Theologische Summa · Deel II · Over de DrievuldigheidSumma · Deel II · Over de DrievuldigheidSumma · Deel IIDeel II

Deel II · Over de Drievuldigheid

P. I, q. 27–43 · Antwerpen, Geloofsverdediging, 1933

  1. Kw. 27 Over de voortkomst van de goddelijke Personen
    1. Art. 1 Is er een voortkomst in God?
    2. Art. 2 Is er in de Godheid een voortkomst die « voortbrenging » of « geboorte » kan genoemd worden?Is er in de Godheid een voortkomst die “voortbrenging” of “geboorte” kan genoemd worden?
    3. Art. 3 Is er buiten de geboorte nog een andere voortkomst in de Godheid?
    4. Art. 4 Is de voortkomst van de liefde in God een voortbrenging of geboorte?
    5. Art. 5 Zijn er in God meer dan twee voortkomsten?
  2. Kw. 28 Over de goddelijke betrekkingen
    1. Art. 1 Zijn er eenige werkelijke betrekkingen in God?Zijn er enige werkelijke betrekkingen in God?
    2. Art. 2 Is de betrekking in God hetzelfde als zijn wezenheid?
    3. Art. 3 Zijn de betrekkingen, die in God zijn, werkelijk van elkaar onderscheiden?
    4. Art. 4 Zijn er in God slechts vier werkelijke betrekkingen, te weten het vaderschap, het zoonschap, de aanademing en de voortkomst?
  3. Kw. 29 Over de goddelijke personen
    1. Art. 1 Over de bepaling van den persoonOver de bepaling van de persoon
    2. Art. 2 Is de persoon hetzelfde als de hypostase, als het zelfstandig-staande en als de wezenheid?
    3. Art. 3 Mag men aan God den naam « persoon » toekennen?Mag men aan God de naam “persoon” toekennen?
    4. Art. 4 Beteekent de naam « persoon » de betrekking?Betekent de naam “persoon” de betrekking?
  4. Kw. 30 Over de veelheid van de personen in God
    1. Art. 1 Moeten we aannemen dat er in God verscheidene personen zijn?
    2. Art. 2 Zijn er in God meer dan drie personen?
    3. Art. 3 Beduiden de telwoorden iets werkelijks in God?
    4. Art. 4 Kan de naam « persoon » gemeen zijn aan de drie personen?Kan de naam “persoon” gemeen zijn aan de drie personen?
  5. Kw. 31 Over hetgeen behoort tot de eenheid en de veelheid in het goddelijke
    1. Art. 1 Bestaat er 'n drievuldigheid in God?
    2. Art. 2 Is de Zoon een andere dan de Vader?
    3. Art. 3 Mag men het woord « alleen, » dat een exclusieve beteekenis heeft, voegen bij een wezensterm in God?Mag men het woord “alleen,” dat een exclusieve betekenis heeft, voegen bij een wezensterm in God?
    4. Art. 4 Mag men dat woord met exclusieve beteekenis voegen bij een persoonsterm?Mag men dat woord met exclusieve betekenis voegen bij een persoonsterm?
  6. Kw. 32 Over onze kennis van de goddelijke personen
    1. Art. 1 Kan de Drievuldigheid van Personen in God door de natuurlijke rede gekend worden?
    2. Art. 2 Mogen we houden dat er in de Godheid kenmerken zijn?
    3. Art. 3 Zijn er vijf kenmerken?
    4. Art. 4 Mogen er over de kenmerken tegengestelde meeningen op na gehouden worden?Mogen er over de kenmerken tegengestelde meningen op na gehouden worden?
  7. Kw. 33 Over den persoon van den VaderOver de persoon van de Vader
    1. Art. 1 Komt het den Vader toe « beginsel » te zijn?Komt het de Vader toe “beginsel” te zijn?
    2. Art. 2 Is de naam « Vader » een eigen naam van een goddelijken Persoon?Is de naam “Vader” een eigen naam van een goddelijken Persoon?
    3. Art. 3 Wordt de naam « Vader » op de eerste plaats als een persoonsnaam aan God toegeschreven?Wordt de naam “Vader” op de eerste plaats als een persoonsnaam aan God toegeschreven?
    4. Art. 4 Is het « ongeboren zijn » eigen aan den Vader?Is het “ongeboren zijn” eigen aan de Vader?
  8. Kw. 34 Over den persoon van den ZoonOver de persoon van de Zoon
    1. Art. 1 Duidt de benaming « Woord » in de Godheid een Persoon aan?Duidt de benaming “Woord” in de Godheid een Persoon aan?
    2. Art. 2 Is « het Woord » een eigen naam van den Zoon?Is “het Woord” een eigen naam van de Zoon?
    3. Art. 3 Sluit de benaming « Woord » een gericht zijn op de schepselen in?Sluit de benaming “Woord” een gericht zijn op de schepselen in?
  9. Kw. 35 Over de benaming « Beeld van den Vader »Over de benaming “Beeld van de Vader”
    1. Art. 1 Is de benaming « Beeld » op een goddelijken Persoon toepasselijk?Is de benaming “Beeld” op een goddelijken Persoon toepasselijk?
    2. Art. 2 Is de benaming « Beeld » eigen aan den Zoon?Is de benaming “Beeld” eigen aan de Zoon?
  10. Kw. 36 Over den Heiligen GeestOver de Heilige Geest
    1. Art. 1 Is de benaming « Heilige Geest » eigen aan een goddelijken Persoon?Is de benaming “Heilige Geest” eigen aan een goddelijken Persoon?
    2. Art. 2 Komt de Heilige Geest voort van den Zoon?Komt de Heilige Geest voort van de Zoon?
    3. Art. 3 Komt de Heilige Geest voort van den Vader door den Zoon?Komt de Heilige Geest voort van de Vader door de Zoon?
    4. Art. 4 Vormen de Vader en de Zoon één beginsel ten opzichte van den Heiligen Geest?Vormen de Vader en de Zoon één beginsel ten opzichte van de Heilige Geest?
  11. Kw. 37 Over de benaming « Liefde » waarmede de Heilige Geest genoemd wordtOver de benaming “Liefde” waarmede de Heilige Geest genoemd wordt
    1. Art. 1 Is « Liefde » een eigen benaming van den Heiligen Geest?Is “Liefde” een eigen benaming van de Heilige Geest?
    2. Art. 2 Beminnen de Vader en de Zoon elkaar door den Heiligen Geest?Beminnen de Vader en de Zoon elkaar door de Heilige Geest?
  12. Kw. 38 Over de benaming « Gave » waarmede de Heilige Geest wordt aangeduidOver de benaming “Gave” waarmede de Heilige Geest wordt aangeduid
    1. Art. 1 Is « Gave » de benaming van een persoon?Is “Gave” de benaming van een persoon?
    2. Art. 2 Is « Gave » een eigen benaming van den Heiligen Geest?Is “Gave” een eigen benaming van de Heilige Geest?
  13. Kw. 39 Over de personen in verband met de wezenheid
    1. Art. 1 Is in God de wezenheid hetzelfde als de persoon?
    2. Art. 2 Mag men zeggen dat de drie Personen van één wezenheid zijn?
    3. Art. 3 Worden de wezensnamen in het enkelvoud aan de drie Personen toegekend?
    4. Art. 4 Kunnen de konkrete wezensnamen staan voor den persoon?Kunnen de concrete wezensnamen staan voor de persoon?
    5. Art. 5 Kunnen de wezensnamen in abstrakten zin genomen staan voor den persoon?Kunnen de wezensnamen in abstracte zin genomen staan voor de persoon?
    6. Art. 6 Kunnen de personen als gezegde van de wezensnamen optreden?
    7. Art. 7 Mag men de wezensnamen aan de personen toeëigenen?
    8. Art. 8 Hebben de heilige Leeraren een geschikt gebruik gemaakt van de toeschrijving der wezenseigenschappen aan de Personen?Hebben de heilige Leraren een geschikt gebruik gemaakt van de toeschrijving van de wezenseigenschappen aan de Personen?
  14. Kw. 40 Over de personen in vergelijking met de betrekkingen of eigenschappen
    1. Art. 1 Is betrekking en persoon een en hetzelfde?
    2. Art. 2 Zijn de personen onderscheiden door de betrekkingen?
    3. Art. 3 Blijven de hypostasen nog, wanneer men met het verstand de betrekkingen wegdenkt van de personen?
    4. Art. 4 Gaat het begrip van de kenmerkende daden aan het begrip van de eigenschappen vooraf?
  15. Kw. 41 Over de personen beschouwd in verband met de kenmerkende daden
    1. Art. 1 Moeten er aan de personen kenmerkende daden worden toegeschreven?
    2. Art. 2 Zijn de kenmerkende daden vrijwillige daden?
    3. Art. 3 Doen de kenmerkende daden de personen voortkomen uit iets?
    4. Art. 4 Is er in de Godheid een vermogen ten opzichte van de kenmerkende daden?
    5. Art. 5 Beteekent het voortbrengingsvermogen de betrekking en niet de wezenheid?Betekent het voortbrengingsvermogen de betrekking en niet de wezenheid?
    6. Art. 6 Kan de kenmerkende daad verscheidene personen als eindpunt hebben?
  16. Kw. 42 Over de gelijkheid en de gelijkenis der goddelijke personen onderlingOver de gelijkheid en de gelijkenis van de goddelijke personen onderling
    1. Art. 1 Kan er gelijkheid zijn in de Godheid?
    2. Art. 2 Is een voortkomende Persoon mede-eeuwig met zijn beginsel, b. v. de Zoon met den Vader?Is een voortkomende Persoon mede-eeuwig met zijn beginsel, bv. de Zoon met de Vader?
    3. Art. 3 Is er tusschen de goddelijke Personen orde in natuur?Is er tussen de goddelijke Personen orde in natuur?
    4. Art. 4 Is de Zoon in grootte aan den Vader gelijk?Is de Zoon in grootte aan de Vader gelijk?
    5. Art. 5 Is de Zoon in den Vader en de Vader in den Zoon?Is de Zoon in de Vader en de Vader in de Zoon?
    6. Art. 6 Is de Zoon in macht aan den Vader gelijk?Is de Zoon in macht aan de Vader gelijk?
  17. Kw. 43 Over de zending van de goddelijke personen
    1. Art. 1 Komt het aan een goddelijken Persoon toe gezonden te worden?
    2. Art. 2 Is de zending eeuwig of geschiedt ze alleen in den tijd?Is de zending eeuwig of geschiedt ze alleen in de tijd?
    3. Art. 3 Geschiedt de onzichtbare zending van een goddelijken Persoon alleen door de gave van heiligmakende genade?
    4. Art. 4 Komt het aan den Vader toe gezonden te worden?Komt het aan de Vader toe gezonden te worden?
    5. Art. 5 Komt het aan den Zoon toe op onzichtbare wijze gezonden te worden?Komt het aan de Zoon toe op onzichtbare wijze gezonden te worden?
    6. Art. 6 Wordt de onzichtbare zending gericht tot allen die de genade deelen?Wordt de onzichtbare zending gericht tot allen die de genade delen?
    7. Art. 7 Komt het aan den Heiligen Geest toe op zichtbare wijze gezonden te worden?Komt het aan de Heilige Geest toe op zichtbare wijze gezonden te worden?
    8. Art. 8 Wordt een goddelijke Persoon alleen gezonden door Hem uit wien Hij eeuwig voortkomt?Wordt een goddelijke Persoon alleen gezonden door Hem uit wie Hij eeuwig voortkomt?