Theologische Summa · Prima Pars · Hoe de engelen andere schepselen beïnvloedenSumma · I · Hoe de engelen andere schepselen beïnvloedenSumma · I · Kw. 110Kw. 110
Quaestio CX

De praesidentia angelorum super creaturam corporalem, in quatuor articulos divisa

Kwestie 110

Het beheer der engelen van de stoffelijke scheppingHet beheer van de engelen van de stoffelijke schepping

(Vier Artikelen)

167Deinde considerandum est de praesidentia angelorum super creaturam corporalem. Et circa hoc quaeruntur quatuor: 1. Utrum creatura corporalis administretur per angelos. — 2. Utrum creatura corporalis obediat angelis ad nutum. — 3. Utrum angeli sua virtute possint immediate movere corpora localiter. — 4. Utrum angeli boni vel mali possint facere miracula.

167Vervolgens moeten we het beheer der engelen beschouwen over de lichamelijke schepselen. En hieromtrent stellen we vier vragen: 1. Wordt de stoffelijke schepping door de engelen beheerd? 2. Gehoorzaamt de stoffelijke schepping de engelen op hun wenk? 3. Kunnen de engelen door eigen kracht lichamen plaatselijk bewegen? 4. Kunnen goede of kwade engelen wonderen doen?167Vervolgens moeten we het beheer van de engelen beschouwen over de lichamelijke schepselen. En hieromtrent stellen we vier vragen: 1. Wordt de stoffelijke schepping door de engelen beheerd? 2. Gehoorzaamt de stoffelijke schepping de engelen op hun wenk? 3. Kunnen de engelen door eigen kracht lichamen plaatselijk bewegen? 4. Kunnen goede of kwade engelen wonderen doen?

Articulus I

Utrum creatura corporalis administretur per angelos

[3. Cont. g. cap. 78. 83; De Verit. q. 5. art. 8.].
Ie Artikel

Wordt de stoffelijke schepping door de engelen beheerd?

antwoord 1 ↓

168Ad primum sic proceditur. Videtur quod creatura corporalis non administretur per angelos. Res enim quae habent determinatum modum operandi, non indigent gubernari ab aliquo praesidente: ideo enim indigemus gubernari, ne aliter operemur quam oporteat. Sed res corporales habent determinatas actiones ex naturis sibi divinitus datis. Non ergo indigent gubernatione angelorum.

168Bedenkingen. — Men beweert, dat de stoffelijke schepping niet door de engelen beheerd wordt. — 1. Dingen immers die een bepaalde werkwijze hebben, hebben er geen behoefte aan door een beheerder bestuurd te worden: wij hebben behoefte aan bestuur, opdat we niet anders zouden doen, dan we moeten. Maar de stoffelijke dingen hebben werkingen, die reeds bepaald zijn door de natuur hun van Godswege geschonken. Zij hebben er dus geen behoefte aan door de engelen bestuurd te worden.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, inferiora in entibus gubernantur per superiora. Sed in corporibus quaedam dicuntur inferiora, quaedam superiora. Inferiora igitur gubernantur per superiora. Non ergo est necessarium quod gubernentur per angelos.

2. In alle dingen worden de lagere door de hoogere geleid. Maar bij de stoffelijke dingen zijn hoogere en lagere. De lagere worden dus door de hoogere geleid. Het is dus niet noodig, dat ze door de engelen bestuurd worden.2. In alle dingen worden de lagere door de hogere geleid. Maar bij de stoffelijke dingen zijn hogere en lagere. De lagere worden dus door de hogere geleid. Het is dus niet nodig, dat ze door de engelen bestuurd worden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, diversi ordines angelorum distinguuntur secundum diversa officia. Sed si creaturae corporales administrantur per angelos, tot erunt officia angelorum, quot sunt species rerum. Ergo etiam tot erunt ordines 169angelorum, quot sunt species rerum. Quod est contra supra dicta [q. 108. art. 2.]. Non ergo corporalis creatura administratur per angelos.

3. De verschillende koren der engelen worden onderscheiden naar de diverse functies. Maar als de stoffelijke schepping door de engelen beheerd wordt, zijn er evenveel functies als er soorten van dingen zijn. Dus zijn er zooveel engelenkoren als er soorten 169van dingen zijn. Maar dit is tegen wat boven gezegd werd (108e Kw. 2e Art.). De stoffelijke schepping wordt dus niet door de engelen beheerd.3. De verschillende koren van de engelen worden onderscheiden naar de diverse functies. Maar als de stoffelijke schepping door de engelen beheerd wordt, zijn er evenveel functies als er soorten van dingen zijn. Dus zijn er zoveel engelenkoren als er soorten 169van dingen zijn. Maar dit is tegen wat boven gezegd werd (108e Kw. 2e Art.). De stoffelijke schepping wordt dus niet door de engelen beheerd.

Sed contra est quod Augustinus dicit 3. de Trin. [cap. 4.], quod « omnia corpora reguntur per spiritum vitae rationalem ». Et Gregorius dicit in 4. Dial. [cap. 6.], quod « in hoc mundo visibili nihil nisi per creaturam invisibilem disponi potest ».

Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt, dat « alle lichamen beheerscht worden door den verstandelijken levensgeest ». — En Gregorius zegt, dat « in deze zichtbare wereld niets, tenzij door het onzichtbare schepsel, geordend kan worden ».Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt, dat “alle lichamen beheerst worden door de verstandelijke levensgeest”. — En Gregorius zegt, dat “in deze zichtbare wereld niets, tenzij door het onzichtbare schepsel, geordend kan worden”.

Respondeo dicendum quod tam in rebus humanis quam in rebus naturalibus, hoc communiter invenitur, quod potestas particularis gubernatur et regitur a potestate universali; sicut potestas ballivi gubernatur a potestate regis. Et in angelis etiam est dictum [q. 55. art. 3; q. 106. art. 1; q. 108. art. 1.], quod superiores angeli, qui praesunt inferioribus, habent scientiam magis universalem. Manifestum est autem, quod virtus cujuslibet corporis est magis particularis, quam virtus spiritualis substantiae: nam omnis forma corporalis est forma individuata per materiam, et determinata ad hic et nunc; formae autem immateriales sunt absolutae, et intelligibiles. Et ideo 170sicut inferiores angeli, qui habent formas minus universales, reguntur per superiores; ita omnia corporalia reguntur per angelos. Et hoc non solum a sanctis Doctoribus ponitur, sed etiam ab omnibus philosophis qui incorporeas substantias posuerunt.

Leerstelling. — Zoowel in menschelijke aangelegenheden als bij natuurdingen vindt men algemeen, dat particuliere macht geleid en beheerscht wordt door de meer algemeene: zooals de macht van den burgemeester door de macht des konings. En ook betreffende de engelen is gezegd (55e Kw. 3e Art., 106e Kw. 1e Art.; 108e Kw. 1e Art.), dat de hoogere engelen, die de leiding hebben over de lagere, een meer algemeene kennis hebben. Nu is het duidelijk, dat de macht van ieder lichaam meer particulier is dan de macht van een geestelijke zelfstandigheid, want iedere lichamelijke vorm is geïndividueerd door de stof, en beperkt tot het hier en nu; de onstoffelijke vormen echter zijn ongebonden en 170verstandelijk. Vandaar dat, zooals de lagere engelen, die vormen van minder algemeenheid hebben, geleid worden door de hoogere, ook de lichamen alle beheerd worden door de engelen. En dit is niet alleen een stelling der H. Leeraars, maar ook van alle wijsgeeren, die niet-lichamelijke zelfstandigheden aannamen.Leerstelling. — Zowel in menselijke aangelegenheden als bij natuurdingen vindt men algemeen, dat particuliere macht geleid en beheerst wordt door de meer algemene: zoals de macht van de burgemeester door de macht van de koning. En ook betreffende de engelen is gezegd (55e Kw. 3e Art., 106e Kw. 1e Art.; 108e Kw. 1e Art.), dat de hogere engelen, die de leiding hebben over de lagere, een meer algemene kennis hebben. Nu is het duidelijk, dat de macht van ieder lichaam meer particulier is dan de macht van een geestelijke zelfstandigheid, want iedere lichamelijke vorm is geïndividueerd door de stof, en beperkt tot het hier en nu; de onstoffelijke vormen echter zijn ongebonden en 170verstandelijk. Vandaar dat, zoals de lagere engelen, die vormen van minder algemeenheid hebben, geleid worden door de hogere, ook de lichamen alle beheerd worden door de engelen. En dit is niet alleen een stelling van de H. Leraars, maar ook van alle wijsgeren, die niet-lichamelijke zelfstandigheden aannamen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod res corporales habent determinatas actiones, sed has actiones non exercent, nisi secundum quod moventur: quia proprium corporis est quod non agat nisi per motum. Et ideo oportet quod creatura corporalis a spirituali moveatur.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Stoffelijke dingen hebben bepaalde werkwijzen, maar zij oefenen hun werking niet uit dan voor zoover zij bewogen worden: want het eigene van een lichaam is dat het niet werkt, tenzij bewogen. En daarom moet de stoffelijke schepping door de geestelijke bewogen worden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Stoffelijke dingen hebben bepaalde werkwijzen, maar zij oefenen hun werking niet uit dan voor zover zij bewogen worden: want het eigene van een lichaam is dat het niet werkt, tenzij bewogen. En daarom moet de stoffelijke schepping door de geestelijke bewogen worden.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod ratio ista procedit secundum opinionem Aristotelis [11. Metaphys. cap. 8. n. 2. 3.], qui posuit, quod corpora coelestia moventur a substantiis spiritualibus; quarum numerum conatus fuit assignare secundum numerum motum qui apparent in corporibus coelestibus. Sed non posuit quod essent aliquae substantiae spirituales quae haberent immediatam praesidentiam supra inferiora corpora, nisi forte animas humanas. Et hoc ideo, quia non consideravit aliquas operationes in inferioribus corporibus exerceri nisi naturales, ad quas sufficiebat motus corporum 171coelestium. Sed quia nos ponimus multa in corporibus inferioribus fieri praeter naturales actiones corporum ad quae non sufficiunt virtutes coelestium corporum, ideo secundum nos, necesse est ponere quod angeli habeant immediatam praesidentiam non solum supra coelestia corpora, sed etiam supra corpora inferiora.

2. Deze bedenking gaat uit van de meening van Aristoteles, die hield, dat de hemellichamen bewogen worden door de geestelijke zelfstandigheden, wier aantal hij probeerde vast te stellen naar het aantal der bewegingen, die zich bij de hemellichamen voordoen. Maar hij nam niet aan, dat er sommige geestelijke zelfstandigheden zouden zijn, die de onmiddellijke leiding hadden over de lagere lichamen, tenzij wellicht de menschenzielen. En dit hierom, daar hij er niet op bedacht was, dat er in de lagere lichamen andere dan de natuurlijke werkingen, waartoe de beweging der 171hemellichamen voldoende was, geschieden. — Maar omdat wij meenen, dat er bij de lagere lichamen veel gebeurt buiten de natuurlijke werkingen der lichamen om, waartoe de krachten der hemellichamen niet volstaan, daarom is het volgens ons noodig aan te nemen, dat de engelen het onmiddellijk beheer hebben, niet alleen van de hemellichamen, maar ook van de lagere lichamen.2. Deze bedenking gaat uit van de mening van Aristoteles, die hield, dat de hemellichamen bewogen worden door de geestelijke zelfstandigheden, wier aantal hij probeerde vast te stellen naar het aantal van de bewegingen, die zich bij de hemellichamen voordoen. Maar hij nam niet aan, dat er sommige geestelijke zelfstandigheden zouden zijn, die de onmiddellijke leiding hadden over de lagere lichamen, tenzij wellicht de mensenzielen. En dit hierom, daar hij er niet op bedacht was, dat er in de lagere lichamen andere dan de natuurlijke werkingen, waartoe de beweging van de 171hemellichamen voldoende was, geschieden. — Maar omdat wij menen, dat er bij de lagere lichamen veel gebeurt buiten de natuurlijke werkingen van de lichamen om, waartoe de krachten van de hemellichamen niet volstaan, daarom is het volgens ons nodig aan te nemen, dat de engelen het onmiddellijk beheer hebben, niet alleen van de hemellichamen, maar ook van de lagere lichamen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod de substantiis immaterialibus diversimode philosophi sunt locuti. Plato enim posuit, substantias immateriales esse rationes et species sensibilium corporum, et quasdam aliis universaliores: et ideo posuit substantias immateriales habere praesidentiam immediatam circa omnia sensibilia corpora, et diversas circa diversa. Aristoteles autem posuit quod substantiae immateriales non sunt species corporum sensibilium, sed aliquid altius et universalius: et ideo non attribuit eis immediatam praesidentiam supra singula corpora, sed solum supra universalia agentia, quae sunt corpora coelestia. Avicenna vero mediam viam secutus est. Posuit enim cum Platone, aliquam substantiam spiritualem praesidentem immediate sphaerae activorum et passivorum; eo quod, sicut Plato ponebat quod formae horum 172sensibilium derivantur a substantiis immaterialibus, ita etiam Avicenna hoc posuit. Sed in hoc a Platone differt, quod posuit unam tantum substantiam immaterialem praesidentem omnibus corporibus inferioribus, quam vocavit intelligentiam agentem.

3. De wijsgeeren hebben verschillend gesproken over de onstoffelijke zelfstandigheden. Plato nam de stelling aan, dat de onstoffelijke zelfstandigheden natuur en soort zijn der zinnelijk waarneembare dingen, en sommige algemeener dan de andere; en daarom meende hij, dat de onstoffelijke zelfstandigheden het onmiddellijk beheer hebben over alle zinnelijk waarneembare lichamen, en verschillende over verschillende. — De stelling van Aristoteles was, dat de onstoffelijke zelfstandigheden niet de soort der zinnelijk waarneembare lichamen zijn, maar iets hoogers en algemeeners, en daarom schreef hij er niet het onmiddellijke beheer der afzonderlijke lichamen aan toe, maar alleen dat der algemeene werkoorzaken, welke de hemellichamen zijn. — Avicenna ging echter een middenweg. Met Plato hield hij, dat er een geestelijke zelfstandigheid het onmiddellijk beheer heeft over de sfeer der activa en passiva, want zooals Plato meende ook hij, dat de vormen 172der zinnelijk waarneembare dingen van de onstoffelijke zelfstandigheden komen. Maar hierin verschilde hij van Plato, dat hij slechts één enkele onstoffelijke zelfstandigheid aannam, die het beheer heeft over alle lagere lichamen, en deze noemde hij de werkende intelligentie.3. De wijsgeren hebben verschillend gesproken over de onstoffelijke zelfstandigheden. Plato nam de stelling aan, dat de onstoffelijke zelfstandigheden natuur en soort zijn van de zinnelijk waarneembare dingen, en sommige algemener dan de andere; en daarom meende hij, dat de onstoffelijke zelfstandigheden het onmiddellijk beheer hebben over alle zinnelijk waarneembare lichamen, en verschillende over verschillende. — De stelling van Aristoteles was, dat de onstoffelijke zelfstandigheden niet de soort van de zinnelijk waarneembare lichamen zijn, maar iets hogers en algemeners, en daarom schreef hij er niet het onmiddellijke beheer van de afzonderlijke lichamen aan toe, maar alleen dat van de algemene werkoorzaken, welke de hemellichamen zijn. — Avicenna ging echter een middenweg. Met Plato hield hij, dat er een geestelijke zelfstandigheid het onmiddellijk beheer heeft over de sfeer van de activa en passiva, want zoals Plato meende ook hij, dat de vormen 172van de zinnelijk waarneembare dingen van de onstoffelijke zelfstandigheden komen. Maar hierin verschilde hij van Plato, dat hij slechts één enkele onstoffelijke zelfstandigheid aannam, die het beheer heeft over alle lagere lichamen, en deze noemde hij de werkende intelligentie.

Doctores autem sancti posuerunt, sicut Platonici, diversis rebus corporeis diversas substantias spirituales esse praepositas. Dicit enim Augustinus in lib. 83. QQ. [q. 79.]: « Unaquaeque res visibilis in hoc mundo habet angelicam potestatem sibi praepositam ». Et Damascenus dicit [lib. 2. Orth. Fid. cap. 4.]: « Diabolus erat ex his angelicis virtutibus quae praeerant terrestri ordini ». Et Origenes dicit super illud Numer. 22. [v. 23]: « Cum vidisset asina angelum », quod « opus est mundo angelis, qui praesunt super bestias, et praesunt animalium nativitati, et virgultorum et plantationum et caeterarum rerum incrementis ». Sed hoc non est ponendum propter hoc, quod secundum suam naturam unus angelus magis se habeat ad praesidendum animalibus quam plantis: quia quilibet angelus, etiam minimus, habet altiorem virtutem et universaliorem quam aliquod genus corporalium. Sed ex ordine divinae sapientiae, quae diversis rebus diversos rectores 173praeposuit. Nec tamen propter hoc sequitur quod sint plures ordines angelorum quam novem: quia, sicut supra dictum est [q. 108. art. 2.], ordines distinguuntur secundum generalia officia. Unde sicut, secundum Gregorium [hom. 34. in Evang.], ad ordinem Potestatum pertinent omnes angeli qui habent proprie praesidentiam super daemones; ita ad ordinem Virtutum pertinere videntur omnes angeli qui habent praesidentiam super res pure corporeas; horum enim ministerio interdum etiam miracula fiunt.

De H. Leeraars echter hielden, zooals ook de Platonici, dat over de verschillende lichamelijke dingen verschillende geestelijke zelfstandigheden gesteld zijn. Augustinus zegt immers: « Ieder zichtbaar ding in deze wereld heeft een engelkracht boven zich ». En Damascenus: « De duivel behoorde tot die engelkrachten, die over de aardsche orde gesteld waren ». — En Origenes zegt, naar aanleiding van het woord uit het Boek der Getallen (22. 23): « Toen de ezel den engel zag », dat « de wereld behoefte heeft aan engelen, die aangesteld zijn over de beesten, en over de geboorten der dieren, en den groei van struiken en aanplantingen en de overige dingen ». Maar men moet dat niet hierom zeggen, alsof van natuurwege de eene engel meer geschikt is om de dieren dan de planten te beheeren, want iedere engel, ook de minste, heeft een hoogere en algemeenere kracht dan welk geslacht der lichamelijke dingen ook. Maar het is krachtens verordening der goddelijke 173Wijsheid die over de verschillende dingen verschillende bestuurders aanstelde. Maar hieruit volgt niet, dat er meer dan negen engelenkoren zijn, want, zooals boven gezegd is (108e Kw. 2e Art.), de koren worden onderscheiden naar de algemeene functies. Vandaar dat, zooals volgens Gregorius, tot het koor der Krachten alle engelen behooren, die in eigenlijken zin de leiding over de duivels hebben, zoo schijnen ook tot het koor der Machten alle engelen te behooren, die het beheer hebben over de zuiver lichamelijke dingen; door hun bediening immers geschieden ook somtijds wonderen.De H. Leraars echter hielden, zoals ook de Platonici, dat over de verschillende lichamelijke dingen verschillende geestelijke zelfstandigheden gesteld zijn. Augustinus zegt immers: “Ieder zichtbaar ding in deze wereld heeft een engelkracht boven zich”. En Damascenus: “De duivel behoorde tot die engelkrachten, die over de aardse orde gesteld waren”. — En Origenes zegt, naar aanleiding van het woord uit het Boek van de Getallen (22, 23): “Toen de ezel de engel zag”, dat “de wereld behoefte heeft aan engelen, die aangesteld zijn over de beesten, en over de geboorten van de dieren, en de groei van struiken en aanplantingen en de overige dingen”. Maar men moet dat niet hierom zeggen, alsof van natuurwege de ene engel meer geschikt is om de dieren dan de planten te beheren, want iedere engel, ook de minste, heeft een hogere en algemenere kracht dan welk geslacht van de lichamelijke dingen ook. Maar het is krachtens verordening van de goddelijke 173Wijsheid die over de verschillende dingen verschillende bestuurders aanstelde. Maar hieruit volgt niet, dat er meer dan negen engelenkoren zijn, want, zoals boven gezegd is (108e Kw. 2e Art.), de koren worden onderscheiden naar de algemene functies. Vandaar dat, zoals volgens Gregorius, tot het koor van de Krachten alle engelen behoren, die in eigenlijke zin de leiding over de duivels hebben, zo schijnen ook tot het koor van de Machten alle engelen te behoren, die het beheer hebben over de zuiver lichamelijke dingen; door hun bediening immers geschieden ook somtijds wonderen.

Articulus II

Utrum materia corporalis obediat angelis ad nutum

[Supr. q. 65. art. 4; q. 91. art. 2; 3. Cont. g. cap. 103. De Pot. q. 6. art. 3; De Mal. q. 16. art. 9; Quodl. 9. q. 4. art. 5; ad Galat. cap. 3. lect. 1.].
IIe Artikel

Gehoorzaamt de stoffelijke schepping aan de engelen op hun wenk?

antwoord 1 ↓

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod materia corporalis obediat angelis ad nutum. Major est enim virtus angeli quam virtus animae. Sed conceptioni animae maxime1 obedit materia corporalis: immutatur enim 174corpus hominis ex conceptione animae, ad calorem et frigus, et quandoque usque ad sanitatem et aegritudinem. Ergo multo magis secundum conceptionem angeli materia corporalis transmutatur.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de lichamelijke stof de engelen op hun wenk gehoorzaamt. — 1. Grooter immers is de kracht van een engel dan die der ziel. Maar de lichamelijke stof 174gehoorzaamt de gedachten der ziel: door de gedachte van de ziel, verandert immers het menschelijk lichaam met betrekking tot koude of warmte, en soms gezondheid of ziekte. Dus veel meer wordt de lichamelijke stof veranderd volgens de gedachten van een engel.Bedenkingen. — Men beweert, dat de lichamelijke stof de engelen op hun wenk gehoorzaamt. — 1. Groter immers is de kracht van een engel dan die van de ziel. Maar de lichamelijke stof 174gehoorzaamt de gedachten van de ziel: door de gedachte van de ziel, verandert immers het menselijk lichaam met betrekking tot koude of warmte, en soms gezondheid of ziekte. Dus veel meer wordt de lichamelijke stof veranderd volgens de gedachten van een engel.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, quidquid potest virtus inferior, potest virtus superior. Sed virtus angeli est superior, quam materia2 corporalis. Corpus autem sua virtute potest transmutare materiam corporalem ad formam aliquam; sicut cum ignis generat ignem. Ergo multo fortius virtute sua angeli possunt materiam corporalem transmutare ad aliquam formam.

2. Al wat de lagere kracht kan, kan ook de hoogere. Maar de kracht van een engel is hooger dan de lichamelijke kracht. Een lichaam kan echter door eigen kracht de lichamelijke stof veranderen met betrekking tot een bepaalden vorm, zooals wanneer vuur vuur voortbrengt. Dus kunnen de engelen veel meer door eigen kracht de lichamelijke stof veranderen met betrekking tot een bepaalden vorm.2. Al wat de lagere kracht kan, kan ook de hogere. Maar de kracht van een engel is hoger dan de lichamelijke kracht. Een lichaam kan echter door eigen kracht de lichamelijke stof veranderen met betrekking tot een bepaalden vorm, zoals wanneer vuur vuur voortbrengt. Dus kunnen de engelen veel meer door eigen kracht de lichamelijke stof veranderen met betrekking tot een bepaalden vorm.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, tota natura corporalis administratur per angelos, ut dictum est [art. praec.]: et sic videtur quod corpora se habent ad angelos sicut instrumenta; nam ratio instrumenti est quod sit movens motum. Sed in effectibus aliquid invenitur ex virtute principalium agentium, quod non potest esse per virtutem instrumenti; et hoc est id quod est principalius in effectu. Sicut digestio nutrimenti est per virtutem caloris naturalis, qui est instrumentum animae nutritivae; sed quod generetur caro viva, est ex virtute 175animae. Similiter quod secetur lignum, pertinet ad serram; sed quod perveniatur ad formam lecti, est ex virtute artificis3. Ergo forma substantialis, quae est principalius in effectibus corporalibus, est ex virtute angelorum. Materia ergo obedit, ad sui informationem, angelis.

3. De geheel stoffelijke natuur wordt, zooals gezegd is (vorig Art.), door de engelen beheerd, en zoo schijnen de lichamen zich tot de engelen te verhouden als werktuigen, want de aard van het werktuig is, dat het bewogen beweegt. Maar in de gevolgen wordt iets gevonden uit de kracht der voornaamste werkoorzaak, wat niet kan zijn uit de kracht van het werktuig, en dit is het voornaamste in het gevolg. Zoo geschiedt de vertering van het voedsel door de natuurlijke warmte, die het werktuig is van de ziel, maar dat er levend vleesch gevormd wordt, is uit kracht van 175de ziel. Zoo behoort het ook tot de kracht van de zaag, dat het hout gesneden wordt, maar dat de vorm van een bed bereikt wordt, is uit het eigene van de kunst. Dus is de zelfstandigheidsvorm, die het voornaamste is in de lichamelijke gevolgen uit de kracht der engelen. De stof gehoorzaamt dus, wat haar vorming betreft, aan de engelen.3. De geheel stoffelijke natuur wordt, zoals gezegd is (vorig Art.), door de engelen beheerd, en zo schijnen de lichamen zich tot de engelen te verhouden als werktuigen, want de aard van het werktuig is, dat het bewogen beweegt. Maar in de gevolgen wordt iets gevonden uit de kracht van de voornaamste werkoorzaak, wat niet kan zijn uit de kracht van het werktuig, en dit is het voornaamste in het gevolg. Zo geschiedt de vertering van het voedsel door de natuurlijke warmte, die het werktuig is van de ziel, maar dat er levend vlees gevormd wordt, is uit kracht van 175de ziel. Zo behoort het ook tot de kracht van de zaag, dat het hout gesneden wordt, maar dat de vorm van een bed bereikt wordt, is uit het eigene van de kunst. Dus is de zelfstandigheidsvorm, die het voornaamste is in de lichamelijke gevolgen uit de kracht van de engelen. De stof gehoorzaamt dus, wat haar vorming betreft, aan de engelen.

Sed contra est quod Augustinus dicit 3. de Trin. [cap. 8.]: « Non est putandum istis transgressoribus angelis ad nutum servire hanc visibilium rerum materiam, sed soli Deo ».

Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt: « Men moet niet meenen, dat de stof der zichtbare dingen deze booze engelen op hun wenken dient, maar slechts God alleen ».Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt: “Men moet niet menen, dat de stof van de zichtbare dingen deze boze engelen op hun wenken dient, maar slechts God alleen”.

Respondeo dicendum quod Platonici posuerunt formas quae sunt in materia, causari ex immaterialibus formis: quia formas materiales ponebant esse participationes quasdam immaterialium formarum. Et hos, quantum ad aliquid, secutus est Avicenna, qui posuit omnes formas quae sunt in materia, procedere a conceptione intelligentiae, et quod agentia corporalia sunt solum disponentia ad formas. Qui in hoc videntur fuisse decepti, quia existimaverunt formam quasi aliquid per se factum, ut sic ab aliquo formali principio 176procederet. Sed sicut Philosophus probat in 7. Metaphys., hoc quod proprie fit est compositum: hoc enim proprie est quasi subsistens. Forma autem non dicitur ens quasi ipsa sit, sed sicut quo aliquid est: et sic per consequens nec forma proprie fit; ejus enim est fieri, cujus est esse, cum fieri nihil aliud sit quam via in esse. Manifestum est autem quod factum est simile facienti: quia omne agens agit sibi simile. Et ideo id quod facit res naturales, habet similitudinem cum composito: vel quia est compositum, sicut ignis generat ignem; vel quia totum compositum, et quantum ad materiam et quantum ad formam, est in virtute ipsius; quod est proprium Dei. Sic igitur omnis informatio materiae vel est a Deo immediate, vel ab aliquo agente corporali; non autem immediate ab angelo.

Leerstelling. — De stelling der Platonici was, dat de vormen, die in de stof zijn, veroorzaakt worden door onstoffelijke vormen, daar naar hun meening, de stoffelijke vormen zekere deelnamen zijn der onstoffelijke vormen. En in zekeren zin is Avicenna hen gevolgd, zeggende, dat alle vormen in de stof voortkomen van het begrip der Intelligentie, en de lichamelijke werkoorzaken alleen maar disponeeren tot de vormen. — Maar zij schijnen hierdoor misleid te zijn, dat zij meenden, dat de vorm 176iets is dat op zich gemaakt wordt, en zoo dus van een formeel beginsel zou voortkomen. Maar, zooals de Wijsgeer bewijst, hetgeen eigenlijk wordt, is het samengestelde wezen: dit immers is eigenlijk bestaande. De vorm wordt niet zijnde genoemd, alsof hij zelf is, maar hij is waardoor iets is: en bijgevolg wordt de vorm ook niet eigenlijk: worden immers komt toe aan hetgeen ook is, want worden is niets anders dan de weg tot zijn. Nu is het duidelijk, dat het gemaakte gelijkt op den maker: want al wat werkt, werkt naar eigen gelijkenis. En vandaar heeft datgene, wat natuurdingen voortbrengt, gelijkenis met het samengestelde wezen; ofwel omdat het zelf samengesteld is, zooals vuur vuur voortbrengt; ofwel omdat het heel de samenstelling, zoowel wat stof als vorm aangaat, in zijn macht heeft, wat alleen eigen is aan God. Zoo dus geschiedt iedere vorming der stof ofwel onmiddellijk door God, ofwel door een lichamelijke werkoorzaak, maar niet onmiddellijk door een engel.Leerstelling. — De stelling van de Platonici was, dat de vormen, die in de stof zijn, veroorzaakt worden door onstoffelijke vormen, daar naar hun mening, de stoffelijke vormen zekere deelnamen zijn van de onstoffelijke vormen. En in zekeren zin is Avicenna hen gevolgd, zeggende, dat alle vormen in de stof voortkomen van het begrip van de Intelligentie, en de lichamelijke werkoorzaken alleen maar disponeren tot de vormen. — Maar zij schijnen hierdoor misleid te zijn, dat zij meenden, dat de vorm 176iets is dat op zich gemaakt wordt, en zo dus van een formeel beginsel zou voortkomen. Maar, zoals de Wijsgeer bewijst, hetgeen eigenlijk wordt, is het samengestelde wezen: dit immers is eigenlijk bestaande. De vorm wordt niet zijnde genoemd, alsof hij zelf is, maar hij is waardoor iets is: en bijgevolg wordt de vorm ook niet eigenlijk: worden immers komt toe aan hetgeen ook is, want worden is niets anders dan de weg tot zijn. Nu is het duidelijk, dat het gemaakte gelijkt op de maker: want al wat werkt, werkt naar eigen gelijkenis. En vandaar heeft datgene, wat natuurdingen voortbrengt, gelijkenis met het samengestelde wezen; ofwel omdat het zelf samengesteld is, zoals vuur vuur voortbrengt; ofwel omdat het heel de samenstelling, zowel wat stof als vorm aangaat, in zijn macht heeft, wat alleen eigen is aan God. Zo dus geschiedt iedere vorming van de stof ofwel onmiddellijk door God, ofwel door een lichamelijke werkoorzaak, maar niet onmiddellijk door een engel.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod anima nostra unitur corpori ut forma: et sic non est mirum, si formaliter transmutatur ex conceptione ipsius; praesertim cum motus sensitivi appetitus, qui fit cum quadam transmutatione 177corporali, subdatur imperio rationis. Angelus autem non sic se habet ad corpora naturalia. Unde ratio non sequitur.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Onze ziel is met het lichaam vereenigd als zijn vorm, en zoo is het niet te verwonderen dat het formeele verandering ondergaat door hare gedachten; vooral omdat de beweging der zinnelijke begeerte, die met zekere 177lichamelijke verandering gepaard gaat, aan het bevel van de rede onderworpen is. Maar zoo verhoudt de engel zich niet tot de natuurlichamen. Zoodat het bewijs niet sluit.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Onze ziel is met het lichaam verenigd als zijn vorm, en zo is het niet te verwonderen dat het formele verandering ondergaat door haar gedachten; vooral omdat de beweging van de zinnelijke begeerte, die met zekere 177lichamelijke verandering gepaard gaat, aan het bevel van de rede onderworpen is. Maar zo verhoudt de engel zich niet tot de natuurlichamen. Zodat het bewijs niet sluit.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod id quod potest virtus inferior, potest superior non eodem, sed excellentiori modo: sicut intellectus cognoscit sensibilia excellentiori modo, quam sensus. Et sic angelus excellentiori modo transmutat materiam corporalem quam agentia corporalia, scilicet movendo ipsa agentia corporalia, tamquam causa superior.

2. Wat de lagere kracht kan, kan de hoogere kracht niet op dezelfde, maar op hoogere manier: zooals het verstand de zinnelijk waarneembare dingen op hoogere manier kent dan het zintuig. En zoo verandert de engel op hoogere manier de lichamelijke stof dan de lichamelijke werkoorzaken, door nl. als hoogere oorzaak de lichamelijke werkoorzaken te bewegen.2. Wat de lagere kracht kan, kan de hogere kracht niet op dezelfde, maar op hogere manier: zoals het verstand de zinnelijk waarneembare dingen op hogere manier kent dan het zintuig. En zo verandert de engel op hogere manier de lichamelijke stof dan de lichamelijke werkoorzaken, door nl. als hogere oorzaak de lichamelijke werkoorzaken te bewegen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod nihil prohibet ex virtute angelorum aliquos effectus sequi in rebus naturalibus, ad quos agentia corporalia non sufficerent. Sed hoc non est angelo obedire materiam ad nutum; sicut nec coquis obedit materia ad nutum, quia aliquem modum decoctionis operantur per ignem secundum aliquam artis moderationem, quam ignis per se non faceret: cum reducere materiam in actum formae substantialis, non excedat virtutem corporalis agentis, quia simile natum est sibi simili facere.

3. Er is niets op tegen, dat uit kracht der engelen sommige gevolgen in de natuurdingen plaats hebben, waartoe de lichamelijke werkoorzaken niet toereikend zijn. Maar dit beteekent niet, dat de stof de engelen op hun wenk gehoorzaamt, zooals ook de stof den kok niet op zijn wenk gehoorzaamt, omdat hij naar de regels van de kunst door het vuur een bepaalde manier van koken uitwerkt, die het vuur op zich niet zou bewerken. De stof brengen tot de actualiteit van een zelfstandigheidsvorm ligt immers niet boven de kracht van de lichamelijke werkoorzaak, want uiteraard brengt gelijk gelijk voort.3. Er is niets op tegen, dat uit kracht van de engelen sommige gevolgen in de natuurdingen plaats hebben, waartoe de lichamelijke werkoorzaken niet toereikend zijn. Maar dit betekent niet, dat de stof de engelen op hun wenk gehoorzaamt, zoals ook de stof de kok niet op zijn wenk gehoorzaamt, omdat hij naar de regels van de kunst door het vuur een bepaalde manier van koken uitwerkt, die het vuur op zich niet zou bewerken. De stof brengen tot de actualiteit van een zelfstandigheidsvorm ligt immers niet boven de kracht van de lichamelijke werkoorzaak, want uiteraard brengt gelijk gelijk voort.

Articulus III

Utrum corpora obediant angelis ad motum localem

[De Pot. q. 6. art. 3; De Mal. q. 16. art. 1. ad 14; art. 10; Quodl. 9. q. 4. art. 5; In Job. cap. 1. lect. 3.].
IIIe Artikel

Kunnen de engelen door eigen kracht lichamen plaatselijk bewegen?

antwoord 1 ↓

178Ad tertium sic proceditur. Videtur quod corpora non obediant angelis ad motum localem. Motus enim localis corporum naturalium sequitur formas eorum. Sed angeli non causant formas corporum naturalium, ut dictum est [art. praec.; q. 65. art. 4.]. Ergo neque possunt causare in eis motum localem.

178Bedenkingen. — Men beweert, dat de lichamen de engelen niet gehoorzamen met betrekking tot plaatselijke beweging. — 1. De plaatselijke beweging der natuurlichamen is een gevolg van hun vorm. Maar gelijk gezegd is (vorig Art. 65e Kw. 4e Art.), veroorzaken de engelen niet den vorm der natuurlichamen. Zij kunnen dus daarin ook geen plaatselijke beweging veroorzaken.178Bedenkingen. — Men beweert, dat de lichamen de engelen niet gehoorzamen met betrekking tot plaatselijke beweging. — 1. De plaatselijke beweging van de natuurlichamen is een gevolg van hun vorm. Maar gelijk gezegd is (vorig Art. 65e Kw. 4e Art.), veroorzaken de engelen niet de vorm van de natuurlichamen. Zij kunnen dus daarin ook geen plaatselijke beweging veroorzaken.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, in 8. Physic. [cap. 7. n. 1-8.] probatur quod motus localis est primus motuum. Sed angeli non possunt causare alios motus, transmutando materiam formaliter. Ergo neque etiam possunt causare motum localem.

2. In de Physica wordt bewezen, dat plaatselijke beweging de eerste beweging is. Maar de engelen kunnen andere bewegingen niet veroorzaken door de stof een formeele verandering te doen ondergaan. Dus kunnen ze ook geen plaatselijke beweging veroorzaken.2. In de Fysica wordt bewezen, dat plaatselijke beweging de eerste beweging is. Maar de engelen kunnen andere bewegingen niet veroorzaken door de stof een formele verandering te doen ondergaan. Dus kunnen ze ook geen plaatselijke beweging veroorzaken.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, membra corporalia obediunt conceptioni animae ad motum localem, inquantum habent in seipsis aliquod principium vitae. In corporibus 179autem naturalibus non est aliquod principium vitae. Ergo non obediunt angelis ad motum localem.

3. Onze ledematen gehoorzamen aan de gedachten der ziel, in zoover zij in zichzelf een levensbeginsel hebben. In de 179natuurlichamen is geen levensbeginsel. Dus gehoorzamen ze de engelen niet wat plaatselijke beweging betreft.3. Onze ledematen gehoorzamen aan de gedachten van de ziel, in zover zij in zichzelf een levensbeginsel hebben. In de 179natuurlichamen is geen levensbeginsel. Dus gehoorzamen ze de engelen niet wat plaatselijke beweging betreft.

Sed contra est quod Augustinus dicit in 3. de Trinit. [cap. 8. et 9.], quod angeli adhibent semina corporalia ad aliquos effectus producendos. Sed hoc non possunt facere nisi localiter movendo. Ergo corpora obediunt eis ad motum localem.

Daartegenover staat echter, dat, naar Augustinus zegt, de engelen ter bereiking van sommige gevolgen het zaad der lichamen gebruiken. Maar dit kunnen ze niet dan door plaatselijke beweging. Dus gehoorzamen de lichamen hen wat plaatselijke beweging betreft.Daartegenover staat echter, dat, naar Augustinus zegt, de engelen ter bereiking van sommige gevolgen het zaad van de lichamen gebruiken. Maar dit kunnen ze niet dan door plaatselijke beweging. Dus gehoorzamen de lichamen hen wat plaatselijke beweging betreft.

Respondeo dicendum quod, sicut Dionysius dicit 7. cap. de Div. Nom., « divina sapientia conjungit fines primorum principiis secundorum »: ex quo patet quod natura inferior in sui supremo attingitur a natura superiori. Natura autem corporalis est infra naturam spiritualem. Inter omnes autem motus corporeos perfectior est motus localis, ut probatur in 8. Physic. [loc. cit.], cujus ratio est, quia mobile secundum locum non est in potentia ad aliquid intrinsecum, inquantum hujusmodi, sed solum ad aliquid extrinsecum, scilicet ad locum. Et ideo natura corporalis nata est moveri immediate a natura spirituali secundum locum. Unde et philosophi posuerunt, suprema 180corpora moveri localiter a spiritualibus substantiis. Unde videmus quod anima movet corpus primo et principaliter locali motu.

Leerstelling. — Dionysius zegt: « De goddelijke Wijsheid heeft de grenzen der eerdere dingen verbonden aan het begin der volgende », waaruit blijkt, dat de lagere natuur in zijn hoogtepunt geraakt wordt door de hoogere. De lichamelijke natuur is onder de geestelijke natuur. Van alle bewegingen is echter, zooals in de Physica bewezen wordt, de plaatselijke beweging de volmaaktste. De reden hiervan is, dat het plaatselijk beweegbare als zoodanig niet in potentie is tot iets innerlijks, maar alleen tot iets uitwendigs, nl. de plaats. Vandaar is uiteraard de lichamelijke natuur plaatselijk beweegbaar door de geestelijke natuur. Daarom hebben de wijsgeeren ook gehouden, dat de hoogste lichamen 180onmiddellijk door de geestelijke zelfstandigheden bewogen worden. Daarom zien we ook, dat de ziel het lichaam eerst en voornamelijk plaatselijk beweegt.Leerstelling. — Dionysius zegt: “De goddelijke Wijsheid heeft de grenzen van de eerdere dingen verbonden aan het begin van de volgende”, waaruit blijkt, dat de lagere natuur in zijn hoogtepunt geraakt wordt door de hogere. De lichamelijke natuur is onder de geestelijke natuur. Van alle bewegingen is echter, zoals in de Fysica bewezen wordt, de plaatselijke beweging de volmaaktste. De reden hiervan is, dat het plaatselijk beweegbare als zodanig niet in potentie is tot iets innerlijks, maar alleen tot iets uitwendigs, nl. de plaats. Vandaar is uiteraard de lichamelijke natuur plaatselijk beweegbaar door de geestelijke natuur. Daarom hebben de wijsgeren ook gehouden, dat de hoogste lichamen 180onmiddellijk door de geestelijke zelfstandigheden bewogen worden. Daarom zien we ook, dat de ziel het lichaam eerst en voornamelijk plaatselijk beweegt.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod in corporibus sunt alii motus locales praeter eos, qui consequuntur formas: sicut fluxus et refluxus maris non consequitur formam substantialem aquae, sed virtutem lunae. Et multo magis aliqui motus locales consequi possunt virtutem spiritualium substantiarum.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Er zijn in de lichamen andere plaatselijke bewegingen dan die op den vorm volgen; zooals eb en vloed der zee niet het gevolg zijn van den zelfstandigheidsvorm van het water, maar van de kracht van de maan. Veel eerder dus kunnen sommige plaatselijke bewegingen een gevolg zijn van de kracht der geestelijke zelfstandigheden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Er zijn in de lichamen andere plaatselijke bewegingen dan die op de vorm volgen; zoals eb en vloed van de zee niet het gevolg zijn van de zelfstandigheidsvorm van het water, maar van de kracht van de maan. Veel eerder dus kunnen sommige plaatselijke bewegingen een gevolg zijn van de kracht van de geestelijke zelfstandigheden.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod angeli, causando motum localem tamquam priorem, per eum causare possunt alios motus, adhibendo scilicet agentia corporalia ad hujusmodi effectus producendos; sicut faber adhibet ignem ad demollitionem1 ferri.

2. De engelen kunnen door het veroorzaken van plaatselijke beweging, als eerste, ook andere bewegingen veroorzaken, in zoover zij lichamelijke werkoorzaken aanwenden, zooals de werkman het vuur aanwendt om het ijzer zacht te maken.2. De engelen kunnen door het veroorzaken van plaatselijke beweging, als eerste, ook andere bewegingen veroorzaken, in zover zij lichamelijke werkoorzaken aanwenden, zoals de werkman het vuur aanwendt om het ijzer zacht te maken.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod angeli habent virtutem minus contractam quam animae. Unde virtus motiva animae contrahitur ad corpus unitum, quod per eam vivificatur, quo mediante alia potest movere. Sed virtus angeli non est contracta ad aliquod corpus. Unde potest corpora non conjuncta localiter movere.

3. De engelen hebben een minder beperkte kracht dan de zielen. Vandaar wordt de kracht der ziel beperkt tot het vereenigde lichaam, dat door haar leeft, en waardoor zij andere dingen kan bewegen. Maar de kracht van een engel is niet beperkt tot een lichaam, zoodat hij niet verbonden lichamen plaatselijk kan bewegen.3. De engelen hebben een minder beperkte kracht dan de zielen. Vandaar wordt de kracht van de ziel beperkt tot het verenigde lichaam, dat door haar leeft, en waardoor zij andere dingen kan bewegen. Maar de kracht van een engel is niet beperkt tot een lichaam, zodat hij niet verbonden lichamen plaatselijk kan bewegen.

Articulus IV

Utrum angeli possint facere miracula

[Infr. q. 114. art. 4; 3. Cont. g. cap. 102. 103; De Pot. q. 6. art. 3. 4; Compend. Theol. cap. 136; Opusc. 9. art. 15. 16. 18; In Joan. cap. 10. lect. 5.].
IVe Artikel

Kunnen goede of kwade engelen wonderen doen?

antwoord 1 ↓

181Ad quartum sic proceditur. Videtur quod angeli possint facere miracula. Dicit enim Gregorius [hom. 34. in Evang.]: « Virtutes vocantur illi spiritus, per quos signa et miracula frequentius fiunt ».

181Bedenkingen. — Men beweert, dat de engelen wonderen kunnen doen. — 1. Gregorius zegt immers: « Die geesten worden Machten genoemd, door wie dikwijls teekenen en wonderen gebeuren ».181Bedenkingen. — Men beweert, dat de engelen wonderen kunnen doen. — 1. Gregorius zegt immers: “Die geesten worden Machten genoemd, door wie dikwijls tekenen en wonderen gebeuren”.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Augustinus dicit in lib. 83. QQ. [q. 79.], quod « magi faciunt miracula per privatos contractus, boni christiani per publicam justitiam, mali christiani per signa publicae justitiae ». Sed magi faciunt miracula per hoc quod exaudiuntur a daemonibus, ut ipse alibi in eodem libro dicit [21. Sent. cap. 4. inter suppos. Aug.]. Ergo daemones miracula possunt facere. Ergo multo magis angeli boni.

2. Augustinus zegt, dat « de toovenaars wonderen doen door privé contracten, de goede christenen door publieke gerechtigheid, de slechte christenen door teekenen der publieke gerechtigheid ». Maar de toovenaars doen wonderen, « doordat zij verhoord worden door de duivelen », zooals hij zelf ergens anders in hetzelfde werk zegt. Dus kunnen de duivelen wonderen doen, en dus nog veel meer de goede engelen.2. Augustinus zegt, dat “de tovenaars wonderen doen door privé contracten, de goede christenen door publieke gerechtigheid, de slechte christenen door tekenen van de publieke gerechtigheid”. Maar de tovenaars doen wonderen, “doordat zij verhoord worden door de duivelen”, zoals hij zelf ergens anders in hetzelfde werk zegt. Dus kunnen de duivelen wonderen doen, en dus nog veel meer de goede engelen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Augustinus in eod. libro [loc. cit.] dicit quod « omnia quae visibiliter fiunt, etiam per inferiores potestates aëris hujus non absurde fieri posse creduntur ». Sed quando effectus aliquis naturalium causarum 182producitur absque ordine naturalis causae, hoc dicimus esse miraculum; puta cum aliquis sanatur a febre, non per operationem naturae. Ergo angeli et daemones possunt facere miracula.

3. Augustinus zegt, dat « al wat zichtbaar gebeurt, ook door de lagere machten van deze lucht, naar men niet zoo dwaas aanneemt, kan gebeuren ». Maar wanneer een gevolg der 182natuuroorzaken zonder orde tot die oorzaak wordt voortgebracht, spreekt men van wonder, b.v. wanneer iemand van koorts geneest, maar niet door werking van de natuur. Dus kunnen engelen en duivelen wonderen doen.3. Augustinus zegt, dat “al wat zichtbaar gebeurt, ook door de lagere machten van deze lucht, naar men niet zo dwaas aanneemt, kan gebeuren”. Maar wanneer een gevolg van de 182natuuroorzaken zonder orde tot die oorzaak wordt voortgebracht, spreekt men van wonder, bv. wanneer iemand van koorts geneest, maar niet door werking van de natuur. Dus kunnen engelen en duivelen wonderen doen.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, virtus superior non subditur ordini inferioris causae. Sed natura corporalis est inferior angelo. Ergo angelus potest operari praeter ordinem corporalium agentium. Quod est miracula facere.

4. Hoogere macht is niet aan de orde van een lagere oorzaak onderworpen. Maar de lichamelijke natuur is lager dan de engel. Dus kan de engel buiten de orde der lichamelijke werkoorzaken om werken. Dat is wonderen doen.4. Hogere macht is niet aan de orde van een lagere oorzaak onderworpen. Maar de lichamelijke natuur is lager dan de engel. Dus kan de engel buiten de orde van de lichamelijke werkoorzaken om werken. Dat is wonderen doen.

Sed contra est quod de Deo dicitur in Psal. 135 [v. 4]: « Qui facit mirabilia magna solus ».

Daartegenover staat echter, dat van God in het Boek der Psalmen (135. 4) gezegd wordt: « Die alleen groote wonderen doet ».Daartegenover staat echter, dat van God in het Boek van de Psalmen (135, 4)a gezegd wordt: “Die alleen grote wonderen doet”.

Respondeo dicendum quod miraculum proprie dicitur, cum aliquid fit praeter ordinem naturae. Sed non sufficit ad rationem miraculi, si aliquid fiat praeter ordinem naturae alicujus particularis: quia sic cum aliquis projicit lapidem sursum, miraculum faceret, cum hoc sit praeter ordinem naturae lapidis. Ex hoc ergo aliquid dicitur esse miraculum, quod fit praeter ordinem totius naturae creatae. Hoc autem non potest facere nisi Deus: quia quidquid facit angelus, vel quaecumque alia creatura propria virtute, hoc fit 183secundum ordinem naturae creatae; et sic non est miraculum. Unde relinquitur quod solus Deus miracula facere possit.

Leerstelling. — In eigenlijken zin is er sprake van een wonder, wanneer iets buiten de orde der natuur om gebeurt. Maar het is voor het wonderbare karakter niet genoeg, wanneer iets buiten de orde van een particuliere oorzaak om gebeurt: want dan zou iemand ook een wonder doen, als hij een steen omhoog gooit, daar dit buiten de orde der natuur van de steen om gebeurt. Hierom dus wordt iets een wonder genoemd, dat het buiten de orde van heel de geschapen natuur om gebeurt. Dit kan echter God alleen doen, want wat een engel, of welk ander schepsel ook, uit eigen kracht 183doet, het geschiedt altijd volgens de orde der geschapen natuur; en zoo is het geen mirakel. Er rest dus, dat God alleen wonderen kan doen.Leerstelling. — In eigenlijke zin is er sprake van een wonder, wanneer iets buiten de orde van de natuur om gebeurt. Maar het is voor het wonderbare karakter niet genoeg, wanneer iets buiten de orde van een particuliere oorzaak om gebeurt: want dan zou iemand ook een wonder doen, als hij een steen omhoog gooit, daar dit buiten de orde van de natuur van de steen om gebeurt. Hierom dus wordt iets een wonder genoemd, dat het buiten de orde van heel de geschapen natuur om gebeurt. Dit kan echter God alleen doen, want wat een engel, of welk ander schepsel ook, uit eigen kracht 183doet, het geschiedt altijd volgens de orde van de geschapen natuur; en zo is het geen mirakel. Er rest dus, dat God alleen wonderen kan doen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod angeli aliqui dicuntur miracula facere, vel quia ad eorum desiderium Deus miracula facit; sicut et sancti homines dicuntur miracula facere. Vel quia aliquod ministerium exhibent in miraculis quae fiunt, sicut colligendo pulveres in resurrectione communi, vel hujusmodi aliquid agendo.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Van sommige engelen wordt gezegd, dat ze wonderen doen ofwel omdat God op hun verlangen wonderen doet, zooals men ook van heilige menschen zegt, dat ze wonderen doen; ofwel omdat ze eenige bediening hebben bij de wonderen die gebeuren; zooals door het bijeengaren der stofresten bij de algemeene verrijzenis, of door iets dergelijks te verrichten.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Van sommige engelen wordt gezegd, dat ze wonderen doen ofwel omdat God op hun verlangen wonderen doet, zoals men ook van heilige mensen zegt, dat ze wonderen doen; ofwel omdat ze enige bediening hebben bij de wonderen die gebeuren; zoals door het bijeengaren van de stofresten bij de algemene verrijzenis, of door iets dergelijks te verrichten.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod miracula simpliciter loquendo, dicuntur, ut dictum est [in corp.], cum aliqua fiunt praeter ordinem totius naturae creatae. Sed quia non omnis virtus naturae creatae est nota nobis, ideo cum aliquid sit praeter ordinem naturae creatae nobis notae, per virtutem creatam nobis ignotam, est miraculum quoad nos. Sic igitur cum daemones aliquid faciunt sua virtute naturali, miracula dicuntur non simpliciter, sed quoad nos. Et hoc modo magi per daemones miracula faciunt. Et dicuntur fieri 184per privatos contractus: quia quaelibet virtus creaturae in universo se habet ut virtus alicujus privatae personae in civitate; unde cum magus aliquid facit per pactum initum cum daemone, hoc fit quasi per quemdam privatum contractum. Sed justitia divina est in toto universo sicut lex publica in civitate. Et ideo boni christiani, inquantum per justitiam divinam miracula faciunt, dicuntur facere miracula per publicam justitiam. Mali autem christiani per signa publicae justitiae, sicut invocando nomen Christi, vel exhibendo aliqua sacramenta.

2. Er is absoluut gesproken, sprake van wonderen, wanneer, zooals gezegd is (in de Leerstelling) dingen gebeuren buiten de orde van heel de geschapen natuur om. Maar omdat niet iedere kracht der geschapen natuur ons bekend is, daarom is datgene wat buiten de orde van de geschapen, ons bekende, natuur om, door een geschapen, ons onbekende kracht gebeurt, voor ons een wonder. Vandaar dus, dat als de duivels iets doen door hun natuurlijke kracht, men niet zonder meer van wonderen spreekt, maar van wonderen voor ons. En op deze wijze doen de toovenaars door de duivels wonderen. En men zegt dat deze gebeuren door privé 184contract, omdat iedere natuurkracht in het heelal zich verhoudt als de kracht van een particulier persoon in de stad; vandaar wanneer een toovenaar iets doet krachtens een met den duivel gesloten overeenkomst, dit gebeurt als door een privé contract. Maar de goddelijke Gerechtigheid is in het heelal als de publieke wet in de stad. Daarom zegt men, dat de goede christenen, voor zoover zij door de goddelijke Gerechtigheid wonderen doen, dit doen door publieke gerechtigheid. Slechte christenen echter door teekenen der publieke gerechtigheid als het aanroepen van den naam van Christus, of het uitdeelen van Sacramenten.2. Er is absoluut gesproken, sprake van wonderen, wanneer, zoals gezegd is (in de Leerstelling) dingen gebeuren buiten de orde van heel de geschapen natuur om. Maar omdat niet iedere kracht van de geschapen natuur ons bekend is, daarom is datgene wat buiten de orde van de geschapen, ons bekende, natuur om, door een geschapen, ons onbekende kracht gebeurt, voor ons een wonder. Vandaar dus, dat als de duivels iets doen door hun natuurlijke kracht, men niet zonder meer van wonderen spreekt, maar van wonderen voor ons. En op deze wijze doen de tovenaars door de duivels wonderen. En men zegt dat deze gebeuren door privé 184contract, omdat iedere natuurkracht in het heelal zich verhoudt als de kracht van een particulier persoon in de stad; vandaar wanneer een tovenaar iets doet krachtens een met de duivel gesloten overeenkomst, dit gebeurt als door een privé contract. Maar de goddelijke Gerechtigheid is in het heelal als de publieke wet in de stad. Daarom zegt men, dat de goede christenen, voor zover zij door de goddelijke Gerechtigheid wonderen doen, dit doen door publieke gerechtigheid. Slechte christenen echter door tekenen van de publieke gerechtigheid als het aanroepen van de naam van Christus, of het uitdelen van Sacramenten.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod spirituales potestates possunt facere ea quae visibiliter fiunt in hoc mundo, adhibendo corporalia semina per motum localem.

3. Geestelijke krachten kunnen wat zichtbaar in deze wereld gebeurt, doen door het plaatselijk bewegen van lichamelijk zaad.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum quod, licet angeli possint aliquid facere praeter ordinem naturae corporalis, non tamen possunt aliquid facere praeter ordinem totius creaturae: quod exigitur ad rationem miraculi, ut dictum est [in corp.].

4. Ofschoon de engelen iets kunnen doen buiten de orde der lichamelijke natuur om, kunnen ze echter niets doen buiten de orde der geheele schepping om, wat zooals gezegd, tot het wezen van het wonder behoort.4. Ofschoon de engelen iets kunnen doen buiten de orde van de lichamelijke natuur om, kunnen ze echter niets doen buiten de orde van de gehele schepping om, wat zoals gezegd, tot het wezen van het wonder behoort.