Theologische Summa · Prima Pars · De werking des menschenDe werking van de mensSumma · I · De werking des menschenDe werking van de mensSumma · I · Kw. 119Kw. 119
Quaestio CXIX

De propagatione hominis quantum ad corpus, in duos articulos divisa

Kwestie 119

De lichamelijke voortplanting des menschenDe lichamelijke voortplanting van de mens

(Twee Artikelen)

349Deinde considerandum est de propagatione hominis quantum ad corpus. Et circa hoc quaeruntur duo: 1. Utrum aliquid de alimento convertatur in veritatem humanae naturae. — 2. Utrum semen, quod est humanae generationis principium, sit de superfluo alimenti.

349Tenslotte moeten we de lichamelijke voortplanting des menschen bezien. En hierover stellen we twee vragen: 1. Wordt er voedsel werkelijk in de menschelijke natuur opgenomen? 2. Is het zaad, dat het beginsel der menschelijke teling is, voedingsoverschot?349Tenslotte moeten we de lichamelijke voortplanting van de mens bezien. En hierover stellen we twee vragen: 1. Wordt er voedsel werkelijk in de menselijke natuur opgenomen? 2. Is het zaad, dat het beginsel van de menselijke teling is, voedingsoverschot?

Articulus I

Utrum aliquid de alimento convertatur in veritatem humanae naturae

[2. Dist. 30. q. 2. art. 1; 4. Dist. 44. q. 1. art. 2. qla. 4; Quodl. 8. q. 3. art. 1.].
Ie Artikel

Wordt er voedsel werkelijk in de menschelijke natuur opgenomen?Wordt er voedsel werkelijk in de menselijke natuur opgenomen?

antwoord 1 ↓

Ad primum sic proceditur. Videtur quod nihil de alimento transeat in 350veritatem humanae naturae. Dicitur enim Matth. 15. [v. 17]: « Omne quod in os intrat, in ventrem vadit, et per secessum emittitur ». Sed quod emittitur, non transit in veritatem humanae naturae. Ergo nihil de alimento in veritatem humanae naturae transit.

Bedenkingen. — Men beweert, dat er geen voedsel werkelijk 350in de menschelijke natuur wordt opgenomen. — 1. Bij Mattheus (15. 17) wordt immers gezegd: « Al wat den mond ingaat komt in den buik, en wordt in het geheim uitgeworpen ». Maar wat uitgeworpen wordt, wordt niet werkelijk opgenomen in de menschelijke natuur. Dus wordt er geen voedsel werkelijk in de menschelijke natuur opgenomen.Bedenkingen. — Men beweert, dat er geen voedsel werkelijk 350in de menselijke natuur wordt opgenomen. — 1. Bij Matteüs (15, 17) wordt immers gezegd: “Al wat de mond ingaat komt in de buik, en wordt in het geheim uitgeworpen”. Maar wat uitgeworpen wordt, wordt niet werkelijk opgenomen in de menselijke natuur. Dus wordt er geen voedsel werkelijk in de menselijke natuur opgenomen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Philosophus in 1. de Generat. [cap. 5. n. 14. 15.], distinguit carnem secundum speciem, et secundum materiam; et dicit quod caro secundum materiam advenit et recedit. Quod autem ex alimento generatur, advenit et recedit. Ergo id, in quod alimentum convertitur, est caro secundum materiam, et non caro secundum speciem. Sed hoc pertinet ad veritatem humanae naturae, quod pertinet ad speciem ejus. Ergo alimentum non transit in veritatem humanae naturae.

2. De Wijsgeer maakt onderscheid in het vleesch naar soort en stof, en zegt dat het vleesch slechts « stoffelijk komt en verdwijnt ». Wat echter uit het voedsel ontstaat, komt en verdwijnt. Dus datgene waarin het voedsel wordt omgezet, is vleesch naar de stof, niet echter naar de soort. Maar wat tot de menschelijke soort behoort, behoort werkelijk tot de menschelijke natuur. Dus wordt geen voedsel werkelijk in de menschelijke natuur opgenomen.2. De Wijsgeer maakt onderscheid in het vlees naar soort en stof, en zegt dat het vlees slechts “stoffelijk komt en verdwijnt”. Wat echter uit het voedsel ontstaat, komt en verdwijnt. Dus datgene waarin het voedsel wordt omgezet, is vlees naar de stof, niet echter naar de soort. Maar wat tot de menselijke soort behoort, behoort werkelijk tot de menselijke natuur. Dus wordt geen voedsel werkelijk in de menselijke natuur opgenomen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, ad veritatem humanae naturae pertinere videtur humidum radicale; quod si deperdatur, restitui non potest, ut medici dicunt. Posset tamen1 restitui, si alimentum converteretur in ipsum humidum. Ergo nutrimentum non convertitur in veritatem humanae naturae.

3. Het oorspronkelijke vocht schijnt werkelijk tot de menschelijke natuur te behooren en kan, zooals de medici zeggen, als het verloren gaat niet worden vernieuwd. Maar het zou wel vernieuwd kunnen worden als het voedsel in dit vocht werd omgezet. Dus wordt er geen voedsel werkelijk in de menschelijke natuur opgenomen.3. Het oorspronkelijke vocht schijnt werkelijk tot de menselijke natuur te behoren en kan, zoals de medici zeggen, als het verloren gaat niet worden vernieuwd. Maar het zou wel vernieuwd kunnen worden als het voedsel in dit vocht werd omgezet. Dus wordt er geen voedsel werkelijk in de menselijke natuur opgenomen.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, si alimentum transiret in veritatem humanae naturae, 351quidquid in homine deperditur, restaurari posset. Sed mors hominis non accidit nisi per deperditionem alicujus. Posset igitur homo per sumptionem alimenti in perpetuum se contra mortem tueri.

4. Als het voedsel werkelijk in de menschelijke natuur werd 351opgenomen, zou wat er ook in een mensch verloren gaat, vernieuwd kunnen worden. Maar heeft de dood des menschen niet plaats dan juist door het verlies van het een of ander. De mensch zou zich dus in eeuwigheid door gebruik van voedsel tegen den dood kunnen beschermen.4. Als het voedsel werkelijk in de menselijke natuur werd 351opgenomen, zou wat er ook in een mens verloren gaat, vernieuwd kunnen worden. Maar heeft de dood van de mens niet plaats dan juist door het verlies van het een of ander. De mens zou zich dus in eeuwigheid door gebruik van voedsel tegen de dood kunnen beschermen.

antwoord 5 ↓

5. Praeterea, si alimentum in veritatem humanae naturae transiret, nihil esset in homine, quod non posset recedere et reparari: quia id quod in homine generatur ex alimento, et recedere et reparari posset2. Si ergo homo diu viveret, sequeretur quod nihil quod in eo fuit materialiter in principio suae generationis, finaliter remaneret in ipso. Et sic non esset idem homo numero per totam vitam suam: cum ad hoc quod3 sit idem numero, requiratur identitas materiae. Hoc autem est inconveniens. Non ergo alimentum transit in veritatem humanae naturae.

5. Als het voedsel werkelijk in de menschelijke natuur werd opgenomen, zou er niets in den mensch zijn, dat niet kon verdwijnen, en weer vernieuwd worden: want wat in den mensch door het voedsel ontstaat, kan verdwijnen en weer vernieuwd worden. Leefde een mensch dus lang, dan zou dientengevolge niets van al wat bij het begin zijner geboorte stoffelijk in hem was, uiteindelijk nog in hem blijven. En zoo zou niet gedurende heel het leven dezelfde mensch zijn, want identiteit der stof is noodig om iets numeriek hetzelfde te laten blijven. Dit is echter onaannemelijk. Dus wordt er geen voedsel werkelijk in de menschelijke natuur opgenomen.5. Als het voedsel werkelijk in de menselijke natuur werd opgenomen, zou er niets in de mens zijn, dat niet kon verdwijnen, en weer vernieuwd worden: want wat in de mens door het voedsel ontstaat, kan verdwijnen en weer vernieuwd worden. Leefde een mens dus lang, dan zou dientengevolge niets van al wat bij het begin van zijn geboorte stoffelijk in hem was, uiteindelijk nog in hem blijven. En zo zou niet gedurende heel het leven dezelfde mens zijn, want identiteit van de stof is nodig om iets numeriek hetzelfde te laten blijven. Dit is echter onaannemelijk. Dus wordt er geen voedsel werkelijk in de menselijke natuur opgenomen.

Sed contra est, quod dicit Augustinus in lib. de Vera Relig. [cap. 40.]: « Alimenta carnis corrupta, idest amittentia formam suam, in 352membrorum fabricam migrant ». Sed fabrica membrorum pertinet ad veritatem humanae naturae. Ergo alimenta transeunt in veritatem humanae naturae.

Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt: « Als het voedsel van het dier verteerd is, d.i. vorm verloren heeft, gaat het over in de structuur der ledematen ». Maar de structuur der 352ledematen behoort werkelijk tot de menschelijke natuur. Dus wordt het voedsel werkelijk in de menschelijke natuur opgenomen.Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt: “Als het voedsel van het dier verteerd is, d.i. vorm verloren heeft, gaat het over in de structuur van de ledematen”. Maar de structuur van de 352ledematen behoort werkelijk tot de menselijke natuur. Dus wordt het voedsel werkelijk in de menselijke natuur opgenomen.

Respondeo dicendum quod, secundum Philosophum 2. Metaphys. [cap. 1. n. 5.], « hoc modo se habet unumquodque ad veritatem, sicut se habet ad esse ». Illud ergo pertinet ad veritatem naturae alicujus, quod est de constitutione naturae ipsius. Sed natura dupliciter considerari potest. Uno modo, in communi, secundum naturam speciei; alio modo, secundum quod est in hoc individuo. Ad veritatem igitur naturae alicujus in communi consideratae, pertinet forma et materia ejus in communi accepta: ad veritatem autem naturae in hoc particulari consideratae, pertinet materia individualis signata, et forma per hujusmodi materiam individuata. Sicut de veritate humanae naturae in communi, est anima humana, et corpus: sed de veritate humanae naturae in Petro et Martino est haec anima et hoc corpus. Sunt autem quaedam quorum formae non possunt salvari nisi in una materia signata: sicut forma solis non potest salvari nisi in materia, quae actu sub ea continetur. 353Et secundum hunc modum aliqui posuerunt, quod forma humana non potest salvari nisi in materia quadam signata, quae scilicet a principio fuit tali forma formata in primo homine. Ita quod quidquid aliud praeter illud quod ex primo parente in posteros derivatur, additum fuerit, non pertinet ad veritatem humanae naturae, quasi non vere accipiat formam humanae naturae. Sed illa materia quae in primo homine formae humanae fuit subjecta, in seipsa multiplicatur: et hoc modo multitudo humanorum corporum a corpore primi hominis derivatur. Et secundum hos alimentum non convertitur in veritatem humanae naturae: sed dicunt, quod alimentum accipitur ut quoddam fomentum naturae, idest ut resistat actioni caloris naturalis, ne consumat humidum radicale; sicut plumbum vel stannum adjungitur argento, ne consumatur per ignem.

Leerstelling. — Volgens den Wijsgeer « verhoudt alles zich zóó tot de waarheid als het zich verhoudt tot het zijn ». Dus tot de echtheid van een natuur behoort wat tot de constitutie ervan behoort. Maar men kan natuur tweevoudig verstaan: in het algemeen, volgens den aard van het soort; en vervolgens in zoover ze in dit individu is. Tot de echtheid van een of andere natuur in het algemeen beschouwd, behooren vorm en stof in het algemeen verstaan; maar tot de echtheid van de natuur in dit individu beschouwd, behoort de aangewezen individueele stof, en de vorm door deze stof geïndividueerd. Zooals tot de echtheid van de menschelijke natuur in het algemeen lichaam en ziel behooren, maar tot de waarheid van de menschelijke natuur in Piet en Maarten deze ziel en dit lichaam. Nu zijn er sommige dingen, wier vormen niet kunnen blijven, tenzij in één aangewezen stof: zooals de vorm van de zon niet kan behouden blijven, tenzij in de stof, die actueel door haar wordt gevormd. En op deze wijze meenden sommigen, dat de 353menschenvorm niet kan behouden blijven, tenzij in een aangewezen stof, die nl. door zulk een vorm van het begin af in den eersten mensch gevormd was; zoodat wat ook buiten hetgeen van den eersten mensch op de nakomelingen overgaat, bijgevoegd werd, niet werkelijk bij de natuur werd opgenomen, alsof het niet echt den vorm der menschelijke natuur ontvangt. Maar de stof, die in den eersten mensch subject van den menschelijken vorm was, wordt op zich vermenigvuldigd, en zoo komt de veelheid der menschelijke lichamen van het lichaam van den eersten mensch voort. En volgens dezen wordt het voedsel niet werkelijk bij de menschelijke natuur opgenomen, maar neemt men, naar hun zeggen, voedsel tot zich als brandstof voor de natuur, dat ze nl. de werking der natuurlijke warmte kan weerstaan, en deze het oorspronkelijke vocht niet verteere, zooals ook lood en tin aan het zilver worden toegevoegd om dit niet door het vuur te doen verteeren.Leerstelling. — Volgens de Wijsgeer “verhoudt alles zich zó tot de waarheid als het zich verhoudt tot het zijn”. Dus tot de echtheid van een natuur behoort wat tot de constitutie ervan behoort. Maar men kan natuur tweevoudig verstaan: in het algemeen, volgens de aard van het soort; en vervolgens in zover ze in dit individu is. Tot de echtheid van een of andere natuur in het algemeen beschouwd, behoren vorm en stof in het algemeen verstaan; maar tot de echtheid van de natuur in dit individu beschouwd, behoort de aangewezen individuele stof, en de vorm door deze stof geïndividueerd. Zoals tot de echtheid van de menselijke natuur in het algemeen lichaam en ziel behoren, maar tot de waarheid van de menselijke natuur in Piet en Maarten deze ziel en dit lichaam. Nu zijn er sommige dingen, wier vormen niet kunnen blijven, tenzij in één aangewezen stof: zoals de vorm van de zon niet kan behouden blijven, tenzij in de stof, die actueel door haar wordt gevormd. En op deze wijze meenden sommigen, dat de 353mensenvorm niet kan behouden blijven, tenzij in een aangewezen stof, die nl. door zulk een vorm van het begin af in de eerste mens gevormd was; zodat wat ook buiten hetgeen van de eerste mens op de nakomelingen overgaat, bijgevoegd werd, niet werkelijk bij de natuur werd opgenomen, alsof het niet echt de vorm van de menselijke natuur ontvangt. Maar de stof, die in de eerste mens subject van de menselijke vorm was, wordt op zich vermenigvuldigd, en zo komt de veelheid van de menselijke lichamen van het lichaam van de eerste mens voort. En volgens deze wordt het voedsel niet werkelijk bij de menselijke natuur opgenomen, maar neemt men, naar hun zeggen, voedsel tot zich als brandstof voor de natuur, dat ze nl. de werking van de natuurlijke warmte kan weerstaan, en deze het oorspronkelijke vocht niet verteere, zoals ook lood en tin aan het zilver worden toegevoegd om dit niet door het vuur te doen verteren.

Sed haec positio est multipliciter irrationabilis. Primo quidem, quia ejusdem rationis est, quod aliqua forma possit fieri in alia materia, et quod possit propriam materiam deserere: et ideo omnia generabilia sunt corruptibilia, et e converso. Manifestum est autem quod forma humana potest deficere ab hac materia, quae ei subjicitur: alioquin corpus humanum 354corruptibile non esset. Unde relinquitur, quod et alii in materia4 advenire possit, aliquo alio in veritatem humanae naturae transeunte. Secundo, quia in omnibus quorum materia invenitur tota sub uno individuo, non est nisi unum individuum in una specie: sicut patet in sole et luna, et hujusmodi. Sic igitur non esset nisi unum individuum humanae speciei. Tertio, quia non est possibile quod multiplicatio materiae attendatur nisi vel secundum quantitatem tantum, sicut accidit in rarefactis, quorum materia suscipit majores dimensiones; vel etiam secundum substantiam materiae. Sola autem eadem substantia materiae manente, non potest dici quod sit multiplicata: quia idem ad seipsum non constituit multitudinem, cum necesse sit omnem multitudinem ex aliqua divisione causari. Unde oportet quod aliqua alia substantia materiae adveniat, vel per creationem, vel per conversionem alterius in ipsum. Unde relinquitur quod non potest aliqua materia multiplicari, nisi vel per rarefactionem, sicut cum ex aqua fit aer; vel per additionem5 alterius rei, sicut multiplicatur ignis per additionem lignorum; vel 355per creationem materiae. Sed manifestum est multiplicationem materiae in humanis corporibus non accidere per rarefactionem, quia sic corpora hominum perfectae aetatis essent imperfectiora quam corpora puerorum. Nec iterum per creationem novae materiae: quia secundum Gregorium [32. Moral. cap. 9.], « omnia sunt simul creata secundum substantiam materiae, licet non secundum speciem formae ». Unde relinquitur quod multiplicatio corporis humani non fit nisi per hoc, quod alimentum convertitur in veritatem humani corporis. Quarto, quia cum homo non differat ab animalibus et plantis secundum animam vegetabilem, sequeretur quod etiam corpora animalium et plantarum non multiplicarentur per conversionem alimenti in corpus nutritum, sed per quamdam multiplicationem. Quae non potest esse naturalis: cum materia secundum naturam non extendatur nisi usque ad certam quantitatem; nec iterum inveniatur aliquid naturaliter crescere, nisi per rarefactionem, vel conversionem alterius in ipsum. Et sic totum opus generativae et nutritivae, quae dicuntur vires naturales, esset miraculosum. Quod est omnino inconveniens.

Maar deze stelling is om verschillende redenen onredelijk. Ten eerste omdat er dezelfde reden voor is, dat een vorm in een andere stof kan ontstaan, en haar eigen stof kan verlaten: daarom ook zijn alle dingen die ontstaan vergankelijk, en omgekeerd. Het is echter duidelijk, dat de menschelijke vorm uit de stof, die haar subject is, kan verdwijnen: anders was het menschelijk lichaam 354onvergankelijk. Blijft dus over, dat ze ook aan een andere stof kan toekomen, doordat iets anders werkelijk bij de menschelijke natuur wordt opgenomen. — Ten tweede, bij alle dingen, waarvan de stof geheel in één individu gevonden wordt, is slechts één individu in één soort: zooals blijkt bij zon en maan e.d. Zoo zou er dus niet dan één individu van het soort mensch zijn. — Ten derde, het is niet mogelijk vermeerdering van de stof waar te nemen dan ofwel naar de uitgebreidheid alleen, zooals bij ijle dingen gebeurt, waarvan de stof grooter afmetingen aanneemt; ofwel ook naar het wezen van de stof. Wanneer echter hetzelfde wezen van de stof blijft, kan men niet zeggen, dat ze verveelvoudigd is: omdat hetzelfde met betrekking tot zichzelf geen veelheid constitueert, daar noodzakelijk alle veelheid door verdeeling veroorzaakt wordt. Dus moet ofwel door schepping ofwel door verandering van iets anders in de stof een andere wezenheid erbij komen. Er blijft dus over, dat geen stof kan verveelvoudigd worden, dan ofwel door verdunning, zooals wanneer uit water lucht wordt; ofwel door verandering van een ander ding, zooals wanneer het vuur vermeerderd wordt door toevoeging van hout; ofwel door schepping van stof. Maar het is duidelijk, dat de verveelvoudiging der stof in de 355menschelijke lichamen niet gebeurt door verdunning; want dan zouden de lichamen van menschen op volwassen leeftijd onvolkomener zijn dan de lichamen van kinderen. Noch ook door schepping van nieuwe stof; want volgens Gregorius « zijn alle dingen naar het wezen der stof tegelijk geschapen, ofschoon niet naar de soort van den vorm ». Er rest dus niets anders, dan dat de verveelvoudiging van het menschelijk lichaam hierdoor gebeurt, dat het voedsel werkelijk bij het menschelijk lichaam wordt opgenomen. — Ten vierde, daar de mensch naar de groeikracht gevende ziel, niet verschilt van dieren en planten, zou volgen, dat ook de lichamen van dieren en planten niet verveelvoudigd werden door omzetting van het voedsel in het gevoede lichaam, maar door zekere vermenigvuldiging. Maar die kan niet natuurlijk zijn: daar de stof zich van nature niet dan tot een bepaalde maat uitstrekt; noch ook vindt men, dat iets natuurlijkerwijze toeneemt dan door verdunning, of door verandering van iets anders. En zoo zou dus heel het werk van telings- en voedingsvermogen, die natuurkrachten genoemd worden, wonderbaarlijk zijn. Wat absoluut onaannemelijk is.Maar deze stelling is om verschillende redenen onredelijk. Ten eerste omdat er dezelfde reden voor is, dat een vorm in een andere stof kan ontstaan, en haar eigen stof kan verlaten: daarom ook zijn alle dingen die ontstaan vergankelijk, en omgekeerd. Het is echter duidelijk, dat de menselijke vorm uit de stof, die haar subject is, kan verdwijnen: anders was het menselijk lichaam 354onvergankelijk. Blijft dus over, dat ze ook aan een andere stof kan toekomen, doordat iets anders werkelijk bij de menselijke natuur wordt opgenomen. — Ten tweede, bij alle dingen, waarvan de stof geheel in één individu gevonden wordt, is slechts één individu in één soort: zoals blijkt bij zon en maan e.d. Zo zou er dus niet dan één individu van het soort mens zijn. — Ten derde, het is niet mogelijk vermeerdering van de stof waar te nemen dan ofwel naar de uitgebreidheid alleen, zoals bij ijle dingen gebeurt, waarvan de stof groter afmetingen aanneemt; ofwel ook naar het wezen van de stof. Wanneer echter hetzelfde wezen van de stof blijft, kan men niet zeggen, dat ze verveelvoudigd is: omdat hetzelfde met betrekking tot zichzelf geen veelheid constitueert, daar noodzakelijk alle veelheid door verdeling veroorzaakt wordt. Dus moet ofwel door schepping ofwel door verandering van iets anders in de stof een andere wezenheid erbij komen. Er blijft dus over, dat geen stof kan verveelvoudigd worden, dan ofwel door verdunning, zoals wanneer uit water lucht wordt; ofwel door verandering van een ander ding, zoals wanneer het vuur vermeerderd wordt door toevoeging van hout; ofwel door schepping van stof. Maar het is duidelijk, dat de verveelvoudiging van de stof in de 355menselijke lichamen niet gebeurt door verdunning; want dan zouden de lichamen van mensen op volwassen leeftijd onvolkomener zijn dan de lichamen van kinderen. Noch ook door schepping van nieuwe stof; want volgens Gregorius “zijn alle dingen naar het wezen van de stof tegelijk geschapen, ofschoon niet naar de soort van de vorm”. Er rest dus niets anders, dan dat de verveelvoudiging van het menselijk lichaam hierdoor gebeurt, dat het voedsel werkelijk bij het menselijk lichaam wordt opgenomen. — Ten vierde, daar de mens naar de groeikracht gevende ziel, niet verschilt van dieren en planten, zou volgen, dat ook de lichamen van dieren en planten niet verveelvoudigd werden door omzetting van het voedsel in het gevoede lichaam, maar door zekere vermenigvuldiging. Maar die kan niet natuurlijk zijn: daar de stof zich van nature niet dan tot een bepaalde maat uitstrekt; noch ook vindt men, dat iets natuurlijkerwijze toeneemt dan door verdunning, of door verandering van iets anders. En zo zou dus heel het werk van telings- en voedingsvermogen, die natuurkrachten genoemd worden, wonderbaarlijk zijn. Wat absoluut onaannemelijk is.

Unde alii dixerunt quod forma humana potest quidem fieri de novo in aliqua alia materia, si consideretur natura humana in communi: non autem 356si accipiatur prout est in hoc individuo, in quo forma humana fixa manet in quadam materia determinata, cui primo imprimitur in generatione hujus individui, ita quod illam materiam numquam deserit usque ad ultimam individui corruptionem. Et hanc materiam dicunt principaliter pertinere ad veritatem humanae naturae. Sed quia hujusmodi materia non sufficit ad quantitatem debitam, requiritur ut adveniat alia materia per conversionem alimenti in substantiam nutriti, quantum sufficiat ad debitum augmentum. Et hanc materiam dicunt secundario pertinere ad veritatem humanae naturae: quia non requiritur ad primum esse individui, sed ad quantitatem ejus. Jam vero si quid aliud advenit ex alimento, non pertinet ad veritatem humanae naturae, proprie loquendo.

Daarom hebben anderen gezegd, dat de menschelijke vorm wel opnieuw in een andere stof worden kan, als men de menschelijke 356natuur in het algemeen beschouwt, maar niet als men ze beziet zooals ze in het individu is, waarin de menschelijke vorm in een bepaalde stof, waarin zij bij de wording van dit individu het eerst werd ingedrukt, vast blijft, zoodat zij deze stof tot aan het laatste bederf van dit individu toe nooit verlaat. En deze stof, zeggen zij, behoort voornamelijk tot de werkelijkheid van de menschelijke natuur. Maar daar dergelijke stof voor de vereischte uitgebreidheid niet toereikend is, is er vereischt, dat er door verandering van voedsel in de zelfstandigheid van den gevoede, andere stof, zooveel voor den vereischten groei noodig is, bijkomt. En deze stof, zeggen zij, behoort slechts secundair tot de echtheid van de menschelijke natuur: omdat ze niet vereischt is tot het eerste zijn van het individu, maar slechts voor zijn uitgebreidheid. Als er dus iets anders uit het voedsel bijkomt, behoort het, eigenlijk gezegd, niet echt tot de menschelijke natuur.Daarom hebben anderen gezegd, dat de menselijke vorm wel opnieuw in een andere stof worden kan, als men de menselijke 356natuur in het algemeen beschouwt, maar niet als men ze beziet zoals ze in het individu is, waarin de menselijke vorm in een bepaalde stof, waarin zij bij de wording van dit individu het eerst werd ingedrukt, vast blijft, zodat zij deze stof tot aan het laatste bederf van dit individu toe nooit verlaat. En deze stof, zeggen zij, behoort voornamelijk tot de werkelijkheid van de menselijke natuur. Maar daar dergelijke stof voor de vereiste uitgebreidheid niet toereikend is, is er vereist, dat er door verandering van voedsel in de zelfstandigheid van de gevoede, andere stof, zoveel voor de vereiste groei nodig is, bijkomt. En deze stof, zeggen zij, behoort slechts secundair tot de echtheid van de menselijke natuur: omdat ze niet vereist is tot het eerste zijn van het individu, maar slechts voor zijn uitgebreidheid. Als er dus iets anders uit het voedsel bijkomt, behoort het, eigenlijk gezegd, niet echt tot de menselijke natuur.

Sed hoc etiam est inconveniens. Primo quidem, quia haec opinio judicat de materia corporum viventium ad modum corporum inanimatorum; in quibus etsi sit virtus ad generandum simile in specie, non est tamen virtus in eis ad generandum aliquid sibi simile secundum individuum; quae quidem virtus in corporibus viventibus est virtus nutritiva. Nihil ergo per virtutem 357nutritivam adderetur corporibus viventibus, si alimentum in veritatem naturae ipsorum non converteretur. Secundo, quia virtus activa quae est in semine, est quaedam impressio derivata ab anima generantis, sicut supra dictum est [q. praec. art. 1.]. Unde non potest esse majoris virtutis in agendo, quam ipsa anima a qua derivatur. Si ergo ex virtute seminis vere assumit aliqua materia formam naturae humanae, multo magis anima in nutrimentum conjunctum poterit veram formam naturae humanae imprimere per potentiam nutritivam. Tertio, quia nutrimento indigetur non solum ad augmentum, alioquin terminato augmento necessarium non esset: sed etiam ad restaurandum illud quod deperditur per actionem caloris naturalis. Non autem esset restauratio, nisi id quod ex alimento generatur, succederet in locum deperditi. Unde sicut id quod primo inerat, est de veritate humanae naturae, ita id, quod ex alimento generatur. Et ideo, secundum alios, dicendum est quod alimentum vere convertitur in veritatem humanae naturae, inquantum vere accipit speciem carnis et ossis et hujusmodi partium. Et hoc est quod dicit Philosophus in 2. de Anima [cap. 4. n. 13.], quod « alimentum nutrit inquantum est potentia caro ».

Maar ook dit is niet aan te nemen. Eerstens, omdat deze opvatting over de stof der levende lichamen oordeelt als over de stof der levenlooze, waarin — moge er al vermogen zijn om naar soortgelijkenis voort te brengen — geen vermogen is om iets te doen ontstaan naar eigen individueele gelijkenis, welk vermogen in levende lichamen de voedingskracht is. Niets dus zou door de 357voedingskracht aan de levende lichamen worden toegevoegd, als het voedsel niet werkelijk bij hun natuur werd opgenomen. — Ten tweede, de actieve kracht in het zaad is, zooals boven gezegd is (118e Kw. 1e Art.), een indruk afkomstig van de ziel van den teler. Zij kan dus geen grooter werkvermogen hebben dan de ziel zelf, waar ze vandaan komt. Als dus door de kracht van het zaad eenige stof werkelijk den vorm der menschelijke natuur aanneemt, dan kan de ziel veel eerder door het voedingsvermogen in het opgenomen voedsel den vorm der menschelijke natuur indrukken. — Ten derde, het voedsel is niet slechts noodig voor den groei, anders zou het niet verder noodig zijn als de groei ophoudt: maar ook ter vernieuwing van hetgeen door de inwerking der natuurlijke warmte verloren gaat. Maar het zou geen vernieuwing zijn, als wat uit de voeding ontstaat, niet in de plaats van het verlorene kwam. Zooals dus, wat er eerst was, werkelijk tot de menschelijke natuur behoorde, zoo ook wat uit het voedsel ontstaat. En daarom moet volgens anderen gezegd worden, dat het voedsel werkelijk wordt omgezet in de menschelijke natuur, in zoover het echt het soort aanneemt van vleesch en been e.d. deelen. En dit is wat de Wijsgeer zegt: « Het voedsel voedt in zoover het vleesch in potentie is ».Maar ook dit is niet aan te nemen. Eerstens, omdat deze opvatting over de stof van de levende lichamen oordeelt als over de stof van de levenloze, waarin — moge er al vermogen zijn om naar soortgelijkenis voort te brengen — geen vermogen is om iets te doen ontstaan naar eigen individuele gelijkenis, welk vermogen in levende lichamen de voedingskracht is. Niets dus zou door de 357voedingskracht aan de levende lichamen worden toegevoegd, als het voedsel niet werkelijk bij hun natuur werd opgenomen. — Ten tweede, de actieve kracht in het zaad is, zoals boven gezegd is (118e Kw. 1e Art.), een indruk afkomstig van de ziel van de teler. Zij kan dus geen groter werkvermogen hebben dan de ziel zelf, waar ze vandaan komt. Als dus door de kracht van het zaad enige stof werkelijk de vorm van de menselijke natuur aanneemt, dan kan de ziel veel eerder door het voedingsvermogen in het opgenomen voedsel de vorm van de menselijke natuur indrukken. — Ten derde, het voedsel is niet slechts nodig voor de groei, anders zou het niet verder nodig zijn als de groei ophoudt: maar ook ter vernieuwing van hetgeen door de inwerking van de natuurlijke warmte verloren gaat. Maar het zou geen vernieuwing zijn, als wat uit de voeding ontstaat, niet in de plaats van het verlorene kwam. Zoals dus, wat er eerst was, werkelijk tot de menselijke natuur behoorde, zo ook wat uit het voedsel ontstaat. En daarom moet volgens anderen gezegd worden, dat het voedsel werkelijk wordt omgezet in de menselijke natuur, in zover het echt het soort aanneemt van vlees en been e.d. delen. En dit is wat de Wijsgeer zegt: “Het voedsel voedt in zover het vlees in potentie is”.

↑ bedenking 1

358Ad primum ergo dicendum quod Dominus non dicit quod totum quod in os intrat, per secessum emittatur, sed oportet, quod6 de quolibet cibo aliquid impurum per secessum emittatur. Vel potest dici, quod quidquid ex alimento generatur, potest etiam per calorem naturalem resolvi, et per poros quosdam occultos emitti, ut Hieronymus exponit [sup. Matth. ad loc. cit. in arg.].

358Antwoord op de Bedenkingen. — De Heer zegt niet dat het geheel, dat den mond ingaat, in het geheim wordt uitgeworpen, maar dat van elke spijs, een onzuiver gedeelte in het geheim wordt uitgeworpen. — Of men kan zeggen, dat wat ook uit het voedsel ontstaat, dit door de natuurlijke warmte kan ontbonden worden, en door verborgen poriën naar buiten gewerkt worden, zooals Hieronymus het uitlegt.358Antwoord op de Bedenkingen. — De Heer zegt niet dat het geheel, dat de mond ingaat, in het geheim wordt uitgeworpen, maar dat van elke spijs, een onzuiver gedeelte in het geheim wordt uitgeworpen. — Of men kan zeggen, dat wat ook uit het voedsel ontstaat, dit door de natuurlijke warmte kan ontbonden worden, en door verborgen poriën naar buiten gewerkt worden, zoals Hieronymus het uitlegt.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod aliqui per carnem secundum speciem intellexerunt id quod primo accipit speciem humanam, quod sumitur a generante: et hoc dicunt semper manere, quousque individuum durat. Carnem vero secundum materiam dicunt esse quae generatur ex alimento: et hanc dicunt non semper permanere, sed quod sicut advenit, ita abscedit. Sed hoc est contra intentionem Aristotelis. Dicit enim ibi [loc. cit. in argum.] quod, « sicut in unoquoque habentium speciem in materia », puta in ligno et lapide, « ita et in carne hoc est secundum speciem, et illud secundum materiam ». Manifestum est autem quod praedicta distinctio locum non habet in rebus inanimatis, quae non generantur ex semine nec nutriuntur. Et iterum, cum id quod ex alimento generatur, adjungatur 359corpori nutrito per modum mixtionis, sicut aqua miscetur vino, ut ponit exemplum ibidem Philosophus [loc. cit. in arg.]; non potest alia esse natura ejus quod advenit, et ejus cui advenit, cum jam sit factum unum per veram mixtionem. Unde nulla ratio est quod unum consumatur per calorem naturalem, et alterum maneat. Et ideo aliter dicendum est, quod haec distinctio Philosophi non est secundum diversas carnes, sed est ejusdem carnis secundum diversam considerationem. Si enim consideretur caro secundum speciem, idest secundum id quod est formale in ipsa, sic semper manet: quia semper manet natura carnis, et dispositio naturalis ipsius. Sed si consideretur caro secundum materiam, sic non manet, sed paulatim consumitur et restauratur: sicut patet in igne fornacis, cujus forma manet, sed materia paulatim consumitur, et alia in locum ejus substituitur.

2. Sommigen hebben onder vleesch naar de soort dat verstaan, wat het eerst de menschelijke soort aanneemt, wat nl. van den teler genomen wordt: en dit, zeggen ze, blijft, zoolang het individu blijft. Het vleesch naar de stof noemen ze wat uit het voedsel ontstaat, en dit zeggen ze, blijft niet altijd, maar zooals het gekomen is, verdwijnt het ook weer. — Maar dit is tegen de bedoeling van Aristoteles. Hij zegt immers, dat « zooals in al wat zijn soort in de stof heeft », b.v. in hout of in steen, « zoo ook in het vleesch dit volgens de soort, en dat naar de stof is ». Nu is het klaar, dat voor genoemde distinctie geen plaats is bij de levenlooze dingen, die noch uit zaad geteeld, noch gevoed worden. En daar wat uit het voedsel ontstaat bij het gevoede lichaam als door vermenging wordt bijgevoegd, zooals water bij wijn, gelijk 359de Wijsgeer als voorbeeld geeft, kan datgene wat er bij komt geen andere natuur hebben, dan waarbij het komt, daar het al door echte vermenging één geworden is. Dus is er geen enkele reden, waarom het eene door de natuurlijke warmte zou worden opgebruikt, en het andere niet. En daarom dient anders gezegd: dit onderscheid van den Wijsgeer is niet naar verschil van vleesch, maar naar verschil van beschouwing van hetzelfde vleesch. Wordt het vleesch gezien naar de soort, dat is naar hetgeen er formeel in is, zoo blijft het altijd: want immer blijft de natuur van vleesch, en zijn natuurlijke dispositie. Maar wordt het vleesch naar de stof gezien, zoo blijft het niet, maar wordt langzaam opgebruikt en vernieuwd, zooals blijkt bij het vuur in den haard: zijn vorm blijft, maar de stof wordt langzaam opgebrand, en andere in plaats daarvan gesteld.2. Sommigen hebben onder vlees naar de soort dat verstaan, wat het eerst de menselijke soort aanneemt, wat nl. van de teler genomen wordt: en dit, zeggen ze, blijft, zolang het individu blijft. Het vlees naar de stof noemen ze wat uit het voedsel ontstaat, en dit zeggen ze, blijft niet altijd, maar zoals het gekomen is, verdwijnt het ook weer. — Maar dit is tegen de bedoeling van Aristoteles. Hij zegt immers, dat “zoals in al wat zijn soort in de stof heeft”, bv. in hout of in steen, “zo ook in het vlees dit volgens de soort, en dat naar de stof is”. Nu is het klaar, dat voor genoemde distinctie geen plaats is bij de levenloze dingen, die noch uit zaad geteeld, noch gevoed worden. En daar wat uit het voedsel ontstaat bij het gevoede lichaam als door vermenging wordt bijgevoegd, zoals water bij wijn, gelijk 359de Wijsgeer als voorbeeld geeft, kan datgene wat er bij komt geen andere natuur hebben, dan waarbij het komt, daar het al door echte vermenging één geworden is. Dus is er geen enkele reden, waarom het ene door de natuurlijke warmte zou worden opgebruikt, en het andere niet. En daarom dient anders gezegd: dit onderscheid van de Wijsgeer is niet naar verschil van vlees, maar naar verschil van beschouwing van hetzelfde vlees. Wordt het vlees gezien naar de soort, dat is naar hetgeen er formeel in is, zo blijft het altijd: want immer blijft de natuur van vlees, en zijn natuurlijke dispositie. Maar wordt het vlees naar de stof gezien, zo blijft het niet, maar wordt langzaam opgebruikt en vernieuwd, zoals blijkt bij het vuur in de haard: zijn vorm blijft, maar de stof wordt langzaam opgebrand, en andere in plaats daarvan gesteld.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod ad humidum radicale intelligitur pertinere totum id, in quo fundatur virtus speciei. Quod si subtrahatur, restitui non potest: sicut si amputetur manus aut pes, vel aliquid hujusmodi. Sed humidum nutrimentale est quod nondum pervenit ad suscipiendum perfecte naturam speciei, sed est in via ad hoc; sicut est sanguis, et alia hujusmodi. Unde si 360talia subtrahantur, remanet adhuc virtus speciei in radice, quae non tollitur.

3. Tot het oorspronkelijke vocht behoort alles, waarin de kracht van het soort gefundeerd is. Als dat weggenomen wordt, kan het niet hersteld worden: zooals wanneer een hand of een voet of iets dergelijks wordt afgezet. Maar het vocht der voeding is wat nog niet geheel de natuur van het soort heeft gekregen, maar hiertoe op weg is, zooals bloed e.d. Als zulke dingen worden weggenomen, 360blijft nog de kracht der soort, die niet weggenomen wordt, in grond aanwezig.3. Tot het oorspronkelijke vocht behoort alles, waarin de kracht van het soort gefundeerd is. Als dat weggenomen wordt, kan het niet hersteld worden: zoals wanneer een hand of een voet of iets dergelijks wordt afgezet. Maar het vocht van de voeding is wat nog niet geheel de natuur van het soort heeft gekregen, maar hiertoe op weg is, zoals bloed e.d. Als zulke dingen worden weggenomen, 360blijft nog de kracht van de soort, die niet weggenomen wordt, in grond aanwezig.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum quod omnis virtus in corpore passibili per continuam actionem debilitatur, quia hujusmodi agentia etiam patiuntur. Et ideo virtus conversiva in principio quidem tam fortis est, ut possit convertere non solum quod sufficit ad restaurationem deperditi, sed etiam ad augmentum. Postea vero non potest convertere nisi quantum sufficit ad restaurationem deperditi: et tunc cessat augmentum. Demum nec hoc potest: et tunc fit diminutio. Deinde, deficiente hujusmodi virtute totaliter, animal moritur. Sicut virtus vini convertentis aquam admixtam, paulatim per admixtionem aquae debilitatur, ut tandem totum fiat aquosum, ut Philosophus exemplificat 1. de Generat. [cap. 5. n. 18.].

4. Iedere kracht in een lijdbaar lichaam wordt, omdat dergelijke werkoorzaken ook lijden, door voortdurende werking verzwakt. En daarom is het assimilatievermogen in het begin zoo sterk, dat het niet alleen zooveel als voldoende is voor herstel van het verlorene kan assimileeren, maar ook voor den groei. Later echter kan het niet méér assimileeren, dan voldoende is voor het herstel van het verlorene: en dan houdt de groei op. Daarna kan het ook dit niet meer, en begint de achteruitgang. Tenslotte, bij het geheel te kort schieten van dit vermogen, sterft het dier. Zooals, naar het voorbeeld van den Wijsgeer, de kracht van wijn om het toegevoegde water te assimileeren, langzaam door nieuwe toevoeging van water verzwakt, totdat tenslotte het geheel verwaterd is.4. Iedere kracht in een lijdbaar lichaam wordt, omdat dergelijke werkoorzaken ook lijden, door voortdurende werking verzwakt. En daarom is het assimilatievermogen in het begin zo sterk, dat het niet alleen zoveel als voldoende is voor herstel van het verlorene kan assimileren, maar ook voor de groei. Later echter kan het niet méér assimileren, dan voldoende is voor het herstel van het verlorene: en dan houdt de groei op. Daarna kan het ook dit niet meer, en begint de achteruitgang. Tenslotte, bij het geheel te kort schieten van dit vermogen, sterft het dier. Zoals, naar het voorbeeld van de Wijsgeer, de kracht van wijn om het toegevoegde water te assimileren, langzaam door nieuwe toevoeging van water verzwakt, totdat tenslotte het geheel verwaterd is.

↑ bedenking 5

Ad quintum dicendum quod, sicut Philosophus dicit in 1. de Generat. [cap. 5. n. 16.], quando aliqua materia per se convertitur in ignem, tunc dicitur ignis de novo generari: quando vero aliqua materia convertitur in ignem praeexistentem, dicitur ignis nutriri. Unde si tota materia simul amittat speciem ignis, et alia materia convertatur in ignem, erit alius ignis 361numero. Si vero, paulatim combusto uno ligno, aliud substituatur, et sic deinceps quousque omnia prima consumantur, semper remanet idem ignis numero: quia semper quod additur, transit in praeexistens. Et similiter est intelligendum in corporibus viventibus, in quibus ex nutrimento restauratur id quod per calorem naturalem consumitur.

5. Wanneer een stof uit zich in vuur overgaat, dan zegt men, zooals de Wijsgeer opmerkt, dat er nieuw vuur ontstaat: maar als een stof in een vooraf aanwezig vuur omgezet wordt, zegt men dat het vuur voedsel krijgt. Vandaar dat als geheel de stof tegelijk de vuursoort verliest, en een andere stof in vuur wordt omgezet, er numeriek een ander vuur is. Als echter terwijl het eene stuk hout langzaam opbrandt, een ander stuk in de plaats daarvan gelegd 361wordt, en zoo verder totdat al de vorige stukken verbrand zijn, blijft het toch altijd numeriek hetzelfde vuur: omdat voortdurend wat bijgevoegd wordt omgezet wordt in wat al was. En zoo moet men het ook verstaan bij de levende lichamen waarin door voedsel herstel plaats heeft van wat door de natuurlijke warmte verbruikt is.5. Wanneer een stof uit zich in vuur overgaat, dan zegt men, zoals de Wijsgeer opmerkt, dat er nieuw vuur ontstaat: maar als een stof in een vooraf aanwezig vuur omgezet wordt, zegt men dat het vuur voedsel krijgt. Vandaar dat als geheel de stof tegelijk de vuursoort verliest, en een andere stof in vuur wordt omgezet, er numeriek een ander vuur is. Als echter terwijl het ene stuk hout langzaam opbrandt, een ander stuk in de plaats daarvan gelegd 361wordt, en zo verder totdat al de vorige stukken verbrand zijn, blijft het toch altijd numeriek hetzelfde vuur: omdat voortdurend wat bijgevoegd wordt omgezet wordt in wat al was. En zo moet men het ook verstaan bij de levende lichamen waarin door voedsel herstel plaats heeft van wat door de natuurlijke warmte verbruikt is.

Articulus II

Utrum semen sit de superfluo alimenti

[2. Dist. 30. q. 2. art. 2.].
IIe Artikel

Is het zaad, dat het beginsel der menschelijke teling is, voedingsoverschot?Is het zaad, dat het beginsel van de menselijke teling is, voedingsoverschot?

antwoord 1 ↓

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod semen non sit de superfluo alimenti, sed de substantia generantis. Dicit enim Damascenus [1. Orth. Fid. cap. 8.] quod generatio est « opus naturae ex substantia generantis producens illud, quod generatur ». Sed id quod generatur, generatur ex semine. Ergo semen est de substantia generantis.

Bedenkingen. — Men beweert, dat het zaad geen voedingsoverschot is, maar uit de zelfstandigheid is van den teler. — 1. Damascenus zegt immers, dat « de teling een natuurwerking is, die uit de zelfstandigheid van den teler het geteelde voortbrengt ». Maar het geteelde wordt uit zaad geteeld. Dus is het zaad uit de zelfstandigheid van den teler.Bedenkingen. — Men beweert, dat het zaad geen voedingsoverschot is, maar uit de zelfstandigheid is van de teler. — 1. Damascenus zegt immers, dat “de teling een natuurwerking is, die uit de zelfstandigheid van de teler het geteelde voortbrengt”. Maar het geteelde wordt uit zaad geteeld. Dus is het zaad uit de zelfstandigheid van de teler.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, secundum hoc filius assimilatur patri, quod ab eo aliquid accipit. Sed si semen ex quo aliquid generatur, sit de superfluo alimenti; 362nihil acciperet aliquis ab avo et praecedentibus, in quibus hoc alimentum nullo modo fuit. Ergo non assimilaretur aliquis avo et praecedentibus, magis quam aliis hominibus.

2. De zoon lijkt op den vader, voor zoover hij iets van hem ontvangt. Maar als nu het zaad, waaruit geteeld wordt, 362voedingsoverschot is, zou niemand iets van zijn grootvader of voorouders, in wie dit voedsel nooit was, ontvangen. Niemand zou dus meer op zijn grootvader of voorouders lijken, dan op andere menschen.2. De zoon lijkt op de vader, voor zover hij iets van hem ontvangt. Maar als nu het zaad, waaruit geteeld wordt, 362voedingsoverschot is, zou niemand iets van zijn grootvader of voorouders, in wie dit voedsel nooit was, ontvangen. Niemand zou dus meer op zijn grootvader of voorouders lijken, dan op andere mensen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, alimentum hominis generantis quandoque est ex carnibus bovis, vel porci, et aliorum hujusmodi. Si igitur semen esset de superfluo alimenti, homo generatus ex semine majorem affinitatem haberet cum bove et porco, quam cum patre et aliis consanguineis.

3. Het voedsel van den teler bestaat soms uit ossen- of zwijnenvleesch, e.d. Als dus het zaad voedingsoverschot was, zou de uit zaad geboren mensch meer verwantschap hebben met een os of zwijn, dan met zijn vader en andere bloedverwanten.3. Het voedsel van de teler bestaat soms uit ossen- of zwijnenvlees, e.d. Als dus het zaad voedingsoverschot was, zou de uit zaad geboren mens meer verwantschap hebben met een os of zwijn, dan met zijn vader en andere bloedverwanten.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, Augustinus dicit 10. super Gen. ad litt. [cap. 20.], quod nos fuimus in Adam « non solum secundum seminalem rationem, sed etiam secundum corpulentam substantiam ». Hoc autem non esset, si semen esset ex superfluo alimenti. Ergo semen non est ex superfluo alimenti.

4. Augustinus zegt, dat wij in Adam waren, « niet slechts naar zaadbeginsel, maar ook naar de lichamelijke massa ». Dit zou echter niet het geval zijn, als het zaad voedingsoverschot was. Dus is het zaad geen voedingsoverschot.4. Augustinus zegt, dat wij in Adam waren, “niet slechts naar zaadbeginsel, maar ook naar de lichamelijke massa”. Dit zou echter niet het geval zijn, als het zaad voedingsoverschot was. Dus is het zaad geen voedingsoverschot.

Sed contra est quod Phylosophus probat multipliciter in lib. 1. de Generat. Animal. [cap. 18.] quod semen est superfluum alimenti.

Daartegenover staat echter, dat de Wijsgeer op verschillende manieren bewijst, dat het zaad voedingsoverschot is.

Respondeo dicendum quod ista quaestio aliqualiter dependet ex praemissis [art. praec. et q. 118. art. 1.]. Si enim in natura humana est virtus ad communicandum suam formam materiae alienae non solum in alio, sed 363etiam in ipso; manifestum est quod alimentum, quod est in principio dissimile, in fine sit simile per formam communicatam. Est autem naturalis ordo ut aliquid gradatim de potentia reducatur in actum: et ideo in his quae generantur, invenimus quod primum unumquodque est imperfectum, et postea perficitur. Manifestum est autem quod commune se habet ad proprium et determinatum, ut imperfectum ad perfectum: et ideo videmus quod in generatione animalis prius generatur animal, quam homo vel equus. Sic igitur et ipsum alimentum primo quidem accipit quamdam virtutem communem respectu omnium partium corporis, et in fine determinatur ad hanc partem vel ad illam. Non autem est possibile quod accipiatur pro semine id, quod jam conversum est in substantiam membrorum per quamdam resolutionem. Quia illud resolutum, si non retineret naturam ejus a quo resolvitur, tunc jam esset recedens a natura generantis, quasi in via corruptionis existens; et sic non haberet virtutem convertendi aliud in similem naturam. Si vero retineret naturam ejus a quo resolvitur, tunc1 esset contractum ad determinatam 364partem; et2 non haberet virtutem movendi ad naturam totius, sed solum ad naturam partis. Nisi forte quis dicat quod esset resolutum ab omnibus partibus corporis, et quod retineat naturam omnium partium. Et sic semen esset quasi quoddam parvum animal in actu; et generatio animalis ex animali non esset nisi per divisionem, sicut lutum generatur ex luto, et sicut accidit in animalibus quae decisa vivunt. Hoc autem est inconveniens. Relinquitur ergo quod semen non sit decisum ab eo quod erat actu totum; sed magis in potentia totum, habens virtutum ad productionem totius corporis, derivatam ab anima generantis, ut supra dictum est [art. praec. q. 118. art. 1.]. Hoc autem quod est in potentia ad totum, est illud quod generatur ex alimento, antequam convertatur in substantiam membrorum. Et ideo ex hoc semen accipitur. Et secundum hoc, virtus nutritiva dicitur deservire generativae: quia id quod est conversum per virtutem nutritivam, accipitur a virtute generativa ut semen. Et hujus signum ponit Philosophus [1. de Generat. Animal. cap. 18.], quod animalia magni corporis, quae indigent multo nutrimento, sunt pauci seminis secundum quantitatem sui corporis, 365et paucae generationis; et similiter homines pingues sunt pauci seminis, propter eamdem causam.

Leerstelling. — Deze kwestie hangt gedeeltelijk met het voorgaande samen (vorig Art.; en 118e Kw. 1e Art.). Als immers in de menschelijke natuur een vermogen is om aan vreemde stof, niet alleen in iets anders, maar ook in haarzelf, den eigen vorm 363mede te deelen, is het klaar, dat het voedsel, dat in het begin niet gelijk is, tenslotte door den medegedeelden vorm gelijk is. Het is echter de natuurlijke orde, dat iets langzamerhand van potentie tot actualiteit wordt gebracht, en daarom vinden we bij al wat ontstaat, dat het eerst onvolmaakt is, en daarna vervolmaakt wordt. Nu is het duidelijk, dat het algemeene zich tot het eigene en bepaalde als onvolmaakt tot volmaakt verhoudt, en daarom zien we, dat bij het ontstaan van het dier eerst een dier, en daarna mensch of paard wordt. Zoo ontvangt dus ook het voedsel eerst een zekeren algemeenen aanleg voor alle lichaamsdeelen, en tenslotte wordt het tot dit of dat deel bepaald. Het is echter niet mogelijk, dat door een of andere oplossing hetgeen reeds omgezet was in de zelfstandigheid der ledematen, voor het zaad dient. Want als het opgeloste niet de natuur zou behouden van hetgeen waarvan het losgemaakt is, zou het als op weg naar bederf, reeds niet meer de natuur van den teler hebben, en zoo ook niet meer het vermogen iets anders in die natuur om te zetten. — Zoo het echter wel de natuur behield van hetgeen waarvan het losgemaakt werd, dan zou het, als tot een bepaald deel beperkt, niet het vermogen hebben om tot de natuur van het geheel, 364doch slechts tot de natuur van het deel te brengen. — Of iemand mocht willen zeggen, dat het een oplossing is van alle lichaamsdeelen, en de natuur van alle deelen bewaart. En zoo zou het zaad als een klein actueel diertje zijn, en de teelt van het eene dier uit het andere niet dan door verdeeling plaats hebben, zooals slijk uit slijk ontstaat, en zooals ook gebeurt bij dieren, die doorgesneden nog leven. Dit is echter onaannemelijk. Rest dus, dat het zaad niet is afgescheiden van wat actueel het geheel was, maar veeleer is het potentieel geheel, en heeft, zooals boven gezegd is (vorig Art.; en 118e Kw. 1e Art.), van de ziel van den teler het vermogen geheel het lichaam voort te brengen. Wat echter in potentie tot het geheel is, is juist wat uit het voedsel ontstaat, vooraleer dit in de zelfstandigheid der ledematen wordt omgezet. En hieruit wordt het zaad genomen. — Vandaar zegt men, dat het voedingsvermogen het teeltvermogen dient, want wat door het voedingsvermogen werd omgezet, neemt het teeltvermogen als zaad. Een teeken hiervan ziet de Wijsgeer hierin, dat dieren met groote lichamen, die veel voedsel noodig hebben, in verhouding 365tot hun lichaam weinig zaad hebben, en weinig telen; en zoo hebben ook, om dezelfde reden, dikke menschen weinig zaad.Leerstelling. — Deze kwestie hangt gedeeltelijk met het voorgaande samen (vorig Art.; en 118e Kw. 1e Art.). Als immers in de menselijke natuur een vermogen is om aan vreemde stof, niet alleen in iets anders, maar ook in haarzelf, de eigen vorm 363mede te delen, is het klaar, dat het voedsel, dat in het begin niet gelijk is, tenslotte door de medegedeelde vorm gelijk is. Het is echter de natuurlijke orde, dat iets langzamerhand van potentie tot actualiteit wordt gebracht, en daarom vinden we bij al wat ontstaat, dat het eerst onvolmaakt is, en daarna vervolmaakt wordt. Nu is het duidelijk, dat het algemene zich tot het eigene en bepaalde als onvolmaakt tot volmaakt verhoudt, en daarom zien we, dat bij het ontstaan van het dier eerst een dier, en daarna mens of paard wordt. Zo ontvangt dus ook het voedsel eerst een zekeren algemenen aanleg voor alle lichaamsdelen, en tenslotte wordt het tot dit of dat deel bepaald. Het is echter niet mogelijk, dat door een of andere oplossing hetgeen reeds omgezet was in de zelfstandigheid van de ledematen, voor het zaad dient. Want als het opgeloste niet de natuur zou behouden van hetgeen waarvan het losgemaakt is, zou het als op weg naar bederf, reeds niet meer de natuur van de teler hebben, en zo ook niet meer het vermogen iets anders in die natuur om te zetten. — Zo het echter wel de natuur behield van hetgeen waarvan het losgemaakt werd, dan zou het, als tot een bepaald deel beperkt, niet het vermogen hebben om tot de natuur van het geheel, 364doch slechts tot de natuur van het deel te brengen. — Of iemand mocht willen zeggen, dat het een oplossing is van alle lichaamsdelen, en de natuur van alle delen bewaart. En zo zou het zaad als een klein actueel diertje zijn, en de teelt van het ene dier uit het andere niet dan door verdeling plaats hebben, zoals slijk uit slijk ontstaat, en zoals ook gebeurt bij dieren, die doorgesneden nog leven. Dit is echter onaannemelijk. Rest dus, dat het zaad niet is afgescheiden van wat actueel het geheel was, maar veeleer is het potentieel geheel, en heeft, zoals boven gezegd is (vorig Art.; en 118e Kw. 1e Art.), van de ziel van de teler het vermogen geheel het lichaam voort te brengen. Wat echter in potentie tot het geheel is, is juist wat uit het voedsel ontstaat, vooraleer dit in de zelfstandigheid van de ledematen wordt omgezet. En hieruit wordt het zaad genomen. — Vandaar zegt men, dat het voedingsvermogen het teeltvermogen dient, want wat door het voedingsvermogen werd omgezet, neemt het teeltvermogen als zaad. Een teken hiervan ziet de Wijsgeer hierin, dat dieren met grote lichamen, die veel voedsel nodig hebben, in verhouding 365tot hun lichaam weinig zaad hebben, en weinig telen; en zo hebben ook, om dezelfde reden, dikke mensen weinig zaad.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod generatio est de substantia generantis in animalibus et plantis, inquantum semen habet virtutem ex forma generantis, et inquantum est in potentia ad substantiam ipsius.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Bij dieren en planten is de teelt uit de zelfstandigheid van den teler, in zoover het zaad de kracht heeft uit den vorm van den teler en in zoover het in potentie is tot diens zelfstandigheid.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Bij dieren en planten is de teelt uit de zelfstandigheid van de teler, in zover het zaad de kracht heeft uit de vorm van de teler en in zover het in potentie is tot diens zelfstandigheid.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod assimilatio generantis ad genitum non fit propter materiam, sed propter formam agentis, quod generat sibi simile. Unde non oportet ad hoc quod aliquis assimiletur avo: quod materia corporalis seminis fuerit in avo; sed quod sit in semine aliqua virtus derivata ab avo3, mediante patre.

2. De gelijkenis van teler en geteelde is niet vanwege de stof, maar door den vorm van de werkoorzaak, die naar eigen gelijkenis voortbrengt. Opdat dus iemand op zijn grootvader lijke, is het niet noodig, dat het zaad stoffelijk in den grootvader was, maar dat er in het zaad een kracht is door bemiddeling van den vader aan de ziel van den grootvader ontleend.2. De gelijkenis van teler en geteelde is niet vanwege de stof, maar door de vorm van de werkoorzaak, die naar eigen gelijkenis voortbrengt. Opdat dus iemand op zijn grootvader lijke, is het niet nodig, dat het zaad stoffelijk in de grootvader was, maar dat er in het zaad een kracht is door bemiddeling van de vader aan de ziel van de grootvader ontleend.

↑ bedenking 3

Et similiter dicendum est ad tertium. Nam affinitas non attenditur secundum materiam, sed magis secundum derivationem formae.

3. Op dezelfde manier moet hier geantwoord worden: want verwantschap wordt niet naar de stof gezien, maar veeleer naar de afkomst van den vorm.3. Op dezelfde manier moet hier geantwoord worden: want verwantschap wordt niet naar de stof gezien, maar veeleer naar de afkomst van de vorm.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum quod verbum Augustini non est sic intelligendum, quod in Adam actu fuerit aut seminalis ratio hujus hominis propinqua, aut corpulenta ejus substantia: sed utrumque fuit in Adam secundum 366originem. Nam et materia corporalis, quae ministrata est a matre, quam vocat corpulentam substantiam, derivatur originaliter ab Adam: et similiter virtus activa existens in semine patris, quae est hujus hominis propinqua ratio seminalis. Sed Christus dicitur fuisse in Adam secundum corpulentam substantiam, sed non secundum seminalem rationem. Quia materia corporis ejus, quae ministrata est a matre Virgine, derivata est ab Adam: sed virtus activa non est derivata ab Adam, quia corpus ejus non est formatum per virtutem virilis seminis, sed operatione Spiritus Sancti. Talis enim partus decebat eum, qui est super omnia benedictus Deus in saecula. Amen.

4. Dat woord van Augustinus moet niet zoo verstaan worden, alsof het naaste zaadbeginsel of de lichamelijke massa van dezen mensch actueel in Adam was, maar beide waren volgens oorsprong 366in Adam. Want én de lichamelijke stof, die door de moeder gegeven wordt — die hij lichamelijke massa noemt — komt oorspronkelijk van Adam, én insgelijks de actieve kracht in het zaad van den vader, die het naaste beginsel van dezen mensch is. Maar van Christus zeggen we, dat Hij in Adam was naar de lichamelijke massa, niet echter naar zaadbeginsel. Want de stof van zijn lichaam, die door de Moedermaagd geschonken is, is van Adam afkomstig: maar de actieve kracht is niet van Adam afkomstig: omdat zijn lichaam niet gevormd is door de kracht van mannelijk zaad, maar door de inwerking des H. Geestes. Zulke geboorte betaamde Hem, DIE GOD IS, BOVEN ALLES GEZEGEND IN EEUWIGHEID. AMEN.4. Dat woord van Augustinus moet niet zo verstaan worden, alsof het naaste zaadbeginsel of de lichamelijke massa van deze mens actueel in Adam was, maar beide waren volgens oorsprong 366in Adam. Want én de lichamelijke stof, die door de moeder gegeven wordt — die hij lichamelijke massa noemt — komt oorspronkelijk van Adam, én insgelijks de actieve kracht in het zaad van de vader, die het naaste beginsel van deze mens is. Maar van Christus zeggen we, dat Hij in Adam was naar de lichamelijke massa, niet echter naar zaadbeginsel. Want de stof van zijn lichaam, die door de Moedermaagd geschonken is, is van Adam afkomstig: maar de actieve kracht is niet van Adam afkomstig: omdat zijn lichaam niet gevormd is door de kracht van mannelijk zaad, maar door de inwerking van de H. Geest. Zulke geboorte betaamde Hem, DIE GOD IS, BOVEN ALLES GEZEGEND IN EEUWIGHEID. AMEN.