De principali effectu sacramentorum, qui est gratia
Over het voornaamste uitwerksel der Sacramenten, n. l. de genadeOver het voornaamste uitwerksel van de Sacramenten, n. l. de genade
54Deinde considerandum est de effectu sacramentorum, et primo de effectu eorum principali, qui est gratia; secundo de effectu secundario, qui est character.
54Hierna moeten we handelen over de uitwerkselen der Sacramenten. Ten eerste over hun voornaamste uitwerksel, nl. de genade; ten tweede over haar bijkomstig uitwerksel, nl. het merkteeken.54Hierna moeten we handelen over de uitwerkselen van de Sacramenten. Ten eerste over hun voornaamste uitwerksel, nl. de genade; ten tweede over haar bijkomstig uitwerksel, nl. het merkteken.
Circa primum quaeruntur sex : 1. Utrum sacramenta novae legis sint causae gratiae. — 2. Utrum gratia sacramentalis aliquid addat super gratiam virtutum et donorum. — 3. Utrum sacramenta contineant gratiam. — 4. Utrum sit in eis aliqua virtus ad causandum gratiam. — 5. Utrum talis virtus in sacramentis derivetur a passione Christi. — 6. Utrum sacramenta veteris legis gratiam causarent.
Met betrekking tot het eerste stellen we zes vragen : 1. Zijn de Sacramenten der Nieuwe Wet de oorzaak der genade? 2. Voegt de Sacramenteele genade iets toe aan de genaden der deugden en gaven? 3. Bevatten de Sacramenten de genade? 4. Is er in de Sacramenten een kracht om de genade voort te brengen? 5. Vloeit die kracht voort uit het lijden van Christus? 6. Brachten de Sacramenten der Oude Wet ook de genade voort?Met betrekking tot het eerste stellen we zes vragen: 1. Zijn de Sacramenten van de Nieuwe Wet de oorzaak van de genade? 2. Voegt de Sacramentele genade iets toe aan de genaden van de deugden en gaven? 3. Bevatten de Sacramenten de genade? 4. Is er in de Sacramenten een kracht om de genade voort te brengen? 5. Vloeit die kracht voort uit het lijden van Christus? 6. Brachten de Sacramenten van de Oude Wet ook de genade voort?
Utrum sacramenta sint causa gratiae
Zijn de Sacramenten oorzaak der genade?Zijn de Sacramenten oorzaak van de genade?
55Ad primum sic proceditur. Videtur, quod sacramenta non sint causa gratiae. Non enim idem videtur esse signum et causa, eo quod ratio signi videtur magis effectui competere. Sed sacramentum est signum gratiae. Non igitur est causa ejus.
55Bedenkingen. — Men beweert dat de sacramenten de genade niet voortbrengen. — 1. Een teeken immers is niet hetzelfde als een oorzaak, want een teeken schijnt eerder een uitwerksel te zijn. Welnu een sacrament is een teeken van de genade, en is er bijgevolg de oorzaak niet van.55Bedenkingen. — Men beweert dat de sacramenten de genade niet voortbrengen. — 1. Een teken immers is niet hetzelfde als een oorzaak, want een teken schijnt eerder een uitwerksel te zijn. Welnu een sacrament is een teken van de genade, en is er bijgevolg de oorzaak niet van.
2. Praeterea, nullum corporale agere potest in rem spiritualem, eo quod « agens honorabilius est patiente », ut Augustinus dicit 12. super Genesim ad literam [cap. 16.]. Sed subjectum gratiae est mens hominis quae est res spiritualis. Non ergo sacramenta possunt gratiam causare.
2. Het stoffelijke kan niet inwerken op het geestelijke, want de bewerker moet tot een verhevener natuur behooren dan het bewerkte, zooals Augustinus zegt in zijn Letterlijke Verklaring van het Boek der Schepping (12e B., 16e H.). Welnu het subject der genade is de menschelijke geest die iets geestelijks is. De sacramenten kunnen dus geen oorzaak zijn van de genade.2. Het stoffelijke kan niet inwerken op het geestelijke, want de bewerker moet tot een verhevener natuur behoren dan het bewerkte, zoals Augustinus zegt in zijn Letterlijke Verklaring van het Boek van de Schepping (12e B., 16e H.). Welnu het subject van de genade is de menselijke geest die iets geestelijks is. De sacramenten kunnen dus geen oorzaak zijn van de genade.
3. Praeterea, illud quod est proprium Dei, non debet alicui creaturae attribui. Sed causare gratiam est proprium Dei, secundum illud Psalm. 5683 [v. 12] : « Gratiam et gloriam dabit Dominus. » Cum ergo sacramenta consistant in quibusdam verbis et rebus creatis, non videtur quod possint gratiam causare.
3. Wat eigen is aan God, mag aan geen enkel schepsel worden toegeschreven. Welnu het is eigen aan God, de genade voort te brengen, volgens de woorden uit den psalm 83, 12 : « God zal 56de genade en de glorie schenken. » Daar nu de sacramenten bestaan uit woorden en andere geschapen dingen, kunnen ze bijgevolg de genade niet voortbrengen.3. Wat eigen is aan God, mag aan geen enkel schepsel worden toegeschreven. Welnu het is eigen aan God, de genade voort te brengen, volgens de woorden uit de psalm 83, 12: “God zal 56de genade en de glorie schenken.” Daar nu de sacramenten bestaan uit woorden en andere geschapen dingen, kunnen ze bijgevolg de genade niet voortbrengen.
Sed contra est, quod Augustinus dicit super Joan. [tract. 80.], quod « aqua baptismalis corpus tangit, et cor abluit ». Sed cor non abluitur nisi per gratiam. Ergo causat gratiam, et pari ratione alia Ecclesiae sacramenta.
Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in zijn Verklaring van Joannes (80e Verhandeling) : « Het water van het doopsel raakt het lichaam aan, en reinigt het hart. » Welnu het hart wordt alleen gereinigd door de genade. Bijgevolg brengt het doopsel de genade voort en zijn om dezelfde reden de andere sacramenten der Heilige kerk de oorzaak der genade.Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in zijn Verklaring van Johannes (80e Verhandeling): “Het water van het doopsel raakt het lichaam aan, en reinigt het hart.” Welnu het hart wordt alleen gereinigd door de genade. Bijgevolg brengt het doopsel de genade voort en zijn om dezelfde reden de andere sacramenten van de Heilige kerk de oorzaak van de genade.
Respondeo dicendum, quod necesse est dicere, sacramenta novae legis per aliquem modum gratiam causare. Manifestum est enim, quod per sacramenta novae legis homo Christo incorporatur, sicut de baptismo dicit Apostolus Galat. 3 [v. 27] : « Quotquot in Christo baptizati estis, Christum induistis. » Non autem efficitur homo membrum Christi, nisi per gratiam. Quidam tamen dicunt, quod non sunt causa gratiae aliquid operando, sed quia Deus, sacramentis adhibitis, in anima gratiam operatur, et ponunt 57exemplum de illo, qui afferens denarium plumbeum, accipit centum libras ex regis ordinatione, non quod denarius ille aliquid operetur ad habendam praedictae pecuniae quantitatem, sed hoc operatur sola voluntas regis. Unde et Bernardus dicit in quodam sermone de Coena Domini [De Baptismo, cap. 2.] : « Sicut investitur canonicus per librum, abbas per baculum, episcopus per annulum, sic divisiones gratiarum diversae sunt traditae sacramentis ». Sed si quis recte consideret, iste modus non transcendit rationem signi, nam denarius plumbeus non est nisi quoddam signum regiae ordinationis de hoc, quod pecunia recipiatur ab isto. Similiter liber est quoddam signum, quo designatur traditio canonicatus. Secundum hoc igitur sacramenta novae legis nihil plus essent, quam signa gratiae, cum tamen ex multis sanctorum auctoritatibus habeatur, quod sacramenta novae legis non solum significant, sed causant gratiam.
Leerstelling. — Men moet aannemen dat de sacramenten der Nieuwe Wet op een of andere manier de genade voortbrengen. Het is immers duidelijk dat de mensch door de sacramenten der Nieuwe Wet in Christus opgenomen wordt, zooals de Apostel zegt over het doopsel, in zijn Brief aan de Galaten (3, 27) : « Allen hebt ge u met Christus bekleed, omdat ge allen gedoopt zijt tot de gemeenschap met Christus. » Welnu de mensch wordt geen lid van Christus dan door de genade. Sommigen echter beweren, dat de sacramenten de genade niet voortbrengen door een werking uit te oefenen, maar doordat God de genade in de ziel 57stort, wanneer de sacramenten gebruikt worden. En ze geven als voorbeeld iemand, die tegen een looden penning honderd pond krijgt, omdat de koning het zóó geregeld heeft. Die penning draagt er door zijn werking niets toe bij om zulke som gelds te krijgen, maar alleen de wil van den koning. Daarom zegt Bernardus in een preek Over het Laatste Avondmaal: « Een kanunnik wordt aangesteld door het boek, een abt door den staf, een bisschop door den ring, en op dezelfde wijze werden verschillende genaden aan verschillende Sacramenten vastgehecht. » Bij eenig nadenken blijkt echter dat er in die manier om de genade voort te brengen niets méér ligt dan een teeken der genade te zijn. Een looden penning immers is niets anders dan een teeken van 's konings bevel om aan dezen mensch die som te schenken. Op dezelfde wijze is een boek een teeken, waardoor wordt aangeduid dat iemand tot kanunnik benoemd wordt. Volgens die voorstelling zouden de sacramenten der Nieuwe Wet niets méér zijn dan teekenen der genade, hoewel uit het gezag van vele heiligen blijkt, dat de sacramenten der Nieuwe Wet niet alleen de genade aanduiden, maar ze ook voortbrengen.Leerstelling. — Men moet aannemen dat de sacramenten van de Nieuwe Wet op een of andere manier de genade voortbrengen. Het is immers duidelijk dat de mens door de sacramenten van de Nieuwe Wet in Christus opgenomen wordt, zoals de Apostel zegt over het doopsel, in zijn Brief aan de Galaten (3, 27): “Allen hebt ge u met Christus bekleed, omdat ge allen gedoopt zijt tot de gemeenschap met Christus.” Welnu de mens wordt geen lid van Christus dan door de genade. Sommigen echter beweren, dat de sacramenten de genade niet voortbrengen door een werking uit te oefenen, maar doordat God de genade in de ziel 57stort, wanneer de sacramenten gebruikt worden. En ze geven als voorbeeld iemand, die tegen een loden penning honderd pond krijgt, omdat de koning het zó geregeld heeft. Die penning draagt er door zijn werking niets toe bij om zulke som gelds te krijgen, maar alleen de wil van de koning. Daarom zegt Bernardus in een preek Over het Laatste Avondmaal: “Een kanunnik wordt aangesteld door het boek, een abt door de staf, een bisschop door de ring, en op dezelfde wijze werden verschillende genaden aan verschillende Sacramenten vastgehecht.” Bij enig nadenken blijkt echter dat er in die manier om de genade voort te brengen niets méér ligt dan een teken van de genade te zijn. Een loden penning immers is niets anders dan een teken van 's konings bevel om aan deze mens die som te schenken. Op dezelfde wijze is een boek een teken, waardoor wordt aangeduid dat iemand tot kanunnik benoemd wordt. Volgens die voorstelling zouden de sacramenten van de Nieuwe Wet niets méér zijn dan tekenen van de genade, hoewel uit het gezag van vele heiligen blijkt, dat de sacramenten van de Nieuwe Wet niet alleen de genade aanduiden, maar ze ook voortbrengen.
Et ideo aliter dicendum, quod duplex est causa agens, principalis, et instrumentalis. Principalis quidem operatur per virtutem suae formae, cui assimilatur 58effectus, sicut ignis suo calore calefacit; et hoc modo nihil potest causare gratiam, nisi Deus, quia gratia nihil est aliud, quam quaedam participata similitudo divinae naturae, secundum illud 2. Pet. 1. [v. 4] : « Magna nobis et pretiosa promissa donavit, ut divinae simus consortes naturae. » Causa vero instrumentalis non agit per virtutem suae formae, sed solum per motum, quo movetur a principali agente; unde effectus non assimilatur instrumento, sed principali agenti, sicut lectus non assimilatur securi, sed arti, quae est in mente artificis. Et hoc modo sacramenta novae legis gratiam causant. Adhibentur enim ex divina ordinatione hominibus ad gratiam in eis causandam. Unde Augustinus dicit 19. contra Faust. [cap. 16.] : « Haec omnia (scilicet sacramentalia) fiunt, et transeunt; virtus tamen (scilicet Dei), quae per ista operatur, jugiter manet ». Hoc autem proprie dicitur instrumentum, per quod 59aliquis operatur; unde et Tit. 3. [v. 5] dicitur: « Salvos nos fecit per lavacrum regenerationis. »
We moeten dus een andere stelling houden. Er is nl. een dubbele werkende oorzaak, te weten, de hoofdoorzaak en de 58werktuigelijke oorzaak. De hoofdoorzaak werkt door de kracht van haar vorm, waaraan het uitwerksel gelijkvormig is, zooals vuur verwarmt door zijn gloed. Op die wijze kan niets de genade verwekken, dan God alleen, want de genade is niets anders dan een meegedeelde gelijkvormigheid aan de goddelijke natuur, volgens de woorden uit den IIe Brief van Petrus (1, 4) : « Hij heeft ons de meest kostbare en heerlijke beloften gedaan : dat ge door dit alles deelachtig zoudt worden aan Gods natuur. » Een werktuigelijke oorzaak echter werkt niet door de kracht van haar vorm, maar alleen door de beweging, waardoor ze bewogen wordt door de hoofdoorzaak; daarom is het uitwerksel niet gelijkvormig aan het werktuig, maar aan de hoofdoorzaak. Zoo is een bed niet gelijkvormig aan de zaag; maar aan de kunstvaardigheid, die ligt in het verstand van den werkman. Op die wijze brengen de sacramenten der Nieuwe Wet de genade voort. Ze worden immers op Gods bevel door de menschen gebruikt om de genade in hen voort te brengen. Daarom zegt Augustinus in zijn « Boek Tegen Faustus » (19e B., 19e H.) « Dit alles gebeurt en gaat voorbij (nl. de sacramenteele handelingen) ; de kracht van God echter, die daardoor haar uitwerkselen voortbrengt blijft voortdurend. » Een werktuig toch is eigenlijk datgene, waarmede iemand iets voortbrengt. Daarom zegt de Apostel in zijn Brief 59aan Titus (3, 5) : « Hij heeft ons verlost door het bad van wedergeboorte. »We moeten dus een andere stelling houden. Er is nl. een dubbele werkende oorzaak, te weten, de hoofdoorzaak en de 58werktuigelijke oorzaak. De hoofdoorzaak werkt door de kracht van haar vorm, waaraan het uitwerksel gelijkvormig is, zoals vuur verwarmt door zijn gloed. Op die wijze kan niets de genade verwekken, dan God alleen, want de genade is niets anders dan een meegedeelde gelijkvormigheid aan de goddelijke natuur, volgens de woorden uit de 2e Brief van Petrus (1, 4): “Hij heeft ons de meest kostbare en heerlijke beloften gedaan: dat ge door dit alles deelachtig zoudt worden aan Gods natuur.” Een werktuigelijke oorzaak echter werkt niet door de kracht van haar vorm, maar alleen door de beweging, waardoor ze bewogen wordt door de hoofdoorzaak; daarom is het uitwerksel niet gelijkvormig aan het werktuig, maar aan de hoofdoorzaak. Zo is een bed niet gelijkvormig aan de zaag; maar aan de kunstvaardigheid, die ligt in het verstand van de werkman. Op die wijze brengen de sacramenten van de Nieuwe Wet de genade voort. Ze worden immers op Gods bevel door de mensen gebruikt om de genade in hen voort te brengen. Daarom zegt Augustinus in zijn “Boek Tegen Faustus” (19e B., 19e H.) “Dit alles gebeurt en gaat voorbij (nl. de sacramentele handelingen); de kracht van God echter, die daardoor haar uitwerkselen voortbrengt blijft voortdurend.” Een werktuig toch is eigenlijk datgene, waarmede iemand iets voortbrengt. Daarom zegt de Apostel in zijn Brief 59aan Titus (3, 5): “Hij heeft ons verlost door het bad van wedergeboorte.”
Ad primum ergo dicendum, quod causa principalis non proprie potest dici signum effectus, licet occulti, etiamsi ipsa sit sensibilis et manifesta; sed causa instrumentalis, si sit manifesta, potest dici signum effectus occulti, eo quod non solum est causa, sed etiam quodammodo effectus, inquantum movetur a principali agente; et secundum hoc sacramenta novae legis simul sunt causae et signa. Et inde est, quod, sicut communiter dicitur, efficiunt quod figurant. Ex quo etiam patet, quod habent perfecte rationem sacramenti, inquantum ordinantur ad aliquid sacrum, non solum per modum signi, sed etiam per modum causae.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De hoofdoorzaak mag eigenlijk geen teeken genoemd worden van het uitwerksel, zelfs als het uitwerksel verborgen blijft en de hoofdoorzaak zintuigelijk-waarneembaar is en openbaar. De werktuigelijke oorzaak echter mag het teeken genoemd worden van het verborgen uitwerksel, wanneer ze zelf openbaar is, want ze is niet alleen een oorzaak, maar ook in een zekere mate een uitwerksel, in zoover ze bewogen wordt door de hoofdoorzaak. En op die wijze zijn de sacramenten van de Nieuwe Wet tegelijk een oorzaak en een teeken; en daardoor brengen ze voort wat ze beteekenen, zooals doorgaans gezegd wordt. Daaruit blijkt ook, dat ze volkomen beantwoorden aan het begrip Sacrament, want ze zijn geordend tot iets heiligs, niet alleen als een teeken, maar ook als een oorzaak.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De hoofdoorzaak mag eigenlijk geen teken genoemd worden van het uitwerksel, zelfs als het uitwerksel verborgen blijft en de hoofdoorzaak zintuigelijk-waarneembaar is en openbaar. De werktuigelijke oorzaak echter mag het teken genoemd worden van het verborgen uitwerksel, wanneer ze zelf openbaar is, want ze is niet alleen een oorzaak, maar ook in een zekere mate een uitwerksel, in zover ze bewogen wordt door de hoofdoorzaak. En op die wijze zijn de sacramenten van de Nieuwe Wet tegelijk een oorzaak en een teken; en daardoor brengen ze voort wat ze betekenen, zoals doorgaans gezegd wordt. Daaruit blijkt ook, dat ze volkomen beantwoorden aan het begrip Sacrament, want ze zijn geordend tot iets heiligs, niet alleen als een teken, maar ook als een oorzaak.
Ad secundum dicendum, quod instrumentum habet duas actiones : unam instrumentalem, secundum quam operatur non in virtute propria, sed in virtute principalis agentis; aliam autem habet actionem propriam, quae 60competit sibi secundum propriam formam; sicut securi competit scindere ratione suae acuitatis, facere autem lectum, inquantum est instrumentum artis. Non autem perficit instrumentalem actionem, nisi exercendo actionem propriam : scindendo enim facit lectum. Et similiter sacramenta corporalia per propriam operationem, quam exercent circa corpus, quod tangunt, efficiunt operationem instrumentalem ex virtute divina circa animam, sicut aqua baptismi abluendo corpus secundum propriam virtutem, abluit animam, inquantum est instrumentum virtutis divinae, nam ex anima et corpore unum fit. Et hoc est quod Augustinus dicit [loc. sup. cit.], quod « corpus tangit, et cor abluit ».
2. Een werktuig heeft een dubbele werking. Een werktuigelijke, waardoor het iets voortbrengt, niet door eigen kracht, maar door de kracht van de hoofdoorzaak. En een eigen werking, die eraan toekomt naar zijn eigen vorm. Zoo kan een zaag het hout 60in stukken zagen, om haar scherpte, en ze kan een bed maken in zoover ze het werktuig is van een timmerman. Ze oefent echter haar werktuigelijke werking niet uit, dan door eigen werking uit te oefenen : een zaag toch maakt een bed, door te zagen. Zoo, ook voltrekken de stoffelijke sacramenten door de eigen werking, die ze uitoefenen op de lichamen, die ze aanraken, de werktuigelijke werking in de ziel, door een kracht van God. Zoo zal het water van het doopsel, door het lichaam te wasschen door zijn eigen kracht, de zielen reinigen in zoover het een werktuig is der goddelijke kracht, want lichaam en ziel zijn één. Daarom zegt Augustinus (t. a. pl.) : « Het water raakt het lichaam aan, en reinigt het hart. »2. Een werktuig heeft een dubbele werking. Een werktuigelijke, waardoor het iets voortbrengt, niet door eigen kracht, maar door de kracht van de hoofdoorzaak. En een eigen werking, die eraan toekomt naar zijn eigen vorm. Zo kan een zaag het hout 60in stukken zagen, om haar scherpte, en ze kan een bed maken in zover ze het werktuig is van een timmerman. Ze oefent echter haar werktuigelijke werking niet uit, dan door eigen werking uit te oefenen: een zaag toch maakt een bed, door te zagen. Zo, ook voltrekken de stoffelijke sacramenten door de eigen werking, die ze uitoefenen op de lichamen, die ze aanraken, de werktuigelijke werking in de ziel, door een kracht van God. Zo zal het water van het doopsel, door het lichaam te wassen door zijn eigen kracht, de zielen reinigen in zover het een werktuig is van de goddelijke kracht, want lichaam en ziel zijn één. Daarom zegt Augustinus (t.a.p.): “Het water raakt het lichaam aan, en reinigt het hart.”
Ad tertium dicendum, quod ratio illa procedit de eo, quod est causa gratiae per modum principalis agentis; hoc enim est proprium Dei, ut dictum est [in corp. art.].
3. Die bedenking gaat uit van datgene, wat de werkende hoofdoorzaak is der sacramenten, wat eigen is aan God alleen, zooals (in de leerstelling) gezegd werd.3. Die bedenking gaat uit van datgene, wat de werkende hoofdoorzaak is van de sacramenten, wat eigen is aan God alleen, zoals (in de leerstelling) gezegd werd.
Utrum gratia sacramentalis aliquid addat super gratiam virtutum et donorum
Voegt de sacramenteele genade iets toe aan de genade der deugden en der gaven?Voegt de sacramentele genade iets toe aan de genade van de deugden en van de gaven?
61Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod gratia sacramentalis non addat aliquid super gratiam virtutum et donorum. Per gratiam enim virtutum et donorum perficitur anima sufficienter, et quantum ad essentiam animae, et quantum ad potentias ejus, ut patet ex his quae in 2. dicta sunt [1-2. q. 110. art. 3. et 4.]. Sed gratia ordinatur ad animae perfectionem. Ergo gratia sacramentalis non potest aliquid addere super gratiam virtutum et donorum.
61Bedenkingen. — Men beweert dat de sacramenteele genade aan de genade der deugden en gaven niets toevoegt. — 1. Door de genade der deugden en der gaven wordt toch zooals blijkt uit hetgeen we in het tweede deel (I-II, 110e Kw., 3e en 4e Art.) zeiden, de ziel zoowel in haar wezenheid als in haar vermogens, voldoende vervolmaakt. De genade echter is op de volmaaktheid van de ziel berekend en zoo kan de sacramenteele genade aan de genade der gaven en der deugden niets toevoegen.61Bedenkingen. — Men beweert dat de sacramentele genade aan de genade van de deugden en gaven niets toevoegt. — 1. Door de genade van de deugden en van de gaven wordt toch zoals blijkt uit hetgeen we in het tweede deel (1-2, 110e Kw., 3e en 4e Art.) zeiden, de ziel zowel in haar wezenheid als in haar vermogens, voldoende vervolmaakt. De genade echter is op de volmaaktheid van de ziel berekend en zo kan de sacramentele genade aan de genade van de gaven en van de deugden niets toevoegen.
2. Praeterea, defectus animae ex peccatis causantur. Sed omnia peccata sufficienter excluduntur per gratiam virtutum et donorum, quia nullum est peccatum, quod non contrarietur alicui virtuti. Gratia ergo sacramentalis, 62cum ordinetur ad defectus animae tollendos, non potest aliquid addere super gratiam virtutum et donorum.
2. De gebreken der ziel zijn de gevolgen van de zonde. Daar er nu geen enkele zonde bestaat die niet met een of met andere deugd tegenstrijdig is, zoo worden door de genade der gaven en der deugden alle zonden voldoende uitgesloten en de sacramenteele genade kan, daar ze ertoe geordend is de gebreken 62der ziel te verwijderen, aan de genade der deugden en der gaven niets toevoegen.2. De gebreken van de ziel zijn de gevolgen van de zonde. Daar er nu geen enkele zonde bestaat die niet met een of met andere deugd tegenstrijdig is, zo worden door de genade van de gaven en van de deugden alle zonden voldoende uitgesloten en de sacramentele genade kan, daar ze ertoe geordend is de gebreken 62van de ziel te verwijderen, aan de genade van de deugden en van de gaven niets toevoegen.
3. Praeterea, omnis additio vel subtractio in formis variat speciem, ut dicitur 8. Metaphysicor. [L. 7, C. 3, N. 8]. Si ergo gratia sacramentalis addat aliquid super gratiam virtutum et donorum, sequitur quod aequivoce dicatur gratia, et sic nihil certum nobis ostenditur ex hoc, quod sacramenta dicuntur gratiam causare.
3. Aristoteles houdt in zijn Metaphysica (8, 10) staan « dat met iets aan een vorm toe te voegen of er iets van weg te nemen zijn wezenheid gewijzigd wordt ». Indien dus de sacramenteele genade aan de genade der gaven en der deugden iets toevoegt, dan volgt daaruit dat « genade » een dubbele beteekenis heeft en wanneer we dan zeggen dat de sacramenten de genade verwekken, weten we ook niets met zekerheid.3. Aristoteles houdt in zijn Metafysica (8, 10) staan “dat met iets aan een vorm toe te voegen of er iets van weg te nemen zijn wezenheid gewijzigd wordt”. Indien dus de sacramentele genade aan de genade van de gaven en van de deugden iets toevoegt, dan volgt daaruit dat “genade” een dubbele betekenis heeft en wanneer we dan zeggen dat de sacramenten de genade verwekken, weten we ook niets met zekerheid.
Sed contra est, quod si gratia sacramentalis non addit aliquid super gratiam donorum et virtutum, frustra sacramenta habentibus et dona et virtutes conferrentur. In operibus autem Dei nihil est frustra. Ergo videtur, quod gratia sacramentalis aliquid addat super gratiam virtutum et donorum.
Daar is echter op tegen dat de sacramenten indien ze aan de genade der deugden en der gaven niets toevoegden, aan degene die de deugden en de gaven bezitten, vergeefs zouden worden uitgereikt. Onder Gods werking is er echter niets overbodig en zoo is het klaar dat de sacramenteele genade aan de genade der deugden en der gaven iets toevoegt.Daar is echter op tegen dat de sacramenten indien ze aan de genade van de deugden en van de gaven niets toevoegden, aan degene die de deugden en de gaven bezitten, vergeefs zouden worden uitgereikt. Onder Gods werking is er echter niets overbodig en zo is het klaar dat de sacramentele genade aan de genade van de deugden en van de gaven iets toevoegt.
Respondeo dicendum, quod, sicut in 2. dictum est [1-2. q. 110. art. 3. et 4.], gratia secundum se considerata perficit essentiam animae, 63inquantum participat quandam similitudinem divini esse; et sicut ab essentia animae fluunt ejus potentiae, ita a gratia fluunt quaedam perfectiones ad potentias animae, quae dicuntur virtutes et dona, quibus potentiae perficiuntur in ordine ad suos actus. Ordinantur autem sacramenta ad quosdam speciales effectus necessarios in vita christiana, sicut baptismus ordinatur ad quandam spiritualem regenerationem, qua homo moritur vitiis, et fit membrum Christi, qui quidem effectus est aliquid speciale praeter actus potentiarum animae; et eadem ratio est in aliis sacramentis. Sicut igitur virtutes et dona addunt super gratiam communiter dictam quandam perfectionem determinate ordinatam ad proprios actus potentiarum, ita gratia sacramentalis addit super gratiam communiter dictam, et super virtutes et dona, quoddam divinum auxilium ad consequendum sacramenti finem, et per hunc modum gratia sacramentalis addit super gratiam virtutum et donorum.
Leerstelling. — In het IIe deel hebben we aangetoond (I-II, 110e Kw., 3e en 4e Art.) dat de genade op zichzelf beschouwd de wezenheid der ziel, in zoover deze een afbeeldsel is 63van het goddelijk wezen, vervolmaakt. Daarbij komt nog, dat, net als uit de wezenheid der ziel haar vermogens voortvloeien, zoo ook uit de genade sommige volmaaktheden naar de vermogens van de ziel, die deugden en gaven genoemd worden en waardoor de vermogens vervolmaakt worden om te kunnen handelen, toevloeien. De sacramenten nu zijn op bijzondere uitwerkselen, waaraan het kristelijke leven behoefte heeft, aangewezen; zoo b. v. strekt het doopsel tot een geestelijke wedergeboorte waardoor de mensch voor zijn ondeugden sterft en een lidmaat van Christus wordt, en dit is een bijzonder uitwerksel, dat van de verrichtingen der zielsvermogens onderscheiden blijft. Zoo gaat het er ook met de andere sacramenten toe. Zooals de deugden en gaven aan hetgeen gewoonlijk als genade wordt opgevat een volmaaktheid toevoegen die bepaald op de eigenste handelingen der betrokken vermogens is aangewezen; zoo ook voegt de sacramenteele genade om het bereiken van het doel van het sacrament in de hand te werken, èn aan hetgeen gewoonlijk als genade wordt opgevat èn aan de deugden en gaven een bijzonder hulp toe. Zoo kan dus gezegd worden dat de sacramenteele genade aan de genade der deugden en gaven iets toevoegt.Leerstelling. — In het 2e deel hebben we aangetoond (1-2, 110e Kw., 3e en 4e Art.) dat de genade op zichzelf beschouwd de wezenheid van de ziel, in zover deze een afbeeldsel is 63van het goddelijk wezen, vervolmaakt. Daarbij komt nog, dat, net als uit de wezenheid van de ziel haar vermogens voortvloeien, zo ook uit de genade sommige volmaaktheden naar de vermogens van de ziel, die deugden en gaven genoemd worden en waardoor de vermogens vervolmaakt worden om te kunnen handelen, toevloeien. De sacramenten nu zijn op bijzondere uitwerkselen, waaraan het christelijke leven behoefte heeft, aangewezen; zo bv. strekt het doopsel tot een geestelijke wedergeboorte waardoor de mens voor zijn ondeugden sterft en een lidmaat van Christus wordt, en dit is een bijzonder uitwerksel, dat van de verrichtingen van de zielsvermogens onderscheiden blijft. Zo gaat het er ook met de andere sacramenten toe. Zoals de deugden en gaven aan hetgeen gewoonlijk als genade wordt opgevat een volmaaktheid toevoegen die bepaald op de eigenste handelingen van de betrokken vermogens is aangewezen; zo ook voegt de sacramentele genade om het bereiken van het doel van het sacrament in de hand te werken, èn aan hetgeen gewoonlijk als genade wordt opgevat èn aan de deugden en gaven een bijzonder hulp toe. Zo kan dus gezegd worden dat de sacramentele genade aan de genade van de deugden en gaven iets toevoegt.
Ad primum ergo dicendum, quod gratia virtutum et donorum 64sufficienter perficit essentiam et potentias animae, quantum ad generalem ordinationem actuum animae; sed quantum ad quosdam effectus speciales, qui requiruntur in vita christiana, requiritur sacramentalis gratia.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De genade der 64deugden en der gaven rust de wezenheid en de vermogens der ziel, wat den algemeenen gang der zielsverrichtingen betreft, voldoende toe; wanneer het echter om sommige heel bijzondere handelingen die in het christelijk leven vereischt worden, gaat, dan heeft men de sacramenteele genade noodig.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De genade van de 64deugden en van de gaven rust de wezenheid en de vermogens van de ziel, wat de algemene gang van de zielsverrichtingen betreft, voldoende toe; wanneer het echter om sommige heel bijzondere handelingen die in het christelijk leven vereist worden, gaat, dan heeft men de sacramentele genade nodig.
Ad secundum dicendum, quod per virtutes et dona excluduntur sufficienter vitia et peccata, quantum ad praesens et futurum, inquantum scilicet impeditur homo per virtutes et dona a peccando; sed quantum ad praeterita peccata, quae transeunt actu et permanent reatu, adhibetur homini remedium specialiter per sacramenta.
2. Door deugden en gaven worden, wanneer het om het heden en de toekomst gaat, ondeugden en zonden voldoende uitgesloten; deugden en gaven verhinderen immers de zonde bij den mensch. Den mensch wordt echter voor de verleden zonden, die, ook als de handeling reeds voorbij is, wat de schuld betreft bijblijven, aan de sacramenten een bijzonder geneesmiddel verstrekt.2. Door deugden en gaven worden, wanneer het om het heden en de toekomst gaat, ondeugden en zonden voldoende uitgesloten; deugden en gaven verhinderen immers de zonde bij de mens. De mens wordt echter voor de verleden zonden, die, ook als de handeling reeds voorbij is, wat de schuld betreft bijblijven, aan de sacramenten een bijzonder geneesmiddel verstrekt.
Ad tertium dicendum, quod ratio sacramentalis gratiae se habet ad gratiam communiter dictam, sicut ratio speciei ad genus; unde sicut non aequivoce dicitur animal communiter dictum, et pro homine sumptum, ita non aequivoce dicitur gratia communiter sumpta, et gratia sacramentalis.
In de verhouding waarin het begrip « soort » staat tot het begrip « geslacht », in dezelfde verhouding staat het begrip « sacramenteele genade » tot het begrip « genade » naar de algemeene beteekenis van het woord. Zooals dus het woord « dier » wanneer men het op den mensch en op het dier naar zijn algemeene beteekenis toepast niet dubbelzinnig gebruikt wordt, zoo ook is het niet dubbelzinnig nu eens genade naar algemeene beteekenis van het woord, dan weer als sacramenteele genade aan te wenden.In de verhouding waarin het begrip “soort” staat tot het begrip “geslacht”, in dezelfde verhouding staat het begrip “sacramentele genade” tot het begrip “genade” naar de algemene betekenis van het woord. Zoals dus het woord “dier” wanneer men het op de mens en op het dier naar zijn algemene betekenis toepast niet dubbelzinnig gebruikt wordt, zo ook is het niet dubbelzinnig nu eens genade naar algemene betekenis van het woord, dan weer als sacramentele genade aan te wenden.
Utrum sacramenta novae legis contineant gratiam
Bevatten de Sacramenten der Nieuwe Wet de genade?Bevatten de Sacramenten van de Nieuwe Wet de genade?
65Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod sacramenta novae legis non contineant gratiam. Contentum enim videtur esse in continente. Sed gratia non est in sacramento, neque sicut in subjecto (quia subjectum gratiae non est corpus, sed spiritus), neque sicut in vase, quia « vas est locus mobilis », ut dicitur in 4. Physic. [c. 4, N° 12]. Esse autem in loco non convenit accidenti. Ergo videtur, quod sacramenta novae legis non contineant gratiam.
65Bedenkingen. — Men beweert dat de sacramenten der Nieuwe Wet de genade niet bevatten. — 1. Want de inhoud van iets wordt door hetgeen het inhoudt omvat. Welnu de genade hoort noch zooals in een subject, — het subject der genade is immers niet het lichaam, maar wel de geest, — noch zooals in een vat bij de sacramenten thuis. Een vat toch is maar wat Aristoteles in zijn Physica (4, 4, n° 12) zegt een beweegbare plaats. Op een bepaalde plaats thuis te hooren komt echter aan een bijkomstigheid niet toe en zoo wordt dan ook de genade door de sacramenten der Nieuwe Wet niet omvat.65Bedenkingen. — Men beweert dat de sacramenten van de Nieuwe Wet de genade niet bevatten. — 1. Want de inhoud van iets wordt door hetgeen het inhoudt omvat. Welnu de genade hoort noch zoals in een subject, — het subject van de genade is immers niet het lichaam, maar wel de geest, — noch zoals in een vat bij de sacramenten thuis. Een vat toch is maar wat Aristoteles in zijn Fysica (4, 4, n° 12) zegt een beweegbare plaats. Op een bepaalde plaats thuis te horen komt echter aan een bijkomstigheid niet toe en zo wordt dan ook de genade door de sacramenten van de Nieuwe Wet niet omvat.
2. Praeterea, sacramenta ordinantur ad hoc, quod homines per ea gratiam consequantur. Sed gratia, cum sit accidens, non potest transire de subjecto in subjectum. Ergo pro nihilo esset gratia in sacramentis.
2. De sacramenten werden ingesteld om de menschen de genade te geven. De genade echter kan, doordien ze een bijkomstigheid is, niet van het eene subject naar het andere overgaan en zoo zouden de sacramenten tevergeefs de genade omvatten.2. De sacramenten werden ingesteld om de mensen de genade te geven. De genade echter kan, doordien ze een bijkomstigheid is, niet van het ene subject naar het andere overgaan en zo zouden de sacramenten tevergeefs de genade omvatten.
3. Praeterea, spirituale non continetur a corporali, etiamsi in eo sit: 66non enim anima continetur a corpore, sed potius continet corpus. Ergo videtur, quod gratia, cum sit quiddam spirituale, non contineatur in sacramento corporali.
3. Het geestelijke wordt, zelfs wanneer het daarin aanwezig is, door het lichamelijke niet omvat. Het lichaam omvat immers niet 66de ziel, maar wel de ziel het lichaam. Zoo kan dus de genade, daar ze iets geestelijks is, door geen lichamelijk sacrament bevat worden.3. Het geestelijke wordt, zelfs wanneer het daarin aanwezig is, door het lichamelijke niet omvat. Het lichaam omvat immers niet 66de ziel, maar wel de ziel het lichaam. Zo kan dus de genade, daar ze iets geestelijks is, door geen lichamelijk sacrament bevat worden.
Sed contra est, quod Hugo de Sancto Victore [lib. 1. De Sacram. part. 9. cap. 2.] dicit, quod « sacramentum ex sanctificatione invisibilem gratiam continet ».
Daartegenover echter staat wat Hugo van S. Victor in zijn Boek Over de Sacramenten (1, 9; 2) beweert : « Door de wijding bevatten de Sacramenten de onzichtbare genade. »Daartegenover echter staat wat Hugo van S. Victor in zijn Boek Over de Sacramenten (1, 9; 2) beweert: “Door de wijding bevatten de Sacramenten de onzichtbare genade.”
Respondeo dicendum, quod multipliciter aliquid dicitur esse in alio : inter quos duplici modo gratia est in sacramentis : uno modo sicut in signo, nam sacramentum est signum gratiae; alio modo sicut in causa, nam, sicut dictum est [art. 1. huj. q.], sacramentum novae legis est instrumentalis gratiae causa. Unde gratia est in sacramento novae legis, non quidem secundum similitudinem speciei (sicut effectus est in causa univoca), neque etiam secundum aliquam formam propriam et permanentem, et proportionatam ad talem effectum, sicut sunt effectus in causis non univocis, puta 67res generatae in sole, sed secundum quandam instrumentalem virtutem, quae est fluens et incompleta in esse naturae, ut infra dicetur [art. seq.].
Leerstelling. — Iets kan op zeer uiteenloopende manieren in iets anders zijn. Gaat het nu om de genade, deze ligt op twee manieren in de sacramenten vervat. Vooreerst dan als een teeken, het sacrament toch is het teeken der genade. Ten tweede als in haar oorzaak; zooals we reeds aantoonden (vorig Artikel) zijn immers de sacramenten der Nieuwe Wet de werktuigelijke oorzaak der genade. Daaruit volgt echter dat de genade niet zooals een uitwerksel in een evenredige oorzaak, als een gelijksoortig wezen in de sacramenten der Nieuwe Wet bevat ligt; ja de sacramenten bieden niet eens een bestendigen vorm die, zooals met oorzaken die niet met hun uitwerksel gelijksoortig zijn het geval is, aan hun uitwerksel zou geëvenredigd zijn; zoo geschiedt b. v. met al wat door de zon wordt voortgebracht. De genade integendeel ligt in de sacramenten als een werktuigelijke kracht die 67voorbij gaat en zooals we verder (volgend Artikel) nog zullen aantoonen naar haar wezenheid onvolkomen is.Leerstelling. — Iets kan op zeer uiteenlopende manieren in iets anders zijn. Gaat het nu om de genade, deze ligt op twee manieren in de sacramenten vervat. Vooreerst dan als een teken, het sacrament toch is het teken van de genade. Ten tweede als in haar oorzaak; zoals we reeds aantoonden (vorig Artikel) zijn immers de sacramenten van de Nieuwe Wet de werktuigelijke oorzaak van de genade. Daaruit volgt echter dat de genade niet zoals een uitwerksel in een evenredige oorzaak, als een gelijksoortig wezen in de sacramenten van de Nieuwe Wet bevat ligt; ja de sacramenten bieden niet eens een bestendigen vorm die, zoals met oorzaken die niet met hun uitwerksel gelijksoortig zijn het geval is, aan hun uitwerksel zou geëvenredigd zijn; zo geschiedt bv. met al wat door de zon wordt voortgebracht. De genade integendeel ligt in de sacramenten als een werktuigelijke kracht die 67voorbij gaat en zoals we verder (volgend Artikel) nog zullen aantonen naar haar wezenheid onvolkomen is.
Ad primum ergo dicendum, quod gratia non dicitur esse in sacramento, sicut in subjecto, neque sicut in vase, prout vas est locus quidam; sed prout vas dicitur instrumentum alicujus operis faciendi, secundum quod dicitur Ezech. 9 [v. 1] : « Unusquisque vas interfectionis habet in manu sua. »
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De genade ligt noch zooals in een subject, noch, in zoover dat vat een plaats is, zooals in een vat in de sacramenten. Wil men echter dat vat als een werktuig dat dient om een handeling te verrichten opvatten, dan ligt ze er wel in. Ezechiël (9, 1) zei immers : « Elk draagt een verderfelijk vat in zijn handen »Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De genade ligt noch zoals in een subject, noch, in zover dat vat een plaats is, zoals in een vat in de sacramenten. Wil men echter dat vat als een werktuig dat dient om een handeling te verrichten opvatten, dan ligt ze er wel in. Ezechiël (9, 1) zei immers: “Elk draagt een verderfelijk vat in zijn handen”
Ad secundum dicendum, quod quamvis accidens non transeat a subjecto in subjectum, transit tamen a causa per instrumentum aliqualiter in subjectum, non ut eodem modo sit in eis, sed in unoquoque secundum propriam rationem.
2. Alhoewel een bijkomstigheid niet van een subject naar een ander overgaat, gaat ze toch met bemiddeling van het werktuig eenigermate van de oorzaak naar het subject over. Alleen hoort ze bij beide niet op dezelfde wijze maar bij elk van beide naar zijn eigen wezenheid thuis.2. Alhoewel een bijkomstigheid niet van een subject naar een ander overgaat, gaat ze toch met bemiddeling van het werktuig enigermate van de oorzaak naar het subject over. Alleen hoort ze bij beide niet op dezelfde wijze maar bij elk van beide naar zijn eigen wezenheid thuis.
Ad tertium dicendum, quod spirituale existens perfecte in aliquo continet ipsum, et non continetur ab eo; sed gratia est in sacramento secundum esse fluens et incompletum, et ideo non inconvenienter sacramentum dicitur continere gratiam.
3. Het geestelijke dat volmaakt bij iets thuis hoort, bevat het en wordt er niet zelf door omvat. De genade echter schuilt op voorbijgaande en onvolmaakte wijze in het sacrament en daarom is het niet ongepast te zeggen dat de sacramenten de genade bevatten.
Utrum in sacramentis sit aliqua virtus gratiae causativa
Schuilt er in de Sacramenten een kracht die van aard is om de genade te verwekken?
68Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod in sacramentis non sit aliqua virtus gratiae causativa. Virtus enim gratiae causativa est virtus spiritualis. Sed in corpore non potest esse virtus spiritualis. Neque ita quod sit propria ei, quia virtus fluit ab essentia rei, et ita non potest eam transcendere. Neque ita quod recipiat eam ab alio, quia quod recipitur ab aliquo, est in eo per modum recipientis. Ergo in sacramentis non potest esse aliqua virtus gratiae causativa.
68Bedenkingen. — Men beweert dat er in de sacramenten geen kracht schuilt die bestand zij om de genade te verwekken. — 1. De kracht die de genade verwekt is een geestelijke kracht. Welnu in een lichaam kan geen geestelijke kracht zijn, hetzij deze het lichaam eigen zij, — elke kracht komt immers van de wezenheid voort en kan dus niet hooger reiken dan deze — hetzij het lichaam deze kracht van iets anders zou betrekken; wat van een ander ontvangen wordt, wordt immers naar de eigen wezenheid van diegene die krijgt ontvangen. Zoo kan er dus voor de sacramenten van een kracht die de genade zou veroorzaken geen spraak zijn.68Bedenkingen. — Men beweert dat er in de sacramenten geen kracht schuilt die bestand zij om de genade te verwekken. — 1. De kracht die de genade verwekt is een geestelijke kracht. Welnu in een lichaam kan geen geestelijke kracht zijn, hetzij deze het lichaam eigen zij, — elke kracht komt immers van de wezenheid voort en kan dus niet hoger reiken dan deze — hetzij het lichaam deze kracht van iets anders zou betrekken; wat van een ander ontvangen wordt, wordt immers naar de eigen wezenheid van diegene die krijgt ontvangen. Zo kan er dus voor de sacramenten van een kracht die de genade zou veroorzaken geen spraak zijn.
2. Praeterea, omne quod est, reducitur ad aliquod genus entis, et ad aliquem gradum boni. Sed non est dare, in quo genere entis sit talis virtus, ut patet discurrenti per singula. Nec etiam potest reduci ad aliquem gradum 69bonorum : neque enim est inter minima bona, quia sacramenta sunt de necessitate salutis; neque etiam inter media bona, cujusmodi sunt potentiae animae, quae sunt quaedam potentiae naturales; neque etiam inter maxima bona, quia nec est gratia, nec virtus mentis. Ergo videtur, quod in sacramentis nulla sit virtus gratiae causativa.
2. Alles wat bestaat kan tot een bepaald geslacht en tot een bepaalden graad van goedheid herleid worden. Te zeggen tot welk geslacht van het wezen bewuste kracht moet herleid worden gaat echter, zooals blijkt wanneer men ze alle overschouwt, niet 69aan; te zeggen tot wel een graad van goedheid evenmin. Eén onder de geringste graden kan haar niet toekomen, de sacramenten toch zijn noodig ter zaligheid; en middelmatig goed is ze ook niet, dit zijn nl. de vermogens der ziel die natuurlijke vermogens zijn; eindelijk hoort ze onder de voortreffelijkste goederen evenmin thuis, ze is immers noch de genade noch ook een verstandelijke kracht. In de sacramenten schuilt dus geen enkele kracht die genade zou verwekken.2. Alles wat bestaat kan tot een bepaald geslacht en tot een bepaalden graad van goedheid herleid worden. Te zeggen tot welk geslacht van het wezen bewuste kracht moet herleid worden gaat echter, zoals blijkt wanneer men ze alle overschouwt, niet 69aan; te zeggen tot wel een graad van goedheid evenmin. Eén onder de geringste graden kan haar niet toekomen, de sacramenten toch zijn nodig ter zaligheid; en middelmatig goed is ze ook niet, dit zijn nl. de vermogens van de ziel die natuurlijke vermogens zijn; eindelijk hoort ze onder de voortreffelijkste goederen evenmin thuis, ze is immers noch de genade noch ook een verstandelijke kracht. In de sacramenten schuilt dus geen enkele kracht die genade zou verwekken.
3. Praeterea, si talis virtus est in sacramentis, non causatur in eis nisi per creationem a Deo. Sed inconveniens videtur, quod tam nobilis creatura statim esse desinat, sacramento perfecto. Ergo videtur, quod nulla virtus sit in sacramentis ad gratiam causandam.
3. Indien de sacramenten een dergelijke kracht bergen, zou deze daar, dank zij een scheppende daad van God, aanwezig zijn. Het ware echter onredelijk als een zoo voortreffelijk schepsel, zoodra het sacrament tot stand gekomen is, ophield te bestaan. Zoo ligt er dus geen kracht die de genade zou veroorzaken in de sacramenten opgesloten.3. Indien de sacramenten een dergelijke kracht bergen, zou deze daar, dank zij een scheppende daad van God, aanwezig zijn. Het ware echter onredelijk als een zo voortreffelijk schepsel, zodra het sacrament tot stand gekomen is, ophield te bestaan. Zo ligt er dus geen kracht die de genade zou veroorzaken in de sacramenten opgesloten.
4. Praeterea, idem non potest esse in diversis. Sed ad sacramenta concurrunt diversa, scilicet verba et res. Unius autem sacramenti non potest esse nisi virtus una. Ergo videtur, quod in sacramentis nulla sit virtus.
4. Hetzelfde kan niet in verschillende dingen schuilen. Welnu tot de sacramenten dragen eenerzijds zeer uiteenloopende bestanddeelen, woorden nl. en stoffelijke dingen bij, terwijl anderzijds één en hetzelfde sacrament maar één enkele kracht kan bezorgen. Zoo schuilt ér dan in de sacramenten geen kracht.4. Hetzelfde kan niet in verschillende dingen schuilen. Welnu tot de sacramenten dragen enerzijds zeer uiteenlopende bestanddelen, woorden nl. en stoffelijke dingen bij, terwijl anderzijds één en hetzelfde sacrament maar één enkele kracht kan bezorgen. Zo schuilt ér dan in de sacramenten geen kracht.
Sed contra est, quod Augustinus dicit super Joan. [tract. 80] : « Unde tanta vis aquae, ut corpus tangat, et cor abluat? » Et Beda dicit 70[Mag., IV Sent., Dist. 3, C. Si vero], quod « Dominus tactu suae mundissimae carnis vim regenerativam contulit aquis ».
Daartegenover echter staat hetgeen S. Augustinus bij Johannes (80) zegt : « Waar komt in het water een dergelijke kracht 70vandaan dat het bij de aanraking van het lichaam ook het hart reinigt? » — En de Heilige Beda zegt bij Lucas (10) : « Door de aanraking van zijn allerzuiverste vleesch heeft God aan de wateren de kracht der wedergeboorte geschonken. »Daartegenover echter staat hetgeen S. Augustinus bij Johannes (80) zegt: “Waar komt in het water een dergelijke kracht 70vandaan dat het bij de aanraking van het lichaam ook het hart reinigt?” — En de Heilige Beda zegt bij Lukas (10): “Door de aanraking van zijn allerzuiverste vlees heeft God aan de wateren de kracht van de wedergeboorte geschonken.”
Respondeo dicendum, quod illi qui ponunt quod sacramenta non causant gratiam, nisi per quandam concomitantiam, ponunt quod in sacramento non sit aliqua virtus, quae operetur ad sacramenti effectum. Est tamen virtus divina sacramento assistens, quae sacramentalem effectum operatur. Sed ponendo quod sacramentum est instrumentalis causa gratiae, necesse est simul ponere, quod in sacramento sit quaedam virtus instrumentalis ad inducendum sacramentalem effectum. Et haec quidem virtus proportionatur instrumento; unde comparatur ad virtutem absolutam et perfectam alicujus rei, sicut comparatur instrumentum ad agens principale. Instrumentum enim, ut dictum est [art. 1. huj. q.], non operatur, nisi inquantum est motum a principali agente, quod per se operatur, et ideo virtus principalis agentis 71habet esse transiens ex uno in aliud, et incompletum, sicut et motus est actus imperfectus ab agente in patiens.
Leerstelling. — Voor hen die beweren dat de sacramenten door mede-aanwezigheid genade geven, bergen de sacramenten geen kracht die tot het uitwerksel der sacramenten zou bijdragen; alleen zou er een goddelijke kracht het sacrament ter hulp staan en deze zou het sacramenteele uitwerksel verwekken. Wanneer we echter zeggen dat het sacrament de werktuigelijke oorzaak is der genade, dan is het noodzakelijk ook in het sacrament een werktuigelijke kracht, die er toe bestand is het sacramenteele uitwerksel teweeg te brengen, te onderstellen. Die kracht nu is aan het werktuig geëvenredigd en staat tot de volkomen en volmaakte kracht van iets in dezelfde verhouding als een werktuig tot de bewerkende hoofdoorzaak. Een werktuig immers werkt zooals we bewezen hebben, (Ie Artikel, dezer Kwestie) alleen in de mate waarin het door de hoofdoorzaak, die uit eigen kracht handelt, bewogen wordt. Zoo komt het dan dat de kracht van de bewerkende oorzaak van duurzamen aard en volkomen is; de werktuigelijke kracht integendeel gaat van het een naar het ander 71over en is, net als de beweging een onvolledige inwerking van den beweger op het bewogene daarstelt, onvolkomen.Leerstelling. — Voor hen die beweren dat de sacramenten door mede-aanwezigheid genade geven, bergen de sacramenten geen kracht die tot het uitwerksel van de sacramenten zou bijdragen; alleen zou er een goddelijke kracht het sacrament ter hulp staan en deze zou het sacramentele uitwerksel verwekken. Wanneer we echter zeggen dat het sacrament de werktuigelijke oorzaak is van de genade, dan is het noodzakelijk ook in het sacrament een werktuigelijke kracht, die er toe bestand is het sacramentele uitwerksel teweeg te brengen, te onderstellen. Die kracht nu is aan het werktuig geëvenredigd en staat tot de volkomen en volmaakte kracht van iets in dezelfde verhouding als een werktuig tot de bewerkende hoofdoorzaak. Een werktuig immers werkt zoals we bewezen hebben, (1e Artikel, van deze Kwestie) alleen in de mate waarin het door de hoofdoorzaak, die uit eigen kracht handelt, bewogen wordt. Zo komt het dan dat de kracht van de bewerkende oorzaak van duurzame aard en volkomen is; de werktuigelijke kracht integendeel gaat van het een naar het ander 71over en is, net als de beweging een onvolledige inwerking van de beweger op het bewogene daarstelt, onvolkomen.
Ad primum ergo dicendum, quod virtus spiritualis non potest esse in re corporea per modum virtutis permanentis et completae, sicut ratio probat. Nihil tamen prohibet, in corpore esse virtutem spiritualem instrumentaliter, inquantum scilicet corpus potest moveri ab aliqua substantia spirituali ad aliquem effectum spiritualem inducendum, sicut et in ipsa voce sensibili est quaedam vis spiritualis ad excitandum intellectum hominis, inquantum procedit a conceptione mentis. Et hoc modo vis spiritualis est in sacramentis, inquantum ordinantur a Deo ad effectum spiritualem.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De geestelijke kracht kan, zooals mits redeneering blijkt, niet als bijblijvende en volkomen kracht, in een lichaam schuilen. Niets belet echter dat een geestelijke kracht in zoover een lichaam door een geestelijke zelfstandigheid kan bewogen worden om een geestelijk uitwerksel te bewerken, werktuigelijk, in een lichaam aanwezig zij. Zoo bijvoorbeeld schuilt er in het zintuigelijk waarneembare woord zelf, juist omdat het van een geestesbegrip voortkomt, een zekere geestelijke kracht bestand om het verstand van den mensch op te wekken. Welnu op dezelfde wijze is er in de sacramenten, aangezien ze door God tot een geestelijk uitwerksel worden aangewend, een geestelijke kracht aanwezig.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De geestelijke kracht kan, zoals mits redenering blijkt, niet als bijblijvende en volkomen kracht, in een lichaam schuilen. Niets belet echter dat een geestelijke kracht in zover een lichaam door een geestelijke zelfstandigheid kan bewogen worden om een geestelijk uitwerksel te bewerken, werktuigelijk, in een lichaam aanwezig zij. Zo bijvoorbeeld schuilt er in het zintuigelijk waarneembare woord zelf, juist omdat het van een geestesbegrip voortkomt, een zekere geestelijke kracht bestand om het verstand van de mens op te wekken. Welnu op dezelfde wijze is er in de sacramenten, aangezien ze door God tot een geestelijk uitwerksel worden aangewend, een geestelijke kracht aanwezig.
Ad secundum dicendum, quod sicut motus, eo quod est actus imperfectus, non proprie est in aliquo genere, sed reducitur ad genus actus perfecti (sicut alteratio ad qualitatem), ita virtus instrumentalis non est, proprie loquendo, in aliquo genere, sed reducitur ad genus et speciem virtutis perfectae.
2. Zooals de beweging, juist omdat ze een onvolkomen handeling is, strikt genomen niet bij een of ander geslacht thuis hoort, toch evenals verandering tot hoedanigheid tot het geslacht der volkomen handelingen herleid wordt, zoo ook behoort de werktuigelijke kracht strikt genomen niet tot een bepaalde soort, maar wordt niettemin tot het geslacht en de soort der volkomen kracht herleid.2. Zoals de beweging, juist omdat ze een onvolkomen handeling is, strikt genomen niet bij een of ander geslacht thuis hoort, toch evenals verandering tot hoedanigheid tot het geslacht van de volkomen handelingen herleid wordt, zo ook behoort de werktuigelijke kracht strikt genomen niet tot een bepaalde soort, maar wordt niettemin tot het geslacht en de soort van de volkomen kracht herleid.
72Ad tertium dicendum, quod sicut virtus instrumentalis acquiritur instrumento ex hoc ipso, quod movetur ab agente principali, ita et sacramentum consequitur spiritualem virtutem ex benedictione Christi et applicatione ministri ad usum sacramenti. Unde Augustinus dicit in quodam serm. de Epiph. [S. Maxim. Taurin., Sermo 12] : « Nec mirum, quod aquam, hoc est substantiam corporalem, ad purificandam animam dicimus pervenire : pervenit plane, et penetrat conscientiae universae latibula; quamvis enim ipsa sit subtilis et tenuis, benedictione tamen Christi facta subtilior, occultas vitae causas ac secreta mentis subtili rore pertransit ».
723. Evenals wanneer het werktuig door de bewerkende hoofdoorzaak bewogen wordt de werktuigelijke kracht in het werktuig komt, evenzoo krijgt het sacrament op grond van de zegening van Christus, zoodra de bedienaar deze op het uit te werken sacrament toepast, de geestelijke kracht waarop het is aangewezen. Daarom zegt Augustinus in een preek Over Driekoningen: « Het moet u niet verwonderen wanneer we zeggen dat water, — een stoffelijke zelfstandigheid — er toe komt de ziel te reinigen. Het komt tot in de ziel en treedt in al de binnenkamers van het geweten binnen, want, is het water doordringend en dun, bij de zegening van Christus wordt het nog heel wat meer doordringend en dun, en gaat met doordringende dauw in de diepten der ziel, de diepste lagen van het leven en de meest verborgen geheimen van den geest achterhalen. »723. Evenals wanneer het werktuig door de bewerkende hoofdoorzaak bewogen wordt de werktuigelijke kracht in het werktuig komt, evenzo krijgt het sacrament op grond van de zegening van Christus, zodra de bedienaar deze op het uit te werken sacrament toepast, de geestelijke kracht waarop het is aangewezen. Daarom zegt Augustinus in een preek Over Driekoningen: “Het moet u niet verwonderen wanneer we zeggen dat water, — een stoffelijke zelfstandigheid — er toe komt de ziel te reinigen. Het komt tot in de ziel en treedt in al de binnenkamers van het geweten binnen, want, is het water doordringend en dun, bij de zegening van Christus wordt het nog heel wat meer doordringend en dun, en gaat met doordringende dauw in de diepten van de ziel, de diepste lagen van het leven en de meest verborgen geheimen van de geest achterhalen.”
Ad quartum dicendum, quod sicut eadem vis principalis agentis instrumentaliter invenitur in omnibus instrumentis ordinatis ad effectum, prout sunt quodam ordine unum, ita etiam eadem vis sacramentalis invenitur in verbis et rebus, prout ex verbis et rebus perficitur unum sacramentum.
4. Zooals dezelfde kracht van de bewerkende hoofdoorzaak zich in alle werktuigen, die in verhouding tot een bepaald uitwerksel als één geheel uitmaken, laat gelden, zoo ook schuilt, in zoover uit woorden en zaken een sacrament ontstaat, in de woorden en in de stoffelijke bestanddeelen, éénzelfde sacramenteele kracht.4. Zoals dezelfde kracht van de bewerkende hoofdoorzaak zich in alle werktuigen, die in verhouding tot een bepaald uitwerksel als één geheel uitmaken, laat gelden, zo ook schuilt, in zover uit woorden en zaken een sacrament ontstaat, in de woorden en in de stoffelijke bestanddelen, éénzelfde sacramentele kracht.
Utrum sacramenta novae legis habeant virtutem ex passione Christi
Betrekken de Sacramenten der Nieuwe Wet hun kracht van het lijden van Christus?Betrekken de Sacramenten van de Nieuwe Wet hun kracht van het lijden van Christus?
73Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod sacramenta novae legis non habeant virtutem ex passione Christi. Virtus enim sacramentorum est ad gratiam causandam in anima, per quam spiritualiter vivit. Sed, sicut Augustinus dicit super Joan. [tract. 19.], « Verbum, prout erat in principio apud Deum, vivificat animas; secundum autem quod est caro factum, vivificat corpora. » Cum igitur passio Christi pertineat ad Verbum, secundum quod est caro factum, videtur quod non possit causare virtutem sacramentorum.
73Bedenkingen. — Men beweert dat de sacramenten der Nieuwe Wet hun kracht niet van het lijden van Christus betrekken. — 1. De kracht der sacramenten bestaat om in de ziel de genade waardoor deze op een geestelijke wijze zal leven te verwekken. Sint Augustinus zegt in zijn Commentaar op Johannes (19e Traktaat) : « Zooals het in het begin bij God was geeft het Woord leven aan de zielen, doch het vleeschgeworden Woord geeft het leven aan de lichamen. » Daar echter het lijden van Christus het lijden is van het vleeschgeworden Woord kan het dan ook aan de sacramenten geen kracht verleenen.73Bedenkingen. — Men beweert dat de sacramenten van de Nieuwe Wet hun kracht niet van het lijden van Christus betrekken. — 1. De kracht van de sacramenten bestaat om in de ziel de genade waardoor deze op een geestelijke wijze zal leven te verwekken. Sint Augustinus zegt in zijn Commentaar op Johannes (19e Traktaat): “Zoals het in het begin bij God was geeft het Woord leven aan de zielen, doch het vleesgeworden Woord geeft het leven aan de lichamen.” Daar echter het lijden van Christus het lijden is van het vleesgeworden Woord kan het dan ook aan de sacramenten geen kracht verlenen.
2. Praeterea, virtus sacramentorum videtur ex fide dependere : quia, sicut dicit Augustinus super Joan. [tract. 80.], Verbum Dei perficit sacramentum « non quia dicitur, sed quia creditur ». Sed fides nostra 74non solum respicit passionem Christi, sed etiam alia mysteria humanitatis ipsius, et principalius etiam divinitatem ejus. Ergo videtur quod sacramenta non habeant specialiter virtutem a passione Christi.
2. De kracht der sacramenten komt voort van het geloof. S. Augustinus immers beweert in zijn werk Op Joannes (80e Traktaat) dat het Woord Gods niet omdat het gezegd maar wel 74omdat het geloofd wordt, het sacrament voltrekt. Ons geloof nu heeft niet alleen het lijden van Christus maar ook de andere geheimen zijner menschheid en vooral nog zijn goddelijkheid tot voorwerp. Zoo lijken dan de sacramenten hun kracht niet vooral van het lijden van Christus te betrekken.2. De kracht van de sacramenten komt voort van het geloof. S. Augustinus immers beweert in zijn werk Op Johannes (80e Traktaat) dat het Woord Gods niet omdat het gezegd maar wel 74omdat het geloofd wordt, het sacrament voltrekt. Ons geloof nu heeft niet alleen het lijden van Christus maar ook de andere geheimen van zijn mensheid en vooral nog zijn goddelijkheid tot voorwerp. Zo lijken dan de sacramenten hun kracht niet vooral van het lijden van Christus te betrekken.
3. Praeterea, sacramenta ordinantur ad hominum justificationem, secundum illud 1. ad Cor. 6 [v. 11]: « Abluti estis, et justificati estis ». Sed justificatio attribuitur resurrectioni, secundum illud Rom. 4 [v. 25] : « Resurrexit propter justificationem nostram ». Ergo videtur, quod sacramenta magis habeant virtutem a resurrectione Christi, quam ab ejus passione.
3. De sacramenten maken den mensch rechtvaardig; Sint Paulus toch zegt in den Ien Brief tot de Korinthiërs (6, 11) : « Gij zijt gereinigd, gij zijt gerechtvaardigd. » Welnu, de rechtvaardigmaking wordt aan de verrijzenis toegeschreven. De Apostel schrijft immers in den Brief tot de Romeinen (4, 25) : « Om onze rechtvaardigmaking werd Hij opgewekt. » Zoo betrekken de sacramenten veeleer hun kracht van de verrijzenis dan van het lijden van Christus.3. De sacramenten maken de mens rechtvaardig; Sint Paulus toch zegt in de 1e Brief tot de Korintiërs (6, 11): “Gij zijt gereinigd, gij zijt gerechtvaardigd.” Welnu, de rechtvaardigmaking wordt aan de verrijzenis toegeschreven. De Apostel schrijft immers in de Brief tot de Romeinen (4, 25): “Om onze rechtvaardigmaking werd Hij opgewekt.” Zo betrekken de sacramenten veeleer hun kracht van de verrijzenis dan van het lijden van Christus.
Sed contra est, quod super illud Rom. 5 [v. 14] : « In similitudinem praevaricationis Adae, » etc., dicit Glossa (ord.) : « Ex latere Christi dormientis in cruce fluxerunt sacramenta, per quae salvata est Ecclesia ». Sic ergo sacramenta videntur habere virtutem ex passione Christi.
Daartegenover staat echter wat de glossa (S. Augustinus 120e Trakt. op Joann.) over wat in den Brief aan de Romeinen geschreven staat (5, 14) : « Naar het voorbeeld van de overtreding van Adam... » zegt. « Uit de zijde van Christus die op het kruis sliep zijn de Sacramenten gevloeid en door deze werd de heilige Kerk verlost. » Zoo betrekken de sacramenten dus hun kracht van het lijden van Christus.Daartegenover staat echter wat de glossa (S. Augustinus 120e Trakt. op Joann.) over wat in de Brief aan de Romeinen geschreven staat (5, 14): “Naar het voorbeeld van de overtreding van Adam...” zegt. “Uit de zijde van Christus die op het kruis sliep zijn de Sacramenten gevloeid en door deze werd de heilige Kerk verlost.” Zo betrekken de sacramenten dus hun kracht van het lijden van Christus.
Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. 1. huj. q.], 75sacramentum operatur ad gratiam causandam per modum instrumenti. Est autem duplex instrumentum : unum quidem separatum, ut baculus; aliud autem conjunctum, ut manus. Per instrumentum autem conjunctum movetur instrumentum separatum, sicut baculus per manum. Principalis autem causa efficiens gratiae est ipse Deus, ad quem comparatur humanitas Christi, sicut instrumentum conjunctum, sacramentum autem, sicut instrumentum separatum. Et ideo oportet, quod virtus salutifera a divinitate Christi per ejus humanitatem in ipsa sacramenta derivetur. Gratia autem sacramentalis ad duo praecipue ordinari videtur, videlicet ad tollendos defectus praeteritorum peccatorum, inquantum transeunt actu et remanent reatu; et iterum ad perficiendam animam in his, quae pertinent ad cultum Dei, secundum religionem vitae christianae. Manifestum est autem ex his quae supra dicta sunt [q. 48. et 49.], quod Christus liberavit nos a peccatis nostris, praecipue per suam passionem, non solum efficienter et meritorie, sed etiam satisfactorie; similiter etiam per suam passionem initiavit ritum christianae religionis, offerens seipsum oblationem et hostiam 76Deo, ut dicitur Ephes. 5 [v. 2]. Unde manifestum est, quod sacramenta Ecclesiae specialiter habent virtutem ex passione Christi, cujus virtus quodammodo nobis copulatur per susceptionem sacramentorum, in cujus signum de latere Christi pendentis in cruce fluxerunt aqua et sanguis, quorum unum pertinet ad Baptismum, aliud ad Eucharistiam, quae sunt potissima sacramenta.
Leerstelling. — Zooals werd aangetoond (eerste Artikel 75dezer Kwestie) is het als werktuigelijke oorzaak dat het sacrament de genade verwekt. Er zijn echter tweeërlei werktuigen; de eene zijn van de hoofdoorzaak afgescheiden zoo b. v. een stok; andere niet, zoo b. v. een hand. Verder kan een werktuig dat bij de hoofdoorzaak aansluit een afgescheiden werktuig bewegen; zoo b. v. wordt de stok door de hand bewogen. Voor de genade is de bewerkende hoofdoorzaak God zelf; de menschelijkheid van Christus integendeel is voor God als een aangesloten werktuig, een sacrament eigenlijk als een afgescheiden werktuig. Daarom is het noodig dat de heilbewerkende kracht langs Christus' menschelijke natuur om, van zijn goddelijke natuur naar de sacramenten zou overvloeien. De sacramenteele genade nu dient vooral hiertoe, om vooreerst de onvolmaaktheid welke de zonde, die wel als handeling maar niet wat de schuld betreft dadelijk voorbij is, te verdrijven, en verder om de ziel naar de eischen van het christelijke leven voor alles wat den goddelijken eeredienst betreft toe te rusten. Uit hetgeen hierboven werd aangetoond (48e en 49e Kwestie) is het echter duidelijk dat Christus ons vooral door zijn lijden van onze zonden verlost heeft, ja hij heeft zulks niet enkel bewerkt en verdiend, maar Hij heeft ook genoegdoening voor ons 76geschonken. Verder heeft Hij ook « Zichzelf als offer en slachtoffer wegschenkend » (Eph. V, 2) door zijn lijden den ritus van den christelijken godsdienst ingesteld. Zoo is het klaarblijkelijk dat de sacramenten der Heilige Kerk hun kracht vooral van het lijden van Christus betrekken, en dat we bij het ontvangen van de sacramenten als het ware met die kracht worden uitgerust. Ook zijn, toen Hij aan het kruis hing, als teeken van dit alles water en bloed uit de zijde van Christus gevloeid : water dat op het doopsel, bloed dat op de Eucharistie gewezen is; deze nu zijn de twee bijzonderste sacramenten.Leerstelling. — Zoals werd aangetoond (eerste Artikel 75van deze Kwestie) is het als werktuigelijke oorzaak dat het sacrament de genade verwekt. Er zijn echter tweeërlei werktuigen; de ene zijn van de hoofdoorzaak afgescheiden zo bv. een stok; andere niet, zo bv. een hand. Verder kan een werktuig dat bij de hoofdoorzaak aansluit een afgescheiden werktuig bewegen; zo bv. wordt de stok door de hand bewogen. Voor de genade is de bewerkende hoofdoorzaak God zelf; de menselijkheid van Christus integendeel is voor God als een aangesloten werktuig, een sacrament eigenlijk als een afgescheiden werktuig. Daarom is het nodig dat de heilbewerkende kracht langs Christus' menselijke natuur om, van zijn goddelijke natuur naar de sacramenten zou overvloeien. De sacramentele genade nu dient vooral hiertoe, om vooreerst de onvolmaaktheid welke de zonde, die wel als handeling maar niet wat de schuld betreft dadelijk voorbij is, te verdrijven, en verder om de ziel naar de eisen van het christelijke leven voor alles wat de goddelijke eredienst betreft toe te rusten. Uit hetgeen hierboven werd aangetoond (48e en 49e Kwestie) is het echter duidelijk dat Christus ons vooral door zijn lijden van onze zonden verlost heeft, ja hij heeft zulks niet enkel bewerkt en verdiend, maar Hij heeft ook genoegdoening voor ons 76geschonken. Verder heeft Hij ook “Zichzelf als offer en slachtoffer wegschenkend” (Ef. V, 2) door zijn lijden de ritus van de christelijke godsdienst ingesteld. Zo is het klaarblijkelijk dat de sacramenten van de Heilige Kerk hun kracht vooral van het lijden van Christus betrekken, en dat we bij het ontvangen van de sacramenten als het ware met die kracht worden uitgerust. Ook zijn, toen Hij aan het kruis hing, als teken van dit alles water en bloed uit de zijde van Christus gevloeid: water dat op het doopsel, bloed dat op de Eucharistie gewezen is; deze nu zijn de twee bijzonderste sacramenten.
Ad primum ergo dicendum, quod « Verbum, prout erat in principio apud Deum, vivificat animas », sicut agens principale. Caro tamen ejus et mysteria in ea perpetrata operantur instrumentaliter ad animae vitam; ad vitam autem corporis non solum instrumentaliter, sed etiam per quamdam exemplaritatem, ut supra dictum est [q. 56. art. 1. ad 3.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals het in het begin bij God was geeft het Woord als bewerkende hoofdoorzaak leven aan de zielen. Het vleeschgeworden Woord en de geheimen die er in gewrocht werden dragen als werktuigelijke oorzaak tot het leven der ziel bij. Tot het leven van het lichaam draagt het daarentegen niet alleen als werktuigelijke, maar zooals werd aangetoond (56e Kwestie, Ie Art., Antw. op de 3e Bedenking) ook eenigszins als voorbeeldelijke oorzaak bij.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals het in het begin bij God was geeft het Woord als bewerkende hoofdoorzaak leven aan de zielen. Het vleesgeworden Woord en de geheimen die er in gewrocht werden dragen als werktuigelijke oorzaak tot het leven van de ziel bij. Tot het leven van het lichaam draagt het daarentegen niet alleen als werktuigelijke, maar zoals werd aangetoond (56e Kwestie, 1e Art., Antw. op de 3e Bedenking) ook enigszins als voorbeeldelijke oorzaak bij.
Ad secundum dicendum, quod per fidem Christus habitat in nobis, ut dicitur Ephes. 3. [v. 17], et ideo virtus Christi copulatur nobis per fidem; virtus autem remissiva peccatorum speciali quodam modo pertinet ad 77passionem ipsius Christi, et ideo per fidem passionis ejus specialiter homines liberantur a peccatis, secundum illud Rom. 3 [v. 25] : « Quem proposuit Deus propitiatorem per fidem in sanguine ipsius »; et ideo virtus sacramentorum, quae ordinatur ad tollenda peccata, praecipue est ex fide passionis Christi.
2. De Brief aan de Ephesiërs (3, 17) getuigt dat het door het geloof is dat Christus in ons woont, en daarom komt de kracht van Christus ons door het geloof ten goede. De kracht echter 77dank zij dewelke zonden vergeven worden komt inzonderheid van het lijden van Christus, en daarom worden de menschen vooral door het geloof aan zijn lijden van hun zonden bevrijd. De Brief aan de Romeinen (3, 25) zegt immers : « Dien heeft God voorbeschikt tot een verzoeningsmiddel door het geloof in zijn bloed. » — En zoo hebben de sacramenten kracht om zonden te vergeven door het geloof in het lijden van Christus.2. De Brief aan de Efesiërs (3, 17) getuigt dat het door het geloof is dat Christus in ons woont, en daarom komt de kracht van Christus ons door het geloof ten goede. De kracht echter 77dank zij dewelke zonden vergeven worden komt inzonderheid van het lijden van Christus, en daarom worden de mensen vooral door het geloof aan zijn lijden van hun zonden bevrijd. De Brief aan de Romeinen (3, 25) zegt immers: “Die heeft God voorbeschikt tot een verzoeningsmiddel door het geloof in zijn bloed.” — En zo hebben de sacramenten kracht om zonden te vergeven door het geloof in het lijden van Christus.
Ad tertium dicendum, quod justificatio attribuitur resurrectioni ratione termini ad quem, qui est novitas vitae per gratiam; attribuitur tamen passioni ratione termini a quo, scilicet quantum ad dimissionem culpae.
3. De rechtvaardigmaking wordt op grond van haar doel, vernieuwing nl. van leven door de genade, aan de verrijzenis toegeschreven, op grond van den toestand waaruit ze ons verlost, wat nl. de kwijtschelding van schuld betreft, integendeel aan het lijden.3. De rechtvaardigmaking wordt op grond van haar doel, vernieuwing nl. van leven door de genade, aan de verrijzenis toegeschreven, op grond van de toestand waaruit ze ons verlost, wat nl. de kwijtschelding van schuld betreft, integendeel aan het lijden.
Utrum sacramenta veteris legis gratiam causarunt
Gaven de Sacramenten der Oude Wet aan de genade het aanzijn?Gaven de Sacramenten van de Oude Wet aan de genade het aanzijn?
Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod etiam sacramenta veteris legis gratiam causarunt, quia, sicut dictum est [art. praec.], sacramenta novae 78legis habent efficaciam ex fide passionis Christi. Sed fides passionis Christi fuit in veteri lege, sicut et in nova : habemus enim eumdem spiritum fidei, ut habetur 2. ad Cor. 4. [v. 13]. Sicut ergo sacramenta novae legis conferunt gratiam, ita etiam sacramenta veteris legis gratiam conferebant.
Bedenkingen. — Men beweert dat ook de sacramenten der Oude Wet de genade verwekten. — 1. Zooals in het vorig 78Artikel werd aangetoond betrekken de sacramenten der Nieuwe Wet hun kracht van het geloof in het lijden van Christus. Het geloof in het lijden van Christus bestond echter evenzeer onder de Oude als onder de nieuwe wet; « Wij hebben toch denzelfden geest van geloof » zooals de IIe Brief aan de Korinthiërs zegt (4, 13). Zooals dus de sacramenten der nieuwe wet genade verwekken zoo deden het ook de sacramenten der oude wet.Bedenkingen. — Men beweert dat ook de sacramenten van de Oude Wet de genade verwekten. — 1. Zoals in het vorig 78Artikel werd aangetoond betrekken de sacramenten van de Nieuwe Wet hun kracht van het geloof in het lijden van Christus. Het geloof in het lijden van Christus bestond echter evenzeer onder de Oude als onder de nieuwe wet; “Wij hebben toch dezelfde geest van geloof” zoals de 2e Brief aan de Korintiërs zegt (4, 13). Zoals dus de sacramenten van de nieuwe wet genade verwekken zo deden het ook de sacramenten van de oude wet.
2. Praeterea, sanctificatio non fit nisi per gratiam. Sed per sacramenta veteris legis homines sanctificabantur : dicitur enim Levit. 8 [v. 31] : « Cumque sanctificasset Moyses Aaron, et filios ejus in vestitu suo », etc. Ergo videtur, quod sacramenta veteris legis gratiam conferebant.
2. De Heiligmaking kan niet anders geschieden dan door de genade. Welnu, de menschen werden door de sacramenten der oude wet geheiligd, er wordt immers in het Boek Leviticus (8, 31) gezegd : « Wanneer Mozes, Aaron en zijn zonen in hun gewaad geheiligd had. » De sacramenten der Oude Wet lijken dus genade verleend te hebben.2. De Heiligmaking kan niet anders geschieden dan door de genade. Welnu, de mensen werden door de sacramenten van de oude wet geheiligd, er wordt immers in het Boek Leviticus (8, 31) gezegd: “Wanneer Mozes, Aaron en zijn zonen in hun gewaad geheiligd had.” De sacramenten van de Oude Wet lijken dus genade verleend te hebben.
3. Praeterea, sicut Beda dicit in homilia Circumcisionis [Hom. 10], « idem salutiferae curationis auxilium circumcisio in lege contra originalis peccati vulnus agebat, quod baptismus agere revelatae tempore gratiae consuevit ». Sed baptismus nunc confert gratiam. Ergo circumcisio gratiam conferebat, et pari ratione alia sacramenta legalia, quia sicut baptismus 79est janua sacramentorum novae legis, ita et circumcisio erat janua sacramentorum veteris legis, propter quod et Apostolus dicit Gal. 5 [v. 3] : « Testificor omni homini circumcidenti se, quoniam debitor est universae legis faciendae ».
3. In zijn Homelie op de Besnijdenis beweert Beda het volgende : « De besnijdenis verstrekte onder de oude wet dezelfde heiligbewerkende en lenigende hulp voor de wonden welke de erfzonde had toegebracht als onder het bewind der veropenbaarde genade het doopsel. » Welnu, het doopsel geeft ons de genade. Dus verleende ook de besnijdenis de genade en om dezelfde reden de andere sacramenten der Wet; zooals immers voor de sacramenten der Nieuwe Wet het doopsel als een deur is, zoo ook 79was voor de sacramenten der Oude Wet de besnijdenis een deur. Daarna zegt de Apostel in zijn Brief aan de Galaten (5, 3) « Elk besneden mensch houdt zich als plicht voor dè geheele wet na te komen. »3. In zijn Homelie op de Besnijdenis beweert Beda het volgende: “De besnijdenis verstrekte onder de oude wet dezelfde heiligbewerkende en lenigende hulp voor de wonden welke de erfzonde had toegebracht als onder het bewind van de veropenbaarde genade het doopsel.” Welnu, het doopsel geeft ons de genade. Dus verleende ook de besnijdenis de genade en om dezelfde reden de andere sacramenten van de Wet; zoals immers voor de sacramenten van de Nieuwe Wet het doopsel als een deur is, zo ook 79was voor de sacramenten van de Oude Wet de besnijdenis een deur. Daarna zegt de Apostel in zijn Brief aan de Galaten (5, 3) “Elk besneden mens houdt zich als plicht voor dè gehele wet na te komen.”
Sed contra est, quod Gal. 4 [v. 9] dicitur: « Convertimini iterum ad infirma, et egena elementa » ; Glossa [ord.] idest « ad legem, quae dicitur infirma, quia perfecte non justificat ». Sed gratia perfecte justificat. Ergo sacramenta veteris legis gratiam non conferebant.
Daartegenover echter staat wat Sint Paulus in denzelfden Brief (4, 9) zegt : « Ge keert opnieuw tot de zwakke en schamele elementen » d. i. tot de wet die omdat ze enkel ten deele rechtvaardig maakt zwak genoemd wordt. De genade integendeel maakt op volmaakte wijze rechtvaardig. Zoo verstrekten dus de sacramenten der Oude Wet de genade niet.Daartegenover echter staat wat Sint Paulus in dezelfde Brief (4, 9) zegt: “Ge keert opnieuw tot de zwakke en schamele elementen” d.i. tot de wet die omdat ze enkel ten dele rechtvaardig maakt zwak genoemd wordt. De genade integendeel maakt op volmaakte wijze rechtvaardig. Zo verstrekten dus de sacramenten van de Oude Wet de genade niet.
Respondeo dicendum, quod non potest dici, quod sacramenta veteris legis conferrent gratiam justificantem per seipsa, idest propria virtute, quia sic non fuisset necessaria passio Christi, secundum illud Gal. 2. [v. 21] : « Si ex lege est justitia, Christus gratis mortuus est » Sed nec potest dici, quod ex passione Christi virtutem haberent conferendi gratiam justificandi. Sicut 80enim ex praedictis patet [art. praec.], virtus passionis Christi copulatur nobis per fidem et sacramenta. Differenter tamen, nam continuatio, quae est per fidem, fit per actum animae, continuatio autem, quae est per sacramenta, fit per usum exteriorum rerum. Nihil autem prohibet, id quod est posterius tempore, antequam sit, movere, secundum quod praecedit in actu animae, sicut finis, qui est posterior tempore, movet agentem, secundum quod est apprehensus et desideratus ab ipso. Sed illud quod nondum est in rerum natura, non movet secundum usum exteriorum rerum. Unde causa efficiens non potest esse posterior in esse ordine durationis, sicut causa finalis. Sic ergo manifestum est, quod a passione Christi, quae est causa humanae justificationis, convenienter derivatur virtus justificativa ad sacramenta novae legis, non autem ad sacramenta veteris legis. Et tamen per fidem passionis Christi justificabantur antiqui Patres, sicut et nos. Sacramenta autem veteris legis erant quaedam illius fidei protestationes, inquantum significabant passionem Christi et effectus ejus. Sic ergo patet, quod 81sacramenta veteris legis non habebant in se aliquam virtutem, qua operarentur ad conferendam gratiam justificantem, sed solum significabant fidem, per quam justificabantur.
Leerstelling. — Men kan niet houden staan dat de sacramenten der Oude Wet door zich zelf d. i. uit eigen kracht de genade verstrekten, dan ware immers het lijden van Christus overbodig. In den Brief aan de Galaten (2, 21) wordt toch gezegd : « Als de wet rechtvaardig maakte, dan is Christus zonder rede gestorven. » Verder mag ook niet gezegd dat ze dank zij het lijden van Christus zouden de kracht hebben om de heiligmakende genade voort te brengen. We hebben immers bewezen (in 80het vorig Artikel) dat de kracht van Christus' lijden ons én door het geloof én door de sacramenten ten goede komt. Dit echter op verschillende wijzen. De toepassing door het geloof vergt nl. een daad van de ziel, de toepassing daarentegen die geschiedt door de sacramenten, geschiedt door het gebruik van uiterlijke zaken. Welnu daar is niets op tegen dat wat in tijdsorde eerst later komt, in zoover het in de daad welke de ziel stelt voorafgaat, voor en aleer het bestaat de ziel zou bewegen; zoo toch beweegt het einddoel dat in tijdsorde eerst later komt, in zoover het door haar gevat en begeerd wordt, de werkende oorzaak. Wat echter uiterlijke zaken betreft, deze kunnen door wat in nature niet bestaat niet bewogen worden, en in tijdsorde de werkende oorzaak niet zooals met de eindoorzaak gebeurt eerst later het aanzijn krijgen. Uit dit alles blijkt dus dat de kracht tot rechtvaardigmaking door het lijden van Christus — oorzaak der menschelijke gerechtigheid — wel naar behooren naar de sacramenten der Nieuwe Wet maar niet naar de sacramenten der Oude Wet toevloeien. Alleen werden de aartsvaders door het geloof in het lijden van Christus evengoed als wij gerechtvaardigd en van dit geloof waren de sacramenten der Oude Wet, daar ze het lijden van Christus en ook de uitwerkselen ervan beteekenden, de 81belijdenis. Zoo is het dan klaar dat de sacramenten der Oude Wet in zichzelf geen kracht bezaten waardoor ze tot het geven van de heiligmakende genade konden bijdragen, alleen beteekenden ze het geloof waardoor men gerechtvaardigd werd.Leerstelling. — Men kan niet houden staan dat de sacramenten van de Oude Wet door zichzelf d.i. uit eigen kracht de genade verstrekten, dan ware immers het lijden van Christus overbodig. In de Brief aan de Galaten (2, 21) wordt toch gezegd: “Als de wet rechtvaardig maakte, dan is Christus zonder rede gestorven.” Verder mag ook niet gezegd dat ze dank zij het lijden van Christus zouden de kracht hebben om de heiligmakende genade voort te brengen. We hebben immers bewezen (in 80het vorig Artikel) dat de kracht van Christus' lijden ons én door het geloof én door de sacramenten ten goede komt. Dit echter op verschillende wijzen. De toepassing door het geloof vergt nl. een daad van de ziel, de toepassing daarentegen die geschiedt door de sacramenten, geschiedt door het gebruik van uiterlijke zaken. Welnu daar is niets op tegen dat wat in tijdsorde eerst later komt, in zover het in de daad welke de ziel stelt voorafgaat, voor en aleer het bestaat de ziel zou bewegen; zo toch beweegt het einddoel dat in tijdsorde eerst later komt, in zover het door haar gevat en begeerd wordt, de werkende oorzaak. Wat echter uiterlijke zaken betreft, deze kunnen door wat in nature niet bestaat niet bewogen worden, en in tijdsorde de werkende oorzaak niet zoals met de eindoorzaak gebeurt eerst later het aanzijn krijgen. Uit dit alles blijkt dus dat de kracht tot rechtvaardigmaking door het lijden van Christus — oorzaak van de menselijke gerechtigheid — wel naar behoren naar de sacramenten van de Nieuwe Wet maar niet naar de sacramenten van de Oude Wet toevloeien. Alleen werden de aartsvaders door het geloof in het lijden van Christus evengoed als wij gerechtvaardigd en van dit geloof waren de sacramenten van de Oude Wet, daar ze het lijden van Christus en ook de uitwerkselen ervan betekenden, de 81belijdenis. Zo is het dan klaar dat de sacramenten van de Oude Wet in zichzelf geen kracht bezaten waardoor ze tot het geven van de heiligmakende genade konden bijdragen, alleen betekenden ze het geloof waardoor men gerechtvaardigd werd.
Ad primum ergo dicendum, quod antiqui Patres habebant fidem de passione Christi futura, quae secundum quod erat in apprehensione animae, poterat justificare, sed nos habemus fidem de passione Christi praecedenti, quae potest justificare etiam secundum realem usum sacramentalium rerum, ut dictum est [in corp. art.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De aartsvaders hadden het geloof in het toekomstig lijden van Christus, dat in zoover de ziel het begreep kon rechtvaardig maken, wij echter hebben het geloof in het lijden van Christus dat reeds plaats had en dit laatste kan zooals gezegd werd (in het Artikel) door het reëel gebruik van de sacramenten rechtvaardig maken.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De aartsvaders hadden het geloof in het toekomstig lijden van Christus, dat in zover de ziel het begreep kon rechtvaardig maken, wij echter hebben het geloof in het lijden van Christus dat reeds plaats had en dit laatste kan zoals gezegd werd (in het Artikel) door het reëel gebruik van de sacramenten rechtvaardig maken.
Ad secundum dicendum, quod illa sanctificatio erat figuralis : per hoc enim sanctificari dicebantur, quod applicabantur cultui divino secundum ritum veteris legis, qui totus ordinabatur ad figurandum passionem Christi.
2. Die heiligmaking was zinnebeeldig, men zei immers dat ze geheiligd werden omdat ze volgens den ritus van de Oude Wet, die er volkomen op gericht was het lijden van Christus te beteekenen, volledig aan den goddelijken eeredienst werden toegewijd.2. Die heiligmaking was zinnebeeldig, men zei immers dat ze geheiligd werden omdat ze volgens de ritus van de Oude Wet, die er volkomen op gericht was het lijden van Christus te betekenen, volledig aan de goddelijke eredienst werden toegewijd.
Ad tertium dicendum, quod de circumcisione multiplex fuit opinio. Quidam [Mag., IV Sent., Dist. 1. C. Ideo autem]; enim dixerunt, quod per circumcisionem non conferebatur gratia, sed solum auferebatur peccatum. Sed hoc non potest esse, quia homo non justificatur a peccato nisi per 82gratiam, secundum illud Roman. 3 [v. 24] : « Justificati gratis per gratiam ipsius ». Et ideo alii dixerunt, quod per circumcisionem conferebatur gratia, quantum ad effectus remotivos culpae, sed non quantum ad effectus positivos gratiae. Sed hoc etiam videtur esse falsum, quia per circumcisionem dabatur pueris facultas perveniendi ad gloriam, quae est ultimus effectus positivus gratiae; et praeterea secundum ordinem causae formalis, priores sunt naturaliter effectus positivi, quam privativi, licet secundum ordinem causae materialis sit e converso; forma enim non excludit privationem, nisi informando subjectum. Et ideo alii [Autissiod., Summa Aurea, L. 4, C. De circumc., art. 2.] dicunt, quod circumcisio conferebat gratiam, etiam quantum ad aliquem effectum positivum, qui est facere dignum vita aeterna; non tamen quantum ad hoc quod est reprimere concupiscentiam impellentem ad peccandum. Quod et aliquando mihi visum est [4., Dist. 1., Q. 2., art. 4., q. 3.]. Sed diligentius consideranti apparet, hoc etiam non esse verum, quia minima gratia potest resistere cuilibet concupiscentiae, et mereri vitam 83aeternam. Et ideo melius dicendum videtur, quod circumcisio, sicut et alia sacramenta veteris legis, erat solum signum fidei justificantis : unde Apostolus dicit Rom. 4 [v. 11] quod « Abraham accepit signum circumcisionis, signaculum justitiae fidei ». Et ideo in circumcisione conferebatur gratia, inquantum erat signum passionis Christi futurae, ut infra patebit [q. 70. art. 4.].
3. Over de besnijdenis bestaan er verschillende opvattingen : eenigen immers zeiden dat door de besnijdenis niet de genade gegeven maar enkel en alleen de zonde werd weggenomen. Dit echter kan niet, de mensch toch wordt door niets anders van de zonde gereinigd dan door de genade. Zoo immers schrijft de 82Apostel in den Brief aan de Romeinen (3, 24) : « Ge wordt kosteloos gerechtvaardigd door zijn genade. » Daarom hebben anderen dan gezegd dat de genade wel in zoover de besnijdenis de overblijfselen der schuld verdrijft, maar niet in zoover ze de positieve uitwerkselen der genade zou voortbrengen, door de besnijdenis verleend wordt. Dit is alweer onjuist; door de besnijdenis wordt immers aan de kinderen macht gegeven om de hemelsche glorie binnen te gaan; en dit is wel het laatste positieve uitwerksel van de genade. Daarbij komt nog dat, hoewel van de stoffelijke oorzaak uit gezien het tegendeel plaats grijpt, wanneer het om vormoorzaken gaat de stellige uitwerkselen van aard uit de beroovige uitwerkselen vóór zijn, de vorm immers sluit alleen het gemis uit wanneer hij het subject informeert. Daarom dachten anderen dat de besnijdenis ook in zoover zulks een stellig uitwerksel, het waardig maken tot het eeuwige leven nl., geldt, de genade verleende, niet echter in zoover zulks het onderdrukken van de begeerlijkheid die tot zonde aanspoort betreft. Zoo heb ik zelf een tijd lang gedacht maar wanneer ik beter toezag, toen heb ik begrepen dat zulks geen steek houdt; de kleinste genade is er immers toe bestand aan de begeerlijkheid weerstand te bieden en het eeuwige leven te verdienen. Het is dan ook beter te zeggen dat 83evenals de andere sacramenten der Oude Wet, de besnijdenis enkel een teeken was van het rechtvaardigmakend geloof. Zoo zegt de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (4, 11) : « Abraham ontving het teeken van de besnijdenis tot zegel van gerechtigheid van het geloof. » De genade werd dus, zooals verder zal aangeduid worden (70e Kw., 4e Art.) in zoover ze een teeken was van het toekomstige lijden van Christus, bij de besnijdenis toebedeeld.3. Over de besnijdenis bestaan er verschillende opvattingen: enigen immers zeiden dat door de besnijdenis niet de genade gegeven maar enkel en alleen de zonde werd weggenomen. Dit echter kan niet, de mens toch wordt door niets anders van de zonde gereinigd dan door de genade. Zo immers schrijft de 82Apostel in de Brief aan de Romeinen (3, 24): “Ge wordt kosteloos gerechtvaardigd door zijn genade.” Daarom hebben anderen dan gezegd dat de genade wel in zover de besnijdenis de overblijfselen van de schuld verdrijft, maar niet in zover ze de positieve uitwerkselen van de genade zou voortbrengen, door de besnijdenis verleend wordt. Dit is alweer onjuist; door de besnijdenis wordt immers aan de kinderen macht gegeven om de hemelse glorie binnen te gaan; en dit is wel het laatste positieve uitwerksel van de genade. Daarbij komt nog dat, hoewel van de stoffelijke oorzaak uit gezien het tegendeel plaats grijpt, wanneer het om vormoorzaken gaat de stellige uitwerkselen van aard uit de berovige uitwerkselen vóór zijn, de vorm immers sluit alleen het gemis uit wanneer hij het subject informeert. Daarom dachten anderen dat de besnijdenis ook in zover zulks een stellig uitwerksel, het waardig maken tot het eeuwige leven nl., geldt, de genade verleende, niet echter in zover zulks het onderdrukken van de begeerlijkheid die tot zonde aanspoort betreft. Zo heb ik zelf een tijd lang gedacht maar wanneer ik beter toezag, toen heb ik begrepen dat zulks geen steek houdt; de kleinste genade is er immers toe bestand aan de begeerlijkheid weerstand te bieden en het eeuwige leven te verdienen. Het is dan ook beter te zeggen dat 83evenals de andere sacramenten van de Oude Wet, de besnijdenis enkel een teken was van het rechtvaardigmakend geloof. Zo zegt de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (4, 11): “Abraham ontving het teken van de besnijdenis tot zegel van gerechtigheid van het geloof.” De genade werd dus, zoals verder zal aangeduid worden (70e Kw., 4e Art.) in zover ze een teken was van het toekomstige lijden van Christus, bij de besnijdenis toebedeeld.