De actione angelorum in homines, in quatuor articulos divisa
De inwerking der engelen op de menschenDe inwerking van de engelen op de mensen
185Deinde considerandum est de actione angelorum in homines. Et primo, quaeritur, utrum1 possint eos immutare sua virtute naturali; secundo, quomodo mittantur a Deo ad ministerium hominum; tertio, quomodo custodiant homines. Circa primum quaeruntur quatuor: 1. Utrum angelus possit illuminare intellectum hominis. — 2. Utrum possit immutare affectum ejus. — 3. Utrum possit immutare imaginationem ejus. — 4. Utrum possit immutare sensum ejus.
185Vervolgens moeten we de inwerking der engelen op de menschen nagaan. En wel vooreerst in hoever zij hen door hun natuurlijke kracht kunnen beïnvloeden; vervolgens, hoe zij door God gezonden worden tot bediening der menschen; ten derde, hoe zij de menschen beschermen. Omtrent het eerste punt stellen we vier vragen: 1. Kan de engel het menschelijk verstand verlichten? 2. Kan hij het affect beïnvloeden? 3. Kan hij de verbeelding beïnvloeden? 4. Kan hij de zinnen beïnvloeden?185Vervolgens moeten we de inwerking van de engelen op de mensen nagaan. En wel vooreerst in hoever zij hen door hun natuurlijke kracht kunnen beïnvloeden; vervolgens, hoe zij door God gezonden worden tot bediening van de mensen; ten derde, hoe zij de mensen beschermen. Omtrent het eerste punt stellen we vier vragen: 1. Kan de engel het menselijk verstand verlichten? 2. Kan hij het affect beïnvloeden? 3. Kan hij de verbeelding beïnvloeden? 4. Kan hij de zinnen beïnvloeden?
Utrum angelus possit illuminare hominem
Kan de engel het menschelijk verstand verlichten?Kan de engel het menselijk verstand verlichten?
186Ad primum sic proceditur. Videtur quod angelus non possit illuminare hominem. Homo enim illuminatur per fidem; unde Dionysius in Eccl. Hier. [cap. 2.], illuminationem attribuit baptismo, qui est fidei sacramentum. Sed fides immediate est a Deo; secundum illud ad Ephes. 2. [v. 8]: « Gratia estis salvati per fidem, et non ex vobis; Dei enim donum est ». Ergo homo non illuminatur ab angelo, sed immediate a Deo.
186Bedenkingen. — Men beweert, dat de engel den mensch niet kan verlichten. — 1. De mensch wordt immers verlicht door het geloof, waarom ook Dionysius de verlichting toekent aan den doop, die het Sacrament des geloofs is. Maar het geloof komt onmiddellijk van God, naar het woord uit den Brief aan de Ephesiërs (2. 8) « Want uit genade zijt ge gered door het geloof. Niet uit uzelf: Gods gave is het ». Dus wordt de mensch niet verlicht door een engel, maar onmiddellijk door God.186Bedenkingen. — Men beweert, dat de engel de mens niet kan verlichten. — 1. De mens wordt immers verlicht door het geloof, waarom ook Dionysius de verlichting toekent aan de doop, die het Sacrament van het geloof is. Maar het geloof komt onmiddellijk van God, naar het woord uit de Brief aan de Efesiërs (2, 8) “Want uit genade zijt ge gered door het geloof. Niet uit uzelf: Gods gave is het”. Dus wordt de mens niet verlicht door een engel, maar onmiddellijk door God.
2. Praeterea, super illud Rom. 1. [v. 19]: « Deus illis manifestavit », dicit Glossa [ordin.] quod « non solum ratio naturalis ad hoc profuit ut divina hominibus manifestarentur, sed Deus illis revelavit per opus suum », scilicet per creaturam. Sed utrumque est a Deo immediate, scilicet ratio naturalis, et creatura; ergo Deus immediate illuminat hominem.
2. Naar aanleiding van het woord uit den Brief aan de Romeinen (1. 19): « God heeft het hun geopenbaard », zegt de Glossa, dat « niet slechts de natuurlijk rede van nut was om het goddelijke aan de menschen bekend te maken, maar God openbaarde het hun ook door zijn werk », nl. door de schepping. Maar beide zijn onmiddellijk van God: natuurlijke rede en schepping. Dus verlicht God onmiddellijk den mensch.2. Naar aanleiding van het woord uit de Brief aan de Romeinen (1, 19): “God heeft het hun geopenbaard”, zegt de Glossa, dat “niet slechts de natuurlijk rede van nut was om het goddelijke aan de mensen bekend te maken, maar God openbaarde het hun ook door zijn werk”, nl. door de schepping. Maar beide zijn onmiddellijk van God: natuurlijke rede en schepping. Dus verlicht God onmiddellijk de mens.
3. Praeterea, quicumque illuminatur, cognoscit suam illuminationem. 187Sed homines non percipiunt se ab angelis illuminari. Ergo non illuminantur ab eis.
3. Alwie verlicht wordt, kent zijn verlichting. Maar de 187menschen nemen niet waar, dat zij door engelen verlicht worden. Dus worden zij niet door hen verlicht.3. Alwie verlicht wordt, kent zijn verlichting. Maar de 187mensen nemen niet waar, dat zij door engelen verlicht worden. Dus worden zij niet door hen verlicht.
Sed contra est quod Dionysius probat, in 4. cap. Coel. Hier., quod revelationes divinorum perveniunt ad homines mediantibus angelis. Hujusmodi autem revelationes sunt illuminationes, ut supra dictum est [q. 106. art. 1; q. 107. art. 2.]. Ergo homines illuminantur per angelos.
Daartegenover staat echter, dat Dionysius bewijst, dat de goddelijke openbaringen tot de menschen komen door middel van engelen. Dergelijke openbaringen zijn, zooals boven gezegd is (106e Kw. 1e Art.; 107e Kw. 2e Art.), verlichtingen. Dus worden de menschen door de engelen verlicht.Daartegenover staat echter, dat Dionysius bewijst, dat de goddelijke openbaringen tot de mensen komen door middel van engelen. Dergelijke openbaringen zijn, zoals boven gezegd is (106e Kw. 1e Art.; 107e Kw. 2e Art.), verlichtingen. Dus worden de mensen door de engelen verlicht.
Respondeo dicendum quod, cum divinae providentiae ordo habeat ut actionibus superiorum inferiora subdantur, ut supra dictum est [q. 109. art. 2; q. 110. art. 1.], sicut inferiores angeli illuminantur per superiores, ita homines qui sunt angelis inferiores, per eos illuminantur. Sed modus utriusque illuminationis quodammodo est similis, et quodammodo diversus. Dictum est enim supra [q. 106. art. 1.], quod illuminatio quae est manifestatio divinae veritatis, secundum duo attenditur: scilicet secundum quod intellectus inferior confortatur per actionem intellectus superioris; et secundum quod proponuntur intellectui inferiori species intelligibiles quae sunt in 188superiori, ut capi possint ab inferiori. Et hoc quidem in angelis fit, secundum quod superior angelus veritatem universalem conceptam dividit secundum capacitatem inferioris angeli, ut supra dictum est [q. 106. art. 1.]. Sed intellectus humanus non potest ipsam intelligibilem veritatem nudam capere: quia connaturale est ei ut intelligat per conversionem ad phantasmata, ut supra dictum est [q. 84. art. 7.]. Et ideo intelligibilem veritatem proponunt angeli hominibus sub similitudinibus sensibilium; secundum illud, quod dicit Dionysius 1. cap. Coel. Hier., quod « impossibile est aliter nobis lucere divinum radium, nisi varietate sacrorum velaminum circumvelatum ». Ex alia vero parte, intellectus humanus, tamquam inferior, fortificatur per actionem intellectus angelici. Et secundum haec duo attenditur illuminatio qua homo illuminatur ab angelo.
Leerstelling. — Daar zooals boven gezegd is (109e Kw. 2e Art.; 110e Kw. 1e Art.), in het plan der goddelijke Voorzienigheid besloten is, dat het lagere aan de inwerking van het hoogere is onderworpen, worden de menschen, zooals de lagere engelen door de hoogere, door hen verlicht. Maar de manier van deze beide verlichtingen is in zeker opzicht gelijk en in ander opzicht verschillend. Boven is nl. gezegd (106e Kw. 1e Art.), dat de verlichting, als openbaring der goddelijke Waarheid, met betrekking tot twee punten gezien wordt: nl. voor zoover het lagere verstand versterkt wordt door de werking van het hoogere; en vervolgens voor zoover de kenbeelden, die in het 188hoogere verstand zijn, aan het lagere zoo worden voorgesteld, dat ze begrepen worden door het lagere. En dit geschiedt bij de engelen, zooals boven gezegd is (106e Kw. 1e Art.), doordat de hoogere engel, de door hem begrepen algemeene waarheid naar het bevattingsvermogen van de lagere verdeelt. Maar het menschelijk intellect kan de begrijpbare waarheid niet zonder meer vatten: want het is in overeenstemming met zijn natuur, dat hij, zooals boven gezegd is (84e Kw. 7e Art.), begrijpt door gebruikmaking van fantasiebeelden, [De vertaling van «Et ideo intelligibilem veritatem proponunt angeli…» ontbreekt in de uitgave.] naar het woord van Dionysius, dat « de goddelijke lichtstraal voor ons onmogelijk anders lichten kan dan bedekt door de verscheidenheid der heilige sluiers ». — Van den anderen kan wordt het menschelijk verstand als lager dan het verstand van den engel, door de werking daarvan versterkt. En naar deze beide wordt de verlichting gezien, waardoor de mensch door den engel verlicht wordt.Leerstelling. — Daar zoals boven gezegd is (109e Kw. 2e Art.; 110e Kw. 1e Art.), in het plan van de goddelijke Voorzienigheid besloten is, dat het lagere aan de inwerking van het hogere is onderworpen, worden de mensen, zoals de lagere engelen door de hogere, door hen verlicht. Maar de manier van deze beide verlichtingen is in zeker opzicht gelijk en in ander opzicht verschillend. Boven is nl. gezegd (106e Kw. 1e Art.), dat de verlichting, als openbaring van de goddelijke Waarheid, met betrekking tot twee punten gezien wordt: nl. voor zover het lagere verstand versterkt wordt door de werking van het hogere; en vervolgens voor zover de kenbeelden, die in het 188hogere verstand zijn, aan het lagere zo worden voorgesteld, dat ze begrepen worden door het lagere. En dit geschiedt bij de engelen, zoals boven gezegd is (106e Kw. 1e Art.), doordat de hogere engel, de door hem begrepen algemene waarheid naar het bevattingsvermogen van de lagere verdeelt. Maar het menselijk intellect kan de begrijpbare waarheid niet zonder meer vatten: want het is in overeenstemming met zijn natuur, dat hij, zoals boven gezegd is (84e Kw. 7e Art.), begrijpt door gebruikmaking van fantasiebeelden, [De vertaling van “Et ideo intelligibilem veritatem proponunt angeli…” ontbreekt in de uitgave.] naar het woord van Dionysius, dat “de goddelijke lichtstraal voor ons onmogelijk anders lichten kan dan bedekt door de verscheidenheid van de heilige sluiers”. — Van de anderen kan wordt het menselijk verstand als lager dan het verstand van de engel, door de werking daarvan versterkt. En naar deze beide wordt de verlichting gezien, waardoor de mens door de engel verlicht wordt.
Ad primum ergo dicendum quod ad fidem duo concurrunt. Primo quidem, habitus intellectus, quo disponitur ad obediendum voluntati tendenti in divinam veritatem: intellectus enim assentit veritati fidei, non quasi convictus ratione, sed quasi imperatus a voluntate; nullus enim credit nisi volens, 189ut Augustinus dicit [tract. 26. in Joan.]. Et quantum ad hoc fides est a solo Deo. Secundo requiritur ad fidem, quod credibilia proponantur credenti. Et hoc quidem fit per hominem, secundum quod « fides est ex auditu », ut dicitur Rom. 10. [v. 17]; sed per angelos principaliter, per quos hominibus revelantur divina. Unde angeli operantur aliquid ad illuminationem fidei. Et tamen homines illuminantur ab angelis non solum de credendis, sed etiam de agendis.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Twee dingen behooren tot het geloof. Vooreerst, de hebbelijkheid van het verstand, waardoor het gedisponeerd wordt om gehoor te geven aan den wil, die naar de goddelijke Waarheid streeft: het verstand aanvaardt immers de waarheid des geloofs niet door redenen 189overtuigd, maar op bevel van den wil: « Niemand » immers « gelooft, dan hij die wil gelooven », zooals Augustinus zegt. En wat dit aangaat, is het geloof van God alleen. — Vervolgens wordt er voor het geloof gevraagd, dat de te gelooven waarheden aan den geloovige worden voorgesteld. En dit gebeurt door den mensch, voor zoover, naar in den Brief aan de Romeinen (10. 17) gezegd wordt, « het geloof uit het gehoor is »; maar voornamelijk geschiedt het door de engelen, door wie de goddelijke dingen aan de menschen geopenbaard worden. Dus de engelen doen iets voor de verlichting des geloofs. — En toch worden de menschen door de engelen niet alleen over hetgeen te gelooven is verlicht, maar ook over wat gedaan moet worden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Twee dingen behoren tot het geloof. Vooreerst, de hebbelijkheid van het verstand, waardoor het gedisponeerd wordt om gehoor te geven aan de wil, die naar de goddelijke Waarheid streeft: het verstand aanvaardt immers de waarheid van het geloof niet door redenen 189overtuigd, maar op bevel van de wil: “Niemand” immers “gelooft, dan hij die wil geloven”, zoals Augustinus zegt. En wat dit aangaat, is het geloof van God alleen. — Vervolgens wordt er voor het geloof gevraagd, dat de te geloven waarheden aan de gelovige worden voorgesteld. En dit gebeurt door de mens, voor zover, naar in de Brief aan de Romeinen (10, 17) gezegd wordt, “het geloof uit het gehoor is”; maar voornamelijk geschiedt het door de engelen, door wie de goddelijke dingen aan de mensen geopenbaard worden. Dus de engelen doen iets voor de verlichting van het geloof. — En toch worden de mensen door de engelen niet alleen over hetgeen te geloven is verlicht, maar ook over wat gedaan moet worden.
Ad secundum dicendum quod ratio naturalis, quae est immediate a Deo, potest per angelum confortari, ut dictum est [in corp.]. Et similiter ex speciebus a creaturis acceptis, tanto altior elicitur intelligibilis veritas, quanto intellectus humanus fuerit fortior. Et sic per angelum adjuvatur homo, ut ex creaturis perfectius in divinam cognitionem deveniat.
2. De natuurlijke rede, die onmiddellijk van God is, kan als gezegd is (in de Leerstelling), door den engel versterkt worden. — En eveneens wordt uit de kenbeelden, aan de dingen ontnomen, des te hooger begrijpbare waarheid ontleend, naargelang het verstand sterker is. En zoo wordt de mensch door den engel geholpen om uit de schepselen tot volkomener goddelijke kennis te komen.2. De natuurlijke rede, die onmiddellijk van God is, kan als gezegd is (in de Leerstelling), door de engel versterkt worden. — En eveneens wordt uit de kenbeelden, aan de dingen ontnomen, des te hoger begrijpbare waarheid ontleend, naargelang het verstand sterker is. En zo wordt de mens door de engel geholpen om uit de schepselen tot volkomener goddelijke kennis te komen.
Ad tertium dicendum quod operatio intellectualis, et illuminatio, dupliciter possunt considerari. Uno modo, ex parte rei intellectae: et sic quicumque intelligit vel illuminatur, cognoscit se intelligere vel illuminari; 190quia cognoscit rem sibi esse manifestam. Alio modo, ex parte principii: et sic non quicumque intelligit aliquam veritatem, cognoscit quid sit intellectus, qui est principium intellectualis operationis. Et similiter non quicumque illuminatur ab angelo, cognoscit se ab angelo illuminari.
3. Verstandswerking en verlichting kunnen tweevoudig beschouwd worden. Vooreerst van den kant van de begrepen zaak: en zoo weet ieder, die begrijpt of verlicht wordt, dat hij begrijpt of verlicht wordt, want hij weet dat de zaak hem duidelijk is. 190Vervolgens van den kant van het beginsel: en zoo weet niet ieder, die een waarheid begrijpt, wat het verstand is, dat het beginsel der verstandswerking is. En op dezelfde manier weet niet ieder, die door een engel verlicht wordt, dat hij door een engel verlicht wordt.3. Verstandswerking en verlichting kunnen tweevoudig beschouwd worden. Vooreerst van de kant van de begrepen zaak: en zo weet ieder, die begrijpt of verlicht wordt, dat hij begrijpt of verlicht wordt, want hij weet dat de zaak hem duidelijk is. 190Vervolgens van de kant van het beginsel: en zo weet niet ieder, die een waarheid begrijpt, wat het verstand is, dat het beginsel van de verstandswerking is. En op dezelfde manier weet niet ieder, die door een engel verlicht wordt, dat hij door een engel verlicht wordt.
Utrum angeli possint immutare voluntatem hominis
Kan hij het affect beïnvloeden?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod angeli possint immutare voluntatem hominis. Quia super illud Hebr. 1. [v. 7]: « Qui facit angelos suos spiritus, et ministros suos flammam ignis », dicit Glossa [ordin.] quod « ignis sunt, dum spiritu fervent, et vitia nostra urunt ». Sed hoc non esset, nisi voluntatem immutarent. Ergo angeli possunt immutare voluntatem.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de engelen den menschelijken wil kunnen beïnvloeden. — 1. Want naar aanleiding van het woord uit den Brief aan de Hebreeën (1. 7): « Die zijn engelen geesten maakt, en zijn dienaren vlammend vuur », zegt de Glossa, dat « zij vuur zijn, daar zij vurig zijn van geest, en onze ondeugden uitbranden ». Maar dit zou niet zijn, als ze den wil niet beïnvloeden.Bedenkingen. — Men beweert, dat de engelen de menselijke wil kunnen beïnvloeden. — 1. Want naar aanleiding van het woord uit de Brief aan de Hebreeën (1, 7): “Die zijn engelen geesten maakt, en zijn dienaren vlammend vuur”, zegt de Glossa, dat “zij vuur zijn, daar zij vurig zijn van geest, en onze ondeugden uitbranden”. Maar dit zou niet zijn, als ze de wil niet beïnvloeden.
2. Praeterea, Beda dicit [super Matth. 15. v. 11] quod « diabolus 191non est immissor malarum cogitationum, sed etiam1 incensor ». Damascenus autem ulterius dicit, quod etiam est immissor: dicit enim in 2. libro Orth. Fid. [cap. 4.], quod « omnis malitia et immundae passiones ex daemonibus excogitatae sunt, et immittere homini sunt concessae »2. Et pari ratione angeli boni immittunt et incendunt bonas cogitationes. Sed hoc non possent facere, nisi immutarent voluntatem. Ergo immutant voluntatem.
2. Beda zegt, dat « de duivel geen booze gedachten ingeeft maar er toe aanzet ». Damascenus zegt bovendien nog, dat hij ze 191ingeeft; hij zegt nl. dat « iedere boosheid en onzuivere hartstocht door de duivels zijn uitgedacht, en het hun toegelaten wordt die aan den mensch in te geven ». Om dezelfde reden geven dus de goede engelen goede gedachten in, en zetten ertoe aan. Maar dit zouden ze niet kunnen doen zonder den wil te beïnvloeden. Dus beïnvloeden ze den wil.2. Beda zegt, dat “de duivel geen boze gedachten ingeeft maar er toe aanzet”. Damascenus zegt bovendien nog, dat hij ze 191ingeeft; hij zegt nl. dat “iedere boosheid en onzuivere hartstocht door de duivels zijn uitgedacht, en het hun toegelaten wordt die aan de mens in te geven”. Om dezelfde reden geven dus de goede engelen goede gedachten in, en zetten ertoe aan. Maar dit zouden ze niet kunnen doen zonder de wil te beïnvloeden. Dus beïnvloeden ze de wil.
3. Praeterea, angelus, sicut est dictum [art. praec.], illuminat intellectum hominis mediantibus phantasmatibus. Sed sicut phantasia, quae deservit intellectui, potest immutari ab angelo; ita et appetitus sensitivus, qui deservit voluntati: quia et ipse etiam est vis utens organo corporali. Ergo sicut illuminat intellectum, ita potest immutare voluntatem.
3. Zooals gezegd is (vorig Art.), verlicht de engel het menschelijk verstand door middel van de fantasiebeelden. Maar zooals de fantasie, die het verstand dient, door den engel kan beïnvloed worden, zoo ook de zinnelijke begeerte, die den wil dient: want ook deze is een kracht die gebruikt maakt van een lichamelijk orgaan. Zooals dus de engel het verstand verlicht, heeft hij ook invloed op den wil.3. Zoals gezegd is (vorig Art.), verlicht de engel het menselijk verstand door middel van de fantasiebeelden. Maar zoals de fantasie, die het verstand dient, door de engel kan beïnvloed worden, zo ook de zinnelijke begeerte, die de wil dient: want ook deze is een kracht die gebruikt maakt van een lichamelijk orgaan. Zoals dus de engel het verstand verlicht, heeft hij ook invloed op de wil.
Sed contra est quod immutare voluntatem est proprium Dei; secundum illud Prov. 21. [v. 1]: « Cor regis in manu Domini; quocumque voluerit, vertet illud ».
Daartegenover staat echter, dat den wil beïnvloeden het eigene is van God, naar het woord uit het Boek der Spreuken (21. 1): « Het hart des konings is in de hand des Heeren, werwaarts Hij wil, buigt Hij het ».Daartegenover staat echter, dat de wil beïnvloeden het eigene is van God, naar het woord uit het Boek van de Spreuken (21, 1): “Het hart van de koning is in de hand van de Heer, werwaarts Hij wil, buigt Hij het”.
192Respondeo dicendum quod voluntas potest immutari dupliciter. Uno modo ab interiori. Et sic cum motus voluntatis non sit aliud quam inclinatio voluntatis in rem volitam, solius Dei est sic immutare voluntatem, qui dat naturae intellectuali virtutem talis inclinationis. Sicut enim inclinatio naturalis non est nisi a Deo, qui dat naturam; ita inclinatio voluntaria non est nisi a Deo, qui causat voluntatem. Alio modo movetur voluntas ab exteriori. Et hoc in angelo est3 uno modo tantum, scilicet a bono apprehenso per intellectum. Unde secundum quod aliquis est causa quod aliquid apprehendatur ut bonum ad appetendum, secundum hoc movet voluntatem. Et sic4 solus Deus efficaciter potest movere voluntatem; angelus autem et homo per modum suadentis, ut supra dictum est [q. 106. art. 2.]. Sed praeter hunc modum, etiam aliter movetur in hominibus voluntas ab exteriori, scilicet ex passione existente circa appetitum sensitivum; sicut ex concupiscentia vel ira inclinatur voluntas ad aliquid volendum. Et sic etiam angeli, 193inquantum possunt concitare hujusmodi passiones, possunt voluntatem movere. Non tamen ex necessitate: quia voluntas semper remanet libera ad consentiendum vel resistendum passioni.
192Leerstelling. — De wil kan op twee wijzen beïnvloed worden. Eenerzijds van binnen uit. En daar aldus wilsbeweging niets anders is dan de neiging van den wil naar het gewilde voorwerp, komt deze wijze van beïnvloeding alleen toe aan God, die aan de verstandelijke natuur het vermogen van zulke neiging geeft. Zooals de natuurlijke neiging niet dan van God is, die de natuur schenkt, zoo is ook de wilsneiging niet dan van God, die den wil veroorzaakt. Anderzijds wordt de wil bewogen van buitenaf. En dit is bij den engel slechts op één manier, nl. door het door het verstand waargenomen goed. Voor zoover iemand dus er oorzaak van is, dat iets waargenomen wordt als begeerbaar goed, in zoover beïnvloedt hij den wil. En zoo ook kan alleen God effectief den wil beïnvloeden; de engel en de mensch echter, zooals boven gezegd is (106e Kw. 2e Art.), slechts bij wijze van overreding. — Bij de menschen echter wordt de wil, behalve op deze wijze, ook nog op een andere manier van buitenaf beïnvloed, nl. door den hartstocht, die in het zinnelijk streefvermogen is opgewekt: uit begeerlijkheid en toorn wordt de wil geneigd iets te willen. En zoo kunnen dus de engelen, in zoover ze dergelijke hartstochten kunnen 193opwekken, den wil beïnvloeden. Niet echter noodzakelijk, want de wil blijft altijd vrij om aan den hartstocht toe te geven of eraan te weerstaan.192Leerstelling. — De wil kan op twee wijzen beïnvloed worden. Enerzijds van binnen uit. En daar aldus wilsbeweging niets anders is dan de neiging van de wil naar het gewilde voorwerp, komt deze wijze van beïnvloeding alleen toe aan God, die aan de verstandelijke natuur het vermogen van zulke neiging geeft. Zoals de natuurlijke neiging niet dan van God is, die de natuur schenkt, zo is ook de wilsneiging niet dan van God, die de wil veroorzaakt. Anderzijds wordt de wil bewogen van buitenaf. En dit is bij de engel slechts op één manier, nl. door het door het verstand waargenomen goed. Voor zover iemand dus er oorzaak van is, dat iets waargenomen wordt als begeerbaar goed, in zover beïnvloedt hij de wil. En zo ook kan alleen God effectief de wil beïnvloeden; de engel en de mens echter, zoals boven gezegd is (106e Kw. 2e Art.), slechts bij wijze van overreding. — Bij de mensen echter wordt de wil, behalve op deze wijze, ook nog op een andere manier van buitenaf beïnvloed, nl. door de hartstocht, die in het zinnelijk streefvermogen is opgewekt: uit begeerlijkheid en toorn wordt de wil geneigd iets te willen. En zo kunnen dus de engelen, in zover ze dergelijke hartstochten kunnen 193opwekken, de wil beïnvloeden. Niet echter noodzakelijk, want de wil blijft altijd vrij om aan de hartstocht toe te geven of eraan te weerstaan.
Ad primum ergo dicendum quod ministri Dei vel homines, vel angeli, dicuntur urere vitia, et inflammare ad virtutes, per modum persuasionis.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Men zegt van de dienaren Gods, menschen of engelen, dat ze de ondeugden uitbranden en tot deugd ontvlammen bij wijze van overreding.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Men zegt van de dienaren Gods, mensen of engelen, dat ze de ondeugden uitbranden en tot deugd ontvlammen bij wijze van overreding.
Ad secundum dicendum quod daemones non possunt immittere cogitationes, interius eas causando: cum usus cogitativae virtutis subjaceat voluntati. Dicitur tamen diabolus incensor cogitationum, inquantum incitat ad cogitandum, vel ad appetendum cogitata, per modum persuadentis, vel passionem concitantis. Et hoc ipsum incendere Damascenus vocat immittere, quia talis operatio interius fit. Sed bonae cogitationes attribuuntur altiori principio, scilicet Deo; licet angelorum ministerio procurentur.
2. De duivels kunnen geen booze gedachten ingeven, door die inwendig te veroorzaken, daar het gebruik van de cogitativa aan den wil onderworpen is. Men zegt echter dat de duivel gedachten opwekt, in zoover hij bij wijze van overreding of door het opwekken van hartstochten, aanzet tot gedachten, of tot het begeeren der gedachte dingen. En dit opwekken noemt Damascenus ingeven, omdat zulke werking inwendig plaats heeft. — Maar de goede gedachten worden aan een hooger beginsel toegeschreven, nl. aan God, ofschoon ze door de bediening der goede engelen worden verzorgd.2. De duivels kunnen geen boze gedachten ingeven, door die inwendig te veroorzaken, daar het gebruik van de cogitativa aan de wil onderworpen is. Men zegt echter dat de duivel gedachten opwekt, in zover hij bij wijze van overreding of door het opwekken van hartstochten, aanzet tot gedachten, of tot het begeren van de gedachte dingen. En dit opwekken noemt Damascenus ingeven, omdat zulke werking inwendig plaats heeft. — Maar de goede gedachten worden aan een hoger beginsel toegeschreven, nl. aan God, ofschoon ze door de bediening van de goede engelen worden verzorgd.
Ad tertium dicendum quod intellectus humanus, secundum praesentem statum, non potest intelligere nisi convertendo se ad phantasmata: sed voluntas humana potest aliquid velle ex judicio rationis, non sequendo passionem appetitus sensitivi. Unde non est simile.
3. Het menschelijk verstand kan in den huidigen toestand niet begrijpen zonder gebruikmaking van de fantasiebeelden; maar de menschelijke wil kan iets willen volgens het verstandsoordeel, zonder de hartstocht van het zinnelijke streefvermogen te volgen; zoodat dit niet hetzelfde is.3. Het menselijk verstand kan in de huidige toestand niet begrijpen zonder gebruikmaking van de fantasiebeelden; maar de menselijke wil kan iets willen volgens het verstandsoordeel, zonder de hartstocht van het zinnelijke streefvermogen te volgen; zodat dit niet hetzelfde is.
Utrum angelus possit immutare imaginationem hominis
Kan hij de verbeelding beïnvloeden?
194Ad tertium sic proceditur. Videtur quod angelus non possit immutare imaginationem hominis. Phantasia enim, ut dicitur in libro 3. de Anima [cap. 3. n. 16:], « est motus factus a sensu secundum actum ». Sed si fieret per immutationem angeli, non fieret a sensu secundum actum. Ergo est contra rationem phantasiae, quae est actus imaginativae virtutis, ut sit per immutationem angeli.
194Bedenkingen. — Men beweert, dat de duivel de verbeelding niet kan beïnvloeden. — 1. De fantasie is immers, zooals in De Anima gezegd wordt, « een beweging ontstaan door de waarnemende zinnen ». Maar indien dit geschiedde door den invloed van een engel, geschiedde het niet door de zinnen. Het is dus tegen den eigenaard van de fantasie, die de actualiteit van de verbeeldingskracht is, dat zij door den invloed van een engel ontstaat.194Bedenkingen. — Men beweert, dat de duivel de verbeelding niet kan beïnvloeden. — 1. De fantasie is immers, zoals in De Anima gezegd wordt, “een beweging ontstaan door de waarnemende zinnen”. Maar indien dit geschiedde door de invloed van een engel, geschiedde het niet door de zinnen. Het is dus tegen de eigenaard van de fantasie, die de actualiteit van de verbeeldingskracht is, dat zij door de invloed van een engel ontstaat.
2. Praeterea, formae quae sunt in imaginatione, cum sint spirituales, sunt nobiliores formis quae sunt in materia sensibili. Sed angelus non potest imprimere formas in materia sensibili, ut dictum est [q. praec. art. 2.]. Ergo non potest imprimere formas in imaginatione. Et ita non potest etiam immutare.
2. Daar de vormen, die in de verbeelding zijn, onstoffelijk zijn, zijn ze nobeler dan de vormen, die in de zinnelijk waarneembare stof zijn. Maar een engel kan, zooals gezegd is (110e Kw. 2e Art.), geen vormen indrukken in de zinnelijk waarneembare stof. Dus kan hij ook geen vormen indrukken in de verbeelding. En zoo kan hij deze niet beïnvloeden.2. Daar de vormen, die in de verbeelding zijn, onstoffelijk zijn, zijn ze nobeler dan de vormen, die in de zinnelijk waarneembare stof zijn. Maar een engel kan, zoals gezegd is (110e Kw. 2e Art.), geen vormen indrukken in de zinnelijk waarneembare stof. Dus kan hij ook geen vormen indrukken in de verbeelding. En zo kan hij deze niet beïnvloeden.
3. Praeterea, Augustinus dicit1 12. super Gen. ad litt. [cap. 12.], 195« commixtione alterius spiritus fieri potest ut ea quae ipse scit per hujusmodi imagines ei cui miscetur ostendat, sive intelligenti, sive2 ab alio intellecta pandantur ». Sed non videtur quod angelus possit misceri imaginationi humanae; neque quod imaginatio possit capere intelligibilia, quae angelus cognoscit. Ergo videtur quod angelus non possit mutare imaginationem.
3. Volgens Augustinus kan het gebeuren, dat « door de intrede 195van een anderen geest, deze datgene wat hij zelf weet door dergelijke beelden aan dengene, bij wien hij intreedt toont, hetzij om te begrijpen, hetzij om het begrepene te verbreiden ». Maar de engel schijnt toch niet in de menschelijke verbeelding te kunnen binnentreden, noch schijnt de verbeelding de verstandelijke kenbare dingen die de engel kent, te kunnen vatten. Het schijnt dus, dat de engel de verbeelding niet kan beïnvloeden.3. Volgens Augustinus kan het gebeuren, dat “door de intrede 195van een anderen geest, deze datgene wat hij zelf weet door dergelijke beelden aan dengene, bij wie hij intreedt toont, hetzij om te begrijpen, hetzij om het begrepene te verbreiden”. Maar de engel schijnt toch niet in de menselijke verbeelding te kunnen binnentreden, noch schijnt de verbeelding de verstandelijke kenbare dingen die de engel kent, te kunnen vatten. Het schijnt dus, dat de engel de verbeelding niet kan beïnvloeden.
4. Praeterea, in visione imaginaria homo adhaeret similitudinibus rerum quasi ipsis rebus. Sed in hoc est quaedam deceptio. Cum ergo angelus bonus non possit esse causa deceptionis, videtur quod non possit causare imaginariam visionem, imaginationem immutando.
4. In een visioen, dat alleen in de verbeelding bestaat, houdt de mensch aan de beelden der dingen als aan de dingen zelf vast. Maar hierin is zeker bedrog. Daar echter de goede engel geen oorzaak van bedrog kan zijn, schijnt hij geen dergelijk visioen te kunnen veroorzaken door beïnvloeding van de verbeelding.4. In een visioen, dat alleen in de verbeelding bestaat, houdt de mens aan de beelden van de dingen als aan de dingen zelf vast. Maar hierin is zeker bedrog. Daar echter de goede engel geen oorzaak van bedrog kan zijn, schijnt hij geen dergelijk visioen te kunnen veroorzaken door beïnvloeding van de verbeelding.
Sed contra est quod ea quae apparent in somnis, videntur imaginaria visione. Sed angeli revelant aliqua in somnis; ut patet Matth. 1. [v. 20] et 2. [v. 13. 19] de angelo qui Joseph in somnis apparuit. Ergo angelus potest imaginationem movere.
Daartegenover staat echter, dat droomgezichten gezien worden door verbeeldingsvisioenen. Maar de engelen openbaren sommige dingen in droomen, zooals bij Mattheus (1. 20 en 2. 13, 19) duidelijk is van den engel, die aan Joseph in een droom verscheen. Dus kan een engel de verbeelding beïnvloeden.Daartegenover staat echter, dat droomgezichten gezien worden door verbeeldingsvisioenen. Maar de engelen openbaren sommige dingen in dromen, zoals bij Matteüs (1, 20 en 2. 13, 19) duidelijk is van de engel, die aan Joseph in een droom verscheen. Dus kan een engel de verbeelding beïnvloeden.
Respondeo dicendum quod angelus, tam bonus quam malus virtute 196naturae suae potest movere imaginationem hominis. Quod quidem sic considerari potest. Dictum est enim supra [q. praec. art. 3.], quod natura corporalis obedit angelo ad motum localem. Illa ergo quae ex motu locali aliquorum corporum possunt causari, subsunt virtuti naturali angelorum. Manifestum est autem quod apparitiones imaginariae causantur interdum in nobis ex locali mutatione corporalium spirituum et humorum. Unde Aristoteles in lib. de Somn. et Vig. [de Insomn. cap. 3.], assignans causam apparitionis somniorum, dicit quod, « cum animal dormit, descendente plurimo sanguine ad principium sensitivum, simul descendunt motus », idest impressiones relictae ex sensibilium motionibus, quae in spiritibus sensualibus conservantur, « et movent principium sensitivum », ita quod fit quaedam apparitio, ac si tunc principium sensitivum a rebus ipsis exterioribus mutaretur. Et tanta potest esse commotio spirituum et humorum, quod hujusmodi apparitiones etiam vigilantibus fiant; sicut patet in phreneticis, et in aliis hujusmodi. Sicut igitur hoc fit per naturalem commotionem humorum; et quandoque etiam per voluntatem hominis, qui voluntarie imaginatur quod prius senserat: ita etiam hoc potest fieri virtute angeli boni vel mali, 197quandoque quidem cum alienatione a corporeis sensibus, quandoque autem absque tali alienatione.
Leerstelling. — Zoowel de goede als de booze engel kan 196door eigen natuurlijke kracht de menschelijke verbeelding beïnvloeden. Wat aldus kan beredeneerd worden. Boven is gezegd (110e Kw. 3e Art.), dat de lichamelijke natuur aan de engelen gehoorzaamd met betrekking tot plaatselijke beweging. Al dus wat veroorzaakt worden kan door plaatselijke beweging van lichamen, valt onder de natuurlijke kracht van den engel. Nu is het duidelijk, dat visioenen van de verbeelding bij ons somtijds hun oorzaak vinden in plaatselijke beweging van de gassen en vochten van ons lichaam. Vandaar dat Aristoteles de oorzaak van dergelijke droomgezichten besprekend zegt, dat « als het dier slaapt, en veel bloed bij het beginsel der zinnen samenkomt, ook tegelijk bewegingen plaats hebben », d.i. indrukken uit de zinnelijke bewegingen overgebleven, die in de gassen bewaard bleven, « en het beginsel der zinnen bewegen », zoodat zekere verschijning plaats heeft, alsof dan het beginsel der zinnen door de uitwendige dingen zelf beroerd wordt. En die beweging van gassen en vochten kan zoo sterk zijn, dat ook in wakenden toestand dergelijke gezichten kunnen plaats hebben; zooals blijkt bij waanzinnigen en zulken. Zooals dit gebeurt door de natuurlijke beweging der vochten, en soms ook door den wil van den mensch, die zich vrijwillig in de verbeelding voorstelt, wat hij vroeger heeft waargenomen, zoo kan 197dit ook gebeuren door de kracht van een goeden of boozen engel, soms met bewusteloosheid soms ook zonder.Leerstelling. — Zowel de goede als de boze engel kan 196door eigen natuurlijke kracht de menselijke verbeelding beïnvloeden. Wat aldus kan beredeneerd worden. Boven is gezegd (110e Kw. 3e Art.), dat de lichamelijke natuur aan de engelen gehoorzaamd met betrekking tot plaatselijke beweging. Al dus wat veroorzaakt worden kan door plaatselijke beweging van lichamen, valt onder de natuurlijke kracht van de engel. Nu is het duidelijk, dat visioenen van de verbeelding bij ons somtijds hun oorzaak vinden in plaatselijke beweging van de gassen en vochten van ons lichaam. Vandaar dat Aristoteles de oorzaak van dergelijke droomgezichten besprekend zegt, dat “als het dier slaapt, en veel bloed bij het beginsel van de zinnen samenkomt, ook tegelijk bewegingen plaats hebben”, d.i. indrukken uit de zinnelijke bewegingen overgebleven, die in de gassen bewaard bleven, “en het beginsel van de zinnen bewegen”, zodat zekere verschijning plaats heeft, alsof dan het beginsel van de zinnen door de uitwendige dingen zelf beroerd wordt. En die beweging van gassen en vochten kan zo sterk zijn, dat ook in wakende toestand dergelijke gezichten kunnen plaats hebben; zoals blijkt bij waanzinnigen en zulken. Zoals dit gebeurt door de natuurlijke beweging van de vochten, en soms ook door de wil van de mens, die zich vrijwillig in de verbeelding voorstelt, wat hij vroeger heeft waargenomen, zo kan 197dit ook gebeuren door de kracht van een goeden of bozen engel, soms met bewusteloosheid soms ook zonder.
Ad primum ergo dicendum quod principium phantasiae est a sensu secundum actum: non enim possumus imaginari quae nullo modo sentimus, vel secundum totum vel secundum partem; sicut caecus natus non potest imaginari colorem. Sed aliquando imaginatio informatur, ut actus phantastici motus consurgat, ab impressionibus interius conservatis, ut dictum est [in corp.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het eerste beginsel van de fantasie komt van de waarnemende zinnen: we kunnen ons immers niets verbeelden wat we op geen enkele manier hetzij in zijn geheel hetzij ten deele, hebben waargenomen, zooals een blindgeborene zich geen kleur kan verbeelden. Maar soms krijgt de verbeelding, zooals gezegd is (in de Leerstelling), door inwendig bewaarde indrukken vorming, zoodat beweging van de fantasie ontstaat.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het eerste beginsel van de fantasie komt van de waarnemende zinnen: we kunnen ons immers niets verbeelden wat we op geen enkele manier hetzij in zijn geheel hetzij ten dele, hebben waargenomen, zoals een blindgeborene zich geen kleur kan verbeelden. Maar soms krijgt de verbeelding, zoals gezegd is (in de Leerstelling), door inwendig bewaarde indrukken vorming, zodat beweging van de fantasie ontstaat.
Ad secundum dicendum quod angelus transmutat imaginationem, non quidem imprimendo aliquam formam imaginariam nullo modo per sensum prius acceptam (non enim posset facere, quod caecus imaginaretur colores): sed hoc facit per motum localem spirituum et humorum, ut dictum est [in corp.].
2. De engel beïnvloedt de verbeelding niet door het indrukken van eenig fantasiebeeld, dat op geen enkele wijze door de zintuigen is ontvangen (hij zou immers niet kunnen maken, dat een blindgeborene zich kleuren verbeelde), maar hij doet dat, zooals gezegd is (in de Leerstelling), door plaatselijke beweging der gassen en vochten.2. De engel beïnvloedt de verbeelding niet door het indrukken van enig fantasiebeeld, dat op geen enkele wijze door de zintuigen is ontvangen (hij zou immers niet kunnen maken, dat een blindgeborene zich kleuren verbeelde), maar hij doet dat, zoals gezegd is (in de Leerstelling), door plaatselijke beweging van de gassen en vochten.
Ad tertium dicendum quod commixtio illa spiritus angelici ad imaginationem humanam, non est per essentiam, sed per effectum quem praedicto modo in imaginatione facit; cui demonstrat quae ipse novit, non tamen eo modo quo ipse novit.
3. Dat binnengaan van den engel in de menschelijke verbeelding is niet door zijn wezen, maar door het gevolg, dat hij op voorzegde wijze in de verbeelding voortbrengt; hij toont eraan wat hij zelf kent, maar niet op dezelfde wijze waarop hij het kent.3. Dat binnengaan van de engel in de menselijke verbeelding is niet door zijn wezen, maar door het gevolg, dat hij op voorzegde wijze in de verbeelding voortbrengt; hij toont eraan wat hij zelf kent, maar niet op dezelfde wijze waarop hij het kent.
198Ad quartum dicendum quod angelus causans aliquam imaginariam visionem, quandoque quidem simul intellectum illuminat, ut cognoscat quid per hujusmodi similitudines significetur: et tunc nulla est deceptio. Quandoque vero per operationem angeli solummodo similitudines rerum apparent in imaginatione: nec tamen tunc causatur deceptio ab angelo, sed ex defectu intellectus ejus, cui talia apparent. Sicut nec Christus fuit causa deceptionis in hoc, quod multa turbis in parabolis proposuit, quae non exposuit eis.
1984. De engel, die een gezicht in de verbeelding opwekt, verlicht somtijds tegelijk het verstand, zoodat het weet, wat door dergelijke beelden wordt beteekend, en dan is er geen enkel bedrog. Soms echter ontstaan door de inwerking van den engel alleen de beelden der dingen in de fantasie: maar daarom wordt er geen bedrog door den engel veroorzaakt, maar is er vergissing door ontoereikendheid van het verstand, waaraan dergelijke dingen verschijnen. Zooals ook Christus geen oorzaak van bedrog was door het feit, dat Hij veel aan de scharen in beeldspraak voorhield, wat Hij haar niet verder uitlegde.1984. De engel, die een gezicht in de verbeelding opwekt, verlicht somtijds tegelijk het verstand, zodat het weet, wat door dergelijke beelden wordt betekend, en dan is er geen enkel bedrog. Soms echter ontstaan door de inwerking van de engel alleen de beelden van de dingen in de fantasie: maar daarom wordt er geen bedrog door de engel veroorzaakt, maar is er vergissing door ontoereikendheid van het verstand, waaraan dergelijke dingen verschijnen. Zoals ook Christus geen oorzaak van bedrog was door het feit, dat Hij veel aan de scharen in beeldspraak voorhield, wat Hij haar niet verder uitlegde.
Utrum angelus possit immutare sensum humanum
Kan hij de zinnen beïnvloeden?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod angelus non possit immutare sensum humanum. Operatio enim sensitiva est operatio vitae. Hujusmodi autem operatio non est a principio extrinseco. Non ergo operatio sensitiva potest causari ab angelo.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de engel de menschelijke zinnen niet kan beïnvloeden. — 1. De werking der zinnen is een levenswerking. Dergelijke werking komt niet van een uitwendig beginsel. Dus kan de werking der zinnen niet door een engel veroorzaakt worden.Bedenkingen. — Men beweert, dat de engel de menselijke zinnen niet kan beïnvloeden. — 1. De werking van de zinnen is een levenswerking. Dergelijke werking komt niet van een uitwendig beginsel. Dus kan de werking van de zinnen niet door een engel veroorzaakt worden.
1992. Praeterea, virtus sensitiva est nobilior, quam nutritiva. Sed angelus, ut videtur, non potest mutare virtutem nutritivam; sicut nec alias formas naturales. Ergo neque virtutem sensitivam immutare potest.
1992. Het zinnelijk vermogen is nobeler dan de groeikracht. Maar de engel kan, naar het schijnt, de groeikracht niet beïnvloeden, evenmin als de andere natuurlijke vormen. Dus kan hij ook het zinnelijk vermogen niet beïnvloeden.
3. Praeterea, sensus naturaliter movetur a sensibili. Sed angelus non potest immutare naturae ordinem, ut supra dictum est [q: 110. art. 4.]. Ergo angelus non potest immutare sensum, sed semper1 a sensibili immutatur.
3. De zinnen worden natuurlijkerwijze door het zinnelijk waarneembare beïnvloed. Maar, zooals boven gezegd is (110e Kw. 4e Art.), kan de engel de natuurlijke orde niet veranderen. Dus kan de engel de zinnen niet beïnvloeden, maar deze worden altijd beïnvloed door het zinnelijk waarneembare.3. De zinnen worden natuurlijkerwijze door het zinnelijk waarneembare beïnvloed. Maar, zoals boven gezegd is (110e Kw. 4e Art.), kan de engel de natuurlijke orde niet veranderen. Dus kan de engel de zinnen niet beïnvloeden, maar deze worden altijd beïnvloed door het zinnelijk waarneembare.
Sed contra est quod Angeli, qui subverterunt Sodomam, « percusserunt Sodomitas caecitate, vel aorasia, ut ostium domus invenire non possent », ut dicitur Gen. 19. [v. 11]. Et simile legitur 4. Reg. 6. [v. 18 sqq.], de Syris quos Elisaeus duxit in Samariam.
Daartegenover staat echter, dat de engelen die Sodoma verwoestten, « de Sodomieten met blindheid (of aorasie) sloegen, zoodat ze de deur van het huis niet vinden konden », zooals in het Boek der Schepping (19. 11) gezegd wordt. En iets dergelijks lezen we in het Vierde Boek der Koningen (6. 18) over de Syriërs, die Eliseus naar Samaria bracht.Daartegenover staat echter, dat de engelen die Sodoma verwoestten, “de Sodomieten met blindheid (of aorasie) sloegen, zodat ze de deur van het huis niet vinden konden”, zoals in het Boek van de Schepping (19, 11) gezegd wordt. En iets dergelijks lezen we in het Vierde Boek van de Koningen (6, 18)a over de Syriërs, die Eliseus naar Samaria bracht.
Respondeo dicendum quod sensus immutatur dupliciter. Uno modo, ab exteriori; sicut cum mutatur a sensibili. Alio modo, ab interiori: videmus 200enim quod, perturbatis spiritibus et humoribus, immutatur sensus; lingua enim infirmi, quia plena est cholerico humore, omnia sentit ut amara; et simile contingit in aliis sensibus. Utroque autem modo angelus potest immutare sensum hominum sua naturali virtute. Potest enim angelus opponere exterius sensui sensibile aliquod, vel a natura formatum, vel aliquod de novo formando; sicut facit dum corpus assumit, ut supra dictum est [q, 51. art. 2.]. Similiter etiam potest interius commovere spiritus et humores, ut supra dictum est [art. praec.], ex quibus sensus diversimode immutentur.
Leerstelling. — De zinnen worden tweevoudig beïnvloed. Eenerzijds van buiten af, zooals wanneer ze door het zinnelijk waarneembare beïnvloed worden. Anderzijds van binnen uit: we 200zien toch, dat bij verstoring van gassen en vochten de zinnen beïnvloed worden: de tong immers van een zieke, die vol is van bitter vocht, proeft alles bitter, en zoo gebeurt het ook met andere zinnen. De engel kan op beide wijzen door zijn natuurlijke kracht de menschelijke zinnen beïnvloeden. Hij kan immers van buiten af aan het zintuig een zinnelijk waarneembaar object voorstellen, dat ofwel door de natuur gevormd is, ofwel van meet af gevormd moet worden, zooals hij, naar boven gezegd is (51e Kw. 2e Art.), doet, als hij een lichaam aanneemt. Insgelijks kan hij inwendig de gassen en vochten, zooals boven gezegd is (vorig Art.), bewegen, waardoor dan op verschillende manieren de zinnen beïnvloed worden.Leerstelling. — De zinnen worden tweevoudig beïnvloed. Enerzijds van buiten af, zoals wanneer ze door het zinnelijk waarneembare beïnvloed worden. Anderzijds van binnen uit: we 200zien toch, dat bij verstoring van gassen en vochten de zinnen beïnvloed worden: de tong immers van een zieke, die vol is van bitter vocht, proeft alles bitter, en zo gebeurt het ook met andere zinnen. De engel kan op beide wijzen door zijn natuurlijke kracht de menselijke zinnen beïnvloeden. Hij kan immers van buiten af aan het zintuig een zinnelijk waarneembaar object voorstellen, dat ofwel door de natuur gevormd is, ofwel van meet af gevormd moet worden, zoals hij, naar boven gezegd is (51e Kw. 2e Art.), doet, als hij een lichaam aanneemt. Insgelijks kan hij inwendig de gassen en vochten, zoals boven gezegd is (vorig Art.), bewegen, waardoor dan op verschillende manieren de zinnen beïnvloed worden.
Ad primum ergo dicendum quod principium sensitivae operationis non potest esse absque principio interiori, quod est potentia sensitiva: sed illud interius principium potest multipliciter ab exteriori principio commoveri, ut dictum est [in corp.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De werking der zinnen kan niet gebeuren zonder innerlijk beginsel, wat het zinnelijk vermogen is: maar dat innerlijk beginsel kan zooals gezegd is (in de Leerstelling), op vele manieren door een uiterlijk beginsel beïnvloed worden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De werking van de zinnen kan niet gebeuren zonder innerlijk beginsel, wat het zinnelijk vermogen is: maar dat innerlijk beginsel kan zoals gezegd is (in de Leerstelling), op vele manieren door een uiterlijk beginsel beïnvloed worden.
Ad secundum dicendum quod2 per commotionem interiorem spirituum et humorum, potest angelus aliquid operari ad immutandum actum 201potentiae nutritivae. Et similiter potentiae appetitivae, et sensitivae, et cujuscumque potentiae corporali organo utentis.
2. De engel kan door innerlijke beweging der gassen en vochten ook iets bijbrengen tot verandering van de groeikracht. En insgelijks 201van het begeervermogen en het zinnelijk vermogen, en van ieder ander vermogen, dat een lichamelijk orgaan gebruikt.2. De engel kan door innerlijke beweging van de gassen en vochten ook iets bijbrengen tot verandering van de groeikracht. En insgelijks 201van het begeervermogen en het zinnelijk vermogen, en van ieder ander vermogen, dat een lichamelijk orgaan gebruikt.
Ad tertium dicendum quod praeter ordinem totius creaturae angelus facere non potest: sed praeter ordinem alicujus particularis naturae facere potest, cum tali ordini non subdatur. Et sic quodam singulari modo potest sensum immutare, praeter modum communem.
3. Buiten de orde der geheele schepping om, kan geen engel iets doen; maar buiten de orde van een afzonderlijke natuur om, kan hij wel iets doen, daar hij aan zulk een orde niet onderworpen is. En zoo kan hij op een bijzondere wijze buiten de gewone manier om, de zinnen beïnvloeden.3. Buiten de orde van de gehele schepping om, kan geen engel iets doen; maar buiten de orde van een afzonderlijke natuur om, kan hij wel iets doen, daar hij aan zulk een orde niet onderworpen is. En zo kan hij op een bijzondere wijze buiten de gewone manier om, de zinnen beïnvloeden.