Theologische Summa · Prima Pars · De werking des menschenDe werking van de mensSumma · I · De werking des menschenDe werking van de mensSumma · I · Kw. 118Kw. 118
Quaestio CXVIII

De traductione hominis ex homine quantum ad animam, in tres articulos divisa

Kwestie 118

De oorsprong van den mensch uit den mensch wat de ziel aangaatDe oorsprong van de mens uit de mens wat de ziel aangaat

(Drie Artikelen)

330Deinde considerandum est de traductione hominis ex homine. Et primo quantum ad animam; secundo quantum ad corpus. Circa primum quaeruntur tria: 1. Utrum anima sensitiva traducatur cum semine. — 2. Utrum anima intellectiva. — 3. Utrum omnes animae fuerint simul creatae.

330Vervolgens moeten we de oorsprong van den mensch uit den mensch beschouwen. En eerst wat de ziel aangaat; daarna betreffende het lichaam. Over het eerste punt stellen we drie vragen: 1. Wordt de zinnelijke ziel tegelijk met het zaad overgebracht? 2. Ook de redelijke ziel? 3. Zijn alle zielen tegelijk geschapen?330Vervolgens moeten we de oorsprong van de mens uit de mens beschouwen. En eerst wat de ziel aangaat; daarna betreffende het lichaam. Over het eerste punt stellen we drie vragen: 1. Wordt de zinnelijke ziel tegelijk met het zaad overgebracht? 2. Ook de redelijke ziel? 3. Zijn alle zielen tegelijk geschapen?

Articulus I

Utrum anima sensitiva traducatur cum semine

[2. Dist. 18. q. 2. art. 3; 2. Cont. g. cap. 86; De Pot. q. 3. art. 2; Quodl. 9. q. 5. art. 1.].
Ie Artikel

Wordt de zinnelijke ziel tegelijk met het zaad overgebracht?

antwoord 1 ↓

331Ad primum sic proceditur. Videtur quod anima sensitiva non traducatur cum semine, sed sit per creationem a Deo. Omnis enim substantia perfecta quae non est composita ex materia et forma, si esse incipiat, hoc non est per generationem, sed per creationem. Quia nihil generatur nisi ex materia. Sed anima sensitiva est substantia perfecta, alioquin non posset movere corpus: et cum sit forma corporis non est ex materia et forma composita. Ergo non incipit esse per generationem, sed per creationem.

331Bedenkingen. — Men beweert, dat de zinnelijke ziel niet tegelijk met het zaad wordt overgebracht, maar door God geschapen wordt. — 1. Iedere volkomen zelfstandigheid immers, die niet uit stof en vorm is samengesteld en begint te zijn, doet dit niet door teelt, maar door schepping: omdat niet geteeld wordt dan uit de stof. Maar de zinnelijke ziel is een volkomen zelfstandigheid, anders kon zij geen lichaam bewegen; en daar zij een lichaamsvorm is, is ze ook niet uit stof en vorm samengesteld. Dus begint ze niet te zijn door teelt, maar door schepping.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, principium generationis in rebus viventibus est per potentiam generativam; quae cum numeretur inter vires animae vegetabilis, est infra animam sensitivam. Nihil autem agit ultra suam speciem. Ergo anima sensitiva non potest causari per vim generativam animalis.

2. Het beginsel van ontstaan bij de levende dingen is het teeltvermogen, dat, daar het onder de krachten der groeikrachtgevende ziel gerekend wordt, beneden de zinnelijke ziel staat. Niets echter kan boven de eigen soort uit werken. Dus kan de zinnelijke ziel niet veroorzaakt worden door het teeltvermogen van het dier.2. Het beginsel van ontstaan bij de levende dingen is het teeltvermogen, dat, daar het onder de krachten van de groeikrachtgevende ziel gerekend wordt, beneden de zinnelijke ziel staat. Niets echter kan boven de eigen soort uit werken. Dus kan de zinnelijke ziel niet veroorzaakt worden door het teeltvermogen van het dier.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, generans generat sibi simile: et sic oportet quod forma 332generati sit actu in causa generationis. Sed anima sensitiva non est actu in semine, nec ipsa nec aliqua pars ejus: quia nulla pars animae sensitivae est nisi in aliqua parte corporis; in semine autem non est aliqua corporis particula, quia nulla particula corporis est quae non fiat ex semine, et per virtutem seminis. Ergo anima sensitiva non causatur ex semine.

3. De teler teelt naar eigen gelijkenis: dus moet de vorm van 332het geteelde actueel aanwezig zijn in de oorzaak der teling. Maar de zinnelijke ziel is niet actueel noch geheel noch gedeeltelijk, in het zaad, want een deel der zinnelijke ziel is slechts in een deel van het lichaam. Maar in het zaad is geen deeltje van het lichaam, omdat er geen enkel deeltje van het lichaam is, dat niet uit het zaad en door de kracht van het zaad ontstaat. Dus wordt de zinnelijke ziel niet uit het zaad veroorzaakt.3. De teler teelt naar eigen gelijkenis: dus moet de vorm van 332het geteelde actueel aanwezig zijn in de oorzaak van de teling. Maar de zinnelijke ziel is niet actueel noch geheel noch gedeeltelijk, in het zaad, want een deel van de zinnelijke ziel is slechts in een deel van het lichaam. Maar in het zaad is geen deeltje van het lichaam, omdat er geen enkel deeltje van het lichaam is, dat niet uit het zaad en door de kracht van het zaad ontstaat. Dus wordt de zinnelijke ziel niet uit het zaad veroorzaakt.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, si in semine est aliquod principium activum animae sensitivae, aut illud principium manet, generato jam animali, aut non manet. Sed manere non potest. Quia vel esset idem cum anima sensitiva animalis generati: et hoc est impossibile, quia sic esset idem generans et generatum, et faciens et factum. Vel esset aliquid aliud: et hoc etiam est impossibile, quia supra ostensum est [q. 76. art. 4.] quod in uno animali non est nisi unum principium formale, quod est una anima. Si autem non manet, hoc etiam videtur impossibile: quia sic aliquod agens ageret ad corruptionem suiipsius, quod est impossibile. Non ergo anima sensitiva potest generari ex semine.

4. Als in het zaad een actief beginsel der zinnelijke ziel is, dan blijft ofwel dit beginsel na het ontstaan van het dier, ofwel blijft het niet. Maar blijven kan het niet. Want dan was het ofwel identiek met de ziel van het geteelde dier: en dit is onmogelijk, omdat dan teler en geteelde, maker en gemaakte hetzelfde waren. Ofwel het was iets anders: en dat is ook niet mogelijk, omdat, zooals boven aangetoond is (76e Kw. 4e Art.), in één dier niet meer dan één formeel beginsel is, nl. de ziel. — Maar het schijnt ook niet mogelijk, dat het niet blijft: want aldus zou een werkoorzaak tot haar eigen bederf werken, wat onmogelijk is. Dus kan de zinnelijke ziel niet door het zaad worden geteeld.4. Als in het zaad een actief beginsel van de zinnelijke ziel is, dan blijft ofwel dit beginsel na het ontstaan van het dier, ofwel blijft het niet. Maar blijven kan het niet. Want dan was het ofwel identiek met de ziel van het geteelde dier: en dit is onmogelijk, omdat dan teler en geteelde, maker en gemaakte hetzelfde waren. Ofwel het was iets anders: en dat is ook niet mogelijk, omdat, zoals boven aangetoond is (76e Kw. 4e Art.), in één dier niet meer dan één formeel beginsel is, nl. de ziel. — Maar het schijnt ook niet mogelijk, dat het niet blijft: want aldus zou een werkoorzaak tot haar eigen bederf werken, wat onmogelijk is. Dus kan de zinnelijke ziel niet door het zaad worden geteeld.

Sed contra, ita se habet virtus quae est in semine, ad animalia quae 333ex semine generantur, sicut se habet virtus quae est in elementis mundi, ad animalia quae ex elementis mundi producuntur, sicut quae ex putrefactione generantur. Sed in hujusmodi animalibus animae producuntur ex virtute quae est in elementis; secundum illud Gen. 1. [v. 20]: « Producant aquae reptile animae viventis ». Ergo et animalium quae generantur ex semine, animae producuntur ex virtute quae est in semine.

Daartegenover staat echter, dat de kracht, die in het zaad is, 333zich juist zoo verhoudt tot de dieren, die uit zaad geteeld worden, als de kracht, die in de wereldelementen is, zich verhoudt tot de dieren, die door de wereldelementen worden voortgebracht, zooals die uit bederf ontstaan. Maar in dergelijke dieren wordt de ziel voortgebracht door de kracht, die in de elementen is, naar het woord uit het Boek der Schepping (1. 20): « Laat de wateren levend gewemel voortbrengen ». Dus wordt ook de ziel van de dieren, die uit zaad geteeld worden, voortgebracht door de kracht van het zaad.Daartegenover staat echter, dat de kracht, die in het zaad is, 333zich juist zo verhoudt tot de dieren, die uit zaad geteeld worden, als de kracht, die in de wereldelementen is, zich verhoudt tot de dieren, die door de wereldelementen worden voortgebracht, zoals die uit bederf ontstaan. Maar in dergelijke dieren wordt de ziel voortgebracht door de kracht, die in de elementen is, naar het woord uit het Boek van de Schepping (1, 20): “Laat de wateren levend gewemel voortbrengen”. Dus wordt ook de ziel van de dieren, die uit zaad geteeld worden, voortgebracht door de kracht van het zaad.

Respondeo dicendum quod quidam posuerunt, animas sensitivas animalium a Deo creari. Quae quidem positio conveniens esset, si anima sensitiva esset res subsistens, habens per se esse et operationem. Sic enim sicut per se haberet esse et operationem; ita per se deberetur ei fieri. Et cum res simplex et subsistens non possit fieri nisi per creationem, sequeretur quod anima sensitiva procederet in esse per creationem. Sed ista radix est falsa, scilicet quod anima sensitiva per se habeat esse et operationem, ut ex superioribus patet [q. 75. art. 3.]: non enim corrumperetur, corrupto corpore. Et ideo cum non sit forma subsistens, habet se in essendo ad modum 334aliarum formarum corporalium, quibus per se non debetur esse, sed esse dicuntur inquantum composita subsistentia per eas sunt. Unde et ipsis compositis debetur fieri. Et quia generans est simile generato, necesse est quod naturaliter tam anima sensitiva, quam aliae hujusmodi formae, producantur in esse ab aliquibus corporalibus agentibus transmutantibus materiam de potentia in actum, per aliquam virtutem corpoream, quae est in eis. Quanto autem aliquod agens est potentius, tanto potest suam actionem diffundere ad magis distans: sicut quanto aliquod corpus est magis calidum, tanto ad remotius calefactionem producit. Corpora igitur non viventia, quae sunt inferiora ordine naturae, generant quidem sibi simile non per aliquod medium, sed per se ipsa; sicut ignis per seipsum generat ignem. Sed corpora viventia tamquam potentiora, agunt ad generandum sibi simile et sine medio, et per medium. Sine medio quidem, in opere nutritionis, in quo caro generat carnem: cum medio vero in actu generationis, quia ex anima generantis derivatur quaedam virtus activa ad ipsum semen animalis vel plantae, sicut et a principali agente derivatur quaedam vis motiva ad instrumentum. Et 335sicut non refert dicere quod aliquid moveatur ab instrumento, vel principali agente; ita non refert dicere quod anima generati causetur ab anima generantis vel a virtute derivata ab ipsa, quae est in semine.

Leerstelling. — Sommigen hebben gemeend, dat de zinnelijke zielen der dieren door God geschapen worden. En die meening zou juist zijn, als de zinnelijke ziel iets zelfstandigs was, op zich zijn en werking hebbend. Dan immers moest zij, zooals ze op zich zijn en werking had, ook op zich worden. En daar een enkelvoudig en zelfsstandig ding niet dan door schepping worden kan, zou daaruit volgen, dat de zinnelijke ziel door schepping tot het zijn kwam. Maar die grondslag, dat nl. de zinnelijke ziel op zich zijn en werking heeft, is, zooals uit wat boven gezegd is (75e Kw. 3e Art.), valsch: dan zou zij bij het vergaan van het lichaam niet 334vergaan. En dus verhoudt zij zich, daar zij geen zelfstandige vorm is, wat het zijn aangaat als andere lichamelijke vormen, die op zich geen zijn hebben, maar waarvan men zegt, dat ze zijn, omdat de zelfstandige samenstellingen daardoor zijn. Het worden komt daarom toe aan de samenstellingen zelf. En omdat het geteelde lijkt op den teler, moet natuurlijkerwijze zoowel de zinnelijke ziel als andere dergelijke vormen, tot het zijn gebracht worden door lichamelijke werkoorzaken, die door een lichamelijke kracht, welke in hem is, de stof van potentie tot actualiteit brengen. Hoe sterker echter een werkoorzaak is, hoe meer zij haar werking tot het verder weg liggende kan doen reiken, zooals een lichaam hoe warmer het is, des te verder het zijn verwarming doet reiken. De niet levende lichamen nu, die naar natuurorde de laagste zijn, brengen wel naar eigen gelijkenis voort, doch niet door een middel, maar door zichzelf, zooals vuur door zichzelf vuur voortbrengt. Maar levende lichamen werken, als hoogere, ter teling naar eigen gelijkenis én met én zonder middel. Zonder middel bij de voeding, waarin vleesch vleesch voortbrengt; met een middel bij de teling, omdat van de ziel van den teler een actieve kracht overgaat op het zaad van dier of plant, zooals ook van de voornaamste werkoorzaak een bewegingskracht overgaat op het werktuig. En zooals het er niet op aankomt of we zeggen, dat iets 335bewogen wordt door het werktuig of door de voornaamste oorzaak, zoo komt het er ook niet op aan of we zeggen, dat de ziel van het geteelde veroorzaakt wordt door de ziel van den teler, of door een van hem afkomstige kracht in het zaad.Leerstelling. — Sommigen hebben gemeend, dat de zinnelijke zielen van de dieren door God geschapen worden. En die mening zou juist zijn, als de zinnelijke ziel iets zelfstandigs was, op zich zijn en werking hebbend. Dan immers moest zij, zoals ze op zich zijn en werking had, ook op zich worden. En daar een enkelvoudig en zelfsstandig ding niet dan door schepping worden kan, zou daaruit volgen, dat de zinnelijke ziel door schepping tot het zijn kwam. Maar die grondslag, dat nl. de zinnelijke ziel op zich zijn en werking heeft, is, zoals uit wat boven gezegd is (75e Kw. 3e Art.), vals: dan zou zij bij het vergaan van het lichaam niet 334vergaan. En dus verhoudt zij zich, daar zij geen zelfstandige vorm is, wat het zijn aangaat als andere lichamelijke vormen, die op zich geen zijn hebben, maar waarvan men zegt, dat ze zijn, omdat de zelfstandige samenstellingen daardoor zijn. Het worden komt daarom toe aan de samenstellingen zelf. En omdat het geteelde lijkt op de teler, moet natuurlijkerwijze zowel de zinnelijke ziel als andere dergelijke vormen, tot het zijn gebracht worden door lichamelijke werkoorzaken, die door een lichamelijke kracht, welke in hem is, de stof van potentie tot actualiteit brengen. Hoe sterker echter een werkoorzaak is, hoe meer zij haar werking tot het verder weg liggende kan doen reiken, zoals een lichaam hoe warmer het is, des te verder het zijn verwarming doet reiken. De niet levende lichamen nu, die naar natuurorde de laagste zijn, brengen wel naar eigen gelijkenis voort, doch niet door een middel, maar door zichzelf, zoals vuur door zichzelf vuur voortbrengt. Maar levende lichamen werken, als hogere, ter teling naar eigen gelijkenis én met én zonder middel. Zonder middel bij de voeding, waarin vlees vlees voortbrengt; met een middel bij de teling, omdat van de ziel van de teler een actieve kracht overgaat op het zaad van dier of plant, zoals ook van de voornaamste werkoorzaak een bewegingskracht overgaat op het werktuig. En zoals het er niet op aankomt of we zeggen, dat iets 335bewogen wordt door het werktuig of door de voornaamste oorzaak, zo komt het er ook niet op aan of we zeggen, dat de ziel van het geteelde veroorzaakt wordt door de ziel van de teler, of door een van hem afkomstige kracht in het zaad.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod anima sensitiva non est substantia perfecta per se subsistens. Et de hoc supra dictum est [q. 75. art. 3.], nec oportet hic iterare.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De zinnelijke ziel is geen volkomen op zich zijnde zelfstandigheid. En hierover is boven gesproken (75e Kw. 3e Art.), en het is niet noodig, dat weer te herhalen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De zinnelijke ziel is geen volkomen op zich zijnde zelfstandigheid. En hierover is boven gesproken (75e Kw. 3e Art.), en het is niet nodig, dat weer te herhalen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod virtus generativa non generat solum in virtute propria, sed in virtute totius animae, cujus est potentia. Et ideo virtus generativa plantae generat plantam; virtus vero generativa animalis generat animal. Quanto enim anima fuerit perfectior, tanto virtus ejus generativa ordinatur ad perfectiorem effectum.

2. Het teeltvermogen teelt niet alleen in eigen kracht, maar in de kracht van geheel de ziel, waarvan het een vermogen is. En daarom brengt het teeltvermogen van de plant een plant voort, maar het teeltvermogen van het dier, een dier. Hoe volmaakter de ziel is tot des te volmaakter gevolg wordt haar teeltvermogen geordend.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod virtus illa activa quae est in semine, ex anima generantis derivata, est quasi quaedam motio ipsius animae generantis: nec est anima, aut pars animae, nisi in virtute; sicut in serra vel securi non est forma lecti, sed motio quaedam ad talem formam. Et ideo non oportet quod ista vis activa habeat aliquod organum in actu; sed fundatur 336in ipso spiritu incluso in semine, quod est spumosum, ut attestatur ejus albedo. In quo etiam spiritu est quidam calor ex virtute coelestium corporum, quorum etiam virtute agentia inferiora agunt ad speciem, ut supra dictum est [q. 115. art. 3. ad 2.]. Et quia in hujusmodi spiritu concurrit virtus animae cum virtute coelesti, dicitur quod homo generat hominem, et sol. Calidum autem elementare se habet instrumentaliter ad virtutem animae, sicut etiam ad virtutem nutritivam, ut dicitur in 2. de Anima [cap. 4. n. 8.].

3. De actieve kracht in het zaad, van de ziel van den teler overgegaan, is als een beweging van de ziel van den teler zelf: zij is niet de ziel noch een deel der ziel, tenzij in kracht; zooals ook in de zaag of de bijl niet de vorm van het bed is, maar een beweging tot dien vorm. En daarom is het niet noodig, dat die actieve kracht actueel een orgaan heeft, maar zij berust op de 336gassen in het zaad, dat zooals zijn witheid getuigt, gashoudend is. In dat gas is ook een warmte uit de kracht der hemellichamen, in welker kracht, zooals boven, gezegd is (115e Kw. 3e Art. 2e Antw.), de lagere werkoorzaken tot hun soort werken. En omdat in dit gas de kracht der ziel met de hemelkracht samentreft, zegt men, dat « de mensch den mensch voortbrengt, en de zon ». De warmte van het element is werktuig van de kracht der ziel, zooals ook van de voedingskracht, zooals in De Anima gezegd wordt.3. De actieve kracht in het zaad, van de ziel van de teler overgegaan, is als een beweging van de ziel van de teler zelf: zij is niet de ziel noch een deel van de ziel, tenzij in kracht; zoals ook in de zaag of de bijl niet de vorm van het bed is, maar een beweging tot die vorm. En daarom is het niet nodig, dat die actieve kracht actueel een orgaan heeft, maar zij berust op de 336gassen in het zaad, dat zoals zijn witheid getuigt, gashoudend is. In dat gas is ook een warmte uit de kracht van de hemellichamen, in welke kracht, zoals boven, gezegd is (115e Kw. 3e Art. 2e Antw.), de lagere werkoorzaken tot hun soort werken. En omdat in dit gas de kracht van de ziel met de hemelkracht samentreft, zegt men, dat “de mens de mens voortbrengt, en de zon”. De warmte van het element is werktuig van de kracht van de ziel, zoals ook van de voedingskracht, zoals in De Anima gezegd wordt.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum quod in animalibus perfectis quae generantur ex coitu, virtus activa est in semine maris, secundum Philosophum in lib. 2. de Generat. Animal. [cap. 3. 4.]; materia autem foetus est illud quod ministratur a foemina. In qua quidem materia statim a principio est anima vegetabilis, non quidem secundum actum secundum, sed secundum actum primum, sicut anima sensitiva in dormientibus. Cum autem incipit attrahere alimentum, tunc jam actu operatur. Hujusmodi igitur materia transmutatur a virtute quae est in semine maris, quousque perducatur in actum animae sensitivae: non ita quod ipsamet vis, quae erat in semine, fiat anima sensitiva; quia sic idem esset generans et generatum; et hoc magis esset simile 337nutritioni et augmento, quam generationi, ut Philosophus dicit [1. de Gen. et Corrupt. cap. 5. n. 10.]. Postquam autem per virtutem principii activi quod erat in semine, producta est anima sensitiva in generato quantum ad aliquam partem principalem, tunc jam illa anima sensitiva prolis incipit operari ad complementum proprii corporis, per modum nutritionis et augmenti. Virtus autem activa quae erat in semine, esse desinit, dissoluto semine, et evanescente spiritu qui inerat. Nec hoc est inconveniens: quia vis ista non est principale agens, sed instrumentale; motio autem instrumenti cessat, effectu jam producto in esse.

4. In de volmaakte dieren, die door verzaming geteeld worden, is volgens den Wijsgeer, de actieve kracht in het mannelijk zaad; de stof echter van de vrucht is wat door het vrouwtje aangebracht wordt. In deze stof is de ziel die de groeikracht geeft, onmiddellijk van af het begin, wel niet actief, maar zooals de zinnelijke ziel in het slapende dier. Wanneer ze echter voedsel tot zich begint te trekken, werkt ze reeds actueel. Deze stof nu wordt door de kracht, die in het mannelijk zaad is, veranderd totdat ze ten slotte gebracht wordt tot de actualiteit der zinnelijke ziel: niet zóó dat de kracht, die in het zaad was, zelf de zinnelijke ziel wordt, want dan was teler en geteelde identiek, en dit zou, zooals de Wijsgeer zegt, meer 337lijken op voeding en groei dan op teling. Nadat echter door de kracht van het actieve beginsel, dat in het zaad was, de zinnelijke ziel in een der voornaamste deelen van het geteelde is voortgebracht, begint deze zinnelijke ziel van het kind zelf bij wijze van voedsel en groei, tot vervolmaking van het eigen lichaam te werken. — De actieve kracht echter die in het zaad was, houdt op met de ontbinding van het zaad, en verdwijning van het gas, dat erin was. En dat is niet vreemd, omdat die kracht geen voornaamste werkoorzaak, maar werktuig was; de beweging van het instrument immers houdt op, als het gevolg is voortgebracht.4. In de volmaakte dieren, die door verzaming geteeld worden, is volgens de Wijsgeer, de actieve kracht in het mannelijk zaad; de stof echter van de vrucht is wat door het vrouwtje aangebracht wordt. In deze stof is de ziel die de groeikracht geeft, onmiddellijk van af het begin, wel niet actief, maar zoals de zinnelijke ziel in het slapende dier. Wanneer ze echter voedsel tot zich begint te trekken, werkt ze reeds actueel. Deze stof nu wordt door de kracht, die in het mannelijk zaad is, veranderd totdat ze ten slotte gebracht wordt tot de actualiteit van de zinnelijke ziel: niet zó dat de kracht, die in het zaad was, zelf de zinnelijke ziel wordt, want dan was teler en geteelde identiek, en dit zou, zoals de Wijsgeer zegt, meer 337lijken op voeding en groei dan op teling. Nadat echter door de kracht van het actieve beginsel, dat in het zaad was, de zinnelijke ziel in een van de voornaamste delen van het geteelde is voortgebracht, begint deze zinnelijke ziel van het kind zelf bij wijze van voedsel en groei, tot vervolmaking van het eigen lichaam te werken. — De actieve kracht echter die in het zaad was, houdt op met de ontbinding van het zaad, en verdwijning van het gas, dat erin was. En dat is niet vreemd, omdat die kracht geen voornaamste werkoorzaak, maar werktuig was; de beweging van het instrument immers houdt op, als het gevolg is voortgebracht.

Articulus II

Utrum anima intellectiva causetur ex semine

[Supr. q. 90. art. 2; 2. Dist. 18. q. 2. art. 1; 2. Cont. g. cap. 86. 88. 89; De Pot. q. 3. art. 9; Quodl. 11. q. 5. ad 1. et 4; 12. q. 7. art. 2; Compend. Theol. cap. 93; ad Rom. cap. 5; lect. 3.].
IIe Artikel

Ook de redelijke ziel?

antwoord 1 ↓

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod anima intellectiva causetur ex semine. Dicitur enim Gen. 46. [v. 26]: « Cunctae animae, quae 338egressae sunt de femore Jacob, sexaginta sex ». Sed nihil egreditur de femore hominis, nisi inquantum causatur ex semine. Ergo anima intellectiva causatur ex semine.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de redelijke ziel door het zaad veroorzaakt wordt. — 1. In het Boek der Schepping wordt immers gezegd (46. 26): « Alle zielen uit Jacobs lendenen 338voortgekomen zijn zes en zestig ». Maar niets komt uit de lendenen van den mensch voort, wat niet door het zaad veroorzaakt wordt. Dus wordt de redelijke ziel door het zaad veroorzaakt.Bedenkingen. — Men beweert, dat de redelijke ziel door het zaad veroorzaakt wordt. — 1. In het Boek van de Schepping wordt immers gezegd (46, 26): “Alle zielen uit Jacobs lendenen 338voortgekomen zijn zes en zestig”. Maar niets komt uit de lendenen van de mens voort, wat niet door het zaad veroorzaakt wordt. Dus wordt de redelijke ziel door het zaad veroorzaakt.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, sicut supra ostensum est [q. 76. art. 3.], in homine est una et eadem anima secundum substantiam, intellectiva, sensitiva et nutritiva. Sed anima sensitiva in homine generatur ex semine, sicut in aliis animalibus: unde et Philosophus dicit in libro 2. de Generat. Animal. [cap. 3.], quod non simul fit animal et homo, sed prius fit animal habens animam sensitivam. Ergo et anima intellectiva causatur ex semine.

2. Er is in den mensch, zooals boven is aangetoond (76e Kw. 3e Art.), slechts een en dezelfde ziel naar wezen, die tegelijk, redelijk, zinnelijk en groeikracht gevend is. Maar de zinnelijke ziel wordt bij den mensch, zooals ook bij de andere dieren, uit het zaad geteeld. Daarom zegt ook de Wijsgeer, dat dier en mensch niet tegelijk zijn, maar eerst het dier met zinnelijke ziel. Dus wordt ook de redelijke ziel door het zaad veroorzaakt.2. Er is in de mens, zoals boven is aangetoond (76e Kw. 3e Art.), slechts een en dezelfde ziel naar wezen, die tegelijk, redelijk, zinnelijk en groeikracht gevend is. Maar de zinnelijke ziel wordt bij de mens, zoals ook bij de andere dieren, uit het zaad geteeld. Daarom zegt ook de Wijsgeer, dat dier en mens niet tegelijk zijn, maar eerst het dier met zinnelijke ziel. Dus wordt ook de redelijke ziel door het zaad veroorzaakt.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, unum et idem agens est, cujus actio terminatur ad formam et materiam: alioquin ex forma et materia non fieret unum simpliciter. Sed anima intellectiva est forma corporis humani, quod formatur per virtutem seminis. Ergo et anima intellectiva per virtutem seminis causatur.

3. Het is een en dezelfde werkoorzaak, wier werking tot vorm en stof reikt, anders zou uit stof en vorm niet zonder meer een geheel ontstaan. Maar de redelijke ziel is de vorm van het menschelijk lichaam, dat door kracht van het zaad gevormd wordt. Dus wordt ook de redelijke ziel door de kracht van het zaad veroorzaakt.3. Het is een en dezelfde werkoorzaak, wier werking tot vorm en stof reikt, anders zou uit stof en vorm niet zonder meer een geheel ontstaan. Maar de redelijke ziel is de vorm van het menselijk lichaam, dat door kracht van het zaad gevormd wordt. Dus wordt ook de redelijke ziel door de kracht van het zaad veroorzaakt.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, homo generat sibi simile secundum speciem. Sed species humana constituitur per animam rationalem. Ergo anima rationalis est a generante.

4. De mensch teelt naar eigen soortgelijkenis. Maar de menschelijke soort wordt door de redelijke ziel gevormd. Dus is de redelijke ziel door den teler.4. De mens teelt naar eigen soortgelijkenis. Maar de menselijke soort wordt door de redelijke ziel gevormd. Dus is de redelijke ziel door de teler.

antwoord 5 ↓

5. Praeterea, inconveniens est dicere quod Deus cooperetur 339peccantibus. Sed si animae rationalis crearentur a Deo, Deus interdum cooperaretur adulteris, de quorum illicito coitu proles interdum generatur. Non ergo animae rationales creantur a Deo.

5. Het is onjuist te zeggen, dat God samenwerkt met zondaars. Maar als menschenzielen door God geschapen zouden worden, zou 339God soms samenwerken met echtbrekers uit wier ongeoorloofde verzaming een kind geboren wordt. Dus worden de redelijke zielen niet door God geschapen.5. Het is onjuist te zeggen, dat God samenwerkt met zondaars. Maar als mensenzielen door God geschapen zouden worden, zou 339God soms samenwerken met echtbrekers uit wier ongeoorloofde verzaming een kind geboren wordt. Dus worden de redelijke zielen niet door God geschapen.

Sed contra est quod dicitur in libro de Eccles. Dogmat. [cap. 14.], quod « animae rationales non seminantur per coitum ».

Daartegenover staat echter wat in het werk: « De Ecclesiasticis Dogmatibus » (Augustinus) gezegd wordt: « Redelijke zielen worden niet door verzaming voortgebracht ».Daartegenover staat echter wat in het werk: “De Ecclesiasticis Dogmatibus” (Augustinus) gezegd wordt: “Redelijke zielen worden niet door verzaming voortgebracht”.

Respondeo dicendum quod impossibile est virtutem activam quae est in materia, extendere suam actionem ad producendum immaterialem effectum. Manifestum est autem, quod principium intellectivum in homine est principium transcendens materiam: habet enim operationem in qua non communicat corpus. Et ideo impossibile est, quod virtus quae est in semine, sit productiva intellectivi principii. Similiter etiam quia virtus quae est in semine, agit in virtute animae generantis, secundum quod anima generantis est actus corporis, utens ipso corpore in sua operatione. In operatione autem intellectus non communicat corpus. Ideo virtus intellectivi principii, prout intellectivum est, non potest ad semen pervenire. Et ideo Philosophus in 340libro 2. de Generat. Animal. [cap. 3.] dicit: « Relinquitur intellectus solus deforis advenire ». Similiter etiam anima intellectiva, cum habeat operationem vitae sine corpore, est subsistens, ut supra habitum est [q. 75. art. 2.]: et ita sibi debetur esse et fieri. Et cum sit immaterialis substantia, non potest causari per generationem, sed solum per creationem a Deo. Ponere ergo animam intellectivam a generante causari, nihil est aliud quam ponere eam non subsistentem; et per consequens corrumpi eam cum corpore. Et ideo haereticum est dicere quod anima intellectiva traducatur cum semine.

Leerstelling. — Het is onmogelijk dat een actieve kracht in de stof haar werking kan uitstrekken tot de voortbrenging van een onstoffelijk gevolg. Het is toch klaar, dat het redelijk beginsel in den mensch een beginsel is, dat boven de stof uitgaat: het heeft immers een werking, waarin het lichaam niet deelt. En daarom is het onmogelijk dat kracht, die in het zaad is, het redelijk beginsel zou voortbrengen. Het is ook onmogelijk, omdat de kracht, die in het zaad is, werkt in de kracht der ziel van den teler, in zoover deze ziel de actualiteit van het lichaam is, en daarom ook bij haar werking gebruik maakt van dat lichaam. Maar in de werking van het verstand deelt het lichaam niet. Dus kan de kracht van het redelijke beginsel, juist 340in zoover het redelijk is, niet reiken tot het zaad. En daarom zegt de Wijsgeer: « Er rest dus dat alleen de rede van buiten af komt ». Insgelijks omdat, zooals boven gezegd is (75e Kw. 2e Art.), de redelijke ziel, daar ze een werking heeft, waarin het lichaam niet deelt, zelfstandig is, en haar dus zijn en worden toekomt. En daar zij een onstoffelijke zelfstandigheid is, kan ze niet veroorzaakt worden door teelt, doch alleen door schepping van Godswege. Houden dus, dat de redelijke ziel door teelt wordt voortgebracht, is niets anders dan houden, dat zij geen zelfstandigheid is, en dus met het lichaam vergaat. En daarom is het kettersch te zeggen, dat de redelijke ziel met het zaad tegelijk overgaat.Leerstelling. — Het is onmogelijk dat een actieve kracht in de stof haar werking kan uitstrekken tot de voortbrenging van een onstoffelijk gevolg. Het is toch klaar, dat het redelijk beginsel in de mens een beginsel is, dat boven de stof uitgaat: het heeft immers een werking, waarin het lichaam niet deelt. En daarom is het onmogelijk dat kracht, die in het zaad is, het redelijk beginsel zou voortbrengen. Het is ook onmogelijk, omdat de kracht, die in het zaad is, werkt in de kracht van de ziel van de teler, in zover deze ziel de actualiteit van het lichaam is, en daarom ook bij haar werking gebruik maakt van dat lichaam. Maar in de werking van het verstand deelt het lichaam niet. Dus kan de kracht van het redelijke beginsel, juist 340in zover het redelijk is, niet reiken tot het zaad. En daarom zegt de Wijsgeer: “Er rest dus dat alleen de rede van buiten af komt”. Insgelijks omdat, zoals boven gezegd is (75e Kw. 2e Art.), de redelijke ziel, daar ze een werking heeft, waarin het lichaam niet deelt, zelfstandig is, en haar dus zijn en worden toekomt. En daar zij een onstoffelijke zelfstandigheid is, kan ze niet veroorzaakt worden door teelt, doch alleen door schepping van Godswege. Houden dus, dat de redelijke ziel door teelt wordt voortgebracht, is niets anders dan houden, dat zij geen zelfstandigheid is, en dus met het lichaam vergaat. En daarom is het ketters te zeggen, dat de redelijke ziel met het zaad tegelijk overgaat.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod in auctoritate illa ponitur per synecdochen pars pro toto, idest anima pro toto homine.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In dat citaat wordt door synecdoche het deel voor het geheel gebruikt, nl. de ziel voor heel den mensch.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In dat citaat wordt door synecdoche het deel voor het geheel gebruikt, nl. de ziel voor heel de mens.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod aliqui dixerunt quod operationes vitae quae apparent in embryone, non sunt ab anima ejus, sed ab anima matris; vel a virtute formativa quae est in semine. Quorum utrumque falsum est: opera enim vitae non possunt esse a principio extrinseco, sicut sentire, nutriri et augeri. Et ideo dicendum est quod anima praeexistit in embryone a 341principio quidem nutritiva, postmodum autem sensitiva, et tandem intellectiva. Dicunt ergo quidam quod supra animam vegetabilem quae primo inerat, supervenit alia anima, quae est sensitiva; supra illam iterum alia, quae est intellectiva. Et sic sunt in homine tres animae, quarum una est in potentia ad aliam. Quod supra improbatum est [q. 76. art. 3.]. Et ideo alii dicunt quod illa eadem anima, quae primo fuit vegetativa tantum, postmodum, per actionem virtutis quae est in semine, perducitur ad hoc ut ipsa eadem fiat sensitiva; et tandem ipsa eadem1 perducitur ad hoc ut ipsa eadem fiat intellectiva, non quidem per virtutem activam seminis, sed per virtutem superioris agentis, scilicet Dei deforis illustrantis. Et propter hoc dicit Philosophus [2. de Gener. Animal. cap. 3.] quod intellectus venit ab extrinseco. Sed hoc stare non potest. Primo quidem, quia nulla forma substantialis recipit magis, et minus; sed superadditio majoris perfectionis facit aliam speciem, sicut additio unitatis facit aliam speciem in numeris. Non est autem possibile, ut una, et eadem forma numero sit diversarum specierum. Secundo, quia sequeretur quod generatio animalis esset motus continuus, paulatim 342procedens de imperfecto ad perfectum; sicut accidit in alteratione. Tertio, quia sequeretur quod generatio hominis, aut animalis non sit generatio simpliciter: quia subjectum ejus esset ens actu. Si enim a principio in materia prolis est anima vegetabilis, et postmodum usque ad perfectum paulatim perducitur; erit semper additio perfectionis sequentis sine corruptione perfectionis praecedentis. Quod est contra rationem generationis simpliciter. Quarto, quia aut id quod causatur ex actione Dei, est aliquid subsistens: et ita oportet quod sit aliud per essentiam a forma praeexistente, quae non erat subsistens; et sic redibit opinio ponentium plures animas in corpore. Aut non est aliquid subsistens, sed quaedam perfectio animae praeexistentis: et sic ex necessitate sequitur, quod anima intellectiva corrumpatur, corrupto corpore; quod est impossibile. Est autem et alius modus dicendi, secundum eos qui ponunt unum intellectum in omnibus. Quod supra improbatum est [q. 76. art. 2.]. Et ideo dicendum est quod, cum generatio unius semper sit corruptio alterius, necesse est dicere quod tam in homine quam in animalibus aliis, quando perfectior forma advenit, fit corruptio prioris: ita tamen 343quod sequens forma habet quidquid habebat prima, et adhuc amplius. Et sic per multas generationes et corruptiones pervenitur ad ultimam formam substantialem, tam in homine quam in aliis animalibus. Et hoc ad sensum apparet in animalibus ex putrefactione generatis. Sic igitur dicendum est quod anima intellectiva creatur a Deo in fine generationis humanae, quae simul est et sensitiva et nutritiva, corruptis formis praeexistentibus.

2. Sommigen zeiden, dat de levensverrichtingen in het embryo niet van zijn ziel, maar van die van de moeder zijn, of van de formatieve kracht in het zaad. — Maar dit is beide valsch: levensverrichtingen, als voelen, voedsel tot zich nemen en groeien, kunnen niet van een uitwendig beginsel voortkomen. En daarom dient gezegd, dat vanaf het begin in het embryo de groeikracht gevende 341ziel aanwezig is, later echter de zinnelijke ziel, en tenslotte de redelijke. Daarom zeiden anderen, dat bij de groeikracht gevende ziel, die het eerst aanwezig was, een andere, nl. de zinnelijke, bijkomt, en bij deze weer een andere, die redelijk is. En zoo zijn er drie zielen in den mensch, waarvan de een in potentie is tot de andere. — Maar dit is boven reeds weerlegd (76e Kw. 3e Art.). En daarom zeiden anderen, dat dezelfde ziel, die eerst alleen de groeikracht gaf, later door de werking van de kracht in het zaad, ertoe gebracht wordt, dat zij ook zinnelijk wordt; en tenslotte dat zij redelijk wordt; maar dit niet door de actieve kracht van het zaad, maar door de werking van een hoogere oorzaak, nl. God, die haar van buitenaf beïnvloedt. En daarom zegt de Wijsgeer, dat het verstand van buitenaf komt. — Maar dit is niet te handhaven. Vooreerst, omdat geen enkele zelfstandigheidsvorm in meerdere of mindere mate is, maar toevoeging van grootere volkomenheid maakt een andere soort, zooals ook bij getallen de toevoeging van één een andere soort geeft. [De vertaling van «Non est autem possibile, ut una, et eadem forma numero sit diversarum specierum» ontbreekt in de uitgave.] — Vervolgens, omdat volgen zou dat de teelt van een dier een ononderbroken beweging 342was, langzaam van het onvolmaakte tot het volmaakte voortgaand. [De vertaling van «sicut accidit in alteratione» ontbreekt in de uitgave.] — Ten derde zou volgen, dat de teelt van mensch of dier niet een teelt zonder meer zijn zou, daar het onderwerp ervan reeds een actueel ding zijn zou. Als immers vanaf het begin in de stof der vrucht de groeikracht gevende ziel is, en later langzaam tot volkomenheid gebracht wordt, zal er altijd een toevoeging van nieuwe volmaaktheid zijn, zonder dat de vroegere volmaaktheid ophoudt. En dit is tegen het karakter van teelt zonder meer. — Ten vierde, hetgeen door de werking Gods wordt voortgebracht, is ofwel iets dat zelf bestaat: én dan moet het wezenlijk verschillen van den voorgaanden vorm, die niet zelf bestond, en dan keert de meening terug van hen, die meerdere zielen in het lichaam aannamen. Ofwel het bestaat niet zelf, maar is een volkomenheid van de reeds aanwezige ziel, en dan volgt noodzakelijk, dat bij het vergaan van het lichaam, de redelijke ziel vergaat; wat onmogelijk is. Er is ook nog een uitleg volgens hen, die één verstand voor allen aannemen. Maar dit is boven al weerlegd (76e Kw. 2e Art.). Men dient dus te zeggen, dat, daar het ontstaan van het eene altijd het bederf van het andere is, noodzakelijk zoowel bij de menschen als bij de andere dieren, de vroegere vorm, als de volmaaktere komt, vergaat; maar zóó, dat de opvolgende vorm alles 343heeft wat de eerste had, en nog iets meer. En zoo komt men zoowel bij de menschen als bij de andere dieren langs veel ontstaan en vergaan tot de laatste zelfstandigheidsvorm. En dit is zintuigelijk waarneembaar bij de dieren, die uit bederf ontstaan. Men diene dus te zeggen, dat de redelijke ziel bij den eindterm van de menschelijke teelt door God geschapen wordt, maar zij is tegelijk én zinnelijk én groeikracht gevend, daar de vorige vormen zijn vergaan.2. Sommigen zeiden, dat de levensverrichtingen in het embryo niet van zijn ziel, maar van die van de moeder zijn, of van de formatieve kracht in het zaad. — Maar dit is beide vals: levensverrichtingen, als voelen, voedsel tot zich nemen en groeien, kunnen niet van een uitwendig beginsel voortkomen. En daarom dient gezegd, dat vanaf het begin in het embryo de groeikracht gevende 341ziel aanwezig is, later echter de zinnelijke ziel, en tenslotte de redelijke. Daarom zeiden anderen, dat bij de groeikracht gevende ziel, die het eerst aanwezig was, een andere, nl. de zinnelijke, bijkomt, en bij deze weer een andere, die redelijk is. En zo zijn er drie zielen in de mens, waarvan de een in potentie is tot de andere. — Maar dit is boven reeds weerlegd (76e Kw. 3e Art.). En daarom zeiden anderen, dat dezelfde ziel, die eerst alleen de groeikracht gaf, later door de werking van de kracht in het zaad, ertoe gebracht wordt, dat zij ook zinnelijk wordt; en tenslotte dat zij redelijk wordt; maar dit niet door de actieve kracht van het zaad, maar door de werking van een hogere oorzaak, nl. God, die haar van buitenaf beïnvloedt. En daarom zegt de Wijsgeer, dat het verstand van buitenaf komt. — Maar dit is niet te handhaven. Vooreerst, omdat geen enkele zelfstandigheidsvorm in meerdere of mindere mate is, maar toevoeging van grotere volkomenheid maakt een andere soort, zoals ook bij getallen de toevoeging van één een andere soort geeft. [De vertaling van “Non est autem possibile, ut una, et eadem forma numero sit diversarum specierum” ontbreekt in de uitgave.] — Vervolgens, omdat volgen zou dat de teelt van een dier een ononderbroken beweging 342was, langzaam van het onvolmaakte tot het volmaakte voortgaand. [De vertaling van “sicut accidit in alteratione” ontbreekt in de uitgave.] — Ten derde zou volgen, dat de teelt van mens of dier niet een teelt zonder meer zijn zou, daar het onderwerp ervan reeds een actueel ding zijn zou. Als immers vanaf het begin in de stof van de vrucht de groeikracht gevende ziel is, en later langzaam tot volkomenheid gebracht wordt, zal er altijd een toevoeging van nieuwe volmaaktheid zijn, zonder dat de vroegere volmaaktheid ophoudt. En dit is tegen het karakter van teelt zonder meer. — Ten vierde, hetgeen door de werking Gods wordt voortgebracht, is ofwel iets dat zelf bestaat: én dan moet het wezenlijk verschillen van de voorgaande vorm, die niet zelf bestond, en dan keert de mening terug van hen, die meerdere zielen in het lichaam aannamen. Ofwel het bestaat niet zelf, maar is een volkomenheid van de reeds aanwezige ziel, en dan volgt noodzakelijk, dat bij het vergaan van het lichaam, de redelijke ziel vergaat; wat onmogelijk is. Er is ook nog een uitleg volgens hen, die één verstand voor allen aannemen. Maar dit is boven al weerlegd (76e Kw. 2e Art.). Men dient dus te zeggen, dat, daar het ontstaan van het ene altijd het bederf van het andere is, noodzakelijk zowel bij de mensen als bij de andere dieren, de vroegere vorm, als de volmaaktere komt, vergaat; maar zó, dat de opvolgende vorm alles 343heeft wat de eerste had, en nog iets meer. En zo komt men zowel bij de mensen als bij de andere dieren langs veel ontstaan en vergaan tot de laatste zelfstandigheidsvorm. En dit is zintuigelijk waarneembaar bij de dieren, die uit bederf ontstaan. Men diene dus te zeggen, dat de redelijke ziel bij de eindterm van de menselijke teelt door God geschapen wordt, maar zij is tegelijk én zinnelijk én groeikracht gevend, daar de vorige vormen zijn vergaan.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod ratio illa locum habet in diversis agentibus non ordinatis ad invicem. Sed si sint multa agentia ordinata, nihil prohibet virtutem superioris agentis pertingere ad ultimam formam; virtutes autem inferiorum agentium pertingere solum ad aliquam materiae dispositionem, sicut virtus seminis disponit materiam, virtus autem animae dat formam, in generatione animalis. Manifestum est autem ex praemissis [q. 105. art. 5; q. 110. art. 1.] quod tota natura corporalis agit ut instrumentum spiritualis virtutis; et praecipue Dei. Et ideo nihil prohibet quin formatio corporis sit ab aliqua virtute corporali, anima autem intellectiva sit a solo Deo.

3. Voor dit argument is plaats bij meerdere werkoorzaken, die niet in onderlinge verhouding staan. Maar als meerdere werkoorzaken in onderlinge verhouding staan, is er niets op tegen, dat de kracht van de hoogere oorzaak tot den laatsten vorm reikt, terwijl de krachten der lagere oorzaken alleen maar reiken tot de dispositie der stof: zooals bij de teelt van het dier de kracht van het zaad de stof disponeert, maar de kracht van de ziel den vorm geeft. Uit het voorgaande (105e Kw. 5e Art.; 110e Kw. 1e Art.) blijkt echter, dat geheel de lichamelijke natuur werkt als werktuig van geestelijke kracht, en vooral van Gods kracht. En dus is er niets op tegen, dat de vorming van het lichaam door een lichamelijke kracht gebeurt, maar de redelijke ziel van God alleen komt.3. Voor dit argument is plaats bij meerdere werkoorzaken, die niet in onderlinge verhouding staan. Maar als meerdere werkoorzaken in onderlinge verhouding staan, is er niets op tegen, dat de kracht van de hogere oorzaak tot de laatste vorm reikt, terwijl de krachten van de lagere oorzaken alleen maar reiken tot de dispositie van de stof: zoals bij de teelt van het dier de kracht van het zaad de stof disponeert, maar de kracht van de ziel de vorm geeft. Uit het voorgaande (105e Kw. 5e Art.; 110e Kw. 1e Art.) blijkt echter, dat geheel de lichamelijke natuur werkt als werktuig van geestelijke kracht, en vooral van Gods kracht. En dus is er niets op tegen, dat de vorming van het lichaam door een lichamelijke kracht gebeurt, maar de redelijke ziel van God alleen komt.

↑ bedenking 4

344Ad quartum dicendum quod homo generat sibi simile, inquantum per virtutem seminis ejus disponitur materia ad susceptionem talis formae.

3444. De mensch teelt naar eigen gelijkenis in zoover door de kracht van zijn zaad de stof gedisponeerd wordt voor het ontvangen van zulk een vorm.3444. De mens teelt naar eigen gelijkenis in zover door de kracht van zijn zaad de stof gedisponeerd wordt voor het ontvangen van zulk een vorm.

↑ bedenking 5

Ad quintum dicendum quod in actione adulterorum, illud quod est naturae, bonum est: et huic cooperatur Deus. Quod vero est inordinatae voluptatis, malum est: et huic Deus non cooperatur.

5. In de daad van echtbrekers is, wat van den kant der natuur is, goed, en hiertoe werkt God mede. Wat echter van den kant der teugellooze begeerte is, is kwaad, en hiertoe werkt God niet mee.5. In de daad van echtbrekers is, wat van de kant van de natuur is, goed, en hiertoe werkt God mede. Wat echter van de kant van de teugelloze begeerte is, is kwaad, en hiertoe werkt God niet mee.

Articulus III

Utrum animae humanae fuerint creatae simul a principio mundi

[Supr. q. 90. art. 4; 1. Dist. 8. q. 5. art. 2. ad 6; 2. Dist. 3. q. 1. art. 4. ad 1; Dist. 17. q. 2. art. 2; 2. Cont. g. cap. 83. et 84; De Pot. q. 3. art. 10; De Mal. q. 5. art. 4; ad Hebr. cap. 1. lect. 4.].
IIIe Artikel

Zijn alle zielen tegelijk geschapen?

antwoord 1 ↓

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod animae humanae fuerint creatae simul a principio mundi. Dicitur enim Gen. 2. [v. 2]: « Requievit Deus ab omni opere quod patrarat ». Hoc autem non esset, si quotidie novas animas crearet. Ergo omnes animae sunt simul creatae.

Bedenkingen. — Men beweert, dat alle menschenzielen bij het begin der wereld tegelijk zijn geschapen. — 1. Er wordt immers in het Boek der Schepping (2. 2) gezegd: « En God rustte uit van al wat Hij gedaan had ». Dit zou echter niet het geval zijn, als Hij iederen dag nieuwe zielen schiep. Dus zijn alle zielen tegelijk geschapen.Bedenkingen. — Men beweert, dat alle mensenzielen bij het begin van de wereld tegelijk zijn geschapen. — 1. Er wordt immers in het Boek van de Schepping (2, 2) gezegd: “En God rustte uit van al wat Hij gedaan had”. Dit zou echter niet het geval zijn, als Hij iederen dag nieuwe zielen schiep. Dus zijn alle zielen tegelijk geschapen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, ad perfectionem universi maxime pertinent substantiae 345spirituales. Si igitur animae simul crearentur cum corporibus, quotidie innumerabiles spirituales substantiae perfectioni universi adderentur: et sic universum a principio fuisset imperfectum. Quod est contra illud quod dicitur Genes. 2. [v. 2]: « Deum omne opus complesse ».

2. Vooral geestelijke zelfstandigheden behooren tot de 345volmaaktheid van het heelal. Als dus de zielen tegelijk met de lichamen zouden worden geschapen, werden iederen dag ontelbare geestelijke zelfstandigheden aan de volmaaktheid van het heelal toegevoegd. [De vertaling van «et sic universum a principio fuisset imperfectum» ontbreekt in de uitgave.] Maar dit is tegen hetgeen in het Boek der Schepping (2. 2) gezegd wordt, dat « God heel zijn werk voltooid heeft ».2. Vooral geestelijke zelfstandigheden behoren tot de 345volmaaktheid van het heelal. Als dus de zielen tegelijk met de lichamen zouden worden geschapen, werden iederen dag ontelbare geestelijke zelfstandigheden aan de volmaaktheid van het heelal toegevoegd. [De vertaling van “et sic universum a principio fuisset imperfectum” ontbreekt in de uitgave.] Maar dit is tegen hetgeen in het Boek van de Schepping (2, 2) gezegd wordt, dat “God heel zijn werk voltooid heeft”.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, finis rei respondet ejus principio. Sed anima intellectiva remanet, destructo corpore. Ergo incepit esse ante corpus.

3. Het eind van een ding is in overeenstemming met zijn begin. Maar bij het vergaan van het lichaam blijft de ziel. Dus is ze ook vóór het lichaam begonnen te zijn.

Sed contra est quod dicitur in libro de Eccles. Dogmat. [cap. 14. 18.] quod « simul anima creatur cum corpore ».

Daartegenover staat echter, wat in het werk: « De Ecclesiasticis Dogmatibus » (Augustinus) gezegd wordt: « De ziel wordt tegelijk met het lichaam geschapen ».Daartegenover staat echter, wat in het werk: “De Ecclesiasticis Dogmatibus” (Augustinus) gezegd wordt: “De ziel wordt tegelijk met het lichaam geschapen”.

Respondeo dicendum quod quidam posuerunt quod animae intellectivae accidat uniri corpori, ponentes eam esse ejusdem conditionis cum substantiis spiritualibus quae corpori non uniuntur. Et ideo posuerunt animas hominum simul a principio cum angelis creatas. Sed haec opinio falsa est. Primo quidem, quantum ad radicem. Si enim accidentaliter conveniret animae corpori uniri, sequeretur quod homo, qui ex ista unione constituitur, esset ens per 346accidens: vel quod anima esset homo, quod falsum est, ut supra ostensum est [q. 75. art. 4.]. Quod etiam anima humana non sit ejusdem naturae cum angelis, ipse diversus modus intelligendi ostendit, ut supra ostensum est [q. 55. art. 2; q. 85. art. 1.]: homo enim intelligit a sensibus accipiendo, et convertendo se ad phantasmata, ut supra ostensum est [q. 84. art. 6. 7; q. 85. art. 1.]. Et ideo anima ejus indiget uniri corpori, quo indiget ad operationem sensitivae partis. Quod de angelo dici non potest. Secundo apparet falsitas in ipsa positione. Si enim animae naturale est corpori uniri, esse sine corpore est sibi contra naturam, et sine corpore existens non habet suae naturae perfectionem. Non fuit autem conveniens ut Deus ab imperfectis suum opus inchoaret, et ab his, quae sunt praeter naturam: non enim fecit hominem sine manu aut sine pede, quae sunt partes naturales hominis. Multo igitur minus fecit animam sine corpore. Si vero aliquis dicat quod non est naturale animae corpori uniri, oportet inquirere causam, quare sint corporibus unitae. Oportet autem dicere quod aut hoc sit factum ex ejus voluntate, aut ex alia causa. Si ex ejus voluntate, videtur hoc esse 347inconveniens. Primo quidem, quia haec voluntas irrationabilis esset, si non indigeret corpore, et vellet ei uniri: si enim eo indigeret, naturale esset ei quod corpori uniretur, quia natura non deficit in necessariis. Secundo, quia nulla ratio esset quare animae a principio mundi creatae, post tot tempora voluntas accesserit, ut nunc corpori uniatur. Est enim substantia spiritualis supra tempus, utpote revolutiones coeli excedens. Tertio, quia videretur a casu esse quod haec anima huic corpori uniretur: cum ad hoc requiratur concursus duarum voluntatum, scilicet animae advenientis, et hominis generantis. Si autem praeter voluntatem ipsius corpori unitur, et praeter ejus naturam; oportet quod hoc sit ex causa violentiam inferente, et sic erit ei poenale, et triste. Quod est secundum errorem Origenis, qui posuit animas incorporari propter poenam peccati. Unde cum haec omnia sint inconvenientia, simpliciter confitendum est quod animae non sunt creatae ante corpora, sed simul creantur cum corporibus et1 infunduntur.

Leerstelling. — Sommigen, die van opvatting waren, dat de zielen in dezelfde conditie zijn als de geestelijke zelfstandigheden, die niet met een lichaam vereenigd worden, meenden, dat het slechts bijkomstig was, dat de redelijke zielen met een lichaam vereend werden. En daarom beweerden ze, dat de menschenzielen in het begin tegelijk met de engelen geschapen zijn. Maar deze opvatting is valsch. Vooreerst wat het uitgangspunt aangaat. Als het maar bijkomstig was voor de ziel met een lichaam vereenigd te worden, zou volgen, dat de mensch, die uit die 346vereeniging ontstaat, een bijkomstig ding zou zijn; ofwel dat de ziel mensch was, maar dit is, zooals boven aangetoond (75e Kw. 4e Art.), valsch. — Dat ook de menschenziel niet eenzelfde natuur heeft als de engelen, bewijst, zooals boven aangetoond (55e Kw. 2e Art.; 85e Kw. 1e Art.), de verschillende wijze van begrijpen: de mensch toch begrijpt, zooals boven aangetoond is (84e Kw 6e en 7e Art.; 85e Kw. 1e Art.), door aan de zinnen te ontleenen, en gebruik te maken van fantasiebeelden. En daarom heeft hij er behoefte aan met een lichaam verbonden te worden, dat hij noodig heeft voor de werking van het zinnelijk deel. Maar dit kan van een engel niet gezegd worden. Vervolgens is de stelling zelf valsch. Als het immers voor de ziel natuurlijk is met een lichaam vereenigd te worden, dan is zonder lichaam zijn voor haar tegennatuurlijk, en heeft ze, als ze zonder lichaam bestaat, haar natuurlijke volkomenheid niet. Het was echter niet betamelijk, dat God zijn werk zou beginnen met onvolmaakte en buitennatuurlijke dingen: Hij heeft toch den mensch niet zonder hand of voet gemaakt, wat natuurlijke deelen van den mensch zijn. Veel minder dus heeft Hij de ziel zonder lichaam gemaakt. Maar als iemand zegt, dat het niet natuurlijk is voor de ziel om met een lichaam vereenigd te zijn, moet er een oorzaak gezocht worden, waarom zij ermee vereenigd is. Maar dan moet gezegd worden, dat dit gebeurt is door haar wil of door een andere oorzaak. 347Maar uit haar eigen wil schijnt onaannemelijk. Vooreerst omdat de wil met een lichaam vereenigd te worden, als zij er geen behoefte aan heeft, onredelijk is: als zij immers behoefte aan een lichaam had, zou het haar natuurlijk zijn ermee vereenigd te worden, omdat de natuur in wat noodzakelijk is niet faalt. Vervolgens, omdat er geen enkele reden is, waarom zielen, vanaf het begin der wereld geschapen, na zoo 'n langen tijd den wil zouden krijgen om nu met een lichaam vereenigd te worden. De geestelijke zelfstandigheid is immers boven den tijd, als boven de wentelingen des hemels uitgaande. Ten derde, omdat het dan toevallig zou schijnen, dat deze ziel met dit lichaam vereenigd wordt, daar het samentreffen van twee willen hiervoor gevraagd wordt, nl. de wil van die ziel en de wil van den teler. — Indien ze echter buiten haar eigen wil en buiten haar natuur met een lichaam vereenigd wordt, dan moet dit zijn door een gewelddadige oorzaak, en zoo is het haar een straf en een droefheid. Maar dit is volgens de dwaling van Origenes, die meende, dat de zielen als straf voor de zonde in het lichaam werden opgesloten. Daar dus dit alles onaannemelijk is, moet zonder meer worden toegegeven, dat de zielen niet vóór de lichamen geschapen zijn, maar tegelijk geschapen worden als ze in de lichamen worden ingestort.Leerstelling. — Sommigen, die van opvatting waren, dat de zielen in dezelfde conditie zijn als de geestelijke zelfstandigheden, die niet met een lichaam verenigd worden, meenden, dat het slechts bijkomstig was, dat de redelijke zielen met een lichaam vereend werden. En daarom beweerden ze, dat de mensenzielen in het begin tegelijk met de engelen geschapen zijn. Maar deze opvatting is vals. Vooreerst wat het uitgangspunt aangaat. Als het maar bijkomstig was voor de ziel met een lichaam verenigd te worden, zou volgen, dat de mens, die uit die 346vereniging ontstaat, een bijkomstig ding zou zijn; ofwel dat de ziel mens was, maar dit is, zoals boven aangetoond (75e Kw. 4e Art.), vals. — Dat ook de mensenziel niet eenzelfde natuur heeft als de engelen, bewijst, zoals boven aangetoond (55e Kw. 2e Art.; 85e Kw. 1e Art.), de verschillende wijze van begrijpen: de mens toch begrijpt, zoals boven aangetoond is (84e Kw 6e en 7e Art.; 85e Kw. 1e Art.), door aan de zinnen te ontlenen, en gebruik te maken van fantasiebeelden. En daarom heeft hij er behoefte aan met een lichaam verbonden te worden, dat hij nodig heeft voor de werking van het zinnelijk deel. Maar dit kan van een engel niet gezegd worden. Vervolgens is de stelling zelf vals. Als het immers voor de ziel natuurlijk is met een lichaam verenigd te worden, dan is zonder lichaam zijn voor haar tegennatuurlijk, en heeft ze, als ze zonder lichaam bestaat, haar natuurlijke volkomenheid niet. Het was echter niet betamelijk, dat God zijn werk zou beginnen met onvolmaakte en buitennatuurlijke dingen: Hij heeft toch de mens niet zonder hand of voet gemaakt, wat natuurlijke delen van de mens zijn. Veel minder dus heeft Hij de ziel zonder lichaam gemaakt. Maar als iemand zegt, dat het niet natuurlijk is voor de ziel om met een lichaam verenigd te zijn, moet er een oorzaak gezocht worden, waarom zij ermee verenigd is. Maar dan moet gezegd worden, dat dit gebeurt is door haar wil of door een andere oorzaak. 347Maar uit haar eigen wil schijnt onaannemelijk. Vooreerst omdat de wil met een lichaam verenigd te worden, als zij er geen behoefte aan heeft, onredelijk is: als zij immers behoefte aan een lichaam had, zou het haar natuurlijk zijn ermee verenigd te worden, omdat de natuur in wat noodzakelijk is niet faalt. Vervolgens, omdat er geen enkele reden is, waarom zielen, vanaf het begin van de wereld geschapen, na zo 'n langen tijd de wil zouden krijgen om nu met een lichaam verenigd te worden. De geestelijke zelfstandigheid is immers boven de tijd, als boven de wentelingen van de hemel uitgaande. Ten derde, omdat het dan toevallig zou schijnen, dat deze ziel met dit lichaam verenigd wordt, daar het samentreffen van twee willen hiervoor gevraagd wordt, nl. de wil van die ziel en de wil van de teler. — Indien ze echter buiten haar eigen wil en buiten haar natuur met een lichaam verenigd wordt, dan moet dit zijn door een gewelddadige oorzaak, en zo is het haar een straf en een droefheid. Maar dit is volgens de dwaling van Origenes, die meende, dat de zielen als straf voor de zonde in het lichaam werden opgesloten. Daar dus dit alles onaannemelijk is, moet zonder meer worden toegegeven, dat de zielen niet vóór de lichamen geschapen zijn, maar tegelijk geschapen worden als ze in de lichamen worden ingestort.

↑ bedenking 1

348Ad primum ergo dicendum quod Deus dicitur cessasse die septimo, non quidem ab omni opere, cum dicatur Joann. 5. [v. 17]: « Pater meus usque modo operatur »; sed a novis rerum generibus et speciebus condendis, quae in operibus primis non aliquo modo praeextiterint. Sic enim animae quae nunc creantur, praeextiterunt secundum similitudinem speciei in primis operibus, in quibus anima Adae creata fuit.

348Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Er wordt gezegd, dat God den zevenden dag ophield, niet met ieder werk, want bij Joannes (5. 17) wordt gezegd: « Mijn Vader werkt tot heden toe »; maar Hij hield op met de schepping van nieuwe geslachten en soorten, die niet reeds eenigszins in de vorige werken vervat waren. Zoo bestonden de zielen, die nu geschapen worden, naar soortgelijkenis in de eerste werken, waarbij de ziel van Adam geschapen is.348Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Er wordt gezegd, dat God de zevende dag ophield, niet met ieder werk, want bij Johannes (5, 17) wordt gezegd: “Mijn Vader werkt tot heden toe”; maar Hij hield op met de schepping van nieuwe geslachten en soorten, die niet reeds enigszins in de vorige werken vervat waren. Zo bestonden de zielen, die nu geschapen worden, naar soortgelijkenis in de eerste werken, waarbij de ziel van Adam geschapen is.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod perfectioni universi, quantum ad numerum individuorum, quotidie potest addi aliquid, non autem secundum2 numerum specierum.

2. Aan de volmaaktheid van het heelal kan, wat het aantal der individuën aangaat, dagelijks iets worden toegevoegd; niet echter wat het aantal der soorten betreft.2. Aan de volmaaktheid van het heelal kan, wat het aantal van de individuën aangaat, dagelijks iets worden toegevoegd; niet echter wat het aantal van de soorten betreft.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod hoc quod anima remanet sine corpore, contingit per corporis corruptionem, quae consecuta est ex peccato. Unde non fuit conveniens, quod ab hoc inciperent Dei opera: quia, sicut scriptum est Sap. 1. [v. 13. 16]: « Deus mortem non fecit, sed impii manibus et verbis accersierunt eam ».

3. Dat de ziel zonder lichaam overblijft, geschiedt door het vergaan van het lichaam, hetwelk een gevolg van de zonde is. En daarom was het niet gewenscht, dat hiermee Gods werken begonnen: want, zooals geschreven staat in het Boek der Wijsheid (1. 13, 16): « God heeft den dood niet gemaakt, maar hand en woord van den goddelooze heeft hem doen komen ».3. Dat de ziel zonder lichaam overblijft, geschiedt door het vergaan van het lichaam, hetwelk een gevolg van de zonde is. En daarom was het niet gewenst, dat hiermee Gods werken begonnen: want, zoals geschreven staat in het Boek van de Wijsheid (1, 13, 16): “God heeft de dood niet gemaakt, maar hand en woord van de goddeloze heeft hem doen komen”.