaar wordt niet alleen bewogen maar beweegt ook inzover hij door zijn wil zijn ledematen tot handelen aanzet, enigermate zichzelf. Daarom wordt dan ook bij dit laatste werktuig een opzet vereist waardoor het zich, om te doen wat Christus en zijn Kerk doen, aan de hoofdbeweger onderwerpt.
Ad secundum dicendum, quod circa hoc est duplex opinio; quidam enim dicunt, quod requiritur mentalis intentio in ministro; quae si desit, non perficitur sacramentum; sed hunc defectum in pueris, qui non habent 145intentionem accedendi ad sacramentum, supplet Christus, qui interius baptizat; in adultis autem, qui intendunt sacramentum suscipere supplet illum defectum fides et devotio. Sed hoc satis posset dici, quantum ad ultimum effectum, qui est justificatio a peccatis; sed quantum ad effectum qui est res et sacramentum, scilicet quantum ad characterem, non videtur quod per devotionem accedentis possit suppleri, quia character nunquam imprimitur, nisi per sacramentum. Et ideo alii melius dicunt, quod minister sacramenti agit in persona totius Ecclesiae, cujus est minister; in verbis autem, quae profert, exprimitur intentio Ecclesiae, quae sufficit ad perfectionem sacramenti nisi contrarium exterius exprimatur ex parte ministri vel recipientis sacramentum.
2. Hier worden twee meeningen verdedigd. Sommigen nl. zeggen dat er in den bedienaar een innerlijk opzet vereischt wordt, en indien het ontbreekt dan zal het sacrament niet tot stand komen; bij kinderen echter die het opzet niet hebben het sacrament te ontvangen zou dit euvel door Christus, die innerlijk doopt worden 145goed gemaakt; bij volwassenen daarentegen die het opzet hebben het sacrament te ontvangen zou door het geloof en door de godsvrucht aan dit euvel verholpen worden. Zoolang het gaat om het laatste uitwerksel, om de rechtvaardigmaking en bevrijding van de zonden nl. kan een dergelijke meening verdedigd worden; gaat het evenwel om een uitwerksel dat én ding is én sacrament, om het merkteeken nl. dan kan, daar toch het merkteeken enkel door het sacrament wordt ingeprent, bewust tekort niet door de godsvrucht van dengene die tot het sacrament nadert worden aangevuld. Daarom nu staan anderen een betere meening voor en zeggen, dat de bedienaar der sacramenten handelt als vertegenwoordiger der heele Kerk, van wie hij bedienaar is. In de woorden die hij uitspreekt wordt dan het opzet van de Kerk uitgesproken, en zoolang door den bedienaar of door dengene die het sacrament ontvangt niet het tegenovergestelde wordt uitgesproken, volstaat zulks voor de geldigheid van het sacrament.2. Hier worden twee meningen verdedigd. Sommigen nl. zeggen dat er in de bedienaar een innerlijk opzet vereist wordt, en indien het ontbreekt dan zal het sacrament niet tot stand komen; bij kinderen echter die het opzet niet hebben het sacrament te ontvangen zou dit euvel door Christus, die innerlijk doopt worden 145goed gemaakt; bij volwassenen daarentegen die het opzet hebben het sacrament te ontvangen zou door het geloof en door de godsvrucht aan dit euvel verholpen worden. Zolang het gaat om het laatste uitwerksel, om de rechtvaardigmaking en bevrijding van de zonden nl. kan een dergelijke mening verdedigd worden; gaat het evenwel om een uitwerksel dat én ding is én sacrament, om het merkteken nl. dan kan, daar toch het merkteken enkel door het sacrament wordt ingeprent, bewust tekort niet door de godsvrucht van dengene die tot het sacrament nadert worden aangevuld. Daarom nu staan anderen een betere mening voor en zeggen, dat de bedienaar van de sacramenten handelt als vertegenwoordiger van de hele Kerk, van wie hij bedienaar is. In de woorden die hij uitspreekt wordt dan het opzet van de Kerk uitgesproken, en zolang door de bedienaar of door dengene die het sacrament ontvangt niet het tegenovergestelde wordt uitgesproken, volstaat zulks voor de geldigheid van het sacrament.
Ad tertium dicendum, quod licet ille qui aliud cogitat, non habeat actualem intentionem, habet tamen intentionem habitualem, quae sufficit ad perfectionem sacramenti, puta cum sacerdos accedens ad baptizandum intendit facere circa baptizandum quod facit Ecclesia. Unde si postea in ipso 146exercitio actus cogitatio ejus ad alia rapiatur, ex virtute primae intentionis perficitur sacramentum. Quamvis studiose curare debeat sacramenti minister, ut etiam actualem intentionem adhibeat; sed hoc non est totaliter positum in hominis potestate, quia praeter intentionem, cum homo vult multum intendere, incipit alia cogitare, secundum illud Psal. 39 [v. 13] : « Cor meum dereliquit me. »
3. Alhoewel degene die over iets anders nadenkt geen daadwerkelijk opzet heeft toch heeft hij een sluimerend opzet, en dit is voor de geldigheid van het sacrament voldoende, zoo bv. wanneer een priester die zich voorbereidt om te doopen het opzet heeft te doen wat de heilige Kerk doet, wordt hij daarna bij de uitoefening van die daad met andere gedachten bezig gehouden, dan 146wordt toch uit kracht van het opzet, dat hij zich eerst voorgenomen had het sacrament voltrokken. Niettemin moet de bedienaar zich beijveren om ook het daadwerkelijk opzet te hebben. Alleen ligt dit niet volkomen in de macht van den mensch, wanneer immers een mensch zijn aandacht wil grondig op iets vestigen wordt deze zonder dat hij het wil, naar hetgeen de Psalm 39, 13 zegt : « mijn eigen hart heeft mij verlaten », makkelijk door iets anders aangetrokken.3. Alhoewel degene die over iets anders nadenkt geen daadwerkelijk opzet heeft toch heeft hij een sluimerend opzet, en dit is voor de geldigheid van het sacrament voldoende, zo bv. wanneer een priester die zich voorbereidt om te dopen het opzet heeft te doen wat de heilige Kerk doet, wordt hij daarna bij de uitoefening van die daad met andere gedachten bezig gehouden, dan 146wordt toch uit kracht van het opzet, dat hij zich eerst voorgenomen had het sacrament voltrokken. Niettemin moet de bedienaar zich beijveren om ook het daadwerkelijk opzet te hebben. Alleen ligt dit niet volkomen in de macht van de mens, wanneer immers een mens zijn aandacht wil grondig op iets vestigen wordt deze zonder dat hij het wil, naar hetgeen de Psalm 39, 13a zegt: “mijn eigen hart heeft mij verlaten”, makkelijk door iets anders aangetrokken.
Utrum fides ministri sit de necessitate sacramenti
Wordt voor de geldigheid der sacramenten bij den bedienaar het geloof vereischt?Wordt voor de geldigheid van de sacramenten bij de bedienaar het geloof vereist?
Ad nonum sic proceditur. Videtur, quod fides ministri sit de necessitate sacramenti. Sicut enim dictum est [art. praec.], intentio ministri est necessaria ad sacramenti perfectionem. Sed « fides intentionem dirigit », ut Augustinus dicit contra Julianum [in Psal. 31]. Ergo si desit vera fides in ministro, non perficitur sacramentum.
Bedenkingen. — 1. Men beweert dat voor de geldigheid der sacramenten de bedienaar het geloof moet hebben. Zooals bewezen werd (in het vorig artikel) is het opzet van de bedienaar noodig tot de geldigheid der sacramenten. Welnu naar hetgeen St. Augustinus zegt in zijn Boek « Tegen Julianus » (4, 3) : « leidt het geloof het opzet. » Als dus in den bedienaar het ware geloof ontbreekt dan wordt het sacrament niet voltrokken.Bedenkingen. — 1. Men beweert dat voor de geldigheid van de sacramenten de bedienaar het geloof moet hebben. Zoals bewezen werd (in het vorig artikel) is het opzet van de bedienaar nodig tot de geldigheid van de sacramenten. Welnu naar hetgeen St. Augustinus zegt in zijn Boek “Tegen Julianus” (4, 3): “leidt het geloof het opzet.” Als dus in de bedienaar het ware geloof ontbreekt dan wordt het sacrament niet voltrokken.
1472. Praeterea, si minister Ecclesiae veram fidem non habeat, videtur esse haereticus. Sed haeretici, ut videtur, non possunt sacramenta conferre : dicit enim Cyprianus in Epist. contra haereticos [Ep. 73] : « Omnia, quaecumque faciunt haeretici, carnalia sunt, et inania, et falsa, ita ut nihil eorum, quae illi gesserint, a nobis probari debeat », et Leo Papa dicit in Epist. ad Leonem Augustum [Ep. 156] : « Manifestum est per crudelissimam et insanissimam vesaniam in Alexandrina sede omne coelestium sacramentorum lumen extinctum; intercepta est sacrificii oblatio, defecit chrismatis sanctificatio, et patricidalibus manibus impiorum omnia se subtraxere mysteria ». Ergo vera fides ministri est de necessitate sacramenti.
1472. Indien de bedienaar van de heilige Kerk het ware geloof niet heeft dan is hij een ketter. De ketters echter mogen de sacramenten niet toedienen; Cyprianus zegt immers in zijn Brief tegen de Ketters (1, 12) : « Alles wat door ketters gedaan wordt is vleeschelijk, ijdel en valsch; zoo kunnen we dus niets goed keuren van hetgeen zij verrichten. » En Paus Leo schrijft in een Brief aan Leo-Augustus : « Het is klaarblijkelijk dat door de allerwreedste en waanzinnigste dwaasheid in Alexandrië alle licht omtrent de hemelsche sacramenten uitgedoofd is; de opdracht van het offer liep ten einde, de heiligmaking door het chrisma verdween, en al de mysteriën werden aan de snoode handen van de goddeloozen onttrokken. » Zoo wordt dan in den bedienaar het ware geloof tot de geldigheid der sacramenten vereischt.1472. Indien de bedienaar van de heilige Kerk het ware geloof niet heeft dan is hij een ketter. De ketters echter mogen de sacramenten niet toedienen; Cyprianus zegt immers in zijn Brief tegen de Ketters (1, 12): “Alles wat door ketters gedaan wordt is vleselijk, ijdel en vals; zo kunnen we dus niets goed keuren van hetgeen zij verrichten.” En Paus Leo schrijft in een Brief aan Leo-Augustus: “Het is klaarblijkelijk dat door de allerwreedste en waanzinnigste dwaasheid in Alexandrië alle licht omtrent de hemelse sacramenten uitgedoofd is; de opdracht van het offer liep ten einde, de heiligmaking door het chrisma verdween, en al de mysteriën werden aan de snode handen van de goddelozen onttrokken.” Zo wordt dan in de bedienaar het ware geloof tot de geldigheid van de sacramenten vereist.
3. Praeterea, illi qui non habent veram fidem, videntur esse per excommunicationem ab Ecclesia separati : dicitur enim in 2. Canonica Joannis [v. 10] : « Si quis venit ad vos, et hanc doctrinam non affert, nolite eum recipere in domum, nec Ave dixeritis ei, » et ad Tit 3. [v. 10] : « Haereticum hominem post primam et secundam correctionem devita. » Sed excommunicatus non videtur posse conferre Ecclesiae sacramentum, cum 148ab Ecclesia sit separatus, ad cujus ministerium pertinet sacramentorum dispensatio. Ergo videtur, quod vera fides ministri sit de necessitate sacramenti.
3. Degenen die het ware geloof niet bezitten zijn door den banvloek van de heilige Kerk afgescheiden; er staat nl. in den tweeden Brief van St. Jan (10) : « Als iemand tot ulieden komt en die leer niet meebrengt, ontvangt hem dan niet in huis, en zegt hem dan niet « wees gegroet ». » En ook in den Brief aan Titus (3, 10) : « Een ketter moet ge na de eerste of tweede vermaning vermijden. » Een ketter echter mag, omdat hij van de Kerk afgescheiden is, en het de Kerk toekomt de sacramenten uit te reiken, 148de sacramenten der Kerk niet toedienen, zoo wordt dus tot de geldigheid der sacramenten bij den bedienaar het ware geloof vereischt.3. Degenen die het ware geloof niet bezitten zijn door de banvloek van de heilige Kerk afgescheiden; er staat nl. in de tweede Brief van St. Jan (10): “Als iemand tot ulieden komt en die leer niet meebrengt, ontvangt hem dan niet in huis, en zegt hem dan niet ‘wees gegroet’.” En ook in de Brief aan Titus (3, 10): “Een ketter moet ge na de eerste of tweede vermaning vermijden.” Een ketter echter mag, omdat hij van de Kerk afgescheiden is, en het de Kerk toekomt de sacramenten uit te reiken, 148de sacramenten van de Kerk niet toedienen, zo wordt dus tot de geldigheid van de sacramenten bij de bedienaar het ware geloof vereist.
Sed contra est, quod Augustinus dicit contra Petilianum Donatistam [lib. 2. cap. 47.] : « Mementote sacramentis Dei nihil obesse mores malorum hominum, illa non sint, vel minus sancta sint ».
Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus zegt « Tegen Petilianus » (2, 47) : « Gedenkt dat de zeden der booze menschen de sacramenten Gods, niet alsof ze dan niet zouden tot stand komen of minder heilig zijn, in den weg staan. »Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus zegt “Tegen Petilianus” (2, 47): “Gedenkt dat de zeden van de boze mensen de sacramenten Gods, niet alsof ze dan niet zouden tot stand komen of minder heilig zijn, in de weg staan.”
Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [art. 5. huj. q.], quia minister in sacramentis instrumentaliter operatur, non agit in virtute Christi. Sicut autem pertinet ad propriam virtutem hominis charitas, ita et fides. Unde sicut non requiritur ad perfectionem sacramenti, quod minister sit in charitate, sed possunt etiam peccatores sacramenta conferre, ut supra dictum est [art. 5. huj. q.], ita non requiritur ad perfectionem sacramenti fides ejus, sed infidelis potest verum sacramentum praebere, dummodo caetera adsint, quae sunt de necessitate sacramenti.
Leerstelling. — Zooals hierboven werd aangetoond (5e art. dezer Kw. en 1e en 2e art. der 62e Kwestie) is de bedienaar wat de sacramenten betreft enkel en alleen werktuig, hij handelt nl. niet uit eigen kracht, maar door de kracht van Christus. Welnu evenzeer als de liefde, ligt ook het geloof in de macht van den mensch. Zoo komt dan dat evenals tot de geldigheid van het sacrament niet vereischt wordt dat de bedienaar zou in de liefde zijn, — ook zondaars kunnen immers zooals wij reeds hebben aangetoond (5e en 6e art. dezer kwestie) die sacramenten toedienen, — evenzoo tot de geldigheid van het sacrament het geloof niet vereischt wordt. Een ongeloovige kan dus, als de overige voorwaarden die tot de geldigheid vereischt worden maar vervuld zijn, een waar sacrament toedienen.Leerstelling. — Zoals hierboven werd aangetoond (5e art. van deze Kw. en 1e en 2e art. van de 62e Kwestie) is de bedienaar wat de sacramenten betreft enkel en alleen werktuig, hij handelt nl. niet uit eigen kracht, maar door de kracht van Christus. Welnu evenzeer als de liefde, ligt ook het geloof in de macht van de mens. Zo komt dan dat evenals tot de geldigheid van het sacrament niet vereist wordt dat de bedienaar zou in de liefde zijn, — ook zondaars kunnen immers zoals wij reeds hebben aangetoond (5e en 6e art. van deze kwestie) die sacramenten toedienen, — evenzo tot de geldigheid van het sacrament het geloof niet vereist wordt. Een ongelovige kan dus, als de overige voorwaarden die tot de geldigheid vereist worden maar vervuld zijn, een waar sacrament toedienen.
149Ad primum ergo dicendum, quod potest contingere, quod aliquis patiatur defectum fidei circa aliquid, et non circa veritatem sacramenti, quod exhibet; puta si aliquis credat juramentum esse in omni casu illicitum, et tamen credat baptismum efficaciam habere ad salutem. Et sic talis infidelitas non impedit intentionem conferendi sacramentum. Si vero patiatur fidei defectum circa ipsum sacramentum, quod exhibet, licet credat per id quod agitur exterius, nullum sequi interiorem effectum, non tamen ignorat, quod Ecclesia catholica intendit per hujusmodi, quae exterius aguntur, praebere sacramentum. Unde, non obstante infidelitate, potest intendere facere id, quod facit Ecclesia, licet aestimet id nihil esse. Et talis intentio sufficit ad sacramentum, quia, sicut dictum est [art. praec. ad 2.], minister sacramenti agit in persona totius Ecclesiae, ex cujus fide suppletur id, quod deest fidei ministri.
149Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het kan voorvallen dat iemand het voor zekere punten van het geloof verkeerd voor heeft; maar daarom nog niet voor het sacrament dat hij toedient verkeerd denkt, bv. wanneer iemand denkt dat de eed altijd en overal verboden is, en niettemin aan de kracht van het doopsel met het oog op de zaligheid geloof hecht. Dergelijk ongeloof nu staat het opzet om een sacrament toe te dienen niet in den weg. Dwaalt iemand verder op geloofsgebied juist omtrent het sacrament zelf dat hij toedient, denkt hij bv. dat wat hij uiterlijk doet geen innerlijk uitwerksel heeft en weet hij daarbij dat de katholieke Kerk met wat uiterlijk gedaan wordt de bedoeling heeft werkelijk een sacrament toe te dienen dan kan hij in weerwil van zijn ongeloof toch het opzet hebben te doen wat de Kerk doet, en er zelf niet de minste waarde aan hechten. Een dergelijk opzet volstaat voor de geldigheid; zooals hierboven werd aangetoond, (8e art. dezer kwestie) handelt immers de bedienaar van het sacrament in naam van de heele Kerk door wier geloof aangevuld wordt wat aan het geloof van den bedienaar ontbreekt.149Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het kan voorvallen dat iemand het voor zekere punten van het geloof verkeerd voor heeft; maar daarom nog niet voor het sacrament dat hij toedient verkeerd denkt, bv. wanneer iemand denkt dat de eed altijd en overal verboden is, en niettemin aan de kracht van het doopsel met het oog op de zaligheid geloof hecht. Dergelijk ongeloof nu staat het opzet om een sacrament toe te dienen niet in de weg. Dwaalt iemand verder op geloofsgebied juist omtrent het sacrament zelf dat hij toedient, denkt hij bv. dat wat hij uiterlijk doet geen innerlijk uitwerksel heeft en weet hij daarbij dat de katholieke Kerk met wat uiterlijk gedaan wordt de bedoeling heeft werkelijk een sacrament toe te dienen dan kan hij in weerwil van zijn ongeloof toch het opzet hebben te doen wat de Kerk doet, en er zelf niet de minste waarde aan hechten. Een dergelijk opzet volstaat voor de geldigheid; zoals hierboven werd aangetoond, (8e art. van deze kwestie) handelt immers de bedienaar van het sacrament in naam van de hele Kerk door wier geloof aangevuld wordt wat aan het geloof van de bedienaar ontbreekt.
Ad secundum dicendum, quod haereticorum quidam in collatione sacramentorum formam Ecclesiae non servant, et tales neque sacramentum conferunt, neque rem sacramenti; quidem vero servant Ecclesiae formam, 150et tales conferunt quidem sacramentum, sed non conferunt rem sacramenti. Et hoc dico, si sunt manifeste ab Ecclesia praecisi, quia ex hoc ipso quod aliquis accipit sacramenta ab eis, peccat; et per hoc impeditur, ne effectum sacramenti consequatur; unde Augustinus dicit in lib. De Fide ad Petrum [cap. 36.] : « Firmissime tene, et nullatenus dubites, extra Ecclesiam baptizatis, si ad Ecclesiam non redierint, baptismo cumulari perniciem ». Et per hunc modum dicit Leo Papa « in sede Alexandrina omne sacramentorum lumen esse extinctum », scilicet quantum ad rem sacramenti, non autem quantum ad ipsum sacramentum. Cyprianus autem nullo modo sacramentum conferre haereticos posse credebat, sed in hoc ejus sententia non tenetur. Unde Augustinus dicit [lib. de Unico Baptismo cont. Petil. cap. 13.] : « Martyrem Cyprianum, qui apud haereticos vel schismaticos datum baptismum nolebat cognoscere, tanta merita usque ad triumphum 151martyrii secuta sunt, ut charitatis, qua excellebat, luce obumbratio illa fugaretur, et si quid purgandum erat, passionis falce tolleretur ».
2. Sommige ketters bewaren bij het uitreiken van de sacramenten niet den vorm van de heilige Kerk en dienen dan ook noch het sacrament noch het ding van het sacrament toe. Andere 150daarentegen bewaren den vorm van de heilige Kerk en dienen bijgevolg waarlijk het sacrament toe, het ding van het sacrament echter niet. Dit nu gebeurt wanneer ze waarlijk openbaar van de heilige Kerk afgescheiden zijn, zoodat iemand door het feit dat hij van hen de sacramenten ontvangt zondigt; daardoor wordt dan verhinderd dat het sacrament zijn uitwerksel zou bereiken. Daarom is het dat St. Augustinus zegt in zijn Boek over het Geloof (Aan Petrus, 36e Hoofdstuk) : « Ge moogt vast gelooven zonder er eenigszins aan te twijfelen dat degenen die buiten de Kerk gedoopt zijn, als ze niet naar de heilige Kerk terugkeeren samen met hun doopsel ten onder gaan. » In denzelfden zin zegt verder Paus Leo « in Alexandrië is alle licht omtrent de sacramenten uitgedoofd » d. i. wat het ding van het sacrament betreft, niet wat het sacrament zelf aangaat. Cyprianus integendeel dacht dat ketters in geen geval de sacramenten kunnen toedienen; met zijn meening op dat punt werd echter geen rekening gehouden. Zoo komt het dat Augustinus in zijn Boek «Over het eenige doopsel» tegen Petrilianus (13) zegt : « de martelaar Cyprianus wou de geldigheid van het doopsel door ketters en schismatieken toegediend niet erkennen; hij heeft echter tot aan den triomf van zijn martelaarschap zoo groote verdiensten ingezameld, dat bewuste schaduw voor het licht van de liefde waardoor hij uitstraalde 151moest opbreken, en had hij nog iets uit te boeten, dan werd het met de zeis van het martelaarsschap weggemaaid. »2. Sommige ketters bewaren bij het uitreiken van de sacramenten niet de vorm van de heilige Kerk en dienen dan ook noch het sacrament noch het ding van het sacrament toe. Andere 150daarentegen bewaren de vorm van de heilige Kerk en dienen bijgevolg waarlijk het sacrament toe, het ding van het sacrament echter niet. Dit nu gebeurt wanneer ze waarlijk openbaar van de heilige Kerk afgescheiden zijn, zodat iemand door het feit dat hij van hen de sacramenten ontvangt zondigt; daardoor wordt dan verhinderd dat het sacrament zijn uitwerksel zou bereiken. Daarom is het dat St. Augustinus zegt in zijn Boek over het Geloof (Aan Petrus, 36e Hoofdstuk): “Ge moogt vast geloven zonder er enigszins aan te twijfelen dat degenen die buiten de Kerk gedoopt zijn, als ze niet naar de heilige Kerk terugkeren samen met hun doopsel ten onder gaan.” In dezelfde zin zegt verder Paus Leo “in Alexandrië is alle licht omtrent de sacramenten uitgedoofd” d.i. wat het ding van het sacrament betreft, niet wat het sacrament zelf aangaat. Cyprianus integendeel dacht dat ketters in geen geval de sacramenten kunnen toedienen; met zijn mening op dat punt werd echter geen rekening gehouden. Zo komt het dat Augustinus in zijn Boek “Over het enige doopsel” tegen Petrilianus (13) zegt: “de martelaar Cyprianus wou de geldigheid van het doopsel door ketters en schismatieken toegediend niet erkennen; hij heeft echter tot aan de triomf van zijn martelaarschap zo grote verdiensten ingezameld, dat bewuste schaduw voor het licht van de liefde waardoor hij uitstraalde 151moest opbreken, en had hij nog iets uit te boeten, dan werd het met de zeis van het martelaarsschap weggemaaid.”
Ad tertium dicendum, quod potestas ministrandi sacramenta pertinet ad spiritualem characterem, qui indelebilis est, ut ex supradictis patet [q. praec. art. 3.] ; et ideo per hoc quod aliquis ab Ecclesia suspenditur, vel excommunicatur, vel etiam degradatur, non amittit potestatem conferendi sacramentum, sed licentiam utendi hac potestate. Et ideo sacramentum quidem confert, sed tamen peccat conferendo. Et similiter ille qui ab eo accipit sacramentum, et sic non percipit rem sacramenti, nisi forte per ignorantiam excusetur.
3. De macht om sacramenten toe te dienen komt zooals uit het voorgaande (vorige kwestie 5e art.) blijkt, uit het merkteeken dat onuitwischbaar is, voort. Bijgevolg wordt aan iemand die door de Kerk gesuspendeerd of gebanvloekt of zelfs gedegradeerd wordt de macht om sacramenten toe te dienen niet ontnomen, hem wordt alleen verboden van die macht gebruik te maken. Hij dient dus wel het sacrament toe, maar wanneer hij zulks doet, dan zondigt hij en degene die het sacrament ontvangt eveneens. Zoo ontvangt hij dan ook, behalve wanneer hij door onwetendheid verontschuldigd wordt, de zaak van het sacrament niet.3. De macht om sacramenten toe te dienen komt zoals uit het voorgaande (vorige kwestie 5e art.) blijkt, uit het merkteken dat onuitwisbaar is, voort. Bijgevolg wordt aan iemand die door de Kerk gesuspendeerd of gebanvloekt of zelfs gedegradeerd wordt de macht om sacramenten toe te dienen niet ontnomen, hem wordt alleen verboden van die macht gebruik te maken. Hij dient dus wel het sacrament toe, maar wanneer hij zulks doet, dan zondigt hij en degene die het sacrament ontvangt eveneens. Zo ontvangt hij dan ook, behalve wanneer hij door onwetendheid verontschuldigd wordt, de zaak van het sacrament niet.
Utrum intentio recta ministri requiratur ad perfectionem sacramenti
Moet de bedienaar der sacramenten bij het toedienen van de sacramenten het rechte opzet hebbenMoet de bedienaar van de sacramenten bij het toedienen van de sacramenten het rechte opzet hebben
Ad decimum sic proceditur. Videtur, quod intentio recta ministri 152requiratur ad perfectionem sacramenti. Intentio enim ministri debet conformari intentioni Ecclesiae, ut ex dictis patet [art. 8. huj. q. ad 1.]. Sed intentio Ecclesiae semper est recta. Ergo de necessitate ad sacramenti perfectionem requiritur intentio recta ministri.
Bedenkingen. — Men beweert dat het rechte opzet van 152den bedienaar tot de geldigheid der sacramenten vereischt wordt. — 1. Hierboven werd bewezen (8e en 9e art.) dat de bedienaar hetzelfde opzet moet hebben als de Kerk. Welnu, het opzet der heilige Kerk is altijd juist. Tot de geldigheid der sacramenten wordt dus bij den bedienaar het rechte opzet vereischt.Bedenkingen. — Men beweert dat het rechte opzet van 152de bedienaar tot de geldigheid van de sacramenten vereist wordt. — 1. Hierboven werd bewezen (8e en 9e art.) dat de bedienaar hetzelfde opzet moet hebben als de Kerk. Welnu, het opzet van de heilige Kerk is altijd juist. Tot de geldigheid van de sacramenten wordt dus bij de bedienaar het rechte opzet vereist.
2. Praeterea, perversa intentio deterior esse videtur, quam intentio jocosa. Sed intentio jocosa tollit sacramentum, puta si aliquis non serio, sed ludo aliquem baptizaret. Ergo multo magis perversa intentio aufert sacramentum, puta si aliquis aliquem baptizaret, ut postmodum eum occideret.
2. Een boosaardig opzet is verderfelijker dan de bedoeling even maar wat te spelen. Welnu het opzet even wat te spelen doet het sacrament te niet, zoo bv. als iemand het niet ernstig voor heeft, maar alleen om zich wat te vermaken iemand doopt. Zoo zal dan een boosaardig opzet als bv. een mensch te doopen om hem naderhand te vermoorden nog veel meer de geldigheid van het sacrament te niet doen.2. Een boosaardig opzet is verderfelijker dan de bedoeling even maar wat te spelen. Welnu het opzet even wat te spelen doet het sacrament te niet, zo bv. als iemand het niet ernstig voor heeft, maar alleen om zich wat te vermaken iemand doopt. Zo zal dan een boosaardig opzet als bv. een mens te dopen om hem naderhand te vermoorden nog veel meer de geldigheid van het sacrament te niet doen.
3. Praeterea, perversa intentio facit totum opus vitiosum, secundum illud Luc. 11 [v. 34] : « Si oculus tuus fuerit nequam, totum corpus tuum tenebrosum erit. » Sed sacramenta Christi non possunt inquinari per malos homines, sicut Augustinus dicit contra Petil. [lib. 2, cap. 39]. Ergo videtur, quod si sit perversa intentio ministri, non sit ibi verum sacramentum.
3. Naar wat St. Lucas zegt in zijn Evangelie (11, 34) : « Als uw oog niet deugt dan is ook heel uw lichaam duister », maakt een boosaardig opzet het heele werk verderfelijk. Welnu St. Augustinus zegt in zijn Boek tegen Petilianus, dat : « de sacramenten van Christus door booze menschen niet kunnen bezoedeld worden. » Wanneer dus het opzet van den bedienaar verkeerd is, dan kan ook geen waar sacrament tot stand komen.3. Naar wat St. Lukas zegt in zijn Evangelie (11, 34): “Als uw oog niet deugt dan is ook heel uw lichaam duister”, maakt een boosaardig opzet het hele werk verderfelijk. Welnu St. Augustinus zegt in zijn Boek tegen Petilianus, dat: “de sacramenten van Christus door boze mensen niet kunnen bezoedeld worden.” Wanneer dus het opzet van de bedienaar verkeerd is, dan kan ook geen waar sacrament tot stand komen.
Sed contra est, quod perversa intentio pertinet ad malitiam ministri. 153Sed malitia ministri non tollit sacramentum. Ergo nec perversa intentio.
Daartegenover staat echter dat een boosaardig opzet zijn oorsprong heeft in de kwaadwilligheid van den bedienaar. Welnu de 153kwaadwilligheid van den bedienaar verhindert het sacrament niet tot stand te komen. Een boosaardig opzet dus evenmin.Daartegenover staat echter dat een boosaardig opzet zijn oorsprong heeft in de kwaadwilligheid van de bedienaar. Welnu de 153kwaadwilligheid van de bedienaar verhindert het sacrament niet tot stand te komen. Een boosaardig opzet dus evenmin.
Respondeo dicendum, quod intentio ministri potest perverti dupliciter : uno modo respectu ipsius sacramenti, puta cum aliquis non intendit sacramentum conferre, sed derisorie aliquid agere; et talis perversitas tollit veritatem sacramenti, praecipue quando suam intentionem exterius manifestat. Alio modo potest perverti intentio ministri quantum ad id, quod sequitur sacramentum, puta si sacerdos intendat aliquam foeminam baptizare, ut abutatur ea, vel si intendat conficere corpus Christi, ut eo ad veneficia utatur. Et quia prius non dependet a posteriori, inde est quod talis intentionis perversitas veritatem sacramenti non tollit, sed ipse minister ex tali intentione graviter peccat.
Leerstelling. — Het opzet van den bedienaar kan om twee redenen verkeerd zijn. Vooreerst met betrekking tot het sacrament zelf, wanneer bv. iemand niet het opzet heeft het sacrament toe te dienen, maar alleen iets te doen om te gekken. Een dergelijk opzicht nu staat, vooral wanneer de bedienaar bewust opzet openbaar bekend maakt, de echtheid van het sacrament in den weg. Verder kan het opzet van den bedienaar om wat op het sacrament volgt verderfelijk zijn, zoo hij bv. als een priester met het opzet haar te misbruiken, aan een vrouw het doopsel wil toedienen, of nog als hij het lichaam van Christus wil consacreeren om het daarna te kunnen bezweren. Omdat nu het eerste uitwerksel niet van het laatste afhankelijk is zoo komt het dat een dergelijke boosaardigheid de geldigheid van het sacrament niet te niet doet; alleen zondigt de bedienaar met een dergelijk opzicht in het schild te voeren doodelijk.Leerstelling. — Het opzet van de bedienaar kan om twee redenen verkeerd zijn. Vooreerst met betrekking tot het sacrament zelf, wanneer bv. iemand niet het opzet heeft het sacrament toe te dienen, maar alleen iets te doen om te gekken. Een dergelijk opzicht nu staat, vooral wanneer de bedienaar bewust opzet openbaar bekend maakt, de echtheid van het sacrament in de weg. Verder kan het opzet van de bedienaar om wat op het sacrament volgt verderfelijk zijn, zo hij bv. als een priester met het opzet haar te misbruiken, aan een vrouw het doopsel wil toedienen, of nog als hij het lichaam van Christus wil consacreren om het daarna te kunnen bezweren. Omdat nu het eerste uitwerksel niet van het laatste afhankelijk is zo komt het dat een dergelijke boosaardigheid de geldigheid van het sacrament niet te niet doet; alleen zondigt de bedienaar met een dergelijk opzicht in het schild te voeren dodelijk.
Ad primum ergo dicendum, quod Ecclesiae intentio recta est, et quantum ad sacramenti perfectionem, et quantum ad sacramenti usum. Sed 154prima rectitudo perficit sacramentum, secunda operatur ad meritum; et ideo minister, qui conformat intentionem suam Ecclesiae, quantum ad primam rectitudinem, non autem quantum ad secundum, perficit quidem sacramentum, sed non est sibi ad meritum.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Kerk heeft het bij haar opzet én wat de voltrekking van het sacrament én wat het gebruik van het sacrament betreft juist voor; aan haar inzicht wat 154het eerste punt betreft valt dan de voltrekking van het sacrament, aan haar inzicht aangaande het tweede punt de verdienste te danken. Zoo voltrekt dus een bedienaar die wat het eerste, niet wat het tweede punt betreft zijn opzet aan dat van de heilige Kerk aanpast wel het sacrament; maar het wordt hem niet tot verdienste aangerekend.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Kerk heeft het bij haar opzet én wat de voltrekking van het sacrament én wat het gebruik van het sacrament betreft juist voor; aan haar inzicht wat 154het eerste punt betreft valt dan de voltrekking van het sacrament, aan haar inzicht aangaande het tweede punt de verdienste te danken. Zo voltrekt dus een bedienaar die wat het eerste, niet wat het tweede punt betreft zijn opzet aan dat van de heilige Kerk aanpast wel het sacrament; maar het wordt hem niet tot verdienste aangerekend.
Ad secundum dicendum, quod intentio ludicra vel jocosa excludit primam rectitudinem intentionis, per quam perficitur sacramentum; et ideo non est similis ratio.
2. Het opzet spottend of speelsgewijze te handelen maakt om eerst vermelde reden (Leerst. van 't artik.) die, zij tot het voltrekken van het sacrament noodzakelijk is, de zuiverheid van opzet mogelijk. Zoo gaat een dergelijke vergelijking niet op.2. Het opzet spottend of speelsgewijze te handelen maakt om eerst vermelde reden (Leerst. van 't artik.) die, zij tot het voltrekken van het sacrament noodzakelijk is, de zuiverheid van opzet mogelijk. Zo gaat een dergelijke vergelijking niet op.
Ad tertium dicendum, quod perversa intentio pervertit opus intendentis, non autem opus alterius; et ideo ex perversa intentione ministri pervertitur id, quod agit in sacramentis, inquantum est opus ejus, non inquantum est opus Christi, cujus est minister. Et est simile, si minister alicujus hominis prava intentione deferret pauperibus eleemosynam, quam dominus recta intentione mandaret.
3. Een boosaardig opzet bederft het werk van dengene die zich dit opzet voorneemt, niet van iemand anders. Daarom wordt dan door een verkeerd opzet hetgeen de bedienaar zelf wrocht in zoover het zijn werk is, niet in zoover het een werk is van Christus, van wien hij de bedienaar is, bedorven. Dit is overigens ook het geval wanneer een knecht met een boos opzet een aalmoes aan de armen uitreikt, en aldus hetgeen de meester met een goed opzet bevolen heeft, volbrengt.3. Een boosaardig opzet bederft het werk van dengene die zich dit opzet voorneemt, niet van iemand anders. Daarom wordt dan door een verkeerd opzet hetgeen de bedienaar zelf wrocht in zover het zijn werk is, niet in zover het een werk is van Christus, van wie hij de bedienaar is, bedorven. Dit is overigens ook het geval wanneer een knecht met een boos opzet een aalmoes aan de armen uitreikt, en aldus hetgeen de meester met een goed opzet bevolen heeft, volbrengt.