Theologische Summa · Deel XXII · Over de SacramentenSumma · Deel XXII · Over de SacramentenSumma · Deel XXIIDeel XXII

Deel XXII · Over de Sacramenten

P. III, q. 60–72 · Antwerpen, Geloofsverdediging, 1932

  1. Kw. 60 Over de Sacramenten
    1. Art. 1 Is het Sacrament een teeken?Is het Sacrament een teken?
    2. Art. 2 Zijn alle heilige teekens Sacramenten?Zijn alle heilige tekens Sacramenten?
    3. Art. 3 Beteekent een Sacrament maar één enkele zaak?Betekent een Sacrament maar één enkele zaak?
    4. Art. 4 Is een Sacrament altijd iets stoffelijks?
    5. Art. 5 Worden er bepaalde stoffelijke dingen vereischt tot de Sacramenten?Worden er bepaalde stoffelijke dingen vereist tot de Sacramenten?
    6. Art. 6 Worden er woorden vereischt om het teeken der Sacramenten te verklaren?Worden er woorden vereist om het teken van de Sacramenten te verklaren?
    7. Art. 7 Worden in de Sacramenten bepaalde woorden vereischt?Worden in de Sacramenten bepaalde woorden vereist?
    8. Art. 8 Mag men aan die woorden, die de vorm zijn der Sacramenten, iets toevoegen?Mag men aan die woorden, die de vorm zijn van de Sacramenten, iets toevoegen?
  2. Kw. 61 Over de noodzakelijkheid der SacramentenOver de noodzakelijkheid van de Sacramenten
    1. Art. 1 Zijn de Sacramenten noodig tot de zaligheid der menschen?Zijn de Sacramenten nodig tot de zaligheid van de mensen?
    2. Art. 2 Waren vóór de zonde de Sacramenten noodig voor den mensch?Waren vóór de zonde de Sacramenten nodig voor de mens?
    3. Art. 3 Waren de Sacramenten noodig na de zonde en vóór Christus?Waren de Sacramenten nodig na de zonde en vóór Christus?
    4. Art. 4 Moesten er na de komst van Christus nog Sacramenten zijn?
  3. Kw. 62 Over het voornaamste uitwerksel der Sacramenten, n. l. de genadeOver het voornaamste uitwerksel van de Sacramenten, n. l. de genade
    1. Art. 1 Zijn de Sacramenten oorzaak der genade?Zijn de Sacramenten oorzaak van de genade?
    2. Art. 2 Voegt de sacramenteele genade iets toe aan de genade der deugden en der gaven?Voegt de sacramentele genade iets toe aan de genade van de deugden en van de gaven?
    3. Art. 3 Bevatten de Sacramenten der Nieuwe Wet de genade?Bevatten de Sacramenten van de Nieuwe Wet de genade?
    4. Art. 4 Schuilt er in de Sacramenten een kracht die van aard is om de genade te verwekken?
    5. Art. 5 Betrekken de Sacramenten der Nieuwe Wet hun kracht van het lijden van Christus?Betrekken de Sacramenten van de Nieuwe Wet hun kracht van het lijden van Christus?
    6. Art. 6 Gaven de Sacramenten der Oude Wet aan de genade het aanzijn?Gaven de Sacramenten van de Oude Wet aan de genade het aanzijn?
  4. Kw. 63 Over het merkteeken der Sacramenten dat ook een van hun uitwerkselen isOver het merkteken van de Sacramenten dat ook een van hun uitwerkselen is
    1. Art. 1 Wordt door de Sacramenten een merkteeken in de ziel geprent?Wordt door de Sacramenten een merkteken in de ziel geprent?
    2. Art. 2 Is het merkteeken een geestelijk vermogen?Is het merkteken een geestelijk vermogen?
    3. Art. 3 Komt het sacramenteele merkteeken van Christus?Komt het sacramentele merkteken van Christus?
    4. Art. 4 Doet het merkteeken de vermogens der ziel als subject aan?Doet het merkteken de vermogens van de ziel als subject aan?
    5. Art. 5 Is het merkteeken onuitwisbaar in de ziel aanwezig?Is het merkteken onuitwisbaar in de ziel aanwezig?
    6. Art. 6 Prenten alle Sacramenten der Nieuwe Wet een merkteeken in de ziel?Prenten alle Sacramenten van de Nieuwe Wet een merkteken in de ziel?
  5. Kw. 64 Over de oorzaak der SacramentenOver de oorzaak van de Sacramenten
    1. Art. 1 Is het God alleen die innerlijk werkt in de sacramenten?
    2. Art. 2 Is de instelling der sacramenten aan God alleen voorbehouden?Is de instelling van de sacramenten aan God alleen voorbehouden?
    3. Art. 3 Had Christus als mensch macht om het innerlijke uitwerksel der sacramenten te bewerken?Had Christus als mens macht om het innerlijke uitwerksel van de sacramenten te bewerken?
    4. Art. 4 Kon Christus de macht die Hij wat de sacramenten betreft had aan bedienaars meedeelen?Kon Christus de macht die Hij wat de sacramenten betreft had aan bedienaars meedelen?
    5. Art. 5 Kunnen de sacramenten door booze bedienaars worden toegediend?Kunnen de sacramenten door boze bedienaars worden toegediend?
    6. Art. 6 Zondigen booze bedienaars bij het toedienen van de sacramenten?Zondigen boze bedienaars bij het toedienen van de sacramenten?
    7. Art. 7 Kunnen Engelen sacramenten toedienen?
    8. Art. 8 Wordt voor de geldigheid van het sacrament het opzet van den bedienaar vereischt?Wordt voor de geldigheid van het sacrament het opzet van de bedienaar vereist?
    9. Art. 9 Wordt voor de geldigheid der sacramenten bij den bedienaar het geloof vereischt?Wordt voor de geldigheid van de sacramenten bij de bedienaar het geloof vereist?
    10. Art. 10 Moet de bedienaar der sacramenten bij het toedienen van de sacramenten het rechte opzet hebbenMoet de bedienaar van de sacramenten bij het toedienen van de sacramenten het rechte opzet hebben
  6. Kw. 65 Over het aantal sacramenten
    1. Art. 1 Zijn er zeven sacramenten?
    2. Art. 2 Volgen de sacramenten malkaar naar de aangegeven volgorde naar behooren op?Volgen de sacramenten malkaar naar de aangegeven volgorde naar behoren op?
    3. Art. 3 Is de Eucharistie het voornaamste sacrament?
    4. Art. 4 Zijn alle sacramenten voor onze zaligheid onontbeerlijk?
  7. Kw. 66 Over het doopsel
    1. Art. 1 Is het doopsel een wassching?Is het doopsel een wassing?
    2. Art. 2 Werd het doopsel na het lijden van Christus ingesteld?
    3. Art. 3 Is het water de eigenlijke stof van het doopsel?
    4. Art. 4 Wordt voor de geldigheid van het doopsel zuiver water vereischt?Wordt voor de geldigheid van het doopsel zuiver water vereist?
    5. Art. 5 Zijn de woorden « Ik doop u in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes » voor het doopsel een passende vorm?Zijn de woorden “Ik doop u in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest” voor het doopsel een passende vorm?
    6. Art. 6 Mag het doopsel in den naam van Christus worden toegediend?Mag het doopsel in de naam van Christus worden toegediend?
    7. Art. 7 Wordt de dompeling in het water voor de geldigheid van het doopsel vereischt?Wordt de dompeling in het water voor de geldigheid van het doopsel vereist?
    8. Art. 8 Wordt er voor de geldigheid van het doopsel een driedubbele indompeling vereischt?Wordt er voor de geldigheid van het doopsel een driedubbele indompeling vereist?
    9. Art. 9 Mag het doopsel hernieuwd worden?
    10. Art. 10 Is de ritus dien de heilige Kerk bij het doopsel gebruikt goed gekozen?Is de ritus die de heilige Kerk bij het doopsel gebruikt goed gekozen?
    11. Art. 11 Worden er terecht drie verschillende doopsels onderscheiden?
    12. Art. 12 Is het doopsel van Bloed het voortreffelijkste doopsel?
  8. Kw. 67 Over de bedienaars door wie het doopsel wordt toegediend
    1. Art. 1 Komt het aan de diakens toe het doopsel toe te dienen?
    2. Art. 2 Komt het de priesters toe het doopsel toe te dienen?
    3. Art. 3 Mag een leek het doopsel toedienen?
    4. Art. 4 Mag een vrouw het doopsel toedienen?
    5. Art. 5 Mag een ongedoopte het doopsel toedienen?
    6. Art. 6 Kunnen verschillende menschen samen een en dezelfden mensch doopen?Kunnen verschillende mensen samen een en dezelfden mens dopen?
    7. Art. 7 Wordt er vereischt dat iemand den gedoopte zou uit de gewijde vont opnemen?Wordt er vereist dat iemand de gedoopte zou uit de gewijde vont opnemen?
    8. Art. 8 Zijn peter en meter verplicht dengenen die zij uit de gewijde vont opgenomen hebben te onderwijzen?
  9. Kw. 68 Over degenen die het doopsel ontvangen
    1. Art. 1 Zijn alle menschen verplicht het doopsel te ontvangen?Zijn alle mensen verplicht het doopsel te ontvangen?
    2. Art. 2 Kan iemand zonder doopsel zalig worden?
    3. Art. 3 Behoort het doopsel soms te worden uitgesteld?
    4. Art. 4 Behooren zondaars gedoopt te worden?Behoren zondaars gedoopt te worden?
    5. Art. 5 Moet men aan de zondaars, die het doopsel ontvingen werken van genoegdoening opleggen?
    6. Art. 6 Zijn de zondaars verplicht wanneer ze willen het doopsel ontvangen hun zonden te belijden?
    7. Art. 7 Moet de doopeling het opzet hebben het doopsel te ontvangen?Moet de dopeling het opzet hebben het doopsel te ontvangen?
    8. Art. 8 Wordt tot de geldigheid van het doopsel vereischt dat de doopeling zou gelooven?Wordt tot de geldigheid van het doopsel vereist dat de dopeling zou geloven?
    9. Art. 9 Behooren kinderen gedoopt te worden?Behoren kinderen gedoopt te worden?
    10. Art. 10 Behooren joodsche kinderen en kinderen van andere ongeloovigen tegen den wil van hun ouders in gedoopt te worden?Behoren Joodse kinderen en kinderen van andere ongelovigen tegen de wil van hun ouders in gedoopt te worden?
    11. Art. 11 Behooren sommige kinderen niet wanneer ze nog in de baarmoeder zijn gedoopt te worden?Behoren sommige kinderen niet wanneer ze nog in de baarmoeder zijn gedoopt te worden?
    12. Art. 12 Dienen razende en krankzinnige menschen gedoopt te worden?Dienen razende en krankzinnige mensen gedoopt te worden?
  10. Kw. 69 Over de uitwerkselen van het doopsel
    1. Art. 1 Worden alle zonden door het doopsel weggenomen?
    2. Art. 2 Wordt de mensch door het doopsel van alle straf ontslagen?Wordt de mens door het doopsel van alle straf ontslagen?
    3. Art. 3 Neemt het doopsel de kwellingen die we om de erfzonde in het huidige leven moeten dragen weg?
    4. Art. 4 Worden de menschen bij het doopsel met genade en deugden toegerust?Worden de mensen bij het doopsel met genade en deugden toegerust?
    5. Art. 5 Worden aan het doopsel sommige daden toegeschreven?
    6. Art. 6 Erlangen ook kleine kinderen bij het doopsel genade en deugden?
    7. Art. 7 Wordt door het doopsel de deur van het hemelrijk voor de gedoopten opengesteld?
    8. Art. 8 Heeft het doopsel bij alle menschen hetzelfde uitwerksel?Heeft het doopsel bij alle mensen hetzelfde uitwerksel?
    9. Art. 9 Staat geveinsdheid de uitwerkselen van het doopsel in den weg?Staat geveinsdheid de uitwerkselen van het doopsel in de weg?
    10. Art. 10 Erlangt het doopsel, wanneer de geveinsdheid voor oprechtheid opbreekt, zijn uitwerksel?
  11. Kw. 70 De besnijdenis die in het Oude Testament het doopsel voorafging
    1. Art. 1 Was de besnijdenis een voorbereiding tot en een voorafbeelding van het doopsel?
    2. Art. 2 Werd de besnijdenis naar behooren ingesteld?Werd de besnijdenis naar behoren ingesteld?
    3. Art. 3 Werd de ritus der besnijdenis naar behooren bepaald?Werd de ritus van de besnijdenis naar behoren bepaald?
    4. Art. 4 Gaf de besnijdenis de heiligmakende genade?
  12. Kw. 71 Over de voorbereidselen die tot het doopsel vereischt wordenOver de voorbereidselen die tot het doopsel vereist worden
    1. Art. 1 Dient de catechiseering het doopsel vooraf te gaan?Dient de catechisering het doopsel vooraf te gaan?
    2. Art. 2 Dient de duivelbezwering het doopsel vooraf te gaan?
    3. Art. 3 Werkt de duivelbezwering iets bepaalds uit?
    4. Art. 4 Behooren de catechiseering en duivelbezwering door priesters gedaan te worden?Behoren de catechisering en duivelbezwering door priesters gedaan te worden?
  13. Kw. 72 Over het vormsel
    1. Art. 1 Is het Vormsel een Sacrament?
    2. Art. 2 Is Chrisma voor het vormsel de geschikte stof?
    3. Art. 3 Is het voor de geldigheid van dit Sacrament noodig dat het Chrisma eerst door den bisschop zou gewijd worden?Is het voor de geldigheid van dit Sacrament nodig dat het Chrisma eerst door de bisschop zou gewijd worden?
    4. Art. 4 Zijn de woorden : « Ik teeken U met het teeken van het Kruis, enz.... » voor het vormsel wel een geschikte vorm?Zijn de woorden: “Ik teken U met het teken van het Kruis, enz....” voor het vormsel wel een geschikte vorm?
    5. Art. 5 Prent het Sacrament van het vormsel de ziel een merkteeken in?Prent het Sacrament van het vormsel de ziel een merkteken in?
    6. Art. 6 Veronderstelt het merkteeken van het vormsel ook het merkteeken van het doopsel?Veronderstelt het merkteken van het vormsel ook het merkteken van het doopsel?
    7. Art. 7 Wordt door het vormsel de heiligmakende genade geschonken?
    8. Art. 8 Dient dit Sacrament aan alle menschen te worden gegeven?Dient dit Sacrament aan alle mensen te worden gegeven?
    9. Art. 9 Moet dit Sacrament op het voorhoofd van den mensch worden toegediend?Moet dit Sacrament op het voorhoofd van de mens worden toegediend?
    10. Art. 10 Moet degene die gevormd wordt door iemand worden vastgehouden?
    11. Art. 11 Mag alleen een bisschop het Sacrament van het vormsel toedienen?
    12. Art. 12 Werd de ritus van dit Sacrament naar behooren ingesteld?Werd de ritus van dit Sacrament naar behoren ingesteld?