Theologische Summa · Deel XIII · Over de Hoop en de LiefdeSumma · Deel XIII · Over de Hoop en de LiefdeSumma · Deel XIIIDeel XIII

Deel XIII · Over de Hoop en de Liefde

P. II-II, q. 17–27 · Antwerpen, Geloofsverdediging, 1943

  1. Kw. 17 Over de deugd van hoop op zichzelf beschouwd
    1. Art. 1 Is de hoop een deugd?
    2. Art. 2 Is de eeuwige zaligheid het eigen voorwerp van de hoop?
    3. Art. 3 Kan men de eeuwige zaligheid voor een ander hopen?
    4. Art. 4 Is het gegrond op menschen te hopen?Is het gegrond op mensen te hopen?
    5. Art. 5 Is de hoop een goddelijke deugd?
    6. Art. 6 Is de hoop als deugd, onderscheiden van de andere goddelijke deugden.
    7. Art. 7 Gaat de hoop het geloof vooraf?
    8. Art. 8 Gaat de liefde de hoop vooraf?
  2. Kw. 18 Over den zetel der hoopOver de zetel van de hoop
    1. Art. 1 Is de wil, de zetel van de hoop?
    2. Art. 2 Bezitten de gelukzaligen de hoop?
    3. Art. 3 Hopen de verdoemden?
    4. Art. 4 Is de hoop van hen die op aarde leven, een zekerheid?
  3. Kw. 19 Over de gave van vrees
    1. Art. 1 Moet men God vreezen?Moet men God vrezen?
    2. Art. 2 Is de indeeling van de vrees in : kinderlijke vrees, aanvangsvrees, slaafsche en wereldsche vrees, juist?Is de indeling van de vrees in: kinderlijke vrees, aanvangsvrees, slaafse en wereldse vrees, juist?
    3. Art. 3 Is de wereldsche vrees altijd slecht?Is de wereldse vrees altijd slecht?
    4. Art. 4 Is de slaafsche vrees goed?Is de slaafse vrees goed?
    5. Art. 5 Zijn de slaafsche en de kinderlijke vrees wezenlijk hetzelfde?Zijn de slaafse en de kinderlijke vrees wezenlijk hetzelfde?
    6. Art. 6 Kan de slaafsche vrees samen bestaan met de liefde?Kan de slaafse vrees samen bestaan met de liefde?
    7. Art. 7 Is de vrees het begin van de wijsheid?
    8. Art. 8 Is de aanvangsvrees wezenlijk onderscheiden van de kinderlijke vrees?
    9. Art. 9 Is de vrees een gave van den H. Geest?Is de vrees een gave van de H. Geest?
    10. Art. 10 Vermindert de vrees wanneer de liefde groeit?
    11. Art. 11 Blijft de vrees voortbestaan in den hemel?Blijft de vrees voortbestaan in de hemel?
    12. Art. 12 Beantwoordt de zaligspreking : « Zalig de armen van geest », aan de gave van vrees?Beantwoordt de zaligspreking: “Zalig de armen van geest”, aan de gave van vrees?
  4. Kw. 20 Over de wanhoop
    1. Art. 1 Is wanhoop zonde?
    2. Art. 2 Is wanhoop mogelijk zonder ongeloof?
    3. Art. 3 Is de wanhoop de zwaarste zonde?
    4. Art. 4 Is de traagheid oorzaak van de wanhoop?
  5. Kw. 21 Over het vermetel vertrouwen
    1. Art. 1 Steunt het vermetel vertrouwen of God of op eigen vermogen?
    2. Art. 2 Is vermetel vertrouwen zonde?
    3. Art. 3 Is het vermetel vertrouwen meer tegengesteld aan de vrees dan aan de hoop?
    4. Art. 4 Wordt het vermetel vertrouwen door de ijdele glorie veroorzaakt?
  6. Kw. 22 Over de geboden, betreffende de hoop en de vrees
    1. Art. 1 Moest er een gebod gegeven worden betreffende de hoop?
    2. Art. 2 Moest er een gebod gegeven worden betreffende de vrees?
  7. Kw. 23 Over de liefde op zichzelf beschouwd
    1. Art. 1 Is de liefde een vriendschap?
    2. Art. 2 Is de liefde iets geschapen in de ziel?
    3. Art. 3 Is de liefde een deugd?
    4. Art. 4 Is de liefde een afzonderlijke deugd?
    5. Art. 5 Is de liefde één enkele deugd?
    6. Art. 6 Is de liefde de uitmuntendste onder de deugden?
    7. Art. 7 Is de ware deugd mogelijk zonder de liefde?
    8. Art. 8 Is de liefde de vorm van de deugden?
  8. Kw. 24 Over den zetel der liefdeOver de zetel van de liefde
    1. Art. 1 Is de wil de zetel der liefde?Is de wil de zetel van de liefde?
    2. Art. 2 Wordt de liefde in ons ingestort?
    3. Art. 3 Wordt de liefde ingestort volgens de ontvankelijkheid van de natuurlijke vermogens?
    4. Art. 4 Kan de liefde aangroeien?
    5. Art. 5 Vermeerdert de liefde door toevoeging?
    6. Art. 6 Vermeerdert de liefde door elke liefdedaad?
    7. Art. 7 Kan de liefde tot in het oneindige vermeerderen?
    8. Art. 8 Kan de liefde hier op aarde volmaakt zijn?
    9. Art. 9 Is het passend drie graden in de liefde te onderscheiden : de graad van de beginnende, van de toenemende, en van de volmaakte liefde?Is het passend drie graden in de liefde te onderscheiden: de graad van de beginnende, van de toenemende, en van de volmaakte liefde?
    10. Art. 10 Kan de liefde verminderen?
    11. Art. 11 Kan men de liefde, wanneer men ze eenmaal bezit, verliezen?
    12. Art. 12 Verliest men de liefde door één enkele doodzonde?
  9. Kw. 25 Over het voorwerp van de liefde
    1. Art. 1 Beperkt zich de genegenheid der liefde tot God, of strekt ze zich ook uit tot den evenmensch?Beperkt zich de genegenheid van de liefde tot God, of strekt ze zich ook uit tot de evenmens?
    2. Art. 2 Moet men de liefde zelf uit liefde beminnen?
    3. Art. 3 Moet men ook de redelooze schepselen uit liefde beminnen?Moet men ook de redeloze schepselen uit liefde beminnen?
    4. Art. 4 Moet de mensch zichzelf uit liefde beminnen?Moet de mens zichzelf uit liefde beminnen?
    5. Art. 5 Moet men zijn lichaam uit liefde beminnen?
    6. Art. 6 Moet men de zondaars uit liefde beminnen?
    7. Art. 7 Beminnen de zondaars zichzelf?
    8. Art. 8 Vergt de liefde dat men de vijanden bemint?
    9. Art. 9 Vergt de liefde dat men zijn vijand bijzondere teekens en bewijzen van genegenheid zou geven?Vergt de liefde dat men zijn vijand bijzondere tekens en bewijzen van genegenheid zou geven?
    10. Art. 10 Moet men de engelen uit liefde beminnen?
    11. Art. 11 Moeten we de duivelen uit liefde beminnen?
    12. Art. 12 Is het juist te spreken van een viervoudig voorwerp der liefde, nl. God, de evenmensch, ons eigen lichaam, en onszelf?Is het juist te spreken van een viervoudig voorwerp van de liefde, nl. God, de evenmens, ons eigen lichaam, en onszelf?
  10. Kw. 26 Over de rangorde der liefdeOver de rangorde van de liefde
    1. Art. 1 Is er een rangorde in de liefde?
    2. Art. 2 Moet men God meer beminnen dan den evenmensch?Moet men God meer beminnen dan de evenmens?
    3. Art. 3 Moet de mensch God meer beminnen uit liefde dan zichzelf?Moet de mens God meer beminnen uit liefde dan zichzelf?
    4. Art. 4 Moet men zichzelf meer beminnen uit liefde, dan de evenmensch?Moet men zichzelf meer beminnen uit liefde, dan de evenmens?
    5. Art. 5 Moet men den evenmensch meer beminnen dan zijn eigen lichaam?Moet men de evenmens meer beminnen dan zijn eigen lichaam?
    6. Art. 6 Moet men den eenen mensch meer beminnen dan den andere?Moet men de ene mens meer beminnen dan de andere?
    7. Art. 7 Moet men de volmaakten meer beminnen dan zijn eigen verwanten?
    8. Art. 8 Moet men zijn bloedverwanten het meest beminnen?
    9. Art. 9 Moet men uit liefde meer zijn zoon beminnen dan zijn vader?
    10. Art. 10 Moet men zijn moeder meer beminnen dan zijn vader?
    11. Art. 11 Moet men zijn echtgenoote meer beminnen dan zijn vader en moeder?Moet men zijn echtgenote meer beminnen dan zijn vader en moeder?
    12. Art. 12 Moet men een weldoener meer beminnen dan iemand wiens weldoener men zelf is?
    13. Art. 13 Blijft de rangorde der liefde in den hemel gehandhaafd?Blijft de rangorde van de liefde in de hemel gehandhaafd?
  11. Kw. 27 Over de voornaamste daad der liefde, nl. het beminnenOver de voornaamste daad van de liefde, nl. het beminnen
    1. Art. 1 Wat is aan de liefde meer eigen : bemind worden of beminnen?Wat is aan de liefde meer eigen: bemind worden of beminnen?
    2. Art. 2 Is beminnen, als daad van de liefde, hetzelfde als welwillendheid?
    3. Art. 3 Moet men God om Hemzelf uit liefde beminnen?
    4. Art. 4 Kan men God, tijdens dit leven, op onmiddellijke wijze beminnen?
    5. Art. 5 Kan God algeheel bemind worden?
    6. Art. 6 Moet men in de liefde tot God een zekere maat in acht nemen?
    7. Art. 7 Is het verdienstelijker een vijand te beminnen dan een vriend?
    8. Art. 8 Is het verdienstelijker den evenmensch te beminnen dan God?Is het verdienstelijker de evenmens te beminnen dan God?