Theologische Summa · Prima Pars · Hoe de engelen andere schepselen beïnvloedenSumma · I · Hoe de engelen andere schepselen beïnvloedenSumma · I · Kw. 114Kw. 114
Quaestio CXIV

De daemonum impugnatione, in quinque articulos divisa

Kwestie 114

De aanvallen des duivelsDe aanvallen van de duivel

(Vijf Artikelen)

248Deinde considerandum est de impugnatione daemonum. Et circa hoc quaeruntur quinque: 1. Utrum homines a daemonibus impugnentur. — 2. Utrum tentare sit proprium diaboli. — 3. Utrum omnia peccata hominum ex impugnatione sive tentatione daemonum proveniant. — 4. Utrum possint vera miracula facere ad seducendum. — 5. Utrum daemones, qui ab hominibus superantur ab impugnatione hominum arceantur.

248Vervolgens moeten we de aanvallen der duivelen bezien. En hieromtrent stellen we vijf vragen: 1. Worden de menschen door de duivels bestreden? 2. Is bekoren het eigene van de duivel? 3. Komen alle zonden der menschen van de aanvallen of bekoring des duivels voort? 4. Kunnen ze wonderen werken om te verleiden? 5. Worden de duivels, die door de menschen overwonnen zijn, uit den strijd tegen de menschen geweerd?248Vervolgens moeten we de aanvallen van de duivelen bezien. En hieromtrent stellen we vijf vragen: 1. Worden de mensen door de duivels bestreden? 2. Is bekoren het eigene van de duivel? 3. Komen alle zonden van de mensen van de aanvallen of bekoring van de duivel voort? 4. Kunnen ze wonderen werken om te verleiden? 5. Worden de duivels, die door de mensen overwonnen zijn, uit de strijd tegen de mensen geweerd?

Articulus I

Utrum homines impugnentur a daemonibus

[Supr. q. 64. art. 4.].
Ie Artikel

Worden de menschen door de duivels bestreden?Worden de mensen door de duivels bestreden?

antwoord 1 ↓

249Ad primum sic proceditur. Videtur quod homines non impugnentur a daemonibus. Angeli enim deputantur ad hominum custodiam, missi a Deo. Sed daemones non mittuntur a Deo: cum daemonum intentio sit perdere animas, Dei autem salvare. Ergo daemones non deputantur ad hominum impugnationem.

249Bedenkingen. — Men beweert, dat de menschen niet door de duivels worden aangevallen. — 1. Er zijn immers engelen, die door God gezonden, belast zijn met de bescherming der menschen. Maar de duivels worden niet door God gezonden: want de bedoeling der duivels is zielen te verderven, Gods bedoeling zielen te redden. Er worden dus geen duivels belast met de bestrijding der menschen.249Bedenkingen. — Men beweert, dat de mensen niet door de duivels worden aangevallen. — 1. Er zijn immers engelen, die door God gezonden, belast zijn met de bescherming van de mensen. Maar de duivels worden niet door God gezonden: want de bedoeling van de duivels is zielen te verderven, Gods bedoeling zielen te redden. Er worden dus geen duivels belast met de bestrijding van de mensen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, non est aequa conditio pugnae, ut infirmus contra fortem, ignarus contra astutum exponatur ad bellum. Sed homines sunt infirmi et ignari; daemones autem potentes et astuti. Non est ergo permittendum a Deo, qui est omnis justitiae auctor, ut homines a daemonibus impugnentur.

2. De conditie van den strijd is ongelijk, als een zwakke tegen een sterke, een onwetende tegen een slimme ten strijde wordt gezonden. Maar de menschen zijn zwak en onwetend, de duivels machtig en slim. Omdat God dus de oorsprong van alle gerechtigheid is, kan Hij niet toelaten, dat de menschen door de duivels worden bestreden.2. De conditie van de strijd is ongelijk, als een zwakke tegen een sterke, een onwetende tegen een slimme ten strijde wordt gezonden. Maar de mensen zijn zwak en onwetend, de duivels machtig en slim. Omdat God dus de oorsprong van alle gerechtigheid is, kan Hij niet toelaten, dat de mensen door de duivels worden bestreden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, ad exercitium hominum sufficit impugnatio carnis et mundi. Sed Deus permittit electos suos impugnari propter eorum exercitium. Ergo non videtur necessarium quod a daemonibus impugnentur.

3. Voor de oefening der menschen is de bekoring van het vleesch en de wereld genoeg. Maar God staat toe, dat zijn uitverkorenen tot hun oefening worden bekoord. Het schijnt dus niet noodig, dat zij door de duivels worden bestreden.3. Voor de oefening van de mensen is de bekoring van het vlees en de wereld genoeg. Maar God staat toe, dat zijn uitverkorenen tot hun oefening worden bekoord. Het schijnt dus niet nodig, dat zij door de duivels worden bestreden.

250Sed contra est quod Apostolus dicit ad Ephes 6. [v. 12] quod « non est nobis colluctatio adversus carnem et sanguinem, sed adversus principes et potestates, adversus mundi rectores tenebrarum harum, contra spiritualia nequitia in coelestibus ».

250Daartegenover staat echter, wat de Apostel zegt: « Want niet tegen vleesch en bloed geldt onze strijd, maar tegen Hoogheden en Krachten, tegen wereldbeheerschers dezer duisternis, tegen de booze geesten in de lucht » (Eph. 6. 12).250Daartegenover staat echter, wat de Apostel zegt: “Want niet tegen vlees en bloed geldt onze strijd, maar tegen Hoogheden en Krachten, tegen wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de boze geesten in de lucht” (Ef. 6. 12).

Respondeo dicendum quod circa impugnationem daemonum duo est considerare: scilicet ipsam impugnationem, et impugnationis ordinem. Impugnatio quidem ipsa ex daemonum malitia procedit, qui propter invidiam profectum hominum impedire nituntur; et propter superbiam divinae potestatis similitudinem usurpant, deputando sibi ministros determinatos ad hominum impugnationem, sicut et angeli Deo ministrant in determinatis officiis ad hominum salutem. Sed ordo impugnationis ipsius est a Deo, qui ordinate novit malis uti, ad bona ea ordinando. Sed ex parte angelorum tam ipsa custodia quam ordo custodiae reducitur ad Deum, sicut ad primum auctorem.

Leerstelling. — Met betrekking tot de bestrijding der duivels komen twee dingen in aanmerking: nl. de bestrijding zelf, en de orde der bestrijding. De bestrijding zelf komt voort uit de boosheid der duivels, die uit nijd den vooruitgang der menschen trachten te belemmeren, en uit hoogmoed zich de gelijkenis met Gods Macht aanmatigen, door zichzelf aan te stellen als de bepaalde dienaars van de bestrijding der menschen, zooals de engelen God dienen in bepaalde functies tot het heil der menschen. Maar de orde der bestrijding is van God, die het kwade door het te richten op het goede, ten goede weet te gebruiken. — Maar van den kant der engelen wordt zoowel de bescherming zelf, als de orde der bescherming, teruggebracht tot God, als tot de eerste oorzaak.Leerstelling. — Met betrekking tot de bestrijding van de duivels komen twee dingen in aanmerking: nl. de bestrijding zelf, en de orde van de bestrijding. De bestrijding zelf komt voort uit de boosheid van de duivels, die uit nijd de vooruitgang van de mensen trachten te belemmeren, en uit hoogmoed zich de gelijkenis met Gods Macht aanmatigen, door zichzelf aan te stellen als de bepaalde dienaars van de bestrijding van de mensen, zoals de engelen God dienen in bepaalde functies tot het heil van de mensen. Maar de orde van de bestrijding is van God, die het kwade door het te richten op het goede, ten goede weet te gebruiken. — Maar van de kant van de engelen wordt zowel de bescherming zelf, als de orde van de bescherming, teruggebracht tot God, als tot de eerste oorzaak.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod mali angeli impugnant homines dupliciter. Uno modo, instigando ad peccatum. Et sic non mittuntur a Deo ad 251impugnandum, sed aliquando permittuntur secundum Dei justa judicia. Aliquando autem impugnant homines puniendo. Et sic mittuntur a Deo; sicut missus est spiritus mendax ad puniendum Achab regem Israel, ut dicitur 3. Reg. ult. [v. 20 sqq.]. Poena enim refertur in Deum, sicut in primum auctorem. Et tamen daemones ad puniendum missi alia intentione puniunt, quam mittuntur: nam ipsi puniunt ex odio vel invidia; mittuntur autem a Deo propter ejus justitiam.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De booze engelen bestrijden de menschen op twee manieren. Eerstens, door ze te 251verleiden tot de zonde. En zoo worden ze niet door God gezonden, maar soms volgens Gods gerechte oordeelen niet belet. Soms echter bestrijden ze de menschen door hen te straffen. En zoo worden ze door God gezonden, zooals de geest der leugentaal gezonden werd om Achab, den koning van Israël, te straffen, gelijk gezegd wordt in het Derde Boek der Koningen (22. 20). De straf wordt immers teruggebracht tot God, als laatste oorzaak. Maar toch straffen de duivels met andere intentie dan waarmee ze gezonden worden: want zij straffen uit haat of nijd; maar ze worden door God uit gerechtigheid gezonden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De boze engelen bestrijden de mensen op twee manieren. Eerstens, door ze te 251verleiden tot de zonde. En zo worden ze niet door God gezonden, maar soms volgens Gods gerechte oordelen niet belet. Soms echter bestrijden ze de mensen door hen te straffen. En zo worden ze door God gezonden, zoals de geest van de leugentaal gezonden werd om Achab, de koning van Israël, te straffen, gelijk gezegd wordt in het Derde Boek van de Koningen (22, 20)a. De straf wordt immers teruggebracht tot God, als laatste oorzaak. Maar toch straffen de duivels met andere intentie dan waarmee ze gezonden worden: want zij straffen uit haat of nijd; maar ze worden door God uit gerechtigheid gezonden.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod ad hoc quod non sit inaequalis pugnae conditio, sit ex parte hominis recompensatio, principaliter quidem per auxilium divinae gratiae; secundario autem per custodiam angelorum. Unde 4. Reg. 6. [v. 16] Elisaeus dixit ad ministrum suum: « Noli timere, plures enim nobiscum sunt quam cum illis ».

2. Opdat de conditie van den strijd niet ongelijk zou zijn, heeft er van 's menschen kant een aanvulling plaats: voornamelijk door de hulp der goddelijke genade; op de tweede plaats echter door de bescherming der goede engelen. Daarom zegt Eliseus tot zijn dienaar: « Wil niet vreezen; er zijn er meer met ons dan met hen » (4 Kon. 6. 16).2. Opdat de conditie van de strijd niet ongelijk zou zijn, heeft er van 's mensen kant een aanvulling plaats: voornamelijk door de hulp van de goddelijke genade; op de tweede plaats echter door de bescherming van de goede engelen. Daarom zegt Eliseus tot zijn dienaar: “Wil niet vrezen; er zijn er meer met ons dan met hen” (4 Kon. 6. 16)b.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod infirmitati humanae sufficeret ad exercitium impugnatio, quae est a carne et mundo; sed malitiae daemonum non sufficit, quae utroque utitur ad hominum impugnationem. Sed tamen ex divina ordinatione hoc provenit in gloriam electorum.

3. Voor de menschelijke zwakheid zou ter oefening de bekoring van den kant van het vleesch en de wereld voldoende zijn: maar dit genoegt de boosheid der duivelen niet, die beiden gebruiken om den mensch te bestrijden. Maar door goddelijke ordening komt dit de glorie der uitverkorenen ten goede.3. Voor de menselijke zwakheid zou ter oefening de bekoring van de kant van het vlees en de wereld voldoende zijn: maar dit genoegt de boosheid van de duivelen niet, die beiden gebruiken om de mens te bestrijden. Maar door goddelijke ordening komt dit de glorie van de uitverkorenen ten goede.

Articulus II

Utrum tentare sit proprium diaboli

[2. Dist. 21. q. 1. art. 1; Opusc. 7. Expos. Orat. Dom. petit. 6; In Matth. cap. 4; 1 Thess. cap. 1. lec. un.; ad Hebr. cap. 11. lect. 4.].
IIe Artikel

Is bekoren het eigene van den duivel?Is bekoren het eigene van de duivel?

antwoord 1 ↓

252Ad secundum sic proceditur. Videtur quod tentare non sit proprium diaboli. Dicitur enim Deus tentare; secundum illud Gen. 22. [v. 1]: « Tentavit Deus Abraham ». Tentat etiam caro, et mundus. Et etiam homo dicitur tentare Deum, et hominem. Ergo non est proprium daemonis tentare.

252Bedenkingen. — Men beweert, dat bekoren niet het eigene van den duivel is. — 1. Men zegt immers, dat God bekoort (beproeft), volgens het woord uit het Boek der Schepping (22. 1): « God beproefde Abraham ». Ook het vleesch en de wereld bekoort. En ook zegt men, dat de mensch God en den mensch beproeft. Bekoren is dus niet eigen aan den duivel*.252Bedenkingen. — Men beweert, dat bekoren niet het eigene van de duivel is. — 1. Men zegt immers, dat God bekoort (beproeft), volgens het woord uit het Boek van de Schepping (22, 1): “God beproefde Abraham”. Ook het vlees en de wereld bekoort. En ook zegt men, dat de mens God en de mens beproeft. Bekoren is dus niet eigen aan de duivel*.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, tentare est ignorantis. Sed daemones sciunt quid circa homines agatur. Ergo daemones non tentant.

2. Beproeven doet iemand die niet weet. Maar de duivels weten hoe het de menschen vergaat. Dus beproeven de duivels niet.2. Beproeven doet iemand die niet weet. Maar de duivels weten hoe het de mensen vergaat. Dus beproeven de duivels niet.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, tentatio est via in peccatum. Peccatum autem in voluntate consistit. Cum ergo daemones non possint voluntatem hominis immutare, ut per supra dicta patet [q. 111. art. 2.], videtur quod ad eos non pertineat tentare.

3. Bekoring is de weg tot de zonde. De zonde is echter in den wil. Daar dus de duivels den wil des menschen niet kunnen beïnvloeden, zooals uit het bovengezegde (111e Kw. 2e Art.) duidelijk is, schijnt de bekoring hun niet toe te komen.3. Bekoring is de weg tot de zonde. De zonde is echter in de wil. Daar dus de duivels de wil van de mens niet kunnen beïnvloeden, zoals uit het bovengezegde (111e Kw. 2e Art.) duidelijk is, schijnt de bekoring hun niet toe te komen.

253Sed contra est, quod dicitur 1. ad Thessal. 3. [v. 5]: « Ne forte tentaverit nos is, qui tentat »; Glossa [interlin.]: « idest diabolus, cujus officium est tentare ».

253Daartegenover staat echter, dat bij het woord uit den Eersten Brief aan de Thessalonicensen (3. 5): « Of de bekoorder u soms heeft bekoord »; de Glossa zegt: « dit is de duivel, wiens functie bekoren is ».253Daartegenover staat echter, dat bij het woord uit de Eerste Brief aan de Tessalonicenzen (3, 5): “Of de bekoorder u soms heeft bekoord”; de Glossa zegt: “dit is de duivel, wiens functie bekoren is”.

Respondeo dicendum quod tentare est proprie experimentum sumere de aliquo. Experimentum1 sumitur de aliquo, ut sciatur aliquid circa ipsum; et ideo proximus finis cujuslibet tentantis est scientia. Sed quandoque ulterius ex scientia quaeritur aliquis alius finis, vel bonus vel malus: bonus quidem, sicut cum aliquis vult scire qualis aliquis sit, vel quantum ad scientiam vel quantum ad virtutem, ut eum promoveat; malus autem, quando hoc scire vult, ut eum decipiat vel subvertat. Et per hunc modum potest accipi quomodo tentare diversis diversimode attribuatur. Homo enim tentare dicitur, quandoque quidem ut sciat tantum: et propter hoc, tentare Deum dicitur esse peccatum; quia homo, quasi incertus, experiri praesumit Dei virtutem. Quandoque vero tentat ut juvet: quandoque vero, ut noceat. Diabolus autem semper tentat ut noceat, in peccatum praecipitando. Et 254secundum hoc, dicitur proprium officium ejus tentare: nam etsi homo aliquando sic tentet, hoc agit inquantum est minister diaboli. Deus autem tentare dicitur ut sciat; eo modo loquendi quo dicitur scire quod facit alios scire. Unde dicitur Deut. 13. [v. 3]: « Tentat vos Dominus Deus vester, ut palam fiat utrum diligatis eum ». Caro etiam2 et mundus dicuntur tentare instrumentaliter, seu materialiter: inquantum scilicet potest cognosci qualis sit homo, ex hoc quod sequitur vel repugnat concupiscentiis carnis, et ex hoc quod contemnit prospera mundi et adversa; quibus etiam diabolus utitur ad tentandum.

Leerstelling. — Beproeven is eigenlijk: ergens de proef mee nemen. Maar de proef wordt met iets genomen, om te weten hoe het er mee staat: vandaar is het naaste doel van iedere beproeving: wetenschap. Maar soms wordt verder door de wetenschap een ander doel, goed of kwaad, gezocht: een goed doel, zooals wanneer iemand wil weten hoe het met een ander staat, wat kennis of deugd aangaat, om hem vooruit te helpen; een kwaad doel, wanneer hij dit weten wil om hem te bedriegen of de voet te lichten. Op deze manier nu kan verstaan worden, hoe op verschillende wijzen aan verschillenden het beproeven wordt toegeschreven. Men zegt van den mensch, dat hij beproeft, soms alleen om te weten: en daarom is God beproeven een zonde, omdat de mensch, als in onzekerheid, zich aanmatigt met Gods Macht de proef te nemen. Soms echter beproeft hij om te helpen, soms weer om schade te berokkenen. — De duivel echter beproeft (bekoort) altijd 254om schade toe te brengen, door iemand in de zonde te storten. En hierom wordt bekoren zijn eigen functie genoemd: want al bekoort soms ook de mensch op deze wijze, hij doet dat als handlanger van den duivel. — Van God echter zegt men, dat Hij beproeft om te weten, maar bij wijze van spreken voor zoover weten is: anderen doen weten. Vandaar wordt er in het Boek Deuteronomium (13. 3) gezegd: « God de Heer beproeft u, opdat het duidelijk zijn zal, of gij Hem bemint ». — Van het vleesch en de wereld zegt men, dat zij werktuigelijk of materieel beproeven: in zoover men nl. weten kan hoe het met een mensch staat, uit het feit dat hij de verlokkingen des vleesches volgt of weerstaat, en de voordeelen en tegenheden der wereld veracht; maar deze dingen gebruikt ook de duivel om te bekoren.Leerstelling. — Beproeven is eigenlijk: ergens de proef mee nemen. Maar de proef wordt met iets genomen, om te weten hoe het er mee staat: vandaar is het naaste doel van iedere beproeving: wetenschap. Maar soms wordt verder door de wetenschap een ander doel, goed of kwaad, gezocht: een goed doel, zoals wanneer iemand wil weten hoe het met een ander staat, wat kennis of deugd aangaat, om hem vooruit te helpen; een kwaad doel, wanneer hij dit weten wil om hem te bedriegen of de voet te lichten. Op deze manier nu kan verstaan worden, hoe op verschillende wijzen aan verschillenden het beproeven wordt toegeschreven. Men zegt van de mens, dat hij beproeft, soms alleen om te weten: en daarom is God beproeven een zonde, omdat de mens, als in onzekerheid, zich aanmatigt met Gods Macht de proef te nemen. Soms echter beproeft hij om te helpen, soms weer om schade te berokkenen. — De duivel echter beproeft (bekoort) altijd 254om schade toe te brengen, door iemand in de zonde te storten. En hierom wordt bekoren zijn eigen functie genoemd: want al bekoort soms ook de mens op deze wijze, hij doet dat als handlanger van de duivel. — Van God echter zegt men, dat Hij beproeft om te weten, maar bij wijze van spreken voor zover weten is: anderen doen weten. Vandaar wordt er in het Boek Deuteronomium (13, 3) gezegd: “God de Heer beproeft u, opdat het duidelijk zijn zal, of gij Hem bemint”. — Van het vlees en de wereld zegt men, dat zij werktuigelijk of materieel beproeven: in zover men nl. weten kan hoe het met een mens staat, uit het feit dat hij de verlokkingen van het vlees volgt of weerstaat, en de voordelen en tegenheden van de wereld veracht; maar deze dingen gebruikt ook de duivel om te bekoren.

↑ bedenking 1

Et sic patet solutio ad primum.

Antwoord op de Bedenkingen. — En hiermee is het antwoord op de eerste bedenking gegeven.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod daemones sciunt ea quae exterius aguntur circa homines: sed interiorem hominis conditionem solus Deus novit, qui est spirituum ponderator, ex qua aliqui sunt magis proni ad unum vitium 255quam ad aliud. Et ideo diabolus tentat, explorando interiorem conditionem hominis, ut de illo vitio tentet, ad quod homo magis pronus est.

2. De duivels weten, hoe het de menschen uiterlijk vergaat, maar de innerlijke conditie van den mensch kent God alleen, die de doorvorscher der geesten is; en uit deze conditie zijn sommigen meer tot de eene dan tot de andere ondeugd geneigd. En daarom beproeft de duivel, de innerlijke conditie des menschen onderzoekend, om 255dan tot die ondeugd te bekoren, waartoe de mensch het meest geneigd is.2. De duivels weten, hoe het de mensen uiterlijk vergaat, maar de innerlijke conditie van de mens kent God alleen, die de doorvorser van de geesten is; en uit deze conditie zijn sommigen meer tot de ene dan tot de andere ondeugd geneigd. En daarom beproeft de duivel, de innerlijke conditie van de mens onderzoekend, om 255dan tot die ondeugd te bekoren, waartoe de mens het meest geneigd is.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod daemon etsi non possit immutare voluntatem, potest tamen, ut supra dictum est [q. 111. art. 3. 4.], aliqualiter immutare inferiores hominis vires; ex quibus etsi non cogitur voluntas, tamen inclinatur.

3. Al kan de duivel den wil niet beïnvloeden, zoo kan hij toch, gelijk boven gezegd is (111e Kw. 3e en 4e Art.), eenigszins de lagere vermogens des menschen beïnvloeden, waaruit de wil wel niet gedwongen, maar toch geneigd wordt.3. Al kan de duivel de wil niet beïnvloeden, zo kan hij toch, gelijk boven gezegd is (111e Kw. 3e en 4e Art.), enigszins de lagere vermogens van de mens beïnvloeden, waaruit de wil wel niet gedwongen, maar toch geneigd wordt.

Articulus III

Utrum omnia peccata procedant ex tentatione diaboli

[1-2. q. 80. art. 4; De Mal. q. 3. art. 5.].
IIIe Artikel

Komen alle zonden der menschen van de aanvallen of bekoring des duivels voort?Komen alle zonden van de mensen van de aanvallen of bekoring van de duivel voort?

antwoord 1 ↓

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod omnia peccata procedant ex tentatione diaboli. Dicit enim Dionysius 4. cap. de Div. Nom., quod « multitudo daemonum est causa omnium malorum sibi et aliis ». Et Damascenus dicit [lib. 2. Orth. Fid. cap. 4.], quod « omnis malitia et omnis immunditia a diabolo excogitatae sunt ».

Bedenkingen. — Men beweert, dat alle zonden uit de bekoring des duivels voortkomen. — 1. Dionysius zegt immers, dat « de menigte der duivelen oorzaak is van alle kwaad voor zich en voor anderen ». En Damascenus zegt, dat « alle boosheid en alle onzuiverheid door den duivel uitgedacht zijn! »Bedenkingen. — Men beweert, dat alle zonden uit de bekoring van de duivel voortkomen. — 1. Dionysius zegt immers, dat “de menigte van de duivelen oorzaak is van alle kwaad voor zich en voor anderen”. En Damascenus zegt, dat “alle boosheid en alle onzuiverheid door de duivel uitgedacht zijn!”

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, de quolibet peccatore dici posset, quod Dominus de 256Judaeis dicit Joan. 8. [v. 44]: « Vos ex patre diabolo estis ». Hoc autem est inquantum ipsi ex diaboli suggestione peccabant. Omne ergo peccatum est ex suggestione diaboli.

2. Van iederen zondaar kan gezegd worden, wat de Heer van 256de Joden zeide: « Gij zijt uit de duivel, uw vader » (Joan. 8. 44). Dat is in zoover zij op aanstichting des duivels zondigden. Alle zonde is dus op aanstichting des duivels.2. Van iedere zondaar kan gezegd worden, wat de Heer van 256de Joden zeide: “Gij zijt uit de duivel, uw vader” (Joh. 8. 44). Dat is in zover zij op aanstichting van de duivel zondigden. Alle zonde is dus op aanstichting van de duivel.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, sicut angeli deputantur ad custodiam hominum, ita daemones ad impugnationem. Sed omnia bona quae facimus, ex suggestione bonorum angelorum procedunt: quia divina ad nos mediantibus angelis perferuntur. Ergo et omnia mala quae facimus, proveniunt ex suggestione diaboli.

3. Zooals de engelen worden aangesteld voor de bescherming der menschen, zoo de duivels voor hun bestrijding. Maar alle goed dat we doen, komt voort op aansporing der goede engelen, omdat het goddelijke door bemiddeling der engelen tot ons komt. Dus komt ook het kwaad, dat we doen, voort op aanstichting des duivels.3. Zoals de engelen worden aangesteld voor de bescherming van de mensen, zo de duivels voor hun bestrijding. Maar alle goed dat we doen, komt voort op aansporing van de goede engelen, omdat het goddelijke door bemiddeling van de engelen tot ons komt. Dus komt ook het kwaad, dat we doen, voort op aanstichting van de duivel.

Sed contra est quod dicitur in lib. de Eccles. Dogmat. [cap. 82.]: « Non omnes cogitationes nostrae malae a diabolo excitantur, sed aliquoties ex nostri arbitrii motu emergunt ».

Daartegenover staat echter, wat in het werk: « De Ecclesiasticis Dogmatibus » (Augustinus) gezegd wordt: « Niet al onze kwade gedachten worden door den duivel opgewekt, maar komen soms op uit onzen vrijen wil ».Daartegenover staat echter, wat in het werk: “De Ecclesiasticis Dogmatibus” (Augustinus) gezegd wordt: “Niet al onze kwade gedachten worden door de duivel opgewekt, maar komen soms op uit onze vrije wil”.

Respondeo dicendum quod causa alicujus potest dici aliquid dupliciter. Uno modo, directe; alio modo indirecte. Indirecte quidem, sicut cum aliquod agens causans aliquam dispositionem ad aliquem effectum, dicitur esse occasionaliter et indirecte causa illius effectus; sicut si dicatur quod ille qui 257secat1 ligna, est causa combustionis eorum. Et hoc modo dicendum est, quod diabolus est causa omnium peccatorum nostrorum: quia instigavit primum hominem ad peccandum, ex cujus peccato consecuta est in toto genere humano quaedam pronitas ad omnia peccata. Et per hunc modum intelligenda sunt verba Damasceni et Dionysii [inducta in arg. 1.]. Directe autem dicitur esse aliquid causa alicujus, quod operatur directe ad illud. Et hoc modo diabolus non est causa omnis peccati: non enim omnia peccata committuntur diabolo instigante, sed quaedam ex libertate arbitrii et carnis corruptione. Quia, ut Origenes dicit [Peri Archon, l. 3. cap. 11], etiamsi diabolus non esset, homines haberent appetitum ciborum et venereorum, et hujusmodi; circa quae multa inordinatio contingit, nisi per rationem talis appetitus refraenetur; et maxime, supposita corruptione naturae. Refraenare autem et ordinare hujusmodi appetitum, subjacet libero arbitrio. Sic ergo non est necessarium omnia peccata ex instinctu diaboli provenire. Si qua tamen ex instinctu ejus proveniunt, ad ea complenda eo « blandimento decipiuntur homines nunc, quo primi parentes », ut Isidorus dicit [lib. 3. de Summo Bono, cap. 5.].

Leerstelling. — Op twee manieren kan iets oorzaak genoemd worden: vooreerst, direkt, vervolgens indirekt. Indirekt, zooals een werkoorzaak, die een dispositie voor een gevolg voortbrengt, indirekte en toevallige oorzaak van dat gevolg genoemd wordt: zooals men zegt, dat hij die het hout droogt, oorzaak is van de 257verbranding. En zoo zegge men, dat de duivel oorzaak is van al onze zonden: omdat hij den eersten mensch tot zonde aanstichtte, uit wiens zonde in heel het menschelijke geslacht een geneigdheid tot alle zonden is ontstaan. En op deze manier zijn de woorden van Damascenus en Dionysius te verstaan. Men zegt echter, dat iets direkt oorzaak van iets anders is, als het er direkt toe werkt. En op deze wijze is de duivel geen oorzaak van iedere zonde: niet alle zonden worden op aanstichting des duivels bedreven, maar sommige uit vrijen wil en bederf des vleesches. Want, zooals Origenes opmerkt, ook was er geen duivel, zouden de menschen begeerte hebben naar spijs en geslachtelijken omgang e. d., waarin veel onregelmatigheid voorkomt, tenzij die begeerte door de rede bedwongen wordt, vooral als we vooropstellen, dat de natuur bedorven is. Het bedwingen en regelen van dergelijke begeerte hangt van den vrijen wil af, en dus is het niet noodig, dat alle zonden op aanstichting des duivels gebeuren. Maar als er op zijn aanstichting gebeuren, dan worden, zooals Isidorus zegt, om dit te bereiken « de menschen nu door dezelfde vleierij bedrogen, als onze eerste ouders ».Leerstelling. — Op twee manieren kan iets oorzaak genoemd worden: vooreerst, direct, vervolgens indirect. Indirect, zoals een werkoorzaak, die een dispositie voor een gevolg voortbrengt, indirecte en toevallige oorzaak van dat gevolg genoemd wordt: zoals men zegt, dat hij die het hout droogt, oorzaak is van de 257verbranding. En zo zegge men, dat de duivel oorzaak is van al onze zonden: omdat hij de eerste mens tot zonde aanstichtte, uit wiens zonde in heel het menselijke geslacht een geneigdheid tot alle zonden is ontstaan. En op deze manier zijn de woorden van Damascenus en Dionysius te verstaan. Men zegt echter, dat iets direct oorzaak van iets anders is, als het er direct toe werkt. En op deze wijze is de duivel geen oorzaak van iedere zonde: niet alle zonden worden op aanstichting van de duivel bedreven, maar sommige uit vrijen wil en bederf van het vlees. Want, zoals Origenes opmerkt, ook was er geen duivel, zouden de mensen begeerte hebben naar spijs en geslachtelijken omgang e. d., waarin veel onregelmatigheid voorkomt, tenzij die begeerte door de rede bedwongen wordt, vooral als we vooropstellen, dat de natuur bedorven is. Het bedwingen en regelen van dergelijke begeerte hangt van de vrije wil af, en dus is het niet nodig, dat alle zonden op aanstichting van de duivel gebeuren. Maar als er op zijn aanstichting gebeuren, dan worden, zoals Isidorus zegt, om dit te bereiken “de mensen nu door dezelfde vleierij bedrogen, als onze eerste ouders”.

↑ bedenking 1

258Et per hoc patet responsio ad primum.

258Antwoord op de Bedenkingen. — En hieruit is het antwoord op de eerste bedenking duidelijk.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod si qua peccata absque instinctu diaboli perpetrantur, per ea tamen fiunt homines filii diaboli, inquantum ipsum primo peccantem imitantur.

2. Als er zonden bedreven worden zonder verleiding des duivels, worden de menschen hierdoor niettemin kinderen des duivels, in zoover zij hem, den eersten zondaar, navolgen.2. Als er zonden bedreven worden zonder verleiding van de duivel, worden de mensen hierdoor niettemin kinderen van de duivel, in zover zij hem, de eerste zondaar, navolgen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod homo potest per seipsum ruere in peccatum: sed ad meritum proficere non potest nisi auxilio divino, quod homini exhibetur mediante ministerio angelorum. Et ideo ad omnia bona nostra cooperantur angeli: non tamen omnia peccata nostra procedunt ex daemonum suggestione. Quamvis nullum genus peccati sit, quod non interdum ex daemonum suggestione proveniat.

3. De mensch kan uit zichzelf in zonde vallen: maar hij kan niet zonder goddelijken bijstand in verdienste vooruitgaan, welken bijstand den mensch verleend wordt door de bediening der engelen. Vandaar dat de engelen medewerken aan al ons goed, en toch niet al onze zonden voortkomen uit verleiding der duivelen, ofschoon er geen enkele soort van zonde is, die niet somtijds op aanstichting der duivels gebeurt.3. De mens kan uit zichzelf in zonde vallen: maar hij kan niet zonder goddelijke bijstand in verdienste vooruitgaan, welke bijstand de mens verleend wordt door de bediening van de engelen. Vandaar dat de engelen medewerken aan al ons goed, en toch niet al onze zonden voortkomen uit verleiding van de duivelen, ofschoon er geen enkele soort van zonde is, die niet somtijds op aanstichting van de duivels gebeurt.

Articulus IV

Utrum daemones possint homines seducere per aliqua miracula

[Supr. q. 110. art. 4. ad 2; 2-2. q. 178. art. 1. ad 2; art. 2; 2. Dist. 7. q. 3. art. 1; De Pot. q. 6. art. 5; In Matth. cap. 24; 2 Thessal. cap. 2. lect. 2.].
IVe Artikel

Kunnen ze wonderen werken om te verleiden?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod daemones non possint homines seducere per aliqua miracula vera. Operatio enim daemonum maxime vigebit 259in operibus Antichristi. Sed sicut Apostolus dicit 2. ad Thessal. 2. [v. 9], ejus « adventus est secundum operationem Satanae, in omni virtute et signis et prodigiis mendacibus ». Ergo multo magis alio tempore per daemones non fiunt nisi signa mendacia.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de duivels de menschen 259niet kunnen verleiden door echte wonderen. — 1. Het duivelswerk zal zijn hoogtepunt bereiken in de werken van den Antichrist. Maar, zooals de Apostel zegt: « Zijn verschijning zal geschieden als een werk van Satan, met allerlei kracht en teekenen en valsche wonderen » (2 Thess. 2. 9). Dus geschieden door de duivelen veel eerder op andere tijden niet dan slechts valsche teekenen.Bedenkingen. — Men beweert, dat de duivels de mensen 259niet kunnen verleiden door echte wonderen. — 1. Het duivelswerk zal zijn hoogtepunt bereiken in de werken van de Antichrist. Maar, zoals de Apostel zegt: “Zijn verschijning zal geschieden als een werk van Satan, met allerlei kracht en tekenen en valse wonderen” (2 Tess. 2. 9). Dus geschieden door de duivelen veel eerder op andere tijden niet dan slechts valse tekenen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, vera miracula per aliquam corporum immutationem fiunt. Sed daemones non possunt immutare corpus in aliam naturam: dicit enim Augustinus 18. de Civ. Dei [cap. 18.]: « Nec corpus quidem humanum ulla ratione crediderim daemonum arte vel potestate in membra bestialia posse converti ». Ergo daemones vera miracula facere non possunt.

2. Echte wonderen gebeuren door verandering van lichamen. Maar de duivels kunnen geen lichaam in een andere natuur veranderen: Augustinus zegt immers: « Ik neem op geen enkelen grond aan, dat een menschelijk lichaam door de kunst en kracht der duivels in een dierenlichaam zou veranderd kunnen worden ». Dus kunnen de duivels geen echte wonderen doen.2. Echte wonderen gebeuren door verandering van lichamen. Maar de duivels kunnen geen lichaam in een andere natuur veranderen: Augustinus zegt immers: “Ik neem op geen enkelen grond aan, dat een menselijk lichaam door de kunst en kracht van de duivels in een dierenlichaam zou veranderd kunnen worden”. Dus kunnen de duivels geen echte wonderen doen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, argumentum efficaciam non habet, quod se habet ad opposita. Si ergo miracula vera possunt fieri a daemonibus ad falsitatem persuadendam, non erunt efficacia ad veritatem fidei confirmandam. Quod est inconveniens: cum dicatur Marc. ult. [v. 20]: « Domino cooperante, et sermonem confirmante sequentibus signis ».

3. Een bewijs, dat voor twee tegenovergestelde dienen kan, heeft geen kracht. Als dus door de duivels echte wonderen kunnen gebeuren om tot valschheid te overreden, hebben ze geen kracht om de geloofswaarheid te bevestigen. Dat is niet aan te nemen, daar bij Marcus (16. 20) gezegd wordt: « De Heer werkte met hen mee, en bevestigde het woord door de wonderen, die het vergezelden ».3. Een bewijs, dat voor twee tegenovergestelde dienen kan, heeft geen kracht. Als dus door de duivels echte wonderen kunnen gebeuren om tot valsheid te overreden, hebben ze geen kracht om de geloofswaarheid te bevestigen. Dat is niet aan te nemen, daar bij Marcus (16, 20) gezegd wordt: “De Heer werkte met hen mee, en bevestigde het woord door de wonderen, die het vergezelden”.

Sed contra est quod Augustinus dicit lib. 83. QQ. [Lib. 21. Sent., 260sent. 4. Inter suppos. Aug.], quod « magicis artibus fiunt miracula plerumque similia illis miraculis quae fiunt per servos Dei ».

Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt, dat « door 260tooverkunsten dikwijls wonderen gebeuren, die gelijken op de wonderen, die door de dienaren Gods geschieden ».Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt, dat “door 260toverkunsten dikwijls wonderen gebeuren, die gelijken op de wonderen, die door de dienaren Gods geschieden”.

Respondeo dicendum quod, sicut ex supradictis patet [q. 110. art. 4.], si miraculum proprie accipiatur, daemones miracula facere non possunt, nec aliqua creatura, sed solus Deus: quia miraculum proprie dicitur quod fit praeter ordinem totius naturae creatae, sub quo ordine continetur omnis virtus creata1. Dicitur tamen quandoque miraculum large, quod excedit humanam facultatem et considerationem. Et sic daemones possunt facere miracula, quae scilicet homines mirantur, inquantum eorum facultatem et cognitionem excedunt. Nam et unus homo, inquantum facit aliquid quod est supra facultatem et cognitionem alterius, ducit alium in admirationem sui operis, ut quodammodo miraculum videatur operari. Sciendum est tamen quod, quamvis huiusmodi opera daemonum, quae nobis miracula videntur, ad veram rationem miraculi non pertingant; sunt tamen quandoque verae res. Sicut magi Pharaonis per virtutem daemonum veros serpentes et ranas 261fecerunt. « Et quando ignis de coelo cecidit et familiam Job cum gregibus pecorum uno impetu consumpsit, et turbo domum dejiciens filios ejus occidit, quae fuerunt opera Satanae, phantasmata non fuerunt »; ut Augustinus dicit 20. de Civ. Dei [cap. 19.].

Leerstelling. — Uit hetgeen boven gezegd werd (110e Kw. 4e Art.), is duidelijk, dat als het wonder in eigenlijken zin genomen wordt, de duivels geen wonderen kunnen doen, en geen enkel ander schepsel, maar God alleen: want eigenlijk wordt wonder genoemd, wat buiten de orde van geheel de geschapen natuur gebeurt, en onder die orde valt iedere kracht van het schepsel. Soms echter spreekt men van wonder in ruimen zin, wat nl. het menschelijk vermogen en de menschelijke kennis te boven gaat. En zoo kunnen de duivels wonderen doen, waarover de menschen zich verwonderen, omdat ze boven hun kracht en kennis uitgaan. Want ook de eene mensch kan, in zoover hij iets verricht, dat de kracht en de kennis van een ander te boven gaat, dien ander zoozeer in verwondering over zijn werk brengen, dat het er den schijn van heeft, dat hij in zekeren zin een wonder doet. Men moet echter weten, dat dergelijke duivelswerken, die ons wonderen toeschijnen, ofschoon ze niet den waren aard van een wonder bereiken, toch soms ware dingen zijn. Zoo maakten de toovenaars van Pharao door de macht der duivels echte slangen 261en kikkers. En zooals Augustinus zegt, « toen het vuur van den hemel viel, en het huisgezin van Job met zijn veekudden met één slag verteerde, en de storm zijn huis ineenwerpend zijn zonen doodde, waren dat werken van Satan, en was dat geen schijn ».Leerstelling. — Uit hetgeen boven gezegd werd (110e Kw. 4e Art.), is duidelijk, dat als het wonder in eigenlijke zin genomen wordt, de duivels geen wonderen kunnen doen, en geen enkel ander schepsel, maar God alleen: want eigenlijk wordt wonder genoemd, wat buiten de orde van geheel de geschapen natuur gebeurt, en onder die orde valt iedere kracht van het schepsel. Soms echter spreekt men van wonder in ruimen zin, wat nl. het menselijk vermogen en de menselijke kennis te boven gaat. En zo kunnen de duivels wonderen doen, waarover de mensen zich verwonderen, omdat ze boven hun kracht en kennis uitgaan. Want ook de ene mens kan, in zover hij iets verricht, dat de kracht en de kennis van een ander te boven gaat, die ander zozeer in verwondering over zijn werk brengen, dat het er de schijn van heeft, dat hij in zekeren zin een wonder doet. Men moet echter weten, dat dergelijke duivelswerken, die ons wonderen toeschijnen, ofschoon ze niet de ware aard van een wonder bereiken, toch soms ware dingen zijn. Zo maakten de tovenaars van Farao door de macht van de duivels echte slangen 261en kikkers. En zoals Augustinus zegt, “toen het vuur van de hemel viel, en het huisgezin van Job met zijn veekudden met één slag verteerde, en de storm zijn huis ineenwerpend zijn zonen doodde, waren dat werken van Satan, en was dat geen schijn”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod, sicut Augustinus dicit ibidem, Antichristi opera possunt dici esse signa mendacii, « vel quia mortales sensus per phantasmata decepturus est, ut quod non facit, videatur facere: vel quia si sint vera prodigia, ad mendacium tamen pertrahent credituros ».

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals Augustinus zegt, kunnen de werken van den Antichrist leugenteekenen genoemd worden, ofwel omdat hij de zinnen der stervelingen door schijn zal bedriegen, zoodat hij wat hij niet doet, schijnt te doen, ofwel omdat, als het ware teekenen zijn, ze hen die erin gelooven, tot de leugen voeren.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals Augustinus zegt, kunnen de werken van de Antichrist leugentekenen genoemd worden, ofwel omdat hij de zinnen van de stervelingen door schijn zal bedriegen, zodat hij wat hij niet doet, schijnt te doen, ofwel omdat, als het ware tekenen zijn, ze hen die erin geloven, tot de leugen voeren.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod, sicut supra dictum est [q. 110. art. 2.], materia corporalis non obedit angelis bonis seu malis ad nutum, ut daemones sua virtute possint transmutare materiam de forma in formam: sed possunt adhibere quaedam semina quae in elementis mundi inveniuntur, ad hujusmodi effectus complendos, ut Augustinus dicit 3. de Trinit. [cap. 8. 9.]. Et ideo dicendum est quod omnes transmutationes corporalium rerum quae possunt fieri per aliquas virtutes naturales, ad quas pertinent praedicta semina, possunt fieri per operationem daemonum, hujusmodi seminibus 262adhibitis; sicut cum aliquae res transmutantur in serpentes vel ranas, quae per putrefactionem generari possunt. Illae vero transmutationes corporalium rerum quae non possunt virtute naturae fieri, nullo modo operatione daemonum, secundum rei veritatem, perfici possunt; sicut quod corpus humanum mutetur in corpus bestiale, aut quod corpus hominis mortuum reviviscat. Et si aliquando aliquid tale operatione daemonum fieri videatur, hoc non est secundum rei veritatem, sed secundum apparentiam tantum. Quod quidem potest dupliciter contingere. Uno modo, ab interiori; secundum quod daemon potest mutare phantasiam hominis, et etiam sensus corporeos, ut aliquid videatur aliter quam sit, sicut supra dictum est [q. 111. art. 3. et 4.]. Et hoc etiam interdum fieri dicitur virtute aliquarum rerum corporalium. Alio modo, ab exteriori, cum enim ipse possit formare corpus ex aëre cujuscumque formae et figurae, ut illud assumens in eo visibiliter appareat; potest eadem ratione circumponere cuicumque rei corporeae quamcumque formam corpoream, ut in ejus specie videatur. Et hoc est quod Augustinus dicit 18. de Civ. Dei [cap. 18.], quod « phantasticum hominis, quod etiam in cogitando, sive somniando per rerum innumerabilium genera 263variatur, velut incorporatum2 in alicujus animalis effigie sensibus apparet alienis », quod non est sic intelligendum, quod ipsa vis phantastica hominis, aut species ejus, eadem numero alterius sensibus ostendatur: sed quia daemon, qui in phantasia unius hominis format aliquam speciem, ipse etiam potest similem speciem alterius sensibus offerre.

2. Zooals boven gezegd is (110e Kw. 2e Art.), gehoorzaamt de lichamelijke stof niet op de wenken van goede of booze engelen, zoodat de duivels door eigen kracht de stof van den eenen vorm naar den anderen zouden kunnen doen overgaan; maar, zooals Augustinus zegt, kunnen ze om dergelijke gevolgen voort te brengen, gebruik maken van zaad, dat in de elementen der wereld gevonden wordt. Vandaar dient gezegd, dat alle veranderingen der lichamelijke voorwerpen, die door de natuurkrachten, waartoe deze zaden behooren, kunnen gebeuren, ook door de werking der duivels bij gebruik dezer zaden tot stand kunnen worden gebracht, 262zooals wanneer sommige dingen in slangen of kikkers, die uit bederf ontstaan, veranderd worden. Maar de veranderingen van lichamelijke dingen, die niet door de natuur gebeuren kunnen, kunnen in waarheid op geen enkele manier door de duivels gedaan worden, zooals dat een menschelijk lichaam in dat van een beest veranderd zou worden, of dat het lichaam van een gestorvene zou herleven. En als het soms den schijn mocht hebben, dat iets dergelijks door de werking des duivels gebeurt, dan is het niet in waarheid, maar alleen in schijn. En dat kan op twee manieren het geval zijn. Eerstens van binnen uit, in zoover de duivel de fantasie van den mensch kan beïnvloeden, en ook zijn zinnen, zoodat, naar boven gezegd is (111e Kw. 3e en 4e Art.), iets anders schijnt dan het is. En, naar men zegt, gebeurt dat soms ook door de kracht van sommige lichamelijke dingen. — Vervolgens van buiten af. Daar hij immers uit de lucht een lichaam onder elke figuur en vorm kan vormen om dat aan te nemen, en daarin zichtbaar te verschijnen, kan hij om dezelfde reden ieder lichamelijk ding hullen in een lichamelijken vorm, zoodat het in die gedaante gezien wordt. En dit is wat Augustinus zegt, dat « de menschelijke fantasie, die wakend of droomend op ontelbaar 263verschillende dingen overgaat, als belichaamd in het beeld van een of ander dier aan de zinnen van anderen verschijnt ». Dit moet men niet verstaan, alsof het verbeeldingsvermogen van den mensch, of zijn fantasiebeelden, zelf belichaamd aan de zinnen van een ander worden getoond, maar dat de duivel, die in de fantasie van den eenen mensch een of ander beeld vormt, zelf een dergelijk beeld aan de zinnen van een ander kan voorleggen.2. Zoals boven gezegd is (110e Kw. 2e Art.), gehoorzaamt de lichamelijke stof niet op de wenken van goede of boze engelen, zodat de duivels door eigen kracht de stof van de ene vorm naar de andere zouden kunnen doen overgaan; maar, zoals Augustinus zegt, kunnen ze om dergelijke gevolgen voort te brengen, gebruik maken van zaad, dat in de elementen van de wereld gevonden wordt. Vandaar dient gezegd, dat alle veranderingen van de lichamelijke voorwerpen, die door de natuurkrachten, waartoe deze zaden behoren, kunnen gebeuren, ook door de werking van de duivels bij gebruik van deze zaden tot stand kunnen worden gebracht, 262zoals wanneer sommige dingen in slangen of kikkers, die uit bederf ontstaan, veranderd worden. Maar de veranderingen van lichamelijke dingen, die niet door de natuur gebeuren kunnen, kunnen in waarheid op geen enkele manier door de duivels gedaan worden, zoals dat een menselijk lichaam in dat van een beest veranderd zou worden, of dat het lichaam van een gestorvene zou herleven. En als het soms de schijn mocht hebben, dat iets dergelijks door de werking van de duivel gebeurt, dan is het niet in waarheid, maar alleen in schijn. En dat kan op twee manieren het geval zijn. Eerstens van binnen uit, in zover de duivel de fantasie van de mens kan beïnvloeden, en ook zijn zinnen, zodat, naar boven gezegd is (111e Kw. 3e en 4e Art.), iets anders schijnt dan het is. En, naar men zegt, gebeurt dat soms ook door de kracht van sommige lichamelijke dingen. — Vervolgens van buiten af. Daar hij immers uit de lucht een lichaam onder elke figuur en vorm kan vormen om dat aan te nemen, en daarin zichtbaar te verschijnen, kan hij om dezelfde reden ieder lichamelijk ding hullen in een lichamelijken vorm, zodat het in die gedaante gezien wordt. En dit is wat Augustinus zegt, dat “de menselijke fantasie, die wakend of dromend op ontelbaar 263verschillende dingen overgaat, als belichaamd in het beeld van een of ander dier aan de zinnen van anderen verschijnt”. Dit moet men niet verstaan, alsof het verbeeldingsvermogen van de mens, of zijn fantasiebeelden, zelf belichaamd aan de zinnen van een ander worden getoond, maar dat de duivel, die in de fantasie van de ene mens een of ander beeld vormt, zelf een dergelijk beeld aan de zinnen van een ander kan voorleggen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod, sicut Augustinus dicit in lib. 83. QQ. [q. 79.], « cum talia faciunt magi, qualia sancti, diverso fine et diverso jure fiunt: « isti enim faciunt quaerentes gloriam suam, illi quaerentes gloriam Dei: et isti faciunt per quaedam privata commercia illi autem publica administratione, et jussu Dei, cui cuncta creata subjecta sunt »3.

3. Augustinus zegt: « Als toovenaars dergelijke dingen als heiligen doen, gebeurt dat met ander doel en ander recht. Zij doen dat immers hun glorie zoekend, terwijl de anderen Gods glorie zoeken. Zij doen dat ook door privé contract, terwijl die anderen het doen uit publieke gerechtigheid en op bevel van God, aan wien ieder schepsel onderworpen is ».3. Augustinus zegt: “Als tovenaars dergelijke dingen als heiligen doen, gebeurt dat met ander doel en ander recht. Zij doen dat immers hun glorie zoekend, terwijl de anderen Gods glorie zoeken. Zij doen dat ook door privé contract, terwijl die anderen het doen uit publieke gerechtigheid en op bevel van God, aan wie ieder schepsel onderworpen is”.

Articulus V

Utrum daemon, qui superatur ab aliquo, propter hoc ab impugnatione arceatur

[2. Dist. 6. art. 6.].
Ve Artikel

Worden de duivels, die door de menschen overwonnen zijn, uit den strijd tegen de menschen geweerd?Worden de duivels, die door de mensen overwonnen zijn, uit de strijd tegen de mensen geweerd?

antwoord 1 ↓

264Ad quintum sic proceditur. Videtur quod daemon, qui superatur ab aliquo, non propter hoc ab impugnatione arceatur. Christus enim efficacissime suum tentatorem vicit. Sed tamen postea eum impugnavit, ad occisionem ejus Judaeos incitando. Ergo non est verum quod diabolus victus ab impugnatione cesset.

264Bedenkingen. — Men beweert, dat de duivel, die door iemand overwonnen is, daarom nog niet uit den strijd wordt geweerd. — 1. Christus heeft zijn bekoorder allerkrachtdadigst overwonnen, maar toch heeft hij Hem later weer bestreden door de Joden tot den Godsmoord aan te stichten. Het is dus niet waar dat een overwonnen duivel van den strijd aflaat.264Bedenkingen. — Men beweert, dat de duivel, die door iemand overwonnen is, daarom nog niet uit de strijd wordt geweerd. — 1. Christus heeft zijn bekoorder allerkrachtdadigst overwonnen, maar toch heeft hij Hem later weer bestreden door de Joden tot de Godsmoord aan te stichten. Het is dus niet waar dat een overwonnen duivel van de strijd aflaat.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea infligere poenam ei qui in pugna succumbit, est incitare ad acrius impugnandum. Hoc autem non pertinet ad Dei misericordiam. Ergo daemones superati non arcentur.

2. Straf opleggen aan iemand, die in den strijd het onderspit delft, is aanvuren tot verbitterder strijd. Maar dit heeft niet te maken met Gods barmhartigheid. Dus worden de overwonnen duivels niet geweerd.2. Straf opleggen aan iemand, die in de strijd het onderspit delft, is aanvuren tot verbitterder strijd. Maar dit heeft niet te maken met Gods barmhartigheid. Dus worden de overwonnen duivels niet geweerd.

Sed contra est quod dicitur Matth. 4. [v. 11]: « Tunc reliquit eum diabolus », scilicet Christum superantem.

Daartegenover staat echter, wat bij Mattheus (4. 11) gezegd wordt: « Toen verliet de duivel Hem », nl. den overwinnenden Christus.Daartegenover staat echter, wat bij Matteüs (4, 11) gezegd wordt: “Toen verliet de duivel Hem”, nl. de overwinnende Christus.

265Respondeo dicendum quod quidam dicunt quod daemon superatus nullum hominem potest de caetero tentare, nec de eodem, nec de alio peccato. Quidam autem dicunt quod potest alios tentare, sed non eumdem. Et hoc probabilius dicitur, si tamen intelligatur usque ad aliquod tempus: unde et Luc. 4. [v. 13] dicitur quod, « consummata omni tentatione, diabolus recessit a Christo usque ad tempus ». Et hujus ratio est duplex. Una est ex parte divinae clementiae: quia, ut Chrysostomus dicit super Matth. 4. [v. 10. hom. 5. in op. imperf.]: « Non tamdiu homines diabolus tentat, quamdiu vult, sed quamdiu Deus permittit; quia et si permittat paulisper tentare, tamen repellit propter infirmam naturam ». Alia ratio sumitur ex astutia diaboli: unde Ambros. dicit super Lucam 4. [v. 13], quod « diabolus instare formidat, quia frequentius refugit triumphari ». Quod tamen aliquando diabolus redeat ad eum quem dimisit, patet per illud quod dicitur Matth. 12. [v. 44]: « Revertar in domum meam, unde exivi ».

265Leerstelling. — Sommigen zeggen, dat een overwonnen duivel voortaan niemand meer kan bekoren noch tot dezelfde noch tot een andere zonde. — Anderen zeggen, dat hij niet denzelfden maar wel andere menschen bekoren kan. En dit is waarschijnlijker, als er tenminste sprake is van eenigen tijd. Daarom wordt ook bij Lucas (4. 13) gezegd: « Nu de duivel al zijn bekoringen had uitgeput, verliet hij Hem voor een tijd ». En de reden hiervan is een dubbele: vooreerst de goddelijke Barmhartigheid, want zooals Chrysostomus zegt: « De duivel bekoort de menschen niet zoolang als hij wil, maar zoolang God het toelaat, want al staat Hij hem toe eenigszins te bekoren, toch verwijdert Hij hem weer om de zwakte van onze natuur ». Een andere reden is van den kant van des duivels slimheid; daarom zegt Ambrosius: « De duivel vreest vol te houden, daar hij ontgaan wil dikwijls overwonnen te worden ». — Dat echter de duivel soms terugkomt bij hem, dien hij verliet, blijkt uit wat bij Mattheus (12. 44) gezegd wordt: « Ik zal terugkeeren naar mijn huis, dat ik verlaten heb ».265Leerstelling. — Sommigen zeggen, dat een overwonnen duivel voortaan niemand meer kan bekoren noch tot dezelfde noch tot een andere zonde. — Anderen zeggen, dat hij niet dezelfde maar wel andere mensen bekoren kan. En dit is waarschijnlijker, als er tenminste sprake is van enigen tijd. Daarom wordt ook bij Lukas (4, 13) gezegd: “Nu de duivel al zijn bekoringen had uitgeput, verliet hij Hem voor een tijd”. En de reden hiervan is een dubbele: vooreerst de goddelijke Barmhartigheid, want zoals Chrysostomus zegt: “De duivel bekoort de mensen niet zolang als hij wil, maar zolang God het toelaat, want al staat Hij hem toe enigszins te bekoren, toch verwijdert Hij hem weer om de zwakte van onze natuur”. Een andere reden is van de kant van van de duivel slimheid; daarom zegt Ambrosius: “De duivel vreest vol te houden, daar hij ontgaan wil dikwijls overwonnen te worden”. — Dat echter de duivel soms terugkomt bij hem, die hij verliet, blijkt uit wat bij Matteüs (12, 44) gezegd wordt: “Ik zal terugkeren naar mijn huis, dat ik verlaten heb”.

bedenkingen ↑ 1 ↑ 2

Et per hoc patet solutio ad objecta.

En hiermee is het antwoord op de bedenkingen duidelijk.