De actione corporalis creaturae, in sex articulos divisa
De werking van het lichamelijk schepsel
266Consequenter considerandum est de actione corporalis creaturae; et fato, quod aliquibus corporibus attribuitur. Circa actiones corporales quaeruntur sex: 1. Utrum aliquod corpus sit activum. — 2. Utrum in corporibus sint aliquae seminales rationes. — 3. Utrum corpora coelestia sint causa eorum quae hic per inferiora corpora fiunt. — 4. Utrum sint causa humanorum actuum. — 5. Utrum eorum actionibus daemones subdantur. — 6. Utrum coelestia corpora imponant necessitatem his quae eorum actionibus subduntur.
266Vervolgens dienen we de werking van het lichamelijk schepsel te beschouwen; alsmede het noodlot, dat aan sommige lichamen wordt toegeschreven. Omtrent de werkingen der lichamen stellen we zes vragen: 1. Zijn er actieve lichamen? 2. Zijn er zoogenaamde zaadbeginselen in de lichamen? 3. Zijn de hemellichamen oorzaak van hetgeen hier door de lagere lichamen gebeurt? 4. Zijn ze oorzaak van de menschelijke handelingen? 5. Zijn de duivels aan hun werking onderworpen? 6. Leggen de hemellichamen noodzakelijkheid op aan datgene wat aan hun activiteit onderworpen is?266Vervolgens dienen we de werking van het lichamelijk schepsel te beschouwen; alsmede het noodlot, dat aan sommige lichamen wordt toegeschreven. Omtrent de werkingen van de lichamen stellen we zes vragen: 1. Zijn er actieve lichamen? 2. Zijn er zogenaamde zaadbeginselen in de lichamen? 3. Zijn de hemellichamen oorzaak van hetgeen hier door de lagere lichamen gebeurt? 4. Zijn ze oorzaak van de menselijke handelingen? 5. Zijn de duivels aan hun werking onderworpen? 6. Leggen de hemellichamen noodzakelijkheid op aan datgene wat aan hun activiteit onderworpen is?
Utrum aliquod corpus sit activum
Zijn er actieve lichamen?
267Ad primum sic proceditur. Videtur quod nullum corpus sit activum. Dicit enim Augustinus [lib. 5. de Civ. Dei cap. 9.] quod « in rebus invenitur aliquid actum et non agens, sicut sunt corpora; aliquid agens et non actum, sicut Deus; aliquid agens et actum, sicut substantiae spirituales ».
267Bedenkingen. — Men beweert, dat geen enkel lichaam actief is. — 1. Augustinus zegt immers: « Men vindt bij de dingen iets dat gedaan wordt en niet doet, zooals de lichamen; iets dat doet en niet gedaan wordt, zooals God; iets dat doet en gedaan wordt, zooals de geestelijke zelfstandigheden ».267Bedenkingen. — Men beweert, dat geen enkel lichaam actief is. — 1. Augustinus zegt immers: “Men vindt bij de dingen iets dat gedaan wordt en niet doet, zoals de lichamen; iets dat doet en niet gedaan wordt, zoals God; iets dat doet en gedaan wordt, zoals de geestelijke zelfstandigheden”.
2. Praeterea, omne agens, excepto primo agente, in suo opere indiget subjecto quod sit susceptibile suae actionis. Sed infra substantiam corporalem non est substantia, quae sit receptibilis suae actionis: quia haec substantia tenet ultimum gradum in entibus. Ergo substantia corporalis non est activa.
2. Iedere werkoorzaak, met uitzondering van de eerste, heeft bij zijn werk een voorwerp noodig, dat zijn werking kan ontvangen. Maar beneden de lichamelijke zelfstandigheid, is geen zelfstandigheid die haar werking kan ontvangen, omdat deze zelfstandigheid op den laagsten trap der dingen staat. De lichamelijke zelfstandigheid is dus niet actief.2. Iedere werkoorzaak, met uitzondering van de eerste, heeft bij zijn werk een voorwerp nodig, dat zijn werking kan ontvangen. Maar beneden de lichamelijke zelfstandigheid, is geen zelfstandigheid die haar werking kan ontvangen, omdat deze zelfstandigheid op de laagste trap van de dingen staat. De lichamelijke zelfstandigheid is dus niet actief.
3. Praeterea, omnis substantia corporalis concluditur quantitate. Sed quantitas impedit substantiam a motu et actione, quia comprehendit eam, et mergitur in ea: sicut impeditur aër nubilosus a perceptione luminis. Et hujus 268signum est, quod quanto magis accreverit quantitas corporis, tanto est ponderosius et gravius ad hoc quod moveatur. Ergo nulla substantia corporalis est activa.
3. Iedere lichamelijke zelfstandigheid is door uitgebreidheid besloten. Maar de uitgebreidheid verhindert de zelfstandigheid in beweging en activiteit, omdat zij haar omvat, en ze erin ondergedompeld is: zooals nevelige lucht verhinderd wordt het licht te ontvangen. En een teeken hiervan is, dat hoe meer de 268uitgebreidheid van een lichaam toeneemt, des te gewichtiger en zwaarder wordt het bij beweging. Dus is geen enkele lichamelijke zelfstandigheid actief.3. Iedere lichamelijke zelfstandigheid is door uitgebreidheid besloten. Maar de uitgebreidheid verhindert de zelfstandigheid in beweging en activiteit, omdat zij haar omvat, en ze erin ondergedompeld is: zoals nevelige lucht verhinderd wordt het licht te ontvangen. En een teken hiervan is, dat hoe meer de 268uitgebreidheid van een lichaam toeneemt, des te gewichtiger en zwaarder wordt het bij beweging. Dus is geen enkele lichamelijke zelfstandigheid actief.
4. Praeterea, omne agens habet virtutem agendi ex propinquitate ad primum activum. Sed a primo activo quod est simplicissimum, remotissima sunt corpora, quae sunt maxime composita. Ergo nullum corpus est agens.
4. Iedere werkoorzaak heeft arbeidskracht naar zijn nabijheid bij de eerste oorzaak. Maar de lichamen, die het meest gecompliceerd zijn, staan het verst af van de eerste werkoorzaak, die absoluut ongecompliceerd is. Dus is geen enkel lichaam actief.
5. Praeterea, si aliquod corpus est agens, aut agit ad formam substantialem; aut ad formam accidentalem. Sed non ad formam substantialem: quia non invenitur in corporibus principium actionis nisi aliqua qualitas activa, quae est accidens; accidens autem non potest esse causa formae substantialis, cum causa sit potior quam effectus. Similiter etiam neque ad formam accidentalem: quia « accidens non se extendit ultra suum subjectum », ut Augustinus dicit 9. de Trin. [cap. 4.]. Ergo nullum corpus est activum.
5. Als er een actief lichaam is, werkt het of een zelfstandigheidsvorm of een bijkomstigen vorm uit. Maar geen zelfstandigheidsvorm: want in de lichamen wordt geen werkbeginsel gevonden, dan een actieve kwaliteit, die slechts bijkomstigheid is; maar een bijkomstigheid kan geen oorzaak van een zelfstandigheidsvorm zijn, daar de oorzaak meer is dan het gevolg. Maar insgelijks ook geen bijkomstige vorm, want, zooals Augustinus zegt, « de bijkomstigheid reikt niet buiten haar subject ». Dus is geen lichaam actief.5. Als er een actief lichaam is, werkt het of een zelfstandigheidsvorm of een bijkomstigen vorm uit. Maar geen zelfstandigheidsvorm: want in de lichamen wordt geen werkbeginsel gevonden, dan een actieve kwaliteit, die slechts bijkomstigheid is; maar een bijkomstigheid kan geen oorzaak van een zelfstandigheidsvorm zijn, daar de oorzaak meer is dan het gevolg. Maar insgelijks ook geen bijkomstige vorm, want, zoals Augustinus zegt, “de bijkomstigheid reikt niet buiten haar subject”. Dus is geen lichaam actief.
Sed contra est quod Dionysius, 15. cap. Coel. Hier., inter caeteras proprietates corporei ignis dicit quod « ad susceptas materias manifestat suiipsius magnitudinem activus et potens ».
Daartegenover staat echter, dat Dionysius onder de overige eigenschappen van lichamelijk vuur noemt, dat het « tegenover de ingeworpen stoffen actief en machtig zijn eigen grootheid toont ».Daartegenover staat echter, dat Dionysius onder de overige eigenschappen van lichamelijk vuur noemt, dat het “tegenover de ingeworpen stoffen actief en machtig zijn eigen grootheid toont”.
269Respondeo dicendum quod sensibiliter apparet aliqua corpora esse activa. Sed circa corporum actiones tripliciter aliqui erraverunt. Fuerunt enim aliqui qui totaliter corporibus actiones subtraxerunt. Et haec est opinio Avicebron in libro Fontis Vitae, ubi per rationes quae tactae sunt, probare nititur quod nullum corpus agit, sed omnes actiones quae videntur esse corporum, sunt actiones cujusdam virtutis spiritualis, quae penetrat per omnia corpora; ita quod ignis, secundum eum, non calefacit, sed virtus spiritualis penetrans per ipsum. Et videtur haec opinio derivata esse ab opinione Platonis. Nam Plato posuit omnes formas quae sunt in materia corporali, esse participatas et determinatas et contractas ad hanc materiam; formas vero separatas esse absolutas et quasi universales; et ideo illas formas separatas dicebat esse causas formarum quae sunt in materia. Secundum hoc ergo quod forma quae est in materia corporali, determinata est ad hanc materiam individuatam per quantitatem, ponebat Avicebron quod a quantitate, prout est individuationis principium, retinetur et arcetur forma corporalis, ne possit se extendere per actionem in aliam materiam; sed solum forma spiritualis et immaterialis, quae non est coarctata per quantitatem, potest effluere 270per actionem in aliud. Sed ista ratio non concludit quod forma corporalis non sit agens, sed quod non sit agens universale. Secundum enim quod participatur aliquid, secundum hoc est necessarium quod participetur id quod est proprium ei: sicut quantum participatur de lumine, tantum participatur de ratione visibilis. Agere autem quod nihil est aliud, quam facere aliquid actu, est per se proprium actus, inquantum est actus: unde et omne agens agit sibi simile. Sic ergo ex hoc quod aliquid est forma non determinata per materiam quantitati subjectam, habet quod sit agens indeterminatum et universale: ex hoc vero quod est determinata ad hanc materiam, habet quod sit agens contractum et particulare. Unde si esset forma ignis separata, ut Platonici posuerunt, esset aliquo modo causa omnis ignitionis. Sed haec forma ignis quae est in hac materia corporali, est causa hujus ignitionis quae est ab hoc corpore in hoc corpus. Unde et fit talis actio per contactum duorum corporum. Sed tamen haec opinio Avicebron superexcedit opinionem Platonis. Nam Plato ponebat solum formas substantiales separatas; accidentia vero reducebat ad principia materialia quae sunt magnum et parvum quae 271ponebat esse prima contraria; sicut alii rarum et densum. Et ideo tam Plato quam Avicenna, in aliquo ipsum sequens, ponebat quod agentia corporalia agunt secundum formas accidentales, disponendo materiam ad formam substantialem; sed ultima perfectio quae est per inductionem formae substantialis, est a principio immateriali. Et haec est secunda opinio de actione corporum, de qua supra dictum est [q. 45. art. 8.], cum de creatione ageretur. Tertia vero opinio fuit Democriti, qui ponebat actionem esse per effluxionem atomorum a corpore agente, et passionem esse per receptionem eorumdem in poris corporis patientis. Quam opinionem improbat Aristoteles in de Generat. [cap. 8. 9.]. Sequerentur enim quod corpus non pateretur per totum, et quod quantitas corporis agentis diminueretur ex hoc quod agit: quae sunt manifeste falsa. Dicendum est ergo, quod corpus agit secundum quod est in actu, in aliud corpus secundum quod est in potentia.
269Leerstelling. — Het staat langs zintuigelijken weg vast, dat sommige lichamen actief zijn. Maar sommigen hebben omtrent die werkingen der lichamen op drie wijzen gedwaald. Sommigen hebben dan absoluut iedere werking aan de lichamen ontzegd. En dit was de meening van Avicebron, die door de boven reeds aangeraakte argumenten probeert te bewijzen, dat geen enkel lichaam werkt, maar alle werkingen, die van lichamen schijnen te zijn, werkingen zijn van een geestelijke kracht, die alle lichamen doordringt; zoo verwarmt, volgens hem, niet het vuur, maar een geestelijke kracht, die het doordringt. En deze meening schijnt afgeleid te zijn van de meening van Plato. Want het was de stelling van Plato, dat alle vormen in de lichamelijke stof, slechts deelnamen zijn, bepaald en beperkt tot deze stof; de vormen echter buiten de stof, absoluut en algemeen zijn; en daarom zeide hij dat die buiten de stof staande vormen de oorzaak zijn van de vormen in de stof. Naar deze stelling dus, dat de vorm in lichamelijke stof, bepaald is tot deze stof, geïndividuëerd door de uitgebreidheid, beweerde Avicebron, dat de lichamelijke vorm door de uitgebreidheid, als beginsel der individuatie, wordt vastgehouden en bedwongen, zoodat hij zich niet door eenige activiteit tot een andere stof kan uitstrekken, maar alleen de geestelijke en 270onstoffelijke vorm, niet door de uitgebreidheid beperkt, door haar activiteit tot iets anders reiken kan. Maar deze redeneering besluit niet hiertoe, dat de lichamelijke vorm niet actief is doch, dat zij geen algemeene werkoorzaak is. Want voor zoover men aan iets deelachtig is, is het noodig, dat men deelachtig is aan hetgeen daaraan eigen is: zooals men in de mate waarin men aan het licht deel heeft, ook deelt in zichtbaarheid. Werken echter, actief zijn, wat niets anders is dan iets tot actualiteit brengen, is op zich eigen aan de actualiteit als zoodanig, waarom dan ook iedere werkoorzaak werkt naar eigen gelijkenis. Zoo dus heeft een vorm, die niet door aan uitgebreidheid onderhevige stof beperkt wordt hierdoor ook, dat ze onbeperkt en algemeen actief is; maar uit het feit, dat een vorm beperkt is tot deze stof, heeft ze eveneens dat ze beperkt en particulier actief is. Als er dus, zooals de Platonici meenden, een van de stof vrije vuurvorm bestond, zou deze ook eenigermate oorzaak van iedere verbranding zijn. Deze vuurvorm echter, die in deze stof is, is oorzaak van deze verbranding van dit lichaam door dat lichaam, zoodat deze werking plaats heeft door het contact van twee lichamen. Maar toch ging deze meening van Avicebron uit boven de meening van Plato. Want Plato stelde alleen de zelfstandigheidsvormen vrij van stof; de bijkomstigheden daarentegen reduceerde 271hij tot stoffelijke beginselen, als groot en klein, die hij de eerste tegengestelden noemde, zooals anderen los en dicht. En daarom meende zoowel Plato als Avicenna, die hem in zeker opzicht volgde, dat de lichamelijke werkoorzaken door hun bijkomstige vormen werken, de stof disponeerend voor den zelfstandigheidsvorm; maar de laatste volkomenheid, die door het inbrengen van den zelfstandigheidsvorm ontstaat, zou van een onstoffelijk beginsel zijn. En dit is de tweede opvatting over de activiteit der lichamen, waarover gesproken is (45e Kw. 8e Art.), toen we over de schepping handelden. De derde meening was die van Democritus, die de stelling had, dat activiteit plaats heeft door uitstraling van atomen uit het actieve lichaam, terwijl passiviteit dan de ontvangst daarvan is in het passieve lichaam, welke opvatting echter Aristoteles weerlegt. Er zou nl. uit volgen, dat het lichaam niet geheel passief was, en de uitgebreidheid van het actieve lichaam door het werken zelf verminderde, wat klaarblijkelijk valsch is. Men dient dus te zeggen, dat een lichaam naar mate het actueel is, actief is met betrekking tot een ander voor zoover dit in potentie is.269Leerstelling. — Het staat langs zintuigelijke weg vast, dat sommige lichamen actief zijn. Maar sommigen hebben omtrent die werkingen van de lichamen op drie wijzen gedwaald. Sommigen hebben dan absoluut iedere werking aan de lichamen ontzegd. En dit was de mening van Avicebron, die door de boven reeds aangeraakte argumenten probeert te bewijzen, dat geen enkel lichaam werkt, maar alle werkingen, die van lichamen schijnen te zijn, werkingen zijn van een geestelijke kracht, die alle lichamen doordringt; zo verwarmt, volgens hem, niet het vuur, maar een geestelijke kracht, die het doordringt. En deze mening schijnt afgeleid te zijn van de mening van Plato. Want het was de stelling van Plato, dat alle vormen in de lichamelijke stof, slechts deelnamen zijn, bepaald en beperkt tot deze stof; de vormen echter buiten de stof, absoluut en algemeen zijn; en daarom zeide hij dat die buiten de stof staande vormen de oorzaak zijn van de vormen in de stof. Naar deze stelling dus, dat de vorm in lichamelijke stof, bepaald is tot deze stof, geïndividuëerd door de uitgebreidheid, beweerde Avicebron, dat de lichamelijke vorm door de uitgebreidheid, als beginsel van de individuatie, wordt vastgehouden en bedwongen, zodat hij zich niet door enige activiteit tot een andere stof kan uitstrekken, maar alleen de geestelijke en 270onstoffelijke vorm, niet door de uitgebreidheid beperkt, door haar activiteit tot iets anders reiken kan. Maar deze redenering besluit niet hiertoe, dat de lichamelijke vorm niet actief is doch, dat zij geen algemene werkoorzaak is. Want voor zover men aan iets deelachtig is, is het nodig, dat men deelachtig is aan hetgeen daaraan eigen is: zoals men in de mate waarin men aan het licht deel heeft, ook deelt in zichtbaarheid. Werken echter, actief zijn, wat niets anders is dan iets tot actualiteit brengen, is op zich eigen aan de actualiteit als zodanig, waarom dan ook iedere werkoorzaak werkt naar eigen gelijkenis. Zo dus heeft een vorm, die niet door aan uitgebreidheid onderhevige stof beperkt wordt hierdoor ook, dat ze onbeperkt en algemeen actief is; maar uit het feit, dat een vorm beperkt is tot deze stof, heeft ze eveneens dat ze beperkt en particulier actief is. Als er dus, zoals de Platonici meenden, een van de stof vrije vuurvorm bestond, zou deze ook enigermate oorzaak van iedere verbranding zijn. Deze vuurvorm echter, die in deze stof is, is oorzaak van deze verbranding van dit lichaam door dat lichaam, zodat deze werking plaats heeft door het contact van twee lichamen. Maar toch ging deze mening van Avicebron uit boven de mening van Plato. Want Plato stelde alleen de zelfstandigheidsvormen vrij van stof; de bijkomstigheden daarentegen reduceerde 271hij tot stoffelijke beginselen, als groot en klein, die hij de eerste tegengestelden noemde, zoals anderen los en dicht. En daarom meende zowel Plato als Avicenna, die hem in zeker opzicht volgde, dat de lichamelijke werkoorzaken door hun bijkomstige vormen werken, de stof disponerend voor de zelfstandigheidsvorm; maar de laatste volkomenheid, die door het inbrengen van de zelfstandigheidsvorm ontstaat, zou van een onstoffelijk beginsel zijn. En dit is de tweede opvatting over de activiteit van de lichamen, waarover gesproken is (45e Kw. 8e Art.), toen we over de schepping handelden. De derde mening was die van Democritus, die de stelling had, dat activiteit plaats heeft door uitstraling van atomen uit het actieve lichaam, terwijl passiviteit dan de ontvangst daarvan is in het passieve lichaam, welke opvatting echter Aristoteles weerlegt. Er zou nl. uit volgen, dat het lichaam niet geheel passief was, en de uitgebreidheid van het actieve lichaam door het werken zelf verminderde, wat klaarblijkelijk vals is. Men dient dus te zeggen, dat een lichaam naar mate het actueel is, actief is met betrekking tot een ander voor zover dit in potentie is.
Ad primum ergo dicendum quod dictum Augustini est intelligendum de tota natura corporali simul accepta, quae non habet aliquam inferiorem 272naturam infra se, in quam agat, sicut natura spiritualis in corporalem, et natura increata in creatam. Sed tamen unum corpus est infra alterum, inquantum est in potentia ad id quod habet aliud in actu.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Die uitspraak van Augustinus moet verstaan worden van de lichamelijke natuur in 272haar geheel, die geen lagere natuur onder zich heeft, waarop ze werkt, zooals de geestelijke op de lichamelijke, en de ongeschapen natuur op de geschapene. Maar het eene lichaam is onder het andere naarmate het in potentie is tot datgene wat het ander actueel heeft.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Die uitspraak van Augustinus moet verstaan worden van de lichamelijke natuur in 272haar geheel, die geen lagere natuur onder zich heeft, waarop ze werkt, zoals de geestelijke op de lichamelijke, en de ongeschapen natuur op de geschapene. Maar het ene lichaam is onder het andere naarmate het in potentie is tot datgene wat het ander actueel heeft.
Et per hoc patet solutio ad secundum. Sciendum est tamen quod, cum Avicebron sic argumentatur, « Est aliquid, quod est movens non motum, scilicet primus Factor rerum: ergo, ex opposito est aliquid quod est motum et patiens tantum », quod concedendum est. Sed hoc est materia prima, quae est potentia pura, sicut Deus est actus purus. Corpus etiam componitur ex potentia et actu: et ideo est agens et patiens.
2. En hieruit is het antwoord op de tweede bedenking duidelijk. — Men moet echter weten, dat toegegeven moet worden als Avicebron aldus argumenteert: er is iets, dat onbewogen beweegt, nl. de eerste Maker der dingen; dus, uit tegenstelling, is er ook iets, dat alleen bewogen en passief is. Maar dit is de eerste stof, die pure potentie is, zooals God pure actualiteit is. Een lichaam echter is samengesteld uit potentie en actualiteit, en daarom is het actief en passief.2. En hieruit is het antwoord op de tweede bedenking duidelijk. — Men moet echter weten, dat toegegeven moet worden als Avicebron aldus argumenteert: er is iets, dat onbewogen beweegt, nl. de eerste Maker van de dingen; dus, uit tegenstelling, is er ook iets, dat alleen bewogen en passief is. Maar dit is de eerste stof, die pure potentie is, zoals God pure actualiteit is. Een lichaam echter is samengesteld uit potentie en actualiteit, en daarom is het actief en passief.
Ad tertium dicendum quod quantitas non impedit formam corporalem omnino ab actione, sicut dictum est [in corp.]: sed impedit eam ne sit agens universale, inquantum forma individuatur prout est in materia quantitati subjecta. Signum tamen quod inducitur de ponderositate corporum, non est ad propositum. Primo quidem, quia additio quantitatis non est causa gravitatis; ut probatur in 4. de Coel. et Mundo [cap. 11. n. 2 sqq.]. Secundo, quia falsum est quod ponderositas faciat tardiorem motum: immo 273quanto aliquid est gravius, tanto magis movetur motu proprio. Tertio, quia actio non fit per motum localem, ut Democritus posuit; sed per hoc quod aliquid reducitur de potentia in actum.
3. De uitgebreidheid hindert den lichamelijken vorm niet in iedere activiteit, zooals gezegd is (in de Leerstelling): maar ze verhindert haar algemeene werkoorzaak te zijn, in zoover de vorm geïndividuëerd wordt doordat ze in aan uitgebreidheid onderhevige stof is. — Het teeken echter uit het gewicht der lichamen is niet ter zake. Vooreerst daar toevoeging van uitgebreidheid geen oorzaak van zwaarte is. [De vertaling van «ut probatur in 4. de Coel. et Mundo» ontbreekt in de uitgave.] Ten tweede omdat het valsch is, dat het gewicht langzamere beweging geeft: integendeel, hoe 273zwaarder iets is des te meer wordt het eigener beweging bewogen. Ten derde, omdat activiteit niet, zooals Democritus meende, door plaatselijke beweging gebeurt, maar hierdoor, dat iets van potentie tot actualiteit gebracht wordt.3. De uitgebreidheid hindert de lichamelijke vorm niet in iedere activiteit, zoals gezegd is (in de Leerstelling): maar ze verhindert haar algemene werkoorzaak te zijn, in zover de vorm geïndividuëerd wordt doordat ze in aan uitgebreidheid onderhevige stof is. — Het teken echter uit het gewicht van de lichamen is niet ter zake. Vooreerst daar toevoeging van uitgebreidheid geen oorzaak van zwaarte is. [De vertaling van “ut probatur in 4. de Coel. et Mundo” ontbreekt in de uitgave.] Ten tweede omdat het vals is, dat het gewicht langzamere beweging geeft: integendeel, hoe 273zwaarder iets is des te meer wordt het eigener beweging bewogen. Ten derde, omdat activiteit niet, zoals Democritus meende, door plaatselijke beweging gebeurt, maar hierdoor, dat iets van potentie tot actualiteit gebracht wordt.
Ad quartum dicendum quod corpus non est id quod maxime distat a Deo: participat enim aliquid de similitudine divini esse, secundum formam quam habet. Sed id quod maxime distat a Deo, est materia prima; quae nullo modo est agens, cum sit in potentia tantum.
4. Het lichaam staat niet het verst van God af: het deelt nl., door den vorm dien het heeft, eenigermate in de gelijkenis van het goddelijke zijn. Maar wat het verst van God afstaat, is de eerste stof, die op geen enkele wijze actief is, daar zij slechts in potentie is.4. Het lichaam staat niet het verst van God af: het deelt nl., door de vorm die het heeft, enigermate in de gelijkenis van het goddelijke zijn. Maar wat het verst van God afstaat, is de eerste stof, die op geen enkele wijze actief is, daar zij slechts in potentie is.
Ad quintum dicendum quod corpus agit et ad formam accidentalem, et ad formam substantialem. Qualitas enim activa, ut calor, etsi sit accidens, agit tamen in virtute formae substantialis, sicut ejus instrumentum; et ideo potest agere ad formam substantialem; sicut et calor naturalis, inquantum est instrumentum animae, agit ad generationem carnis. Ad accidens vero agit propria virtute. Nec est contra rationem accidentis, quod excedat suum subjectum in agendo, sed quod excedat in essendo: nisi forsan quis imaginetur idem accidens numero defluere ab agente in patiens, sicut Democritus ponebat fieri actionem per defluxum atomorum.
5. Een lichaam is actief, zoowel met betrekking tot bijkomstigen als zelfstandigheidsvorm. Een actieve kwaliteit, als de warmte, ze moge dan al een bijkomstigheid zijn, is in de kracht van den zelfstandigheidsvorm, als zijn werktuig, actief, en daarom kan zij actief zijn met betrekking tot een zelfstandigheidsvorm; zooals natuurlijke warmte, als werktuig der ziel, actief is met betrekking tot het ontstaan van vleesch. Met betrekking tot een bijkomstigheid is ze uit eigen kracht actief. — En het is niet tegen den eigen aard van de bijkomstigheid, dat ze het eigen subject in werking overtreft, maar wèl dat ze dit in zijn overtreffen zou, tenzij men fantaseeren mocht, dat numeriek dezelfde bijkomstigheid van de werkoorzaak naar het passieve zou overgaan, zooals Democritus meende, dat de werking door uitstraling van atomen plaats heeft.5. Een lichaam is actief, zowel met betrekking tot bijkomstigen als zelfstandigheidsvorm. Een actieve kwaliteit, als de warmte, ze moge dan al een bijkomstigheid zijn, is in de kracht van de zelfstandigheidsvorm, als zijn werktuig, actief, en daarom kan zij actief zijn met betrekking tot een zelfstandigheidsvorm; zoals natuurlijke warmte, als werktuig van de ziel, actief is met betrekking tot het ontstaan van vlees. Met betrekking tot een bijkomstigheid is ze uit eigen kracht actief. — En het is niet tegen de eigen aard van de bijkomstigheid, dat ze het eigen subject in werking overtreft, maar wèl dat ze dit in zijn overtreffen zou, tenzij men fantaseren mocht, dat numeriek dezelfde bijkomstigheid van de werkoorzaak naar het passieve zou overgaan, zoals Democritus meende, dat de werking door uitstraling van atomen plaats heeft.
Utrum in materia corporali sint aliquae rationes seminales
Zijn er zoogenaamde zaadbeginselen in de lichamen?Zijn er zogenaamde zaadbeginselen in de lichamen?
274Ad secundum sic proceditur. Videtur quod in materia corporali non sint aliquae rationes seminales. Ratio enim importat aliquid secundum esse spirituale. Sed in materia corporali non est aliquid spiritualiter, sed corporaliter1, secundum scilicet modum ejus in quo est. Ergo in materia corporali non sunt seminales rationes.
274Bedenkingen. — Men beweert, dat er in de lichamelijke stof geen zaadbeginselen zijn. — 1. Beginsel zegt iets naar onstoffelijk zijn. Maar in de lichamelijke stof is niets op onstoffelijke, maar alleen op stoffelijke wijze, op de wijze nl. van hetgeen waarin het is. Dus zijn in de lichamelijke stof geen zaadbeginselen.
2. Praeterea, Augustinus dicit 3. de Trin. [cap. 8. 9.], quod daemones quaedam opera faciunt adhibendo occultis motibus quaedam semina, quae in elementis cognoscunt. Sed ea quae per motum localem adhibentur, sunt corpora, non rationes. Ergo inconvenienter dicitur quod sunt in corporali materia seminales rationes.
2. Augustinus zegt, dat de duivels sommige dingen doen door met geheime bewegingen gebruik te maken van zaden, die zij in de elementen weten. Maar wat door plaatselijke beweging aangewend wordt, zijn lichamen, geen beginsels. Dus wordt onjuist gezegd, dat er in de lichamelijke stof zaadbeginsels zijn.
3. Praeterea, semen est principium activum. Sed in materia corporali non est aliquod principium activum: cum materiae non competat agere, ut dictum est [art. praec.]. Ergo in materia corporali non sunt seminales rationes.
3. Zaad is een actief beginsel. Maar in de lichamelijke stof is geen actief beginsel, daar zooals gezegd is (vorig Art. 2e en 4e Antw.), het niet aan de stof toekomt actief te zijn. Dus zijn er in de lichamelijke stof geen zaadbeginsels.3. Zaad is een actief beginsel. Maar in de lichamelijke stof is geen actief beginsel, daar zoals gezegd is (vorig Art. 2e en 4e Antw.), het niet aan de stof toekomt actief te zijn. Dus zijn er in de lichamelijke stof geen zaadbeginsels.
2754. Praeterea, in materia corporali dicuntur esse quaedam causales rationes, quae videntur sufficere ad rerum productionem. Sed seminales rationes sunt aliae a causalibus: quia praeter seminales rationes fiunt miracula, non autem praeter causales. Ergo inconvenienter dicitur quod seminales rationes sunt in materia corporali.
2754. Men zegt, dat er in de lichamelijke stof oorzaakbeginsels zijn, die toch voldoende schijnen te zijn voor de voortbeweging der dingen. Maar zaadbeginsels zijn andere dan oorzaakbeginsels: wonderen gebeuren buiten de zaadbeginsels om, niet echter buiten de oorzaakbeginsels om. Onjuist zegt men dus, dat er in de lichamelijke stof zaadbeginsels zijn.2754. Men zegt, dat er in de lichamelijke stof oorzaakbeginsels zijn, die toch voldoende schijnen te zijn voor de voortbeweging van de dingen. Maar zaadbeginsels zijn andere dan oorzaakbeginsels: wonderen gebeuren buiten de zaadbeginsels om, niet echter buiten de oorzaakbeginsels om. Onjuist zegt men dus, dat er in de lichamelijke stof zaadbeginsels zijn.
Sed contra est quod Augustinus dicit 3. de Trin. [cap. 8.]: « Omnium rerum quae corporaliter visibiliterque nascuntur, occulta quaedam semina in istis corporeis mundi hujus elementis latent ».
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: « Van alle dingen die lichamelijk en zichtbaar ontstaan, liggen er in de elementen van deze wereld zekere zaden verborgen ».Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: “Van alle dingen die lichamelijk en zichtbaar ontstaan, liggen er in de elementen van deze wereld zekere zaden verborgen”.
Respondeo dicendum quod denominationes consueverunt fieri a perfectiori, ut dicitur in 2. de Anima. [cap. 4. n. 15.]. In tota autem natura corporea perfectiora sunt corpora viva: unde et ipsum nomen naturae translatum est a rebus viventibus ad omnes res naturales. Nam ipsum nomen naturae, ut Philosophus dicit in 5. Metaph. [cap. 4. n. 1.], primo impositum fuit ad significandam generationem viventium, quae nativitas dicitur: et quia viventia generantur ex principio conjuncto, sicut fructus ex arbore, 276et foetus ex matre, cui colligatur, consequenter tractum est nomen naturae ad omne principium motus quod est in eo quod movetur. Manifestum est autem quod principium activum et passivum generationis rerum viventium sunt semina ex quibus viventia generantur. Et ideo convenienter Augustinus [loc. cit. in arg. sed contr.] omnes virtutes activas, et passivas quae sunt principia generationum et motuum naturalium, seminales rationes vocat. Hujusmodi autem virtutes activae et passivae in multiplici ordine considerari possunt. Nam primo quidem, ut Augustinus dicit 6. super Gen. ad litt. [cap. 10.], sunt principaliter et originaliter in ipso Verbo Dei, secundum rationes ideales. Secundo vero sunt in elementis mundi, ubi simul a principio productae sunt, sicut in universalibus causis. Tertio vero modo, sunt in iis, quae ex universalibus causis secundum successiones temporum producuntur, sicut in hac planta et in hoc animali, tamquam particularibus causis. Quarto modo, sunt in seminibus quae ex animalibus et plantis producuntur. Quae iterum comparantur ad alios effectus particulares, sicut primordiales causae universales ad primos effectus productos.
Leerstelling. — Naar in De Anima gezegd wordt, is het gewoonte de dingen te noemen naar het volmaaktere. In heel de lichamelijke natuur nu zijn de levende lichamen de volmaaktste, vandaar dat de naam natuur zelf van de levende dingen op alle natuurdingen is overgegaan. Want naar de Wijsgeer zegt, is de naam natuur het eerst gegeven om het ontstaan der levende dingen, wat geboorte heet, aan te duiden. En daar de levende dingen geboren worden uit een verbonden beginsel, zooals de vrucht voortkomt van den boom en het kind uit de moeder, met wie het 276verbonden is, is bij gevolg de naam natuur overgenomen voor ieder beginsel van beweging, dat in hetgeen bewogen wordt is. — Het is echter duidelijk, dat de actieve en passieve beginsels van de geboorte der levende dingen zaden zijn, waaruit de levende dingen ontstaan. En daarom heeft Augustinus heel juist de actieve en passieve krachten, die de beginsels zijn van het ontstaan en de beweging der natuurdingen, zaadbeginsels genoemd. Dergelijke actieve en passieve krachten kan men echter op verschillende wijzen beschouwen. Want vooreerst zijn ze, naar Augustinus zegt, voornamelijk en oorspronkelijk in het Woord Gods als ideëele beginsels. Ten tweede zijn ze in de elementen der wereld, waarin ze tegelijk vanaf den beginne, als in de algemeene oorzaken, zijn voortgebracht. Ten derde zijn ze in de dingen, die door de algemeene oorzaken naar tijdsorde worden voortgebracht, zooals in deze plant, en in dit dier, als in particuliere oorzaken. Ten vierde zijn ze in de zaden, die uit dier en plant voortkomen. En deze worden op hun beurt met andere particuliere gevolgen vergeleken als eerste algemeene oorzaken tot de eerst voortgebrachte gevolgen.Leerstelling. — Naar in De Anima gezegd wordt, is het gewoonte de dingen te noemen naar het volmaaktere. In heel de lichamelijke natuur nu zijn de levende lichamen de volmaaktste, vandaar dat de naam natuur zelf van de levende dingen op alle natuurdingen is overgegaan. Want naar de Wijsgeer zegt, is de naam natuur het eerst gegeven om het ontstaan van de levende dingen, wat geboorte heet, aan te duiden. En daar de levende dingen geboren worden uit een verbonden beginsel, zoals de vrucht voortkomt van de boom en het kind uit de moeder, met wie het 276verbonden is, is bij gevolg de naam natuur overgenomen voor ieder beginsel van beweging, dat in hetgeen bewogen wordt is. — Het is echter duidelijk, dat de actieve en passieve beginsels van de geboorte van de levende dingen zaden zijn, waaruit de levende dingen ontstaan. En daarom heeft Augustinus heel juist de actieve en passieve krachten, die de beginsels zijn van het ontstaan en de beweging van de natuurdingen, zaadbeginsels genoemd. Dergelijke actieve en passieve krachten kan men echter op verschillende wijzen beschouwen. Want vooreerst zijn ze, naar Augustinus zegt, voornamelijk en oorspronkelijk in het Woord Gods als ideëele beginsels. Ten tweede zijn ze in de elementen van de wereld, waarin ze tegelijk vanaf de beginne, als in de algemene oorzaken, zijn voortgebracht. Ten derde zijn ze in de dingen, die door de algemene oorzaken naar tijdsorde worden voortgebracht, zoals in deze plant, en in dit dier, als in particuliere oorzaken. Ten vierde zijn ze in de zaden, die uit dier en plant voortkomen. En deze worden op hun beurt met andere particuliere gevolgen vergeleken als eerste algemene oorzaken tot de eerst voortgebrachte gevolgen.
Ad primum ergo dicendum quod hujusmodi virtutes activae et passivae 277rerum naturalium, etsi non possint dici rationes secundum quod sunt in materia corporali; possunt tamen dici rationes per comparationem ad suam originem, secundum quod deducuntur a rationibus idealibus.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dergelijke actieve 277en passieve krachten der natuurdingen mogen al geen beginsels genoemd kunnen worden voor zoover ze in de lichamelijke stof zijn, ze kunnen echter wel beginsels genoemd worden in vergelijking met haar oorsprong in zoover ze afgeleid zijn van de ideëele beginsels.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dergelijke actieve 277en passieve krachten van de natuurdingen mogen al geen beginsels genoemd kunnen worden voor zover ze in de lichamelijke stof zijn, ze kunnen echter wel beginsels genoemd worden in vergelijking met haar oorsprong in zover ze afgeleid zijn van de ideëele beginsels.
Ad secundum dicendum quod hujusmodi virtutes activae et passivae sunt in aliquibus partibus corporalibus; quae dum adhibentur per motum localem ad aliquos effectus complendos, dicuntur semina adhiberi per daemones.
2. Dergelijke actieve en passieve krachten zijn in sommige lichaamsdeelen; als deze dus door plaatselijke beweging aangewend worden om sommige gevolgen uit te werken, zegt men, dat door duivels de zaden gebruikt worden.2. Dergelijke actieve en passieve krachten zijn in sommige lichaamsdelen; als deze dus door plaatselijke beweging aangewend worden om sommige gevolgen uit te werken, zegt men, dat door duivels de zaden gebruikt worden.
Ad tertium dicendum quod semen maris est principium activum in generatione animalis. Sed potest etiam dici semen id quod est ex parte foeminae, quod est principium passivum. Et sic sub semine comprehendi possunt vires activae et passivae.
3. Het mannelijk zaad is het actieve beginsel bij de geboorte der dieren. Maar wat van den kant van het vrouwtje is, het passieve beginsel, kan ook zaad genaamd worden. En zoo kunnen onder den naam zaad de actieve en passieve krachten verstaan worden.3. Het mannelijk zaad is het actieve beginsel bij de geboorte van de dieren. Maar wat van de kant van het vrouwtje is, het passieve beginsel, kan ook zaad genaamd worden. En zo kunnen onder de naam zaad de actieve en passieve krachten verstaan worden.
Ad quartum dicendum quod ex verbis Augustini de hujusmodi rationibus seminalibus loquentis, satis accipi potest quod ipsae rationes seminales sunt etiam rationes causales, sicut et semen est quaedam causa: dicit enim in 3. de Trin. [cap. 9.], quod « sicut matres gravidae sunt foetibus, sic ipse mundus est gravidus causis nascentium ». Sed tamen rationes ideales possunt dici causales, non autem proprie loquendo seminales, quia semen non est 278principium separatum: et praeter hujusmodi rationes non fiunt miracula. Similiter etiam neque praeter virtutes passivas creaturae inditas, ut ex ea fieri possit quidquid Deus mandaverit. Sed praeter virtutes activas naturales, et potentias passivas quae ordinantur ad hujusmodi virtutes activas, dicuntur fieri miracula, dum dicitur quod fiunt praeter rationes seminales.
4. Als Augustinus over deze zaadbeginsels spreekt, kan voldoende uit zijn woorden worden opgemaakt, dat de zaadbeginsels zelf de oorzaakbeginsels zijn, zooals ook zaad zekere oorzaak is. Hij zegt immers, dat zooals de moeders zwanger gaan van hun kinderen, zoo ook de wereld zwanger is van de oorzaken van al wat wordt. De ideëele beginsels echter kunnen oorzakelijke genoemd worden, maar de zaadbeginsels niet in eigenlijken zin, daar het zaad geen afzonderlijk beginsel is; en buiten dergelijke beginsels 278om gebeuren geen wonderen. Insgelijks niet buiten de passieve krachten om, die in het schepsel gelegd zijn, opdat daaruit zou kunnen worden wat God dan ook bevolen heeft. Maar als men zegt, dat wonderen gebeuren buiten de zaadbeginsels om, zegt men dat ze gebeuren buiten de actieve natuurkrachten, en de daaraan beantwoordende passieve krachten om.4. Als Augustinus over deze zaadbeginsels spreekt, kan voldoende uit zijn woorden worden opgemaakt, dat de zaadbeginsels zelf de oorzaakbeginsels zijn, zoals ook zaad zekere oorzaak is. Hij zegt immers, dat zoals de moeders zwanger gaan van hun kinderen, zo ook de wereld zwanger is van de oorzaken van al wat wordt. De ideëele beginsels echter kunnen oorzakelijke genoemd worden, maar de zaadbeginsels niet in eigenlijke zin, daar het zaad geen afzonderlijk beginsel is; en buiten dergelijke beginsels 278om gebeuren geen wonderen. Insgelijks niet buiten de passieve krachten om, die in het schepsel gelegd zijn, opdat daaruit zou kunnen worden wat God dan ook bevolen heeft. Maar als men zegt, dat wonderen gebeuren buiten de zaadbeginsels om, zegt men dat ze gebeuren buiten de actieve natuurkrachten, en de daaraan beantwoordende passieve krachten om.
Utrum corpora coelestia sint causa eorum, quae hic in inferioribus corporibus fiunt
Zijn de hemellichamen oorzaak van hetgeen hier door de lagere lichamen gebeurt?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod corpora coelestia non sint causa eorum quae hic in inferioribus corporibus fiunt. Dicit enim Damascenus [lib. 2. Orth. Fid. cap. 7.]: « Nos autem dicimus, quoniam ipsa » scilicet corpora coelestia, « non sunt causa alicujus eorum quae fiunt, neque corruptionis eorum quae corrumpuntur: signa autem sunt magis imbrium et aeris transmutationis ».
Bedenkingen. — Men beweert, dat de hemellichamen geen oorzaak zijn van hetgeen hier in de lagere lichamen gebeurt. Damascenus zegt immers: « Wij echter zeggen, dat zij », nl. de hemellichamen, « geen oorzaak zijn van iets dat wordt, noch van het bederf van wat bederft; maar zij zijn eerder teekenen van regen en verandering van lucht ».Bedenkingen. — Men beweert, dat de hemellichamen geen oorzaak zijn van hetgeen hier in de lagere lichamen gebeurt. Damascenus zegt immers: “Wij echter zeggen, dat zij”, nl. de hemellichamen, “geen oorzaak zijn van iets dat wordt, noch van het bederf van wat bederft; maar zij zijn eerder tekenen van regen en verandering van lucht”.
2792. Praeterea, ad faciendum aliquid, sufficit agens et materia. Sed in istis inferioribus invenitur materia patiens: inveniuntur etiam contraria agentia, scilicet calidum et frigidum et hujusmodi. Ergo non est necessarium, ad causandum ea quae hic inferius fiunt, causalitatem coelestibus corporibus attribuere.
2792. Om iets te maken genoegt én werkoorzaak én stof. Bij deze lagere dingen nu vindt men passieve stof en ook tegengestelde werkoorzaken als warmte en koude e. d. Ter veroorzaking dus van hetgeen hier geschiedt, is het niet noodig de oorzakelijkheid toe te schrijven aan de hemellichamen.2792. Om iets te maken genoegt én werkoorzaak én stof. Bij deze lagere dingen nu vindt men passieve stof en ook tegengestelde werkoorzaken als warmte en koude e. d. Ter veroorzaking dus van hetgeen hier geschiedt, is het niet nodig de oorzakelijkheid toe te schrijven aan de hemellichamen.
3. Praeterea, agens agit sibi simile. Sed videmus quod omnia quae fiunt hic inferius, fiunt per hoc quod calefiunt et frigidantur, et humectantur et desiccantur, et aliis hujusmodi qualitatibus alterantur, quae non inveniuntur in corporibus coelestibus. Ergo corpora coelestia non sunt causa eorum quae hic fiunt.
3. Een werkoorzaak werkt naar eigen gelijkenis. Maar we zien, dat al wat hier beneden gebeurt, geschiedt doordat de dingen verwarmd worden of afgekoeld, of bevochtigd of gedroogd of naar dergelijke kwaliteiten veranderd, die niet in de hemellichamen gevonden worden. Dus zijn de hemellichamen geen oorzaak van wat hier gebeurt.
4. Praeterea, sicut Augustinus dicit 5. de Civ. Dei [cap. 6.], « nihil est magis corporeum, quam corporis sexus ». Sed corporis sexus non causatur ex corporibus coelestibus: cujus signum esse videtur quod duorum geminorum sub una constellatione natorum, unus est masculus et alter est foemina. Ergo corpora coelestia non sunt causa rerum corporalium quae hic fiunt.
4. Augustinus zegt: « Niets is meer lichamelijk dan de sexe der lichamen ». Maar de sexe der lichamen wordt niet door de hemellichamen veroorzaakt: hiervan schijnt toch wel een teeken te zijn, dat van twee tweelingen onder dezelfde sterrenconstellatie geboren, de één mannelijk de ander vrouwelijk is. Dus zijn de hemellichamen geen oorzaak van de lichamelijke dingen, die hier gebeuren.4. Augustinus zegt: “Niets is meer lichamelijk dan de sexe van de lichamen”. Maar de sexe van de lichamen wordt niet door de hemellichamen veroorzaakt: hiervan schijnt toch wel een teken te zijn, dat van twee tweelingen onder dezelfde sterrenconstellatie geboren, de één mannelijk de ander vrouwelijk is. Dus zijn de hemellichamen geen oorzaak van de lichamelijke dingen, die hier gebeuren.
Sed contra est quod Augustinus dicit 3. de Trin. [cap. 4.] quod « corpora crassiora et inferiora per subtiliora et potentiora quodam ordine 280reguntur ». Et Dionysius dicit, 4. cap. de Div. Nom. quod « lumen solis ad generationem sensibilium corporum confert, et ad vitam ipsam movet et nutrit et auget et perficit ».
Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt, dat « de grovere en lagere lichamen door de fijnere en hoogere naar een 280bepaalde orde geleid worden ». — En Dionysius zegt, dat « het licht der zon tot het ontstaan der zinnelijk waarneembare dingen bijdraagt, en tot het leven brengt, en voedt, en doet wassen, en vervolmaakt ».Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt, dat “de grovere en lagere lichamen door de fijnere en hogere naar een 280bepaalde orde geleid worden”. — En Dionysius zegt, dat “het licht van de zon tot het ontstaan van de zinnelijk waarneembare dingen bijdraagt, en tot het leven brengt, en voedt, en doet wassen, en vervolmaakt”.
Respondeo dicendum quod, cum omnis multitudo ab unitate procedat; quod autem immobile est, uno modo se habet, quod vero movetur, multiformiter: considerandum est, in tota natura, quod omnis motus ab immobili procedit. Et ideo quanto aliqua magis sunt immobilia1 tanto sunt magis causa eorum quae sunt magis mobilia. Corpora autem coelestia sunt inter alia corpora magis immobilia: non enim moventur nisi motu locali. Et ideo motus horum inferiorum corporum, qui sunt varii et multiformes, reducuntur in motum corporis coelestis, sicut in causam.
Leerstelling. — Daar iedere veelheid van de eenheid voortkomt; daar wat onbewegelijk is zich slechts op één wijze gedraagt, het bewegelijke echter op vele wijzen: bedenke men, dat in heel de natuur iedere beweging van het onbewegelijke voortkomt. En daarom hoe onbewegelijker sommige dingen zijn, des te meer zijn ze oorzaak van de meer bewegelijke dingen. De hemellichamen echter zijn onder de andere lichamen de minst bewegelijke, daar ze niet dan plaatselijk bewogen worden. Vandaar dat de bewegingen der lagere lichamen [De vertaling van «qui sunt varii et multiformes» ontbreekt in de uitgave.] tot de beweging der hemellichamen als tot hun oorzaak worden teruggebracht.Leerstelling. — Daar iedere veelheid van de eenheid voortkomt; daar wat onbewegelijk is zich slechts op één wijze gedraagt, het bewegelijke echter op vele wijzen: bedenke men, dat in heel de natuur iedere beweging van het onbewegelijke voortkomt. En daarom hoe onbewegelijker sommige dingen zijn, des te meer zijn ze oorzaak van de meer bewegelijke dingen. De hemellichamen echter zijn onder de andere lichamen de minst bewegelijke, daar ze niet dan plaatselijk bewogen worden. Vandaar dat de bewegingen van de lagere lichamen [De vertaling van “qui sunt varii et multiformes” ontbreekt in de uitgave.] tot de beweging van de hemellichamen als tot hun oorzaak worden teruggebracht.
Ad primum ergo dicendum quod dictum Damasceni intelligendum est, quod corpora coelestia non sunt primo causa generationis et corruptionis 281eorum quae hic fiunt; sicut dicebant illi qui ponebant corpora coelestia esse deos.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Men moet het woord van Damascenus zoo verstaan, dat de hemellichamen niet de eerste oorzaak zijn van ontstaan en vergaan der dingen die hier 281voorkomen, zooals degenen zeiden, die meenden dat de hemellichamen goden waren.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Men moet het woord van Damascenus zo verstaan, dat de hemellichamen niet de eerste oorzaak zijn van ontstaan en vergaan van de dingen die hier 281voorkomen, zoals degenen zeiden, die meenden dat de hemellichamen goden waren.
Ad secundum dicendum quod principia activa in istis inferioribus corporibus non inveniuntur nisi qualitates activae elementorum, quae sunt calidum et frigidum et hujusmodi. Et si sic esset quod formae substantiales inferiorum corporum non diversificarentur nisi secundum hujusmodi accidentia, quorum principia rarum et densum antiqui Naturales posuerunt; non oporteret super haec inferiora corpora aliquod principium activum ponere, sed ipsa sufficerent ad agendum. Sed recte considerantibus apparet quod hujusmodi accidentia se habent sicut materiales dispositiones ad formas substantiales naturalium corporum. Materia autem non sufficit ad agendum. Et ideo oportet super has materiales dispositiones ponere aliquod principium activum. Unde Platonici posuerunt species separatas, secundum quarum participationem inferiora corpora substantiales formas consequuntur. Sed hoc non videtur sufficere. Quia species separatae semper eodem modo se haberent, cum ponantur immobiles: et sic sequeretur quod non esset aliqua variatio circa generationem, et corruptionem inferiorum corporum; quod patet esse falsum. Unde secundum Philosophum in 2. de Gen. [cap. 10. 282n. 1. sqq.], necesse est ponere aliquod principium activum mobile, quod per suam praesentiam, et abundantiam2 causet varietatem circa generationem, et corruptionem inferiorum corporum. Et hujusmodi sunt corpora coelestia. Et ideo quidquid in istis inferioribus generat et3 movet ad speciem, est4 sicut instrumentum coelestis corporis; secundum quod dicitur 2. Physic. [cap. 11. n. 11.] quod « homo generat hominem, et sol ».
2. Als actieve beginsels worden in de lagere lichamen geen andere gevonden dan de actieve kwaliteiten der elementen, als warmte en koude e. d. En als het zoo was, dat de zelfstandigheidsvormen der lagere lichamen niet varieerden dan naar dergelijke bijkomstigheden, welker beginselen losheid en dichtheid waren, zooals de oude natuurphilosophen meenden, dan behoefde men boven de lagere lichamen geen actief beginsel aan te nemen, maar zouden zij zelf tot werken volstaan. Maar voor wie goed toeziet blijkt het, dat dergelijke bijkomstigheden zich slechts verhouden als materiëele disposities voor de zelfstandigheidsvormen der natuurdingen. De stof echter volstaat niet tot werking. En daarom moet men boven deze materiëele disposities een actief beginsel aannemen. Daarom hielden de Platonici de onstoffelijke soorten, naar welker deelname de lagere lichamen hun zelfstandigheidsvormen verkrijgen. — Maar dit schijnt niet te volstaan. Want daar de onstoffelijke soorten als onbewegelijk worden voorgesteld, gedragen ze zich altijd op dezelfde wijze: en zoo zou volgen, dat er geen variatie was bij het ontstaan en vergaan der lagere lichamen, 282wat valsch blijkt. Daarom is met den Wijsgeer een actief bewegelijk beginsel aan te nemen, dat door zijn tegenwoordigheid en afwezigheid oorzaak is van de variatie bij ontstaan en vergaan der lagere lichamen. En dergelijke beginsels zijn de hemellichamen. En daarom welk dezer lagere lichamen dan ook iets voortbrengt, slechts als werktuig der hemellichamen, beweegt het tot de soort, naar het woord uit de Physica, dat « de mensch den mensch voortbrengt, maar ook de zon ».2. Als actieve beginsels worden in de lagere lichamen geen andere gevonden dan de actieve kwaliteiten van de elementen, als warmte en koude e. d. En als het zo was, dat de zelfstandigheidsvormen van de lagere lichamen niet varieerden dan naar dergelijke bijkomstigheden, van welke beginselen losheid en dichtheid waren, zoals de oude natuurfilosofen meenden, dan behoefde men boven de lagere lichamen geen actief beginsel aan te nemen, maar zouden zij zelf tot werken volstaan. Maar voor wie goed toeziet blijkt het, dat dergelijke bijkomstigheden zich slechts verhouden als materiëele disposities voor de zelfstandigheidsvormen van de natuurdingen. De stof echter volstaat niet tot werking. En daarom moet men boven deze materiëele disposities een actief beginsel aannemen. Daarom hielden de Platonici de onstoffelijke soorten, naar welke deelname de lagere lichamen hun zelfstandigheidsvormen verkrijgen. — Maar dit schijnt niet te volstaan. Want daar de onstoffelijke soorten als onbewegelijk worden voorgesteld, gedragen ze zich altijd op dezelfde wijze: en zo zou volgen, dat er geen variatie was bij het ontstaan en vergaan van de lagere lichamen, 282wat vals blijkt. Daarom is met de Wijsgeer een actief bewegelijk beginsel aan te nemen, dat door zijn tegenwoordigheid en afwezigheid oorzaak is van de variatie bij ontstaan en vergaan van de lagere lichamen. En dergelijke beginsels zijn de hemellichamen. En daarom welk van deze lagere lichamen dan ook iets voortbrengt, slechts als werktuig van de hemellichamen, beweegt het tot de soort, naar het woord uit de Fysica, dat “de mens de mens voortbrengt, maar ook de zon”.
Ad tertium dicendum quod corpora coelestia inferioribus corporibus non sunt similia similitudine speciei; sed inquantum sua universali virtute continent in se quidquid in inferioribus generatur; secundum quem modum dicimus etiam omnia esse Deo similia.
3. De hemellichamen hebben geen gelijkenis met de lagere lichamen naar de soort, maar slechts in zoover zij in hun algemeene kracht al wat in de lagere lichamen ontstaat omvatten, op dezelfde manier waarop wij zeggen, dat alles op God gelijkt.3. De hemellichamen hebben geen gelijkenis met de lagere lichamen naar de soort, maar slechts in zover zij in hun algemene kracht al wat in de lagere lichamen ontstaat omvatten, op dezelfde manier waarop wij zeggen, dat alles op God gelijkt.
Ad quartum dicendum quod actiones corporum coelestium diversimode recipiuntur in inferioribus corporibus secundum diversam materiae dispositionem. Contingit autem quandoque quod materia conceptus humani non est disposita totaliter ad masculinum sexum; unde partim formatur in masculum, partim in foeminam. Unde et hoc introducitur ab Augustino 283[loc. cit. in arg.] ad repellendum scilicet divinationem quae fit per astra: quia effectus astrorum variantur etiam in rebus corporeis, secundum diversam materiae dispositionem.
4. De werking der hemellichamen wordt, naar verschil van dispositie in de stof, op verschillende manier in de lagere lichamen ontvangen. Nu gebeurt het soms, dat de stof der menschelijke vrucht niet geheel gedisponeerd is voor het mannelijk geslacht, zoodat zij gedeeltelijk tot man, gedeeltelijk tot vrouw gevormd wordt; vandaar dat dit ook door Augustinus (cfr. de Bedenking) 283wordt aangevoerd om de waarzegging volgens de sterren af te wijzen: want ook de gevolgen der sterren in de lagere lichamen variëeren naar verschil van dispositie der stof.4. De werking van de hemellichamen wordt, naar verschil van dispositie in de stof, op verschillende manier in de lagere lichamen ontvangen. Nu gebeurt het soms, dat de stof van de menselijke vrucht niet geheel gedisponeerd is voor het mannelijk geslacht, zodat zij gedeeltelijk tot man, gedeeltelijk tot vrouw gevormd wordt; vandaar dat dit ook door Augustinus (cfr. de Bedenking) 283wordt aangevoerd om de waarzegging volgens de sterren af te wijzen: want ook de gevolgen van de sterren in de lagere lichamen variëeren naar verschil van dispositie van de stof.
Utrum corpora coelestia sint causa humanorum actuum
Zijn ze oorzaak van de menschelijke handelingen?Zijn ze oorzaak van de menselijke handelingen?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod corpora coelestia sint causa humanorum actuum. Corpora enim coelestia, cum moventur a spiritualibus substantiis, sicut supra dictum est [q. 110. art. 3.], agunt in virtute earum quasi instrumenta. Sed illae substantiae spirituales sunt superiores animabus nostris. Ergo videtur quod possint imprimere in animas nostras, et sic causare actus humanos.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de hemellichamen oorzaak zijn van de menschelijke handelingen. — 1. Daar immers, zooals boven gezegd is (110e Kw. 3e Art.), de hemellichamen door geestelijke zelfstandigheden bewogen worden, werken ze als werktuigen in haar kracht. Maar die geestelijke zelfstandigheden zijn hooger dan onze zielen. Dus schijnt het, dat zij onze zielen kunnen beïnvloeden, en aldus menschelijke handelingen veroorzaken.Bedenkingen. — Men beweert, dat de hemellichamen oorzaak zijn van de menselijke handelingen. — 1. Daar immers, zoals boven gezegd is (110e Kw. 3e Art.), de hemellichamen door geestelijke zelfstandigheden bewogen worden, werken ze als werktuigen in haar kracht. Maar die geestelijke zelfstandigheden zijn hoger dan onze zielen. Dus schijnt het, dat zij onze zielen kunnen beïnvloeden, en aldus menselijke handelingen veroorzaken.
2. Praeterea, omne multiforme reducitur in aliquod uniforme 284principium. Sed actus humani sunt varii et multiformes. Ergo videtur quod reducantur in uniformes motus coelestium corporum, sicut in sua principia.
2. Alle veelvoud wordt teruggebracht op een enkelvoudig beginsel. Maar de menschelijke handelingen zijn verscheiden en 284veelvoudig. Dus schijnen ze teruggebracht te worden tot de enkelvoudige beweging der hemellichamen, als hun beginsel.2. Alle veelvoud wordt teruggebracht op een enkelvoudig beginsel. Maar de menselijke handelingen zijn verscheiden en 284veelvoudig. Dus schijnen ze teruggebracht te worden tot de enkelvoudige beweging van de hemellichamen, als hun beginsel.
3. Praeterea, astrologi frequenter vera annuntiant de eventibus bellorum, et aliis humanis actibus, quorum principia sunt intellectus, et voluntas. Quod facere non possent, nisi coelestia corpora, essent1 humanorum actuum causa. Sunt ergo corpora coelestia humanorum actuum causa.
3. De sterrenwichelaars voorzeggen dikwijls ware dingen over de uitkomsten van oorlogen en over andere menschelijke handelingen, waarvan verstand en wil beginsel zijn. Dit zouden ze niet volgens de hemellichamen kunnen doen, als deze geen oorzaak van de menschelijke handelingen waren. Dus zijn de hemellichamen oorzaak van de menschelijke handelingen.3. De sterrenwichelaars voorzeggen dikwijls ware dingen over de uitkomsten van oorlogen en over andere menselijke handelingen, waarvan verstand en wil beginsel zijn. Dit zouden ze niet volgens de hemellichamen kunnen doen, als deze geen oorzaak van de menselijke handelingen waren. Dus zijn de hemellichamen oorzaak van de menselijke handelingen.
Sed contra est quod Damascenus dicit [lib. 2. Orth. Fid. cap. 7.], quod « corpora coelestia humanorum actuum nequaquam sunt causa ».
Daartegenover staat echter, wat Damascenus zegt, dat « de hemellichamen geen oorzaak van de menschelijke handelingen zijn ».Daartegenover staat echter, wat Damascenus zegt, dat “de hemellichamen geen oorzaak van de menselijke handelingen zijn”.
Respondeo dicendum quod corpora coelestia in corpora quidem imprimunt directe et per se, sicut jam dictum est [art. praec.]. In vires autem animae quae sunt actus organorum corporeorum, non2 directe quidem, sed per accidens: quia necesse est hujusmodi actus harum potentiarum impediri secundum impedimenta organorum, sicut oculus turbatus non bene 285videt. Unde si intellectus et voluntas essent vires corporeis organis alligatae, sicut posuerunt aliqui, dicentes quod intellectus non differt a sensu; ex necessitate sequeretur, quod corpora coelestia essent causa electionum et actuum humanorum. Et ex hoc sequeretur quod homo naturali instinctu ageretur ad suas actiones, sicut caetera animalia, in quibus non sunt nisi vires animae corporeis organis alligatae: nam illud quod fit in istis inferioribus ex impressione corporum coelestium, naturaliter agitur. Et ita sequeretur, quod homo non esset liberi arbitrii, sed haberet actiones determinatas, sicut et caeterae res naturales. Quae manifeste sunt falsa et conversationi humanae contraria.
Leerstelling. — De hemellichamen hebben, zooals gezegd is (vorig Art.), op lichamen direkt en op zich, invloed. Op zielekrachten, die de actualiteiten zijn van lichamelijke organen, wel direkt, maar bijkomstig: want de werking van dergelijke vermogens moet gehinderd worden naar gelang van het beletsel in het orgaan, zooals een zeer oog niet goed ziet. Waren dus verstand en wil 285vermogens met lichamelijke organen verbonden, zooals sommigen hebben gemeend, zeggende, dat het verstand niet van de zinnen onderscheiden is, dan zou noodzakelijk volgen, dat de hemellichamen oorzaak waren van de keuze en handelingen der menschen. En hieruit zou volgen, dat de mensch evenals de andere dieren, waarin geen andere zielekrachten zijn dan aan lichamelijke organen verbonden, uit natuurinstinct tot zijn daden gedreven werd; want wat in de lagere dingen door den invloed der hemellichamen gebeurt, wordt noodzakelijk gedaan. En dus zou volgen, dat de mensch geen vrijen wil had, maar, zooals de andere natuurdingen, slechts bepaalde werkingen had. Maar dat is klaarblijkelijk valsch, en in strijd met de menschelijke samenleving.Leerstelling. — De hemellichamen hebben, zoals gezegd is (vorig Art.), op lichamen direct en op zich, invloed. Op zielekrachten, die de actualiteiten zijn van lichamelijke organen, wel direct, maar bijkomstig: want de werking van dergelijke vermogens moet gehinderd worden naar gelang van het beletsel in het orgaan, zoals een zeer oog niet goed ziet. Waren dus verstand en wil 285vermogens met lichamelijke organen verbonden, zoals sommigen hebben gemeend, zeggende, dat het verstand niet van de zinnen onderscheiden is, dan zou noodzakelijk volgen, dat de hemellichamen oorzaak waren van de keuze en handelingen van de mensen. En hieruit zou volgen, dat de mens evenals de andere dieren, waarin geen andere zielekrachten zijn dan aan lichamelijke organen verbonden, uit natuurinstinct tot zijn daden gedreven werd; want wat in de lagere dingen door de invloed van de hemellichamen gebeurt, wordt noodzakelijk gedaan. En dus zou volgen, dat de mens geen vrijen wil had, maar, zoals de andere natuurdingen, slechts bepaalde werkingen had. Maar dat is klaarblijkelijk vals, en in strijd met de menselijke samenleving.
Sciendum est tamen quod indirecte et per accidens impressiones corporum coelestium ad intellectum et voluntatem pertingere possunt, inquantum scilicet tam intellectus quam voluntas aliquo modo ab inferioribus viribus accipiunt, quae organis corporeis alligantur. Sed circa hoc diversimode se habent intellectus et voluntas. Nam intellectus ex necessitate accipit ab inferioribus viribus apprehensivis: unde turbata vi imaginativa vel cogitativa vel memorativa, ex necessitate turbatur actio intellectus. Sed voluntas non 286ex necessitate sequitur inclinationem appetitus inferioris: licet enim passiones quae sunt in irascibili et concupiscibili, habeant quamdam vim ad inclinandam voluntatem; tamen in potestate voluntatis remanet sequi passiones vel eas refutare. Et ideo impressio coelestium corporum, secundum quam immutari possunt inferiores vires, minus pertingit ad voluntatem, quae est proxima causa humanorum actuum, quam ad intellectum. Ponere igitur coelestia corpora esse causam humanorum actuum, est proprium illorum qui dicunt, intellectum non differre a sensu. Unde quidam eorum dicebant quod talis est voluntas in hominibus, qualem in die inducit pater virorum deorumque. Quae ergo constat intellectum et voluntatem non esse actus organorum corporeorum, impossibile est quod corpora coelestia sint causa humanorum actuum.
Men moet echter wel weten, dat de indrukken der hemellichamen indirekt en bijkomstig verstand en wil bereiken kunnen, in zoover nl. zoowel verstand als wil op eenigerlei wijze van de lagere krachten, die met lichamelijke organen verbonden zijn, ontvangen. Maar hierin zijn verstand en wil onderscheiden. Want het verstand ontvangt noodzakelijk van de lagere kenvermogens, zoodat bij storing van verbeelding, cogitativa of herinnering, noodzakelijk ook de activiteit van het verstand gestoord wordt. Maar de wil 286volgt niet noodzakelijk de neiging van de lagere begeerte, al mogen dan de hartstochten, die in het toorn- en begeervermogen zijn, zekere kracht hebben den wil te neigen; het blijft altijd in de macht van den wil de hartstochten te volgen of ze af te wijzen. Vandaar dat de indruk der hemellichamen, waardoor ze de lagere krachten kunnen beïnvloeden, minder tot den wil, die de naaste oorzaak der menschelijke handelingen is, dan tot het verstand reikt. Meenen dus, dat de hemellichamen oorzaak der menschelijke handelingen zijn, is eigen aan hen, die zeggen dat het verstand niet van de zinnen onderscheiden is. Vandaar hebben sommigen hunner gezegd, dat « de wil des menschen zóó is als de vader van menschen en goden voor den dag brengt ». Daar dus vaststaat, dat verstand en wil geen actualiteiten van lichamelijke organen zijn, is het onmogelijk, dat de hemellichamen oorzaak van de menschelijke handelingen zijn.Men moet echter wel weten, dat de indrukken van de hemellichamen indirect en bijkomstig verstand en wil bereiken kunnen, in zover nl. zowel verstand als wil op enigerlei wijze van de lagere krachten, die met lichamelijke organen verbonden zijn, ontvangen. Maar hierin zijn verstand en wil onderscheiden. Want het verstand ontvangt noodzakelijk van de lagere kenvermogens, zodat bij storing van verbeelding, cogitativa of herinnering, noodzakelijk ook de activiteit van het verstand gestoord wordt. Maar de wil 286volgt niet noodzakelijk de neiging van de lagere begeerte, al mogen dan de hartstochten, die in het toorn- en begeervermogen zijn, zekere kracht hebben de wil te neigen; het blijft altijd in de macht van de wil de hartstochten te volgen of ze af te wijzen. Vandaar dat de indruk van de hemellichamen, waardoor ze de lagere krachten kunnen beïnvloeden, minder tot de wil, die de naaste oorzaak van de menselijke handelingen is, dan tot het verstand reikt. Menen dus, dat de hemellichamen oorzaak van de menselijke handelingen zijn, is eigen aan hen, die zeggen dat het verstand niet van de zinnen onderscheiden is. Vandaar hebben sommigen van hun gezegd, dat “de wil van de mens zó is als de vader van mensen en goden voor de dag brengt”. Daar dus vaststaat, dat verstand en wil geen actualiteiten van lichamelijke organen zijn, is het onmogelijk, dat de hemellichamen oorzaak van de menselijke handelingen zijn.
Ad primum ergo dicendum quod spirituales substantiae quae caelestia corpora movent, in corporalia quidem agunt mediantibus coelestibus 287corporibus: sed in intellectum humanum agunt immediate, illuminando. Voluntatem autem immutare non possunt, ut supra habitum est [q. 111. art. 2.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De geestelijke zelfstandigheden, die de hemellichamen bewegen, kunnen door deze hemellichamen op de lichamelijke dingen inwerken: maar op het 287menschelijk verstand werken ze onmiddellijk in door verlichting. De wil kunnen ze echter, zooals boven gezegd is (111e Kw. 2e Art.), niet beïnvloeden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De geestelijke zelfstandigheden, die de hemellichamen bewegen, kunnen door deze hemellichamen op de lichamelijke dingen inwerken: maar op het 287menselijk verstand werken ze onmiddellijk in door verlichting. De wil kunnen ze echter, zoals boven gezegd is (111e Kw. 2e Art.), niet beïnvloeden.
Ad secundum dicendum quod, sicut multiformitas corporalium motuum reducitur, sicut in causam, in uniformitatem motuum coelestium; ita multiformitas actuum qui sunt ab intellectu et voluntate, reducitur in principium uniforme quod est intellectus et voluntas divina.
2. De veelvormigheid der lichamelijke bewegingen wordt tot de eenvormigheid der hemellichamen als tot haar oorzaak teruggebracht; zoo wordt ook veelvormigheid der daden van verstand en wil teruggebracht tot een eenvormig beginsel, dat verstand en wil van God is.2. De veelvormigheid van de lichamelijke bewegingen wordt tot de eenvormigheid van de hemellichamen als tot haar oorzaak teruggebracht; zo wordt ook veelvormigheid van de daden van verstand en wil teruggebracht tot een eenvormig beginsel, dat verstand en wil van God is.
Ad tertium dicendum quod plures hominum sequuntur passiones, quae sunt motus sensitivi appetitus, ad quas cooperari possunt corpora coelestia: pauci autem sunt sapientes, qui hujusmodi passionibus resistant. Et ideo astrologi ut in pluribus vera possunt praedicere, et maxime in communi. Non autem in speciali: quia nihil prohibet aliquem hominem per liberum arbitrium passionibus resistere. Unde et ipsi astrologi dicunt quod sapiens homo dominatur astris, inquantum scilicet dominatur suis passionibus.
3. Meerdere menschen volgen de hartstochten, die de bewegingen der zinnelijke begeerte zijn, en waartoe de hemellichamen kunnen meewerken: weinig echter zijn de wijzen, die dergelijke hartstochten weerstaan. Vandaar kunnen de sterrenwichelaars in de meeste gevallen, vooral in het algemeen, ware dingen voorzeggen. Niet echter in particuliere gevallen, omdat er niets in den weg staat, dat iemand door zijn vrijen wil de hartstochten weerstaat. Daarom zeggen de sterrenwichelaars zelf, dat « de wijze mensch de sterren beheerscht », in zoover hij nl. zijn hartstochten beheerscht.3. Meerdere mensen volgen de hartstochten, die de bewegingen van de zinnelijke begeerte zijn, en waartoe de hemellichamen kunnen meewerken: weinig echter zijn de wijzen, die dergelijke hartstochten weerstaan. Vandaar kunnen de sterrenwichelaars in de meeste gevallen, vooral in het algemeen, ware dingen voorzeggen. Niet echter in particuliere gevallen, omdat er niets in de weg staat, dat iemand door zijn vrijen wil de hartstochten weerstaat. Daarom zeggen de sterrenwichelaars zelf, dat “de wijze mens de sterren beheerst”, in zover hij nl. zijn hartstochten beheerst.
Utrum corpora coelestia possint imprimere in ipsos daemones
Zijn de duivels aan hun werking onderworpen?
288Ad quintum sic proceditur. Videtur quod corpora coelestia possint imprimere in ipsos daemones. Daemones enim secundum certa augmenta lunae aliquos homines vexant, qui et propter hoc lunatici dicuntur; ut patet Matth. 4. [v. 24] et 17. [v. 14]. Sed hoc non esset, nisi corporibus coelestibus subjacerent. Ergo daemones subjacent actionibus coelestibus1 corporum.
288Bedenkingen. — Men beweert, dat de hemellichamen zelfs de duivels kunnen beïnvloeden. — 1. De duivels immers kwellen bij wassende maan sommige menschen, die daarom maanzieken genoemd worden, zooals blijkt bij Mathheus (4. 24 en 17. 14). Maar dat zou niet zijn, als ze niet aan de hemellichamen onderworpen waren. Dus zijn de duivels onderhevig aan de inwerking der hemellichamen.288Bedenkingen. — Men beweert, dat de hemellichamen zelfs de duivels kunnen beïnvloeden. — 1. De duivels immers kwellen bij wassende maan sommige mensen, die daarom maanzieken genoemd worden, zoals blijkt bij Matteüs (4, 24 en 17. 14). Maar dat zou niet zijn, als ze niet aan de hemellichamen onderworpen waren. Dus zijn de duivels onderhevig aan de inwerking van de hemellichamen.
2. Praeterea, necromantici observant certas constellationes ad invocandos daemones. Non autem per corpora coelestia invocarentur, si non eis subjacerent. Ergo daemones subjacent actionibus coelestium corporum.
2. De aanhangers der zwarte kunst observeeren zekere sterrenconstellaties om de duivels aan te roepen. Ze zouden echter niet naar de hemellichamen worden aangeroepen, als ze daaraan niet onderworpen waren. Dus zijn de duivels onderhevig aan de inwerking der hemellichamen.2. De aanhangers van de zwarte kunst observeren zekere sterrenconstellaties om de duivels aan te roepen. Ze zouden echter niet naar de hemellichamen worden aangeroepen, als ze daaraan niet onderworpen waren. Dus zijn de duivels onderhevig aan de inwerking van de hemellichamen.
3. Praeterea, corpora coelestia virtuosiora sunt quam corpora inferiora. Sed quibusdam inferioribus corporibus daemones arcentur: scilicet « herbis 289et lapidibus et animantibus, et quibusdam sonis certis ac vocibus, et figurationibus atque figmentis », ut a Porphyrio dictum, Augustinus introducit in 10. de Civ. Dei [cap. 11.]. Ergo multo magis daemones subduntur actioni coelestium corporum.
3. De hemellichamen zijn krachtiger dan de lagere lichamen. Maar door sommige lagere lichamen worden de duivels geweerd, nl. « door kruiden en steenen en levende wezens, door sommige 289bepaalde tonen en woorden, en figuren en teekens », naar Augustinus uit Porphyrius citeert. Dus zijn de duivels veel eer onderhevig aan de inwerking der hemellichamen.3. De hemellichamen zijn krachtiger dan de lagere lichamen. Maar door sommige lagere lichamen worden de duivels geweerd, nl. “door kruiden en stenen en levende wezens, door sommige 289bepaalde tonen en woorden, en figuren en tekens”, naar Augustinus uit Porphyrius citeert. Dus zijn de duivels veel eer onderhevig aan de inwerking van de hemellichamen.
Sed contra est quod daemones sunt superiores ordine naturae quam corpora coelestia. Agens autem est superius patiente, ut Augustinus dicit 12. super Gen. ad litt. [cap. 16.]. Ergo daemones non subjiciuntur actioni corporum coelestium.
Daartegenover staat echter, dat de duivels van nature hooger zijn dan de hemellichamen. Zooals echter Augustinus zegt, is « de werkoorzaak hooger dan het passieve ». Dus zijn de duivels niet onderhevig aan de werking der hemellichamen.Daartegenover staat echter, dat de duivels van nature hoger zijn dan de hemellichamen. Zoals echter Augustinus zegt, is “de werkoorzaak hoger dan het passieve”. Dus zijn de duivels niet onderhevig aan de werking van de hemellichamen.
Respondeo dicendum quod circa daemones fuit triplex opinio. Prima Peripateticorum, qui posuerunt daemones non esse; sed ea quae attribuuntur daemonibus, secundum artem nigromanticam fiunt virtute coelestium corporum. Et hoc est, quod Augustinus 10. de Civ. Dei [cap. 11.], introducit dictum a Porphyrio, quod « fabricantur in terra ab hominibus potestates idoneae siderum variis effectibus exequendis ». Sed haec positio est manifeste falsa. Experimento enim scitur multa per daemones fieri, ad quae nullo modo virtus coelestium corporum sufficeret; puta quod arreptitii 290loquuntur lingua ignota, quod recitant versus et auctoritates, quas numquam sciverunt, quod nigromantici faciunt statuas loqui et moveri, et similia. Ex quibus Platonici moti fuerunt ut ponerent daemones esse « animalia corpore aëra, animo passiva »; ut ab Apulejo dictum Augustinus introducit 8. de Civ. Dei [cap. 16.]. Et haec est secunda opinio: secundum quam dici posset quod daemones hoc modo subduntur corporibus coelestibus sicut et de hominibus dictum est [art. praec.]. Sed haec opinio, ex superioribus patet [q. 51. art. 1.] esse falsa: dicimus enim daemones esse substantias intellectuales corporibus non unitas. Unde patet, non subdi2 actioni coelestium corporum, nec per se nec per accidens, nec directe nec indirecte.
Leerstelling. — Over de duivels waren drie meeningen. De stelling der Peripatetici was, dat er geen duivels zijn; maar wat volgens de zwarte kunst aan de duivels wordt toegeschreven, gebeurt door de kracht der hemellichamen. En dit is wat Augustinus als van Porphyrius afkomstig geeft: « Op aarde worden door de menschen geschikte krachten gevormd ter verkrijging van de diverse gevolgen der sterren ». — Maar deze stelling is klaarblijkelijk valsch. Het is experimenteel bekend, dat er veel dingen door de duivels gebeuren, waartoe de kracht der hemellichamen absoluut niet volstaat: b.v. dat bezetenen vreemde talen spreken, verzen en 290autoriteiten citeeren, die zij nooit gekend hebben; dat toovenaars beelden laten spreken en zich bewegen, e. d. Daardoor getroffen, hebben de Platonici beweerd, dat « de duivels beesten zijn met een lichaam van lucht, en een passieve ziel », zooals Augustinus als van Apuleius afkomstig geeft. En dit is de tweede opvatting, waarnaar men zeggen kan, dat de duivels op dezelfde wijze aan den invloed der hemellichamen onderworpen zijn, als van de menschen gezegd is (vorig Art.). — Maar uit het bovenstaande (51e Kw. 1e Art.) blijkt ook deze opinie valsch: we zeggen immers, dat de duivels intellectueele zelfstandigheden zijn, aan geen lichamen verbonden. Het is dus duidelijk dat ze niet onderhevig zijn aan de inwerking der hemellichamen noch op zich, noch bijkomstig, noch direkt, noch indirekt.Leerstelling. — Over de duivels waren drie meningen. De stelling van de Peripatetici was, dat er geen duivels zijn; maar wat volgens de zwarte kunst aan de duivels wordt toegeschreven, gebeurt door de kracht van de hemellichamen. En dit is wat Augustinus als van Porphyrius afkomstig geeft: “Op aarde worden door de mensen geschikte krachten gevormd ter verkrijging van de diverse gevolgen van de sterren”. — Maar deze stelling is klaarblijkelijk vals. Het is experimenteel bekend, dat er veel dingen door de duivels gebeuren, waartoe de kracht van de hemellichamen absoluut niet volstaat: bv. dat bezetenen vreemde talen spreken, verzen en 290autoriteiten citeren, die zij nooit gekend hebben; dat tovenaars beelden laten spreken en zich bewegen, e. d. Daardoor getroffen, hebben de Platonici beweerd, dat “de duivels beesten zijn met een lichaam van lucht, en een passieve ziel”, zoals Augustinus als van Apuleius afkomstig geeft. En dit is de tweede opvatting, waarnaar men zeggen kan, dat de duivels op dezelfde wijze aan de invloed van de hemellichamen onderworpen zijn, als van de mensen gezegd is (vorig Art.). — Maar uit het bovenstaande (51e Kw. 1e Art.) blijkt ook deze opinie vals: we zeggen immers, dat de duivels intellectuele zelfstandigheden zijn, aan geen lichamen verbonden. Het is dus duidelijk dat ze niet onderhevig zijn aan de inwerking van de hemellichamen noch op zich, noch bijkomstig, noch direct, noch indirect.
Ad primum ergo dicendum quod hoc quod daemones secundum certa augmenta lunae homines vexant, contingit propter duo. Primo quidem, ad hoc quod infament creaturam Dei, scilicet lunam; ut Hieronymus [in cap. 4. Matth. v. 24] et Chrysostomus [hom. 58. in Matth.] dicunt. Secundo quia, cum non possint operari nisi mediantibus naturalibus virtutibus, ut supra dictum est [q. 114. art. 4. ad 2.]; in suis operibus considerant 291corporum aptitudines ad effectus intentos. Manifestum est autem quod « cerebrum humidissimum est omnium partium corporis », ut Aristoteles dicit [lib. de Somn. et Vig. cap. 3.]: et ideo maxime subjicitur operationi lunae, quae ex sui proprietate habet movere humorem. In cerebro autem perficiuntur vires animales: et ideo daemones secundum certa augmenta lunae perturbant hominis phantasiam, quando considerant cerebrum ad hoc esse dispositum.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dat de duivels bij het wassen der maan de menschen kwellen, gebeurt om twee redenen. Ten eerste om, zooals Hieronymus en Chrysostomus zeggen, « een schepsel Gods », nl. de maan, « te blameeren ». — Ten tweede omdat ze, zooals boven gezegd, niet zonder tusschenkomst der natuurlijke krachten kunnen werken, letten ze ter 291verkrijging der bedoelde gevolgen, bij hun werkingen op de geschiktheid der lichamen. Nu is het klaar, dat zooals Aristoteles opmerkt, « de hersenen de weekste van alle lichaamsdeelen zijn », en dus in hoogen graad onderworpen aan de werking van de maan, die als eigenschap heeft vocht te bewegen. De zielekrachten echter vinden hun vervolmaking in de hersenen: vandaar dat de duivels volgens bepaalden was van de maan, als ze zien, dat de hersenen zijn gedisponeerd, de fantasie des menschen verstoren.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dat de duivels bij het wassen van de maan de mensen kwellen, gebeurt om twee redenen. Ten eerste om, zoals Hieronymus en Chrysostomus zeggen, “een schepsel Gods”, nl. de maan, “te blameren”. — Ten tweede omdat ze, zoals boven gezegd, niet zonder tussenkomst van de natuurlijke krachten kunnen werken, letten ze ter 291verkrijging van de bedoelde gevolgen, bij hun werkingen op de geschiktheid van de lichamen. Nu is het klaar, dat zoals Aristoteles opmerkt, “de hersenen de weekste van alle lichaamsdelen zijn”, en dus in hogen graad onderworpen aan de werking van de maan, die als eigenschap heeft vocht te bewegen. De zielekrachten echter vinden hun vervolmaking in de hersenen: vandaar dat de duivels volgens bepaalden was van de maan, als ze zien, dat de hersenen zijn gedisponeerd, de fantasie van de mens verstoren.
Ad secundum dicendum quod daemones advocati in certis constellationibus, propter duo veniunt. Primo quidem, ut homines in hunc errorem inducant, quod credant aliquod numen esse in stellis. Secundo, quia considerant secundum aliquas certas constellationes materiam corporalem magis esse dispositam ad effectus pro quibus advocantur.
2. De duivels, die bij bepaalde constellaties der sterren worden aangeroepen, komen om twee redenen. Vooreerst om de menschen te doen dwalen, meenende dat er een godheid in de sterren is. — Ten tweede, omdat ze zien, dat bij bepaalde constellaties de lichamelijke stof beter gedisponeerd is voor die gevolgen, waarom ze worden aangeroepen.2. De duivels, die bij bepaalde constellaties van de sterren worden aangeroepen, komen om twee redenen. Vooreerst om de mensen te doen dwalen, menende dat er een godheid in de sterren is. — Ten tweede, omdat ze zien, dat bij bepaalde constellaties de lichamelijke stof beter gedisponeerd is voor die gevolgen, waarom ze worden aangeroepen.
Ad tertium dicendum quod, sicut Augustinus dicit 21. de Civ. Dei [cap. 6.], « daemones alliciuntur per varia genera lapidum, herbarum, lignorum, animalium, carminum, rituum, non ut animalia cibis, sed ut spiritus signis »; inquantum scilicet haec eis exhibentur in signum divini honoris, cujus ipsi sunt cupidi.
3. Zooals Augustinus zegt « worden de duivels aangetrokken door verschillende soorten van steenen, kruiden, hout, dieren, gezangen en riten, niet zooals dieren door voedsel, maar als geesten door teekens »; dergelijke dingen worden hun aangeboden als teekens van goddelijke eer, waarnaar ze begeerig zijn.3. Zoals Augustinus zegt “worden de duivels aangetrokken door verschillende soorten van stenen, kruiden, hout, dieren, gezangen en riten, niet zoals dieren door voedsel, maar als geesten door tekens”; dergelijke dingen worden hun aangeboden als tekens van goddelijke eer, waarnaar ze begerig zijn.
Utrum corpora coelestia imponant necessitatem his, quae eorum actioni subduntur
Leggen de hemellichamen noodzakelijkheid op aan datgene wat aan hun activiteit onderworpen is?
292Ad sextum sic proceditur. Videtur quod corpora coelestia imponant necessitatem iis quae eorum actioni subduntur. Causa enim sufficienti posita, necesse est effectum poni. Sed corpora coelestia sunt sufficiens causa suorum effectuum. Cum igitur corpora coelestia cum suis motibus et dispositionibus, ponantur sicut ex necessitate entia; videtur quod effectus eorum ex necessitate consequantur.
292Bedenkingen. — Men beweert, dat de hemellichamen noodzakelijkheid opleggen aan de dingen, die aan hun inwerking onderworpen zijn. — 1. Is de voldoende oorzaak gesteld, dan volgt noodzakelijk het gevolg. Maar de hemellichamen zijn voldoende oorzaak van hun gevolgen. Daar dus de hemellichamen met hun bewegingen en disposities als noodzakelijke dingen gesteld worden, schijnen hun gevolgen uit noodzaak te volgen.
2. Praeterea, effectus agentis ex necessitate sequitur in materia, quando virtus agentis tanta fuerit quod possit sibi subjicere totam materiam. Sed tota materia inferiorum corporum subjicitur virtuti coelestium corporum, tamquam excellentiori. Ergo ex necessitate effectus coelestium corporum recipitur in materia corporali.
2. Het gevolg van een werkoorzaak volgt noodzakelijk in de stof, wanneer de kracht dier werkoorzaak zoo groot is, dat ze de stof volkomen kan beheerschen. Maar geheel de stof der lagere lichamen is aan de kracht der hemellichamen, als iets hoogers, onderworpen. Dus wordt het gevolg der hemellichamen in de stof noodzakelijk ontvangen.2. Het gevolg van een werkoorzaak volgt noodzakelijk in de stof, wanneer de kracht van die werkoorzaak zo groot is, dat ze de stof volkomen kan beheersen. Maar geheel de stof van de lagere lichamen is aan de kracht van de hemellichamen, als iets hogers, onderworpen. Dus wordt het gevolg van de hemellichamen in de stof noodzakelijk ontvangen.
2933. Praeterea, si effectus coelestis corporis non ex necessitate proveniat, hoc est propter aliquam causam impedientem. Sed quaelibet causa corporea1, quae impedire posset effectum coelestis corporis, necesse est reduci in aliquod coeleste principium: cum coelestia corpora sint causa omnium quae hic fiunt. Ergo, cum et illud coeleste principium sit necessarium, sequitur quod necesse sit impediri effectum alterius corporis coelestis. Et sic omnia quae hic contingunt, ex necessitate eveniunt.
2933. Als het gevolg van een hemellichaam niet noodzakelijk gebeurt, is dit vanwege een oorzaak, die dat belet. Maar iedere lichamelijke oorzaak, die het gevolg van een hemellichaam kan verhinderen, moet noodzakelijk teruggebracht worden op een ander hemelsch beginsel, daar de hemellichamen oorzaak zijn van alles wat hier gebeurt. Daar dus ook dat hemelsche beginsel noodzakelijk is, volgt dat het gevolg van dat andere hemellichaam noodzakelijk verhinderd wordt. En zoo geschieden alle dingen, die hier gebeuren, noodzakelijk.2933. Als het gevolg van een hemellichaam niet noodzakelijk gebeurt, is dit vanwege een oorzaak, die dat belet. Maar iedere lichamelijke oorzaak, die het gevolg van een hemellichaam kan verhinderen, moet noodzakelijk teruggebracht worden op een ander hemels beginsel, daar de hemellichamen oorzaak zijn van alles wat hier gebeurt. Daar dus ook dat hemelse beginsel noodzakelijk is, volgt dat het gevolg van dat andere hemellichaam noodzakelijk verhinderd wordt. En zo geschieden alle dingen, die hier gebeuren, noodzakelijk.
Sed contra est quod Philosophus dicit in libro de Somn., et Vigil. [de Divin. per Somn. cap. 11.] quod « neque eorum quae in corporibus sunt signorum coelestium, velut aquarum et ventorum, inconveniens est multa non evenire ». Sic ergo non omnes effectus coelestium corporum ex necessitate eveniunt.
Daartegenover staat echter, wat de Wijsgeer zegt, « dat het niet onjuist is, dat veel van wat van den kant der hemelsche teekenen in de lichamen is, als water en wind, niet gebeurt ». Zoo gebeuren dus niet alle gevolgen der hemellichamen noodzakelijk.Daartegenover staat echter, wat de Wijsgeer zegt, “dat het niet onjuist is, dat veel van wat van de kant van de hemelse tekenen in de lichamen is, als water en wind, niet gebeurt”. Zo gebeuren dus niet alle gevolgen van de hemellichamen noodzakelijk.
Respondeo dicendum quod ista quaestio partim quidem absoluta est, secundum praemissa; partim autem difficultatem habet. Ostensum enim est [art. 4.] quod, quamvis ex impressione corporum coelestium fiant aliquae 294inclinationes in natura corporali, voluntas tamen non ex necessitate sequitur has inclinationes. Et ideo nihil prohibet per voluntariam actionem impediri effectum coelestium corporum, non solum in ipso homine, sed etiam in aliis rebus ad quas hominum operatio se extendit.
Leerstelling. — Deze kwestie is gedeeltelijk in het bovenstaande afgehandeld; en heeft gedeeltelijk nog moeilijkheid. We hebben aangetoond (4e Art.), dat ofschoon er door den invloed der hemellichamen in de lichamelijke natuur sommige neigingen 294ontstaan, toch de wil deze neigingen niet noodzakelijk involgt. En daarom belet niets om door een wilsdaad het gevolg der hemellichamen te verhinderen, en niet alleen in den mensch zelf, maar ook in andere dingen, waartoe de handeling des menschen reikt.Leerstelling. — Deze kwestie is gedeeltelijk in het bovenstaande afgehandeld; en heeft gedeeltelijk nog moeilijkheid. We hebben aangetoond (4e Art.), dat ofschoon er door de invloed van de hemellichamen in de lichamelijke natuur sommige neigingen 294ontstaan, toch de wil deze neigingen niet noodzakelijk involgt. En daarom belet niets om door een wilsdaad het gevolg van de hemellichamen te verhinderen, en niet alleen in de mens zelf, maar ook in andere dingen, waartoe de handeling van de mens reikt.
Sed nullum tale principium invenitur in rebus naturalibus, quod habeat libertatem sequendi vel non sequendi impressiones coelestes. Unde videtur quod in talibus, ad minus, omnia ex necessitate proveniant: secundum antiquam quorumdam rationem, qui, supponentes omne quod est causam habere. et quod, posita causa, ex necessitate ponitur effectus, concludebant quod omnia ex necessitate contingant. Quam quidem opinionem repellit Aristoteles in 6. Metaphys. [cap. 3.] secundum duo quae ipsi supponunt. Primo enim, non est verum quod, posita quacumque causa, necesse sit effectum poni. Sunt enim quaedam causae quae ordinantur ad suos effectus non ex necessitate, sed ut in pluribus, quae quandoque deficiunt in minori parte. Sed quia hujusmodi causae non deficiunt in minori parte, nisi propter aliquam causam impedientem, videtur adhuc praedictum inconveniens non vitari: quia et ipsum impedimentum talis causae ex necessitate contingit. 295Et ideo, secundo, oportet dicere quod omne quod est per se, habet causam: quod autem est per accidens, non habet causam, quia non est vere ens, cum non sit vere unum. Album enim causam habet, similiter et musicum; sed album musicum non habet causam, quia non est vere ens, neque vere unum. Manifestum est autem quod causa impediens actionem alicujus causae ordinatae ad suum effectum ut in pluribus, concurrit ei interdum per accidens: unde talis concursus non habet causam, inquantum est per accidens. Et propter hoc id quod ex tali concursu sequitur, non reducitur in aliquam causam praeexistentem, ex qua ex necessitate sequatur. Sicut quod aliquod corpus terrestre ignitum in superiori parte aëris generetur et deorsum cadat, habet causam aliquam virtutem coelestem: et similiter etiam quod in superficie terrae sit aliqua materia combustibilis, potest reduci in aliquod coeleste principium. Sed quod ignis cadens huic materiae occurrat et comburat eam, non habet causam aliquod coeleste corpus, sed est per accidens. Et sic patet quod non omnes effectus coelestium corporum sunt ex necessitate.
Maar in de natuurdingen wordt zulk een beginsel, dat vrijheid heeft de hemelinvloeden al of niet te volgen, niet gevonden. Vandaar schijnt het, dat minstens in dergelijke dingen alles uit noodzakelijkheid gebeurt: naar het oude beginsel van sommigen, die vooropstellend, dat alles wat is een oorzaak heeft, en eenmaal de oorzaak gesteld, ook noodzakelijk het gevolg volgt, besloten, dat alles noodzakelijk gebeurt. Maar Aristoteles weerlegt die meening juist naar de twee dingen, die zij vooropstellen. Vooreerst is het niet waar, dat als welke oorzaak ook gesteld is, ook het gevolg noodzakelijk gesteld wordt. Er zijn toch sommige oorzaken, die niet noodzakelijk op hun gevolg gericht worden, maar in de meeste gevallen, en die dan ook soms in de minste gevallen te kort schieten. — Maar omdat deze oorzaken ook in de minste gevallen niet te kort schieten dan door een oorzaak die verhinderend optreedt, schijnt nog bovengenoemde onjuistheid niet vermeden, omdat ook de verhindering van zulk een oorzaak noodzakelijk geschiedt. 295En daarom moet ten tweede gezegd worden, dat al wat op zich is, een oorzaak heeft, maar wat bijkomstig is, geen oorzaak heeft, omdat het geen echt ding is, daar het geen echte eenheid is. Iets dat wit is heeft een oorzaak, en ook een musicus heeft een oorzaak, maar een witte musicus heeft geen oorzaak, omdat het geen echt ding is, noch echte eenheid. Nu is het duidelijk, dat een oorzaak, die de werking van een andere oorzaak, welke slechts als in de meeste gevallen, op haar gevolg gericht is, belet, op bijkomstige wijze soms met haar samentreft: vandaar heeft dat samentreffen als bijkomstigheid, geen oorzaak. En daarom wordt datgene wat uit dit samentreffen volgt, niet teruggebracht tot een vorige oorzaak, waaruit het noodzakelijk volgt. Zooals wanneer in de bovenste luchtlagen een of ander gloeiend lichaam ontstaat, en naar beneden valt, heeft dat een hemelkracht als oorzaak: en insgelijks kan het tot een hemellichaam worden teruggebracht, dat er op het aardoppervlak brandbaar materiaal aanwezig is. Maar dat dit vallende vuur mat dit materiaal samentreft, en het verbrandt, heeft geen hemellichaam als oorzaak, maar is bijkomstig. — En zoo blijkt, dat niet alle gevolgen der hemellichamen noodzakelijk zijn.Maar in de natuurdingen wordt zulk een beginsel, dat vrijheid heeft de hemelinvloeden al of niet te volgen, niet gevonden. Vandaar schijnt het, dat minstens in dergelijke dingen alles uit noodzakelijkheid gebeurt: naar het oude beginsel van sommigen, die vooropstellend, dat alles wat is een oorzaak heeft, en eenmaal de oorzaak gesteld, ook noodzakelijk het gevolg volgt, besloten, dat alles noodzakelijk gebeurt. Maar Aristoteles weerlegt die mening juist naar de twee dingen, die zij vooropstellen. Vooreerst is het niet waar, dat als welke oorzaak ook gesteld is, ook het gevolg noodzakelijk gesteld wordt. Er zijn toch sommige oorzaken, die niet noodzakelijk op hun gevolg gericht worden, maar in de meeste gevallen, en die dan ook soms in de minste gevallen te kort schieten. — Maar omdat deze oorzaken ook in de minste gevallen niet te kort schieten dan door een oorzaak die verhinderend optreedt, schijnt nog bovengenoemde onjuistheid niet vermeden, omdat ook de verhindering van zulk een oorzaak noodzakelijk geschiedt. 295En daarom moet ten tweede gezegd worden, dat al wat op zich is, een oorzaak heeft, maar wat bijkomstig is, geen oorzaak heeft, omdat het geen echt ding is, daar het geen echte eenheid is. Iets dat wit is heeft een oorzaak, en ook een musicus heeft een oorzaak, maar een witte musicus heeft geen oorzaak, omdat het geen echt ding is, noch echte eenheid. Nu is het duidelijk, dat een oorzaak, die de werking van een andere oorzaak, welke slechts als in de meeste gevallen, op haar gevolg gericht is, belet, op bijkomstige wijze soms met haar samentreft: vandaar heeft dat samentreffen als bijkomstigheid, geen oorzaak. En daarom wordt datgene wat uit dit samentreffen volgt, niet teruggebracht tot een vorige oorzaak, waaruit het noodzakelijk volgt. Zoals wanneer in de bovenste luchtlagen een of ander gloeiend lichaam ontstaat, en naar beneden valt, heeft dat een hemelkracht als oorzaak: en insgelijks kan het tot een hemellichaam worden teruggebracht, dat er op het aardoppervlak brandbaar materiaal aanwezig is. Maar dat dit vallende vuur mat dit materiaal samentreft, en het verbrandt, heeft geen hemellichaam als oorzaak, maar is bijkomstig. — En zo blijkt, dat niet alle gevolgen van de hemellichamen noodzakelijk zijn.
Ad primum ergo dicendum quod corpora coelestia sunt causa inferiorum 296effectuum mediantibus causis particularibus inferioribus, quae deficere possunt in minori parte.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De hemellichamen 296zijn oorzaak van de lagere gevolgen door middel van de lagere particuliere oorzaken, die in mindere gevallen niet toereikend kunnen zijn.
Ad secundum dicendum quod virtus corporis coelestis non est infinita. Unde requirit determinatam dispositionem in materia ad inducendum suum effectum, et quantum ad distantiam loci, et quantum ad alias conditiones. Et ideo sicut distantia loci impedit effectum coelestis corporis (non enim sol eumdem caloris effectum habet in Dacia, quem habet in Aetiopia); ita et grossities materiae, vel frigiditas aut caliditas, aut alia hujusmodi dispositio, impedire potest effectum corporis coelestis.
2. De kracht van een hemellichaam is niet oneindig. Vandaar vraagt deze om zijn gevolg te kunnen voortbrengen, een bepaalde dispositie der stof, zoowel wat plaatselijken afstand als andere voorwaarden aangaat. En zooals dus de plaatselijke afstand het gevolg van het hemellichaam belet. (de zon heeft immers niet hetzelfde warmtegevolg in Dacië als in Ethiopië), zoo kan ook de grofheid der stof, en haar koude of warmte of een andere dergelijke dispositie, het gevolg van het hemellichaam beletten.2. De kracht van een hemellichaam is niet oneindig. Vandaar vraagt deze om zijn gevolg te kunnen voortbrengen, een bepaalde dispositie van de stof, zowel wat plaatselijken afstand als andere voorwaarden aangaat. En zoals dus de plaatselijke afstand het gevolg van het hemellichaam belet. (de zon heeft immers niet hetzelfde warmtegevolg in Dacië als in Ethiopië), zo kan ook de grofheid van de stof, en haar koude of warmte of een andere dergelijke dispositie, het gevolg van het hemellichaam beletten.
Ad tertium dicendum quod licet causa impediens effectum alterius causae, reducatur in aliquod coeleste corpus sicut in causam; tamen concursus duarum causarum, cum sit per accidens, non reducitur in causam coelestem, ut dictum est [in corp.].
3. Ofschoon de oorzaak, die het gevolg van een andere oorzaak verhindert, tot het hemellichaam als oorzaak wordt teruggebracht, zoo wordt toch, zooals gezegd is (in de Leerstelling), het samentreffen van twee oorzaken, daar het bijkomstig is, niet tot een hemeloorzaak teruggebracht.3. Ofschoon de oorzaak, die het gevolg van een andere oorzaak verhindert, tot het hemellichaam als oorzaak wordt teruggebracht, zo wordt toch, zoals gezegd is (in de Leerstelling), het samentreffen van twee oorzaken, daar het bijkomstig is, niet tot een hemeloorzaak teruggebracht.