De effectibus divinae gubernationis in speciali, in quatuor articulos divisa
De gevolgen van het goddelijk wereldbestuur in het bijzonder
30Deinde considerandum est de effectibus divinae gubernationis in speciali.
30Vervolgens moeten we de gevolgen van het Godsbestuur in het bijzonder beschouwen.
Et circa hoc quaeruntur quatuor: 1. Utrum creaturae indigeant ut conserventur in esse a Deo. — 2. Utrum conserventur a Deo immediate. — 3. Utrum Deus possit aliquid redigere in nihilum. — 4. Utrum aliquid in nihilum redigatur.
En hieromtrent stellen we vier vragen: 1. Hebben de schepselen er behoefte aan door God in hun bestaan behouden te worden? 2. Worden ze onmiddellijk door God behouden? 3. Kan God een ding vernietigen? 4. Wordt er in feite iets vernietigd?
Utrum creaturae indigeant, ut a Deo conserventur in esse
Hebben de schepselen er behoefte aan door God in hun bestaan behouden te worden?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod creaturae non indigeant ut a 31Deo conserventur in esse. Quod enim non potest non esse, non indiget ut conservetur in esse: sicut quod non potest abscedere, non indiget ut conservetur, ne abscedat. Sed quaedam creaturae sunt quae secundum sui naturam non possunt non esse. Ergo non omnes creaturae indigent ut a Deo conserventur in esse. Probatio mediae. Quod per se inest alicui, necesse est ei inesse, et oppositum ejus impossibile est ei inesse: sicut necessarium est binarium esse parem, et impossibile est eum esse imparem. Esse autem per se consequitur ad formam: quia unumquodque secundum hoc est ens actu, quod habet formam. Quaedam autem creaturae sunt, quae sunt formae quaedam subsistentes, sicut de angelis dictum est [q. 50. art. 2. et 5.]; et sic per se inest eis esse. Et eadem ratio est de illis quorum materia non est in potentia nisi ad unam formam, sicut supra dictum est de corporibus coelestibus [q. 66. art. 2.]. Hujusmodi ergo creaturae secundum suam naturam ex necessitate sunt, et non possunt non esse: potentia enim ad non esse non potest fundari neque in forma, quam per se sequitur esse; neque in materia existente sub forma quam non potest amittere, cum non sit in potentia ad aliam formam.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de schepselen er geen 31behoefte aan hebben door God in het bestaan bewaard te worden. — 1. Al wat immers niet kan niet-zijn, heeft er geen behoefte aan in het zijn behouden te worden; zooals iets wat niet kan weggaan, niet behoeft bewaard te worden om niet weg te gaan. Sommige schepselen echter kunnen krachtens hun natuur niet niet-zijn. Derhalve hebben niet alle schepselen er behoefte aan door God in het zijn behouden te worden. Bewijs voor den middelterm: wat uit zich in iets is, is er noodzakelijk in, en zijn tegengestelde kan er onmogelijk in zijn: zooals een even nummer noodzakelijk even is, en onmogelijk oneven zijn kan. Het zijn nu volgt uit zich op den vorm: want ieder ding is een actueel ding voor zoover het een vorm heeft. Sommige schepselen zijn er, die zelfstandige vormen zijn, zooals van de engelen gezegd is (50e Kw. 2e en 5e Art.); en zoo is het zijn uit zich in hen. En dezelfde reden gaat op voor de dingen, in wier stof geen potentie is, tenzij voor één vorm, zooals boven van de hemellichamen gezegd is (66e Kw. 2e Art.). Dergelijke schepselen zijn krachtens hun natuur noodzakelijk, en kunnen niet niet-zijn: de potentie immers tot niet-zijn kan niet baseeren op den vorm, waarop het zijn uit zich volgt; noch op de stof onder één vorm, dien ze niet kan verliezen, daar ze niet in potentie is tot een anderen vorm.Bedenkingen. — Men beweert, dat de schepselen er geen 31behoefte aan hebben door God in het bestaan bewaard te worden. — 1. Al wat immers niet kan niet-zijn, heeft er geen behoefte aan in het zijn behouden te worden; zoals iets wat niet kan weggaan, niet behoeft bewaard te worden om niet weg te gaan. Sommige schepselen echter kunnen krachtens hun natuur niet niet-zijn. Derhalve hebben niet alle schepselen er behoefte aan door God in het zijn behouden te worden. Bewijs voor de middelterm: wat uit zich in iets is, is er noodzakelijk in, en zijn tegengestelde kan er onmogelijk in zijn: zoals een even nummer noodzakelijk even is, en onmogelijk oneven zijn kan. Het zijn nu volgt uit zich op de vorm: want ieder ding is een actueel ding voor zover het een vorm heeft. Sommige schepselen zijn er, die zelfstandige vormen zijn, zoals van de engelen gezegd is (50e Kw. 2e en 5e Art.); en zo is het zijn uit zich in hen. En dezelfde reden gaat op voor de dingen, in wier stof geen potentie is, tenzij voor één vorm, zoals boven van de hemellichamen gezegd is (66e Kw. 2e Art.). Dergelijke schepselen zijn krachtens hun natuur noodzakelijk, en kunnen niet niet-zijn: de potentie immers tot niet-zijn kan niet baseren op de vorm, waarop het zijn uit zich volgt; noch op de stof onder één vorm, die ze niet kan verliezen, daar ze niet in potentie is tot een anderen vorm.
322. Praeterea, Deus est potentior quolibet creato agente. Sed aliquod creatum agens potest communicare suo effectui ut conservetur in esse, etiam ejus operatione cessante: sicut cessante actione aedificatoris, remanet domus; et cessante actione ignis, remanet aqua calefacta per aliquod tempus. Ergo multo magis Deus potest suae creaturae conferre quod conservetur in esse, sua operatione cessante.
322. God is machtiger dan welke geschapen werkoorzaak ook. Maar een of andere geschapen werkoorzaak kan haar gevolg geven te blijven bestaan, ook als haar werking ophoudt; zoo blijft het huis, als de bouwer met bouwen ophoudt; en als de werking van het vuur ophoudt, blijft het water eenigen tijd warm. Veeleer kan God dus zijn schepselen geven te blijven bestaan, ook al houdt zijn werking op.322. God is machtiger dan welke geschapen werkoorzaak ook. Maar een of andere geschapen werkoorzaak kan haar gevolg geven te blijven bestaan, ook als haar werking ophoudt; zo blijft het huis, als de bouwer met bouwen ophoudt; en als de werking van het vuur ophoudt, blijft het water enigen tijd warm. Veeleer kan God dus zijn schepselen geven te blijven bestaan, ook al houdt zijn werking op.
3. Praeterea, nullum violentum potest contingere absque aliqua causa agente. Sed tendere ad non esse est innaturale et violentum cuilibet creaturae: quia quaelibet creatura naturaliter appetit esse. Ergo nulla creatura potest tendere in non esse, nisi aliquo agente in corruptionem. Sed quaedam sunt, ad quorum corruptionem nihil agere potest; sicut spirituales substantiae, et corpora coelestia. Ergo hujusmodi creaturae non possunt tendere in non esse, etiam Dei operatione cessante.
3. Geen geweld kan geschieden zonder werkoorzaak. Maar het streven naar niet-zijn is voor ieder schepsel onnatuurlijk en gewelddadig, want van nature begeert ieder schepsel te zijn. Dus kan geen schepsel streven naar niet-zijn, tenzij er iets aan zijn bederf werkt. Maar er zijn dingen, zooals geesten en hemellichamen, aan wier bederf niets werken kan. Dus kunnen dergelijke schepselen niet streven naar niet-zijn, ook al houdt Gods werking op.3. Geen geweld kan geschieden zonder werkoorzaak. Maar het streven naar niet-zijn is voor ieder schepsel onnatuurlijk en gewelddadig, want van nature begeert ieder schepsel te zijn. Dus kan geen schepsel streven naar niet-zijn, tenzij er iets aan zijn bederf werkt. Maar er zijn dingen, zoals geesten en hemellichamen, aan wier bederf niets werken kan. Dus kunnen dergelijke schepselen niet streven naar niet-zijn, ook al houdt Gods werking op.
4. Praeterea, si Deus conservat res in esse, hoc erit per aliquam actionem. Per quamlibet autem actionem agentis, si sit efficax, aliquid fit in effectu. Oportet igitur, quod per actionem Dei conservantis aliquid fiat in creatura. Sed hoc non videtur. Non enim per hujusmodi actionem fit 33ipsum esse creaturae: quia quod jam est, non fit. Neque iterum aliquid aliud superadditum: quia vel non continue Deus conservaret creaturam in esse, vel continue aliquid adderetur creaturae, quod est inconveniens. Non igitur creaturae conservantur in esse a Deo.
4. Als God de dingen in het bestaan behoudt, is dat door een of andere werking. Maar door iedere werking van een werkoorzaak — als deze tenminste krachtdadig is — gebeurt er iets in het gevolg. Derhalve moet door de werking van God den Behouder iets in het schepsel gebeuren. — Maar dat schijnt toch van niet. Door dergelijke werking wordt immers niet het zijn van 33het schepsel: want wat reeds is, wordt niet. Noch iets anders, dat daaraan wordt toegevoegd: want ofwel zou God het schepsel niet bij voortduring bewaren, ofwel werd er voortdurend iets aan het schepsel toegevoegd, wat niet klopt. De schepselen worden dus niet door God in het bestaan behouden.4. Als God de dingen in het bestaan behoudt, is dat door een of andere werking. Maar door iedere werking van een werkoorzaak — als deze tenminste krachtdadig is — gebeurt er iets in het gevolg. Derhalve moet door de werking van God de Behouder iets in het schepsel gebeuren. — Maar dat schijnt toch van niet. Door dergelijke werking wordt immers niet het zijn van 33het schepsel: want wat reeds is, wordt niet. Noch iets anders, dat daaraan wordt toegevoegd: want ofwel zou God het schepsel niet bij voortduring bewaren, ofwel werd er voortdurend iets aan het schepsel toegevoegd, wat niet klopt. De schepselen worden dus niet door God in het bestaan behouden.
Sed contra est, quod dicitur Hebr. 1. [v. 3]: « Portans omnia verbo virtutis suae ».
Daartegenover staat echter wat in den Brief aan de Hebreeën (1. 3) gezegd wordt: « Hij draagt alles door het woord zijner Macht ».Daartegenover staat echter wat in de Brief aan de Hebreeën (1, 3) gezegd wordt: “Hij draagt alles door het woord van zijn Macht”.
Respondeo dicendum quod necesse est dicere, et secundum fidem et secundum rationem, quod creaturae conservantur in esse a Deo. Ad cujus evidentiam, considerandum est quod aliquid conservatur ab altero dupliciter. Uno modo, indirecte et per accidens sicut ille dicitur rem conservare, qui removet corrumpens; puta si aliquis puerum custodiat ne cadat in ignem, dicitur eum conservare. Et sic etiam Deus dicitur aliqua conservare, sed non omnia: quia quaedam sunt quae non habent corrumpentia, quae necesse sit removere ad rei conservationem. Alio modo dicitur aliquid rem aliquam conservare per se1 directe, quando2 scilicet illud quod conservatur, 34dependet a conservante, ut sine eo esse non possit. Et hoc modo omnes creaturae indigent divina conservatione. Dependet enim esse cujuslibet creaturae a Deo, ita quod nec ad momentum subsistere possent, sed in nihilum redigerentur, nisi operatione divinae virtutis conservarentur in esse, sicut Gregorius dicit [16. Moral. cap. 16.].
Leerstelling. — En volgens het geloof én volgens de rede moeten we zeggen, dat de schepselen door God in het bestaan behouden worden. Ter verduidelijking hiervan bedenke men, dat op tweevoudige manier het eene door het andere behouden wordt. Vooreerst indirect en bijkomstig: zoo zegt men, dat iemand die bederf weert, een ding behoudt; als b.v. iemand een knaap ervoor bewaart in het vuur te vallen, zegt men, dat hij hem behouden heeft. En zoo zegt men ook van God, dat Hij de dingen behoudt, maar niet alles, want sommige dingen kennen geen bederf, dat noodig voor hun behoud moet verwijderd worden. — Vervolgens zegt men, dat het een het ander op zich en direct behoudt, in zoover 34het behoudene zoozeer van den behouder afhangt, dat het zonder hem niet kan zijn. En op deze manier hebben alle schepselen behoefte aan het goddelijk behoud. Het bestaan immers van ieder schepsel hangt zoozeer van God af, dat ze zelfs geen moment zouden kunnen bestaan, maar vernietigd zouden worden, als ze niet door de werking van Gods macht, aldus Gregorius, in het bestaan behouden werden.Leerstelling. — En volgens het geloof én volgens de rede moeten we zeggen, dat de schepselen door God in het bestaan behouden worden. Ter verduidelijking hiervan bedenke men, dat op tweevoudige manier het ene door het andere behouden wordt. Vooreerst indirect en bijkomstig: zo zegt men, dat iemand die bederf weert, een ding behoudt; als bv. iemand een knaap ervoor bewaart in het vuur te vallen, zegt men, dat hij hem behouden heeft. En zo zegt men ook van God, dat Hij de dingen behoudt, maar niet alles, want sommige dingen kennen geen bederf, dat nodig voor hun behoud moet verwijderd worden. — Vervolgens zegt men, dat het een het ander op zich en direct behoudt, in zover 34het behoudene zozeer van de behouder afhangt, dat het zonder hem niet kan zijn. En op deze manier hebben alle schepselen behoefte aan het goddelijk behoud. Het bestaan immers van ieder schepsel hangt zozeer van God af, dat ze zelfs geen moment zouden kunnen bestaan, maar vernietigd zouden worden, als ze niet door de werking van Gods macht, aldus Gregorius, in het bestaan behouden werden.
Et hoc sic perspici potest. Omnis enim effectus dependet a sua causa, secundum quod est causa ejus. Sed considerandum est quod aliquod agens est causa sui effectus secundum fieri tantum, et non directe secundum esse ejus. Quod quidem convenit et in artificialibus, et in rebus naturalibus. Aedificator enim est causa domus quantum ad ejus fieri, non autem directe quantum ad esse ejus. Manifestum est enim quod esse domus consequitur formam ejus: forma autem domus est compositio et ordo, quae quidem forma consequitur naturalem virtutem quarumdam rerum. Sicut enim coquus coquit cibum adhibendo aliquam virtutem naturalem activam, scilicet ignis; ita aedificator facit domum adhibendo caementum, lapides et ligna, quae sunt susceptiva et conservativa talis compositionis et ordinis. 35Unde esse domus dependet ex naturis harum rerum, sicut fieri domus dependet ex actione aedificatoris. Et simili ratione est considerandum in rebus naturalibus. Quia si aliquod agens non est causa formae inquantum hujusmodi, non erit per se causa esse quod consequitur ad talem formam, sed erit causa effectus secundum fieri tantum. Manifestum est autem quod, si aliqua duo sunt ejusdem speciei, unum non potest esse per se causa formae alterius, inquantum est talis forma: quia sic esset causa formae propriae, cum sit eadem ratio utriusque. Sed potest esse causa hujusmodi formae secundum quod est in materia, idest quod haec materia acquirat hanc formam. Et hoc est esse causa secundum fieri; sicut cum homo generat hominem, et ignis ignem. Et ideo quandocumque naturalis effectus est natus impressionem agentis recipere secundum eamdem rationem secundum quam est in agente, tunc fieri effectus dependet ab agente, non autem esse ipsius. Sed aliquando effectus non est natus recipere impressionem agentis secundum eamdem rationem secundum quam est in agente: sicut patet in 36omnibus agentibus quae non agunt simile secundum speciem; sicut coelestia corpora sunt causa generationis inferiorum corporum dissimilium secundum speciem. Et tale agens potest esse causa formae secundum rationem talis formae, et non solum secundum quod acquiritur in hac materia: et ideo est causa non solum fiendi, sed essendi. Sicut igitur fieri rei non potest remanere, cessante actione agentis quod est causa effectus secundum fieri; ita nec esse rei potest remanere, cessante actione agentis quod est causa effectus non solum secundum fieri, sed etiam secundum esse. Et haec est ratio quare aqua calefacta retinet calorem, cessante actione ignis; non autem remanet aer illuminatus, nec ad momentum, cessante actione solis. Quia scilicet materia aquae susceptiva est caloris ignis secundum eamdem rationem qua est in igne; unde si perfecte perducatur ad formam ignis, retinebit calorem semper; si autem imperfecte participet aliquid de forma ignis secundum quamdam inchoationem, calor non semper remanebit, sed ad tempus, propter debilem participationem principii caloris. Aer autem nullo modo natus est recipere lumen secundum eamdem rationem secundum quam est in sole, ut scilicet recipiat formam solis, quae est principium luminis: 37et ideo, quia non habet radicem in aëre, statim cessat lumen, cessante actione solis.
En dat is zoo in te zien. Ieder gevolg hangt van zijn oorzaak af, in zoover deze zijn oorzaak is. Maar dan moet men er wel aan denken, dat sommige werkoorzaak enkel wat het worden aangaat oorzaak van haar gevolg is, en niet direct wat het zijn betreft. En dit gebeurt zoowel bij kunstvoorwerpen als bij natuurdingen. De bouwer is oorzaak van het huis wat het worden aangaat, niet direct wat het zijn betreft. Het is immers duidelijk dat het zijn van het huis op zijn vorm volgt: de vorm van het huis echter is de samenstelling en de orde, die op de natuurkracht van sommige dingen volgt. Zooals een kok spijzen gereedmaakt met gebruikmaking van de actieve natuurkracht van vuur, zoo maakt de bouwer een huis met gebruikmaking van cement, steenen en hout, die vatbaar zijn voor zulk een samenstelling en orde, en die 35behouden. Het bestaan van het huis hangt dus af van de natuur dezer dingen, zooals het worden van het huis afhangt van de activiteit van den bouwer. — En op dezelfde manier moeten we de natuurdingen bezien. Als een of andere oorzaak geen oorzaak van den vorm als zoodanig is, is zij niet op zich oorzaak van het zijn, dat op dien vorm volgt, maar alleen oorzaak van het worden van het gevolg. Het is echter duidelijk, dat als twee dingen van dezelfde soort zijn, het eene geen oorzaak kan zijn van den vorm als zoodanig van het andere, want dan zou het oorzaak van zijn eigen vorm zijn, daar voor beide hetzelfde geldt. Het kan echter oorzaak van zulk een vorm zijn voor zoover deze in de stof is, dat wil zeggen, dat deze stof dezen vorm krijgt. En dit is juist oorzaak zijn van het worden, zooals een mensch een mensch voortbrengt, en vuur vuur. Vandaar dat, zoo dikwijls een natuurlijk gevolg uiteraard den invloed van een werkoorzaak ondergaat, naar dezelfde definitie als deze in de werkoorzaak is, wél het worden van het gevolg, niét echter het zijn, van de werkoorzaak afhangt. — Soms echter ondergaat een gevolg uiteraard niet den invloed van de werkoorzaak, naar dezelfde definitie als deze in de werkoorzaak is: dat blijkt bij alle werkoorzaken, die geen soortgelijken voortbrengen, zooals de hemellichamen oorzaak zijn van de wording der lagere lichamen, die van een andere soort zijn. En zulk een 36werkoorzaak kan oorzaak van een vorm als zoodanig zijn, en niet slechts voor zoover zij in deze stof verkregen wordt; en dus is zij niet alleen van het worden, maar ook van het zijn oorzaak. Zooals dus het worden niet kan voortduren, als de werking van de oorzaak van het worden ophoudt, zoo kan ook het zijn van een ding niet voortduren, als de werking ophoudt der oorzaak, die niet slechts oorzaak van het gevolg is wat het worden, maar ook wat het zijn aangaat. En dit is de reden, waarom verwarmd water bij het ophouden van de werking van het vuur, de warmte behoudt; maar de lucht blijft zelfs geen moment verlicht als de activiteit van de zon ophoudt. De stof van het water neemt nl. de warmte van het vuur op volgens dezelfde definitie als deze in het vuur is, zoodat het, als het volkomen tot den vuurvorm gebracht wordt, de warmte altijd zal behouden; maar als het slechts onvolkomen, als een soort begin, aan den vuurvorm deelachtig is, zal de warmte niet altijd blijven, maar, vanwege de zwakke deelname aan het beginsel der warmte, slechts tijdelijk. De lucht kan echter uiteraard het licht niet ontvangen naar dezelfde definitie waarnaar het op de zon is, zoodat ze het lichtbeginsel, den zonnevorm, ontvangt: en 37daarom houdt het licht, dat in de lucht geen steunpunt heeft, onmiddellijk op, als de activiteit van de zon ophoudt.En dat is zo in te zien. Ieder gevolg hangt van zijn oorzaak af, in zover deze zijn oorzaak is. Maar dan moet men er wel aan denken, dat sommige werkoorzaak enkel wat het worden aangaat oorzaak van haar gevolg is, en niet direct wat het zijn betreft. En dit gebeurt zowel bij kunstvoorwerpen als bij natuurdingen. De bouwer is oorzaak van het huis wat het worden aangaat, niet direct wat het zijn betreft. Het is immers duidelijk dat het zijn van het huis op zijn vorm volgt: de vorm van het huis echter is de samenstelling en de orde, die op de natuurkracht van sommige dingen volgt. Zoals een kok spijzen gereedmaakt met gebruikmaking van de actieve natuurkracht van vuur, zo maakt de bouwer een huis met gebruikmaking van cement, stenen en hout, die vatbaar zijn voor zulk een samenstelling en orde, en die 35behouden. Het bestaan van het huis hangt dus af van de natuur van deze dingen, zoals het worden van het huis afhangt van de activiteit van de bouwer. — En op dezelfde manier moeten we de natuurdingen bezien. Als een of andere oorzaak geen oorzaak van de vorm als zodanig is, is zij niet op zich oorzaak van het zijn, dat op die vorm volgt, maar alleen oorzaak van het worden van het gevolg. Het is echter duidelijk, dat als twee dingen van dezelfde soort zijn, het ene geen oorzaak kan zijn van de vorm als zodanig van het andere, want dan zou het oorzaak van zijn eigen vorm zijn, daar voor beide hetzelfde geldt. Het kan echter oorzaak van zulk een vorm zijn voor zover deze in de stof is, dat wil zeggen, dat deze stof deze vorm krijgt. En dit is juist oorzaak zijn van het worden, zoals een mens een mens voortbrengt, en vuur vuur. Vandaar dat, zo dikwijls een natuurlijk gevolg uiteraard de invloed van een werkoorzaak ondergaat, naar dezelfde definitie als deze in de werkoorzaak is, wél het worden van het gevolg, niét echter het zijn, van de werkoorzaak afhangt. — Soms echter ondergaat een gevolg uiteraard niet de invloed van de werkoorzaak, naar dezelfde definitie als deze in de werkoorzaak is: dat blijkt bij alle werkoorzaken, die geen soortgelijken voortbrengen, zoals de hemellichamen oorzaak zijn van de wording van de lagere lichamen, die van een andere soort zijn. En zulk een 36werkoorzaak kan oorzaak van een vorm als zodanig zijn, en niet slechts voor zover zij in deze stof verkregen wordt; en dus is zij niet alleen van het worden, maar ook van het zijn oorzaak. Zoals dus het worden niet kan voortduren, als de werking van de oorzaak van het worden ophoudt, zo kan ook het zijn van een ding niet voortduren, als de werking ophoudt van de oorzaak, die niet slechts oorzaak van het gevolg is wat het worden, maar ook wat het zijn aangaat. En dit is de reden, waarom verwarmd water bij het ophouden van de werking van het vuur, de warmte behoudt; maar de lucht blijft zelfs geen moment verlicht als de activiteit van de zon ophoudt. De stof van het water neemt nl. de warmte van het vuur op volgens dezelfde definitie als deze in het vuur is, zodat het, als het volkomen tot de vuurvorm gebracht wordt, de warmte altijd zal behouden; maar als het slechts onvolkomen, als een soort begin, aan de vuurvorm deelachtig is, zal de warmte niet altijd blijven, maar, vanwege de zwakke deelname aan het beginsel van de warmte, slechts tijdelijk. De lucht kan echter uiteraard het licht niet ontvangen naar dezelfde definitie waarnaar het op de zon is, zodat ze het lichtbeginsel, de zonnevorm, ontvangt: en 37daarom houdt het licht, dat in de lucht geen steunpunt heeft, onmiddellijk op, als de activiteit van de zon ophoudt.
Sic autem se habet omnis creatura ad Deum, sicut aer ad solem illuminantem. Sicut enim sol est lucens per suam naturam, aer autem fit luminosus participando lumen a sole, non tamen participando naturam solis; ita solus Deus est ens per essentiam suam, quia ejus essentia est suum esse; omnis autem creatura est ens participative, non quod sua essentia sit ejus esse. Et ideo, ut Augustinus dicit 4. super Gen. ad litt. [cap. 12.]: « virtus Dei ab eis quae creata sunt regendis si cessaret aliquando, simul et illorum cessaret species, omnisque natura concideret ». Et in 8 ejusdem libri [cap. 12.] dicit quod, « sicut aer praesente lumine fit lucidus sic homo, Deo sibi praesente, illuminatur, absente autem, continuo tenebratur ».
Zoo echter verhoudt zich ieder schepsel tot God als de lucht tot de lichtende zonne. Zooals de zon uit eigen natuur licht geeft, de lucht echter oplicht door deelname aan het licht der zon, zonder evenwel deel te nemen aan de natuur van de zon, zoo is alleen God door eigen Wezenheid, omdat zijn Wezen zijn zijn is; ieder schepsel echter is bij deelname, zonder dat evenwel zijn wezen zijn zijn is. En daarom zou, zooals Augustinus zegt, « wanneer de kracht Gods eens zou ophouden wat geschapen is te besturen, tegelijk hun verschijning ophouden, en alle natuur ineenstorten ». En in het achtste boek van hetzelfde werk zegt hij: « Zooals de lucht door de tegenwoordigheid van het licht helder wordt, zoo wordt de mensch door de tegenwoordigheid Gods verlicht, maar bij zijn afwezigheid terstond verduisterd ».Zo echter verhoudt zich ieder schepsel tot God als de lucht tot de lichtende zonne. Zoals de zon uit eigen natuur licht geeft, de lucht echter oplicht door deelname aan het licht van de zon, zonder evenwel deel te nemen aan de natuur van de zon, zo is alleen God door eigen Wezenheid, omdat zijn Wezen zijn zijn is; ieder schepsel echter is bij deelname, zonder dat evenwel zijn wezen zijn zijn is. En daarom zou, zoals Augustinus zegt, “wanneer de kracht Gods eens zou ophouden wat geschapen is te besturen, tegelijk hun verschijning ophouden, en alle natuur ineenstorten”. En in het achtste boek van hetzelfde werk zegt hij: “Zoals de lucht door de tegenwoordigheid van het licht helder wordt, zo wordt de mens door de tegenwoordigheid Gods verlicht, maar bij zijn afwezigheid terstond verduisterd”.
Ad primum ergo dicendum quod esse per se consequitur formam creaturae, supposito tamen influxu Dei: sicut lumen sequitur diaphanum aëris, supposito influxu solis. Unde potentia ad non esse in spiritualibus creaturis 38et corporibus coelestibus, magis est in Deo, qui potest subtrahere suum influxum, quam in forma vel in materia talium creaturarum.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het zijn volgt uit zich op den vorm van het schepsel in de veronderstelling van Gods invloed: zooals het licht volgt op de doorschijnendheid der lucht in de veronderstelling van den invloed der zon. Vandaar is de potentie tot niet-zijn van de geestelijke schepselen en hemellichamen 38veeleer in God, die zijn invloed onttrekken kan, dan in den vorm of de stof van dergelijke schepselen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het zijn volgt uit zich op de vorm van het schepsel in de veronderstelling van Gods invloed: zoals het licht volgt op de doorschijnendheid van de lucht in de veronderstelling van de invloed van de zon. Vandaar is de potentie tot niet-zijn van de geestelijke schepselen en hemellichamen 38veeleer in God, die zijn invloed onttrekken kan, dan in de vorm of de stof van dergelijke schepselen.
Ad secundum dicendum quod Deus non potest communicare alicui creaturae ut conservetur in esse, sua operatione cessante; sicut non potest ei communicare, quod non sit causa3 illius. Intantum enim indiget creatura conservari a Deo, inquantum esse effectus dependet a causa essendi. Unde non est simile de agente quod non est causa essendi, sed fieri tantum.
2. God kan aan geen schepsel geven te blijven bestaan als zijn werking ophoudt, zooals Hij het ook niet geven kan, dat Hij geen oorzaak zij van het zijn ervan. Het schepsel heeft noodig door God behouden te worden, in zoover het zijn van het gevolg afhangt van de oorzaak van het zijn. En daarom is het niet hetzelfde voor de werkoorzaak, die geen oorzaak van het zijn, maar alleen van het worden is.2. God kan aan geen schepsel geven te blijven bestaan als zijn werking ophoudt, zoals Hij het ook niet geven kan, dat Hij geen oorzaak zij van het zijn ervan. Het schepsel heeft nodig door God behouden te worden, in zover het zijn van het gevolg afhangt van de oorzaak van het zijn. En daarom is het niet hetzelfde voor de werkoorzaak, die geen oorzaak van het zijn, maar alleen van het worden is.
Ad tertium dicendum quod ratio illa procedit de conservatione quae est per remotionem corrumpentis; qua non indigent omnes creaturae, ut dictum est [in corp.].
3. Dit argument gaat uit van een behoud, dat slechts in weerhouding van het bederf bestaat, en daaraan hebben, zooals gezegd is (in de leerstelling), niet alle schepselen behoefte.3. Dit argument gaat uit van een behoud, dat slechts in weerhouding van het bederf bestaat, en daaraan hebben, zoals gezegd is (in de leerstelling), niet alle schepselen behoefte.
Ad quartum dicendum, quod conservatio rerum a Deo non est per aliquam novam actionem, sed per continuationem actionis qua dat esse, quae quidem actio est sine motu, et tempore. Sicut etiam conservatio luminis in aëre est per continuatum influxum a sole.
4. Het behoud der dingen door God heeft niet door eenige nieuwe activiteit plaats, maar door continuatie van de daad, waardoor Hij het zijn geeft, welke daad zonder beweging of tijd geschiedt, zooals oók het behoud van het licht in de lucht door den blijvenden invloed der zon plaats heeft.4. Het behoud van de dingen door God heeft niet door enige nieuwe activiteit plaats, maar door continuatie van de daad, waardoor Hij het zijn geeft, welke daad zonder beweging of tijd geschiedt, zoals oók het behoud van het licht in de lucht door de blijvende invloed van de zon plaats heeft.
Utrum Deus immediate omnem creaturam conservet
Worden ze onmiddellijk door God behouden?
39Ad secundum sic proceditur. Videtur quod Deus immediate omnem creaturam conservet. Eadem enim actione Deus est conservator rerum, qua et creator, ut dictum est [art. praec. ad 4.]. Sed Deus immediate est creator omnium. Ergo immediate est etiam conservator.
39Bedenkingen. — Men beweert, dat God onmiddelijk ieder schepsel behoudt. — 1. Door dezelfde daad immers is God Schepper en Behouder, zooals gezegd is (in het vorig Art.). Maar God is de onmiddellijke Schepper van alles, dus ook de onmiddellijke Behouder.39Bedenkingen. — Men beweert, dat God onmiddelijk ieder schepsel behoudt. — 1. Door dezelfde daad immers is God Schepper en Behouder, zoals gezegd is (in het vorig Art.). Maar God is de onmiddellijke Schepper van alles, dus ook de onmiddellijke Behouder.
2. Praeterea, unaquaeque res magis est proxima sibi, quam rei alteri. Sed non potest communicari alicui creaturae quod conservet seipsam. Ergo multo minus potest ei communicari quod conservet aliam. Ergo Deus omnia conservat absque alia1 causa conservante.
2. Ieder ding is zichzelf het naaste. Maar geen schepsel kan het verleend worden zichzelf te behouden, dus nog veel minder een ander te behouden. God behoudt dus alles zonder eenige tusschenoorzaak.2. Ieder ding is zichzelf het naaste. Maar geen schepsel kan het verleend worden zichzelf te behouden, dus nog veel minder een ander te behouden. God behoudt dus alles zonder enige tussenoorzaak.
3. Praeterea, effectus conservatur in esse ab eo quod est causa ejus non solum secundum fieri, sed etiam secundum esse. Sed omnes causae creatae, ut videtur, non sunt causae suorum effectuum nisi secundum fieri: non sunt enim causae nisi movendo, ut supra habitum est [q. 45. art. 3.]. Ergo non sunt causae conservantes suos effectus in esse.
3. Een gevolg wordt in het bestaan behouden door datgene wat niet alleen wat het worden, maar ook wat het zijn aangaat, zijn oorzaak is. Maar geen enkele geschapen oorzaak schijnt oorzaak van een gevolg dan alleen wat het worden aangaat: zij zijn immers, zooals boven (45e Kw. 3e Art.) gezegd, geen oorzaak tenzij door beweging. Derhalve zijn het geen oorzaken, die hun gevolgen in het bestaan bewaren.3. Een gevolg wordt in het bestaan behouden door datgene wat niet alleen wat het worden, maar ook wat het zijn aangaat, zijn oorzaak is. Maar geen enkele geschapen oorzaak schijnt oorzaak van een gevolg dan alleen wat het worden aangaat: zij zijn immers, zoals boven (45e Kw. 3e Art.) gezegd, geen oorzaak tenzij door beweging. Derhalve zijn het geen oorzaken, die hun gevolgen in het bestaan bewaren.
40Sed contra est, quod per idem conservatur res, per quod habet esse. Sed Deus dat esse rebus mediantibus aliquibus causis mediis. Ergo etiam res in esse conservat mediantibus aliquibus causis.
40Daartegenover staat echter, dat een ding behouden wordt door datgene waarvan het zijn bestaan heeft. Maar God geeft het bestaan aan de dingen door tusschenoorzaken. Dus bewaart Hij de dingen ook in het bestaan door middel van enkele oorzaken.40Daartegenover staat echter, dat een ding behouden wordt door datgene waarvan het zijn bestaan heeft. Maar God geeft het bestaan aan de dingen door tussenoorzaken. Dus bewaart Hij de dingen ook in het bestaan door middel van enkele oorzaken.
Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. praec.], dupliciter aliquid rem aliquam in esse conservat: uno modo indirecte et per accidens, per hoc quod removet vel impedit actionem corrumpentis; alio modo, directe et per se, quia ab eo dependet esse alterius, sicut a causa dependet2 effectus. Utroque autem modo aliqua res creata invenitur esse alterius conservativa. Manifestum est enim quod etiam in rebus corporalibus multa sunt quae impediunt actiones corrumpentium, et per hoc dicuntur rerum conservativa; sicut sal impedit carnes a putrefactione, et simile est in multis aliis. Invenitur etiam quod ab aliqua creatura dependet aliquis effectus secundum suum esse. Cum enim sunt multae causae ordinatae, necesse est quod effectus dependeat, primo quidem et principaliter a causa prima; secundario vero ab omnibus causis mediis. Et ideo principaliter 41quidem prima causa est effectus conservativa; secundario vero omnes mediae causae, et tanto magis quanto causa fuerit altior et primae causae proximior. Unde superioribus causis, etiam in corporalibus rebus, attribuitur conservatio et permanentia rerum: sicut Philosophus dicit in 12. Metaphys., quod primus motus, scilicet divinus3, est causa continuitatis generationis; secundus autem motus, qui est per zodiacum, est causa diversitatis quae est secundum generationem et corruptionem. Et similiter astrologi attribuunt Saturno, qui est supremus planetarum res fixas et permanentes. Sic igitur dicendum est quod Deus conservat res quasdam in esse, mediantibus aliquibus causis.
Leerstelling. — Zooals gezegd, kan iets op twee manieren een ding in het bestaan bewaren: vooreerst indirect en bijkomstig, doordat het de werking van het bederf verwijdert of belet; vervolgens direct en op zich, doordat het zijn van het ander ervan afhangt, zooals het gevolg van de oorzaak. Op beide wijzen komt het voor, dat het eene schepsel het bestaan van het ander behoudt. Het is toch duidelijk, dat er bij de lichamelijke dingen veel is, dat de werking van het bederf belet, en aldus de dingen heet te behouden: zoo belet zout vleeschbederf, en zoo is het ook bij vele andere dingen. — Maar het komt ook voor, dat een gevolg naar zijn bestaan van een schepsel afhangt. Daar er immers vele ondergeschikte oorzaken zijn, moet een gevolg op de eerste plaats en voornamelijk van de eerste oorzaak afhangen, maar secundair van alle tusschenoorzaken. Vandaar is het voornamelijk 41de eerste oorzaak, die het gevolg behoudt, maar secundair al de tusschenoorzaken, en des te meer naarmate zulk een tusschenoorzaak hooger is, en dichter bij de eerste oorzaak. Daarom wordt het behoud en de duur der dingen, ook der lichamelijke dingen, aan de hoogere oorzaken toegeschreven; zoo zegt de Wijsgeer, dat de eerste beweging, die van den dag, oorzaak is van de continuatie van het wordingsproces; de tweede echter van den Dierenriem, is oorzaak van het onderscheid naar ontstaan en vergaan; en zoo schrijven de astrologen aan Saturnus, de hoogste der planeten, de vaste en blijvende dingen toe. — Zoo dienen we dus te zeggen, dat God de dingen in het bestaan bewaart, maar door middel van enkele oorzaken.Leerstelling. — Zoals gezegd, kan iets op twee manieren een ding in het bestaan bewaren: vooreerst indirect en bijkomstig, doordat het de werking van het bederf verwijdert of belet; vervolgens direct en op zich, doordat het zijn van het ander ervan afhangt, zoals het gevolg van de oorzaak. Op beide wijzen komt het voor, dat het ene schepsel het bestaan van het ander behoudt. Het is toch duidelijk, dat er bij de lichamelijke dingen veel is, dat de werking van het bederf belet, en aldus de dingen heet te behouden: zo belet zout vleesbederf, en zo is het ook bij vele andere dingen. — Maar het komt ook voor, dat een gevolg naar zijn bestaan van een schepsel afhangt. Daar er immers vele ondergeschikte oorzaken zijn, moet een gevolg op de eerste plaats en voornamelijk van de eerste oorzaak afhangen, maar secundair van alle tussenoorzaken. Vandaar is het voornamelijk 41de eerste oorzaak, die het gevolg behoudt, maar secundair al de tussenoorzaken, en des te meer naarmate zulk een tussenoorzaak hoger is, en dichter bij de eerste oorzaak. Daarom wordt het behoud en de duur van de dingen, ook van de lichamelijke dingen, aan de hogere oorzaken toegeschreven; zo zegt de Wijsgeer, dat de eerste beweging, die van de dag, oorzaak is van de continuatie van het wordingsproces; de tweede echter van de Dierenriem, is oorzaak van het onderscheid naar ontstaan en vergaan; en zo schrijven de astrologen aan Saturnus, de hoogste van de planeten, de vaste en blijvende dingen toe. — Zo dienen we dus te zeggen, dat God de dingen in het bestaan bewaart, maar door middel van enkele oorzaken.
Ad primum ergo dicendum quod Deus immediate omnia creavit: sed in ipsa rerum reparatione4 ordinem in rebus instituit, ut quaedam ab aliis dependerent, per quas secundario conservarentur in esse; praesupposita tamen principali conservatione, quae est ab ipso.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. God heeft onmiddellijk alles geschapen, maar door de schepping een rangorde onder de dingen gemaakt, zoodat sommige van andere zouden afhangen, door welke zij dan secundair in het bestaan behouden worden, verondersteld de primaire behouding door Hem Zelf.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. God heeft onmiddellijk alles geschapen, maar door de schepping een rangorde onder de dingen gemaakt, zodat sommige van andere zouden afhangen, door welke zij dan secundair in het bestaan behouden worden, verondersteld de primaire behouding door Hem Zelf.
Ad secundum dicendum quod, cum propria causa sit conservativa 42effectus ab ea dependentis; sicut nulli effectui praestari potest quod sit causa sui ipsius, potest tamen ei praestari quod sit causa alterius; ita etiam nulli effectui praestari potest quod sit suiipsius conservativus, potest tamen ei praestari quod sit conservativus alterius.
2. Zooals aan geen enkel gevolg gegeven kan worden oorzaak 42van zichzelf te zijn, wel echter oorzaak van een ander; zoo kan aan geen enkel gevolg gegeven worden zichzelf te behouden, maar wel — de eigen oorzaak behoudt immers het gevolg, dat van haar afhangt — een ander te behouden.2. Zoals aan geen enkel gevolg gegeven kan worden oorzaak 42van zichzelf te zijn, wel echter oorzaak van een ander; zo kan aan geen enkel gevolg gegeven worden zichzelf te behouden, maar wel — de eigen oorzaak behoudt immers het gevolg, dat van haar afhangt — een ander te behouden.
Ad tertium dicendum quod nulla creatura potest esse causa alterius, quantum ad hoc quod acquirat novam formam vel dispositionem, nisi per modum alicujus mutationis: quia semper agit praesupposito aliquo subjecto. Sed postquam formam vel dispositionem induxit in effectum, absque alia immutatione effectus, hujusmodi formam vel dispositionem conservat. Sicut in aëre prout illuminatur de novo, intelligitur quaedam mutatio, sed conservatio luminis est absque aëris immutatione, ex sola praesentia illuminantis.
3. Geen schepsel kan, dan door een of andere verandering, oorzaak van een ander zijn in zoover dit een nieuwen vorm of dispositie krijgt, want het werkt slechts in een vooraf aanwezig subject. Maar nadat het eenmaal de vorm of dispositie in het gevolg heeft teweeggebracht, behoudt het dezen vorm of dispositie zonder nieuwe verandering in het gevolg. Zoo wordt ook in de lucht, voor zoover zij opnieuw verlicht wordt, een verandering aangenomen, maar het behoud van het licht is zonder verandering der lucht, door de aanwezigheid van de lichtbron alleen.3. Geen schepsel kan, dan door een of andere verandering, oorzaak van een ander zijn in zover dit een nieuwen vorm of dispositie krijgt, want het werkt slechts in een vooraf aanwezig subject. Maar nadat het eenmaal de vorm of dispositie in het gevolg heeft teweeggebracht, behoudt het deze vorm of dispositie zonder nieuwe verandering in het gevolg. Zo wordt ook in de lucht, voor zover zij opnieuw verlicht wordt, een verandering aangenomen, maar het behoud van het licht is zonder verandering van de lucht, door de aanwezigheid van de lichtbron alleen.
Utrum Deus possit aliquid in nihilum redigere
Kan God een ding vernietigen?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod Deus non possit aliquid in 43nihilum redigere. Dicit enim Augustinus in lib. 83. QQ. [q. 21.] quod « Deus non est causa tendendi in non esse ». Hoc autem contigeret, si aliquam creaturam redigeret in nihilum. Ergo Deus non potest aliquid in nihilum redigere.
Bedenkingen. — Men beweert, dat God niets kan 43vernietigen. — 1. Augustinus zegt immers: « God is geen oorzaak van het streven naar niet-zijn ». Dat zou Hij echter wel zijn, als Hij een schepsel vernietigde. Dus kan God niets vernietigen.Bedenkingen. — Men beweert, dat God niets kan 43vernietigen. — 1. Augustinus zegt immers: “God is geen oorzaak van het streven naar niet-zijn”. Dat zou Hij echter wel zijn, als Hij een schepsel vernietigde. Dus kan God niets vernietigen.
2. Praeterea, Deus est causa rerum ut sint, per suam bonitatem: quia, ut Augustinus dicit in lib. 1. de Doctr. Christ. [cap. 32.]: « inquantum Deus bonus est, sumus ». Sed Deus non potest non esse bonus. Ergo non potest facere ut res non sint. Quod faceret, si eas in nihilum redigeret.
2. Door zijn Goedheid is God oorzaak van de dingen, dat ze zijn, want Augustinus zegt: « Omdat God goed is, zijn wij ». Maar God kan niet niet-goedzijn. Hij kan dus niet maken, dat de dingen niet zijn. En dat zou Hij doen, als Hij ze vernietigde.2. Door zijn Goedheid is God oorzaak van de dingen, dat ze zijn, want Augustinus zegt: “Omdat God goed is, zijn wij”. Maar God kan niet niet-goedzijn. Hij kan dus niet maken, dat de dingen niet zijn. En dat zou Hij doen, als Hij ze vernietigde.
3. Praeterea, si Deus in nihilum aliqua redigeret, oporteret, quod hoc fieret per aliquam actionem. Sed hoc non potest esse: quia omnis actio terminatur ad aliquod ens; unde1 actio corrumpentis terminatur ad aliquid generatum, quia generatio unius est corruptio alterius. Ergo Deus non potest aliquid in nihilum redigere.
3. Als God iets vernietigde, moest Hij dat doen door een daad. Maar dat kan niet, omdat iedere daad uitloopt op een ding; vandaar dat ook de werking van het bederf op een nieuw geworden ding uitloopt, want het ontstaan van het een is het vergaan van het ander. God kan dus niets vernietigen.
Sed contra est quod dicitur Jerem. 10. [v. 24]: « Corripe me Domine, verumtamen in judicio, et non in furore tuo, ne forte ad nihilum redigas me ».
Daartegenover staat echter wat bij Jeremias (10. 24) gezegd wordt: « Tuchtig mij, Heer, maar in gerecht, niet in uw Gramschap, om mij niet te vernietigen ».Daartegenover staat echter wat bij Jeremia (10, 24) gezegd wordt: “Tuchtig mij, Heer, maar in gerecht, niet in uw Gramschap, om mij niet te vernietigen”.
Respondeo dicendum quod quidam posuerunt quod Deus res in esse 44produxit agendo de necessitate naturae. Quod si esset verum, Deus non posset rem aliquam in nihilum redigere; sicut non potest a sua natura mutari. Sed, sicut supra est habitum [q. 19. art. 4.], haec positio est falsa, et a fide catholica penitus aliena, quae confitetur Deum res libera voluntate produxisse in esse, secundum illud Psal. 134. [v. 6]: « Omnia quaecumque voluit, Dominus fecit ». Hoc igitur quod Deus creaturae esse communicat, ex Dei voluntate dependet. Nec aliter res in esse conservat, nisi inquantum eis continue influit esse, ut dictum est [art. 1. ad 4.]. Sicut ergo antequam res essent, potuit eis non communicare esse, et sic eas non facere, ita postquam jam factae sunt, potest eis non influere esse, et sic esse desinerent. Quod est eas in nihilum redigere.
Leerstelling. — Sommigen hebben de stelling opgezet, dat 44God de dingen uit natuur-noodzaak tot het bestaan bracht. Als dat waar was, kon God geen enkel ding vernietigen evenmin als Hij van natuur veranderen kan. Maar, zooals boven gezegd is (19e Kw., 4e Art.), is deze stelling valsch, en absoluut vreemd aan het Katholieke geloof, want dit belijdt, dat God uit vrijen Wil de dingen tot het bestaan bracht, naar het psalmvers: « Al wat de Heer wilde, heeft Hij gemaakt » (Ps. 134. 6). Dat God de schepselen het bestaan geeft, hangt dus van zijn Wil af. Niet anders behoudt Hij de dingen in het bestaan, dan door bij voortduring dat zijn in hen te doen invloeien zooals gezegd is (1e Art., 4e Antw.). Zooals Hij dus, vóór de dingen bestonden, bij machte was hun dat bestaan niet mede te deelen, en ze aldus niet te maken; zoo kan Hij, nadat ze gemaakt zijn, hun dat bestaan niet invloeien, en zoo houden ze op te bestaan. En dat is hen vernietigen.Leerstelling. — Sommigen hebben de stelling opgezet, dat 44God de dingen uit natuur-noodzaak tot het bestaan bracht. Als dat waar was, kon God geen enkel ding vernietigen evenmin als Hij van natuur veranderen kan. Maar, zoals boven gezegd is (19e Kw., 4e Art.), is deze stelling vals, en absoluut vreemd aan het Katholieke geloof, want dit belijdt, dat God uit vrijen Wil de dingen tot het bestaan bracht, naar het psalmvers: “Al wat de Heer wilde, heeft Hij gemaakt” (Ps. 134. 6)a. Dat God de schepselen het bestaan geeft, hangt dus van zijn Wil af. Niet anders behoudt Hij de dingen in het bestaan, dan door bij voortduring dat zijn in hen te doen invloeien zoals gezegd is (1e Art., 4e Antw.). Zoals Hij dus, vóór de dingen bestonden, bij machte was hun dat bestaan niet mede te delen, en ze aldus niet te maken; zo kan Hij, nadat ze gemaakt zijn, hun dat bestaan niet invloeien, en zo houden ze op te bestaan. En dat is hen vernietigen.
Ad primum ergo dicendum quod non esse non habet causam per se: quia nihil potest esse causa nisi inquantum est ens; ens autem, per se loquendo, est causa essendi. Sic igitur Deus non potest esse causa tendendi in non esse: sed hoc habet creatura ex seipsa, inquantum est de nihilo. Sed per 45accidens Deus potest esse causa quod res in nihilum redigantur, subtrahendo scilicet suam actionem a rebus.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Niet-zijn heeft op zich geen oorzaak, want niets kan oorzaak zijn dan in zoover het een ding is; een ding is echter op zich oorzaak van zijn. Dus kan God geen oorzaak zijn van het streven naar niet-zijn, maar dit heeft het schepsel uit zichzelf, in zoover het uit het niet is. Op bijkomstige 45wijze echter kan God oorzaak zijn, dat een ding vernietigd wordt, door nl. zijn activiteit eraan te onttrekken.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Niet-zijn heeft op zich geen oorzaak, want niets kan oorzaak zijn dan in zover het een ding is; een ding is echter op zich oorzaak van zijn. Dus kan God geen oorzaak zijn van het streven naar niet-zijn, maar dit heeft het schepsel uit zichzelf, in zover het uit het niet is. Op bijkomstige 45wijze echter kan God oorzaak zijn, dat een ding vernietigd wordt, door nl. zijn activiteit eraan te onttrekken.
Ad secundum dicendum quod bonitas Dei est causa rerum, non quasi ex necessitate naturae, quia divina bonitas non dependet ex rebus creatis; sed per liberam voluntatem. Unde sicut potuit sine praejudicio bonitatis suae, res non producere in esse; ita absque detrimento suae bonitatis, potest res in esse non conservare.
2. De Goedheid van God is oorzaak der dingen, maar niet uit natuurnoodzaak, want Gods Goedheid hangt niet van de geschapen dingen af — doch uit vrijen Wil. Zooals Hij dus zonder nadeel voor zijn Goedheid bij machte was de dingen niet tot het bestaan te brengen, zoo kan Hij evenzeer — zijn Goedheid onverkort — de dingen niet in het bestaan behouden.2. De Goedheid van God is oorzaak van de dingen, maar niet uit natuurnoodzaak, want Gods Goedheid hangt niet van de geschapen dingen af — doch uit vrijen Wil. Zoals Hij dus zonder nadeel voor zijn Goedheid bij machte was de dingen niet tot het bestaan te brengen, zo kan Hij evenzeer — zijn Goedheid onverkort — de dingen niet in het bestaan behouden.
Ad tertium dicendum quod, si Deus rem aliquam redigeret in nihilum, hoc non esset per aliquam actionem; sed per hoc quod ab agendo cessaret.
3. Als God iets vernietigde, zou dat niet door een daad zijn, maar hierdoor, dat Hij met werken ophield.
Utrum aliquid in nihilum redigatur
Wordt er in feite iets vernietigd?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod aliquid in nihilum redigatur. Finis enim respondet principio. Sed a principio nihil erat nisi Deus. Ergo ad hunc finem res perducentur, ut nihil sit nisi Deus. Et ita creaturae in nihilum redigentur.
Bedenkingen. — Men beweert, dat er iets vernietigd wordt. — 1. Het eindpunt beantwoordt aan het begin. Maar in den beginne was er niets buiten God. Dus worden de dingen naar dit eindpunt gebracht, dat er niets zij buiten God. En derhalve worden de schepselen vernietigd.Bedenkingen. — Men beweert, dat er iets vernietigd wordt. — 1. Het eindpunt beantwoordt aan het begin. Maar in de beginne was er niets buiten God. Dus worden de dingen naar dit eindpunt gebracht, dat er niets zij buiten God. En derhalve worden de schepselen vernietigd.
462. Praeterea, omnis creatura habet potentiam finitam. Sed nulla potentia finita se extendit ad infinitum: unde in 8. Physic. [cap. 10. n. 1.] probatur quod potentia finita non potest movere tempore infinito. Ergo nulla creatura potest durare in infinitum. Et ita quandoque in nihilum redigetur.
462. Ieder schepsel heeft eindige kracht. Maar geen eindige kracht reikt in het oneindige; daaruit juist wordt in de Physica bewezen, dat een eindige kracht niet gedurende een oneindigen tijd kan bewegen. Dus kan geen schepsel oneindig duren, en wordt dus eenmaal vernietigd.462. Ieder schepsel heeft eindige kracht. Maar geen eindige kracht reikt in het oneindige; daaruit juist wordt in de Fysica bewezen, dat een eindige kracht niet gedurende een oneindigen tijd kan bewegen. Dus kan geen schepsel oneindig duren, en wordt dus eenmaal vernietigd.
3. Praeterea, formae et accidentia non habent materiam partem sui. Sed quandoque desinunt esse. Ergo in nihilum rediguntur.
3. Vorm en bijkomstigheden hebben geen stof als deel van zichzelf. Somtijds echter houden ze op te bestaan. Zij worden dus vernietigd.
Sed contra est, quod dicitur Eccles. 3. [v. 14]: « Didici quod omnia opera quae fecit Deus, perseverant in aeternum ».
Daartegenover staat echter wat in den Prediker (3. 14) gezegd wordt: « Ik heb geleerd, dat alle dingen, die God gemaakt heeft, blijven in eeuwigheid ».Daartegenover staat echter wat in de Prediker (3, 14) gezegd wordt: “Ik heb geleerd, dat alle dingen, die God gemaakt heeft, blijven in eeuwigheid”.
Respondeo dicendum quod eorum quae a Deo fiunt circa creaturam, quaedam proveniunt secundum naturalem cursum rerum; quaedam vero miraculose operantur praeter ordinem naturalem creaturis inditum, ut infra dicitur [q. seq. art. 6.]. Quae autem facturus est Deus secundum ordinem naturalem rebus inditum, considerari possunt ex ipsis rerum naturis: quae 47vero miraculose fiunt, ordinantur ad gratiae manifestationem, secundum illud Apostoli 1. ad Cor. 12. [v. 7]: « Unicuique datur manifestatio spiritus ad utilitatem »; et postmodum, inter caetera, subdit de miraculorum operatione. Creaturarum autem naturae hoc demonstrant, ut nulla earum in nihilum redigatur: quia vel sunt immateriales, et sic in eis non est potentia ad non esse; vel sunt materiales, et sic saltem remanent semper secundum materiam, quae incorruptibilis est, utpote subjectum existens generationis et corruptionis. Redigere etiam aliquid in nihilum, non pertinet ad gratiae manifestationem: cum magis per hoc divina potentia et bonitas ostendatur, quod res in esse conservat. Unde simpliciter dicendum est quod nihil omnino in nihilum redigetur.
Leerstelling. — Van alle dingen, die door God met betrekking tot de schepping geschieden, gebeuren er sommige volgens den natuurlijken gang van zaken; sommige echter, zooals hieronder gezegd zal worden (105e Kw. 6e Art.), op wonderbare wijze buiten de natuurlijke orde in de schepping gelegd om. Wat God echter doen zal volgens de natuurlijke, in de schepping gelegde orde, kan uit de natuur zelf der dingen gekend worden. Wat echter door een wonder gebeurt, is gericht op de openbaring der genade, naar het woord van den Apostel: « Aan eenieder wordt 47de Geestesuiting geschonken om er nut mee te doen » (1 Cor. 12. 7), en daarna voegt hij het een en ander toe over het doen van wonderen. De natuur der schepselen nu toont aan, dat er niets vernietigd wordt: want ofwel zijn de schepselen onstoffelijk, en zoo is er zelfs geen potentie tot niet-zijn in hen; ofwel zijn ze stoffelijk, en zoo blijven ze altijd, minstens naar de stof, die als subject van ontstaan en vergaan, onbederfelijk is. — Iets vernietigen behoort ook niet tot de openbaring der genade: eerder wordt Gods Macht en Goedheid getoond, doordat Hij de dingen in het bestaan behoudt. Zoo is dus zonder meer te zeggen, dat absoluut niets vernietigd wordt.Leerstelling. — Van alle dingen, die door God met betrekking tot de schepping geschieden, gebeuren er sommige volgens de natuurlijke gang van zaken; sommige echter, zoals hieronder gezegd zal worden (105e Kw. 6e Art.), op wonderbare wijze buiten de natuurlijke orde in de schepping gelegd om. Wat God echter doen zal volgens de natuurlijke, in de schepping gelegde orde, kan uit de natuur zelf van de dingen gekend worden. Wat echter door een wonder gebeurt, is gericht op de openbaring van de genade, naar het woord van de Apostel: “Aan eenieder wordt 47de Geestesuiting geschonken om er nut mee te doen” (1 Kor. 12. 7), en daarna voegt hij het een en ander toe over het doen van wonderen. De natuur van de schepselen nu toont aan, dat er niets vernietigd wordt: want ofwel zijn de schepselen onstoffelijk, en zo is er zelfs geen potentie tot niet-zijn in hen; ofwel zijn ze stoffelijk, en zo blijven ze altijd, minstens naar de stof, die als subject van ontstaan en vergaan, onbederfelijk is. — Iets vernietigen behoort ook niet tot de openbaring van de genade: eerder wordt Gods Macht en Goedheid getoond, doordat Hij de dingen in het bestaan behoudt. Zo is dus zonder meer te zeggen, dat absoluut niets vernietigd wordt.
Ad primum ergo dicendum quod hoc quod res in esse productae sunt, postquam non fuerunt, declarat potentiam producentis. Sed quod in nihilum redigerentur, hujusmodi manifestationem impediret: cum Dei potentia in hoc maxime ostendatur, quod res in esse conservat, secundum illud Apostoli Hebr. 1. [v. 3]: « Portans omnia verbo virtutis suae ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dat de dingen tot het bestaan gebracht zijn, nadat ze niet waren, toont de macht van Hem, die ze voortbracht. Maar dat ze vernietigd zouden worden belet zulk een openbaring, daar naar het woord van den Apostel Gods macht ten zeerste getoond wordt door de dingen te behouden: « Hij draagt alles door het woord zijner macht ». (Hebr. 1. 3).Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dat de dingen tot het bestaan gebracht zijn, nadat ze niet waren, toont de macht van Hem, die ze voortbracht. Maar dat ze vernietigd zouden worden belet zulk een openbaring, daar naar het woord van de Apostel Gods macht ten zeerste getoond wordt door de dingen te behouden: “Hij draagt alles door het woord van zijn macht”. (Hebr. 1. 3).
Ad secundum dicendum quod potentia creaturae ad essendum est 48receptiva tantum; sed potentia activa est ipsius Dei, a quo est influxus essendi. Unde quod res in infinitum durent, sequitur infinitatem divinae virtutis. Determinatur tamen quibusdam rebus virtus ad manendum tempore determinato, inquantum impediri possunt ne percipiant influxum essendi qui est ab eo, ex aliquo contrario agente, cui finita virtus non potest resistere tempore infinito, sed solum tempore determinato. Et ideo ea quae non habent contrarium, quamvis habeant finitam virtutem, perseverant in aeternum.
2. Het vermogen der schepselen om te zijn, is om te ontvangen 48alleen; maar de actieve macht is bij God, van wien de invloeiïng van het bestaan is. Dat dus de dingen in oneindigheid voortduren volgt op de oneindigheid van Gods Macht. Sommige dingen wordt echter een kracht bepaald om slechts bepaalden tijd te blijven, in zoover hun belet kan worden van Hem de invloeiïng van het zijn te ontvangen, door een tegenwerkende kracht, waaraan een eindige kracht geen oneindigen doch slechts bepaalden tijd kan weerstaan. Vandaar dat de dingen, die geen tegengestelde hebben, al hebben ze een eindige kracht, in eeuwigheid blijven.2. Het vermogen van de schepselen om te zijn, is om te ontvangen 48alleen; maar de actieve macht is bij God, van wie de invloeiïng van het bestaan is. Dat dus de dingen in oneindigheid voortduren volgt op de oneindigheid van Gods Macht. Sommige dingen wordt echter een kracht bepaald om slechts bepaalden tijd te blijven, in zover hun belet kan worden van Hem de invloeiïng van het zijn te ontvangen, door een tegenwerkende kracht, waaraan een eindige kracht geen oneindigen doch slechts bepaalden tijd kan weerstaan. Vandaar dat de dingen, die geen tegengestelde hebben, al hebben ze een eindige kracht, in eeuwigheid blijven.
Ad tertium dicendum quod formae et accidentia non sunt entia completa, cum non subsistant, sed quodlibet eorum est aliquid entis: sic enim ens dicitur, quia eo aliquid est. Et tamen eo modo quo sunt, non omnino in nihilum rediguntur; non quia aliqua pars eorum remanet, sed remanet in potentia materiae vel subjecti.
3. Vormen en bijkomstigheden zijn geen volledige dingen, want ze zijn geen zelfstandigheden, maar iets van iets anders; zij worden ding genoemd, omdat door hen iets anders is. Maar zelfs op de wijze waarop ze zijn, worden ze niet geheel vernietigd, niet alsof een deel ervan zou blijven, maar omdat ze blijven in de potentie van de stof of het subject.