De relationibus
Over de goddelijke betrekkingen
23Deinde considerandum est de Relationibus divinis.
23Vervolgens moet er gehandeld worden over de goddelijke betrekkingen.
Et circa hoc quaeruntur quatuor: 1. Utrum in Deo sint aliquae relationes reales. — 2. Utrum illae relationes sint ipsa essentia divina, vel sint extrinsecus affixae. — 3. Utrum possint esse in Deo plures relationes realiter distinctae ab invicem. — 4. De numero harum relationum.
Hieromtrent stellen we vier vragen: 1. Zijn er eenige werkelijke betrekkingen in God? 2. Zijn die betrekkingen Gods wezenheid zelf of zijn ze er uiterlijk aan toegevoegd? 3. Kunnen er meerdere van elkaar werkelijk onderscheidene betrekkingen in God zijn? 4. Hoeveel betrekkingen zijn er alzoo?Hieromtrent stellen we vier vragen: 1. Zijn er enige werkelijke betrekkingen in God? 2. Zijn die betrekkingen Gods wezenheid zelf of zijn ze er uiterlijk aan toegevoegd? 3. Kunnen er meerdere van elkaar werkelijk onderscheidene betrekkingen in God zijn? 4. Hoeveel betrekkingen zijn er alzo?
Utrum in Deo sint aliquae relationes reales
Zijn er eenige werkelijke betrekkingen in God?Zijn er enige werkelijke betrekkingen in God?
Ad primum sic proceditur. Videtur, quod in Deo non sint aliquae 24relationes reales. Dicit enim Boetius in libro de Trin. quod, cum quis praedicamenta in divinam vertit praedicationem, cuncta mutantur in substantiam, quae praedicari possunt; ad aliquid vero omnino non potest secundum substantiam1 praedicari: sed quidquid est realiter in Deo, de ipso praedicari potest; ergo relatio non est realiter in Deo.
Bedenkingen. — Men beweert dat er geen werkelijke 24betrekkingen in God zijn. — 1. Boëtius leert immers in zijn boek Over de Drievuldigheid (4e H.), dat, « wanneer iemand de kategorieën op God wil toepassen om iets van Hem te zeggen, alle gezegden de zelfstandigheid beduiden; « op iets gericht zijn » mag echter volstrekt niet van God gezegd worden. » Nochtans moet alles wat werkelijk in God is, van Hem kunnen gezegd worden. Er is dus geen werkelijke betrekking in God.Bedenkingen. — Men beweert dat er geen werkelijke 24betrekkingen in God zijn. — 1. Boëtius leert immers in zijn boek Over de Drievuldigheid (4e H.), dat, “wanneer iemand de categorieën op God wil toepassen om iets van Hem te zeggen, alle gezegden de zelfstandigheid beduiden; ‘op iets gericht zijn’ mag echter volstrekt niet van God gezegd worden.” Nochtans moet alles wat werkelijk in God is, van Hem kunnen gezegd worden. Er is dus geen werkelijke betrekking in God.
2. Praeterea, dicit Boetius in eodem lib. [cap. 6] quod similis est relatio in Trinitate Patris ad Filium, et utriusque ad Spiritum Sanctum, ut ejus, quod est idem, ad id, quod est idem: sed hujusmodi relatio est rationis tantum; quia omnis relatio realis exigit duo extrema realiter; ergo relationes, quae ponuntur in divinis, non sunt reales relationes sed rationis tantum.
2. Boëtius zegt in datzelfde boek (6e H.), dat « de betrekking welke in de Drievuldigheid aanwezig is, nl. de betrekking van den Vader tot den Zoon en van beiden tot den H. Geest, kan vergeleken worden met die van hetzelfde tot hetzelfde. » Maar zulk een betrekking is slechts een gedachte, geen werkelijke betrekking, want iedere werkelijke betrekking vergt twee werkelijke uitgangspunten. Bijgevolg zijn de betrekkingen die men aan God toeschrijft geen werkelijke, maar alleen gedachte betrekkingen.2. Boëtius zegt in datzelfde boek (6e H.), dat “de betrekking welke in de Drievuldigheid aanwezig is, nl. de betrekking van de Vader tot de Zoon en van beiden tot de H. Geest, kan vergeleken worden met die van hetzelfde tot hetzelfde.” Maar zulk een betrekking is slechts een gedachte, geen werkelijke betrekking, want iedere werkelijke betrekking vergt twee werkelijke uitgangspunten. Bijgevolg zijn de betrekkingen die men aan God toeschrijft geen werkelijke, maar alleen gedachte betrekkingen.
3. Praeterea, relatio paternitatis est relatio principii: sed cum dicitur, Deus est principium creaturarum, non importatur aliqua relatio realis, sed rationis tantum; ergo nec paternitas in divinis est relatio realis. Et eadem ratione nec aliae relationes, quae ponuntur ibi.
3. De betrekking van het vaderschap is de betrekking van een beginsel. Wanneer men echter zegt dat God het beginsel is van de schepselen, wil men daarmee niet een werkelijke doch slechts een gedachte betrekking aanduiden. Dus is ook het vaderschap in God geen werkelijke betrekking. En om dezelfde reden zijn ook de andere betrekkingen in God geen werkelijke betrekkingen.
254. Praeterea, generatio in divinis est secundum intelligibilis verbi processionem: sed relationes, quae consequuntur operationem intellectus, sunt relationes rationis; ergo paternitas et filiatio, quae dicuntur in divinis secundum generationem, sunt relationes rationis tantum.
254. De geboorte in God geschiedt door de voortkomst van het woord in het verstand. Maar de betrekkingen die volgen op de verstandsdaad zijn gedachte betrekkingen. De betrekkingen van vaderschap en zoonschap, die wij aan God toekennen, zijn bijgevolg enkel gedachte betrekkingen.
Sed contra est, quod pater non dicitur nisi a paternitate, et filius a filiatione: si igitur paternitas, et filiatio non sunt in Deo realiter, sequitur, quod Deus non sit realiter Pater, aut Filius, sed secundum rationem intelligentiae tantum: quod est haeresis Sabelliana.
Maar daartegenover staat dat iemand alleen vader is door het vaderschap en zoon door het zoonschap. Indien dus het vaderschap en het zoonschap niet werkelijk in God zijn, dan dient men daaruit te besluiten dat God niet in werkelijkheid Vader is of Zoon, maar alleen alzoo gedacht wordt; en dit is de ketterij van Sabellius.Maar daartegenover staat dat iemand alleen vader is door het vaderschap en zoon door het zoonschap. Indien dus het vaderschap en het zoonschap niet werkelijk in God zijn, dan dient men daaruit te besluiten dat God niet in werkelijkheid Vader is of Zoon, maar alleen alzo gedacht wordt; en dit is de ketterij van Sabellius.
Respondeo dicendum, quod relationes quaedam sunt in divinis realiter. Ad cujus evidentiam considerandum est, quod solum in his, quae dicuntur ad aliquid, inveniuntur aliqua secundum rationem tantum, et non secundum rem. Quod non est in aliis generibus: quia alia genera, ut quantitas, et qualitas, secundum propriam rationem significant aliquid alicui inhaerens. Ea vero, quae dicuntur ad aliquid, significant secundum propriam rationem solum respectum ad aliud. Qui quidem respectus aliquando est in ipsa 26natura rerum, utpote quando aliquae res secundum suam naturam ad invicem ordinatae sunt, et invicem inclinationem habent. Et hujusmodi relationes oportet esse reales. Sicut in corpore gravi est inclinatio, et ordo ad locum medium. Unde respectus quidam est in ipso gravi respectu loci medii: et similiter est de aliis hujusmodi. Aliquando vero respectus significatus per ea, quae dicuntur ad aliquid, est tantum in ipsa apprehensione rationis conferentis unum alteri : et tunc est relatio rationis tantum. Sicut cum comparat ratio hominem animali, ut speciem ad genus. Cum autem aliquid procedit a principio ejusdem naturae necesse est, quod ambo, scilicet procedens, et id, a quo procedit, in eodem ordine conveniant: et sic oportet, quod habeant reales respectus ad invicem. Cum igitur processiones in divinis sint in identitate naturae, ut ostensum est [q. 27. a. 3 ad 2], necesse est, quod relationes, quae secundum processiones divinas accipiuntur, sint relationes reales.
Leerstelling. — Er zijn in God eenige betrekkingen op werkelijke wijze aanwezig. Dit blijkt als volgt. Alleen onder de dingen waarvan men zegt dat zij op iets gericht zijn, treft men er sommige aan, die louter gedachtedingen zijn en niet in werkelijkheid bestaan. Dit is niet het geval met de andere kategorieën. Want de andere kategorieën, als de hoegrootheid en de hoedanigheid, beteekenen uiteraard iets dat in een subjekt is. De betrekking daarentegen zegt uiteraard niets meer dan een gericht zijn op iets anders. Soms nu is dit op-iets-anders-gericht-zijn iets in de natuur 26zelf der dingen, b. v. wanneer sommige dingen door hun natuur zelf op elkaar zijn aangewezen en een neiging hebben tot elkaar. Zulke betrekkingen moeten werkelijke betrekkingen zijn. Zoo wordt het lichaam door zijn zwaartekracht naar het middelpunt gericht en gedreven; en bijgevolg is er in het zware lichaam een gericht-zijn-op het middelpunt aanwezig. Zoo staat het ook met andere dergelijke dingen. Maar soms is het op-iets-gericht-zijn, dat door de betrekkingen wordt aangeduid, enkel in het verstand, in zoover nl. het verstand een ding in verband brengt met een ander; dan is de betrekking een louter gedachte betrekking, b. v. wanneer ons verstand het begrip mensch en het begrip dier als soort en geslacht met elkaar vergelijkt. Wanneer nu een ding voortkomt van een beginsel dat dezelfde natuur bezit, moeten beiden, nl. datgene wat voortkomt en datgene waarvan het voortkomt, noodzakelijk tot een zelfde orde behooren en zoo moeten zij een werkelijk gericht-zijn hebben op elkaar. Daar nu de voortkomsten die in God zijn, tot een en dezelfde natuur behooren, zooals we hierboven hebben aangetoond (27e Kw., 3e Art., Antw. op de 2e Bedenking), moeten de betrekkingen, die wij met het oog op de goddelijke voortkomsten aanvaarden, ook werkelijke betrekkingen zijn.Leerstelling. — Er zijn in God enige betrekkingen op werkelijke wijze aanwezig. Dit blijkt als volgt. Alleen onder de dingen waarvan men zegt dat zij op iets gericht zijn, treft men er sommige aan, die louter gedachtedingen zijn en niet in werkelijkheid bestaan. Dit is niet het geval met de andere categorieën. Want de andere categorieën, als de hoegrootheid en de hoedanigheid, betekenen uiteraard iets dat in een subject is. De betrekking daarentegen zegt uiteraard niets meer dan een gericht zijn op iets anders. Soms nu is dit op-iets-anders-gericht-zijn iets in de natuur 26zelf van de dingen, bv. wanneer sommige dingen door hun natuur zelf op elkaar zijn aangewezen en een neiging hebben tot elkaar. Zulke betrekkingen moeten werkelijke betrekkingen zijn. Zo wordt het lichaam door zijn zwaartekracht naar het middelpunt gericht en gedreven; en bijgevolg is er in het zware lichaam een gericht-zijn-op het middelpunt aanwezig. Zo staat het ook met andere dergelijke dingen. Maar soms is het op-iets-gericht-zijn, dat door de betrekkingen wordt aangeduid, enkel in het verstand, in zover nl. het verstand een ding in verband brengt met een ander; dan is de betrekking een louter gedachte betrekking, bv. wanneer ons verstand het begrip mens en het begrip dier als soort en geslacht met elkaar vergelijkt. Wanneer nu een ding voortkomt van een beginsel dat dezelfde natuur bezit, moeten beiden, nl. datgene wat voortkomt en datgene waarvan het voortkomt, noodzakelijk tot een zelfde orde behoren en zo moeten zij een werkelijk gericht-zijn hebben op elkaar. Daar nu de voortkomsten die in God zijn, tot een en dezelfde natuur behoren, zoals we hierboven hebben aangetoond (27e Kw., 3e Art., Antw. op de 2e Bedenking), moeten de betrekkingen, die wij met het oog op de goddelijke voortkomsten aanvaarden, ook werkelijke betrekkingen zijn.
27Ad primum ergo dicendum, quod ad aliquid dicitur non omnino praedicari in Deo secundum propriam rationem ejus, quod dicitur ad aliquid, inquantum scilicet propria ratio ejus, quod ad aliquid dicitur, non accipitur per comparationem ad illud, cui inest relatio, sed per respectum ad alterum; non autem per hoc excludere voluit, quod relatio non esset in Deo; sed quod non praedicaretur per modum inhaerentis secundum propriam relationis rationem, sed magis per modum ad aliud se habentis.
27Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Men antwoordde hierop dat we de kategorie op-iets-gericht-zijn, wanneer we het eigen begrip ervan beschouwen, aan God volstrekt niet mogen toekennen, daar we door dit begrip geen verhouding uitdrukken tot den drager van de betrekking, doch wel tot iets anders. Daarmee bedoelde Boëtius echter niet dat er in God geen werkelijke betrekking is, maar slechts dat de betrekking, zoo we het eigen begrip ervan in acht nemen, Hem niet als iets dat in een subjekt is, doch veeleer als iets dat op iets anders gericht is, wordt toegekend.27Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Men antwoordde hierop dat we de categorie op-iets-gericht-zijn, wanneer we het eigen begrip ervan beschouwen, aan God volstrekt niet mogen toekennen, daar we door dit begrip geen verhouding uitdrukken tot de drager van de betrekking, doch wel tot iets anders. Daarmee bedoelde Boëtius echter niet dat er in God geen werkelijke betrekking is, maar slechts dat de betrekking, zo we het eigen begrip ervan in acht nemen, Hem niet als iets dat in een subject is, doch veeleer als iets dat op iets anders gericht is, wordt toegekend.
Ad secundum dicendum, quod relatio, quae importatur per hoc nomen, idem, est relatio rationis tantum, si accipiatur simpliciter idem; quia hujusmodi relatio non potest consistere, nisi in quodam ordine, quem ratio adinvenit alicujus ad seipsum secundum aliquas ejus duas considerationes. Secus autem est, cum dicuntur aliqua eadem esse non in numero, sed in natura generis, sive speciei. Boetius igitur relationes quae sunt in divinis, assimilat relationi identitatis, non quantum ad omnia, sed quantum ad hoc solum, quod per hujusmodi relationes non diversificatur substantia, sicut nec per relationem identitatis.
2. De betrekking die we met dit woord « hetzelfde » uitdrukken is, indien we iets bedoelen dat eenvoudigweg hetzelfde is, een louter gedachte betrekking. Want zulk eene betrekking kan niets anders zijn dan een gericht-zijn dat onze rede uitdenkt wanneer we een zelfde ding onder tweeërlei beschouwing met zichzelf vergelijken. Maar de zaak wordt geheel anders, wanneer men gaat zeggen dat zij hetzelfde zijn, niet omdat zij numeriek hetzelfde zijn, maar omdat zij een zelfde geslachtelijke of soortelijke natuur hebben. Boëtius nu stelt de betrekkingen die in God zijn, niet onder alle opzichten op één lijn met de betrekking van eenzelvigheid, maar alleen in zoover die betrekkingen, evenmin als deze van eenzelvigheid, de zelfstandigheid niet vermenigvuldigen.2. De betrekking die we met dit woord “hetzelfde” uitdrukken is, indien we iets bedoelen dat eenvoudigweg hetzelfde is, een louter gedachte betrekking. Want zulk een betrekking kan niets anders zijn dan een gericht-zijn dat onze rede uitdenkt wanneer we een zelfde ding onder tweeërlei beschouwing met zichzelf vergelijken. Maar de zaak wordt geheel anders, wanneer men gaat zeggen dat zij hetzelfde zijn, niet omdat zij numeriek hetzelfde zijn, maar omdat zij een zelfde geslachtelijke of soortelijke natuur hebben. Boëtius nu stelt de betrekkingen die in God zijn, niet onder alle opzichten op één lijn met de betrekking van eenzelvigheid, maar alleen in zover die betrekkingen, evenmin als deze van eenzelvigheid, de zelfstandigheid niet vermenigvuldigen.
28Ad tertium dicendum, quod, cum creatura procedat a Deo in diversitate naturae, Deus est extra ordinem totius creaturae nec ex ejus natura est ejus habitudo ad creaturas. Non enim producit creaturas ex necessitate suae naturae, sed per intellectum, et per voluntatem, ut supra dictum est [q. 14 a. 8. et q. 19. a. 4.]. Et ideo in Deo non est realis relatio ad creaturas, sed in creaturis est realis relatio ad Deum: quia creaturae continentur sub ordine divino, et in earum natura est, quod dependeant a Deo: sed processiones divinae sunt in eadem natura; unde non est similis ratio.
283. Daar het schepsel van God voortkomt met een natuur die van de goddelijke natuur onderscheiden is, staat God buiten heel de geschapene orde, en is niet door zijn natuur zelf op de schepselen gericht. Hij brengt immers de schepselen niet voort uit noodzakelijken aandrang van zijn natuur, maar, zooals we hierboven (14e Kw., 8e Art. en 19e Kw., 4e Art.) gezegd hebben, door verstand en wil. En daarom is er in God geen werkelijke betrekking tot de schepselen aanwezig. Maar de schepselen zelf staan wel in werkelijke betrekking tot God. Ze behooren immers tot een door God vastgestelde orde, en zijn van nature uit van God afhankelijk. In de goddelijke voortkomsten echter is er slechts een zelfde goddelijke natuur, en daarom is in dit geval de tegenwerping niet houdbaar.283. Daar het schepsel van God voortkomt met een natuur die van de goddelijke natuur onderscheiden is, staat God buiten heel de geschapene orde, en is niet door zijn natuur zelf op de schepselen gericht. Hij brengt immers de schepselen niet voort uit noodzakelijke aandrang van zijn natuur, maar, zoals we hierboven (14e Kw., 8e Art. en 19e Kw., 4e Art.) gezegd hebben, door verstand en wil. En daarom is er in God geen werkelijke betrekking tot de schepselen aanwezig. Maar de schepselen zelf staan wel in werkelijke betrekking tot God. Ze behoren immers tot een door God vastgestelde orde, en zijn van nature uit van God afhankelijk. In de goddelijke voortkomsten echter is er slechts een zelfde goddelijke natuur, en daarom is in dit geval de tegenwerping niet houdbaar.
Ad quartum dicendum, quod relationes, quae consequuntur solam operationem intellectus, in ipsis rebus intellectis, sunt relationes rationis tantum, quia scilicet eas ratio adinvenit inter duas res intellectas. Sed relationes, quae consequuntur operationem intellectus, quae sunt inter verbum intellectualiter procedens, et illud, a quo procedit, non sunt relationes rationis tantum, sed rei; quia et ipse intellectus, et ratio est quaedam res; et comparatur realiter 29ad id, quod procedit intelligibiliter sicut res corporalis ad id, quod procedit corporaliter. Et sic paternitas, et filiatio sunt relationes reales in divinis.
4. De betrekkingen die we alleen maar met ons verstand aan de dingen die we kennen toevoegen, zijn louter gedachte betrekkingen, omdat ze door onze rede worden uitgedacht tusschen twee dingen, in zoover deze in onze kennis aanwezig zijn. Maar de betrekkingen die met de verstandsdaad ontstaan tusschen het woord dat van het verstand voortkomt en het verstand waarvan het voortkomt, zijn niet slechts gedachte maar werkelijke betrekkingen. Want het verstand zelf of de rede is een zeker ding, dat in werkelijke verhouding staat tot datgene wat er op verstandelijke wijze van voortkomt, evenals een stoffelijk wezen zich verhoudt tot 29datgene wat er op stoffelijke wijze uit voortspruit. En alzoo zijn het vaderschap en het zoonschap in God werkelijke betrekkingen.4. De betrekkingen die we alleen maar met ons verstand aan de dingen die we kennen toevoegen, zijn louter gedachte betrekkingen, omdat ze door onze rede worden uitgedacht tussen twee dingen, in zover deze in onze kennis aanwezig zijn. Maar de betrekkingen die met de verstandsdaad ontstaan tussen het woord dat van het verstand voortkomt en het verstand waarvan het voortkomt, zijn niet slechts gedachte maar werkelijke betrekkingen. Want het verstand zelf of de rede is een zeker ding, dat in werkelijke verhouding staat tot datgene wat er op verstandelijke wijze van voortkomt, evenals een stoffelijk wezen zich verhoudt tot 29datgene wat er op stoffelijke wijze uit voortspruit. En alzo zijn het vaderschap en het zoonschap in God werkelijke betrekkingen.
Utrum relatio in Deo sit idem, quod sua essentia
Is de betrekking in God hetzelfde als zijn wezenheid?
Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod relatio in Deo non sit idem, quod sua essentia. Dicit enim Augustinus in 5. de Trinit. [cap. 5.] quod non omne, quod dicitur in Deo, dicitur secundum substantiam. Dicitur enim ad aliquid, sicut pater ad filium: sed haec non secundum substantiam dicuntur; ergo relatio non est divina essentia.
Bedenkingen. — Men beweert dat de betrekking in God niet hetzelfde is als zijn wezenheid. — 1. Augustinus leert immers in zijn boek Over de Drievuldigheid (5e B., 5e H.) dat « we niet met alles wat we van God zeggen zijn zelfstandigheid bedoelen. Er is immers iets in God waarvan men zegt dat het op iets gericht is, zooals de Vader op den Zoon; maar dit zegt men niet met het oog op de zelfstandigheid. » Dus is de betrekking niet hetzelfde als de goddelijke wezenheid.Bedenkingen. — Men beweert dat de betrekking in God niet hetzelfde is als zijn wezenheid. — 1. Augustinus leert immers in zijn boek Over de Drievuldigheid (5e B., 5e H.) dat “we niet met alles wat we van God zeggen zijn zelfstandigheid bedoelen. Er is immers iets in God waarvan men zegt dat het op iets gericht is, zoals de Vader op de Zoon; maar dit zegt men niet met het oog op de zelfstandigheid.” Dus is de betrekking niet hetzelfde als de goddelijke wezenheid.
2. Praeterea, Augustinus dicit 7. de Trinit. [cap. 1.]: « Omnis res, quae relative dicitur, est etiam aliquid, excepto relativo: sicut homo dominus et homo servus ». Si igitur relationes aliquae sunt in Deo, oportet 30esse in Deo aliquid aliud praeter relationes: sed hoc aliud non potest esse, nisi essentia; ergo essentia est aliud a relationibus.
2. In zijn boek Over de Drievuldigheid (7e B., 1e H.) leert Augustinus verder dat « alle dingen, waarvan men zegt dat zij op iets gericht zijn, ook nog benevens het betrekkelijke iets zijn, zooals de mensch die heer is en de mensch die dienaar is. » Dus is er in 30God, indien er in Hem werkelijke betrekkingen worden aangetroffen, nog iets anders buiten de betrekkingen. Welnu dit kan niets anders zijn dan zijn wezenheid. De wezenheid is dus niet hetzelfde als de betrekkingen.2. In zijn boek Over de Drievuldigheid (7e B., 1e H.) leert Augustinus verder dat “alle dingen, waarvan men zegt dat zij op iets gericht zijn, ook nog benevens het betrekkelijke iets zijn, zoals de mens die heer is en de mens die dienaar is.” Dus is er in 30God, indien er in Hem werkelijke betrekkingen worden aangetroffen, nog iets anders buiten de betrekkingen. Welnu dit kan niets anders zijn dan zijn wezenheid. De wezenheid is dus niet hetzelfde als de betrekkingen.
3. Praeterea, esse relativi est ad aliud se habere, ut dicitur in Praedicamentis [cap. 5. n. 24]. Si igitur relatio sit ipsa divina essentia, sequitur, quod esse divinae essentiae sit ad aliud se habere: quod repugnat perfectioni divini esse, quod est maxime absolutum, et per se subsistens, ut supra ostensum est [ q. 3. art. 4.] ; non igitur relatio est ipsa essentia divina.
3. Het zijn van het betrekkelijke is, zooals we lezen in het boek Over de Kategorieën (5e H., n. 24), een gericht-zijn-op-een ander. Indien dus de betrekking de goddelijke wezenheid zelf is, dan volgt daaruit dat het zijn van de goddelijke wezenheid een gericht-zijn-op-een-ander is. Doch dit strookt niet met de volkomenheid van het goddelijk zijn, dat, zooals vroeger werd aangetoond (3e Kw., 4e Art.), volstrekt onafhankelijk is en volmaakt op zichzelf bestaat. Dus is de betrekking de goddelijke wezenheid niet.3. Het zijn van het betrekkelijke is, zoals we lezen in het boek Over de Categorieën (5e H., n. 24), een gericht-zijn-op-een ander. Indien dus de betrekking de goddelijke wezenheid zelf is, dan volgt daaruit dat het zijn van de goddelijke wezenheid een gericht-zijn-op-een-ander is. Doch dit strookt niet met de volkomenheid van het goddelijk zijn, dat, zoals vroeger werd aangetoond (3e Kw., 4e Art.), volstrekt onafhankelijk is en volmaakt op zichzelf bestaat. Dus is de betrekking de goddelijke wezenheid niet.
Sed contra, omnis res, quae non est divina essentia, est creatura: sed relatio realiter competit Deo. Si ergo non est divina essentia, erit creatura: et ita ei non erit adoratio latriae exhibenda, contra quod in Praefatione [de Trinitate] cantatur: « Ut in personis proprietas, et in majestate adoretur aequalitas ».
Maar daartegenover staat het volgende. Ieder ding dat niet de goddelijke wezenheid zelf is, is een schepsel. Welnu de betrekking is iets werkelijks in God. Indien zij dus de goddelijke wezenheid niet is, dan is zij een schepsel en bijgevolg zou men haar de eer niet mogen bewijzen die aan God alleen toekomt. Nochtans zingen we bij de Prefatie (van de H. Drievuldigheid) : « Aanbeden zij het eigene in de Personen en de gelijkheid in de majesteit. »Maar daartegenover staat het volgende. Ieder ding dat niet de goddelijke wezenheid zelf is, is een schepsel. Welnu de betrekking is iets werkelijks in God. Indien zij dus de goddelijke wezenheid niet is, dan is zij een schepsel en bijgevolg zou men haar de eer niet mogen bewijzen die aan God alleen toekomt. Nochtans zingen we bij de Prefatie (van de H. Drievuldigheid): “Aanbeden zij het eigene in de Personen en de gelijkheid in de majesteit.”
Respondeo dicendum, quod circa hoc dicitur Gilbertus Porretanus 31errasse, sed errorem suum postmodum in Rhemensi Concilio revocasse. Dixit enim, quod relationes in divinis sunt assistentes, sive extrinsecus affixae. Ad cujus evidentiam considerandum est, quod in quolibet novem generum accidentis est duo considerare. Quorum unum est esse, quod competit unicuique ipsorum, secundum quod est accidens: et hoc communiter in omnibus est inesse subjecto, accidentis enim esse est inesse. Aliud, quod potest considerari in unoquoque, est propria ratio uniuscujusque illorum generum. Et in aliis quidem generibus a relatione, utpote quantitate et qualitate, etiam propria ratio generis accipitur secundum comparationem ad subjectum: nam quantitas dicitur mensura substantiae, qualitas vero dispositio substantiae. Sed ratio propria relationis non accipitur secundum comparationem ad illud, in quo est, sed secundum comparationem ad aliquid extra.
Leerstelling. — Zooals men weet heeft Gilbertus 31Porretanus in deze kwestie gedwaald, doch zijn dwaling herroepen op de kerkvergadering van Reims. Hij beweerde immers dat de betrekkingen in de Godheid naast de wezenheid staan of er van buiten aan vastgehecht zijn. Tot duidelijk inzicht hiervan dienen we wel in acht te nemen dat we elk van de negen bijkomstige kategorieën onder twee opzichten kunnen beschouwen. Vooreerst onder opzicht van het zijn dat aan elke bijkomstigheid als zoodanig toekomt. Dit zijn nu is bij allen zonder uitzondering een in-een-subjekt-zijn. Het zijn immers van de bijkomstigheid is een in-een-subjekt-zijn. Het tweede dat we kunnen beschouwen bij elke bijkomstigheid is het eigenaardige van iedere kategorie. Bij de kategorieën die geen betrekking zijn, als b. v. de hoegrootheid en de hoedanigheid, sluit dit eigenaardige van de kategorie ook een verhouding in tot het subjekt; want van de hoegrootheid zeggen we dat ze de afmeting van de zelfstandigheid, en van de hoedanigheid dat ze een geschiktheid ervan is. Wanneer we echter het eigenaardige van de betrekking bepalen, sluiten we in deze bepaling geen verhouding in tot het subjekt van de betrekking, maar wel tot iets dat buiten het subjekt is.Leerstelling. — Zoals men weet heeft Gilbertus 31Porretanus in deze kwestie gedwaald, doch zijn dwaling herroepen op de kerkvergadering van Reims. Hij beweerde immers dat de betrekkingen in de Godheid naast de wezenheid staan of er van buiten aan vastgehecht zijn. Tot duidelijk inzicht hiervan dienen we wel in acht te nemen dat we elk van de negen bijkomstige categorieën onder twee opzichten kunnen beschouwen. Vooreerst onder opzicht van het zijn dat aan elke bijkomstigheid als zodanig toekomt. Dit zijn nu is bij allen zonder uitzondering een in-een-subject-zijn. Het zijn immers van de bijkomstigheid is een in-een-subject-zijn. Het tweede dat we kunnen beschouwen bij elke bijkomstigheid is het eigenaardige van iedere categorie. Bij de categorieën die geen betrekking zijn, als bv. de hoegrootheid en de hoedanigheid, sluit dit eigenaardige van de categorie ook een verhouding in tot het subject; want van de hoegrootheid zeggen we dat ze de afmeting van de zelfstandigheid, en van de hoedanigheid dat ze een geschiktheid ervan is. Wanneer we echter het eigenaardige van de betrekking bepalen, sluiten we in deze bepaling geen verhouding in tot het subject van de betrekking, maar wel tot iets dat buiten het subject is.
Si igitur consideremus etiam in rebus creatis relationes secundum id, 32quod relationes sunt, sic inveniuntur esse assistentes, non intrinsecus affixae, quasi significantes respectum quodammodo contingentem ipsam rem relatam, prout ab ea tendit in alterum. Si vero consideretur relatio, secundum quod est accidens, sic est inhaerens subjecto, et habens esse accidentale in ipso. Sed Gilbertus Porretanus consideravit relationem primo modo tantum.
Indien we dus, ook bij de geschapen dingen, de betrekkingen beschouwen juist in zoover ze betrekkingen zijn, dan komen ze ons voor als staande naast het subjekt en niet als innerlijk ermee verbonden, d. i. op zulke wijze dat ze een op-iets-32gerichtzijn aanduiden, waardoor ze eenigermate reiken tot aan de zaak waarmee hun subjekt in betrekking staat. Indien we echter de betrekking beschouwen in zoover ze een bijkomstigheid is, dan komt ze ons voor als iets dat met het subjekt innerlijk verbonden is en een bijkomstig-zijn heeft in het subjekt. Maar Gilbertus Porretanus beschouwde de betrekking uitsluitend onder het eerste opzicht.Indien we dus, ook bij de geschapen dingen, de betrekkingen beschouwen juist in zover ze betrekkingen zijn, dan komen ze ons voor als staande naast het subject en niet als innerlijk ermee verbonden, d.i. op zulke wijze dat ze een op-iets-32gerichtzijn aanduiden, waardoor ze enigermate reiken tot aan de zaak waarmee hun subject in betrekking staat. Indien we echter de betrekking beschouwen in zover ze een bijkomstigheid is, dan komt ze ons voor als iets dat met het subject innerlijk verbonden is en een bijkomstig-zijn heeft in het subject. Maar Gilbertus Porretanus beschouwde de betrekking uitsluitend onder het eerste opzicht.
Quidquid autem in rebus creatis habet esse accidentale, secundum quod transfertur in Deum, habet esse substantiale: nihil enim est in Deo, ut accidens in subjecto: sed quidquid est in Deo, est ejus essentia. Sic igitur ex ea parte, qua relatio in rebus creatis habet esse accidentale in subjecto, relatio realiter existens in Deo habet esse essentiae divinae idem omnino ei existens. In hoc vero, quod ad aliquid dicitur, non significatur aliqua habitudo ad essentiam, sed magis ad suum oppositum. Et sic manifestum est, quod relatio realiter existens in Deo est idem essentiae secundum rem, et non differt, nisi secundum intelligentiae rationem, prout in relatione importatur respectus ad suum oppositum qui non importatur in nomine essentiae. 33Patet ergo, quod in Deo non est aliud esse relationi, et essentiae, sed unum et idem.
Wanneer we nu iets, wat dan ook, dat bij de schepselen een bijkomstig-zijn heeft, aan God toekennen, dan moet dit in God een zelfstandig-zijn hebben. In God is er immers niets bij wijze van bijkomstigheid in een subjekt, maar alles wat er in God is, is zijn wezenheid zelf. Op dezelfde wijze dus als een betrekking bij de geschapen dingen een bijkomstig-zijn heeft in een subjekt, heeft de betrekking die werkelijk in God is, het zijn van de goddelijke wezenheid zelf en is met deze volkomen eenzelvig. Beschouwen wij de betrekking echter als een gericht-zijn-op-iets, dan duidt ze niet een verhouding aan tot de wezenheid, maar veeleer tot het andere uitgangspunt van de betrekking. En zoo wordt het ons duidelijk hoe de betrekking die werkelijk in God is, dezelfde werkelijkheid is als de wezenheid, en er niet van onderscheiden is tenzij naar het begrip dat wij ervan hebben, in zoover nl. de betrekking een gericht zijn op het haar tegengestelde uitgangspunt 33bevat, wat niet wordt uitgedrukt door den naam wezenheid. Het is dus duidelijk dat in God het zijn van de betrekking geen ander is als dat van de wezenheid, doch een en hetzelfde.Wanneer we nu iets, wat dan ook, dat bij de schepselen een bijkomstig-zijn heeft, aan God toekennen, dan moet dit in God een zelfstandig-zijn hebben. In God is er immers niets bij wijze van bijkomstigheid in een subject, maar alles wat er in God is, is zijn wezenheid zelf. Op dezelfde wijze dus als een betrekking bij de geschapen dingen een bijkomstig-zijn heeft in een subject, heeft de betrekking die werkelijk in God is, het zijn van de goddelijke wezenheid zelf en is met deze volkomen eenzelvig. Beschouwen wij de betrekking echter als een gericht-zijn-op-iets, dan duidt ze niet een verhouding aan tot de wezenheid, maar veeleer tot het andere uitgangspunt van de betrekking. En zo wordt het ons duidelijk hoe de betrekking die werkelijk in God is, dezelfde werkelijkheid is als de wezenheid, en er niet van onderscheiden is tenzij naar het begrip dat wij ervan hebben, in zover nl. de betrekking een gericht zijn op het haar tegengestelde uitgangspunt 33bevat, wat niet wordt uitgedrukt door de naam wezenheid. Het is dus duidelijk dat in God het zijn van de betrekking geen ander is als dat van de wezenheid, doch een en hetzelfde.
Ad primum ergo dicendum, quod verba illa Augustini non pertinent ad hoc, quod paternitas, vel alia relatio, quae est in Deo secundum esse suum, non sit idem, quod divina essentia; sed quod non praedicatur secundum modum substantiae, ut existens in eo, de quo dicitur, sed ut ad alterum se habens. Et propter hoc dicuntur duo tantum esse praedicamenta in divinis; quia alia praedicamenta important habitudinem ad id de quo dicuntur, tam secundum suum esse, quam secundum proprii generis rationem. Nihil autem, quod est in Deo, potest habere habitudinem ad id, in quo est, vel de quo dicitur, nisi habitudinem identitatis, propter summam Dei simplicitatem.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Met deze woorden bedoelt Augustinus niet dat het vaderschap of een andere betrekking die werkelijk in God aanwezig is, niet hetzelfde is als de goddelijke wezenheid. Hij wil echter te kennen geven dat de betrekking aan God niet mag worden toegekend bij wijze van een zelfstandigheid, als iets dat in het ding is waaraan ze wordt toegekend, doch als een gericht zijn op iets. En om deze reden mogen we slechts twee der kategorieën aan God toeschrijven. Want al de overige kategorieën bevatten zoowel onder opzicht van hun zijn als onder opzicht van de eigen begripsbepaling van hun geslacht, een verhouding tot het subjekt waaraan ze worden toegekend. Welnu om reden van Gods volkomene enkelvoudigheid, kan er bij Hem niets zijn dat een verhouding bevat, behalve een verhouding van eenzelvigheid, tot datgene waarin het is of waaraan het wordt toegeschreven.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Met deze woorden bedoelt Augustinus niet dat het vaderschap of een andere betrekking die werkelijk in God aanwezig is, niet hetzelfde is als de goddelijke wezenheid. Hij wil echter te kennen geven dat de betrekking aan God niet mag worden toegekend bij wijze van een zelfstandigheid, als iets dat in het ding is waaraan ze wordt toegekend, doch als een gericht zijn op iets. En om deze reden mogen we slechts twee van de categorieën aan God toeschrijven. Want al de overige categorieën bevatten zowel onder opzicht van hun zijn als onder opzicht van de eigen begripsbepaling van hun geslacht, een verhouding tot het subject waaraan ze worden toegekend. Welnu om reden van Gods volkomene enkelvoudigheid, kan er bij Hem niets zijn dat een verhouding bevat, behalve een verhouding van eenzelvigheid, tot datgene waarin het is of waaraan het wordt toegeschreven.
Ad secundum dicendum, quod, sicut in rebus creatis, in illo, quod dicitur relative, non solum est invenire respectum ad alterum, sed etiam aliquid absolutum, ita et in Deo: sed tamen aliter, et aliter; nam id, quod 34invenitur in creatura praeter id, quod continetur sub significatione nominis relativi, est alia res. In Deo autem non est alia res, sed una et eadem, quae non perfecte exprimitur relationis nomine, quasi sub significatione talis nominis comprehensa. Dictum est enim supra [q. 13. art. 2.], cum de divinis nominibus agebatur, quod plus continetur in perfectione divinae essentiae, quam aliquo nomine significari possit. Unde non sequitur, quod in Deo praeter relationem sit aliquid aliud secundum rem, sed solum considerata nominum ratione.
2. Evenals men in de dingen die in de schepping met iets in betrekking staan, niet enkel een gericht zijn op een ander kan waarnemen, maar ook een absoluut iets, zoo ook bij God : nochtans met een verschil. Want wat men bij het schepsel vindt buiten 34hetgeen door den naam die de betrekking uitdrukt wordt beteekend, is een andere werkelijkheid. Bij God echter is het geen andere werkelijkheid, maar een en dezelfde, die evenwel niet volmaakt wordt uitgedrukt met den naam van de betrekking, daar deze naam niet geheel de goddelijke werkelijkheid kan omvatten en beteekenen. We hebben immers vroeger (13e Kw., 2e Art.), toen we handelden over de goddelijke namen, gezegd dat de goddelijke volmaaktheid meer behelst dan eenige naam kan beduiden. Men mag dus niet besluiten dat er in God buiten de betrekking nog een andere werkelijkheid is, maar alleen dat er iets is dat door geen enkele naam ten volle kan worden uitgedrukt.2. Evenals men in de dingen die in de schepping met iets in betrekking staan, niet enkel een gericht zijn op een ander kan waarnemen, maar ook een absoluut iets, zo ook bij God: nochtans met een verschil. Want wat men bij het schepsel vindt buiten 34hetgeen door de naam die de betrekking uitdrukt wordt betekend, is een andere werkelijkheid. Bij God echter is het geen andere werkelijkheid, maar een en dezelfde, die evenwel niet volmaakt wordt uitgedrukt met de naam van de betrekking, daar deze naam niet geheel de goddelijke werkelijkheid kan omvatten en betekenen. We hebben immers vroeger (13e Kw., 2e Art.), toen we handelden over de goddelijke namen, gezegd dat de goddelijke volmaaktheid meer behelst dan enige naam kan beduiden. Men mag dus niet besluiten dat er in God buiten de betrekking nog een andere werkelijkheid is, maar alleen dat er iets is dat door geen enkele naam ten volle kan worden uitgedrukt.
Ad tertium dicendum, quod si in perfectione divina nihil plus contineretur, quam quod significat nomen relativum, sequeretur, quod esse ejus esset imperfectum, utpote ad aliquid aliud se habens: sicut, si non contineretur ibi plus, quam quod nomine sapientiae significatur, non esset aliquid subsistens. Sed quia divinae essentiae perfectio est major, quam quod significatione alicujus nominis comprehendi possit; non sequitur, si nomen relativum, vel quodcumque aliud nomen dictum de Deo non significat aliquid perfectum, quod divina essentia habeat esse imperfectum, quia divina essentia 35comprehendit in se omnium generum perfectionem, ut supra dictum est [q. 4. art. 2.].
3. Indien de goddelijke volmaaktheid niet méér zou omvatten dan wat met den naam van de betrekking wordt uitgedrukt, dan zou men daaruit terecht afleiden dat het zijn van God onvolmaakt is, omdat het nl. iets betrekkelijks zou zijn. Wanneer b. v. God niets méér zou omvatten dan wat met den naam wijsheid wordt aangeduid, zou er in Hem geen opzichzelfbestaand zijn gevonden worden. Maar daar de volmaaktheid van de goddelijke wezenheid de beteekenis van iedere naam overschrijdt, mogen we, — in geval een naam van een betrekking of ieder andere naam dien we aan God toekennen, niets iets volmaakt te kennen geeft, — daaruit niet besluiten dat de goddelijke wezenheid onvolmaakt is. 35Want zooals we vroeger zeiden (4e Kw., 2e Art.), omvat de goddelijke wezenheid in zich de volmaaktheid van alle kategorieën.3. Indien de goddelijke volmaaktheid niet méér zou omvatten dan wat met de naam van de betrekking wordt uitgedrukt, dan zou men daaruit terecht afleiden dat het zijn van God onvolmaakt is, omdat het nl. iets betrekkelijks zou zijn. Wanneer bv. God niets méér zou omvatten dan wat met de naam wijsheid wordt aangeduid, zou er in Hem geen opzichzelfbestaand zijn gevonden worden. Maar daar de volmaaktheid van de goddelijke wezenheid de betekenis van iedere naam overschrijdt, mogen we, — in geval een naam van een betrekking of ieder andere naam die we aan God toekennen, niets iets volmaakt te kennen geeft, — daaruit niet besluiten dat de goddelijke wezenheid onvolmaakt is. 35Want zoals we vroeger zeiden (4e Kw., 2e Art.), omvat de goddelijke wezenheid in zich de volmaaktheid van alle categorieën.
Utrum relationes. quae sunt in Deo, realiter ab invicem distinguantur
Zijn de betrekkingen, die in God zijn, werkelijk van elkaar onderscheiden?
Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod relationes, quae sunt in Deo, realiter ab invicem non distinguantur. Quaecumque enim uni et eidem sunt eadem, sibi invicem sunt eadem: sed omnis relatio in Deo exsistens est idem secundum rem cum divinae essentia; ergo relationes secundum rem ab invicem non distinguuntur.
Bedenkingen. — Men beweert dat de betrekkingen die in God zijn niet werkelijk van elkaar onderscheiden zijn. — 1. Dingen immers die met een en hetzelfde eenzelvig zijn, zijn met elkaar eenzelvig. Iedere betrekking nu die in God bestaat, vormt een en dezelfde werkelijkheid met de goddelijke wezenheid. Dus zijn de betrekkingen in God niet werkelijk van elkaar onderscheiden.
2. Praeterea, sicut paternitas, et filiatio secundum nominis rationem distinguuntur ab essentia divina, ita et bonitas, et potentia: sed propter hujusmodi rationis distinctionem non est aliqua realis distinctio bonitatis, et potentiae divinae; ergo neque paternitatis, et filiationis.
2. Evenals het vaderschap en het zoonschap van de goddelijke wezenheid onderscheiden worden naar het begrip dat door die benamingen wordt uitgedrukt, zoo ook de goedheid en de macht. Maar om dit onderscheid naar hun begrip stellen we geen werkelijk onderscheid tusschen de goedheid en de goddelijke macht. Dus ook niet tusschen het vaderschap en het zoonschap.2. Evenals het vaderschap en het zoonschap van de goddelijke wezenheid onderscheiden worden naar het begrip dat door die benamingen wordt uitgedrukt, zo ook de goedheid en de macht. Maar om dit onderscheid naar hun begrip stellen we geen werkelijk onderscheid tussen de goedheid en de goddelijke macht. Dus ook niet tussen het vaderschap en het zoonschap.
363. Praeterea, in divinis non est distinctio realis, nisi secundum originem; sed una relatio non videtur oriri ex alia; ergo relationes non distinguuntur realiter ab invicem.
363. Er is in God geen werkelijk onderscheid tenzij uit hoofde van den oorsprong. Klaarblijkelijk nu vindt de eene betrekking haar oorsprong niet in een andere. Dus zijn de betrekkingen niet werkelijk van elkaar onderscheiden.363. Er is in God geen werkelijk onderscheid tenzij uit hoofde van de oorsprong. Klaarblijkelijk nu vindt de ene betrekking haar oorsprong niet in een andere. Dus zijn de betrekkingen niet werkelijk van elkaar onderscheiden.
Sed contra est, quod dicit Boetius in libro de Trin. [cap. 6], quod « substantia in divinis continet unitatem, relatio multiplicat Trinitatem »; si ergo relationes non distinguuntur ab invicem realiter, non erit in divinis Trinitas realis, sed rationis tantum, quod est Sabelliani erroris.
Daartegenover staat echter wat Boëtius zegt in het boek Over de Drievuldigheid (6e H.), nl. dat « de zelfstandigheid (in God) de eenheid bewaart en de betrekking Hem vermenigvuldigt tot Drievuldigheid. » Indien dus de betrekkingen niet werkelijk van elkaar onderscheiden zijn, dan is er in God geen werkelijke Drievuldigheid, doch alleen maar naar het begrip; en dit is de ketterij van Sabellius.Daartegenover staat echter wat Boëtius zegt in het boek Over de Drievuldigheid (6e H.), nl. dat “de zelfstandigheid (in God) de eenheid bewaart en de betrekking Hem vermenigvuldigt tot Drievuldigheid.” Indien dus de betrekkingen niet werkelijk van elkaar onderscheiden zijn, dan is er in God geen werkelijke Drievuldigheid, doch alleen maar naar het begrip; en dit is de ketterij van Sabellius.
Respondeo dicendum, quod ex eo quod aliquid alicui attribuitur, oportet, quod attribuantur ei omnia, quae sunt de ratione illius. Sicut cuicumque attribuitur homo, oportet, quod attribuatur ei esse rationale. De ratione autem relationis est respectus unius ad alterum, secundum quem aliquid alteri opponitur relative. Cum igitur in Deo realiter sit relatio, ut dictum est [art. 1. huj. q.], oportet, quod realiter sit ibi oppositio. Relativa 37autem oppositio in sui ratione includit distinctionem. Unde oportet, quod in Deo sit realis distinctio, non quidem secundum rem absolutam, quae est essentia, in qua est summa unitas, et simplicitas, sed secundum rem relativam.
Leerstelling. — Wanneer we van een ding iets zeggen, dan moeten we er alles aan toe kennen wat het begrip van dit gezegde bevat. Zegt men b. v. van iets dat het een mensch is, dan moet men er van zeggen dat het een redelijk wezen is. De betrekking nu is naar haar begrip een gericht-zijn van het eene ding op een ander, en door dit gericht-zijn-op-een ander zijn beide dingen in betrekkingsverhouding aan elkaar tegengesteld. Daar nu de betrekking werkelijk in God is, is er ook werkelijk een aan elkaar tegengesteld-zijn. Welnu in betrekkingsverhouding aan elkaar 37tegengesteld-zijn beteekent onderscheid. Dus moet er in God een werkelijk onderscheid zijn. Evenwel kan dit onderscheid niet zijn naar het absolute in God, d. i. naar zijn wezenheid, die volmaakt één en enkelvoudig is, maar wel naar het betrekkelijke.Leerstelling. — Wanneer we van een ding iets zeggen, dan moeten we er alles aan toe kennen wat het begrip van dit gezegde bevat. Zegt men bv. van iets dat het een mens is, dan moet men er van zeggen dat het een redelijk wezen is. De betrekking nu is naar haar begrip een gericht-zijn van het ene ding op een ander, en door dit gericht-zijn-op-een ander zijn beide dingen in betrekkingsverhouding aan elkaar tegengesteld. Daar nu de betrekking werkelijk in God is, is er ook werkelijk een aan elkaar tegengesteld-zijn. Welnu in betrekkingsverhouding aan elkaar 37tegengesteld-zijn betekent onderscheid. Dus moet er in God een werkelijk onderscheid zijn. Evenwel kan dit onderscheid niet zijn naar het absolute in God, d.i. naar zijn wezenheid, die volmaakt één en enkelvoudig is, maar wel naar het betrekkelijke.
Ad primum ergo dicendum, quod secundum Philosophum in 3. Phys. [cap. 3. n. 4.], argumentum illud tenet, quod quaecumque uni et eidem sunt eadem, sibi invicem sunt eadem, in his quae sunt idem re, et ratione, sicut tunica, et indumentum, non autem in his, quae differunt ratione. Unde ibidem dicit, quod, licet actio sit idem motui, similiter et passio, non tamen sequitur, quod actio, et passio sint idem: quia in actione importatur respectus, ut a quo est motus in mobili, in passione vero, ut qui est ab alio. Et similiter, licet paternitas sit idem secundum rem cum essentia divina, et similiter filiatio; tamen haec duo in suis propriis rationibus important oppositos respectus: unde distinguuntur ab invicem.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze tegenwerping, nl. dat de dingen die met een en hetzelfde eenzelvig zijn, ook met elkaar eenzelvig zijn, gaat op, zooals de Wijsgeer zegt in de Physica (3e B., 3e H., n. 4), wanneer het dingen betreft die én naar de zaak én naar het begrip eenzelvig zijn, zooals tuniek en kleed, echter niet wanneer het dingen betreft die naar het begrip verschillen. Daarom zegt de Wijsgeer op diezelfde plaats (n. 5), dat, alhoewel de handeling en insgelijks het ondergaan ervan met de beweging eenzelvig zijn, daaruit toch niet mag besloten worden dat de handeling en het ondergaan ervan hetzelfde zijn. Want de handeling en het ondergaan van de handeling verhouden zich elk onder een verschillend opzicht tot de beweging: de handeling nl. als datgene waarvan de beweging uitgaat, het ondergaan van de handeling daarentegen als datgene wat van een ander voortkomt. Zoo is het ook bij de goddelijke betrekkingen. Want ofschoon het vaderschap en evenzeer het zoonschap een en dezelfde werkelijkheid vormen met de goddelijke wezenheid, sluiten die twee, naar hun eigen beteekenis, opzichten in die aan elkaar zijn tegengesteld. Ze zijn dan ook van elkaar onderscheiden,Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze tegenwerping, nl. dat de dingen die met een en hetzelfde eenzelvig zijn, ook met elkaar eenzelvig zijn, gaat op, zoals de Wijsgeer zegt in de Fysica (3e B., 3e H., n. 4), wanneer het dingen betreft die én naar de zaak én naar het begrip eenzelvig zijn, zoals tuniek en kleed, echter niet wanneer het dingen betreft die naar het begrip verschillen. Daarom zegt de Wijsgeer op diezelfde plaats (n. 5), dat, alhoewel de handeling en insgelijks het ondergaan ervan met de beweging eenzelvig zijn, daaruit toch niet mag besloten worden dat de handeling en het ondergaan ervan hetzelfde zijn. Want de handeling en het ondergaan van de handeling verhouden zich elk onder een verschillend opzicht tot de beweging: de handeling nl. als datgene waarvan de beweging uitgaat, het ondergaan van de handeling daarentegen als datgene wat van een ander voortkomt. Zo is het ook bij de goddelijke betrekkingen. Want ofschoon het vaderschap en evenzeer het zoonschap een en dezelfde werkelijkheid vormen met de goddelijke wezenheid, sluiten die twee, naar hun eigen betekenis, opzichten in die aan elkaar zijn tegengesteld. Ze zijn dan ook van elkaar onderscheiden,
38Ad secundum dicendum, quod potentia, et bonitas non important in suis rationibus aliquam oppositionem; unde non est similis ratio.
382. De begrippen « macht » en « goedheid » sluiten geen opzichten in die aan elkaar zijn tegengesteld. Bijgevolg mist de tegenwerping allen grond.382. De begrippen “macht” en “goedheid” sluiten geen opzichten in die aan elkaar zijn tegengesteld. Bijgevolg mist de tegenwerping allen grond.
Ad tertium dicendum, quod, quamvis relationes, proprie loquendo, non oriantur, vel procedant ab invicem, tamen accipiuntur per oppositum secundum processionem alicujus ab alio.
3. Ofschoon de betrekkingen, indien men de geijkte uitdrukking wil bezigen, niet uit elkaar voortspruiten of van elkaar voortkomen, moeten ze toch als aan elkaar tegengesteld opgevat worden, in zoover ze op een voortkomst van het een uit het ander gegrond zijn.3. Ofschoon de betrekkingen, indien men de geijkte uitdrukking wil bezigen, niet uit elkaar voortspruiten of van elkaar voortkomen, moeten ze toch als aan elkaar tegengesteld opgevat worden, in zover ze op een voortkomst van het een uit het ander gegrond zijn.
Utrum in Deo sint tantum quatuor relationes reales, scilicet paternitas, filiatio, spiratio, et processio
Zijn er in God slechts vier werkelijke betrekkingen, te weten het vaderschap, het zoonschap, de aanademing en de voortkomst?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod in Deo non sint tantum quatuor relationes reales, scilicet paternitas, filiatio, spiratio, et processio. Est enim considerare in Deo relationes intelligentis ad intellectum, et volentis ad volitum; quae videntur esse relationes reales, neque sub praedictis continentur. Non ergo sunt solum quatuor relationes reales in Deo.
Bedenkingen. — Men beweert dat er buiten deze vier werkelijke betrekkingen, nl. het vaderschap, het zoonschap, de aanademing en de voortkomst, nog meer betrekkingen in God zijn. — 1. We kunnen immers in God de betrekkingen beschouwen van den kenner tot het gekende, en van hem die wil tot het gewilde voorwerp. Die betrekkingen nu komen ons als werkelijke voor en behooren nochtans niet tot de bovenvermelde. Dus zijn er niet slechts vier werkelijke betrekkingen in God.Bedenkingen. — Men beweert dat er buiten deze vier werkelijke betrekkingen, nl. het vaderschap, het zoonschap, de aanademing en de voortkomst, nog meer betrekkingen in God zijn. — 1. We kunnen immers in God de betrekkingen beschouwen van de kenner tot het gekende, en van hem die wil tot het gewilde voorwerp. Die betrekkingen nu komen ons als werkelijke voor en behoren nochtans niet tot de bovenvermelde. Dus zijn er niet slechts vier werkelijke betrekkingen in God.
392. Praeterea, relationes reales accipiuntur in Deo secundum processionem intelligibilem verbi: sed relationes intelligibiles multiplicantur in infinitum, ut Avicenna dicit [Methap. tract. 3. cap. 10.] ; ergo in Deo sunt infinitae relationes reales.
392. We kennen aan God, op grond van de intellektueele voortkomst van het Woord, werkelijke betrekkingen toe. Maar, zooals Avicenna zegt (in zijn Metaphysica, 3e Tr., 10e H.), kunnen de intellektueele betrekkingen tot in 't oneindige vermenigvuldigd worden. Dus zijn er in God 'n oneindig aantal werkelijke betrekkingen.392. We kennen aan God, op grond van de intellectuele voortkomst van het Woord, werkelijke betrekkingen toe. Maar, zoals Avicenna zegt (in zijn Metafysica, 3e Tr., 10e H.), kunnen de intellectuele betrekkingen tot in 't oneindige vermenigvuldigd worden. Dus zijn er in God 'n oneindig aantal werkelijke betrekkingen.
3. Praeterea, ideae sunt in Deo ab aeterno, ut supra dictum est [q. 15. art. 2.] ; non autem distinguuntur ab invicem nisi secundum respectum ad res, ut supra dictum est [art. 2. ejusd. q.] ; ergo in Deo sunt multo plures relationes aeternae.
3. De ideeën zijn, zooals hierboven (15e Kw., 2e Art.) werd aangetoond, van alle eeuwigheid af in God. Ze zijn echter, zooals we vroeger zeiden (t. a. p.), alleen maar door hun verhouding tot de dingen van elkaar onderscheiden. Dus zijn er in God veel meer eeuwige betrekkingen.3. De ideeën zijn, zoals hierboven (15e Kw., 2e Art.) werd aangetoond, van alle eeuwigheid af in God. Ze zijn echter, zoals we vroeger zeiden (t. a. p.), alleen maar door hun verhouding tot de dingen van elkaar onderscheiden. Dus zijn er in God veel meer eeuwige betrekkingen.
4. Praeterea, aequalitas, et similitudo, et identitas sunt relationes quaedam, et sunt in Deo ab aeterno; ergo plures relationes sunt ab aeterno in Deo, quam quae dictae sunt.
4. De gelijkheid, de gelijkvormigheid en de eenzelvigheid zijn bepaalde betrekkingen, en die zijn in God van alle eeuwigheid af. Dus zijn er in God van alle eeuwigheid af meer betrekkingen dan hierboven vermeld worden.
Sed contra videtur, quod sint pauciores: quia, secundum Philosophum in 3. Physic. [cap. 3. n. 4.], « eadem via est de Athenis ad Thebas, et de Thebis ad Athenas »; ergo videtur, quod pari ratione eadem sit relatio 40de patre ad filium, quae dicitur paternitas et de filio ad patrem, quae dicitur filiatio. Et sic non sunt quatuor relationes in Deo.
Maar van een anderen kant zou men denken dat er minder zijn. Want zooals de Wijsgeer zegt in de Physica (3e B., 3e H., n. 4), « is het een en dezelfde weg die leidt van Athene naar Thebe en van Thebe naar Athene. » Dus moet om dezelfde reden de betrekking van den Vader tot den Zoon, nl. het vaderschap, dezelfde 40zijn als de betrekking van den Zoon tot den Vader, nl. het zoonschap. En zoodoende zijn er geen vier betrekkingen in God.Maar van een anderen kant zou men denken dat er minder zijn. Want zoals de Wijsgeer zegt in de Fysica (3e B., 3e H., n. 4), “is het een en dezelfde weg die leidt van Athene naar Thebe en van Thebe naar Athene.” Dus moet om dezelfde reden de betrekking van de Vader tot de Zoon, nl. het vaderschap, dezelfde 40zijn als de betrekking van de Zoon tot de Vader, nl. het zoonschap. En zodoende zijn er geen vier betrekkingen in God.
Respondeo dicendum, quod secundum Philos. in 5. Metaphys., relatio omnis fundatur vel supra quantitatem, ut duplum et dimidium; vel supra actionem et passionem, ut faciens et factum, pater et filius, dominus et servus, et hujusmodi. Cum autem quantitas non sit in Deo: est enim sine quantitate magnus, ut dicit Augustinus [Contra epist. Manichaei. cap. 15]. relinquitur ergo, quod realis relatio in Deo esse non possit, nisi super actionem fundata; non autem super actiones secundum quas procedit aliquid extrinsecum a Deo: quia relationes Dei ad creaturas non sunt realiter in ipso, ut supra dictum est [art. 1. ad 3. et q. 13. art. 7.]. Unde relinquitur, quod relationes reales in Deo non possunt accipi, nisi secundum actiones, secundum quas est processio in Deo non extra, sed intra. Hujusmodi autem processiones sunt duae tantum, ut supra dictum est [q. 27. art. 415.], quarum una accipitur secundum actionem intellectus, quae est processio verbi: alia secundum actionem voluntatis, quae est processio amoris; secundum quamlibet autem processionem oportet duas accipere relationes oppositas, quarum una sit procedentis a principio, et alia ipsius principii. Processio autem verbi dicitur generatio secundum propriam rationem, qua competit rebus viventibus. Relatio autem principii generationis in viventibus perfectis dicitur paternitas. Relatio vero procedentis a principio dicitur filiatio. Processio vero amoris non habet nomen proprium, ut supra dictum est [q. 27. art. 4.] ; unde neque relationes, quae secundum ipsam accipiuntur. Sed vocatur relatio principii hujus processionis spiratio; relatio autem procedentis processio; quamvis haec duo nomina ad ipsas processiones, vel origines pertineant, et non ad relationes.
Leerstelling. — Iedere betrekking steunt, zooals de Wijsgeer zegt in het 5e Boek van de Metaphysica (4e B., 15e H., n. 1), of wel op de hoegrootheid, zooals de betrekking van het dubbele of van de helft, of wel op de handeling en het ondergaan ervan, zooals de betrekking van maker en maaksel, van vader en zoon, van heer en dienaar. Daar er echter in God geen hoegrootheid is, — Hij is immers naar Augustinus' woord, (in zijn boek Tegen den Brief van Manichaeus, Brief van den Grondslag genaamd, 15e H.), « groot zonder hoegrootheid, » — moeten we aannemen dat er in God geen werkelijke betrekkingen kunnen zijn, buiten die, welke op de handelingen berusten. Hierbij komen evenwel niet in aanmerking de handelingen die iets doen voortkomen naar buiten uit. Want de betrekkingen van God tot de schepselen zijn, zooals we hierboven gezegd hebben (1e Art., Antw. op de 3e Bedenking en 13e Kw., 7e Art.), niet werkelijk in Hem. Zoo blijft er ons niets anders over dan de werkelijke betrekkingen in God te zoeken op grond van die werkingen waardoor iets van God voortkomt niet naar buiten uit maar binnen in Hem. Welnu, zooals vroeger gezegd werd (27e Kw., 5e Art.) zijn er maar twee zulke voortkomsten, waarvan de eene, nl. de 41voortkomst van het Woord, door ons aanvaard wordt op grond van den verstandsakt, de andere, nl. de voortkomst van de liefde, op grond van den wilsakt. Voor elk van de twee voortkomsten echter moeten we twee aan elkaar tegenstelde betrekkingen aanvaarden, waarvan de eene toebehoort aan datgene wat van het beginsel voortkomt, de andere aan het beginsel zelf. De voortkomst van het Woord noemen we, in letterlijken zin, een geboren worden, zooals het eigen is aan de levende wezens. Bij de hoogere levende wezens nu heet de betrekking van het voortbrengend beginsel vaderschap en de betrekking van het geborene zoonschap. De voortkomst echter van de liefde, zooals hierboven (27e Kw., 4e Art.) gezegd werd, heeft geen eigen naam, en dan ook de betrekking niet die we erin waarnemen. Maar de betrekking die aan het beginsel van deze voortkomst toebehoort noemen we « aanademing », en de betrekking van datgene wat er van voortkomt « voortkomst », alhoewel deze twee namen niet op de betrekkingen, maar op de voortkomsten of oorsprongen zelf slaan.Leerstelling. — Iedere betrekking steunt, zoals de Wijsgeer zegt in het 5e Boek van de Metafysica (4e B., 15e H., n. 1), of wel op de hoegrootheid, zoals de betrekking van het dubbele of van de helft, of wel op de handeling en het ondergaan ervan, zoals de betrekking van maker en maaksel, van vader en zoon, van heer en dienaar. Daar er echter in God geen hoegrootheid is, — Hij is immers naar Augustinus' woord, (in zijn boek Tegen de Brief van Manichaeus, Brief van de Grondslag genaamd, 15e H.), “groot zonder hoegrootheid,” — moeten we aannemen dat er in God geen werkelijke betrekkingen kunnen zijn, buiten die, welke op de handelingen berusten. Hierbij komen evenwel niet in aanmerking de handelingen die iets doen voortkomen naar buiten uit. Want de betrekkingen van God tot de schepselen zijn, zoals we hierboven gezegd hebben (1e Art., Antw. op de 3e Bedenking en 13e Kw., 7e Art.), niet werkelijk in Hem. Zo blijft er ons niets anders over dan de werkelijke betrekkingen in God te zoeken op grond van die werkingen waardoor iets van God voortkomt niet naar buiten uit maar binnen in Hem. Welnu, zoals vroeger gezegd werd (27e Kw., 5e Art.) zijn er maar twee zulke voortkomsten, waarvan de ene, nl. de 41voortkomst van het Woord, door ons aanvaard wordt op grond van de verstandsact, de andere, nl. de voortkomst van de liefde, op grond van de wilsact. Voor elk van de twee voortkomsten echter moeten we twee aan elkaar tegenstelde betrekkingen aanvaarden, waarvan de ene toebehoort aan datgene wat van het beginsel voortkomt, de andere aan het beginsel zelf. De voortkomst van het Woord noemen we, in letterlijke zin, een geboren worden, zoals het eigen is aan de levende wezens. Bij de hogere levende wezens nu heet de betrekking van het voortbrengend beginsel vaderschap en de betrekking van het geborene zoonschap. De voortkomst echter van de liefde, zoals hierboven (27e Kw., 4e Art.) gezegd werd, heeft geen eigen naam, en dan ook de betrekking niet die we erin waarnemen. Maar de betrekking die aan het beginsel van deze voortkomst toebehoort noemen we “aanademing”, en de betrekking van datgene wat er van voortkomt “voortkomst”, alhoewel deze twee namen niet op de betrekkingen, maar op de voortkomsten of oorsprongen zelf slaan.
Ad primum ergo dicendum, quod in his, in quibus dicitur1 intellectus, et intellectum, volens, et volitum, potest esse realis relatio et 42scientiae ad rem scitam, et volentis ad rem volitam. Sed in Deo est idem omnino intellectus, et intellectum: quia intelligendo se, intelligit omnia alia; et eadem ratione voluntas, et volitum. Unde in Deo hujusmodi relationes non sunt reales sicut neque relatio ejusdem ad idem. Sed tamen relatio ad verbum est realis: quia verbum intelligitur ut procedens per actionem intelligibilem, non autem ut res intellecta. Cum enim intelligimus lapidem, id, quod ex re intellecta concipit intellectus, vocatur verbum.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Bij de wezens waarbij verstand en verstandsvoorwerp, wil en voorwerp van het willen onderscheiden zijn, kan er een werkelijke betrekking bestaan van 42de kennis tot het gekende, en van den wil tot het gewilde. Maar in God is het verstand met zijn voorwerp volstrekt één en hetzelfde, want door de kennis van zichzelf kent God alle andere dingen, en dezelfde reden geldt voor den wil en zijn voorwerp. Derhalve zijn deze betrekkingen in God geen werkelijke, zoo min als de betrekking van eenzelvigheid. Nochtans is de betrekking tot het woord een werkelijke. Door woord toch beduiden we niet datgene wat als voorwerp van kennis in ons verstand aanwezig is, maar wel datgene wat de verstandsakt voortbrengt. Wanneer we immers door den verstandsakt een steen kennen, dan is het woord datgene wat ons verstand zich in de kennis van dat ding vormt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Bij de wezens waarbij verstand en verstandsvoorwerp, wil en voorwerp van het willen onderscheiden zijn, kan er een werkelijke betrekking bestaan van 42de kennis tot het gekende, en van de wil tot het gewilde. Maar in God is het verstand met zijn voorwerp volstrekt één en hetzelfde, want door de kennis van zichzelf kent God alle andere dingen, en dezelfde reden geldt voor de wil en zijn voorwerp. Derhalve zijn deze betrekkingen in God geen werkelijke, zo min als de betrekking van eenzelvigheid. Nochtans is de betrekking tot het woord een werkelijke. Door woord toch beduiden we niet datgene wat als voorwerp van kennis in ons verstand aanwezig is, maar wel datgene wat de verstandsact voortbrengt. Wanneer we immers door de verstandsact een steen kennen, dan is het woord datgene wat ons verstand zich in de kennis van dat ding vormt.
Ad secundum dicendum, quod in nobis relationes intelligibiles in infinitum multiplicantur: quia alio actu intelligit homo lapidem, et alio actu intelligit se intelligere lapidem, et alio etiam intelligit hoc intelligere; et sic in infinitum multiplicantur actus intelligendi, et per consequens relationes intellectae. Sed hoc in Deo non habet locum: quia uno actu tantum omnia intelligit.
2. De intellektueele betrekkingen kunnen bij ons tot in 't oneindige vermenigvuldigd worden. Want door een anderen akt kennen we den steen, en door een anderen akt weten we dat we den steen kennen, en weer door een anderen akt weten we dat we dit laatste weten, en zoo vermenigvuldigen zich de verstandsakten tot in 't oneindige, en dus ook de intellektueele betrekkingen. Maar dit is het geval niet bij God, want door slechts één enkelen akt kent Hij alles.2. De intellectuele betrekkingen kunnen bij ons tot in 't oneindige vermenigvuldigd worden. Want door een anderen act kennen we de steen, en door een anderen act weten we dat we de stee kennen, en weer door een anderen act weten we dat we dit laatste weten, en zo vermenigvuldigen zich de verstandsacten tot in 't oneindige, en dus ook de intellectuele betrekkingen. Maar dit is het geval niet bij God, want door slechts één enkelen act kent Hij alles.
Ad tertium dicendum, quod respectus ideales sunt intellecti2 a Deo. 43Unde ex eorum pluralitate non sequitur, quod sint plures relationes in Deo: sed quod Deus cognoscat plures relationes.
3. God kent de ideeën en hun verhoudingen. Toch volgt uit 43hun veelvuldigheid niet dat er in God vele betrekkingen zijn, maar wel dat God vele betrekkingen kent.
Ad quartum dicendum, quod aequalitas, et similitudo in Deo non sunt relationes reales, sed rationis tantum, ut infra patebit [q. 42. art. 1. ad 4.].
4. De gelijkheid en de gelijkvormigheid zijn in God geen werkelijke maar, zooals we verder zullen zien (42e Kw., 1e Art., Antw. op de 4e Bedenking), enkel gedachte betrekkingen.4. De gelijkheid en de gelijkvormigheid zijn in God geen werkelijke maar, zoals we verder zullen zien (42e Kw., 1e Art., Antw. op de 4e Bedenking), enkel gedachte betrekkingen.
Ad quintum dicendum, quod via est eadem ab uno termino ad alterum, et e converso; sed tamen respectus sunt diversi. Unde ex hoc non potest concludi, quod eadem sit relatio Patris ad Filium, et e converso. Sed posset hoc concludi de aliquo absoluto, si esset medium inter ea.
5. De weg van een uitgangspunt naar een ander en omgekeerd, is een en dezelfde; nochtans zijn de richtingen verschillend. Men mag daaruit dus niet besluiten dat de betrekking van den vader tot den zoon en omgekeerd, een en dezelfde is. Wel zou men dit mogen zeggen van een absoluut ding, wanneer dit het middelpunt tusschen deze beiden was.5. De weg van een uitgangspunt naar een ander en omgekeerd, is een en dezelfde; nochtans zijn de richtingen verschillend. Men mag daaruit dus niet besluiten dat de betrekking van de vader tot de zoon en omgekeerd, een en dezelfde is. Wel zou men dit mogen zeggen van een absoluut ding, wanneer dit het middelpunt tussen deze beiden was.