Theologische Summa · Prima Pars · De werking des menschenDe werking van de mensSumma · I · De werking des menschenDe werking van de mensSumma · I · Kw. 117Kw. 117
Quaestio CXVII

De pertinentibus ad hominis actionem, in quatuor articulos divisa

Kwestie 117

De werking des menschenDe werking van de mens

(Vier Artikelen)

311Postea considerandum est de his quae pertinent ad actionem hominis, qui est compositus ex spirituali et corporali creatura. Et primo considerandum est de actione hominis; secundo de propagatione hominis ex homine. Circa primum quaeruntur quatuor: 1. Utrum unus homo possit docere alium, causando in ipso scientiam. — 2. Utrum unus homo possit docere angelum. — 3. Utrum homo per virtutem suae animae possit immutare materiam corporalem. — 4. Utrum anima hominis separata possit movere corpora motu locali.

311Na het voorgaande dient al datgene beschouwd te worden, dat betrekking heeft op de werking van den mensch, die uit een geestelijk en lichamelijk schepsel is samengesteld. Op de eerste plaats moeten we de activiteit van den mensch bezien, en vervolgens de voortplanting van den mensch uit den mensch. Met betrekking tot het eerste punt, stellen we vier vragen: 1. Kan de eene mensch den ander onderwijzen door in hem wetenschap te veroorzaken? 2. Kan een mensch een engel onderwijzen? 3. Kan de mensch door de kracht zijner ziel lichamelijke stof veranderen? 4. Kan de van het lichaam gescheiden menschelijke ziel andere lichamen plaatselijk bewegen?311Na het voorgaande dient al datgene beschouwd te worden, dat betrekking heeft op de werking van de mens, die uit een geestelijk en lichamelijk schepsel is samengesteld. Op de eerste plaats moeten we de activiteit van de mens bezien, en vervolgens de voortplanting van de mens uit de mens. Met betrekking tot het eerste punt, stellen we vier vragen: 1. Kan de ene mens de ander onderwijzen door in hem wetenschap te veroorzaken? 2. Kan een mens een engel onderwijzen? 3. Kan de mens door de kracht van zijn ziel lichamelijke stof veranderen? 4. Kan de van het lichaam gescheiden menselijke ziel andere lichamen plaatselijk bewegen?

Articulus I

Utrum unus homo possit alium docere

[2. Dist. 9. art. 2. ad 4; Dist. 28. art. 5. ad 3; 2. Cont. g. cap. 75; De Verit. q. 11. art. 1; Opusc. 16. cap. 5.].
Ie Artikel

Kan de eene mensch den andere onderwijzen door in hem wetenschap te veroorzaken?Kan de ene mens de andere onderwijzen door in hem wetenschap te veroorzaken?

antwoord 1 ↓

312Ad primum sic proceditur. Videtur quod homo non possit alium docere. Dicit enim Dominus, Matth. 23. [v. 8]: « Nolite vocari Rabbi »; ubi dicit Glossa Hieronymi [interl.]: « Ne divinum honorem hominibus tribuatis ». Esse ergo magistrum pertinet proprie ad divinum honorem. Sed docere est proprium magistri. Homo ergo non potest docere, sed hoc est proprium Dei.

312Bedenkingen. — Men beweert, dat de eene mensch den ander niet kan onderwijzen. — 1. De Heer zegt immers bij Mattheus (23. 8): « Wilt niet leeraar genoemd worden », waarbij Hieronymus opmerkt: « Om geen goddelijke eer aan de menschen te geven ». Leeraar zijn behoort dus eigenlijk bij de goddelijke eer. Maar onderwijzen is het eigene van den leeraar. De mensch kan dus niet onderwijzen, maar dit is eigen aan God.312Bedenkingen. — Men beweert, dat de ene mens de ander niet kan onderwijzen. — 1. De Heer zegt immers bij Matteüs (23, 8): “Wilt niet leraar genoemd worden”, waarbij Hieronymus opmerkt: “Om geen goddelijke eer aan de mensen te geven”. Leraar zijn behoort dus eigenlijk bij de goddelijke eer. Maar onderwijzen is het eigene van de leraar. De mens kan dus niet onderwijzen, maar dit is eigen aan God.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, si homo alium docet, hoc non est nisi inquantum agit per scientiam suam ad causandum scientiam in alio. Sed qualitas per quam aliquis agit ad faciendum sibi simile, est qualitas activa. Ergo sequitur quod scientia sit qualitas activa, sicut et calor.

2. Als de mensch onderwijst is dat niet dan voor zoover hij door eigen wetenschap handelt om in een ander wetenschap voort te brengen. Maar de kwaliteit waardoor iemand werkt om iets naar eigen gelijkenis voort te brengen, is een actieve kwaliteit. Er volgt dus uit, dat wetenschap, evenals warmte, een actieve kwaliteit is.2. Als de mens onderwijst is dat niet dan voor zover hij door eigen wetenschap handelt om in een ander wetenschap voort te brengen. Maar de kwaliteit waardoor iemand werkt om iets naar eigen gelijkenis voort te brengen, is een actieve kwaliteit. Er volgt dus uit, dat wetenschap, evenals warmte, een actieve kwaliteit is.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, ad scientiam requiritur lumen intelligibile et species rei 313intellectae. Sed neutrum istorum potest causare unus homo in alio. Ergo unus homo non potest docendo causare scientiam in alio.

3. Voor wetenschap worden verstandslicht en kenbeelden der gekende zaak vereischt. Maar de eene mensch kan geen van beide 313in een ander veroorzaken. Dus kan de eene mensch den ander niet onderwijzen door in hem wetenschap te veroorzaken.3. Voor wetenschap worden verstandslicht en kenbeelden van de gekende zaak vereist. Maar de ene mens kan geen van beide 313in een ander veroorzaken. Dus kan de ene mens de ander niet onderwijzen door in hem wetenschap te veroorzaken.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, doctor nihil agit ad discipulum nisi quod proponit ei quaedam signa, vel vocibus aliquid significando, vel nutibus. Sed proponendo signa non potest aliquis alium docere, causando in eo scientiam. Quia aut proponit signa rerum notarum; aut rerum ignotarum. Si rerum notarum, ille ergo cui signa proponuntur, jam habet scientiam, et eam non acquirit a magistro. Si autem rerum ignotarum, per hujusmodi signa nihil addiscit: sicut si aliquis proponeret alicui latino verba graeca, quorum significationem ignoraret, per hoc eum docere non posset. Nullo ergo modo unus homo potest, alium docendo, scientiam in eo causare.

4. De leeraar doet voor den leerling niets anders, dan hem eenige teekenen voorstellen door woorden of gesties beteekend. Maar door het voorstellen van teekenen kan iemand een ander niet onderwijzen door in hem wetenschap te veroorzaken, want hij stelt ofwel teekenen van bekende dingen voor ofwel van onbekende. Indien van bekende dingen, dan heeft degene aan wien ze worden voorgesteld, de wetenschap al, en verkrijgt ze dus niet van den leeraar. Indien van onbekende dingen, dan leert hij er niets door: zooals wanneer iemand aan een Latijn grieksche woorden voorstelt, waarvan hij de beteekenis niet weet, kan hij hem hierdoor niet onderwijzen. Op geen enkele manier kan dus de eene mensch door den ander te onderwijzen, wetenschap in hem veroorzaken.4. De leraar doet voor de leerling niets anders, dan hem enige tekenen voorstellen door woorden of gesties betekend. Maar door het voorstellen van tekenen kan iemand een ander niet onderwijzen door in hem wetenschap te veroorzaken, want hij stelt ofwel tekenen van bekende dingen voor ofwel van onbekende. Indien van bekende dingen, dan heeft degene aan wie ze worden voorgesteld, de wetenschap al, en verkrijgt ze dus niet van de leraar. Indien van onbekende dingen, dan leert hij er niets door: zoals wanneer iemand aan een Latijn Griekse woorden voorstelt, waarvan hij de betekenis niet weet, kan hij hem hierdoor niet onderwijzen. Op geen enkele manier kan dus de ene mens door de ander te onderwijzen, wetenschap in hem veroorzaken.

Sed contra est quod Apostolus dicit 1. ad Tim. 2. [v. 7]: « In quo positus sum ego praedicator et Apostolus, Doctor gentium in fide et veritate ».

Daartegenover staat echter, dat de Apostel zegt: « Hiertoe ben ik aangesteld als heraut en apostel, als leeraar der heidenen in geloof en waarheid » (1 Tim. 2. 7).Daartegenover staat echter, dat de Apostel zegt: “Hiertoe ben ik aangesteld als heraut en apostel, als leraar van de heidenen in geloof en waarheid” (1 Tim. 2. 7).

Respondeo dicendum quod circa hoc diversae fuerunt opiniones. 314Averroës enim in comment. 3. de Anima, posuit unum intellectum possibilem esse omnium hominum, ut supra dictum est [q. 76. art. 2.]. Et ex hoc sequebatur quod eaedem species intelligibiles sint omnium hominum. Et secundum hoc ponit quod unus homo per doctrinam non causat aliam scientiam in altero ab ea quam ipse habet; sed communicat ei eamdem scientiam quam ipse habet, per hoc quod movet eum ad ordinandum phantasmata in anima sua, ad hoc quod sint disposita convenienter ad intelligibilem comprehensionem1. Quae quidem opinio quantum ad hoc vera est, quod est eadem scientia in discipulo et magistro, si consideretur identitas secundum unitatem rei scitae: eadem enim rei veritas est quam cognoscit et discipulus et magister. Sed quantum ad hoc quod ponit esse unum intellectum possibilem omnium hominum, et easdem species intelligibiles, differentes solum secundum diversa phantasmata; falsa est eius opinio, ut supra habitum est [loc. cit.].

Leerstelling. — Over dit punt zijn verschillende opvattingen 314geweest. Zooals boven gezegd, meende Averroës, dat er slechts één kennend verstand voor alle menschen samen is. En hieruit volgde, dat er ook dezelfde kenbeelden voor alle menschen zijn. En daarom meende hij, dat de eene mensch door zijn onderwijs in den ander geen wetenschap veroorzaakt, die onderscheiden is van die hij zelf heeft; maar hij deelt hem de wetenschap, die hij zelf heeft mede, doordat hij hem beweegt de fantasiebeelden in zijn ziel zoo te rangschikken, dat ze gedisponeerd zijn in overeenstemming met de verstandelijke waarneming. — Deze meening is in zoover waar, dat dezelfde wetenschap in leerling en leeraar is, als men de identiteit ziet naar de eenheid der geweten zaak: het is nl. dezelfde waarheid van het ding, dat de leerling en de leeraar kent. Maar in zoover hij één verstand voor alle menschen aanneemt, en dezelfde kenbeelden, die alleen verschillen naar de verschillende fantasiebeelden, is, zooals boven gezegd, zijn opinie valsch.Leerstelling. — Over dit punt zijn verschillende opvattingen 314geweest. Zoals boven gezegd, meende Averroës, dat er slechts één kennend verstand voor alle mensen samen is. En hieruit volgde, dat er ook dezelfde kenbeelden voor alle mensen zijn. En daarom meende hij, dat de ene mens door zijn onderwijs in de ander geen wetenschap veroorzaakt, die onderscheiden is van die hij zelf heeft; maar hij deelt hem de wetenschap, die hij zelf heeft mede, doordat hij hem beweegt de fantasiebeelden in zijn ziel zo te rangschikken, dat ze gedisponeerd zijn in overeenstemming met de verstandelijke waarneming. — Deze mening is in zover waar, dat dezelfde wetenschap in leerling en leraar is, als men de identiteit ziet naar de eenheid van de geweten zaak: het is nl. dezelfde waarheid van het ding, dat de leerling en de leraar kent. Maar in zover hij één verstand voor alle mensen aanneemt, en dezelfde kenbeelden, die alleen verschillen naar de verschillende fantasiebeelden, is, zoals boven gezegd, zijn opinie vals.

Alia est opinio Platonicorum, quia posuerunt quod scientia inest a principio animabus nostris per participationem formarum separatarum, sicut supra habitum est [q. 84. art. 3. 4.]. Sed anima ex unione corporis impeditur, ne possit considerare libere ea, quorum scientiam habet. Et 315secundum hoc, discipulus a magistro non acquirit scientiam de novo, sed ab eo excitatur ad considerandum ea quorum scientiam habet; ut sic addiscere nihil aliud sit quam reminisci. Sic etiam ponebant quod agentia naturalia solummodo disponunt ad susceptionem formarum, quas acquirit materia corporalis per participationem specierum separatarum. Sed contra hoc supra ostensum est [q. 79. art. 2; q. 84. art. 3.] quod intellectus possibilis animae humanae est in potentia pura ad intelligibilia, secundum quod Aristoteles dicit in 3. de Anima [cap. 4. n. 11.].

Een andere opvatting is die der Platonici, die, zooals boven gezegd is (84e Kw 3e en 4e Art.), meenden, dat vanaf het begin de wetenschap door deelname aan de onstoffelijke vormen, in onze 315zielen is; maar de ziel wordt door de vereeniging met het lichaam verhinderd om vrij, wat zij weet, te beschouwen. En daarom krijgt de leerling van den leermeester niet nieuwe wetenschap, maar wordt hij door hem opgewekt, om wat hij weet te beschouwen, zoodat aanleeren niets anders is dan zich herinneren. Zoo meenden zij ook, dat de natuurlijke werkoorzaken alleen maar disponeerden voor de ontvangst der vormen, welke de stof verkrijgt door deelname aan de onstoffelijke soorten. — Maar hiertegenover is boven aangetoond (79e Kw. 2e Art.; 84e Kw. 3e Art.), dat volgens Aristoteles, het werkverstand der menschelijke ziel met betrekking tot de te begrijpen dingen in pure potentie is.Een andere opvatting is die van de Platonici, die, zoals boven gezegd is (84e Kw 3e en 4e Art.), meenden, dat vanaf het begin de wetenschap door deelname aan de onstoffelijke vormen, in onze 315zielen is; maar de ziel wordt door de vereniging met het lichaam verhinderd om vrij, wat zij weet, te beschouwen. En daarom krijgt de leerling van de leermeester niet nieuwe wetenschap, maar wordt hij door hem opgewekt, om wat hij weet te beschouwen, zodat aanleren niets anders is dan zich herinneren. Zo meenden zij ook, dat de natuurlijke werkoorzaken alleen maar disponeerden voor de ontvangst van de vormen, welke de stof verkrijgt door deelname aan de onstoffelijke soorten. — Maar hiertegenover is boven aangetoond (79e Kw. 2e Art.; 84e Kw. 3e Art.), dat volgens Aristoteles, het werkverstand van de menselijke ziel met betrekking tot de te begrijpen dingen in pure potentie is.

Et ideo aliter dicendum est, quod docens causat scientiam in addiscente, reducendo ipsum de potentia in actum, sicut dicitur in 8. Physic. [cap. 4. n. 6.]. Ad cujus evidentiam, considerandum est quod effectuum qui sunt ab exteriori principio, aliquis est ab exteriori principio tantum; sicut forma domus causatur in materia solum ab arte. Aliquis autem effectus est quandoque quidem ab exteriori principio, quandoque autem ab interiori: sicut sanitas causatur in infirmo quandoque ab exteriori principio, scilicet ab arte medicinae; quandoque autem ab interiori principio, ut cum aliquis sanatur per virtutem naturae. Et in talibus effectibus sunt duo attendenda. 316Primo quidem, quod ars imitatur naturam in sua operatione: sicut enim natura sanat infirmum alterando, digerendo, et expellendo materiam quae causat morbum, ita et ars. Secundo attendendum est. quod principium exterius, scilicet ars, non operatur sicut principale agens, sed sicut coadjuvans agens principale, quod est principium interius, confortando ipsum, et ministrando ei instrumenta et auxilia, quibus natura utatur ad effectum producendum: sicut medicus confortat naturam, et adhibet ei cibos et medicinas, quibus natura utatur ad finem intentum. Scientia autem acquiritur in homine et ab interiori principio, ut patet in eo qui per inventionem propriam scientiam acquirit; et a principio exteriori, ut patet in eo, qui addiscit. Inest enim unicuique homini quoddam principium scientiae, scilicet lumen intellectus agentis per quod cognoscuntur statim a principio naturaliter quaedam universalia principia omnium scientiarum. Cum autem aliquis hujusmodi universalia principia applicat ad aliqua particularia, quorum memoriam et experimentum per sensum accipit; per inventionem propriam acquirit scientiam eorum quae nesciebat, ex notis ad ignota procedens. Unde et quilibet docens, ex his quae discipulus novit, ducit eum in cognitionem eorum quae ignorabat; secundum quod dicitur in 1. Poster. [cap. 1. 317n. 1.], quod « omnis doctrina et omnis disciplina ex praeexistenti fit cognitione ». Ducit autem magister discipulum ex praecognitis in cognitionem ignotorum, dupliciter. Primo quidem, proponendo ei aliqua auxilia vel instrumenta, quibus intellectus ejus utatur ad scientiam acquirendam: puta cum proponit ei aliquas propositiones minus universales, quas tamen ex praecognitis discipulus dijudicare potest; vel cum proponit ei aliqua sensibilia exempla, vel similia, vel opposita, vel aliqua hujusmodi, ex quibus intellectus addiscentis manuducitur in cognitionem veritatis ignotae. Alio modo, cum confortat intellectum addiscentis; non quidem aliqua virtute activa quasi superioris naturae, sicut supra dictum est [q. 106. art. 1; q. 111. art. 1.] de angelis illuminantibus, quia omnes humani intellectus sunt unius gradus in ordine naturae; sed inquantum proponit discipulo ordinem principiorum ad conclusiones, qui forte per seipsum non haberet tantam virtutem collativam, ut ex principiis posset conclusiones deducere. 318Et ideo dicitur in 1. Poster. [cap. 11. n. 4.], quod, « daemonstratio est syllogismus faciens scire ». Et per hunc modum ille qui demonstrat, auditorem scientem facit.

En dus moet men zeggen, dat de leeraar in den leerling de wetenschap veroorzaakt door hem, zooals in de Physica gezegd wordt, van potentie tot actualiteit te brengen. Ter verduidelijking hiervan bedenke men, dat sommige van de gevolgen, die door een uitwendig beginsel worden voortgebracht, alleen door dat uitwendig beginsel zijn, zooals de vorm van een huis alleen door de kunst in de stof wordt voortgebracht. Andere zijn soms door een uitwendig, soms door een inwendig beginsel: zooals de gezondheid soms in een zieke door een uitwendig beginsel, nl. de geneeskunst, soms door een 316inwendig beginsel — wanneer iemand door de kracht zijner natuur geneest — wordt voortgebracht. En bij dergelijke gevolgen lette men op twee dingen. Ten eerste, dat de kunst in haar werking de natuur navolgt: zooals de natuur een zieke geneest door verandering, digestie, en verwijdering van de stoffen die de ziekte veroorzaken, zoo ook de kunst. Vervolgens lette men hierop, dat het uitwendig beginsel, de kunst, niet als voornaamste werkoorzaak werkt, maar als hulp van de voornaamste oorzaak, dat het inwendig beginsel is, door dit te versterken, en er werktuigen en hulpmiddelen aan te verschaffen, die het gebruikt om het gevolg te bewerken: zooals de medicus de natuur versterkt, en spijzen en geneesmiddelen voorschrijft, die de natuur tot het beoogde doel gebruikt. Wetenschap nu verwerft de mensch én door een inwendig beginsel, zooals blijkt bij dengene die door eigen vinding wetenschap verwerft, én door een uitwendig beginsel, zooals blijkt bij hem die leert. In iederen mensch toch is een beginsel van wetenschap, nl. het licht van het werkverstand, waardoor dadelijk vanaf het begin van natuurwege sommige algemeene beginselen van alle wetenschappen gekend worden. Wanneer nu iemand dergelijke algemeene beginselen toepast op sommige particuliere gevallen, waarvan hij 317herinnering en ondervinding door de zinnen kreeg, verwerft hij door eigen vinding de kennis der dingen, die hij niet kende, doordat hij van het bekende tot wat onbekend was redeneert. Vandaar dat ook iedere leeraar zijn leerling van hetgeen deze weet tot de kennis brengt van hetgeen deze niet wist, volgens het gezegde uit de Posteriora Analytica: « Iedere leer en ieder onderwijs ontstaat uit de reeds vooraf aanwezige kennis ». Maar de leermeester brengt zijn leerling op twee manieren van hetgeen deze reeds wist, tot de kennis van het onbekende. Vooreerst door hem de werktuigen en hulpmiddelen te wijzen, die het verstand gebruikt om kennis te verwerven: b.v. als hij hem sommige minder algemeene oordeelen voorhoudt, die de leerling uit hetgeen hij reeds weet, kan beoordeelen; of als hij hem zinnelijk waarneembare voorbeelden geeft, gelijke of tegengestelde, o. i. d., waardoor het verstand van den leerling geleid wordt tot de kennis van een niet gekende waarheid. — Vervolgens, als hij het verstand van zijn leerling versterkt, wel niet door eenig actief vermogen als van hoogere orde, zooals boven (106e Kw. 1e Art.; 111e Kw. 1e Art.) van de verlichting der engelen gezegd is, want alle menschenverstanden zijn in de orde der natuur van denzelfden graad; maar in zoover hij aan den leerling, die misschien zelf niet zooveel vergelijkingsvermogen heeft, dat hij uit de beginselen de conclusies 318kan trekken, de orde aantoont van de beginselen tot de conclusies. En daarom wordt in de Posteriora Analytica gezegd, dat « een bewijsvoering een syllogisme is, dat doet weten ». En op deze manier maakt degene die bewijst, zijn hoorder tot kenner.En dus moet men zeggen, dat de leraar in de leerling de wetenschap veroorzaakt door hem, zoals in de Fysica gezegd wordt, van potentie tot actualiteit te brengen. Ter verduidelijking hiervan bedenke men, dat sommige van de gevolgen, die door een uitwendig beginsel worden voortgebracht, alleen door dat uitwendig beginsel zijn, zoals de vorm van een huis alleen door de kunst in de stof wordt voortgebracht. Andere zijn soms door een uitwendig, soms door een inwendig beginsel: zoals de gezondheid soms in een zieke door een uitwendig beginsel, nl. de geneeskunst, soms door een 316inwendig beginsel — wanneer iemand door de kracht van zijn natuur geneest — wordt voortgebracht. En bij dergelijke gevolgen lette men op twee dingen. Ten eerste, dat de kunst in haar werking de natuur navolgt: zoals de natuur een zieke geneest door verandering, digestie, en verwijdering van de stoffen die de ziekte veroorzaken, zo ook de kunst. Vervolgens lette men hierop, dat het uitwendig beginsel, de kunst, niet als voornaamste werkoorzaak werkt, maar als hulp van de voornaamste oorzaak, dat het inwendig beginsel is, door dit te versterken, en er werktuigen en hulpmiddelen aan te verschaffen, die het gebruikt om het gevolg te bewerken: zoals de medicus de natuur versterkt, en spijzen en geneesmiddelen voorschrijft, die de natuur tot het beoogde doel gebruikt. Wetenschap nu verwerft de mens én door een inwendig beginsel, zoals blijkt bij dengene die door eigen vinding wetenschap verwerft, én door een uitwendig beginsel, zoals blijkt bij hem die leert. In iedere mens toch is een beginsel van wetenschap, nl. het licht van het werkverstand, waardoor dadelijk vanaf het begin van natuurwege sommige algemene beginselen van alle wetenschappen gekend worden. Wanneer nu iemand dergelijke algemene beginselen toepast op sommige particuliere gevallen, waarvan hij 317herinnering en ondervinding door de zinnen kreeg, verwerft hij door eigen vinding de kennis van de dingen, die hij niet kende, doordat hij van het bekende tot wat onbekend was redeneert. Vandaar dat ook iedere leraar zijn leerling van hetgeen deze weet tot de kennis brengt van hetgeen deze niet wist, volgens het gezegde uit de Posteriora Analytica: “Iedere leer en ieder onderwijs ontstaat uit de reeds vooraf aanwezige kennis”. Maar de leermeester brengt zijn leerling op twee manieren van hetgeen deze reeds wist, tot de kennis van het onbekende. Vooreerst door hem de werktuigen en hulpmiddelen te wijzen, die het verstand gebruikt om kennis te verwerven: bv. als hij hem sommige minder algemene oordelen voorhoudt, die de leerling uit hetgeen hij reeds weet, kan beoordelen; of als hij hem zinnelijk waarneembare voorbeelden geeft, gelijke of tegengestelde, o. i. d., waardoor het verstand van de leerling geleid wordt tot de kennis van een niet gekende waarheid. — Vervolgens, als hij het verstand van zijn leerling versterkt, wel niet door enig actief vermogen als van hogere orde, zoals boven (106e Kw. 1e Art.; 111e Kw. 1e Art.) van de verlichting van de engelen gezegd is, want alle mensenverstanden zijn in de orde van de natuur van dezelfde graad; maar in zover hij aan de leerling, die misschien zelf niet zoveel vergelijkingsvermogen heeft, dat hij uit de beginselen de conclusies 318kan trekken, de orde aantoont van de beginselen tot de conclusies. En daarom wordt in de Posteriora Analytica gezegd, dat “een bewijsvoering een syllogisme is, dat doet weten”. En op deze manier maakt degene die bewijst, zijn hoorder tot kenner.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod sicut jam dictum est [in corp.], homo docens solummodo exterius ministerium adhibet, sicut medicus sanans: sed sicut natura interior est principalis causa sanationis, ita et interius lumen intellectus est principalis causa scientiae. Utrumque autem horum est a Deo. Et ideo, sicut de Deo dicitur [Psal. 102. v. 3]: « Qui sanat omnes infirmitates tuas »; ita de eo dicitur [Psal. 93. v. 10]: « Qui docet hominem scientiam », inquantum « lumen vultus ejus super nos signatur », per quod nobis omnia ostenduntur.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals reeds gezegd is (in de Leerstelling), bewijst de mensch, die onderwijst, alleen uiterlijk dienst, zooals een medicus, die doet genezen; maar zooals de innerlijke natuur de voornaamste oorzaak der genezing is, zoo is ook het innerlijk licht der rede de voornaamste oorzaak der wetenschap. Beide is echter van God. En zooals dus van God gezegd wordt: « Die al uw zwakheden geneest » (Ps. 102. 3), zoo wordt ook van Hem gezegd: « Die den mensch de wetenschap leert » (Ps. 93. 10), in zoover nl. « het licht van zijn Aangezicht over ons licht » (Ps. 4. 7), waardoor ons alles wordt getoond.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals reeds gezegd is (in de Leerstelling), bewijst de mens, die onderwijst, alleen uiterlijk dienst, zoals een medicus, die doet genezen; maar zoals de innerlijke natuur de voornaamste oorzaak van de genezing is, zo is ook het innerlijk licht van de rede de voornaamste oorzaak van de wetenschap. Beide is echter van God. En zoals dus van God gezegd wordt: “Die al uw zwakheden geneest” (Ps. 102. 3)a, zo wordt ook van Hem gezegd: “Die de mens de wetenschap leert” (Ps. 93. 10)b, in zover nl. “het licht van zijn Aangezicht over ons licht” (Ps. 4. 7), waardoor ons alles wordt getoond.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod doctor non causat scientiam in discipulo per modum agentis naturalis, ut Averroës objicit [loc. cit.]. Unde non oportet quod scientia sit qualitas activa: sed est principium quo aliquis dirigitur in operando.

2. De leeraar veroorzaakt niet, zooals Averroës opwerpt, bij wijze van natuurlijke werkoorzaak, de kennis in zijn leerling. Daarom is het ook niet noodig, dat de wetenschap een actieve kwaliteit is: maar zij is het beginsel, waardoor iemand bij het onderwijs geleid wordt, zooals de kunst het beginsel is, waardoor iemand geleid wordt bij het werk.2. De leraar veroorzaakt niet, zoals Averroës opwerpt, bij wijze van natuurlijke werkoorzaak, de kennis in zijn leerling. Daarom is het ook niet nodig, dat de wetenschap een actieve kwaliteit is: maar zij is het beginsel, waardoor iemand bij het onderwijs geleid wordt, zoals de kunst het beginsel is, waardoor iemand geleid wordt bij het werk.

↑ bedenking 3

319Ad tertium dicendum quod magister non causat lumen intelligibile in discipulo, nec directe species intelligibiles: sed movet discipulum per suam doctrinam ad hoc, quod ipse per virtutem sui intellectus formet intelligibiles conceptiones, quarum signa sibi proponit exterius.

3193. De leeraar veroorzaakt niet het licht der rede in den leerling, noch onmiddellijk de kenbeelden, maar door zijn doctrien beïnvloedt hij zijn leerling, dat deze zelf door de kracht van zijn verstand de gedachte vormt, welker teekenen de leeraar uiterlijk voorhoudt.3193. De leraar veroorzaakt niet het licht van de rede in de leerling, noch onmiddellijk de kenbeelden, maar door zijn doctrine beïnvloedt hij zijn leerling, dat deze zelf door de kracht van zijn verstand de gedachte vormt, van welke tekenen de leraar uiterlijk voorhoudt.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum quod signa quae magister discipulo proponit, sunt rerum notarum in universali, et sub quadam confusione; sed ignotarum in particulari, et sub quadam distinctione. Et ideo cum quisque per seipsum scientiam acquirit non potest dici docere seipsum, vel esse suiipsius magister: quia non praeexistit in eo scientia completa, qualis requiritur in magistro.

4. De teekenen, die de leeraar aan zijn leerling voorhoudt, zijn van zaken, die in het algemeen, en met zekere verwardheid, gekend worden, maar in het particuliere en met zekere onderscheiding niet gekend zijn. Vandaar dat als iemand door zichzelf wetenschap verwerft, men niet van hem zegt, dat hij zichzelf onderwijst, of zijn eigen leermeester is, omdat in hem van te voren geen volledige kennis bestaat, zooals deze in den leeraar vereischt is.4. De tekenen, die de leraar aan zijn leerling voorhoudt, zijn van zaken, die in het algemeen, en met zekere verwardheid, gekend worden, maar in het particuliere en met zekere onderscheiding niet gekend zijn. Vandaar dat als iemand door zichzelf wetenschap verwerft, men niet van hem zegt, dat hij zichzelf onderwijst, of zijn eigen leermeester is, omdat in hem van te voren geen volledige kennis bestaat, zoals deze in de leraar vereist is.

Articulus II

Utrum homines possint docere angelos

[2. Dist. 11. art. 4; Opusc. 1. cap. 26; ad Ephes. cap. 3. lect. 3.].
IIe Artikel

Kan een mensch een engel onderwijzen?Kan een mens een engel onderwijzen?

antwoord 1 ↓

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod homines possint docere angelos. Dicit enim Apostolus ad Ephes. 3. [v. 10]: « Ut innotescat 320Principibus et Potestatibus in coelestibus per Ecclesiam multiformis sapientia Dei ». Sed Ecclesia est congregatio hominum fidelium. Ergo angelis per homines aliqua innotescunt.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de menschen de engelen kunnen onderwijzen. De Apostel zegt immers: « Opdat de veelzijdige Wijsheid Gods door de kerk aan de Hoogheden en 320Krachten bekend worde ». (Eph. 3. 10). Maar de kerk is de vereeniging van de geloovige menschen. Dus worden sommige dingen door de menschen aan de engelen bekend.Bedenkingen. — Men beweert, dat de mensen de engelen kunnen onderwijzen. De Apostel zegt immers: “Opdat de veelzijdige Wijsheid Gods door de kerk aan de Hoogheden en 320Krachten bekend worde”. (Ef. 3. 10). Maar de kerk is de vereniging van de gelovige mensen. Dus worden sommige dingen door de mensen aan de engelen bekend.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, angeli superiores, qui immediate de divinis a Deo illuminantur, inferiores angelos instruere possunt, ut supra dictum est [q. 106. art. 1; q. 112. art. 3.]. Sed aliqui homines immediate de divinis per Dei Verbum sunt instructi; sicut maxime patet de Apostolis, secundum illud ad Hebr. 1. [v. 1. 2]: « Novissime diebus istis, locutus est nobis in Filio ». Ergo aliqui homines aliquos angelos docere potuerunt.

2. De hoogere engelen, die over de goddelijke dingen onmiddellijk door God verlicht worden, kunnen zooals boven gezegd is (106e Kw. 1e Art.; 112e Kw. 3e Art.), de lagere aanwijzingen geven. Maar sommige menschen zijn onmiddellijk door het Woord Gods onderwezen, zooals vooral van de Apostelen blijkt, naar het woord uit den Brief aan de Hebreën (1. 1, 2): « Tenslotte heeft Hij, in deze dagen, tot ons gesproken in zijn Zoon ». Dus hebben sommige menschen sommige engelen kunnen onderwijzen.2. De hogere engelen, die over de goddelijke dingen onmiddellijk door God verlicht worden, kunnen zoals boven gezegd is (106e Kw. 1e Art.; 112e Kw. 3e Art.), de lagere aanwijzingen geven. Maar sommige mensen zijn onmiddellijk door het Woord Gods onderwezen, zoals vooral van de Apostelen blijkt, naar het woord uit de Brief aan de Hebreën (1, 1, 2): “Tenslotte heeft Hij, in deze dagen, tot ons gesproken in zijn Zoon”. Dus hebben sommige mensen sommige engelen kunnen onderwijzen.

antwoord 3 ↓

2. Praeterea, inferiores angeli a superioribus instruuntur. Sed quidam homines superiores sunt aliquibus angelis: cum ad supremos ordines angelorum aliqui homines assumantur, ut Gregorius dicit in quadam homil. [34.]. Ergo aliqui inferiores angeli per aliquos homines de divinis instrui possunt.

3. De lagere engelen worden door de hoogere onderwezen. Maar sommige menschen zijn de meerderen van sommige engelen; want, zooals Gregorius zegt, worden sommige menschen tot de hoogste engelenkoren opgenomen. Dus kunnen sommige lagere engelen door sommige menschen over de goddelijke dingen onderwezen worden.3. De lagere engelen worden door de hogere onderwezen. Maar sommige mensen zijn de meerderen van sommige engelen; want, zoals Gregorius zegt, worden sommige mensen tot de hoogste engelenkoren opgenomen. Dus kunnen sommige lagere engelen door sommige mensen over de goddelijke dingen onderwezen worden.

Sed contra est quod Dionysius dicit 4. cap. de Div. Nom., quod 321omnes divinae illuminationes perferuntur ad homines mediantibus angelis. Non ergo angeli instruuntur per homines de divinis.

Daartegenover staat echter, wat Dionysius zegt, dat alle goddelijke verlichtingen door middel van de engelen tot de menschen 321komen. Dus worden niet de engelen door de menschen over de goddelijke dingen onderwezen.Daartegenover staat echter, wat Dionysius zegt, dat alle goddelijke verlichtingen door middel van de engelen tot de mensen 321komen. Dus worden niet de engelen door de mensen over de goddelijke dingen onderwezen.

Respondeo dicendum quod, sicut supra habitum est [q. 107. art. 2.], inferiores angeli loqui quidem possunt superioribus angelis, manifestando eis suas cogitationes; sed de rebus divinis superiores ab inferioribus numquam illuminantur. Manifestum est autem quod eo modo quo inferiores angeli superioribus subduntur, supremi homines subduntur etiam infimis angelorum. Quod patet per id, quod Dominus dicit Matth. 11. [v. 11]: « Inter natos mulierum non surrexit major Joanne Baptista; sed qui minor est in regno coelorum, major est illo ». Sic igitur de rebus divinis ab hominibus angeli numquam illuminantur. Cogitationes tamen suorum cordium homines angelis per modum locutionis manifestare possunt: quia secreta cordium scire solius Dei est.

Leerstelling. — Zooals boven gezegd is (107e Kw. 2e Art.), kunnen de lagere engelen wel tot de hoogere spreken door hun gedachten aan hen bekend te maken, maar over de goddelijke dingen worden de hoogere nooit door de lagere verlicht. Het is echter klaar, dat op dezelfde manier, waarop de lagere engelen aan de hoogere onderworpen zijn, ook de hoogste menschen aan de laagste engelen onderworpen zijn. Dat blijkt uit hetgeen de Heer bij Mattheus zegt (11. 11): « Onder de kinderen der vrouwen is er geen grooter opgestaan dan Joannes de Dooper, maar de minste in het rijk der hemelen is grooter dan hij ». Zoo worden dus de engelen over de goddelijke dingen nooit door de menschen verlicht. Maar de menschen kunnen hun geheime gedachten aan de engelen bij wijze van spreken bekend maken, want God alleen kent de geheimen des harten.Leerstelling. — Zoals boven gezegd is (107e Kw. 2e Art.), kunnen de lagere engelen wel tot de hogere spreken door hun gedachten aan hen bekend te maken, maar over de goddelijke dingen worden de hogere nooit door de lagere verlicht. Het is echter klaar, dat op dezelfde manier, waarop de lagere engelen aan de hogere onderworpen zijn, ook de hoogste mensen aan de laagste engelen onderworpen zijn. Dat blijkt uit hetgeen de Heer bij Matteüs zegt (11, 11): “Onder de kinderen van de vrouwen is er geen groter opgestaan dan Johannes de Doper, maar de minste in het rijk van de hemelen is groter dan hij”. Zo worden dus de engelen over de goddelijke dingen nooit door de mensen verlicht. Maar de mensen kunnen hun geheime gedachten aan de engelen bij wijze van spreken bekend maken, want God alleen kent de geheimen van het hart.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod Augustinus 5. super Gen. ad litt. [cap. 19.] sic exponit illam Apostoli auctoritatem. Praemiserat enim Apostolus: « Mihi omnium sanctorum minimo, data est gratia haec 322illuminare omnes, quae sit dispensatio sacramenti absconditi a saeculis in Deo ». « Ita dico absconditi; ut tamen innotesceret principibus et potestatibus in coelestibus per ecclesiam scilicet multiformis sapientia Dei ». Quasi dicat: Ita hoc sacramentum erat absconditum hominibus, ut tamen ecclesiae coelesti, quae continetur in principibus et potestatibus, hoc sacramentum notum esset a saeculis, non ante saecula: quia ibi primitus ecclesia fuit, quo post resurrectionem et ista ecclesia hominum congreganda est.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Augustinus legt dat woord van den Apostel aldus uit. De Apostel heeft vooraf gezegd: « Aan mij, den geringste van alle heiligen, is deze genade geschonken, aan allen het Bestel te doen zien van het heilsgeheim, dat van 322eeuwigheid verborgen was in God ». Maar ik zeg zoo verborgen, dat echter aan de Hoogheden en Krachten in het hemelsche, nl. door de Kerk, de veelzijdige wijsheid Gods bekend was. Alsof hij zegt: dit Bestel was zoodanig aan de menschen verborgen, dat het echter aan de hemelsche Kerk, die onder de Hoogheden en Krachten is, « van eeuwen af, niet echter vóór de eeuwen, bekend was: want eerst was daar de Kerk, waar na de verrijzenis ook de Kerk der menschen verzameld wordt ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Augustinus legt dat woord van de Apostel aldus uit. De Apostel heeft vooraf gezegd: “Aan mij, de geringste van alle heiligen, is deze genade geschonken, aan allen het Bestel te doen zien van het heilsgeheim, dat van 322eeuwigheid verborgen was in God”. Maar ik zeg zo verborgen, dat echter aan de Hoogheden en Krachten in het hemelse, nl. door de Kerk, de veelzijdige wijsheid Gods bekend was. Alsof hij zegt: dit Bestel was zodanig aan de mensen verborgen, dat het echter aan de hemelse Kerk, die onder de Hoogheden en Krachten is, “van eeuwen af, niet echter vóór de eeuwen, bekend was: want eerst was daar de Kerk, waar na de verrijzenis ook de Kerk van de mensen verzameld wordt”.

Potest tamen et aliter dici quod illud quod absconditum est, non tantum in Deo innotescit angelis, verum etiam hoc eis apparet, cum efficitur atque propalatur, ut Augustinus ibidem subdit. Et sic dum per Apostolos impleta sunt Christi et Ecclesiae mysteria, angelis aliqua apparuerunt de hujusmodi mysteriis quae ante erant eis occulta. Et per hunc modum potest intelligi, quod Hieronymus dicit [in cap. 4. ep. ad Ephes.], quod, Apostolis praedicantibus, angeli aliqua mysteria cognoverunt: quia scilicet per praedicationem Apostolorum hujusmodi mysteria explebantur in rebus ipsis, sicut, praedicante Paulo apostolo convertebantur gentes; de quo Apostolus ibi loquitur.

Maar men kan ook anders zeggen, dat nl., zooals Augustinus erbij voegt, « wat verborgen is, den engelen niet slechts in God kenbaar is, maar ook hier voor hen blijkt als het hier gebeurt en openbaar wordt ». En op deze wijze worden aan de engelen, als door de Apostelen de geheimen van Christus en de Kerk vervuld zijn, enkele dingen in deze mysteries duidelijk, die eerst voor hen verborgen waren. — En zoo kan men begrijpen, wat Hieronymus zegt, dat door de prediking der Apostelen de engelen sommige mysteries gekend hebben: want door de prediking der Apostelen werden dergelijke mysteries in de dingen voltrokken, zooals door de prediking van Paulus de heidenen bekeerd werden, waarover de Apostel daar spreekt.Maar men kan ook anders zeggen, dat nl., zoals Augustinus erbij voegt, “wat verborgen is, de engelen niet slechts in God kenbaar is, maar ook hier voor hen blijkt als het hier gebeurt en openbaar wordt”. En op deze wijze worden aan de engelen, als door de Apostelen de geheimen van Christus en de Kerk vervuld zijn, enkele dingen in deze mysteries duidelijk, die eerst voor hen verborgen waren. — En zo kan men begrijpen, wat Hieronymus zegt, dat door de prediking van de Apostelen de engelen sommige mysteries gekend hebben: want door de prediking van de Apostelen werden dergelijke mysteries in de dingen voltrokken, zoals door de prediking van Paulus de heidenen bekeerd werden, waarover de Apostel daar spreekt.

↑ bedenking 2

323Ad secundum dicendum quod Apostoli instruebantur immediate a Verbo Dei, non secundum ejus divinitatem, sed inquantum ejus humanitas loquebatur. Unde ratio non sequitur.

3232. De Apostelen zijn onmiddellijk door het Woord Gods onderwezen, niet naar zijn goddelijke natuur, maar in zoover zijn menschheid tot hen sprak. Dus klopt dit argument niet.3232. De Apostelen zijn onmiddellijk door het Woord Gods onderwezen, niet naar zijn goddelijke natuur, maar in zover zijn mensheid tot hen sprak. Dus klopt dit argument niet.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod aliqui homines, etiam in statu viae sunt majores aliquibus angelis, non quidem actu, sed virtute; inquantum scilicet habent charitatem tantae virtutis, ut possint mereri majorem beatitudinis gradum quam quidam angeli habeant. Sicut si dicamus semen alicujus magnae arboris esse majus virtute quam aliquam parvam arborem, cum tamen multo minus sit in actu.

3. Sommige menschen zijn reeds in den staat van dit leven hooger dan sommige engelen, maar niet actueel, doch in kracht; in zoover zij nl. zulk een krachtige liefde hebben, dat zij een hoogeren graad van zaligheid kunnen verdienen, dan sommige engelen hebben. Zoo zeggen we dat het zaad van een grooten boom grooter is in kracht dan een kleine boom, ofschoon het actueel veel kleiner is.3. Sommige mensen zijn reeds in de staat van dit leven hoger dan sommige engelen, maar niet actueel, doch in kracht; in zover zij nl. zulk een krachtige liefde hebben, dat zij een hogeren graad van zaligheid kunnen verdienen, dan sommige engelen hebben. Zo zeggen we dat het zaad van een groten boom groter is in kracht dan een kleine boom, ofschoon het actueel veel kleiner is.

Articulus III

Utrum homo per virtutem animae possit corporalem materiam immutare

[Ad Galat. cap. 3. lect. 1.].
IIIe Artikel

Kan de mensch door de kracht van zijn ziel lichamelijke stof veranderen?Kan de mens door de kracht van zijn ziel lichamelijke stof veranderen?

antwoord 1 ↓

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod homo per virtutem animae possit corporalem materiam immutare. Dicit enim Gregorius 2. Dialog. [cap. 30.], quod « sancti miracula aliquando ex prece faciunt, aliquando 324ex potestate: sicut Petrus, qui Tabitham mortuam orando suscitavit, Ananiam, et Saphiram mentientes, morti increpando tradidit ». Sed in operatione miraculorum fit aliqua immutatio materiae corporalis. Ergo homines virtute suae animae possunt materiam corporalem immutare.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de mensch door de kracht van zijn ziel lichamelijke stof kan veranderen. — 1. Gregorius zegt immers, dat « de heiligen soms door gebed, soms door kracht wonderen doen: zooals Petrus, die door gebed de doode Tabitha 324ten leven wekte, de leugenaars Ananias en Saphira door beschuldiging aan den dood overleverde ». Maar bij wonderwerking heeft eenige verandering der lichamelijke stof plaats. Dus kunnen de menschen door de kracht hunner ziel de lichamelijke stof veranderen.Bedenkingen. — Men beweert, dat de mens door de kracht van zijn ziel lichamelijke stof kan veranderen. — 1. Gregorius zegt immers, dat “de heiligen soms door gebed, soms door kracht wonderen doen: zoals Petrus, die door gebed de dode Tabitha 324ten leven wekte, de leugenaars Ananias en Saphira door beschuldiging aan de dood overleverde”. Maar bij wonderwerking heeft enige verandering van de lichamelijke stof plaats. Dus kunnen de mensen door de kracht van hun ziel de lichamelijke stof veranderen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, super illud ad Gal. 3. [v. 1]: « Quis vos fascinavit veritati non obedire? » dicit Glossa [ordin.] quod « quidam habent oculos urentes, qui solo aspectu inficiunt alios, et maxime pueros ». Sed hoc non esset, nisi virtus animae posset materiam corporalem immutare. Ergo homo per virtutem suae animae potest materiam corporalem immutare.

2. Naar aanleiding van het woord uit den Brief aan de Galaten (3. 1): « Wie heeft u behekst om de waarheid niet te gehoorzamen? » zegt de Glossa, dat « sommigen het kwade oog hebben, die door hun blik alleen anderen aansteken, en vooral kinderen ». Maar dit zou niet zijn als de kracht der ziel de lichamelijke stof niet kon veranderen. Dus kan de mensch door de kracht van zijn ziel de lichamelijke stof veranderen.2. Naar aanleiding van het woord uit de Brief aan de Galaten (3, 1): “Wie heeft u behekst om de waarheid niet te gehoorzamen?” zegt de Glossa, dat “sommigen het kwade oog hebben, die door hun blik alleen anderen aansteken, en vooral kinderen”. Maar dit zou niet zijn als de kracht van de ziel de lichamelijke stof niet kon veranderen. Dus kan de mens door de kracht van zijn ziel de lichamelijke stof veranderen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, corpus humanum est nobilius quam alia inferiora corpora. Sed per apprehensionem animae humanae immutatur corpus humanum ad calorem, et frigus, ut patet in irascentibus et timentibus; et quandoque etiam haec immutatio pervenit usque ad aegritudinem et mortem. Ergo multo magis anima hominis potest sua virtute materiam corporalem immutare.

3. Het menschelijk lichaam is nobeler dan de overige lagere lichamen. Maar door de waarneming der menschelijke ziel verandert het menschelijk lichaam met betrekking tot hitte en koude, zooals blijkt bij menschen, die vertoornd of beangst zijn; en soms reikt deze verandering tot ziekte en dood. Dus kan de menschenziel door haar kracht veel meer nog de lichamelijke stof veranderen.3. Het menselijk lichaam is nobeler dan de overige lagere lichamen. Maar door de waarneming van de menselijke ziel verandert het menselijk lichaam met betrekking tot hitte en koude, zoals blijkt bij mensen, die vertoornd of beangst zijn; en soms reikt deze verandering tot ziekte en dood. Dus kan de mensenziel door haar kracht veel meer nog de lichamelijke stof veranderen.

Sed contra est quod dicit Augustinus in 3. de Trin. [cap. 8.], quod « materia corporalis soli Deo obedit ad nutum ».

Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt, dat « de lichamelijke stof alleen God op zijn wenk gehoorzaamt ».Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt, dat “de lichamelijke stof alleen God op zijn wenk gehoorzaamt”.

325Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est [q. 110. art. 2.], materia corporalis non immutatur ad formam, nisi vel ab agente aliquo composito ex materia et forma; vel ab ipso Deo, in quo virtualiter et materia et forma praeexistit, sicut in primordiali causa utriusque. Unde et de angelis supra dictum est [ibid.], quod materiam corporalem immutare non possunt naturali virtute, nisi applicando corporalia agentia ad effectus aliquos producendos. Multo igitur minus anima sua virtute naturali potest immutare materiam corporalem, nisi mediantibus aliquibus corporibus.

325Leerstelling. — Zooals boven gezegd is (110e Kw. 2e Art.), verandert de lichamelijke stof niet van vorm, dan door een werkoorzaak, die zelf uit stof en vorm is samengesteld, of door God zelf, in wiens kracht als in beider eerste oorzaak, stof en vorm voorafbestaan. Vandaar is boven van de engelen gezegd, dat ze door hun natuurlijke kracht de lichamelijke stof niet veranderen kunnen, tenzij door voor sommige te bewerken gevolgen lichamelijke werkoorzaken toe te passen. Veel minder nog kan dus de ziel door haar natuurlijke kracht de lichamelijke stof veranderen, tenzij door middel van sommige lichamen.325Leerstelling. — Zoals boven gezegd is (110e Kw. 2e Art.), verandert de lichamelijke stof niet van vorm, dan door een werkoorzaak, die zelf uit stof en vorm is samengesteld, of door God zelf, in wiens kracht als in beider eerste oorzaak, stof en vorm voorafbestaan. Vandaar is boven van de engelen gezegd, dat ze door hun natuurlijke kracht de lichamelijke stof niet veranderen kunnen, tenzij door voor sommige te bewerken gevolgen lichamelijke werkoorzaken toe te passen. Veel minder nog kan dus de ziel door haar natuurlijke kracht de lichamelijke stof veranderen, tenzij door middel van sommige lichamen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod sancti dicuntur miracula facere ex potestate gratiae non naturae. Quod patet per illud, quod Gregorius ibidem dicit: « qui filii Dei ex potestate sunt, ut dicit Joannes, quid mirum si signa facere ex potestate valeant »?

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Van de heiligen zegt men, dat zij wonderen doen door de kracht der genade, niet der natuur. Dat blijkt ook uit hetgeen Gregorius toevoegt: « Die, zooals Joannes zegt, kinderen Gods zijn uit kracht, wat wonder dat ze uit kracht wonderen kunnen doen! »Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Van de heiligen zegt men, dat zij wonderen doen door de kracht van de genade, niet van de natuur. Dat blijkt ook uit hetgeen Gregorius toevoegt: “Die, zoals Johannes zegt, kinderen Gods zijn uit kracht, wat wonder dat ze uit kracht wonderen kunnen doen!”

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod fascinationis causam assignavit Avicenna ex hoc, quod materia corporalis nata est obedire spirituali substantiae magis quam contrariis agentibus in natura. Et ideo quando anima fuerit fortis in sua imaginatione, corporalis materia immutatur secundum eam. Et hanc 326dicit esse causam oculi fascinantis. Sed supra ostensum est [q. 110. art. 2.] quod materia corporalis non obedit substantiae spirituali ad nutum, nisi soli creatori. Et ideo melius dicendum est, quod ex forti imaginatione animae immutantur spiritus corpori conjuncti. Quae quidem immutatio spirituum maxime fit in oculis, ad quos subtiliores spiritus perveniunt. Oculi autem inficiunt aërem continuum usque ad determinatum spatium: per quem modum specula, si fuerint nova et pura, contrahunt quamdam impuritatem ex aspectu mulieris menstruatae, ut Aristoteles dicit in lib. de Somn. et Vig. [de Insomniis, cap. 2.]. Sic igitur cum aliqua anima fuerit vehementer commota ad malitiam, sicut maxime in vetulis1 contingit, efficitur secundum modum praedictum aspectus ejus venenosus et noxius: et maxime pueris, qui habent corpus tenerum, et de facili receptivum impressionis. Possibile est etiam quod ex Dei permissione, vel etiam ex aliquo facto occulto, cooperetur ad hoc malignitas daemonum, cum quibus vetulae sortilegae aliquod foedus habent.

2. De oorzaak der beheksing heeft Avicenna hierin gezocht, dat de lichamelijke stof uiteraard meer de geestelijke zelfstandigheid dan de tegenwerkende natuurkrachten gehoorzaamt. En als dus de ziel sterk is in haar verbeelding, verandert de lichamelijke stof daarnaar. En dit noemde hij de oorzaak van het kwade oog. — 326Maar boven (110e Kw. 2e Art.) is aangetoond, dat de lichamelijke stof geen geestelijke zelfstandigheid, dan alleen den Schepper, op zijn wenken gehoorzaamt. Daarom is het beter te zeggen, dat door sterke verbeelding der ziel de gassen van het met de ziel verbonden lichaam veranderd worden. Welke verandering der gassen vooral in de oogen, waarin de fijnste gassen doordringen, plaats heeft. De oogen nu steken tot op bepaalden afstand de omringende lucht aan, op dezelfde manier, waarop, naar Aristoteles zegt, nieuwe en zuivere spiegels eenigszins beslaan door de blik van een vrouw die de maandstonden heeft. Als dus een ziel heel hevig tot boosheid bewogen is, wat vooral bij oude wijven gebeurt, wordt op genoemde wijze haar blik vergiftig en schadelijk: en vooral voor kinderen, die een teer, voor indrukken gemakkelijk vatbaar, lichaam hebben. — Het is ook mogelijk, dat met Gods toelating of om een verborgen grond, hiertoe de boosheid der duivels, met wie zulke oude heksen een verbond hebben, medewerkt.2. De oorzaak van de beheksing heeft Avicenna hierin gezocht, dat de lichamelijke stof uiteraard meer de geestelijke zelfstandigheid dan de tegenwerkende natuurkrachten gehoorzaamt. En als dus de ziel sterk is in haar verbeelding, verandert de lichamelijke stof daarnaar. En dit noemde hij de oorzaak van het kwade oog. — 326Maar boven (110e Kw. 2e Art.) is aangetoond, dat de lichamelijke stof geen geestelijke zelfstandigheid, dan alleen de Schepper, op zijn wenken gehoorzaamt. Daarom is het beter te zeggen, dat door sterke verbeelding van de ziel de gassen van het met de ziel verbonden lichaam veranderd worden. Welke verandering van de gassen vooral in de ogen, waarin de fijnste gassen doordringen, plaats heeft. De ogen nu steken tot op bepaalden afstand de omringende lucht aan, op dezelfde manier, waarop, naar Aristoteles zegt, nieuwe en zuivere spiegels enigszins beslaan door de blik van een vrouw die de maandstonden heeft. Als dus een ziel heel hevig tot boosheid bewogen is, wat vooral bij oude wijven gebeurt, wordt op genoemde wijze haar blik vergiftig en schadelijk: en vooral voor kinderen, die een teer, voor indrukken gemakkelijk vatbaar, lichaam hebben. — Het is ook mogelijk, dat met Gods toelating of om een verborgen grond, hiertoe de boosheid van de duivels, met wie zulke oude heksen een verbond hebben, medewerkt.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod anima corpori humano unitur ut forma: et appetitus sensitivus, qui obedit aliqualiter rationi, ut supra dictum est [q. 81. 327art. 3.], est actus alicujus organi corporalis. Et ideo oportet quod ad apprehensionem animae humanae, commoveatur appetitus sensitivus cum aliqua operatione corporali. Ad exteriora vero corpora immutanda apprehensio animae humanae non sufficit, nisi mediante immutatione proprii corporis, ut dictum est [ad 2.].

3. De ziel is met het menschelijk lichaam als zijn vorm verbonden; en de zinnelijke begeerte, die, zooals boven gezegd is (81e 327Kw. 3e Art.), eenigzins de rede gehoorzaamt, is de actualiteit van een lichamelijk orgaan. En daarom moet op de waarneming der ziel de zinnelijke begeerte bewogen worden, gepaard met eenige lichamelijke werking. Maar voor verandering van uitwendige lichamen is de menschenziel niet toereikend, dan, zooals boven gezegd is (2e Antw.), door middel van de verandering van het eigen lichaam.3. De ziel is met het menselijk lichaam als zijn vorm verbonden; en de zinnelijke begeerte, die, zoals boven gezegd is (81e 327Kw. 3e Art.), enigszins de rede gehoorzaamt, is de actualiteit van een lichamelijk orgaan. En daarom moet op de waarneming van de ziel de zinnelijke begeerte bewogen worden, gepaard met enige lichamelijke werking. Maar voor verandering van uitwendige lichamen is de mensenziel niet toereikend, dan, zoals boven gezegd is (2e Antw.), door middel van de verandering van het eigen lichaam.

Articulus IV

Utrum anima hominis separata possit corpora saltem localiter movere

[De Mal. q. 16. art. 10. ad 2.].
IVe Artikel

Kan de van het lichaam gescheiden menschelijke ziel andere lichamen plaatselijk bewegen?Kan de van het lichaam gescheiden menselijke ziel andere lichamen plaatselijk bewegen?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod anima hominis separata possit corpora saltem localiter movere. Substantiae enim spirituali naturaliter obedit corpus ad motum localem, ut supra dictum est [q. 110. art. 3.]. Sed anima separata est substantia spiritualis. Ergo suo imperio potest exteriora corpora movere.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de afgescheiden menschelijke ziel lichamen minstens plaatselijk kan bewegen. — 1. Zooals boven gezegd is (110e Kw. 3e Art.), gehoorzaamt het lichaam den geest wat plaatselijke beweging aangaat. Maar de afgescheiden ziel is een geest. Dus kan zij door haar bevel andere lichamen bewegen.Bedenkingen. — Men beweert, dat de afgescheiden menselijke ziel lichamen minstens plaatselijk kan bewegen. — 1. Zoals boven gezegd is (110e Kw. 3e Art.), gehoorzaamt het lichaam de geest wat plaatselijke beweging aangaat. Maar de afgescheiden ziel is een geest. Dus kan zij door haar bevel andere lichamen bewegen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, in Itinerario Clementis [cap. 27.] dicitur, narrante 328Misceta1 ad Petrum, quod Simon Magus per magicas artes pueri a se interfecti animam retinebat, per quam magicas operationes efficiebat. Sed hoc esse non potuisset sine aliqua corporum trasmutatione, ad minus locali. Ergo anima separata habet virtutem localiter movendi corpora.

2. In de reisbeschrijving van Clemens wordt gezegd, dat Simon 328de Toovenaar, aldus het verhaal van Niceta aan Petrus, door tooverkunsten de zielen van door hem vermoorde kinderen behield om daardoor zijn tooverkunsten uit te oefenen. Maar dit had niet kunnen zijn zonder eenige, minstens plaatselijke, verandering der lichamen. Dus heeft de afgescheiden ziel de macht lichamen plaatselijk te bewegen.2. In de reisbeschrijving van Clemens wordt gezegd, dat Simon 328de Tovenaar, aldus het verhaal van Niceta aan Petrus, door toverkunsten de zielen van door hem vermoorde kinderen behield om daardoor zijn toverkunsten uit te oefenen. Maar dit had niet kunnen zijn zonder enige, minstens plaatselijke, verandering van de lichamen. Dus heeft de afgescheiden ziel de macht lichamen plaatselijk te bewegen.

Sed contra est quod Philosophus dicit in lib. 1. de Anima [cap. 3. n. 22. 23.], quod anima non potest movere quodcumque corpus, sed solummodo proprium.

Daartegenover staat echter, wat de Wijsgeer zegt, dat de ziel geen enkel lichaam kan bewegen dan alleen het eigen.

Respondeo dicendum quod anima separata sua naturali virtute non potest movere aliquod corpus. Manifestum est enim quod, cum anima est corpori unita, non movet corpus nisi vivificatum: unde si aliquod membrum corporis mortificetur, non obedit animae ad motum localem. Manifestum est autem, quod ab anima separata nullum corpus vivificatur. Unde nullum corpus obedit ei ad motum localem, quantum est de virtute suae naturae: supra quam potest aliquid ei conferri virtute divina.

Leerstelling. — De afgescheiden ziel kan door haar natuurlijke kracht geen lichaam bewegen. Het is toch klaar, dat als de ziel met het lichaam verbonden is, ze geen enkel lichaam beweegt, dan alleen het door haar levende; waarom dan ook als een lichaamsdeel afgestorven is, het haar niet meer met betrekking tot plaatselijke beweging gehoorzaamt. Nu is het duidelijk, dat door de afgescheiden ziel geen enkel lichaam levend wordt gemaakt. Vandaar gehoorzaamt ook geen enkel lichaam haar wat plaatselijke beweging aangaat zoover haar natuurlijke kracht betreft: maar daarboven kan haar door goddelijke kracht iets geschonken worden.Leerstelling. — De afgescheiden ziel kan door haar natuurlijke kracht geen lichaam bewegen. Het is toch klaar, dat als de ziel met het lichaam verbonden is, ze geen enkel lichaam beweegt, dan alleen het door haar levende; waarom dan ook als een lichaamsdeel afgestorven is, het haar niet meer met betrekking tot plaatselijke beweging gehoorzaamt. Nu is het duidelijk, dat door de afgescheiden ziel geen enkel lichaam levend wordt gemaakt. Vandaar gehoorzaamt ook geen enkel lichaam haar wat plaatselijke beweging aangaat zover haar natuurlijke kracht betreft: maar daarboven kan haar door goddelijke kracht iets geschonken worden.

↑ bedenking 1

329Ad primum ergo dicendum quod substantiae quaedam spirituales sunt, quarum virtutes non determinantur ad aliqua corpora, sicut sunt angeli, qui sunt naturaliter a corporibus absoluti: et ideo diversa corpora eis possunt obedire ad motum. Si tamen alicujus substantiae separatae virtus motiva determinetur naturaliter ad movendum aliquod corpus, non poterit illa substantia movere aliquod corpus majus, sed minus: sicut, secundum philosophos, motor inferioris coeli non posset movere coelum superius. Unde cum anima secundum suam naturam determinetur ad movendum corpus cujus est forma, nullum aliud corpus sua naturali virtute movere potest.

329Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Er zijn sommige geestelijke zelfstandigheden, zooals de engelen, die natuurlijker wijze vrij van een lichaam zijn, wier krachten niet tot sommige lichamen beperkt zijn: en daarom kunnen verschillende lichamen hen met betrekking tot beweging, gehoorzamen. Maar als de beweegkracht van een afgescheiden zelfstandigheid natuurlijker wijze tot één lichaam beperkt is, kan die zelfstandigheid, geen grooter, maar wel een kleiner lichaam bewegen, zooals, volgens de wijsgeeren, de beweger van den ondersten hemel de hoogere niet bewegen kan. Daar dus de ziel door haar natuur beperkt is tot het bewegen van het lichaam, waarvan zij de vorm is, kan zij door haar natuurlijke kracht geen enkel ander lichaam bewegen.329Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Er zijn sommige geestelijke zelfstandigheden, zoals de engelen, die natuurlijker wijze vrij van een lichaam zijn, wier krachten niet tot sommige lichamen beperkt zijn: en daarom kunnen verschillende lichamen hen met betrekking tot beweging, gehoorzamen. Maar als de beweegkracht van een afgescheiden zelfstandigheid natuurlijker wijze tot één lichaam beperkt is, kan die zelfstandigheid, geen groter, maar wel een kleiner lichaam bewegen, zoals, volgens de wijsgeren, de beweger van de onderste hemel de hogere niet bewegen kan. Daar dus de ziel door haar natuur beperkt is tot het bewegen van het lichaam, waarvan zij de vorm is, kan zij door haar natuurlijke kracht geen enkel ander lichaam bewegen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod, sicut dicit Augustinus 10. de Civ. Dei [cap. 11.], et Chrysostomus super Matth. [hom. 29.] frequenter daemones simulant se esse animas mortuorum, ad confirmandum Gentilium errorem, qui hoc credebant. Et ideo credibile est quod Simon Magus illudebatur ab aliquo daemone, qui simulabat se esse animam pueri quem ipse occiderat.

2. Naar Augustinus en Chrysostomus zeggen, geven de duivels dikwijls voor, dat ze zielen van afgestorvenen zijn om daardoor de dwaling der heidenen, die dit gelooven, te bevestigen. En daarom is het geloofwaardig, dat Simon de Toovenaar voor den gek gehouden werd door een duivel, die voorgaf de ziel van een door hem vermoord kind te zijn.2. Naar Augustinus en Chrysostomus zeggen, geven de duivels dikwijls voor, dat ze zielen van afgestorvenen zijn om daardoor de dwaling van de heidenen, die dit geloven, te bevestigen. En daarom is het geloofwaardig, dat Simon de Tovenaar voor de gek gehouden werd door een duivel, die voorgaf de ziel van een door hem vermoord kind te zijn.