De falsitate
Over de valschheidOver de valsheid
481Deinde quaeritur de Falsitate.
481[De vertaling van «Deinde quaeritur de Falsitate» ontbreekt in de uitgave.]481[De vertaling van “Deinde quaeritur de Falsitate” ontbreekt in de uitgave.]
Et circa hoc quaeruntur quatuor : 1. Utrum falsitas sit in rebus. — 2. Utrum sit in sensu. — 3. Utrum sit in intellectu. — 4. De oppositione veri, et falsi.
1.) Is er valschheid in de dingen? 2.) Is er valschheid in het verstand? 3.) Is er valschheid in het verstand? 4.) Zijn waar en valsch tegengesteld aan elkaar?1.) Is er valsheid in de dingen? 2.) Is er valsheid in het verstand? 3.) Is er valsheid in het verstand? 4.) Zijn waar en vals tegengesteld aan elkaar?
Utrum falsitas sit in rebus
Is er valschheid in de dingen?Is er valsheid in de dingen?
Ad primum sic proceditur. Videtur, quod falsitas non sit in rebus. Dicit enim Augustinus in lib. 2. Soliloq. [cap. 8] : « Si verum est id, quod est, falsum non esse uspiam concludetur, quovis repugnante. »
Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat er geen valschheid in de dingen is. Augustinus zegt immers in het IIe Boek der Alleenspraken (VIIIe H.) : « Indien het ware datgene is wat is, moet men aannemen, dat het valsche niet is, wie zich daar ook tegen verzet. »Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat er geen valsheid in de dingen is. Augustinus zegt immers in het 2e Boek van de Alleenspraken (8e H.): “Indien het ware datgene is wat is, moet men aannemen, dat het valse niet is, wie zich daar ook tegen verzet.”
4822. Praeterea, falsum dicitur a fallendo : sed res non fallunt, ut dicit Augustinus in libro de Vera Relig. [cap. 33. a med.], quia non ostendunt aliud, quam suam speciem; ergo falsum in rebus non invenitur.
4822. Valsch, Falsum, is afgeleid van het Latijn fallere, falen. Maar de dingen doen ons niet falen, zooals Augustinus zegt in het Boek Over den waren Godsdienst (XXXIIIe H.) daar zij ons niets anders toonen dan hun natuur. Er is dus geen valschheid in de dingen.4822. Vals, Falsum, is afgeleid van het Latijn fallere, falen. Maar de dingen doen ons niet falen, zoals Augustinus zegt in het Boek Over de ware Godsdienst (33e H.) daar zij ons niets anders tonen dan hun natuur. Er is dus geen valsheid in de dingen.
3. Praeterea, verum dicitur in rebus per comparationem ad intellectum divinum, ut supra dictum est [q. 16. art. 1.] : sed quaelibet res, inquantum est, imitatur Deum; ergo quaelibet res vera est absque falsitate. Et sic nulla res est falsa.
3. Men noemt de dingen waar in verhouding tot het goddelijk verstand, zooals hierboven gezegd is (XVIe Kw., Ie Art.). Welnu, in zoover elk ding is, is het een afbeeldsel van God. Elk ding is dus waar, zonder inmenging van valschheid, en bijgevolg is geen enkel ding valsch.3. Men noemt de dingen waar in verhouding tot het goddelijk verstand, zoals hierboven gezegd is (16e Kw., 1e Art.). Welnu, in zover elk ding is, is het een afbeeldsel van God. Elk ding is dus waar, zonder inmenging van valsheid, en bijgevolg is geen enkel ding vals.
Sed contra est, quod dicit Augustinus in lib. de Vera. Relig. [cap. 34.] quod omne corpus est verum corpus, et falsa unitas : quia imitatur unitatem, et non est unitas. Sed quaelibet res imitatur divinam unitatem, et ab ea deficit; ergo in omnibus rebus est falsitas.
Van een ander standpunt uit kan men hier het gezag van Augustinus tegen aanvoeren. Hij zegt immers in het boek Over den waren Godsdienst (XXXIVe H.), dat elk lichaam een echt lichaam is, en een valsche eenheid, daar het de eenheid nabootst, en geen eenheid is. Welnu, elk ding is een nabootsing van de goddelijke eenheid, maar op ontoereikende wijze. Dus is er in alle dingen valschheid.Van een ander standpunt uit kan men hier het gezag van Augustinus tegen aanvoeren. Hij zegt immers in het boek Over de ware Godsdienst (34e H.), dat elk lichaam een echt lichaam is, en een valse eenheid, daar het de eenheid nabootst, en geen eenheid is. Welnu, elk ding is een nabootsing van de goddelijke eenheid, maar op ontoereikende wijze. Dus is er in alle dingen valsheid.
Respondeo dicendum, quod cum verum et falsum opponantur, opposita autem sunt circa idem, necesse est, ut ibi prius quaeratur falsitas, ubi primo 483veritas invenitur, hoc est in intellectu. In rebus autem neque veritas, neque falsitas est, nisi per ordinem ad intellectum. Et quia unumquodque secundum id, quod convenit ei per se, simpliciter nominatur : secundum autem id, quod convenit ei per accidens, non nominatur nisi secundum quid : res quidem simpliciter falsa dici posset per comparationem ad intellectum, a quo dependet, cui comparatur per se; in ordine autem ad alium intellectum, cui comparatur per accidens, non posset dici falsa nisi secundum quid.
Leerstelling. — Daar het ware en het valsche tegengesteld zijn aan elkaar, en begrippen, die aan elkaar tegengesteld zijn, betrekking hebben op hetzelfde, moet men de valschheid op 483de eerste plaats daar zoeken, waar ook de waarheid op de eerste plaats is, nl. in het verstand. Want in de dingen is er waarheid noch valschheid, tenzij met betrekking tot het verstand. Daar nu elk ding, absoluut beschouwd, benoemd wordt volgens datgene wat er uiteraard aan toekomt, en alleen in beperkten zin volgens datgene, wat er op bijkomstige wijze aan toekomt, zou een ding valsch mogen genoemd worden zonder meer, met betrekking tot het verstand waar het van afhangt en waar het uiteraard mee in verband staat; maar met betrekking tot een ander verstand, waar het zich slechts op bijkomstige wijze toe verhoudt, zou het niet valsch mogen genoemd worden, tenzij in een bepaald opzicht.Leerstelling. — Daar het ware en het valse tegengesteld zijn aan elkaar, en begrippen, die aan elkaar tegengesteld zijn, betrekking hebben op hetzelfde, moet men de valsheid op 483de eerste plaats daar zoeken, waar ook de waarheid op de eerste plaats is, nl. in het verstand. Want in de dingen is er waarheid noch valsheid, tenzij met betrekking tot het verstand. Daar nu elk ding, absoluut beschouwd, benoemd wordt volgens datgene wat er uiteraard aan toekomt, en alleen in beperkten zin volgens datgene, wat er op bijkomstige wijze aan toekomt, zou een ding vals mogen genoemd worden zonder meer, met betrekking tot het verstand waar het van afhangt en waar het uiteraard mee in verband staat; maar met betrekking tot een ander verstand, waar het zich slechts op bijkomstige wijze toe verhoudt, zou het niet vals mogen genoemd worden, tenzij in een bepaald opzicht.
Dependent autem ab intellectu divino res naturales, sicut ab intellectu humano res artificiales. Dicuntur igitur res artificiales falsae simpliciter, et secundum se, inquantum deficiunt a forma artis. Unde dicitur aliquis artifex opus falsum facere, quando deficit ab operatione artis. Sic autem in rebus dependentibus a Deo falsitas inveniri non potest per comparationem ad intellectum divinum, cum quidquid in rebus accidit, ex ordinatione divini intellectus procedat, nisi forte in voluntariis agentibus tantum, in quorum potestate est subducere se ab ordinatione divini intellectus, in quo malum culpae 484consistit, secundum quod ipsa peccata falsitates et mendacia dicuntur in Scripturis, secundum illud Ps. 4 [v. 3] : « Ut quid diligitis vanitatem, et quaeritis mendacium? », sicut per oppositum operatio virtuosa veritas vitae nominatur, inquantum subditur ordini divini intellectus, sicut dicitur Joan. 3 [v. 21] : Qui facit veritatem, venit ad lucem.
Welnu, de natuurdingen zijn afhankelijk van het goddelijk verstand, evenals de kunstmatige, van het menschelijk verstand, en daarom noemt men deze laatste eenvoudig en uiteraard valsch, voor zoover zij afwijken van de wetten van de kunst. Daarom zegt men ook, dat een kunstenaar slecht kunstwerk voorbrengt, wanneer hij in gebreke blijft ten opzichte van de kunst. Op die wijze echter, kan er in de dingen, die van God afhankelijk zijn, geen valschheid bestaan met betrekking tot het goddelijk verstand, daar al wat in de dingen gebeurt, voortkomt uit een beschikking van het goddelijk Intellekt, tenzij bij diegenen, die handelen door hun vrijen 484wil, die zich kunnen onttrekken aan de beschikking van het goddelijk Intellekt : daarin immers bestaat het kwaad van de zonde, en daarom worden in de H. Schrift de zonden zelf valschheid en leugen genoemd, zooals in Psalm 4, 3 : « Waarom hebt gij de ijdelheid lief en zoekt gij de leugen? », evenals in tegenstelling daarmee de deugdzame handeling levenswaarheid genoemd wordt, voor zoover zij onderworpen is aan de verordening van het goddelijk verstand, zooals wij lezen bij Johannes (3, 21) : « Hij die de waarheid doet, komt in het licht ».Welnu, de natuurdingen zijn afhankelijk van het goddelijk verstand, evenals de kunstmatige, van het menselijk verstand, en daarom noemt men deze laatste eenvoudig en uiteraard vals, voor zover zij afwijken van de wetten van de kunst. Daarom zegt men ook, dat een kunstenaar slecht kunstwerk voorbrengt, wanneer hij in gebreke blijft ten opzichte van de kunst. Op die wijze echter, kan er in de dingen, die van God afhankelijk zijn, geen valsheid bestaan met betrekking tot het goddelijk verstand, daar al wat in de dingen gebeurt, voortkomt uit een beschikking van het goddelijk Intellect, tenzij bij diegenen, die handelen door hun vrijen 484wil, die zich kunnen onttrekken aan de beschikking van het goddelijk Intellect: daarin immers bestaat het kwaad van de zonde, en daarom worden in de H. Schrift de zonden zelf valsheid en leugen genoemd, zoals in Psalm 4, 3: “Waarom hebt gij de ijdelheid lief en zoekt gij de leugen?”, evenals in tegenstelling daarmee de deugdzame handeling levenswaarheid genoemd wordt, voor zover zij onderworpen is aan de verordening van het goddelijk verstand, zoals wij lezen bij Johannes (3, 21): “Hij die de waarheid doet, komt in het licht”.
Sed per ordinem ad intellectum nostrum, ad quem comparantur res naturales per accidens, possunt dici falsae, non simpliciter, sed secundum quid, et hoc dupliciter. Uno modo secundum rationem significati, ut dicatur illud esse falsum in rebus, quod significatur, vel repraesentatur oratione, vel intellectu falso, secundum quem modum quaelibet res potest dici esse falsa quantum ad id, quod ei non inest : sicut si dicamus, diametrum esse falsum commensurabile, ut dicit Philosophus in 5. Metaph. [l. 4, c. 29] et sicut dicit Augustinus in lib. 2. Solil. [cap. 10.] quod verus tragoedus est falsus Hector : sicut e contrario potest unumquodque dici verum secundum id, quod competit ei. Alio modo per modum causae, et sic dicitur res esse falsa, quae 485nata est facere de se opinionem falsam. Et quia innatum est nobis per ea, quae exterius apparent, de rebus judicare, eo quod nostra cognitio a sensu ortum habet, qui primo et per se est exteriorum accidentium : ideo ea, quae in exterioribus accidentibus habent similitudinem aliarum rerum, dicuntur esse falsa secundum illas res : sicut fel est falsum mel, et stannum est falsum argentum. Et secundum hoc dicit Augustinus in lib. 2 Solil. [cap. 6.] quod eas res esse falsas nominamus, quae verisimilia apprehendimus. Et Philosophus dicit in 5. Metaph. [l. 4, c. 29] quod falsa dicuntur, quaecumque apta nata sunt apparere aut qualia non sunt, aut quae non sunt. Et per hunc modum etiam dicitur homo falsus, inquantum est amativus falsarum opinionum, vel locutionum; non autem ex quod potest eas conficere : quia etiam sapientes et scientes falsi dicerentur, ut dicitur in 5. Metaph. [l. 4, c. 29].
Beschouwen wij nu hun verhouding tot ons verstand, waar de natuurdingen op bijkomstige wijze mee in verband staan, dan mogen wij ze valsch noemen, niet zonder meer, maar in een bepaald opzicht, en dit op twee manieren : ten eerste, met het oog op de voorstelling, die wij ons van het ding vormen, zóó, dat men in de dingen datgene valsch noemt, wat door een valsche uitdrukking of opvatting te kennen gegeven of voorgesteld wordt. In dien zin kan men elk ding valsch noemen, ten opzichte van iets, wat er niet toe behoort; indien wij b. v. zeggen, dat de diameter een valsche maatstaf is, zooals de Wijsgeer zegt in het Ve Boek der Metaphysica, (IVe B., XXIXe H., Nr 1), of, zooals Augustinus zegt in het IIe Boek der Alleenspraken (Xe H.), dat een tooneelspeler een valsche 485Hector is. Op die wijze kunnen wij, van het tegenovergestelde standpunt uit, elk ding waar noemen, volgens datgene wat er toe behoort. Ten tweede kan men een ding valsch noemen op grond van zijn oorzakelijkheid, wanneer het nl. aanleiding geeft tot een verkeerde meening. Door een aangeboren neiging immers oordeelen wij over de dingen, volgens de uiterlijke verschijnselen, omdat wij onze kennis putten uit de zintuigelijke waarneming, die van nature de uitwendige bijkomstigheid tot voorwerp heeft; daarom noemen wij de dingen, die volgens hun uitwendige bijkomstigheden een gelijkenis hebben met andere, valsch met betrekking tot die laatste; zoo is b. v. gal valsche honig en is tin valsch zilver. In dien zin zegt Augustinus in het IIe Boek der Alleenspraken (VIe H.) dat wij die dingen valsch noemen, die wij waarnemen als op de ware dingen gelijkend, en de Wijsgeer zegt in het Ve Boek der Metaphysica, (IVe B., XXIXe H., Nr 1), dat die dingen valsch genoemd worden, die er op aangelegd zijn om ons voor te komen met hoedanigheden, die hun niet toekomen, of met een natuur, die ze niet hebben. Zoo zeggen wij ook van iemand, dat hij een valsch mensch is, voor zoover hij met voorliefde valsche meeningen of woorden uitdrukt, maar niet omdat hij zich die kan denken, want dan zouden ook wijzen en geleerden valsch genoemd worden, zooals wij lezen in het Ve Boek der Metaphysica (IVe B., zelfde H., Nr 5).Beschouwen wij nu hun verhouding tot ons verstand, waar de natuurdingen op bijkomstige wijze mee in verband staan, dan mogen wij ze vals noemen, niet zonder meer, maar in een bepaald opzicht, en dit op twee manieren: ten eerste, met het oog op de voorstelling, die wij ons van het ding vormen, zó, dat men in de dingen datgene vals noemt, wat door een valse uitdrukking of opvatting te kennen gegeven of voorgesteld wordt. In die zin kan men elk ding vals noemen, ten opzichte van iets, wat er niet toe behoort; indien wij bv. zeggen, dat de diameter een valse maatstaf is, zoals de Wijsgeer zegt in het 5e Boek van de Metafysica, (4e B., 29e H., Nr 1), of, zoals Augustinus zegt in het 2e Boek van de Alleenspraken (10e H.), dat een toneelspeler een valse 485Hector is. Op die wijze kunnen wij, van het tegenovergestelde standpunt uit, elk ding waar noemen, volgens datgene wat er toe behoort. Ten tweede kan men een ding vals noemen op grond van zijn oorzakelijkheid, wanneer het nl. aanleiding geeft tot een verkeerde mening. Door een aangeboren neiging immers oordelen wij over de dingen, volgens de uiterlijke verschijnselen, omdat wij onze kennis putten uit de zintuigelijke waarneming, die van nature de uitwendige bijkomstigheid tot voorwerp heeft; daarom noemen wij de dingen, die volgens hun uitwendige bijkomstigheden een gelijkenis hebben met andere, vals met betrekking tot die laatste; zo is bv. gal valse honig en is tin vals zilver. In die zin zegt Augustinus in het 2e Boek van de Alleenspraken (6e H.) dat wij die dingen vals noemen, die wij waarnemen als op de ware dingen gelijkend, en de Wijsgeer zegt in het 5e Boek van de Metafysica, (4e B., 29e H., Nr 1), dat die dingen vals genoemd worden, die er op aangelegd zijn om ons voor te komen met hoedanigheden, die hun niet toekomen, of met een natuur, die ze niet hebben. Zo zeggen wij ook van iemand, dat hij een vals mens is, voor zover hij met voorliefde valse meningen of woorden uitdrukt, maar niet omdat hij zich die kan denken, want dan zouden ook wijzen en geleerden vals genoemd worden, zoals wij lezen in het 5e Boek van de Metafysica (4e B., zelfde H., Nr 5).
486Ad primum ergo dicendum, quod res comparata ad intellectum, secundum id, quod est, dicitur vera; secundum id, quod non est, dicitur falsa. Unde verus tragoedus est falsus Hector, ut dicitur in 2. Solil. Sicut igitur in his, quae sunt, invenitur quoddam non esse : ita in his, quae sunt, invenitur quaedam ratio falsitatis.
486Antwoord op de bedenkingen. — 1. Wij noemen iets waar, met betrekking tot het verstand, volgens datgene wat het is, en valsch, volgens datgene wat het niet is. Daarom is de echte tooneelspeler een valsche Hector, zooals in het IIe Boek der Alleenspraken (t. a. pl.) gezegd wordt. Evenals nu in de dingen, die zijn, toch een zeker niet-zijn wordt aangetroffen, zoo wordt er ook een zekere valschheid in gevonden.486Antwoord op de bedenkingen. — 1. Wij noemen iets waar, met betrekking tot het verstand, volgens datgene wat het is, en vals, volgens datgene wat het niet is. Daarom is de echte toneelspeler een valse Hector, zoals in het 2e Boek van de Alleenspraken (t.a.p.) gezegd wordt. Evenals nu in de dingen, die zijn, toch een zeker niet-zijn wordt aangetroffen, zo wordt er ook een zekere valsheid in gevonden.
Ad secundum dicendum, quod res per se non fallunt, sed per accidens. Dant enim occasionem falsitatis, eo quod similitudinem eorum gerunt, quorum non habent existentiam.
2. Niet van nature, maar slechts op toevallige wijze doen de dingen ons falen. Zij geven nl. aanleiding tot een verkeerde meening omdat zij een gelijkenis dragen van dingen, waar zij de wezenheid niet van hebben.2. Niet van nature, maar slechts op toevallige wijze doen de dingen ons falen. Zij geven nl. aanleiding tot een verkeerde mening omdat zij een gelijkenis dragen van dingen, waar zij de wezenheid niet van hebben.
Ad tertium dicendum, quod per comparationem ad intellectum divinum non dicuntur res falsae, quod esset eas esse falsas simpliciter : sed per comparationem ad intellectum nostrum, quod est, eas esse falsas secundum quid.
3. De dingen worden niet valsch genoemd, volgens hun verhouding tot het goddelijk verstand, want zóó zouden zij valsch zijn, zonder meer, maar volgens hun verhouding tot ons verstand, en zóó zijn ze valsch in een bepaald opzicht.3. De dingen worden niet vals genoemd, volgens hun verhouding tot het goddelijk verstand, want zó zouden zij vals zijn, zonder meer, maar volgens hun verhouding tot ons verstand, en zó zijn ze vals in een bepaald opzicht.
Ad quartum quod in oppositum objicitur, dicendum, quod similitudo, vel repraesentatio deficiens non inducit rationem falsitatis, nisi inquantum praestat occasionem falsae opinionis. Unde non ubicumque est similitudo; dicitur res esse falsas : sed ubicumque est talis similitudo, quae nata est facere opinionem falsam, non cuicumque, sed ut in pluribus.
Op de bedenking, die van een ander standpunt uitging, antwoorden we, dat het tekort in het afbeeldsel of in de gelijkenis geen valschheid meebrengt, tenzij wanneer het aanleiding geeft tot een verkeerde meening. Daarom worden niet alle dingen, die een gelijkenis vertoonen, valsch genoemd, maar alleen die, waarvan de gelijkenis, zoo niet bij alle, dan toch bij de meeste, aanleiding geeft tot een verkeerde meening.Op de bedenking, die van een ander standpunt uitging, antwoorden we, dat het tekort in het afbeeldsel of in de gelijkenis geen valsheid meebrengt, tenzij wanneer het aanleiding geeft tot een verkeerde mening. Daarom worden niet alle dingen, die een gelijkenis vertonen, vals genoemd, maar alleen die, waarvan de gelijkenis, zo niet bij alle, dan toch bij de meeste, aanleiding geeft tot een verkeerde mening.
Utrum in sensu sit falsitas
Is er valschheid in de zinnen?Is er valsheid in de zinnen?
487Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod in sensu non sit falsitas. Dicit enim Augustinus in lib. de Vera Relig. [cap. 33] : « Si omnes corporis sensus ita nuntiant, ut afficiuntur, quid ab eis amplius exigere debemus, ignoro. » Et sic videtur, quod ex sensibus non fallamur; et sic falsitas in sensu non est.
487Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat er geen valschheid is in de zinnen. Augustinus immers zegt in het Boek Over den waren Godsdienst (XXXIIIe H.) : « Indien al de zinnen van het lichaam de prikkels weergeven, zooals zij die gewaar worden, dan weet ik niet, wat wij nog meer van hen zouden eischen. » Zoo blijkt het, dat wij door de zinnen niet bedrogen worden. Dus is er geen valschheid in de zinnen.487Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat er geen valsheid is in de zinnen. Augustinus immers zegt in het Boek Over de ware Godsdienst (33e H.): “Indien al de zinnen van het lichaam de prikkels weergeven, zoals zij die gewaar worden, dan weet ik niet, wat wij nog meer van hen zouden eisen.” Zo blijkt het, dat wij door de zinnen niet bedrogen worden. Dus is er geen valsheid in de zinnen.
2. Praeterea, philosophus dicit in 4. Metaph. [l. 3, c. 5] quod falsitas non est propria sensui, sed phantasiae.
2. In het IVe Boek der Metaphysica (IIIe B., Ve H., Nr 17) zegt de Wijsgeer, dat de valschheid niet aan de zintuigen, maar aan de verbeelding moet toegeschreven worden.2. In het 4e Boek van de Metafysica (3e B., 5e H., Nr 17) zegt de Wijsgeer, dat de valsheid niet aan de zintuigen, maar aan de verbeelding moet toegeschreven worden.
3. Praeterea, in incomplexis non est verum, nec falsum, sed solum in complexis : sed componere et dividere non pertinet ad sensum; ergo in sensu non est falsitas.
3. Waarheid of valschheid is alleen daar, waar samenstelling is. Maar samenstellen en scheiden zijn geen verrichtingen van het zintuigelijk vermogen. Dus is er geen valschheid in de zinnen.3. Waarheid of valsheid is alleen daar, waar samenstelling is. Maar samenstellen en scheiden zijn geen verrichtingen van het zintuigelijk vermogen. Dus is er geen valsheid in de zinnen.
488Sed contra est, quod dicit Augustinus in lib. 2. Solil. [cap. 6.] : « Apparet nos in omnibus sensibus similitudine lenocinante falli. »
488In het Boek der Alleenspraken (VIe H.) zegt Augustinus echter : « Het is onbetwistbaar dat wij ons door al onze zintuigen vergissen, en dat komt voort uit een misleidende gelijkvormigheid ».488In het Boek van de Alleenspraken (6e H.) zegt Augustinus echter: “Het is onbetwistbaar dat wij ons door al onze zintuigen vergissen, en dat komt voort uit een misleidende gelijkvormigheid”.
Respondeo dicendum, quod falsitas non est quaerenda in sensu, nisi sicut ibi est veritas. Veritas autem non sic est in sensu, ut sensus cognoscat veritatem, sed inquantum veram apprehensionem habet de sensibilibus, ut supra dictum est [q. 16 art. 2]. Quod quidem contingit eo, quod apprehendit res ut sunt. Unde contingit falsitatem esse in sensu ex hoc, quod apprehendit, vel judicat res aliter, quam sint.
Leerstelling. — De valschheid is alleen op die wijze in de zinnen, waarop er ook waarheid in is. Welnu, de waarheid is niet zóó in de zinnen, dat ze de waarheid kennen, maar in den zin, dat de kennis, die de zinnen van het zintuigelijk-waarneembare hebben, waar is, zooals wij hierboven gezegd hebben (XVIe Kw., 2e Art.). Dit komt hierdoor, dat de zinnen de dingen waarnemen, zooals zij zijn. Bijgevolg komt de valschheid in de zinnen hieruit voort, dat ze de dingen anders waarnemen of beoordeelen dan ze zijn.Leerstelling. — De valsheid is alleen op die wijze in de zinnen, waarop er ook waarheid in is. Welnu, de waarheid is niet zó in de zinnen, dat ze de waarheid kennen, maar in de zin, dat de kennis, die de zinnen van het zintuigelijk-waarneembare hebben, waar is, zoals wij hierboven gezegd hebben (16e Kw., 2e Art.). Dit komt hierdoor, dat de zinnen de dingen waarnemen, zoals zij zijn. Bijgevolg komt de valsheid in de zinnen hieruit voort, dat ze de dingen anders waarnemen of beoordelen dan ze zijn.
Sic autem se habet ad cognoscendum res, inquantum similitudo rerum est in sensu. Similitudo autem alicujus rei est in sensu tripliciter. Uno modo, primo, et per se; sicut in visu est similitudo colorum, et aliorum propriorum sensibilium. Alio modo, per se, sed non primo; sicut in visu est similitudo figurae, vel magnitudinis, et aliorum communium sensibilium. Tertio modo, nec primo, nec per se, sed per accidens; sicut in visu est similitudo hominis, non inquantum est homo, sed inquantum huic colorato accidit esse hominem. 489Et circa propria sensibilia sensus non habet falsam cognitionem, nisi per accidens, et ut in paucioribus, ex eo scilicet, quod propter indispositionem organi non convenienter recipit formam sensibilem, sicut et alia passiva propter suam indispositionem deficienter recipiunt impressionem agentium : et inde est, quod propter corruptionem linguae infirmis dulcia amara esse videntur. De sensibilibus vero communibus et per accidens potest esse falsum judicium etiam in sensu recte disposito, quia sensus non directe refertur ad illa, sed per accidens, vel ex consequenti, inquantum refertur ad alia.
De zinnen kennen de dingen, in zoover zij er een gelijkenis van hebben. Welnu, de gelijkenis van de dingen kan op drie wijzen in de zinnen zijn : ten eerste, onmiddellijk en uiteraard, zooals in het gezichtsvermogen de gelijkenis is van de kleuren, en van de eigen zintuigelijk-waarneembare objekten. Ten tweede, uiteraard, maar niet onmiddellijk, zooals in het gezichtsvermogen de gelijkenis is van de figuur, of van de grootte, en van al de 489overige gemeenschappelijke objekten der zinnen. Ten derde, noch onmiddellijk, noch uiteraard, maar op bijkomstige wijze; zooals in het gezichtsvermogen de gelijkenis van den mensch is, niet naar zijn mensch-zijn, maar voor zoover het mensch-zijn toevallig gepaard gaat met dit gekleurde ding. En daarom dwalen de zintuigelijke vermogens niet ten opzichte van hun eigen zintuigelijk waarneembare objekten, tenzij bij toeval en in enkele zeldzame gevallen, indien nl. de zinnen, door een of andere geschiktheid van de zintuigen, den zinnelijken vorm niet behoorlijk ontvangen, evenals ten gevolge van hun ongunstige geschiktheid, de andere dingen, die een werking ondergaan, den indruk van de werkende oorzaken op gebrekkelijke wijze ontvangen. Zoo vindt de zieke, door een vervalsching van den smaak, het zoete bitter. En zelf kunnen goed geschikte zinnen verkeerd oordeelen over de gemeenschappelijke en bijkomstige zintuigelijke objekten, omdat ze niet rechtstreeks met die voorwerpen in verband staan, maar bijkomstig of zijdelings, voor zoover ze nl. op andere dingen gericht zijn.De zinnen kennen de dingen, in zover zij er een gelijkenis van hebben. Welnu, de gelijkenis van de dingen kan op drie wijzen in de zinnen zijn: ten eerste, onmiddellijk en uiteraard, zoals in het gezichtsvermogen de gelijkenis is van de kleuren, en van de eigen zintuigelijk-waarneembare objecten. Ten tweede, uiteraard, maar niet onmiddellijk, zoals in het gezichtsvermogen de gelijkenis is van de figuur, of van de grootte, en van al de 489overige gemeenschappelijke objecten van de zinnen. Ten derde, noch onmiddellijk, noch uiteraard, maar op bijkomstige wijze; zoals in het gezichtsvermogen de gelijkenis van de mens is, niet naar zijn mens-zijn, maar voor zover het mens-zijn toevallig gepaard gaat met dit gekleurde ding. En daarom dwalen de zintuigelijke vermogens niet ten opzichte van hun eigen zintuigelijk waarneembare objecten, tenzij bij toeval en in enkele zeldzame gevallen, indien nl. de zinnen, door een of andere geschiktheid van de zintuigen, de zinnelijke vorm niet behoorlijk ontvangen, evenals ten gevolge van hun ongunstige geschiktheid, de andere dingen, die een werking ondergaan, de indruk van de werkende oorzaken op gebrekkelijke wijze ontvangen. Zo vindt de zieke, door een vervalsing van de smaak, het zoete bitter. En zelf kunnen goed geschikte zinnen verkeerd oordelen over de gemeenschappelijke en bijkomstige zintuigelijke objecten, omdat ze niet rechtstreeks met die voorwerpen in verband staan, maar bijkomstig of zijdelings, voor zover ze nl. op andere dingen gericht zijn.
Ad primum ergo dicendum, quod sensum affici est ipsum ejus sentire. Unde per hoc quod sensus ita nuntiant, sicut afficiuntur, sequitur, quod non. decipiamur in judicio, quo judicamus nos sentire aliquid : sed ex eo quod sensus aliter afficitur interdum, quam res sit, sequitur, quod nuntiet nobis aliquando rem aliter, quam sit; et ex hoc fallimur per sensum circa rem, non circa ipsum sentire.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Voor het zintuigelijk vermogen is door den prikkel aangedaan worden, hetzelfde 490als gevoelen. Aangezien dus de zintuigelijke vermogens de prikkeling overbrengen, zooals zij er door aangedaan worden, bedriegen wij ons niet, wanneer wij oordeelen, dat wij iets gevoelen; maar omdat het zinnelijk vermogen soms anders aangedaan wordt dan het ding is, brengt het soms het ding anders over dan het is, en zóó worden wij door de zintuigelijke vermogens bedrogen omtrent het ding, maar niet omtrent het gevoel.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Voor het zintuigelijk vermogen is door de prikkel aangedaan worden, hetzelfde 490als gevoelen. Aangezien dus de zintuigelijke vermogens de prikkeling overbrengen, zoals zij er door aangedaan worden, bedriegen wij ons niet, wanneer wij oordelen, dat wij iets gevoelen; maar omdat het zinnelijk vermogen soms anders aangedaan wordt dan het ding is, brengt het soms het ding anders over dan het is, en zó worden wij door de zintuigelijke vermogens bedrogen omtrent het ding, maar niet omtrent het gevoel.
490Ad secundum dicendum, quod falsitas dicitur non esse propria sensui, quia non decipitur circa proprium objectum. Unde in alia translatione planius dicitur, quod sensus proprii sensibilis falsus non est. Phantasiae autem attribuitur falsitas, quia repraesentat similitudinem rei etiam absentis. Unde, quando aliquis convertitur ad similitudinem rei, tamquam ad rem ipsam, provenit ex tali apprehensione falsitas; unde etiam Philosophus in 5. Metaph. [l. 4, c. 29] dicit quod umbrae, et picturae, et somnia dicuntur falsa, inquantum non subsunt res, quarum habent similitudinem.
2. Men zegt, dat de valschheid niet aan het zintuigelijk vermogen toekomt, omdat het niet faalt omtrent zijn eigen voorwerp. Daarom zegt een andere vertaling duidelijker, dat de zintuigelijke waarneming aangaande het eigen zinnelijk voorwerp niet faalt. Aan de verbeelding wordt de valschheid toegeschreven, omdat zij de gelijkenis van de dingen voorstelt, ook in hun afwezigheid. En wanneer iemand zich naar de gelijkenis toewendt als naar het ding zelf, geeft die waarneming aanleiding tot dwaling, en daarom zegt de Wijsgeer in het Ve Boek der Metaphysica (IVe B., XXIXe H., Nr 1), dat de schaduwbeelden, de schilderijen en de droomgezichten valsch genoemd worden, voor zoover zij de dingen niet bevatten waarvan zij de gelijkenis dragen.2. Men zegt, dat de valsheid niet aan het zintuigelijk vermogen toekomt, omdat het niet faalt omtrent zijn eigen voorwerp. Daarom zegt een andere vertaling duidelijker, dat de zintuigelijke waarneming aangaande het eigen zinnelijk voorwerp niet faalt. Aan de verbeelding wordt de valsheid toegeschreven, omdat zij de gelijkenis van de dingen voorstelt, ook in hun afwezigheid. En wanneer iemand zich naar de gelijkenis toewendt als naar het ding zelf, geeft die waarneming aanleiding tot dwaling, en daarom zegt de Wijsgeer in het 5e Boek van de Metafysica (4e B., 29e H., Nr 1), dat de schaduwbeelden, de schilderijen en de droomgezichten vals genoemd worden, voor zover zij de dingen niet bevatten waarvan zij de gelijkenis dragen.
Ad tertium dicendum, quod ratio illa procedit, quod falsitas non sit in sensu, sicut agnoscente verum, et falsum.
3. Die opwerping bewijst alleen, dat de valschheid niet in het zintuig is, als in een vermogen, dat waarheid en valschheid kent.3. Die opwerping bewijst alleen, dat de valsheid niet in het zintuig is, als in een vermogen, dat waarheid en valsheid kent.
Utrum falsitas sit in intellectu
Is er valschheid in het verstand?Is er valsheid in het verstand?
491Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod falsitas non sit in intellectu. Dicit enim Augustinus in lib. 83 QQ [q. 32.] : « Omnis, qui fallitur, id, in quo fallitur, non intelligit. » Sed falsum dicitur esse in aliqua cognitione, secundum quod per eam fallimur; ergo in intellectu non est falsitas.
491Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat er geen valschheid is in het verstand. Augustinus immers zegt in het Boek der Drie en tachtig Vraagstukken (XXXIIe Kw.) : « Wie zich in iets bedriegt, verstaat datgene niet, waarin hij zich bedriegt ». Welnu, een kennis noemt men valsch, in zoover men er door bedrogen wordt. Er is dus geen valschheid in het verstand.491Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat er geen valsheid is in het verstand. Augustinus immers zegt in het Boek van de Drie en tachtig Vraagstukken (32e Kw.): “Wie zich in iets bedriegt, verstaat datgene niet, waarin hij zich bedriegt”. Welnu, een kennis noemt men vals, in zover men er door bedrogen wordt. Er is dus geen valsheid in het verstand.
2. Praeterea, Philosophus dicit in 3. de Anima [c. 10, S. Th., l. 15] quod intellectus semper est rectus; non ergo in intellectu est falsitas.
2. De Wijsgeer zegt in het IIIe Boek Over de Ziel (Xe H., Nr 4), dat het verstand altijd juist is. Dus is er geen valschheid in het verstand.2. De Wijsgeer zegt in het 3e Boek Over de Ziel (10e H., Nr 4), dat het verstand altijd juist is. Dus is er geen valsheid in het verstand.
Sed contra est, quod dicitur in 3. de Anima [c. 6, S. Th., l. 11], quod, ubi compositio intellectuum est, ibi verum et falsum est : sed compositio intellectuum est in intellectu; ergo verum et falsum est in intellectu.
Doch dit strookt niet met hetgeen wij lezen in het IIIe Boek Over de Ziel (VIe H., Nr 4), dat nl. waar een oordeel uitgesproken wordt, waarheid en valschheid is. Welnu, het verstand oordeelt. Dus is er ook in het verstand waarheid en valschheid.Doch dit strookt niet met hetgeen wij lezen in het 3e Boek Over de Ziel (6e H., Nr 4), dat nl. waar een oordeel uitgesproken wordt, waarheid en valsheid is. Welnu, het verstand oordeelt. Dus is er ook in het verstand waarheid en valsheid.
492Respondeo dicendum, quod, sicut res habet esse per propriam formam, ita virtus cognoscitiva habet cognoscere per similitudinem rei cognitae. Unde, sicut res naturalis non deficit ab esse, quod sibi competit secundum suam formam, potest autem deficere ab aliquibus accidentalibus, vel consequentibus; sicut homo ab hoc, quod est habere duos pedes, non autem ab hoc, quod est esse hominem : ita virtus cognoscitiva non deficit in cognoscendo respectu illius rei, cujus similitudine informatur : potest autem deficere circa aliquid consequens ad ipsam, vel accidens ei : sicut est dictum [art. praec.] quod visus non decipitur circa sensibile proprium, sed circa sensibilia communia, quae consequenter se habent ad illud, et circa sensibilia per accidens.
492Leerstelling. — Evenals een ding is door zijn eigen vorm-oorzaak, zoo kent het kenvermogen, door de gelijkenis van de gekende dingen. Welnu, de natuurdingen lijden geen tekort aan het zijn, dat hun toekomt door hun vorm-oorzaak, maar ze kunnen een tekort lijden aan iets bijkomstigs of aan iets wat er aan toegevoegd wordt. Zoo kan er bij den mensch een tekort zijn, met betrekking tot het hebben van twee voeten, maar niet met betrekking tot het mensch-zijn. Op dezelfde wijze komt het kenvermogen in zijn kennen niets tekort, met betrekking tot het ding, waarvan het een vormgevende gelijkenis ontvangt, maar het kan in gebreke blijven, ten opzichte van iets bijkomstigs, of van iets wat er aan toegevoegd wordt. Daarom hebben wij in het vorig Artikel gezegd, dat het gezicht niet faalt met betrekking tot zijn eigen voorwerp, maar wel met betrekking tot de gemeenschappelijke zinnelijke objekten, die met het eigen voorwerp noodzakelijk verband houden, en met betrekking tot de voorwerpen, die op bijkomstige wijze zintuigelijk-waarneembaar zijn.492Leerstelling. — Evenals een ding is door zijn eigen vorm-oorzaak, zo kent het kenvermogen, door de gelijkenis van de gekende dingen. Welnu, de natuurdingen lijden geen tekort aan het zijn, dat hun toekomt door hun vorm-oorzaak, maar ze kunnen een tekort lijden aan iets bijkomstigs of aan iets wat er aan toegevoegd wordt. Zo kan er bij de mens een tekort zijn, met betrekking tot het hebben van twee voeten, maar niet met betrekking tot het mens-zijn. Op dezelfde wijze komt het kenvermogen in zijn kennen niets tekort, met betrekking tot het ding, waarvan het een vormgevende gelijkenis ontvangt, maar het kan in gebreke blijven, ten opzichte van iets bijkomstigs, of van iets wat er aan toegevoegd wordt. Daarom hebben wij in het vorig Artikel gezegd, dat het gezicht niet faalt met betrekking tot zijn eigen voorwerp, maar wel met betrekking tot de gemeenschappelijke zinnelijke objecten, die met het eigen voorwerp noodzakelijk verband houden, en met betrekking tot de voorwerpen, die op bijkomstige wijze zintuigelijk-waarneembaar zijn.
Sicut autem sensus informatur directe similitudine propriorum sensibilium, ita intellectus informatur similitudine quidditatis rei. Unde circa quod quid est intellectus non decipitur : sicut neque sensus circa sensibilia propria. In componendo vero, vel dividendo potest decipi, dum attribuit rei, cujus quidditatem intelligit, aliquid, quod eam non consequitur, vel quod ei opponitur. 493Sic enim se habet intellectus ad judicandum de hujusmodi, sicut sensus ad judicandum de sensibilibus communibus, vel per accidens. Hac tamen differentia servata, quae supra circa veritatem dicta est [q. 16. art. 2.] quod falsitas in intellectu esse potest, non solum quia cognitio intellectus falsa est, sed quia intellectus eam cognoscit, sicut et veritatem. In sensu autem falsitas non est, ut cognita, ut dictum est [art. praec.]
Evenals nu het zintuigelijk vermogen zijn vormgeving onmiddellijk ontvangt van de gelijkenis van het eigen zinnelijk objekt, zoo ook ontvangt het verstand zijn vormgeving onmiddellijk van een gelijkenis van de watheid van het ding. Daarom faalt het verstand niet in het opvatten van de watheid, evenmin als de 493zinnen in het waarnemen van het eigen zinnelijk objekt. Maar het verstand kan falen, wanneer het verbindt of ontbindt, door nl. aan een ding, waarvan het de watheid kent, iets toe te schrijven, wat er niet aan toekomt, of wat er strijdig mee is. Het verstand verhoudt zich immers tot het oordeel over die dingen, zooals het zinnelijk vermogen zich verhoudt tot het oordeel over het gemeenschappelijk of over het bijkomstig zinnelijk objekt, behoudens het onderscheid dat vroeger ten opzichte van de waarheid gemaakt is (XVIe Kw., 2e Art.), dat nl. de valschheid in het verstand kan zijn, niet alleen omdat de kennis van het verstand valsch is, maar ook omdat het verstand de valschheid kent, zooals het ook de waarheid kent. In het zinnelijk vermogen daarentegen is er geen valschheid, als iets wat gekend wordt, zooals we reeds zeiden (Voorg. Art.).Evenals nu het zintuigelijk vermogen zijn vormgeving onmiddellijk ontvangt van de gelijkenis van het eigen zinnelijk object, zo ook ontvangt het verstand zijn vormgeving onmiddellijk van een gelijkenis van de watheid van het ding. Daarom faalt het verstand niet in het opvatten van de watheid, evenmin als de 493zinnen in het waarnemen van het eigen zinnelijk object. Maar het verstand kan falen, wanneer het verbindt of ontbindt, door nl. aan een ding, waarvan het de watheid kent, iets toe te schrijven, wat er niet aan toekomt, of wat er strijdig mee is. Het verstand verhoudt zich immers tot het oordeel over die dingen, zoals het zinnelijk vermogen zich verhoudt tot het oordeel over het gemeenschappelijk of over het bijkomstig zinnelijk object, behoudens het onderscheid dat vroeger ten opzichte van de waarheid gemaakt is (16e Kw., 2e Art.), dat nl. de valsheid in het verstand kan zijn, niet alleen omdat de kennis van het verstand vals is, maar ook omdat het verstand de valsheid kent, zoals het ook de waarheid kent. In het zinnelijk vermogen daarentegen is er geen valsheid, als iets wat gekend wordt, zoals we reeds zeiden (Voorg. Art.).
Quia vero falsitas intellectus per se solum circa compositionem intellectus est, per accidens etiam in operatione intellectus, qua cognoscit quod quid est, potest esse falsitas, inquantum ibi compositio intellectus admiscetur. Quod potest esse dupliciter. Uno modo, secundum quod intellectus definitionem unius attribuit alteri : ut si definitionem circuli attribuat homini : unde definitio unius rei est falsa de altera. Alio modo, secundum quod partes definitionis componit ad invicem, quae simul sociari non possunt. Sic enim definitio non est solum falsa respectu alicujus rei, sed est falsa in se : ut si formet talem definitionem : animal rationale quadrupes, falsus est intellectus sic 494definiendo, propterea quod falsus est in formando hanc compositionem : aliquod animal rationale est quadrupes. Et propter hoc in cognoscendo quidditates simplices non potest esse intellectus falsus, sed vel est verus, vel totaliter nihil intelligit.
Maar omdat het verstand uiteraard alleen in zijn oordeelen valsch is, kan er op bijkomstige wijze valschheid zijn in het kennen van de watheid, voor zoover hier samenstelling van het verstand mee gepaard gaat. En dit kan op twee manieren gebeuren : ten eerste, doordat het verstand de bepaling van een ding op een ander ding toepast, b. v. de bepaling van een cirkel op den mensch; de bepaling van een ding is dus valsch, wanneer men ze 494toepast op een ander ding. Ten tweede, doordat het verstand deelen van bepalingen onderling vereenigt, die niet kunnen samengaan. En zóó is de bepaling niet slechts valsch ten opzichte van een bepaald ding, maar zij is valsch op zichzelf; indien wij b. v. de bepaling geven : een viervoetig redelijk dier, dan zou ons verstand valsch zijn, omdat het valsch is in het vormen van die samenstelling : er is een viervoetig redelijk dier. En daarom kan het verstand in zijn kennis van de enkelvoudige watheden niet valsch zijn, maar is het ófwel waar, ofwel volstrekt zonder eenig begrip.Maar omdat het verstand uiteraard alleen in zijn oordelen vals is, kan er op bijkomstige wijze valsheid zijn in het kennen van de watheid, voor zover hier samenstelling van het verstand mee gepaard gaat. En dit kan op twee manieren gebeuren: ten eerste, doordat het verstand de bepaling van een ding op een ander ding toepast, bv. de bepaling van een cirkel op de mens; de bepaling van een ding is dus vals, wanneer men ze 494toepast op een ander ding. Ten tweede, doordat het verstand delen van bepalingen onderling verenigt, die niet kunnen samengaan. En zó is de bepaling niet slechts vals ten opzichte van een bepaald ding, maar zij is vals op zichzelf; indien wij bv. de bepaling geven: een viervoetig redelijk dier, dan zou ons verstand vals zijn, omdat het vals is in het vormen van die samenstelling: er is een viervoetig redelijk dier. En daarom kan het verstand in zijn kennis van de enkelvoudige watheden niet vals zijn, maar is het ófwel waar, ofwel volstrekt zonder enig begrip.
Ad primum ergo dicendum, quod quia quidditas rei est proprium objectum intellectus, propter hoc tunc proprie dicimur aliquid intelligere, quando reducentes illud in quod quid est, sic de eo judicamus : sicut accidit in demonstrationibus, in quibus non est falsitas. Et hoc modo intelligitur verbum Augustini, quod omnis, qui fallitur, non intelligit id, in quo fallitur : non autem ita, quod in nulla operatione intellectus aliquis fallatur.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het eigen voorwerp van het verstand is de watheid van de dingen, en daarom kan men eigenlijk zeggen, dat wij iets verstaan, wanneer wij het beschouwen naar wat het is, en er zóó over oordeelen; dit is het geval met de bewijsvoeringen, waarin geen valschheid is. En in dien zin moet men de woorden van Augustinus begrijpen : « Wie zich bedriegt, verstaat datgene niet waarin hij zich bedriegt ». Dit mag echter niet zoo begrepen worden, dat iemand kan dwalen, in welken verstandsakt ook.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het eigen voorwerp van het verstand is de watheid van de dingen, en daarom kan men eigenlijk zeggen, dat wij iets verstaan, wanneer wij het beschouwen naar wat het is, en er zó over oordelen; dit is het geval met de bewijsvoeringen, waarin geen valsheid is. En in die zin moet men de woorden van Augustinus begrijpen: “Wie zich bedriegt, verstaat datgene niet waarin hij zich bedriegt”. Dit mag echter niet zo begrepen worden, dat iemand kan dwalen, in welke verstandsact ook.
Ad secundum dicendum, quod intellectus semper est rectus, secundum quod intellectus est principiorum, circa quae non decipitur ex eadem causa, qua non decipitur circa quod quid est. Nam principia per se nota sunt illa, 495quae statim intellectis terminis cognoscuntur ex eo, quod praedicatum ponitur in definitione subjecti.
2. Het verstand is altijd juist, voor zoover het de eerste beginselen tot voorwerp heeft; daaromtrent kan het zich niet vergissen om dezelfde reden als het niet kan dwalen in het begrijpen van de 495watheid. Want de door zichzelf klaarblijkelijke beginselen zijn die, welke men kent zoodra men de termen verstaat, daar het gezegde tot de bepaling behoort van het onderwerp.2. Het verstand is altijd juist, voor zover het de eerste beginselen tot voorwerp heeft; daaromtrent kan het zich niet vergissen om dezelfde reden als het niet kan dwalen in het begrijpen van de 495watheid. Want de door zichzelf klaarblijkelijke beginselen zijn die, welke men kent zodra men de termen verstaat, daar het gezegde tot de bepaling behoort van het onderwerp.
Utrum verum, et falsum sint contraria
Is er tusschen het ware en het valsche een verhouding van tegenstelling?Is er tussen het ware en het valse een verhouding van tegenstelling?
Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod verum, et falsum non sint contraria. Verum enim, et falsum opponuntur, sicut quod est, et quod non est : nam verum est id, quod est, ut dicit Augustinus [lib. 2. Solil. cap. 5.] : sed quod est, et quod non est, non opponuntur ut contraria; ergo verum et falsum non sunt contraria.
Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat er tusschen het ware en het valsche geen verhouding van tegenstelling is. Ze staan immers tegenover elkaar zooals iets wat is en iets wat niet is; want het ware is datgene wat is, zooals Augustinus zegt in het IIe Boek der Alleenspraken (Ve H.). Welnu, tusschen datgene wat is en datgene wat niet is, is er geen verhouding van tegenstelling, dus ook niet tusschen het ware en het valsche.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat er tussen het ware en het valse geen verhouding van tegenstelling is. Ze staan immers tegenover elkaar zoals iets wat is en iets wat niet is; want het ware is datgene wat is, zoals Augustinus zegt in het 2e Boek van de Alleenspraken (5e H.). Welnu, tussen datgene wat is en datgene wat niet is, is er geen verhouding van tegenstelling, dus ook niet tussen het ware en het valse.
2. Praeterea, unum contrariorum non est in alio : sed falsum est in vero : quia sicut dicit Augustinus in lib. 2. Solil. [cap. 10.] : « Tragoedus 496non esset falsus Hector, si non esset verus Tragoedus » ; ergo verum, et falsum non sunt contraria.
2. Van twee met elkaar strijdige dingen is het een niet in het ander. Maar het valsche is in het ware, want, zooals Augustinus zegt in het IIe Boek der Alleenspraken (Xe H.), zou de tooneelspeler geen valsche Hector zijn, indien hij geen echte tooneelspeler 496was. Dus is er tusschen het ware en het valsche geen verhouding van tegenstelling.2. Van twee met elkaar strijdige dingen is het een niet in het ander. Maar het valse is in het ware, want, zoals Augustinus zegt in het 2e Boek van de Alleenspraken (10e H.), zou de toneelspeler geen valse Hector zijn, indien hij geen echte toneelspeler 496was. Dus is er tussen het ware en het valse geen verhouding van tegenstelling.
3. Praeterea, in Deo non est contrarietas aliqua. Nihil enim divinae substantiae est contrarium, ut dicit Augustinus 12. de Civ. Dei. [cap. 2.] : sed Deo opponitur falsitas; nam idolum in Scriptura mendacium nominatur, Jerem. 8 [v. 5] : « Apprehenderunt mendacium ». Gloss. : idest idola; ergo verum, et falsum non sunt contraria.
3. In God is er geen tegenstrijdigheid. Er bestaat immers niets wat strijdig is met de goddelijke zelfstandigheid, zooals Augustinus zegt in het XIIe Boek van zijn Godsstad. Welnu, men stelt de valschheid tegenover God, want de afgod wordt in de H. Schrift leugen genoemd, nl. bij Jeremias (8, 5) : « Zij hebben de leugen aangekleefd », en daarmee worden volgens de Glossa de afgoden bedoeld. Tusschen het ware en het valsche is er dus geen verhouding van tegenstelling.3. In God is er geen tegenstrijdigheid. Er bestaat immers niets wat strijdig is met de goddelijke zelfstandigheid, zoals Augustinus zegt in het 12e Boek van zijn Godsstad. Welnu, men stelt de valsheid tegenover God, want de afgod wordt in de H. Schrift leugen genoemd, nl. bij Jeremia (8, 5): “Zij hebben de leugen aangekleefd”, en daarmee worden volgens de Glossa de afgoden bedoeld. Tussen het ware en het valse is er dus geen verhouding van tegenstelling.
Sed contra est, quod dicit Philosophus in 2. Periher. [cap. 4.] : ponit enim falsam opinionem verae contrariam.
De Wijsgeer beweert echter in het IIe Boek Over het Oordeel (IVe H.), dat tusschen een valsche en een ware meening een verhouding van tegenstelling is.De Wijsgeer beweert echter in het 2e Boek Over het Oordeel (4e H.), dat tussen een valse en een ware mening een verhouding van tegenstelling is.
Respondeo dicendum, quod verum et falsum opponuntur ut contraria, et non sicut affirmatio, et negatio, ut quidam dixerunt. Ad cujus evidentiam sciendum est, quod negatio neque ponit aliquid, neque determinat sibi aliquod subjectum. Et propter hoc potest dici tam de ente, quam de non ente : sicut 497non videns, et non sedens. Privatio autem non ponit aliquid, sed determinat sibi subjectum. Est enim negatio in subjecto, ut dicitur 4. Metaph. [l. 3, c. 2] : caecum enim non dicitur, nisi de eo, quod est natum videre. Contrarium vero et aliquid ponit, et subjectum determinat : nigrum enim est aliqua species coloris. Falsum autem aliquid ponit : est enim falsum, ut dicit Philosophus 4. Metaph. [l. 3, c. 7.] ex eo, quod dicitur, vel videtur aliquid esse, quod non est, vel non esse, quod est. Sicut enim verum ponit acceptionem adaequatam rei, ita falsum acceptionem rei non adaequatam; unde manifestum est, quod verum, et falsum sunt contraria.
Leerstelling. — Inderdaad, tusschen het ware en het valsche is er een verhouding van tegenstelling; ze verhouden zich niet tot elkaar als een bevestiging en een ontkenning, zooals sommigen gemeend hebben. Om dit duidelijk in te zien, dient men er op te letten, dat de ontkenning noch iets stelligs bevat, noch eenig subjekt aanduidt als het hare, en daarom is ze zoowel toepasselijk op het zijnde als op het niet-zijnde; zoo kan men b. v. zeggen: een 497niet-ziende, en een niet-zittende. Het gemis echter bevat niets stelligs, maar duidt een bepaald subjekt aan: het is immers een ontkenning in een subjekt, volgens het IVe Boek der Metaphysica (IIIe B., IIe H., Nr 8) : zoo is blind alleen zegbaar van iets tot welks volmaaktheid het behoort, te zien. Het tegenstrijdige daarentegen bevat iets stelligs, en kenmerkt een subjekt : zwart is immers een kleursoort. Welnu, het valsche houdt iets stelligs in; zooals de Wijsgeer zegt in het IVe Boek der Metaphysica (IIIe B., VIIe H., Nr 1), is er valschheid, wanneer men zegt of wanneer het ons toeschijnt, dat wat niet is, is, en wat is, niet is. Immers, evenals het ware een opvatting van het ding aanduidt, die er volkomen bij aansluit, zoo wijst het valsche een opvatting aan, die er niet bij aansluit. Tusschen het ware en het valsche is dus klaarblijkelijk een verhouding van tegenstelling.Leerstelling. — Inderdaad, tussen het ware en het valse is er een verhouding van tegenstelling; ze verhouden zich niet tot elkaar als een bevestiging en een ontkenning, zoals sommigen gemeend hebben. Om dit duidelijk in te zien, dient men er op te letten, dat de ontkenning noch iets stelligs bevat, noch enig subject aanduidt als het hare, en daarom is ze zowel toepasselijk op het zijnde als op het niet-zijnde; zo kan men bv. zeggen: een 497niet-ziende, en een niet-zittende. Het gemis echter bevat niets stelligs, maar duidt een bepaald subject aan: het is immers een ontkenning in een subject, volgens het 4e Boek van de Metafysica (3e B., 2e H., Nr 8): zo is blind alleen zegbaar van iets tot welks volmaaktheid het behoort, te zien. Het tegenstrijdige daarentegen bevat iets stelligs, en kenmerkt een subject: zwart is immers een kleursoort. Welnu, het valse houdt iets stelligs in; zoals de Wijsgeer zegt in het 4e Boek van de Metafysica (3e B., 7e H., Nr 1), is er valsheid, wanneer men zegt of wanneer het ons toeschijnt, dat wat niet is, is, en wat is, niet is. Immers, evenals het ware een opvatting van het ding aanduidt, die er volkomen bij aansluit, zo wijst het valse een opvatting aan, die er niet bij aansluit. Tussen het ware en het valse is dus klaarblijkelijk een verhouding van tegenstelling.
Ad primum ergo dicendum, quod id, quod est in rebus, est veritas rei; sed id, quod est ut apprehensum, est verum intellectus, in quo primo est veritas. Unde et falsum est id, quod non est, ut apprehensum. Apprehendere autem esse, et non esse, contrarietatem habet, sicut probat Philosophus in 4982. Periher. [cap. 4], quod huic opinioni : Bonum est bonum, contraria est : Bonum non est bonum.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Wat in de dingen is, is de waarheid van het ding, maar wat is, zooals het in de waarneming is, is de waarheid van het verstand, en hierin is er waarheid op de eerste plaats. Daarom is ook het valsche datgene wat is, zooals het in de waarneming niet is. Welnu, tusschen het zijn waarnemen en het niet-zijn waarnemen, is een verhouding van 498tegenstelling. Zoo bewijst de Wijsgeer in het IIe Boek Over het Oordeel (IVe H.), dat tusschen het oordeel : Het goede is goed en het oordeel : Het goede is niet goed, een verhouding van tegenstelling is.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Wat in de dingen is, is de waarheid van het ding, maar wat is, zoals het in de waarneming is, is de waarheid van het verstand, en hierin is er waarheid op de eerste plaats. Daarom is ook het valse datgene wat is, zoals het in de waarneming niet is. Welnu, tussen het zijn waarnemen en het niet-zijn waarnemen, is een verhouding van 498tegenstelling. Zo bewijst de Wijsgeer in het 2e Boek Over het Oordeel (4e H.), dat tussen het oordeel: Het goede is goed en het oordeel: Het goede is niet goed, een verhouding van tegenstelling is.
Ad secundum dicendum, quod falsum non fundatur in vero sibi contrario, sicut nec malum in bono sibi contrario, sed in eo, quod sibi subjicitur. Et hoc ideo in utroque accidit, quia verum et bonum contraria sunt falso et malo. Unde, sicut omnis privatio fundatur in subjecto, quod est ens : ita omne malum fundatur in aliquo bono, et omne falsum in aliquo vero.
2. Het valsche is niet gegrond op het ware, dat er strijdig mee is, zoomin als het kwaad steunt op het goede, dat er strijdig mee is, maar op het subjekt er van. En dit komt in beide gevallen voor, omdat het ware en het goede strijdig zijn met het valsche en het kwade, en omkeerbaar zijn met het zijnde. Daarom is elk kwaad gegrond op een goed, en iedere valschheid op een waarheid, zooals elk gemis gegrond is op een subjekt dat een zijnde is.2. Het valse is niet gegrond op het ware, dat er strijdig mee is, zomin als het kwaad steunt op het goede, dat er strijdig mee is, maar op het subject er van. En dit komt in beide gevallen voor, omdat het ware en het goede strijdig zijn met het valse en het kwade, en omkeerbaar zijn met het zijnde. Daarom is elk kwaad gegrond op een goed, en iedere valsheid op een waarheid, zoals elk gemis gegrond is op een subject dat een zijnde is.
Ad tertium dicendum, quod, quia contraria, et opposita privative nata sunt fieri circa idem, ideo Deo, prout in se consideratur, non est aliquid contrarium, neque ratione suae bonitatis, neque ratione suae veritatis : quia in intellectu ejus non potest esse falsitas aliqua : sed in apprehensione nostra habet aliquid contrarium : nam verae opinioni de ipso contrariatur falsa opinio. Et sic idola mendacia dicuntur opposita veritati divinae, inquantum falsa opinio de idolis contrariatur verae opinioni de unitate Dei.
3. De termen van een tegenstelling-door-tegenstrijdigheid of door gemis, slaan uiteraard op eenzelfde ding. Daarom vinden wij in God, op zichzelf beschouwd, niets wat met Hem strijdig is, noch naar zijn goedheid, noch naar zijn waarheid, daar er in zijn verstand geen valschheid kan zijn. In onze opvatting echter vinden wij iets wat strijdig is met Hem, want de valsche meening omtrent God is strijdig met de ware. Daarom stelt men de afgoden als leugens tegenover de goddelijke waarheid, voor zoover de valsche meening omtrent de afgoden in strijd is met de ware meening omtrent de eenheid van God.3. De termen van een tegenstelling-door-tegenstrijdigheid of door gemis, slaan uiteraard op eenzelfde ding. Daarom vinden wij in God, op zichzelf beschouwd, niets wat met Hem strijdig is, noch naar zijn goedheid, noch naar zijn waarheid, daar er in zijn verstand geen valsheid kan zijn. In onze opvatting echter vinden wij iets wat strijdig is met Hem, want de valse mening omtrent God is strijdig met de ware. Daarom stelt men de afgoden als leugens tegenover de goddelijke waarheid, voor zover de valse mening omtrent de afgoden in strijd is met de ware mening omtrent de eenheid van God.