De locutionibus angelorum, in quinque articulos divisa
De gesprekken der engelenDe gesprekken van de engelen
97Deinde considerandum est de Locutionibus angelorum. Et circa hoc quaeruntur quinque: 1. Utrum unus angelus loquatur alii. — 2. Utrum inferior superiori. — 3. Utrum angelus Deo. — 4. Utrum in locutione angeli aliquid distantia localis operetur. — 5. Utrum locutionem unius angeli ad alterum omnes cognoscant.
97Vervolgens moeten we handelen over de gesprekken der engelen, en hieromtrent stellen we vijf vragen: 1. Spreekt de eene engel tot den anderen? 2. Ook de lagere tot den hoogeren? 3. Ook de engel tot God? 4. Doet plaatselijke afstand iets af aan de gesprekken der engelen? 5. Verstaan allen het spreken van den eenen engel tot den ander?97Vervolgens moeten we handelen over de gesprekken van de engelen, en hieromtrent stellen we vijf vragen: 1. Spreekt de ene engel tot de anderen? 2. Ook de lagere tot de hogeren? 3. Ook de engel tot God? 4. Doet plaatselijke afstand iets af aan de gesprekken van de engelen? 5. Verstaan allen het spreken van de ene engel tot de ander?
Utrum unus angelus alteri loquatur
Spreekt de eene engel tot den anderen?Spreekt de ene engel tot de anderen?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod unus angelus alteri non 98loquatur. Dicit enim Gregorius 18. Moral. [cap. 27.], quod in statu resurrectionis « uniuscujusque mentem ab alterius oculis membrorum corpulentia non abscondit ». Multo igitur minus mens unius angeli absconditur ab altero. Sed locutio est ad manifestandum alteri quod latet in mente. Non igitur oportet quod unus angelus alteri loquatur.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de eene engel niet tot den 98anderen spreekt. — 1. Gregorius zegt immers, dat « na de verrijzenis de stoffelijkheid onzer ledematen iemands gedachten niet voor de oogen van een ander verbergt ». Veel minder dus zijn de gedachten van den eenen engel voor den anderen verborgen. Maar de spraak dient om aan een ander bekend te maken, wat in het verstand verborgen is. De eene engel behoeft dus niet tot den ander te spreken.Bedenkingen. — Men beweert, dat de ene engel niet tot de 98andere spreekt. — 1. Gregorius zegt immers, dat “na de verrijzenis de stoffelijkheid van onze ledematen iemands gedachten niet voor de ogen van een ander verbergt”. Veel minder dus zijn de gedachten van de ene engel voor de andere verborgen. Maar de spraak dient om aan een ander bekend te maken, wat in het verstand verborgen is. De ene engel behoeft dus niet tot de ander te spreken.
2. Praeterea, duplex est locutio: interior, per quam aliquis sibiipsi loquitur; et exterior, per quam aliquis loquitur alteri. Exterior autem locutio fit per aliquod sensibile signum, puta voce vel nutu vel aliquo corporis membro, puta lingua vel digito: quae angelis competere non possunt. Ergo unus angelus alteri non loquitur.
2. De spraak is tweevoudig: innerlijk, waardoor iemand tot zichzelf spreekt; en uitwendig, waardoor hij tot een ander spreekt. De uitwendige spraak echter geschiedt door een zintuigelijk teeken b.v. door de stem of een knik of een lidmaat, als tong of vinger, wat de engelen niet hebben. De eene engel spreekt dus niet tot den ander.2. De spraak is tweevoudig: innerlijk, waardoor iemand tot zichzelf spreekt; en uitwendig, waardoor hij tot een ander spreekt. De uitwendige spraak echter geschiedt door een zintuigelijk teken bv. door de stem of een knik of een lidmaat, als tong of vinger, wat de engelen niet hebben. De ene engel spreekt dus niet tot de ander.
3. Praeterea, loquens excitat audientem ut attendat suae locutioni. Sed non videtur quod unus angelus excitet alium ad attendendum: hoc enim fit apud nos aliquo sensibili signo. Ergo unus angelus non loquitur alteri.
3. De spreker wekt den hoorder op om naar hem te luisteren. Maar het is niet te zien waardoor de eene engel den anderen opwekt om te luisteren: bij ons gebeurt dat immers door een zinnelijk waarneembaar teeken. Dus spreekt de eene engel niet tot den anderen.3. De spreker wekt de hoorder op om naar hem te luisteren. Maar het is niet te zien waardoor de ene engel de andere opwekt om te luisteren: bij ons gebeurt dat immers door een zinnelijk waarneembaar teken. Dus spreekt de ene engel niet tot de anderen.
Sed contra est quod dicitur 1. Cor. 13. [v. 1]: « Si linguis hominum loquar et angelorum ».
Daartegenover staat echter wat in den Eersten Brief aan de Corinthiërs gezegd wordt (13. 1): « Al sprak ik de talen van menschen en engelen ».Daartegenover staat echter wat in de Eerste Brief aan de Korintiërs gezegd wordt (13, 1): “Al sprak ik de talen van mensen en engelen”.
99Respondeo dicendum, quod in angelis est aliqua locutio. Sed, sicut dicit Gregorius 2. Moral. [cap. 4.], « dignum est ut mens nostra, qualitatem corporea locutionis excedens, ad sublimes atque incognitos modos locutionis intimae suspendatur ». Ad intelligendum igitur qualiter unus angelus alii loquitur, considerandum est quod, sicut supra diximus [q. 82. art. 4.] cum de actibus et potentiis animae ageretur, voluntas movet intellectum ad suam operationem. Intelligibile autem est in intellectu tripliciter: primo quidem, habitualiter, vel secundum memoriam, ut Augustinus dicit [de Trin. cap. 6. et 7.]; secundo autem, ut in actu consideratum vel conceptum; tertio, ut ad aliud relatum. Manifestum est autem quod de primo gradu in secundum transfertur intelligibile per imperium voluntatis: unde in definitione habitus dicitur, Quo quis utitur cum voluerit. Similiter autem et de secundo gradu transfertur in tertium per voluntatem: nam per voluntatem conceptus mentis ordinatur ad alterum, puta vel ad agendum aliquid, vel ad manifestandum alteri. Quando autem mens convertit se ad actu considerandum quod habet in habitu, loquitur aliquis sibiipsi: nam ipse conceptus mentis interius verbum 100vocatur. Ex hoc vero quod conceptus mentis angelicae ordinantur ad manifestandum alteri, per voluntatem ipsius angeli, conceptus mentis unius angeli innotescit alteri: et sic loquitur unus angelus alteri. Nihil est enim aliud loqui ad alterum, quam conceptum mentis alteri manifestare.
99Leerstelling. — Onder de engelen wordt gesproken, maar zooals Gregorius zegt: « Het is billijk, dat als onze geest zich verheft boven de wijze van onze zintuigelijke spraak, tot de verheven en ongekende wijzen der innerlijke spraak, hij maat houde ». Om dus te begrijpen, hoe de eene engel tot den anderen spreekt, moet men bedenken, dat, zooals boven, toen we handelden over de daden en vermogens der ziel, gezegd is (82e Kw. 4e Art.), de wil het verstand tot zijn daad beweegt. Het begrijpelijke is op drie manieren in ons verstand: eerstens habitueel, ofwel in het geheugen, zooals Augustinus zegt; ten tweede als actueel beschouwd of begrepen; ten derde als geordend tot iets anders. Het is echter duidelijk, dat het van den eersten naar den tweeden graad wordt overgebracht door het wilsbevel: vandaar wordt in de definitie van hebbelijkheid gezegd: « wat men gebruikt als men wil ». Eveneens wordt het van den tweeden naar den derden graad overgebracht door den wil: want door den wil wordt het verstandsbegrip tot iets anders geordend b.v. om iets te doen of aan een ander kenbaar te maken. — Wanneer echter de geest in zich keert om actueel te beschouwen, wat hij habitueel kent, spreekt hij tot zichzelf: want wat het verstand vat, wordt het innerlijk woord genoemd. Doordat echter het begrip van den engel door 100den wil van den engel zelf gericht wordt op kenbaarmaking aan den ander, wordt het begrip van den eenen engel kenbaar aan den anderen: en zoo spreekt de een tot den ander. Spreken toch is niets anders dan zijn begrip aan een ander kenbaar maken.99Leerstelling. — Onder de engelen wordt gesproken, maar zoals Gregorius zegt: “Het is billijk, dat als onze geest zich verheft boven de wijze van onze zintuigelijke spraak, tot de verheven en ongekende wijzen van de innerlijke spraak, hij maat houde”. Om dus te begrijpen, hoe de ene engel tot de andere spreekt, moet men bedenken, dat, zoals boven, toen we handelden over de daden en vermogens van de ziel, gezegd is (82e Kw. 4e Art.), de wil het verstand tot zijn daad beweegt. Het begrijpelijke is op drie manieren in ons verstand: eerstens habitueel, ofwel in het geheugen, zoals Augustinus zegt; ten tweede als actueel beschouwd of begrepen; ten derde als geordend tot iets anders. Het is echter duidelijk, dat het van de eersten naar de tweede graad wordt overgebracht door het wilsbevel: vandaar wordt in de definitie van hebbelijkheid gezegd: “wat men gebruikt als men wil”. Eveneens wordt het van de tweeden naar de derde graad overgebracht door de wil: want door de wil wordt het verstandsbegrip tot iets anders geordend bv. om iets te doen of aan een ander kenbaar te maken. — Wanneer echter de geest in zich keert om actueel te beschouwen, wat hij habitueel kent, spreekt hij tot zichzelf: want wat het verstand vat, wordt het innerlijk woord genoemd. Doordat echter het begrip van de engel door 100de wil van de engel zelf gericht wordt op kenbaarmaking aan de ander, wordt het begrip van de ene engel kenbaar aan de anderen: en zo spreekt de een tot de ander. Spreken toch is niets anders dan zijn begrip aan een ander kenbaar maken.
Ad primum ergo dicendum quod in nobis interior mentis conceptus quasi duplici obstaculo clauditur. Primo quidem, ipsa voluntate, quae conceptum intellectus potest retinere interius, vel ad extra ordinare. Et quantum ad hoc, mentem unius nullus alius potest videre nisi solus Deus; secundum illud 1. Cor. 2. [v. 11]: « Quae sunt hominis, nemo novit nisi spiritus hominis, qui in ipso est ». Secundo autem clauditur mens hominis ab alio homine per grossitiem corporis. Unde cum etiam voluntas ordinat conceptum mentis ad manifestandum alteri, non statim cognoscitur ab alio, sed oportet aliquod signum sensibile adhibere. Et hoc est, quod Gregorius dicit 2. Moral. [cap. 7.]: « Alienis oculis intra secretum mentis, quasi post parietem corporis stamus: sed cum manifestare nosmetipsos cupimus, quasi per linguae januam egredimur, ut quales sumus intrinsecus, ostendamus ». Hoc autem 101obstaculum non habet angelus. Et ideo quam cito vult manifestare suum conceptum, statim alius cognoscit.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Bij ons wordt de inwendige gedachte als door een dubbel beletsel versloten. Vooreerst door den wil zelf, die wat het verstand vat, inwendig kan vasthouden, ofwel op wat uitwendig is, richten. En wat dit aangaat, kan niemand dan alleen God iemands geest zien, naar het woord uit den Eersten Brief aan de Corinthiërs (2. 11): « De verborgenheden des menschen, kent niemand tenzij de geest des menschen, die in hem is ». — Vervolgens wordt de geest des menschen voor den ander gesloten door het lichaam. Vandaar dat ook als de wil, wat het verstand vat, richt op kenbaarmaking aan anderen, het nog niet onmiddellijk door den ander gekend wordt, maar het noodig is een zinnelijk waarneembaar teeken te gebruiken. En dit is wat Gregorius zegt: « Voor vreemde oogen staan we in het geheim van onzen geest als achter de muur van ons lichaam (verborgen); maar als we ons openbaren willen, gaan we als door de deur van onze tong naar buiten, om te toonen hoe we van binnen zijn ». Dit 101bezwaar heeft een engel niet. En dus zoodra hij zijn gedachte wil openbaren, kent de ander onmiddellijk.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Bij ons wordt de inwendige gedachte als door een dubbel beletsel versloten. Vooreerst door de wil zelf, die wat het verstand vat, inwendig kan vasthouden, ofwel op wat uitwendig is, richten. En wat dit aangaat, kan niemand dan alleen God iemands geest zien, naar het woord uit de Eerste Brief aan de Korintiërs (2, 11): “De verborgenheden van de mens, kent niemand tenzij de geest van de mens, die in hem is”. — Vervolgens wordt de geest van de mens voor de ander gesloten door het lichaam. Vandaar dat ook als de wil, wat het verstand vat, richt op kenbaarmaking aan anderen, het nog niet onmiddellijk door de ander gekend wordt, maar het nodig is een zinnelijk waarneembaar teken te gebruiken. En dit is wat Gregorius zegt: “Voor vreemde ogen staan we in het geheim van onze geest als achter de muur van ons lichaam (verborgen); maar als we ons openbaren willen, gaan we als door de deur van onze tong naar buiten, om te tonen hoe we van binnen zijn”. Dit 101bezwaar heeft een engel niet. En dus zodra hij zijn gedachte wil openbaren, kent de ander onmiddellijk.
Ad secundum dicendum quod locutio exterior quae fit per vocem, est nobis necessaria propter obstaculum corporis. Unde non convenit angelo, sed sola locutio interior; ad quam pertinet non solum quod loquatur sibi interius concipiendo, sed etiam quod ordinat per voluntatem ad alterius manifestationem. Et sic lingua angelorum metaphorice dicitur ipsa virtus angeli, qua conceptum suum manifestat.
2. De uitwendige spraak, die door de stem gebeurt, is ons noodzakelijk vanwege het lichamelijk bezwaar. Vandaar dat deze aan den engel niet toekomt, doch alleen de innerlijke spraak, waartoe niet alleen behoort, dat hij, begrijpend, tot zich zelf spreekt, maar evenzeer dat hij (zijn gedachte) door zijn wil richt op kenbaarmaking aan een ander. En zoo wordt het vermogen van den engel, waardoor hij zijn gedachte kenbaar maakt in beeldspraak taal genoemd.2. De uitwendige spraak, die door de stem gebeurt, is ons noodzakelijk vanwege het lichamelijk bezwaar. Vandaar dat deze aan de engel niet toekomt, doch alleen de innerlijke spraak, waartoe niet alleen behoort, dat hij, begrijpend, tot zichzelf spreekt, maar evenzeer dat hij (zijn gedachte) door zijn wil richt op kenbaarmaking aan een ander. En zo wordt het vermogen van de engel, waardoor hij zijn gedachte kenbaar maakt in beeldspraak taal genoemd.
Ad tertium dicendum quod, quantum ad angelos bonos, qui semper se invicem vident in Verbo, non esset necessarium ponere aliquid excitativum: quia sicut unus semper videt alium, ita semper videt in eo quidquid est ad se ordinatum. Sed quia etiam in statu naturae conditae sibi invicem loqui poterant, et mali etiam angeli nunc sibi invicem loquuntur; dicendum est quod, sicut sensus movetur a sensibili, ita intellectus movetur ab intelligibili. Sicut ergo per signum sensibile excitatur sensus, ita per aliquam virtutem intelligibilem potest excitari mens angeli ad attendendum.
3. Wat de goede engelen aangaat, die in het Woord elkander altijd zien, zou het niet noodig zijn een excitatief aan te nemen: want zooals de een den ander altijd ziet, zoo ziet hij ook altijd wat in dien ander tot hem geordend is. Maar omdat zij ook in de natuurstaat, waarin zij geschapen zijn, met elkander konden spreken, en de booze engelen ook nu met elkaar spreken, dient gezegd te worden, dat zooals het zintuig bewogen wordt door het zinnelijk waarneembare, zoo het verstand door het begrijpbare. Zooals dus door een zinnelijk waarneembaar teeken het zintuig opgewekt wordt, zoo kan door een verstandelijk vermogen de geest van een engel tot aandacht worden opgewekt.3. Wat de goede engelen aangaat, die in het Woord elkander altijd zien, zou het niet nodig zijn een excitatief aan te nemen: want zoals de een de ander altijd ziet, zo ziet hij ook altijd wat in die ander tot hem geordend is. Maar omdat zij ook in de natuurstaat, waarin zij geschapen zijn, met elkander konden spreken, en de boze engelen ook nu met elkaar spreken, dient gezegd te worden, dat zoals het zintuig bewogen wordt door het zinnelijk waarneembare, zo het verstand door het begrijpbare. Zoals dus door een zinnelijk waarneembaar teken het zintuig opgewekt wordt, zo kan door een verstandelijk vermogen de geest van een engel tot aandacht worden opgewekt.
Utrum inferior angelus superiori loquatur
Spreekt ook de lagere tot den hoogeren?Spreekt ook de lagere tot de hogeren?
102Ad secundum sic proceditur. Videtur quod inferior angelus superiori non loquatur. Quia super illud 1. Corint. 13. [v. 1]: « Si linguis hominum loquar, et angelorum », dicit Glossa [ord.] quod locutiones angelorum sunt illuminationes, quibus superiores illuminant inferiores. Sed inferiores numquam illuminant superiores, ut supra dictum est [q. praec. art. 3.]. Ergo nec inferiores superioribus loquuntur.
102Bedenkingen. — Men beweert, dat de lagere engel niet spreekt tot den hoogeren. — 1. Want bij den Eersten Brief aan de Corinthiërs (13. 1): « Al spreek ik de talen van menschen en engelen », zegt de Glossa, dat « de gesprekken der engelen verlichtingen zijn, waardoor de hoogere de lagere verlichten ». Maar de lagere verlichten nooit de hoogere, zooals gezegd is (106e Kw. 3e Art.). Dus spreken de lagere ook niet tot de hoogere.102Bedenkingen. — Men beweert, dat de lagere engel niet spreekt tot de hogeren. — 1. Want bij de Eerste Brief aan de Korintiërs (13, 1): “Al spreek ik de talen van mensen en engelen”, zegt de Glossa, dat “de gesprekken van de engelen verlichtingen zijn, waardoor de hogere de lagere verlichten”. Maar de lagere verlichten nooit de hogere, zoals gezegd is (106e Kw. 3e Art.). Dus spreken de lagere ook niet tot de hogere.
2. Praeterea, supra dictum est [q. praec. art. 1.] quod illuminare nihil est aliud quam illud quod est alicui manifestum, alteri manifestare. Et hoc idem est loqui. Ergo idem est loqui, et illuminare: et sic idem quod prius.
2. Boven is gezegd (106e Kw. 1e Art.), dat verlichten niets anders is, dan wat iemand bekend is, aan een ander bekend maken. Maar dit is hetzelfde als spreken. Dus hetzelfde is spreken en verlichten, en zoo volgt hetzelfde als boven.2. Boven is gezegd (106e Kw. 1e Art.), dat verlichten niets anders is, dan wat iemand bekend is, aan een ander bekend maken. Maar dit is hetzelfde als spreken. Dus hetzelfde is spreken en verlichten, en zo volgt hetzelfde als boven.
3. Praeterea, Gregorius dicit 2. Moral. [cap. 7.], quod « Deus ad angelos loquitur, eo ipso quod eorum cordibus occulta sua invisibilia ostendit ». Sed hoc ipsum est illuminare. Ergo omnis Dei locutio est illuminatio. 103Pari ergo ratione, omnis angeli locutio est illuminatio. Nullo ergo modo angelus inferior superiori loqui potest.
3. Gregorius zegt, dat « God tot de engelen spreekt door het feit zelf, dat Hij hun zijn verborgen en onzichtbare dingen toont ». Maar dit is verlichten. Dus al Gods spreken is verlichten. Om 103dezelfde reden is al het spreken der engelen verlichten. Op geen wijze kan dus de lagere engel tot den hoogeren spreken.3. Gregorius zegt, dat “God tot de engelen spreekt door het feit zelf, dat Hij hun zijn verborgen en onzichtbare dingen toont”. Maar dit is verlichten. Dus al Gods spreken is verlichten. Om 103dezelfde reden is al het spreken van de engelen verlichten. Op geen wijze kan dus de lagere engel tot de hogere spreken.
Sed contra est quod, sicut Dionysius exponit cap. 7. Coel. Hier., inferiores angeli superioribus dixerunt: « Quis est iste Rex gloriae? » [Psal. 23. v. 10].
Daartegenover staat echter, dat, zooals Dionysius uitlegt, de lagere engelen tot de hoogere zeiden: « Wie is die Koning der glorie? »Daartegenover staat echter, dat, zoals Dionysius uitlegt, de lagere engelen tot de hogere zeiden: “Wie is die Koning van de glorie?”
Respondeo dicendum quod angeli inferiores superioribus loqui possunt. Ad cujus evidentiam, considerandum est quod omnis illuminatio est locutio in angelis, sed non omnis locutio est illuminatio. Quia sicut dictum est [art. praec.] angelum loqui angelo nihil aliud est quam conceptum suum ordinare ad hoc ut ei innotescat, per propriam voluntatem. Ea vero quae mente concipiuntur, ad duplex principium referri possunt: scilicet ad ipsum Deum, qui est prima veritas; et1 voluntatem intelligentis, per quam aliquid actu consideramus. Quia vero veritas est lumen intellectus, et regula omnis veritatis est ipse Deus; manifestatio ejus quod mente concipitur, secundum quod dependet a prima veritate, et locutio est et illuminatio; puta 104si unus homo dicat alii, Coelum est a Deo creatum, vel, Homo est animal. Sed manifestatio eorum, quae dependent ex voluntate intelligentis, non potest dici illuminatio, sed locutio tantum; puta si aliquis alteri dicat, Volo hoc addiscere, Volo hoc vel illud facere. Cujus ratio est quia voluntas creata non est lux, nec regula veritatis, sed participans lucem: unde communicare ea quae sunt a voluntate creata, inquantum hujusmodi, non est illuminare. Non enim pertinet ad perfectionem intellectus mei, quid tu velis, vel quid tu intelligas, cognoscere: sed solum quid rei veritas habeat.
Leerstelling. — De lagere engelen kunnen tot de hoogere spreken. Tot klaarheid hiervan bedenke men, dat bij de engelen iedere verlichting spreken is, maar niet alle spreken is verlichten. Zooals immers gezegd is (in het vorig Art.), is het spreken van den eenen engel tot den anderen niets anders, dan door eigen wil zijn gedachte zoo ordenen, dat ze aan den ander bekend wordt. Wat we echter met het verstand vatten, kan tot een tweevoudig beginsel worden teruggebracht: tot God Zelf, die de eerste waarheid is; en tot den wil van den kenner, waardoor we daadwerkelijk iets begrijpen. Daar nu de waarheid het licht des verstands is, en de regel van iedere waarheid God Zelf, is de kenbaarmaking van hetgeen we begrijpen, voor zoover het van de eerste waarheid 104afhangt, én spreken én verlichten: b.v. wanneer de eene mensch tot den anderen zegt: « de hemel is door God geschapen », of: « de mensch is een dier ». De mededeeling echter van hetgeen van den wil van den kenner afhangt, kan men geen verlichting noemen, maar alleen spraak; b.v. als iemand een ander zegt: « Ik wil dit leeren », of: « ik wil dit of dat doen ». De reden hiervan is, dat de geschapen wil geen licht is, noch regel der waarheid, maar slechts deelachtig is aan het licht: daarom is de mededeeling van wat van den geschapen wil als zoodanig afhangt, geen verlichten. Het behoort immers niet tot de vervolmaking van mijn verstand te weten, wat gij wilt, of wat gij kent, maar uitsluitend wat de waarheid is.Leerstelling. — De lagere engelen kunnen tot de hogere spreken. Tot klaarheid hiervan bedenke men, dat bij de engelen iedere verlichting spreken is, maar niet alle spreken is verlichten. Zoals immers gezegd is (in het vorig Art.), is het spreken van de ene engel tot de andere niets anders, dan door eigen wil zijn gedachte zo ordenen, dat ze aan de ander bekend wordt. Wat we echter met het verstand vatten, kan tot een tweevoudig beginsel worden teruggebracht: tot God Zelf, die de eerste waarheid is; en tot de wil van de kenner, waardoor we daadwerkelijk iets begrijpen. Daar nu de waarheid het licht van het verstand is, en de regel van iedere waarheid God Zelf, is de kenbaarmaking van hetgeen we begrijpen, voor zover het van de eerste waarheid 104afhangt, én spreken én verlichten: bv. wanneer de ene mens tot de andere zegt: “de hemel is door God geschapen”, of: “de mens is een dier”. De mededeling echter van hetgeen van de wil van de kenner afhangt, kan men geen verlichting noemen, maar alleen spraak; bv. als iemand een ander zegt: “Ik wil dit leren”, of: “ik wil dit of dat doen”. De reden hiervan is, dat de geschapen wil geen licht is, noch regel van de waarheid, maar slechts deelachtig is aan het licht: daarom is de mededeling van wat van de geschapen wil als zodanig afhangt, geen verlichten. Het behoort immers niet tot de vervolmaking van mijn verstand te weten, wat gij wilt, of wat gij kent, maar uitsluitend wat de waarheid is.
Manifestum est autem quod angeli dicuntur superiores vel inferiores per comparationem ad hoc principium quod est Deus. Et ideo illuminatio, quae dependet a principio quod est Deus, solum per superiores angelos ad inferiores deducitur. Sed in ordine ad principium quod est voluntas, ipse volens est primus et supremus. Et ideo manifestatio eorum quae ad voluntatem pertinent, per ipsum volentem deducitur ad alios quoscumque. Et quantum ad hoc, et superiores inferioribus, et inferiores superioribus loquuntur.
Nu is het klaar, dat de engelen hooger of lager genoemd worden in vergelijking met het beginsel, dat God is. En daarom wordt de verlichting, die afhangt van het beginsel, dat God is, door de hoogere engelen tot de lagere gebracht. Maar in vergelijking tot het beginsel, dat de wil is, is de willer zelf het eerste en hoogste. En derhalve wordt wat op den wil betrekking heeft, door den willer zelf aan anderen, wie dan ook, bekend gemaakt. En wat dit aangaat spreken de hoogeren tot de lageren, en de lageren tot de hoogeren.Nu is het klaar, dat de engelen hoger of lager genoemd worden in vergelijking met het beginsel, dat God is. En daarom wordt de verlichting, die afhangt van het beginsel, dat God is, door de hogere engelen tot de lagere gebracht. Maar in vergelijking tot het beginsel, dat de wil is, is de willer zelf het eerste en hoogste. En derhalve wordt wat op de wil betrekking heeft, door de willer zelf aan anderen, wie dan ook, bekend gemaakt. En wat dit aangaat spreken de hogeren tot de lageren, en de lageren tot de hogeren.
105Et per hoc patet solutio ad primum et ad secundum.
105Antwoord op de Bedenkingen. — Het antwoord op de eerste en tweede bedenking blijkt uit het bovenstaande.
Ad tertium dicendum quod omnis Dei locutio ad angelos est illuminatio: quia cum voluntas Dei sit regula veritatis, etiam scire quid Deus velit, pertinet ad perfectionem et illuminationem mentis creatae. Sed non est eadem ratio de voluntate angeli, ut dictum est [in corp.].
3. Ieder gesprek van God tot de engelen is een verlichting: want, daar de Wil van God de regel der waarheid is, behoort ook het weten van wat God wil tot de vervolmaking en verlichting van het geschapen verstand. Maar deze grond geldt niet voor den wil van den engel, zooals gezegd is (in de leerstelling).3. Ieder gesprek van God tot de engelen is een verlichting: want, daar de Wil van God de regel van de waarheid is, behoort ook het weten van wat God wil tot de vervolmaking en verlichting van het geschapen verstand. Maar deze grond geldt niet voor de wil van de engel, zoals gezegd is (in de leerstelling).
Utrum angelus Deo loquatur
Spreekt de engel ook tot God?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod angelus Deo non loquatur. Locutio enim est ad manifestandum aliquid alteri. Sed angelus nihil potest manifestare Deo, qui omnia novit. Ergo angelus non loquitur Deo.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de engel niet tot God spreekt. — 1. De spraak dient om aan een ander iets bekend te maken. Maar de engel kan niets bekend maken aan God, die alles weet. Dus spreekt de engel niet tot God.
2. Praeterea, loqui est ordinare conceptum intellectus ad alterum, ut dictum est [art. 1.]. Sed angelus semper conceptum suae mentis ordinat in Deum. Si ergo aliquando Deo loquitur, semper Deo loquitur: quod potest 106videri aliquibus1 inconveniens, cum aliquando angelus angelo loquatur. Videtur ergo quod angelus numquam loquatur Deo.
2. Spreken is, zooals gezegd is (1e Art.), zijn gedachten richten op een ander. Maar de engel richt altijd zijn gedachten op God. Als hij dus soms tot God spreekt, spreekt hij altijd tot 106God; wat sommigen onjuist kan toeschijnen, daar de engel soms tot een anderen engel spreekt. Het schijnt dus, dat de engel nooit tot God spreekt.2. Spreken is, zoals gezegd is (1e Art.), zijn gedachten richten op een ander. Maar de engel richt altijd zijn gedachten op God. Als hij dus soms tot God spreekt, spreekt hij altijd tot 106God; wat sommigen onjuist kan toeschijnen, daar de engel soms tot een anderen engel spreekt. Het schijnt dus, dat de engel nooit tot God spreekt.
Sed contra est quod dicitur Zachar. 1. [v. 12]: « Respondit angelus Deo2, et dixit: Domine exercituum, usquequo non misereberis Jerusalem? » Loquitur ergo angelus Deo.
Daartegenover staat echter, wat bij Zacharias gezegd wordt (1. 12): « De engel des Heeren antwoordde en zeide: Heer der Heerscharen, hoe lang nog zult Gij U over Jerusalem niet erbarmen? » De engel spreekt dus tot God.Daartegenover staat echter, wat bij Zacharias gezegd wordt (1, 12): “De engel van de Heer antwoordde en zeide: Heer van de Heerscharen, hoe lang nog zult Gij U over Jerusalem niet erbarmen?” De engel spreekt dus tot God.
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est [art. 1. 2.], locutio angeli est per hoc, quod conceptio3 mentis ordinatur ad alterum. Sed aliquid ordinatur ad alterum dupliciter. Uno modo, ad hoc quod communicet alteri; sicut in rebus naturalibus agens ordinatur ad patiens, et in locutione humana doctor ordinatur ad discipulum. Et quantum ad hoc, nullo modo angelus loquitur Deo, neque de his quae ad rerum veritatem pertinent, neque de his quae dependet a voluntate creata: quia Deus est omnis veritatis et omnis 107voluntatis principium et conditor. Alio modo, ordinatur aliquid ad alterum, ut ab eo aliquid accipiat; sicut in rebus naturalibus passivum ad agens, et in locutione humana discipulus ad magistrum. Et hoc modo angelus loquitur Deo, vel consultando divinam voluntatem de agendis; vel ejus excellentiam quam numquam comprehendit. admirando; sicut Gregorius dicit 2. Moral. [cap. 7.], quod « angeli loquuntur Deo, cum per hoc quod super semetipsos respiciunt, in motum admirationis surgunt ».
Leerstelling. — Het spreken van den engel geschiedt, zooals gezegd is (1e en 2e Art.), hierdoor, dat hij zijn gedachten richt op een ander. Maar iets wordt op twee manieren op een ander gericht; vooreerst, om aan den ander mede te deelen, zooals in de natuurlijke dingen de werkoorzaak gericht wordt op het voorwerp van de werking, en bij de menschelijke gesprekken, de leeraar gericht wordt op den leerling. En wat dit aangaat, spreekt de engel op geen enkele manier tot God, noch met betrekking tot de waarheid, noch met betrekking tot hetgeen van een geschapen wil afhankelijk is; want God is beginsel en schepper van iedere waarheid en iederen 107wil. — Vervolgens wordt iets op een ander gericht om iets van hem te ontvangen, zooals in de natuurlijke dingen het voorwerp der werking op de werkoorzaak, en bij menschelijke gesprekken, de leerling op den leeraar. En op deze manier spreekt de engel tot God, hetzij door den goddelijken Wil te raadplegen over hetgeen hem te doen staat; hetzij Gods Uitnemendheid, die hij nooit doorgrondt, bewonderend, zooals Gregorius zegt, dat « de engelen tot God spreken, wanneer zij door hetgeen zij over zichzelf zien, in bewondering opgaan ».Leerstelling. — Het spreken van de engel geschiedt, zoals gezegd is (1e en 2e Art.), hierdoor, dat hij zijn gedachten richt op een ander. Maar iets wordt op twee manieren op een ander gericht; vooreerst, om aan de ander mede te delen, zoals in de natuurlijke dingen de werkoorzaak gericht wordt op het voorwerp van de werking, en bij de menselijke gesprekken, de leraar gericht wordt op de leerling. En wat dit aangaat, spreekt de engel op geen enkele manier tot God, noch met betrekking tot de waarheid, noch met betrekking tot hetgeen van een geschapen wil afhankelijk is; want God is beginsel en schepper van iedere waarheid en iederen 107wil. — Vervolgens wordt iets op een ander gericht om iets van hem te ontvangen, zoals in de natuurlijke dingen het voorwerp van de werking op de werkoorzaak, en bij menselijke gesprekken, de leerling op de leraar. En op deze manier spreekt de engel tot God, hetzij door de goddelijke Wil te raadplegen over hetgeen hem te doen staat; hetzij Gods Uitnemendheid, die hij nooit doorgrondt, bewonderend, zoals Gregorius zegt, dat “de engelen tot God spreken, wanneer zij door hetgeen zij over zichzelf zien, in bewondering opgaan”.
Ad primum ergo dicendum quod locutio non semper est ad manifestandum alteri; sed quandoque ad hoc ordinatur finaliter, ut loquenti aliquid manifestetur; sicut cum discipulus quaerit aliquid a magistro.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Spreken dient niet altijd om een ander iets bekend te maken, maar is soms uiteindelijk hierop gericht, dat den spreker iets bekend gemaakt wordt, zooals wanneer de leerling iets aan den leeraar vraagt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Spreken dient niet altijd om een ander iets bekend te maken, maar is soms uiteindelijk hierop gericht, dat de spreker iets bekend gemaakt wordt, zoals wanneer de leerling iets aan de leraar vraagt.
Ad secundum dicendum quod locutione qua angeli loquuntur Deo laudantes ipsum et admirantes, semper angeli Deo loquuntur. Sed locutione qua ejus sapientiam consulunt super agendis, tunc ei loquuntur, quando aliquod novum per eos agendum occurrit, super quo desiderant illuminari.
2. Wat aangaat het spreken, waardoor de engelen lovend en bewonderend tot God spreken, spreken zij altijd tot Hem; maar wat aangaat het spreken, waardoor zij zijn Wijsheid raadplegen over hetgeen te doen is, spreken zij slechts dan tot Hem, wanneer hun iets nieuws te doen staat, waarover zij wenschen verlicht te worden.2. Wat aangaat het spreken, waardoor de engelen lovend en bewonderend tot God spreken, spreken zij altijd tot Hem; maar wat aangaat het spreken, waardoor zij zijn Wijsheid raadplegen over hetgeen te doen is, spreken zij slechts dan tot Hem, wanneer hun iets nieuws te doen staat, waarover zij wensen verlicht te worden.
Utrum localis distantia operetur aliquid in locutione angelica
Doet plaatselijke afstand iets af aan de gesprekken der engelen?Doet plaatselijke afstand iets af aan de gesprekken van de engelen?
108Ad quartum sic proceditur. Videtur quod localis distantia operetur aliquid in locutione angelica. Sicut enim dicit Damascenus [lib. 2. Orth. Fid. cap. 3. et lib. 1. cap. 13.]: « Angelus, ubi est, ibi operatur ». Locutio autem est quaedam operatio angeli. Cum ergo angelus sit in determinato loco, videtur quod usque ad determinatam loci distantiam angelus loqui possit.
108Bedenkingen. — Men beweert, dat plaatselijke afstand iets afdoet aan de gesprekken der engelen. — 1. Zooals immers Damascenus zegt: « De engel werkt waar hij is ». Spreken is een werking van den engel. Daar dus de engel op een bepaalde plaats is, schijnt de engel slechts te kunnen spreken tot op bepaalden afstand van deze plaats.108Bedenkingen. — Men beweert, dat plaatselijke afstand iets afdoet aan de gesprekken van de engelen. — 1. Zoals immers Damascenus zegt: “De engel werkt waar hij is”. Spreken is een werking van de engel. Daar dus de engel op een bepaalde plaats is, schijnt de engel slechts te kunnen spreken tot op bepaalden afstand van deze plaats.
2. Praeterea, clamor loquentis fit propter distantiam audientis. Sed Isa. 6. [v. 3] dicitur de Seraphim, quod « clamabat alter ad alterum ». Ergo videtur quod in locutione angelorum aliquid operetur localis distantia.
2. Het roepen van een spreker gebeurt om den afstand van den hoorder. Maar bij Isaïas (6. 3) wordt van de Serafijnen gezegd, dat « de een tot den ander riep ». Het schijnt dus wel, dat de afstand iets afdoet aan het spreken der engelen.2. Het roepen van een spreker gebeurt om de afstand van de hoorder. Maar bij Jesaja (6, 3) wordt van de Serafijnen gezegd, dat “de een tot de ander riep”. Het schijnt dus wel, dat de afstand iets afdoet aan het spreken van de engelen.
Sed contra est quod, sicut dicitur Luc. 16. [v. 24], dives in inferno positus loquebatur Abrahae, non impediente locali distantia. Multo igitur minus localis distantia potest impedire locutionem unius angeli ad alterum.
Daartegenover staat echter, dat bij Lucas (16. 24) gezegd wordt, dat de rijkaard in de hel sprak tot Abraham, zonder dat de plaatselijke afstand dit belette. Veel minder dus kan plaatselijke afstand het spreken van den eenen tot den anderen engel beletten.Daartegenover staat echter, dat bij Lukas (16, 24) gezegd wordt, dat de rijkaard in de hel sprak tot Abraham, zonder dat de plaatselijke afstand dit belette. Veel minder dus kan plaatselijke afstand het spreken van de ene tot de andere engel beletten.
109Respondeo dicendum quod locutio angeli in intellectuali operatione consistit, ut ex dictis patet [art. 1. 2. et 3.]. Intellectualis autem operatio angeli omnino abstracta est a loco et tempore: natura1 etiam nostra intellectualis operatio est per abstractionem ab hic et nunc, nisi per accidens ex parte phantasmatum, quae in angelis nulla sunt. In eo autem quod est omnino abstractum a loco et tempore, nihil operatur neque temporis diversitas, neque loci distantia. Unde in locutione angeli nullum impedimentum facit distantia loci.
109Leerstelling. — Het spreken van een engel bestaat, zooals uit wat gezegd is (1e, 2e en 3e Art.) duidelijk is, in een verstandswerking. De verstandswerking van een engel staat echter absoluut los van plaats en tijd: want ook onze verstandswerking is vrij van hier en nu, tenzij bijkomstig van den kant der fantasiebeelden, die echter in de engelen niet zijn. Aan alles echter, wat absoluut onttrokken is aan plaats en tijd, kan noch verschil van tijd, noch plaatselijke afstand iets afdoen. Vandaar dat plaatselijke afstand geen beletsel vormt bij het spreken van een engel.109Leerstelling. — Het spreken van een engel bestaat, zoals uit wat gezegd is (1e, 2e en 3e Art.) duidelijk is, in een verstandswerking. De verstandswerking van een engel staat echter absoluut los van plaats en tijd: want ook onze verstandswerking is vrij van hier en nu, tenzij bijkomstig van de kant van de fantasiebeelden, die echter in de engelen niet zijn. Aan alles echter, wat absoluut onttrokken is aan plaats en tijd, kan noch verschil van tijd, noch plaatselijke afstand iets afdoen. Vandaar dat plaatselijke afstand geen beletsel vormt bij het spreken van een engel.
Ad primum ergo dicendum quod locutio angeli, sicut dictum est [art. 1. ad 2.], est locutio interior, quae tamen ab alio percipitur: et ideo est in angelo loquente, et per consequens ubi est angelus loquens. Sed sicut distantia localis non impedit quin unus angelus alium videre possit; ita etiam non impedit, quin percipiat quod in eo ad se ordinatur, quod est ejus locutionem percipere.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het spreken van een engel is, zooals gezegd is (1e Art., 2e Antw.), een innerlijk spreken, dat echter door den ander wordt waargenomen: vandaar is het in den sprekenden engel, en bijgevolg waar de sprekende engel is. Maar zooals plaatselijke afstand niet belet, dat de eene engel den ander zien kan, zoo belet die ook niet, dat hij in dien ander ziet wat tot hem geordend wordt: en dit is zijn spreken verstaan.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het spreken van een engel is, zoals gezegd is (1e Art., 2e Antw.), een innerlijk spreken, dat echter door de ander wordt waargenomen: vandaar is het in de sprekende engel, en bijgevolg waar de sprekende engel is. Maar zoals plaatselijke afstand niet belet, dat de ene engel de ander zien kan, zo belet die ook niet, dat hij in die ander ziet wat tot hem geordend wordt: en dit is zijn spreken verstaan.
Ad secundum dicendum quod clamor ille non est vocis corporeae, quae 110fit propter distantiam loci; sed significat magnitudinem rei, quae dicebatur, vel magnitudinem effectus, secundum quod dicit Gregorius 2. Moral. [cap. 7.]: « Tanto quisque minus clamat, quanto minus desiderat ».
2. Dat roepen is niet van een stoffelijke stem, wat vanwege den 110afstand gebeurt; maar beteekent het gewicht der zaak die gezegd werd, of de diepte van het gemoed, naar hetgeen Gregorius zegt: « Eenieder roept des te minder naar mate hij minder verlangt ».2. Dat roepen is niet van een stoffelijke stem, wat vanwege de 110afstand gebeurt; maar betekent het gewicht van de zaak die gezegd werd, of de diepte van het gemoed, naar hetgeen Gregorius zegt: “Eenieder roept des te minder naar mate hij minder verlangt”.
Utrum locutionem unius angeli ad alterum omnes cognoscant
Verstaan allen het spreken van den eenen engel tot den anderen?Verstaan allen het spreken van de ene engel tot de anderen?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod locutionem unius angeli ad alterum omnes cognoscant. Quod enim unius hominis locutionem non omnes audiant, facit inaequalis loci distantia. Sed in locutione angeli nihil operatur localis distantia, ut dictum est [art. praec.]. Ergo uno angelo loquente ad alterum, omnes percipiunt.
Bedenkingen. — Men beweert, dat allen het gesprek van den eenen engel met den anderen kennen. — 1. Dat immers niet allen het spreken van een mensch verstaan komt van den ongelijken afstand. Maar bij het spreken der engelen doet de afstand niets. Dus als de eene engel tot den anderen spreekt, verstaan allen het.Bedenkingen. — Men beweert, dat allen het gesprek van de ene engel met de andere kennen. — 1. Dat immers niet allen het spreken van een mens verstaan komt van de ongelijke afstand. Maar bij het spreken van de engelen doet de afstand niets. Dus als de ene engel tot de andere spreekt, verstaan allen het.
2. Praeterea, omnes angeli communicant in virtute intelligendi. Si ergo conceptus mentis unius ordinatus ad alterum cognoscitur ab uno, pari ratione cognoscitur ab aliis.
2. Alle engelen deelen in begripsvermogen. Als dus de gedachten van den een, die op een ander gericht zijn, door één engel gekend worden, dan ook op denzelfden grond door andere.2. Alle engelen delen in begripsvermogen. Als dus de gedachten van de een, die op een ander gericht zijn, door één engel gekend worden, dan ook op dezelfde grond door andere.
3. Praeterea, illuminatio est quaedam species locutionis. Sed illuminatio unius angeli ab altero, pervenit ad omnes angelos: quia, ut Dionysius dicit 11115. Coel. Hier.: « Unaquaeque coelestis essentia intelligentiam sibi traditam aliis communicat ». Ergo et locutio unius angeli ad alterum, ad omnes perducitur.
3. Verlichting is een soort van spreken. Maar de verlichting van den eenen engel door den anderen, gaat tot alle engelen, want 111Dionysius zegt: « Ieder hemelsch wezen deelt de hem geschonken kennis aan anderen mede ». Dus komt ook het gesprek van den eenen engel met den anderen tot allen.3. Verlichting is een soort van spreken. Maar de verlichting van de ene engel door de anderen, gaat tot alle engelen, want 111Dionysius zegt: “Ieder hemels wezen deelt de hem geschonken kennis aan anderen mede”. Dus komt ook het gesprek van de ene engel met de anderen tot allen.
Sed contra est quod unus homo potest alteri soli loqui. Multo igitur magis hoc in angelis esse potest.
Daartegenover staat echter, dat een mensch tot één alleen kan spreken. Veel meer kan dit dus bij de engelen het geval zijn.Daartegenover staat echter, dat een mens tot één alleen kan spreken. Veel meer kan dit dus bij de engelen het geval zijn.
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est [art. 1. 2.], conceptus mentis unius angeli percipi potest ab altero, per hoc quod ille cujus est conceptus, sua voluntate ordinat ipsum ad alterum. Potest autem ex aliqua causa ordinari aliquid ad unum, et non ad alterum. Et ideo potest conceptus unius ab aliquo uno cognosci, et non ab aliis. Et sic locutionem unius angeli ad alterum potest percipere unus absque aliis, non quidem impediente distantia locali, sed hoc faciente voluntaria ordinatione, ut dictum est.
Leerstelling. — De gedachte van den eenen engel kan zooals boven gezegd is (1e en 2e Art.), door den ander gezien worden, doordat degene van wien die gedachte is, ze door zijn wil richt tot dien ander. Er kan echter een reden voor zijn, dat iets tot den één gericht wordt en niet tot den ander. En zoo kan de gedachte van een engel door één anderen gekend worden, en niet door de overige. En zoo kan het spreken van den eenen engel tot den anderen alleen door dien anderen worden waargenomen, en niet door de overige; niet alsof de plaatselijke afstand dit belemmerde, maar, zooals gezegd, de wilsordening (van den sprekenden engel).Leerstelling. — De gedachte van de ene engel kan zoals boven gezegd is (1e en 2e Art.), door de ander gezien worden, doordat degene van wie die gedachte is, ze door zijn wil richt tot die ander. Er kan echter een reden voor zijn, dat iets tot de één gericht wordt en niet tot de ander. En zo kan de gedachte van een engel door één anderen gekend worden, en niet door de overige. En zo kan het spreken van de ene engel tot de andere alleen door die anderen worden waargenomen, en niet door de overige; niet alsof de plaatselijke afstand dit belemmerde, maar, zoals gezegd, de wilsordening (van de sprekende engel).
Unde patet responsio ad primum et ad secundum.
Antwoord op de Bedenkingen. — Het antwoord op de eerste en tweede bedenking blijkt uit het gezegde.
112Ad tertium dicendum quod illuminatio est de his quae emanant a prima regula veritatis, quae est principium commune omnium angelorum: et ideo illuminationes sunt omnibus communes. Sed locutio potest esse de his quae ordinantur ad principium voluntatis creatae, quod est proprium unicuique angelo: et ideo non oportet quod hujusmodi locutiones sint omnibus communes.
1123. Verlichting geschiedt met betrekking tot alles wat voortvloeit van den eersten regel der waarheid, die het universeele beginsel is van alle engelen: en daarom zijn de verlichtingen aan allen gemeen. Maar een gesprek kan gaan over dingen, die geordend zijn tot het beginsel van den geschapen wil, die iederen engel eigen is: en dus behoeven dergelijke gesprekken niet aan allen gemeen te zijn.1123. Verlichting geschiedt met betrekking tot alles wat voortvloeit van de eerste regel van de waarheid, die het universele beginsel is van alle engelen: en daarom zijn de verlichtingen aan allen gemeen. Maar een gesprek kan gaan over dingen, die geordend zijn tot het beginsel van de geschapen wil, die iederen engel eigen is: en dus behoeven dergelijke gesprekken niet aan allen gemeen te zijn.