Theologische Summa · Prima Pars · De goddelijke PersonenSumma · I · De goddelijke PersonenSumma · I · Kw. 36Kw. 36
Quaestio XXXVI

De persona Spiritus Sancti

Kwestie 36

Over den Heiligen GeestOver de Heilige Geest

(Vier Artikelen)

189Post considerationem praedictam considerandum est de his, quae pertinent ad personam Spiritus Sancti, qui non solum dicitur Spiritus Sanctus, sed etiam amor, et donum Dei.

189Nu handelen we verder over den Heiligen Geest, die niet alleen « Heilige Geest » genoemd wordt, maar ook « Liefde » en « Gave Gods ».189Nu handelen we verder over de Heilige Geest, die niet alleen “Heilige Geest” genoemd wordt, maar ook “Liefde” en “Gave Gods”.

Circa Spiritum Sanctum ergo quaeruntur quatuor : 1. Utrum hoc nomen, Spiritus Sanctus, sit proprium alicujus divinae personae. — 2. Utrum illa persona divina, quae Spiritus Sanctus dicitur, procedat a Patre, et Filio. — 3. Utrum procedat a Patre per Filium. — 4. Utrum Pater, et Filius sint unum principium Spiritus Sancti.

Over den Heiligen Geest stellen we vier vragen: 1. Is de benaming « Heilige Geest » eigen aan een Persoon? 2. Komt de Persoon, die Heilige Geest genoemd wordt, voort van den Vader en van den Zoon? 3. Komt Hij voort van den Vader door den Zoon? 4. Zijn de Vader en de Zoon één zelfde beginsel van den Heiligen Geest?Over de Heilige Geest stellen we vier vragen: 1. Is de benaming “Heilige Geest” eigen aan een Persoon? 2. Komt de Persoon, die Heilige Geest genoemd wordt, voort van de Vader en van de Zoon? 3. Komt Hij voort van de Vader door de Zoon? 4. Zijn de Vader en de Zoon één zelfde beginsel van de Heilige Geest?

Articulus I

Utrum hoc nomen, Spiritus Sanctus, sit proprium nomen alicujus divinae personae

[2-2. q. 14. art. 1. corp. et 1. Dist. 10. art. 4. et lib. 4. Contr. g. cap. 19, et Mal. q. 3. art. 14. corp. et opusc. 2. cap. 46. et 47.].
Ie Artikel

Is de benaming « Heilige Geest » eigen aan een goddelijken Persoon?Is de benaming “Heilige Geest” eigen aan een goddelijken Persoon?

antwoord 1 ↓

190Ad primum sic proceditur. Videtur, quod nomen, Spiritus Sanctus, non sit proprium nomen alicujus divinae personae. Nullum enim nomen commune tribus personis est proprium alicujus personae : sed hoc nomen, Spiritus Sanctus, est commune tribus personis. Ostendit enim Hilarius 8. de Trinit. in Spiritu Dei aliquando significari Patrem, ut, cum dicitur [Is. 61.]: « Spiritus Domini super me »; aliquando significari Filium, ut, cum dicit Filius [Matth. 12.] : « In spiritu Dei ejicio daemonia », naturae suae potestate ejicere se daemonia demonstrans; aliquando de Spiritu Sancto1, ut ibi [Joel. 2.] : « Effundam de Spiritu meo super omnem 191carnem »; ergo hoc nomen, Spiritus Sanctus, non est proprium alicujus divinae personae.

190Bedenkingen. — Men beweert dat de benaming « Heilige Geest » niet eigen is aan een goddelijken Persoon. — 1. Geen enkele naam immers, die toepasselijk is op de drie Personen, kan eigen zijn aan één Persoon. Welnu de benaming « Heilige Geest » is toepasselijk op de drie Personen. Hilarius toont immers in het 8e boek Over de Drievuldigheid (n. 23 en 25) aan dat de uitdrukking « Geest Gods » soms den Vader aanduidt, zooals in de woorden van Isaias (61, 1) : « De Geest Gods is over mij »; soms ook den Zoon, zooals in de woorden van Christus (bij Mattheus 12, 28) : « Ik drijf de duivelen uit door den Geest Gods », waardoor Hij bewees dat Hij door zijn natuurlijke macht de duivelen uitdreef; soms ook den Heiligen Geest, zooals in de uitspraak van Joël (2, 28) : « Ik zal mijn Geest over alle vleesch uitstorten ». De 191benaming « Heilige Geest » is dus niet eigen aan één goddelijken Persoon.190Bedenkingen. — Men beweert dat de benaming “Heilige Geest” niet eigen is aan een goddelijken Persoon. — 1. Geen enkele naam immers, die toepasselijk is op de drie Personen, kan eigen zijn aan één Persoon. Welnu de benaming “Heilige Geest” is toepasselijk op de drie Personen. Hilarius toont immers in het 8e boek Over de Drievuldigheid (n. 23 en 25) aan dat de uitdrukking “Geest Gods” soms de Vader aanduidt, zoals in de woorden van Jesaja (61, 1): “De Geest Gods is over mij”; soms ook de Zoon, zoals in de woorden van Christus (bij Matteüs 12, 28): “Ik drijf de duivelen uit door de Geest Gods”, waardoor Hij bewees dat Hij door zijn natuurlijke macht de duivelen uitdreef; soms ook de Heilige Geest, zoals in de uitspraak van Joël (2, 28)a: “Ik zal mijn Geest over alle vlees uitstorten”. De 191benaming “Heilige Geest” is dus niet eigen aan één goddelijken Persoon.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, nomina divinarum personarum ad aliquid dicuntur, ut Boetius dicit in lib. de Trinit. sed hoc nomen, Spiritus Sanctus, non dicitur ad aliquid; ergo hoc nomen non est proprium divinae personae.

2. De namen der goddelijke Personen wijzen op de betrekkingen, zooals Boëtius zegt in zijn boek Over de Drievuldigheid (5e H.) . Welnu de benaming « Heilige Geest » duidt geen betrekking aan en is bijgevolg niet eigen aan een goddelijken Persoon.2. De namen van de goddelijke Personen wijzen op de betrekkingen, zoals Boëtius zegt in zijn boek Over de Drievuldigheid (5e H.) . Welnu de benaming “Heilige Geest” duidt geen betrekking aan en is bijgevolg niet eigen aan een goddelijken Persoon.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, quia Filius est nomen alicujus divinae personae, non potest dici filius hujus, vel illius. Dicitur autem spiritus hujus, vel illius hominis: ut enim habetur Num. 11. dixit Dominus ad Moys.: « De spiritu tuo accipiam2, tradamque eis » : et 4. Reg. 2.: « Requievit spiritus Eliae super Elisaeum »; ergo Spiritus Sanctus non videtur esse proprium nomen alicujus divinae personae.

3. De naam « Zoon » is eigen aan een goddelijken Persoon. Men mag dus de uitdrukking « de Zoon van deze of gene » niet gebruiken. Men gebruikt echter wel de uitdrukking « de geest van dien of dien mensch », zooals voorkomt in het Boek der Getallen (11, 17) : « De Heer zegde aan Mozes: Ik zal van uw geest nemen en aan hen geven », en in het 4e Boek der Koningen (2, 15) : « De geest van Elias rustte op Eliseus ». De benaming « Heilige Geest » is dus niet eigen aan een goddelijken Persoon.3. De naam “Zoon” is eigen aan een goddelijken Persoon. Men mag dus de uitdrukking “de Zoon van deze of gene” niet gebruiken. Men gebruikt echter wel de uitdrukking “de geest van die of die mens”, zoals voorkomt in het Boek van de Getallen (11, 17): “De Heer zegde aan Mozes: Ik zal van uw geest nemen en aan hen geven”, en in het 4e Boek van de Koningen (2, 15)b: “De geest van Elias rustte op Eliseus”. De benaming “Heilige Geest” is dus niet eigen aan een goddelijken Persoon.

Sed contra est, quod dicitur 1. Joan. ult.: « Tres sunt, qui testimonium dant in coelo, Pater, Verbum, et Spiritus Sanctus ». Ut autem Augustinus dicit, 7. de Trinit. [cap. 4. et seq.] « cum quaeritur: Quid 192tres? dicimus: Tres personae »; ergo Spiritus Sanctus est nomen divinae personae.

Daartegenover staat echter wat gezegd wordt in den Eersten Brief van Joannes (5, 7) : « Drie zijn er die getuigenis afleggen in den hemel: de Vader, het Woord en de Heilige Geest ». Welnu, zooals Augustinus zegt in het 7e boek Over de Drievuldigheid (4e en 6e H.) , als men vraagt: « Wat zijn die drie? », dan antwoorden 192we: « Drie Personen. » De benaming « Heilige Geest » is dus de eigen naam van een goddelijken Persoon.Daartegenover staat echter wat gezegd wordt in de Eerste Brief van Johannes (5, 7): “Drie zijn er die getuigenis afleggen in de hemel: de Vader, het Woord en de Heilige Geest”. Welnu, zoals Augustinus zegt in het 7e boek Over de Drievuldigheid (4e en 6e H.), als men vraagt: “Wat zijn die drie?”, dan antwoorden 192we: “Drie Personen.” De benaming “Heilige Geest” is dus de eigen naam van een goddelijken Persoon.

Respondeo dicendum, quod, cum sint duae processiones in divinis, altera earum quae est per modum amoris, non habet proprium nomen, ut supra dictum est [cap. 27. art 4. ad 3.]. Unde et relationes, quae secundum hujusmodi processionem accipiuntur, innominatae sunt, ut etiam supra dictum est [q. 28. art. 4.]. Propter quod et nomen personae hoc modo procedentis eadem ratione non habet proprium nomen : sed, sicut sunt accommodata aliqua nomina ex usu loquentium ad significandum praedictas relationes, cum nominamus eas nomine processionis, et spirationis, quae secundum proprietatem significationis magis videntur significare actus notionales, quam relationes: ita ad significandum divinam personam, quae procedit per modum amoris, accommodatum est ex usu Scripturae hoc nomen, Spiritus Sanctus. Et hujus quidem convenientiae ratio sumi potest ex duobus. Primo quidem, ex ipsa communitate ejus, quod dicitur Spiritus Sanctus. Ut enim Augustinus dicit, 15. de Trinit. [cap. 17. circa fin. et lib. 5. 193cap 11.], quia Spiritus Sanctus communis est ambobus, id vocatur ipse proprie, quod ambo communiter. Nam et Pater est Spiritus, et Filius est Spiritus, et Pater est Sanctus, et Filius est Sanctus. Secundo vero ex propria significatione. Nam nomen spiritus in rebus corporeis impulsionem quamdam, et motionem significare videtur. Nam flatum, et ventum spiritum nominamus. Est autem proprium amoris, quod moveat, et impellat voluntatem amantis in amatum. Sanctitas vero illis rebus attribuitur, quae in Deum ordinantur. Quia igitur persona divina procedit per modum amoris, quo Deus amatur, convenienter Spiritus Sanctus nominatur.

Leerstelling. — Er zijn in de Godheid twee voortkomsten, waarvan de tweede, die een voortkomst is naar de liefde, geen eigen benaming heeft, zooals boven gezegd is (27e Kw., 4e Art., Antw. op de 3e B.) . De betrekkingen die aan deze voortkomst beantwoorden hebben dus evenmin een eigen benaming, zooals ook boven gezegd is (28e Kw., 4e Art.) . Om dezelfde reden heeft dan ook de Persoon, die op die wijze voortkomt, geen eigen naam. Nochtans zooals sommige benamingen door het spraakgebruik werden aangewend om die betrekkingen aan te duiden, als b. v. de namen « voortkomst » en « aanademing », die naar hun eigenlijke beteekenis veeleer de kenmerkende persoonsdaden aanduiden dan de betrekkingen zelf, zoo wordt ook om den Persoon die naar de liefde voortkomt te beteekenen de naam « Heilige Geest » aangewend naar het spraakgebruik der Heilige Schrift. Voor de redelijkheid van dit spraakgebruik kan men twee redenen aangeven. Ten eerste, dat door den naam « Heilige Geest » iets gemeenschappelijks wordt uitgedrukt. Augustinus zegt immers in het 15e boek Over de Drievuldigheid (19e H.) : « Omdat de 193Heilige Geest in betrekking staat tot de twee andere Personen samen, geeft men Hem als eigen naam dien welke aan beide anderen gemeen is: want de Vader is Geest en de Zoon is Geest, en de Vader is heilig en de Zoon is heilig. » Ten tweede, de eigenlijke beteekenis van deze benaming. Want bij stoffelijke dingen drukt het woord « geest » een zekere stuwing en beweging uit. Zoo wordt in het Latijn de tocht en de wind « spiritus » d. i. geest genoemd. Welnu het is eigen aan de liefde den wil van den minnende te bewegen en te stuwen naar het beminde. Wat het woord « heilig » betreft, dit wordt gebruikt voor die dingen die naar God gericht zijn. Aangezien dus een der goddelijke Personen voortkomt als de liefde waardoor God bemind wordt, noemt men dien Persoon terecht « Heilige Geest ».Leerstelling. — Er zijn in de Godheid twee voortkomsten, waarvan de tweede, die een voortkomst is naar de liefde, geen eigen benaming heeft, zoals boven gezegd is (27e Kw., 4e Art., Antw. op de 3e B.) . De betrekkingen die aan deze voortkomst beantwoorden hebben dus evenmin een eigen benaming, zoals ook boven gezegd is (28e Kw., 4e Art.) . Om dezelfde reden heeft dan ook de Persoon, die op die wijze voortkomt, geen eigen naam. Nochtans zoals sommige benamingen door het spraakgebruik werden aangewend om die betrekkingen aan te duiden, als bv. de namen “voortkomst” en “aanademing”, die naar hun eigenlijke betekenis veeleer de kenmerkende persoonsdaden aanduiden dan de betrekkingen zelf, zo wordt ook om de Persoon die naar de liefde voortkomt te betekenen de naam “Heilige Geest” aangewend naar het spraakgebruik van de Heilige Schrift. Voor de redelijkheid van dit spraakgebruik kan men twee redenen aangeven. Ten eerste, dat door de naam “Heilige Geest” iets gemeenschappelijks wordt uitgedrukt. Augustinus zegt immers in het 15e boek Over de Drievuldigheid (19e H.): “Omdat de 193Heilige Geest in betrekking staat tot de twee andere Personen samen, geeft men Hem als eigen naam die welke aan beide anderen gemeen is: want de Vader is Geest en de Zoon is Geest, en de Vader is heilig en de Zoon is heilig.” Ten tweede, de eigenlijke betekenis van deze benaming. Want bij stoffelijke dingen drukt het woord “geest” een zekere stuwing en beweging uit. Zo wordt in het Latijn de tocht en de wind “spiritus” d.i. geest genoemd. Welnu het is eigen aan de liefde de wil van de minnende te bewegen en te stuwen naar het beminde. Wat het woord “heilig” betreft, dit wordt gebruikt voor die dingen die naar God gericht zijn. Aangezien dus een van de goddelijke Personen voortkomt als de liefde waardoor God bemind wordt, noemt men die Persoon terecht “Heilige Geest”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod hoc, quod dico, Spiritus Sanctus, prout sumitur in virtute duarum dictionum, commune est toti Trinitati; quia nomine spiritus significatur immaterialitas divinae substantiae. Spiritus enim corporeus invisibilis est, et parum habet de materia. Unde omnibus substantiis immaterialibus, et invisibilibus hoc nomen attribuimus. Per hoc vero, quod dicitur sanctus, significatur puritas divinae bonitatis. Si 194autem accipiatur hoc, quod dico, Spiritus Sanctus, in vi unius dictionis, sic ex usu Ecclesiae est accomodatum ad significandam unam trium personarum, scilicet quae procedit per modum amoris, ratione jam dicta [in corp. art.].

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Indien we de benaming « Heilige Geest » nemen in den zin van twee afzonderlijke gezegden, dan is zij toepasselijk op geheel de Drievuldigheid. Het woord « geest » beteekent dan de onstoffelijkheid van de goddelijke zelfstandigheid, daar reeds een lichamelijke geest onzichtbaar en weinig stoffelijk is en dit woord daarom voor alle onstoffelijke en onzichtbare zelfstandigheden wordt gebruikt. Het woord 194« heilig » echter zal dan duiden op de ongereptheid van het goddelijk goed-zijn. Indien we echter de benaming « Heilige Geest » als één gezegde beschouwen, dan dient ze, krachtens het kerkelijk spraakgebruik, als benaming voor slechts één der drie Personen, nl. voor den Persoon die als liefde voortkomt, om de reden die boven werd aangegeven (in de Leerstelling) .Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Indien we de benaming “Heilige Geest” nemen in de zin van twee afzonderlijke gezegden, dan is zij toepasselijk op geheel de Drievuldigheid. Het woord “geest” betekent dan de onstoffelijkheid van de goddelijke zelfstandigheid, daar reeds een lichamelijke geest onzichtbaar en weinig stoffelijk is en dit woord daarom voor alle onstoffelijke en onzichtbare zelfstandigheden wordt gebruikt. Het woord 194“heilig” echter zal dan duiden op de ongereptheid van het goddelijk goed-zijn. Indien we echter de benaming “Heilige Geest” als één gezegde beschouwen, dan dient ze, krachtens het kerkelijk spraakgebruik, als benaming voor slechts één van de drie Personen, nl. voor de Persoon die als liefde voortkomt, om de reden die boven werd aangegeven (in de Leerstelling) .

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod, licet hoc, quod dico, Spiritus Sanctus, relative non dicatur: tamen pro relativo ponitur, inquantum est accomodatum ad significandam personam sola relatione ab aliis distinctam. Potest tamen intelligi3 in nomine aliqua relatio, si Spiritus Sanctus intelligatur, quasi spiratus.

2. Ofschoon in de benaming « Heilige Geest » uiteraard geen betrekkingsverhouding vervat is, wordt ze toch als betrekkingsbenaming aangewend, in zoover ze aangepast is geworden om een Persoon te beteekenen die alleen door een betrekking van de andere onderscheiden is. Men kan nochtans een zekere betrekking onder dien naam verstaan, zoo we dit woord « geest » gelijkstellen met « aangeademd ».2. Ofschoon in de benaming “Heilige Geest” uiteraard geen betrekkingsverhouding vervat is, wordt ze toch als betrekkingsbenaming aangewend, in zover ze aangepast is geworden om een Persoon te betekenen die alleen door een betrekking van de andere onderscheiden is. Men kan nochtans een zekere betrekking onder die naam verstaan, zo we dit woord “geest” gelijkstellen met “aangeademd”.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod in nomine Filii intelligitur sola relatio ejus, qui est a principio ad principium: sed in nomine Patris intelligitur relatio principii; et similiter in nomine spiritus, prout importat quamdam vim motivam. Nulli autem creaturae competit esse principium respectu alicujus divinae personae, sed e converso. Et ideo potest dici Pater noster, et Spiritus noster: non tamen potest dici Filius noster.

3. De benaming « Zoon » duidt enkel de betrekking aan van datgene wat van het beginsel voortkomt tot het beginsel. De benaming « Vader » echter drukt de betrekking uit die aan het beginsel toekomt. Zoo ook de benaming « Geest », in zoover deze een zekere bewegende kracht te kennen geeft. Geen enkel schepsel nu kan beginsel zijn ten opzichte van een goddelijken Persoon, maar wel is het tegendeel het geval. En daarom kunnen we zeggen « onze Vader » en « onze Geest», doch niet « onze Zoon ».3. De benaming “Zoon” duidt enkel de betrekking aan van datgene wat van het beginsel voortkomt tot het beginsel. De benaming “Vader” echter drukt de betrekking uit die aan het beginsel toekomt. Zo ook de benaming “Geest”, in zover deze een zekere bewegende kracht te kennen geeft. Geen enkel schepsel nu kan beginsel zijn ten opzichte van een goddelijken Persoon, maar wel is het tegendeel het geval. En daarom kunnen we zeggen “onze Vader” en “onze Geest”, doch niet “onze Zoon”.

Articulus II

Utrum Spiritus Sanctus procedat a Filio

[1. Dist. 11. art. 1. et Pot. q. 10. art. 4. 5. et Opusc. 1. cap, 49, 50, et 51. et Opusc. 2. cap. 49. et lib. 4. Contr. g. cap. 24. et 25.].
IIe Artikel

Komt de Heilige Geest voort van den Zoon?Komt de Heilige Geest voort van de Zoon?

antwoord 1 ↓

195Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod Spiritus Sanctus non procedat a Filio. Quia, secundum Dionys. [cap. 1. de Div. Nom. lect. 1.], non est audendum dicere aliquid de substantiali divinitate, praeter ea, quae divinitus nobis ex sacris eloquiis sunt expressa: sed in Scriptura Sacra non exprimitur, quod Spiritus Sanctus a Filio procedat, sed solum quod procedat a Patre, ut patet Joan. 15: « Spiritum veritatis, qui a Patre procedit »; ergo Spiritus Sanctus non procedit a Filio.

195Bedenkingen. — Men beweert dat de Heilige Geest niet voortkomt van den Zoon. — 1. Volgens Dionysius immers in zijn boek Over de goddelijke Namen (1e H.) « moet niemand het wagen iets te zeggen over de zelfstandige Godheid, tenzij dat wat ons door God zelf wordt voorgehouden in de Heilige Schrift ». Welnu in de Heilige Schrift wordt niet gezegd dat de Heilige Geest voortkomt van den Zoon, maar enkel dat Hij voortkomt van den Vader, zooals blijkt uit Joannes (15, 26) : « De Geest der waarheid die van den Vader voortkomt ». De Heilige Geest komt dus niet voort van den Zoon.195Bedenkingen. — Men beweert dat de Heilige Geest niet voortkomt van de Zoon. — 1. Volgens Dionysius immers in zijn boek Over de goddelijke Namen (1e H.) “moet niemand het wagen iets te zeggen over de zelfstandige Godheid, tenzij dat wat ons door God zelf wordt voorgehouden in de Heilige Schrift”. Welnu in de Heilige Schrift wordt niet gezegd dat de Heilige Geest voortkomt van de Zoon, maar enkel dat Hij voortkomt van de Vader, zoals blijkt uit Johannes (15, 26): “De Geest van de waarheid die van de Vader voortkomt”. De Heilige Geest komt dus niet voort van de Zoon.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, in symbolo Constantinopolitanae Synodi [Primae can. 7.] sic legitur: « Credimus in Spiritum Sanctum Dominum, et vivificantem, ex Patre procedentem, cum Patre et Filio adorandum, et 196glorificandum ». Nullo igitur modo debuit addi in symbolo nostro, quod Spiritus Sanctus procedat a Filio, sed videntur esse anathematis rei, qui hoc addiderunt.

2. In het Symbolum van de eerste Synode van Constantinopel leest men het volgende: « Wij gelooven in den Heiligen Geest, Heer en Levenwekker, die voortkomt van den Vader, die met den Vader en den Zoon moet aanbeden en verheerlijkt worden ». Men had dus aan ons Symbolum niet moeten bijvoegen dat de Heilige Geest voortkomt van den Zoon. Integendeel, degenen die 196dit er aan toevoegden schijnen den banvloek te hebben opgeloopen.2. In het Symbolum van de eerste Synode van Constantinopel leest men het volgende: “Wij geloven in de Heilige Geest, Heer en Levenwekker, die voortkomt van de Vader, die met de Vader en de Zoon moet aanbeden en verheerlijkt worden”. Men had dus aan ons Symbolum niet moeten bijvoegen dat de Heilige Geest voortkomt van de Zoon. Integendeel, degenen die 196dit er aan toevoegden schijnen de banvloek te hebben opgelopen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Damascenus dicit [lib. 1. Orth. Fid. cap. 11.] : « Spiritum Sanctum ex Patre dicimus, et Spiritum Patris nominamus: ex Filio autem Spiritum Sanctum non dicimus, Spiritum vero Filii nominamus »; ergo Spiritus Sanctus non procedit a Filio.

3. Damascenus (in zijn werk Over het ware Geloof, 1e B., 8e H.) zegt: « We zeggen dat de Heilige Geest uitgaat van den Vader en we noemen Hem den Geest van den Vader. We zeggen echter niet dat Hij uitgaat van den Zoon maar noemen Hem toch den Geest van den Zoon ». De Heilige Geest komt dus niet voort van den Zoon.3. Damascenus (in zijn werk Over het ware Geloof, 1e B., 8e H.) zegt: “We zeggen dat de Heilige Geest uitgaat van de Vader en we noemen Hem de Geest van de Vader. We zeggen echter niet dat Hij uitgaat van de Zoon maar noemen Hem toch de Geest van de Zoon”. De Heilige Geest komt dus niet voort van de Zoon.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, nihil procedit ab eo, in quo quiescit: sed Spiritus Sanctus quiescit in Filio. Dicitur enim in legenda B. And.: « Pax vobis, et universis, qui credunt in unum Deum Patrem, et1 unum Filium ejus unicum Dominum nostrum Jesum Christum, et in unum Spiritum Sanctum procedentem ex Patre,2 in Filio permanentem »; ergo Spiritus Sanctus non procedit a Filio.

4. Wat in iets rust, komt er niet uit voort. Welnu de Heilige Geest rust in den Zoon. Er wordt immers in de legende van den heiligen Andreas gezegd: « Vrede zij u en allen die gelooven in den éénen God, den Vader, in zijn éénen Zoon, onzen eenigen Heer Jezus Christus, en in den éénen Heiligen Geest, die voortkomt van den Vader en verblijft in den Zoon ». De Heilige Geest komt dus niet voort van den Zoon.4. Wat in iets rust, komt er niet uit voort. Welnu de Heilige Geest rust in de Zoon. Er wordt immers in de legende van de heilige Andreas gezegd: “Vrede zij u en allen die geloven in de éne God, de Vader, in zijn één Zoon, onze enige Heer Jezus Christus, en in de éne Heiligen Geest, die voortkomt van de Vader en verblijft in de Zoon”. De Heilige Geest komt dus niet voort van de Zoon.

antwoord 5 ↓

5. Praeterea, Filius procedit ut verbum : sed spiritus noster in nobis non videtur procedere a verbo nostro; ergo Spiritus Sanctus non procedit a Filio.

5. De Zoon komt voort van den Vader als woord. Welnu de geest die in ons is schijnt niet voort te komen van ons woord. De Heilige Geest komt dus ook niet voort van den Zoon.5. De Zoon komt voort van de Vader als woord. Welnu de geest die in ons is schijnt niet voort te komen van ons woord. De Heilige Geest komt dus ook niet voort van de Zoon.

antwoord 6 ↓

1976. Praeterea, Spiritus Sanctus perfecte procedit a Patre; ergo superfluum est dicere, quod procedit a Filio.

1976. De Heilige Geest gaat volmaakt uit van den Vader. Het is dus overbodig te beweren dat Hij voortkomt van den Zoon.1976. De Heilige Geest gaat volmaakt uit van de Vader. Het is dus overbodig te beweren dat Hij voortkomt van de Zoon.

antwoord 7 ↓

7. Praeterea, in perpetuis non differunt3 esse, et posse, ut dicitur in 3. Phys. [tex. 32.], et multo minus in divinis: sed Spiritus Sanctus potest distingui a Filio, etiamsi ab eo non procedat. Dicit enim Anselmus in libro de processione Spiritus Sancti : « Habent utique a Patre esse Filius, et Spiritus Sanctus, sed diverso modo; quia alter nascendo, et alter procedendo, ut alii sint per hoc ab invicem ». Et postea subdit: « Nam si per aliud non essent plures Filius et Spiritus Sanctus, per hoc solum essent diversi ». Ergo Spiritus Sanctus distinguitur a Filio ab eo non exsistens.

7. « In wat altijddurend is, is er geen onderscheid van zijn en kunnen zijn », zooals gezegd wordt in het 3e Boek der Physica (4e H., n. 9) . Dit geldt dus nog veel meer voor het goddelijke. Welnu, men kan den Heiligen Geest onderscheiden van den Zoon, zelfs indien Hij niet van Hem voortkomt. Anselmus zegt immers in zijn boek Over de Voortkomst van den Heiligen Geest (4e H.) : « De Zoon en de Heilige Geest ontvangen beide het zijn van den Vader, maar op verschillende wijze: de eene door geboorte, de andere door voortkomst, zoodat ze daardoor van elkaar verschillen ». En verder voegt hij er aan toe: « Want moesten de Zoon en de Heilige Geest door niets anders van elkaar onderscheiden zijn, dan zouden ze hierdoor alleen reeds van elkaar onderscheiden zijn ». De Heilige Geest is dus van den Zoon onderscheiden, ofschoon Hij van Hem het zijn niet ontvangt.7. “In wat altijddurend is, is er geen onderscheid van zijn en kunnen zijn”, zoals gezegd wordt in het 3e Boek van de Fysica (4e H., n. 9) . Dit geldt dus nog veel meer voor het goddelijke. Welnu, men kan de Heilige Geest onderscheiden van de Zoon, zelfs indien Hij niet van Hem voortkomt. Anselmus zegt immers in zijn boek Over de Voortkomst van de Heilige Geest (4e H.): “De Zoon en de Heilige Geest ontvangen beide het zijn van de Vader, maar op verschillende wijze: de ene door geboorte, de andere door voortkomst, zodat ze daardoor van elkaar verschillen”. En verder voegt hij er aan toe: “Want moesten de Zoon en de Heilige Geest door niets anders van elkaar onderscheiden zijn, dan zouden ze hierdoor alleen reeds van elkaar onderscheiden zijn”. De Heilige Geest is dus van de Zoon onderscheiden, ofschoon Hij van Hem het zijn niet ontvangt.

Sed contra est, quod dicit Athanas. [in Symbolo suo] : « Spiritus Sanctus a Patre, et Filio, non factus, nec creatus, nec genitus, sed procedens ».

Daartegenover staat echter wat Athanasius zegt (in het Symbolum) : « De Heilige Geest is niet gemaakt noch geschapen noch geteeld door den Vader en den Zoon, maar Hij komt van Hen voort ».Daartegenover staat echter wat Athanasius zegt (in het Symbolum): “De Heilige Geest is niet gemaakt noch geschapen noch geteeld door de Vader en de Zoon, maar Hij komt van Hen voort”.

198Respondeo dicendum, quod necesse est dicere, Spiritum Sanctum a Filio esse. Si enim non esset ab eo, nullo modo posset ab eo personaliter distingui. Quod ex supra dictis patet [q. 27. art. 3. et q. 30. art. 2.]. Non enim est possibile dicere, quod secundum aliquid absolutum divinae personae ab invicem distinguantur; quia sequeretur, quod non esset trium una essentia. Quidquid enim in divinis absolute dicitur, ad unitatem essentiae pertinet. Relinquitur ergo, quod solum relationibus divinae personae ab invicem distinguantur. Relationes autem personas distinguere non possunt, nisi secundum quod sunt oppositae. Quod ex hoc patet, quia Pater habet duas relationes, quarum una refertur ad Filium, et alia ad Spiritum Sanctum; quae tamen, quia non sunt oppositae, non constituunt duas personas, sed ad unam personam Patris tantum pertinent. Si ergo in Filio, et in Spiritu Sancto non esset invenire nisi duas relationes, quibus uterque refertur ad Patrem, illae relationes non essent ad invicem oppositae, sicut neque duae relationes, quibus Pater refertur ad illos. Unde, sicut persona Patris 199est una, ita sequeretur, quod persona Filii, et Spiritus Sancti esset una, habens duas relationes oppositas duabus relationibus Patris. Hoc autem est haereticum, cum tollat fidem Trinitatis. Oportet ergo, quod Filius, et Spiritus Sanctus ad invicem referantur oppositis relationibus. Non autem possunt esse in divinis aliae relationes oppositae, nisi relationes originis, ut supra probatum est [q. 28. art. 4.]. Oppositae autem relationes originis accipiuntur secundum principium, et secundum quod est a principio. Relinquitur ergo, quod necesse est dicere, vel Filium esse a Spiritu Sancto, quod nullus dicit, vel Spiritum Sanctum esse a Filio, quod nos confitemur; et huic quidam consonat ratio processionis utriusque. Dictum enim est supra [q. 27. art. 2. et 4. et q. 28. art. 4.], quod Filius procedit per modum intellectus ut Verbum, Spiritus Sanctus autem per modum voluntatis, ut amor. Necesse est autem, quod amor a Verbo procedat. Non enim aliquid amamus, nisi secundum quod conceptione mentis apprehendimus. Unde et secundum hoc 200manifestum est, quod Spiritus Sanctus procedit a Filio. Ipse etiam ordo rerum hoc docet. Nusquam enim hoc invenimus, quod ab uno procedant plura absque ordine, nisi in illis solum, quae materialiter differunt. Sicut unus faber producit multos cultellos materialiter ab invicem distinctos, nullum ordinem habentes ad invicem. Sed in rebus, in quibus non est sola materialis distinctio, semper invenitur in multitudine productorum aliquis ordo. Unde etiam in ordine creaturarum productarum decor divinae sapientiae manifestatur. Si ergo ab una persona Patris procedunt duae personae, scilicet Filius, et Spiritus Sanctus, oportet esse aliquem ordinem eorum ad invicem. Nec potest aliquis ordo alius assignari, nisi ordo naturae, quo alius est ex alio. Non est igitur possibile dicere, quod Filius, et Spiritus Sanctus sic procedant a Patre, quod neuter eorum procedat ab alio, nisi quis poneret in eis materialem distinctionem, quod est impossibile. Unde etiam ipsi Graeci processionem Spiritus Sancti aliquem ordinem habere ad Filium intelligunt. Concedunt enim, Spiritum Sanctum esse Spiritum Filii, et esse a Patre per 201Filium. Et quidam eorum dicuntur concedere, quod sit a Filio, vel profluat ab eo, non tamen quod procedat; quod videtur vel ex ignorantia, vel ex protervia esse. Quia si quis recte consideret, inveniet processionis verbum inter omnia, quae ad originem qualemcumque pertinent, communissimum esse. Utimur enim eo ad designandum qualemcumque originem, sicut, quod linea procedit a puncto, radius a sole, rivus a fonte, et similiter in quibuscumque aliis. Unde ex quocumque alio ad originem pertinente potest concludi, quod Spiritus Sanctus procedit a Filio.

198Leerstelling. — De Heilige Geest moet noodzakelijk van den Zoon uitgaan. Anders is het volstrekt onmogelijk Hem als Persoon te onderscheiden van den Zoon, zooals blijkt uit wat boven gezegd is (28e Kw., 3e Art. en 30e Kw., 2e Art.) . Men kan immers niet zeggen dat de goddelijke Personen door 'n absoluut iets van elkaar onderscheiden zijn, want daaruit zou volgen dat de drie Personen niet meer één zouden zijn naar de wezenheid. Al wat immers aan de Godheid als iets absoluut wordt toegeschreven, behoort tot de ééne wezenheid. De goddelijke Personen kunnen dus alleen door de betrekkingen van elkaar onderscheiden zijn. — De betrekkingen onderscheiden echter de Personen niet, tenzij in zoover ze aan elkaar tegengesteld zijn. Dit blijkt uit het feit dat de Vader, die twee betrekkingen heeft, ééne tot den Zoon en een andere tot den Heiligen Geest, geen twee Personen vormt, maar één enkelen, omdat die betrekkingen niet aan elkaar zijn tegengesteld. Moesten er dus in den Zoon en den Heiligen Geest niet meer dan de twee betrekkingen zijn waardoor de een en de andere zich verhoudt tot den Vader, dan zouden deze betrekkingen niet aan elkaar tegengesteld zijn, evenmin als de twee betrekkingen waardoor de Vader zich tot den Zoon en den Heiligen Geest verhoudt. Zooals dus de Vader maar één Persoon vormt, zoo zouden ook de Zoon 199en de Heilige Geest samen maar één Persoon vormen met twee betrekkingen, die aan de twee aan elkaar tegengestelde betrekkingen van den Vader zouden beantwoorden. Dit is echter ketterij, want hierdoor wordt het geloof in de drie Personen vernietigd. De betrekkingen waardoor de Zoon en de Heilige Geest zich wederzijds tot elkaar verhouden moeten dus noodzakelijk aan elkaar tegengestelde betrekkingen zijn. — Er kunnen echter in de Godheid geen aan elkaar tegengestelde betrekkingen zijn, tenzij de oorsprongsbetrekkingen, zooals boven gezegd is (28e Kw., 4e Art.) . De betrekkingen van oorsprong nu stellen we elkaar tegen in zoover we iets als beginsel en iets als van het beginsel voortkomend opvatten. We moeten dus hoofdzakelijk besluiten of wel dat de Zoon voortkomt van den Heiligen Geest, wat niemand staande houdt, of wel dat de Heilige Geest voortkomt van den Zoon, en dit is wat wij belijden. Deze stelling komt overigens overeen met den aard van beider voortkomst. We hebben immers vroeger gezegd (27e Kw., 2e en 4e Art., en 28e Kw., 4e Art.) dat de Zoon voortkomt door een daad van het verstand, als woord, en de Heilige Geest door een daad van den wil, als liefde. De liefde komt echter niet voort tenzij van het woord, want we kunnen slechts iets beminnen in zoover we het in ons verstand hebben opgevat. Ook hieruit blijkt dus dat de Heilige Geest voortkomt van den Zoon. 200Ook de natuur zelf der dingen maakt ons dit duidelijk. Want nergens zien we dat er uit één beginsel verscheidene dingen ontstaan zonder onderling verband, behalve wanneer het dingen betreft die stoffelijk van elkaar verschillen. Zoo kan b. v. een ambachtsman verscheidene messen maken die stoffelijk van elkaar verschillen en volstrekt geen verband houden met elkaar. Bij de dingen echter die niet alleen stoffelijk onderscheiden zijn, hoe talrijk ze ook worden geproduceerd, kan men altijd een zekere orde waarnemen. Zoo straalt reeds uit de orde van de geschapen dingen de heerlijkheid van de goddelijke wijsheid uit. Indien er dus twee Personen voortkomen van den éénen Persoon van den Vader, te weten de Zoon en de Heilige Geest, dan moet er ook tusschen beide een zekere orde tot elkaar bestaan. Er kan echter geen andere orde worden aangewezen dan de orde van natuur, volgens dewelke de eene van den anderen voortkomt. Men mag dus niet zeggen dat de Zoon en de Heilige Geest op zulke wijze van den Vader voortkomen dat geen van beide van den anderen voortkomt, tenzij iemand in hen een stoffelijk onderscheid zou aannemen, wat volstrekt niet mag. Vandaar dan ook dat zelfs de Grieken een zekere orde aanvaarden waardoor de voortkomst van den Heiligen Geest in 201verband staat met den Zoon. Want ze geven toe dat de Heilige Geest de Geest is van den Zoon, en dat Hij van den Vader voortkomt door den Zoon. En men zegt dat sommigen onder hen toegeven dat Hij van den Zoon is, of dat Hij uit Hem voortvloeit, maar niet dat Hij voortkomt. Zoo spreken steunt blijkbaar op onwetendheid of onwil. Want indien iemand goed nagaat zal hij bevinden dat de term « voortkomst » onder al degene die een voortkomst, welke dan ook, te kennen geven, de meest algemeene is. We bezigen hem immers om gelijk welken oorsprong aan te wijzen, zooals we b v. zeggen dat de lijn voortkomt van het punt, de straal van de zon, de beek van de bron, en zoo verder voor gelijk welke andere dingen. Bijgevolg kunnen we uit om 't even welk ander gegeven dat tot den oorsprong behoort besluiten dat de Heilige Geest voortkomt van den Zoon.198Leerstelling. — De Heilige Geest moet noodzakelijk van de Zoon uitgaan. Anders is het volstrekt onmogelijk Hem als Persoon te onderscheiden van de Zoon, zoals blijkt uit wat boven gezegd is (28e Kw., 3e Art. en 30e Kw., 2e Art.) . Men kan immers niet zeggen dat de goddelijke Personen door 'n absoluut iets van elkaar onderscheiden zijn, want daaruit zou volgen dat de drie Personen niet meer één zouden zijn naar de wezenheid. Al wat immers aan de Godheid als iets absoluut wordt toegeschreven, behoort tot de éne wezenheid. De goddelijke Personen kunnen dus alleen door de betrekkingen van elkaar onderscheiden zijn. — De betrekkingen onderscheiden echter de Personen niet, tenzij in zover ze aan elkaar tegengesteld zijn. Dit blijkt uit het feit dat de Vader, die twee betrekkingen heeft, één tot de Zoon en een andere tot de Heilige Geest, geen twee Personen vormt, maar één enkelen, omdat die betrekkingen niet aan elkaar zijn tegengesteld. Moesten er dus in de Zoon en de Heilige Geest niet meer dan de twee betrekkingen zijn waardoor de een en de andere zich verhoudt tot de Vader, dan zouden deze betrekkingen niet aan elkaar tegengesteld zijn, evenmin als de twee betrekkingen waardoor de Vader zich tot de Zoon en de Heilige Geest verhoudt. Zoals dus de Vader maar één Persoon vormt, zo zouden ook de Zoon 199en de Heilige Geest samen maar één Persoon vormen met twee betrekkingen, die aan de twee aan elkaar tegengestelde betrekkingen van de Vader zouden beantwoorden. Dit is echter ketterij, want hierdoor wordt het geloof in de drie Personen vernietigd. De betrekkingen waardoor de Zoon en de Heilige Geest zich wederzijds tot elkaar verhouden moeten dus noodzakelijk aan elkaar tegengestelde betrekkingen zijn. — Er kunnen echter in de Godheid geen aan elkaar tegengestelde betrekkingen zijn, tenzij de oorsprongsbetrekkingen, zoals boven gezegd is (28e Kw., 4e Art.) . De betrekkingen van oorsprong nu stellen we elkaar tegen in zover we iets als beginsel en iets als van het beginsel voortkomend opvatten. We moeten dus hoofdzakelijk besluiten of wel dat de Zoon voortkomt van de Heilige Geest, wat niemand staande houdt, of wel dat de Heilige Geest voortkomt van de Zoon, en dit is wat wij belijden. Deze stelling komt overigens overeen met de aard van beider voortkomst. We hebben immers vroeger gezegd (27e Kw., 2e en 4e Art., en 28e Kw., 4e Art.) dat de Zoon voortkomt door een daad van het verstand, als woord, en de Heilige Geest door een daad van de wil, als liefde. De liefde komt echter niet voort tenzij van het woord, want we kunnen slechts iets beminnen in zover we het in ons verstand hebben opgevat. Ook hieruit blijkt dus dat de Heilige Geest voortkomt van de Zoon. 200Ook de natuur zelf van de dingen maakt ons dit duidelijk. Want nergens zien we dat er uit één beginsel verscheidene dingen ontstaan zonder onderling verband, behalve wanneer het dingen betreft die stoffelijk van elkaar verschillen. Zo kan bv. een ambachtsman verscheidene messen maken die stoffelijk van elkaar verschillen en volstrekt geen verband houden met elkaar. Bij de dingen echter die niet alleen stoffelijk onderscheiden zijn, hoe talrijk ze ook worden geproduceerd, kan men altijd een zekere orde waarnemen. Zo straalt reeds uit de orde van de geschapen dingen de heerlijkheid van de goddelijke wijsheid uit. Indien er dus twee Personen voortkomen van de éne Persoon van de Vader, te weten de Zoon en de Heilige Geest, dan moet er ook tussen beide een zekere orde tot elkaar bestaan. Er kan echter geen andere orde worden aangewezen dan de orde van natuur, volgens dewelke de ene van de andere voortkomt. Men mag dus niet zeggen dat de Zoon en de Heilige Geest op zulke wijze van de Vader voortkomen dat geen van beide van de andere voortkomt, tenzij iemand in hen een stoffelijk onderscheid zou aannemen, wat volstrekt niet mag. Vandaar dan ook dat zelfs de Grieken een zekere orde aanvaarden waardoor de voortkomst van de Heilige Geest in 201verband staat met de Zoon. Want ze geven toe dat de Heilige Geest de Geest is van de Zoon, en dat Hij van de Vader voortkomt door de Zoon. En men zegt dat sommigen onder hen toegeven dat Hij van de Zoon is, of dat Hij uit Hem voortvloeit, maar niet dat Hij voortkomt. Zo spreken steunt blijkbaar op onwetendheid of onwil. Want indien iemand goed nagaat zal hij bevinden dat de term “voortkomst” onder al degene die een voortkomst, welke dan ook, te kennen geven, de meest algemene is. We bezigen hem immers om gelijk welke oorsprong aan te wijzen, zoals we b v. zeggen dat de lijn voortkomt van het punt, de straal van de zon, de beek van de bron, en zo verder voor gelijk welke andere dingen. Bijgevolg kunnen we uit om 't even welk ander gegeven dat tot de oorsprong behoort besluiten dat de Heilige Geest voortkomt van de Zoon.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod de Deo dicere non debemus, quod in Sacra Scriptura non invenitur vel per verba, vel per sensum. Licet autem per verba non inveniatur in Sacra Scriptura, quod Spiritus Sanctus procedit a Filio; invenitur tamen quantum ad sensum, et praecipue, ubi dicit Filius, Joan. 16. de Spiritu Sancto loquens: « Ille me clarificabit, quia de meo 202accipiet ». Regulariter etiam in sacra Scriptura tenendum est, quod id, quod de Patre dicitur, oportet de Filio intelligi, etiam si dictio exclusiva addatur. nisi solum in illis, in quibus Pater, et Filius secundum oppositas relationes distinguuntur. Cum enim Dominus, Matth. 11. dicit: « Nemo novit Filium, nisi Pater », non excluditur, quin Filius seipsum cognoscat. Sic igitur, cum dicitur, quod Spiritus Sanctus a Patre procedit, etiamsi adderetur, quod a solo Patre procedit, non excluderetur inde Filius; quia quantum ad hoc, quod est esse principium Spiritus Sancti, non opponuntur Pater, et Filius, sed solum quantum ad hoc, quod hic est Pater, et ille Filius.

Antwoord op de Bedenkingen. — We mogen van God niet zeggen wat we niet aantreffen in de Heilige Schrift, hetzij in dezelfde bewoordingen, hetzij met dezelfde beteekenis. Ofschoon we nu niet woordelijk in de Heilige Schrift lezen dat de Heilige Geest van den Zoon voortkomt, vinden we er dit nochtans met dezelfde beteekenis, voornamelijk daar waar de Zoon, sprekende over den Heiligen Geest, zegt wat we lezen bij Joannes (16, 14) : « Hij zal Mij verheerlijken, want van het mijne zal 202Hij ontvangen ». — In den regel moeten we ook bij het verklaren van de Heilige Schrift houden dat wat van den Vader gezegd wordt, ook van den Zoon mag verstaan worden, zelfs dan wanneer er een woord met uitsluitende beteekenis is bijgevoegd, met uitzondering alleen van datgene wat den Vader en den Zoon door aan elkaar tegengestelde betrekkingen onderscheidt. Immers wanneer de Heer zegt bij Mattheus (11, 27) : « Niemand kent den Zoon, behalve de Vader », wordt daardoor niet uitgesloten dat de Zoon zichzelf kent. Zoo ook wanneer gezegd wordt dat de Heilige Geest van den Vader voortkomt, zelfs indien er aan toegevoegd werd dat Hij van den Vader alleen voortkomt, zou daardoor de Zoon niet uitgesloten worden. Immers wat betreft het beginsel zijn van den Heiligen Geest, hierin zijn de Vader en de Zoon aan elkaar niet tegengesteld, doch enkel wat het feit betreft dat deze de Vader is en gene de Zoon.Antwoord op de Bedenkingen. — We mogen van God niet zeggen wat we niet aantreffen in de Heilige Schrift, hetzij in dezelfde bewoordingen, hetzij met dezelfde betekenis. Ofschoon we nu niet woordelijk in de Heilige Schrift lezen dat de Heilige Geest van de Zoon voortkomt, vinden we er dit nochtans met dezelfde betekenis, voornamelijk daar waar de Zoon, sprekende over de Heilige Geest, zegt wat we lezen bij Johannes (16, 14): “Hij zal Mij verheerlijken, want van het mijne zal 202Hij ontvangen”. — In de regel moeten we ook bij het verklaren van de Heilige Schrift houden dat wat van de Vader gezegd wordt, ook van de Zoon mag verstaan worden, zelfs dan wanneer er een woord met uitsluitende betekenis is bijgevoegd, met uitzondering alleen van datgene wat de Vader en de Zoon door aan elkaar tegengestelde betrekkingen onderscheidt. Immers wanneer de Heer zegt bij Matteüs (11, 27): “Niemand kent de Zoon, behalve de Vader”, wordt daardoor niet uitgesloten dat de Zoon zichzelf kent. Zo ook wanneer gezegd wordt dat de Heilige Geest van de Vader voortkomt, zelfs indien er aan toegevoegd werd dat Hij van de Vader alleen voortkomt, zou daardoor de Zoon niet uitgesloten worden. Immers wat betreft het beginsel zijn van de Heilige Geest, hierin zijn de Vader en de Zoon aan elkaar niet tegengesteld, doch enkel wat het feit betreft dat deze de Vader is en gene de Zoon.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod in quolibet Concilio institutum fuit symbolum aliquod propter errorem aliquem, qui in Concilio damnabatur. Unde sequens Concilium non faciebat aliud symbolum, quam primum, sed id, quod implicite continebatur in primo symbolo, per aliqua addita explanabatur 203contra haereses insurgentes. Unde in determinatione Chalcedon. Synodi dicitur, quod illi, qui fuerunt congregati in Concilio Constantinopolitano, doctrinam de Spiritu Sancto tradiderunt, non quod minus esset in praecedentibus, qui apud Nicaeam congregati sunt, inferentes, sed intellectum eorum adversus haereticos declarantes. Quia igitur in tempore antiquorum Conciliorum nondum exortus fuerat error dicentium, Spiritum Sanctum non procedere a Filio, non fuit necessarium, quod hoc explicite poneretur: sed postea insurgente errore quorumdam, in quodam Concilio in occidentalibus partibus congregato expressum fuit auctoritate Romani Pontificis, cujus auctoritate etiam antiqua Concilia congregabantur, et confirmabantur. Continebatur tamen implicite in hoc ipso, quod dicebatur Spiritus Sanctus a Patre procedere.

2. In iedere Kerkvergadering werd er naar aanleiding van een of andere ketterij die op de Kerkvergadering was veroordeeld geworden een geloofssymbolum uitgevaardigd. Een volgende Kerkvergadering stelde echter geen ander symbolum op als de vorige, maar men trachtte door het toevoegen van sommige verklaringen, tegenover de nieuw opgerezene ketterijen meer uitdrukkelijk te bepalen wat in het vorig symbolum impliciet vervat was. Zoo lezen we in een bepaling van de Kerkvergadering van 203Chalcedon dat zij die samengekomen waren op de Kerkvergadering van Constantinopel de leer over den Heiligen Geest uiteengezet hadden, « niet alsof zij oordeelden dat de vorigen (degene nl. die te Nicea vergaderd hadden) iets minder hadden voorgehouden, maar om die leer met meer nadruk voor te stellen tot verweer tegen de ketters ». Daar er nu ten tijde van de oudere Kerkvergaderingen geen dwaling was opgerezen volgens dewelke de Heilige Geest niet zou voortkomen van den Zoon, was het ook niet noodig geweest daaromtrent iets uitdrukkelijk te bepalen. Later echter, toen sommigen daaromtrent begonnen te dwalen, werd die leer op een Kerkvergadering die in het Westen was bijeengeroepen uitdrukkelijk vastgesteld en bekrachtigd door het gezag van den Roomschen Kerkvoogd, op wiens gezag ook de oudere Kerkvergaderingen werden bijeengeroepen en goedgekeurd. — Die leer was nochtans impliciet reeds vervat in de uitspraak volgens dewelke de Heilige Geest van den Vader voortkomt.2. In iedere Kerkvergadering werd er naar aanleiding van een of andere ketterij die op de Kerkvergadering was veroordeeld geworden een geloofssymbolum uitgevaardigd. Een volgende Kerkvergadering stelde echter geen ander symbolum op als de vorige, maar men trachtte door het toevoegen van sommige verklaringen, tegenover de nieuw opgerezene ketterijen meer uitdrukkelijk te bepalen wat in het vorig symbolum impliciet vervat was. Zo lezen we in een bepaling van de Kerkvergadering van 203Chalcedon dat zij die samengekomen waren op de Kerkvergadering van Constantinopel de leer over de Heilige Geest uiteengezet hadden, “niet alsof zij oordeelden dat de vorigen (degene nl. die te Nicea vergaderd hadden) iets minder hadden voorgehouden, maar om die leer met meer nadruk voor te stellen tot verweer tegen de ketters”. Daar er nu ten tijde van de oudere Kerkvergaderingen geen dwaling was opgerezen volgens dewelke de Heilige Geest niet zou voortkomen van de Zoon, was het ook niet nodig geweest daaromtrent iets uitdrukkelijk te bepalen. Later echter, toen sommigen daaromtrent begonnen te dwalen, werd die leer op een Kerkvergadering die in het Westen was bijeengeroepen uitdrukkelijk vastgesteld en bekrachtigd door het gezag van de Roomse Kerkvoogd, op wiens gezag ook de oudere Kerkvergaderingen werden bijeengeroepen en goedgekeurd. — Die leer was nochtans impliciet reeds vervat in de uitspraak volgens dewelke de Heilige Geest van de Vader voortkomt.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod Spiritum Sanctum non procedere a Filio, primo fuit a Nestorianis introductum, ut patet in quodam symbolo Nestorianorum damnato in Ephesina Synodo. Et hunc errorem sequutus fuit Theodoricus Nestorianus, et plures post ipsum. Inter quos fuit etiam Damasc. 204Unde in hoc ejus sententiae non est standum. Quamvis a quibusdam dicatur, quod Damasc. sicut non confitetur Spiritum Sanctum esse a Filio, ita etiam non negat ex vi illorum verborum.

3. Dat de Heilige Geest niet zou voortkomen van den Zoon, werd voor 't eerst door de Nestorianen voorgehouden, zooals blijkt uit een symbolum van de Nestorianen dat op de Kerkvergadering van Ephese veroordeeld werd. Diezelfde dwaalleer heeft onder haar aanhangers den Nestoriaan Theodoretus en na hem 204verschillende anderen geteld, waaronder we ook Damascenus vinden. Hierin moeten we dus niet met de leer van dezen Kerkvader meegaan. — Nochtans beweren sommigen dat Damascenus, in de aangehaalde woorden, wel is waar niet belijdt maar evenmin ontkent dat de Heilige Geest van den Zoon voortkomt.3. Dat de Heilige Geest niet zou voortkomen van de Zoon, werd voor 't eerst door de Nestorianen voorgehouden, zoals blijkt uit een symbolum van de Nestorianen dat op de Kerkvergadering van Efeze veroordeeld werd. Diezelfde dwaalleer heeft onder haar aanhangers de Nestoriaan Theodoretus en na hem 204verschillende anderen geteld, waaronder we ook Damascenus vinden. Hierin moeten we dus niet met de leer van deze Kerkvader meegaan. — Nochtans beweren sommigen dat Damascenus, in de aangehaalde woorden, wel is waar niet belijdt maar evenmin ontkent dat de Heilige Geest van de Zoon voortkomt.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod per hoc, quod Spiritus Sanctus dicitur quiescere, vel manere in Filio, non excluditur, quin ab eo procedat; quia et Filius in Patre manere dicitur, cum tamen a Patre procedat. Dicitur etiam Spiritus Sanctus in Filio quiescere, vel sicut amor amantis quiescit in amato, vel quantum ad humanam naturam Christi, propter id, quod scriptum est Joan. 1.: « Super quem videris spiritum descendentem, et manentem super eum, hic est, qui baptizat ».

4. Wanneer van den Heiligen Geest gezegd wordt dat Hij rust of verblijft in den Zoon, wordt daardoor niet uitgesloten dat Hij van den Zoon zou voortkomen, daar ook van den Zoon gezegd wordt dat Hij in den Vader verblijft, terwijl Hij nochtans van den Vader voortkomt. — Dat de Heilige Geest in den Zoon rust wordt ook gezegd of wel in dezen zin dat de liefde van den minnende rust in den beminde, of wel om hetgeen geschreven staat bij Joannes (1, 33) aangaande de menschelijke natuur van Christus: « Op wien gij den Geest zult zien nederdalen en op hem rusten, die is het die doopt ».4. Wanneer van de Heilige Geest gezegd wordt dat Hij rust of verblijft in de Zoon, wordt daardoor niet uitgesloten dat Hij van de Zoon zou voortkomen, daar ook van de Zoon gezegd wordt dat Hij in de Vader verblijft, terwijl Hij nochtans van de Vader voortkomt. — Dat de Heilige Geest in de Zoon rust wordt ook gezegd of wel in deze zin dat de liefde van de minnende rust in de beminde, of wel om hetgeen geschreven staat bij Johannes (1, 33) aangaande de menselijke natuur van Christus: “Op wie gij de Geest zult zien nederdalen en op hem rusten, die is het die doopt”.

↑ bedenking 5

Ad quintum dicendum, quod verbum in divinis non accipitur secundum similitudinem verbi vocalis, a quo non procedit spiritus: quia sic tantum metaphorice diceretur: sed secundum similitudinem verbi mentalis, a quo amor procedit.

5. We vatten het Woord in de Godheid niet op in vergelijking met het mondeling woord, waarvan niets geestelijks voortkomt. Zoo immers zou men slechts zinnebeeldig spreken. Maar we vatten het op in vergelijking met het verstandswoord, waarvan de liefde uitgaat.5. We vatten het Woord in de Godheid niet op in vergelijking met het mondeling woord, waarvan niets geestelijks voortkomt. Zo immers zou men slechts zinnebeeldig spreken. Maar we vatten het op in vergelijking met het verstandswoord, waarvan de liefde uitgaat.

↑ bedenking 6

Ad sextum dicendum, quod per hoc, quod Spiritus Sanctus perfecte 205procedit a Patre, non solum non superfluum est dicere, quod Spiritus Sanctus procedat a Filio, sed omnino necessarium; quia una virtus est Patris, et Filii: et quidquid est a Patre, necesse est esse a Filio, nisi proprietati filiationis repugnet: non enim Filius est a seipso, licet sit a Patre.

6. Om het feit dat de Heilige Geest volmaakt voortkomt van 205den Vader is het niet alleen niet overbodig te zeggen dat de Heilige Geest voortkomt van den Zoon, maar volstrekt noodzakelijk. Want de kracht van den Vader en van den Zoon is er een en dezelfde, en al wat van den Vader voortkomt, komt ook van den Zoon voort, behalve wanneer het in strijd is met de eigenschap van het zoonschap. De Zoon komt immers niet van zichzelf voort, ofschoon Hij van den Vader voortkomt.6. Om het feit dat de Heilige Geest volmaakt voortkomt van 205de Vader is het niet alleen niet overbodig te zeggen dat de Heilige Geest voortkomt van de Zoon, maar volstrekt noodzakelijk. Want de kracht van de Vader en van de Zoon is er een en dezelfde, en al wat van de Vader voortkomt, komt ook van de Zoon voort, behalve wanneer het in strijd is met de eigenschap van het zoonschap. De Zoon komt immers niet van zichzelf voort, ofschoon Hij van de Vader voortkomt.

↑ bedenking 7

Ad septimum dicendum, quod Spiritus Sanctus distinguitur personaliter a Filio in hoc, quod origo unius distinguitur ab origine alterius : sed ipsa differentia originis est per hoc, quod Filius est solum a Patre, Spiritus Sanctus vero a Patre, et Filio: non enim aliter processiones distinguerentur, sicut supra ostensum est [in corp. art. et q. 27.].

7. Daardoor juist wordt de Heilige Geest als Persoon onderscheiden van den Zoon, dat de oorsprong van den eenen onderscheiden is van den oorsprong van den anderen. Maar dat verschil van oorsprong zelf ligt hierin dat de Zoon voortkomt van den Vader alleen, de Heilige Geest echter van den Vader en van den Zoon. De voortkomsten kunnen immers op geen andere wijze onderscheiden worden, zooals boven werd aangetoond (in de Leerstelling) .7. Daardoor juist wordt de Heilige Geest als Persoon onderscheiden van de Zoon, dat de oorsprong van de ene onderscheiden is van de oorsprong van de anderen. Maar dat verschil van oorsprong zelf ligt hierin dat de Zoon voortkomt van de Vader alleen, de Heilige Geest echter van de Vader en van de Zoon. De voortkomsten kunnen immers op geen andere wijze onderscheiden worden, zoals boven werd aangetoond (in de Leerstelling) .

Articulus III

Utrum Spiritus Sanctus procedat a Patre per Filium

[1. Dist. 12. art. 3. et opusc. 1. cap. 40. et opusc. 9. cap. 27.],
IIIe Artikel

Komt de Heilige Geest voort van den Vader door den Zoon?Komt de Heilige Geest voort van de Vader door de Zoon?

antwoord 1 ↓

Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod Spiritus Sanctus non procedat a Patre per Filium. Quod enim procedit ab aliquo per aliquem, non procedit 206ab eo immediate. Si igitur Spiritus Sanctus procedit a Patre per Filium, non procedit a Patre immediate : quod videtur inconveniens.

Bedenkingen. — Men beweert dat de Heilige Geest niet voortkomt van den Vader door den Zoon. — 1. Wat immers van 206iemand voortkomt door iemand, komt niet onmiddellijk voort. Indien dus de Heilige Geest van den Vader voortkomt door den Zoon, dan komt Hij niet onmiddellijk van den Vader voort, wat bezwaarlijk kan gezegd worden.Bedenkingen. — Men beweert dat de Heilige Geest niet voortkomt van de Vader door de Zoon. — 1. Wat immers van 206iemand voortkomt door iemand, komt niet onmiddellijk voort. Indien dus de Heilige Geest van de Vader voortkomt door de Zoon, dan komt Hij niet onmiddellijk van de Vader voort, wat bezwaarlijk kan gezegd worden.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, si Spiritus Sanctus procedit a Patre per Filium, non procedit a Filio, nisi propter Patrem: sed propter quod unumquodque, et illud magis; ergo magis procedit a Patre, quam a Filio.

2. Indien de Heilige Geest voortkomt van den Vader door den Zoon, dan komt Hij van den Zoon niet voort tenzij om den Vader. Welnu datgene waarom iets is, is meer dan dit (Tweede werk Over de Redeneering, 1e B., 2e H., n. 15) . Dus komt Hij meer voort van den Vader dan van den Zoon.2. Indien de Heilige Geest voortkomt van de Vader door de Zoon, dan komt Hij van de Zoon niet voort tenzij om de Vader. Welnu datgene waarom iets is, is meer dan dit (Tweede werk Over de Redenering, 1e B., 2e H., n. 15) . Dus komt Hij meer voort van de Vader dan van de Zoon.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Filius habet esse per generationem, si igitur Spiritus Sanctus est a Patre per Filium, sequitur, quod prius generetur filius, et postea procedat Spiritus Sanctus: et sic processio Spiritus Sancti non est aeterna, quod est haereticum.

3. De Zoon heeft het zijn door voortbrenging. Indien dus de Heilige Geest van den Vader voortkomt door den Zoon, dan volgt daaruit dat eerst de Zoon voortgebracht wordt en daarna de Heilige Geest voortkomt. Alzoo is de voortkomst van den Heiligen Geest niet eeuwig. Dit is echter ketterij.3. De Zoon heeft het zijn door voortbrenging. Indien dus de Heilige Geest van de Vader voortkomt door de Zoon, dan volgt daaruit dat eerst de Zoon voortgebracht wordt en daarna de Heilige Geest voortkomt. Alzo is de voortkomst van de Heilige Geest niet eeuwig. Dit is echter ketterij.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, cum aliquis dicitur per aliquem operari, potest e converso dici. Sicut enim dicimus, quod Rex operatur per Ballivum: ita potest dici, quod Ballivus operatur per Regem: sed nullo modo dicimus, quod Filius spiret Spiritum Sanctum per Patrem; ergo nullo modo potest dici, quod Pater spiret Spiritum Sanctum per Filium.

4. Wanneer men van iemand zegt dat hij door iemand werkt, kan dit ook andersom gezegd worden. Zooals we immers zeggen dat de koning werkt door den baljuw, zoo kunnen we ook zeggen dat de baljuw werkt door den koning. We zeggen echter geenszins dat de Zoon den Heiligen Geest aanademt door den Vader. Dus is het ook geenszins geoorloofd te zeggen dat de Vader den Heiligen Geest aanademt door den Zoon.4. Wanneer men van iemand zegt dat hij door iemand werkt, kan dit ook andersom gezegd worden. Zoals we immers zeggen dat de koning werkt door de baljuw, zo kunnen we ook zeggen dat de baljuw werkt door de koning. We zeggen echter geenszins dat de Zoon de Heilige Geest aanademt door de Vader. Dus is het ook geenszins geoorloofd te zeggen dat de Vader de Heilige Geest aanademt door de Zoon.

207Sed contra est, quod Hilarius dicit in lib. 12. de Trinit. : « Conserva hanc, oro, fidei meae religionem, ut semper obtineam Patrem, scilicet te, et Filium tuum una tecum adorem, et Spiritum Sanctum tuum, qui est ex te per unigenitum tuum, promerear ».

207Daartegenover staat echter wat Hilarius zegt in zijn boek Over de Drievuldigheid (12e B., n. 57) : « Wil, o mijn God, in mijn hart het geloof bewaren, zoodat ik altijd den Vader erkenne, nl. U zelf; en den Zoon samen met U aanbidde; en verdiene den Heiligen Geest te ontvangen die door uw eeniggeboren Zoon voortkomt ».207Daartegenover staat echter wat Hilarius zegt in zijn boek Over de Drievuldigheid (12e B., n. 57): “Wil, o mijn God, in mijn hart het geloof bewaren, zodat ik altijd de Vader erkenne, nl. Uzelf; en de Zoon samen met U aanbidde; en verdiene de Heilige Geest te ontvangen die door uw eniggeboren Zoon voortkomt”.

Respondeo dicendum, quod in omnibus locutionibus, in quibus dicitur aliquis per aliquem operari, haec proposito per designat in casuali1 aliquam causam, seu principium illius actus: sed, cum actio sit media inter faciens, et factum, quandoque illud casuale2, cui adjungitur haec praepositio per, est causa actionis, secundum quod exit ab agente; et tunc est causa agenti, quod agat, sive sit causa finalis, sive formalis, sive effectiva, vel motiva. Finalis quidem; ut si dicamus, quod artifex operatur per cupiditatem lucri. Formalis vero, ut si dicamus, quod operatur per artem suam. Motiva vero, si dicamus, quod operatur per imperium alterius. Quandoque vero dictio causalis, cui adjungitur haec praepositio per, est causa actionis, secundum 208quod determinatur ad factum; ut, cum dicimus, artifex operatur per martellum : non enim significatur, quod martellus sit causa artifici, quod agat, sed quod sit causa artificiato ut ab artifice procedat, et3 hoc ipsum habeat ab artifice. Et hoc est, quod quidam dicunt, quod haec praepositio per quandoque notat auctoritatem in recto, ut cum dicitur: Rex operatur per Ballivum. Quandoque autem in obliquo, ut cum dicitur: Ballivus operatur per Regem. Quia igitur Filius habet a Patre, quod ab eo procedat Spiritus Sanctus, potest dici, quod Pater per Filium spiret Spiritum Sanctum, vel quod Spiritus Sanctus procedat a Patre per Filium, quod idem est.

Leerstelling. — In al de verschillende zegswijzen die aangewend worden om uit te drukken dat iets door iets anders werkt of handelt, wijst het voorzetsel « door », geplaatst in 'n oorzakelijkheidsverband, op een oorzaak of beginsel van die handeling. Daar echter de handeling het midden houdt tusschen hem die handelt en dat wat uitgewerkt wordt, beduidt de term die 'n oorzaak te kennen geeft en waaraan het voorzetsel « door » wordt toegevoegd, soms de oorzaak van de handeling, in zoover deze uitgaat van hem die handelt. Alsdan is de oorzaak voor hem die handelt oorzaak dat hij handelt, hetzij eindoorzaak, hetzij vormoorzaak, hetzij bewerkende of bewegende oorzaak: 208eindoorzaak nl., wanneer we b. v. zeggen dat de ambachtsman door geldzucht zijn werk doet; vormoorzaak echter, wanneer we b v. zeggen dat hij door zijn kunst het werk uitvoert; bewegende oorzaak eindelijk, wanneer we b. v. zeggen dat hij door het gebod van een ander het werk volbrengt. Soms echter kan de term die 'n oorzaak te kennen geeft en waaraan het voorzetsel « door » wordt toegevoegd, de oorzaak van de handeling beduiden, in zoover deze tot haar resultaat komt. Zoo b. v. wanneer we zeggen dat de ambachtsman iets uitwerkt door een hamer. Dit beteekent immers niet dat de hamer oorzaak is dat de ambachtsman werkt, maar dat hij de oorzaak is dat het maaksel voortkomt van den ambachtsman, en eveneens dat de hamer dit kan dank zij den ambachtsman. En dit is het wat sommigen bedoelen wanneer ze zeggen dat het voorzetsel « door » soms rechtstreeks het gezag aanwijst, zooals b. v. in de uitdrukking: « de koning handelt door den baljuw », soms echter zijdelings, zooals b. v. in de uitdrukking: « de baljuw handelt door den koning ». Omdat nu de Zoon het aan den Vader dankt dat de Heilige Geest van Hem voortkomt, mogen we zeggen dat de Vader door den Zoon den Heiligen Geest aanademt, of wel dat de Heilige Geest voortkomt van den Vader door den Zoon, wat hetzelfde is.Leerstelling. — In al de verschillende zegswijzen die aangewend worden om uit te drukken dat iets door iets anders werkt of handelt, wijst het voorzetsel “door”, geplaatst in 'n oorzakelijkheidsverband, op een oorzaak of beginsel van die handeling. Daar echter de handeling het midden houdt tussen hem die handelt en dat wat uitgewerkt wordt, beduidt de term die 'n oorzaak te kennen geeft en waaraan het voorzetsel “door” wordt toegevoegd, soms de oorzaak van de handeling, in zover deze uitgaat van hem die handelt. Alsdan is de oorzaak voor hem die handelt oorzaak dat hij handelt, hetzij eindoorzaak, hetzij vormoorzaak, hetzij bewerkende of bewegende oorzaak: 208eindoorzaak nl., wanneer we bv. zeggen dat de ambachtsman door geldzucht zijn werk doet; vormoorzaak echter, wanneer we b v. zeggen dat hij door zijn kunst het werk uitvoert; bewegende oorzaak eindelijk, wanneer we bv. zeggen dat hij door het gebod van een ander het werk volbrengt. Soms echter kan de term die 'n oorzaak te kennen geeft en waaraan het voorzetsel “door” wordt toegevoegd, de oorzaak van de handeling beduiden, in zover deze tot haar resultaat komt. Zo bv. wanneer we zeggen dat de ambachtsman iets uitwerkt door een hamer. Dit betekent immers niet dat de hamer oorzaak is dat de ambachtsman werkt, maar dat hij de oorzaak is dat het maaksel voortkomt van de ambachtsman, en eveneens dat de hamer dit kan dank zij de ambachtsman. En dit is het wat sommigen bedoelen wanneer ze zeggen dat het voorzetsel “door” soms rechtstreeks het gezag aanwijst, zoals bv. in de uitdrukking: “de koning handelt door de baljuw”, soms echter zijdelings, zoals bv. in de uitdrukking: “de baljuw handelt door de koning”. Omdat nu de Zoon het aan de Vader dankt dat de Heilige Geest van Hem voortkomt, mogen we zeggen dat de Vader door de Zoon de Heilige Geest aanademt, of wel dat de Heilige Geest voortkomt van de Vader door de Zoon, wat hetzelfde is.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod in qualibet actione est duo considerare, 209scilicet suppositum agens, et virtutem, qua agit, sicut ignis calefacit calore. Si igitur in patre, et filio consideretur virtus, qua spirant Spiritum Sanctum, non cadit ibi aliquod medium; quia haec virtus est una, et eadem. Si autem considerentur ipsae personae spirantes, sic, cum Spiritus Sanctus communiter procedat a Patre, et Filio, invenitur Spiritus Sanctus immediate a Patre procedere, inquantum est ab eo, et mediate inquantum est a Filio. Et sic dicitur procedere a Patre per Filium. Sicut etiam Abel processit immediate ab Adam, inquantum Adam fuit pater ejus, et mediate, inquantum Eva fuit mater ejus, quae processit ab Adam. Licet hoc exemplum materialis processionis ineptum videatur ad significandam immaterialem processionem divinarum personarum.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In iedere handeling 209moeten we twee dingen beschouwen: het handelend subjekt en de kracht waardoor het handelt; zooals we zeggen dat het vuur warmt door de warmte. Beschouwen we dus in den Vader en in den Zoon de kracht waardoor zij den Heiligen Geest aanademen, dan is er geen spraak van iets dat daartusschen het midden zou houden, omdat die kracht in beiden een en dezelfde is. Beschouwen we echter de Personen zelf die den Heiligen Geest aanademen, dan zien we dat de Heilige Geest, daar Hij van den Vader en van den Zoon samen voortkomt, van den Vader onmiddellijk voortkomt in zoover Hij van den Vader zelf voortkomt, en middellijk in zoover Hij van den Zoon voortkomt. [De vertaling van «Et sic dicitur procedere a Patre per Filium» ontbreekt in de uitgave.] Zoo komt Abel van Adam onmiddellijk voort, daar Adam zijn vader is, tevens middellijk in zoover Eva, die uit Adam genomen is, zijn moeder is, hoewel dit stoffelijk voorbeeld weinig geschikt lijkt om de onstoffelijke voortkomst van de goddelijke Personen te verbeelden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In iedere handeling 209moeten we twee dingen beschouwen: het handelend subject en de kracht waardoor het handelt; zoals we zeggen dat het vuur warmt door de warmte. Beschouwen we dus in de Vader en in de Zoon de kracht waardoor zij de Heilige Geest aanademen, dan is er geen spraak van iets dat daartussen het midden zou houden, omdat die kracht in beiden een en dezelfde is. Beschouwen we echter de Personen zelf die de Heilige Geest aanademen, dan zien we dat de Heilige Geest, daar Hij van de Vader en van de Zoon samen voortkomt, van de Vader onmiddellijk voortkomt in zover Hij van de Vader zelf voortkomt, en middellijk in zover Hij van de Zoon voortkomt. [De vertaling van “Et sic dicitur procedere a Patre per Filium” ontbreekt in de uitgave.] Zo komt Abel van Adam onmiddellijk voort, daar Adam zijn vader is, tevens middellijk in zover Eva, die uit Adam genomen is, zijn moeder is, hoewel dit stoffelijk voorbeeld weinig geschikt lijkt om de onstoffelijke voortkomst van de goddelijke Personen te verbeelden.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod, si Filius acciperet a Patre aliam virtutem numero ad spirandum Spiritum Sanctum, sequeretur, quod esset sicut causa secunda, et instrumentalis; et sic magis procederet a Patre, quam a Filio. Sed una, et eadem numero virtus spirativa est in Patre, et Filio; et ideo aequaliter procedit ab utroque. Licet aliquando dicatur principaliter, 210vel proprie procedere de Patre, propter hoc, quod Filius habet hanc virtutem a Patre.

2. Indien de Zoon om den Heiligen Geest aan te ademen, daartoe een numeriek verschillende kracht van den Vader ontving, dan zou daaruit volgen dat Hij als een tweede of bij wijze van een werktuig oorzaak was en zoo zou de Heilige Geest meer voortkomen van den Vader dan van den Zoon. De aanademingskracht is echter een en dezelfde in den Vader en in den Zoon. Daarom komt de Heilige Geest op gelijke wijze voort van beide Personen, 210ofschoon soms gezegd wordt dat Hij hoofdzakelijk of eigenlijk van den Vader voortkomt, aangezien de Zoon die kracht van den Vader ontvangt.2. Indien de Zoon om de Heilige Geest aan te ademen, daartoe een numeriek verschillende kracht van de Vader ontving, dan zou daaruit volgen dat Hij als een tweede of bij wijze van een werktuig oorzaak was en zo zou de Heilige Geest meer voortkomen van de Vader dan van de Zoon. De aanademingskracht is echter een en dezelfde in de Vader en in de Zoon. Daarom komt de Heilige Geest op gelijke wijze voort van beide Personen, 210ofschoon soms gezegd wordt dat Hij hoofdzakelijk of eigenlijk van de Vader voortkomt, aangezien de Zoon die kracht van de Vader ontvangt.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod, sicut generatio Filii est coaeterna generanti (unde non prius fuit Pater, quam gigneret Filium) ; ita processio Spiritus Sancti est coaeterna suo principio. Unde non fuit prius Filius genitus, quam Spiritus Sanctus procederet: sed utrumque aeternum est.

3. Zooals de voortbrenging van den Zoon mede-eeuwig is met den Voortbrenger (de Vader was dus niet vóór Hij den Zoon voortbracht) , zoo is ook de voortkomst van den Heiligen Geest mede-eeuwig met zijn beginsel. De Zoon werd dus niet voortgebracht vooraleer de Heilige Geest voortkwam maar beide voortkomsten zijn eeuwig.3. Zoals de voortbrenging van de Zoon mede-eeuwig is met de Voortbrenger (de Vader was dus niet vóór Hij de Zoon voortbracht), zo is ook de voortkomst van de Heilige Geest mede-eeuwig met zijn beginsel. De Zoon werd dus niet voortgebracht vooraleer de Heilige Geest voortkwam maar beide voortkomsten zijn eeuwig.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod, cum aliquis dicitur per aliquid operari, non semper recipitur conversio. Non enim dicimus, quod martellus operetur per fabrum, dicimus autem, quod Ballivus operatur per Regem; quia Ballivi est agere, cum sit dominus sui actus: martelli autem non est agere, sed solum agi: unde non designatur nisi ut instrumentum. Dicitur autem Ballivus operari per Regem, quamvis haec praepositio per denotet medium; quia quanto suppositum est prius in agendo, tanto virtus ejus est immediatior effectui, quia virtus causae primae conjungit causam secundam suo effectui. Unde et 211prima principia dicuntur immediata in demonstrativis scientiis. Sic igitur, inquantum Ballivus est medius secundum ordinem suppositorum agentium, dicitur Rex operari per Ballivum; secundum ordinem vero virtutum dicitur Ballivus operari per Regem; quia virtus Regis facit, quod actio Ballivi consequatur effectum. Ordo autem non attenditur inter patrem, et filium quantum ad virtutem, sed solum quantum ad supposita; et ideo dicitur, quod pater spirat per filium, et non e converso.

4. Wanneer men van iemand zegt dat hij handelt door iets, dan kan dit niet altijd andersom gezegd worden. We zeggen immers niet dat de hamer iets uitwerkt door den werkman, maar wel dat de baljuw handelt door den koning. Want het komt den baljuw toe te handelen, daar hij meester is van zijn daad, terwijl het den hamer niet toekomt te handelen of iets uit te werken, doch enkel gebezigd te worden; daarom duiden we hem niet anders aan dan als een werktuig. Nochtans zegt men dat de baljuw handelt door den koning, niettegenstaande het voorzetsel « door » hier een middel beteekent. Want hoe meer een subjekt in het veroorzaken van 'n handeling nadert tot de eerste oorzaak, hoe onmiddellijker zijn kracht het uitwerksel bereikt. De kracht van de eerste oorzaak verbindt immers de tweede oorzaak met haar uitwerksel. Daardoor komt het dat in de deductieve 211wetenschappen de eerste beginselen ook onmiddellijke beginselen heeten. Zoo dus, wanneer men den baljuw als een schakel beschouwt tusschen de verschillende subjekten die handelen, dan zegt men dat de koning handelt door den baljuw. Maar wanneer men de rangorde van de werkende krachten in 't oog vat, dan zegt men dat de baljuw handelt door den koning. Want de kracht van den koning bewerkt dat de daad van den baljuw haar uitwerksel bereikt. Welnu, tusschen den Vader en den Zoon treft men geen rangschikking van krachten aan maar alleen van Personen, en daarom zegt men dat de Vader den Heiligen Geest aanademt door den Zoon, en niet andersom.4. Wanneer men van iemand zegt dat hij handelt door iets, dan kan dit niet altijd andersom gezegd worden. We zeggen immers niet dat de hamer iets uitwerkt door de werkman, maar wel dat de baljuw handelt door de koning. Want het komt de baljuw toe te handelen, daar hij meester is van zijn daad, terwijl het de hamer niet toekomt te handelen of iets uit te werken, doch enkel gebezigd te worden; daarom duiden we hem niet anders aan dan als een werktuig. Nochtans zegt men dat de baljuw handelt door de koning, niettegenstaande het voorzetsel “door” hier een middel betekent. Want hoe meer een subject in het veroorzaken van 'n handeling nadert tot de eerste oorzaak, hoe onmiddellijker zijn kracht het uitwerksel bereikt. De kracht van de eerste oorzaak verbindt immers de tweede oorzaak met haar uitwerksel. Daardoor komt het dat in de deductieve 211wetenschappen de eerste beginselen ook onmiddellijke beginselen heten. Zo dus, wanneer men de baljuw als een schakel beschouwt tussen de verschillende subjecten die handelen, dan zegt men dat de koning handelt door de baljuw. Maar wanneer men de rangorde van de werkende krachten in 't oog vat, dan zegt men dat de baljuw handelt door de koning. Want de kracht van de koning bewerkt dat de daad van de baljuw haar uitwerksel bereikt. Welnu, tussen de Vader en de Zoon treft men geen rangschikking van krachten aan maar alleen van Personen, en daarom zegt men dat de Vader de Heilige Geest aanademt door de Zoon, en niet andersom.

Articulus IV

Utrum Pater, et Filius sint unum principium Spiritus Sancti

[1. Dist. 11. art. 2. 3. et 4. et lib. 4. Contr. g. cap. 25, et opusc. 9. cap. 25. et in Joan. 8. lect. 3. et 15. lect. 3.],
IVe Artikel

Vormen de Vader en de Zoon één beginsel ten opzichte van den Heiligen Geest?Vormen de Vader en de Zoon één beginsel ten opzichte van de Heilige Geest?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod Pater, et Filius non sint unum principium Spiritus Sancti. Quia Spiritus Sanctus non videtur a Patre, et Filio procedere, inquantum sunt unum, neque in natura, quia 212Spiritus Sanctus sic etiam procederet a seipso, qui est unum cum eis in natura; neque etiam inquantum sunt unum in aliqua proprietate; quia una proprietas non potest esse duorum suppositorum, ut videtur; ergo Spiritus Sanctus procedit a Patre, et Filio, ut sunt plures. Non ergo Pater, et Filius sunt unum principium Spiritus Sancti.

Bedenkingen. — Men beweert dat de Vader en de Zoon niet één beginsel vormen ten opzichte van den Heiligen Geest. — 1. De Heilige Geest schijnt immers niet voort te komen van den Vader en den Zoon in zoover deze één zijn: niet in zoover ze 212één zijn in natuur, want alzoo zou de Heilige Geest van zich zelf voortkomen, daar Hij één is in natuur met de andere Personen; ook niet in zoover de twee Personen één zijn door een of andere eigenschap, want één eigenschap kan blijkbaar niet gemeen zijn aan twee Personen. De Heilige Geest komt dus voort van den Vader en den Zoon, als van twee onderscheidene Personen. Dus zijn de Vader en de Zoon niet één beginsel van den Heiligen Geest.Bedenkingen. — Men beweert dat de Vader en de Zoon niet één beginsel vormen ten opzichte van de Heilige Geest. — 1. De Heilige Geest schijnt immers niet voort te komen van de Vader en de Zoon in zover deze één zijn: niet in zover ze 212één zijn in natuur, want alzo zou de Heilige Geest van zichzelf voortkomen, daar Hij één is in natuur met de andere Personen; ook niet in zover de twee Personen één zijn door een of andere eigenschap, want één eigenschap kan blijkbaar niet gemeen zijn aan twee Personen. De Heilige Geest komt dus voort van de Vader en de Zoon, als van twee onderscheidene Personen. Dus zijn de Vader en de Zoon niet één beginsel van de Heilige Geest.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, cum dicitur, Pater, et Filius sunt unum principium Spiritus Sancti, non potest ibi designari unitas personalis; quia sic Pater, et Filius essent una persona; neque etiam unitas proprietatis; quia, si propter unam proprietatem Pater, et Filius sunt unum principium Spiritus Sancti, pari ratione propter duas proprietates Pater videtur esse duo principia Filii, et Spiritus Sancti, quod est inconveniens; non ergo Pater, et Filius sunt unum principium Spiritus Sancti.

2. Wanneer men zegt dat de Vader en de Zoon één beginsel zijn van den Heiligen Geest, dan wordt daardoor geen eenheid van persoon bedoeld, want op die manier zouden de Vader en de Zoon één Persoon zijn. Men wil ook geen eenheid van eigenschap te kennen geven. Indien immers de Vader en de Zoon één beginsel waren van den Heiligen Geest krachtens één eigenschap, dan zou de Vader om 'n gelijke reden, nl. omdat Hij twee eigenschappen bezit, 'n dubbel beginsel zijn, te weten van den Zoon en van den Heiligen Geest, wat niet aanneembaar is. De Vader en de Zoon zijn dus niet één beginsel van den Heiligen Geest.2. Wanneer men zegt dat de Vader en de Zoon één beginsel zijn van de Heilige Geest, dan wordt daardoor geen eenheid van persoon bedoeld, want op die manier zouden de Vader en de Zoon één Persoon zijn. Men wil ook geen eenheid van eigenschap te kennen geven. Indien immers de Vader en de Zoon één beginsel waren van de Heilige Geest krachtens één eigenschap, dan zou de Vader om 'n gelijke reden, nl. omdat Hij twee eigenschappen bezit, 'n dubbel beginsel zijn, te weten van de Zoon en van de Heilige Geest, wat niet aanneembaar is. De Vader en de Zoon zijn dus niet één beginsel van de Heilige Geest.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Filius non magis convenit cum Patre, quam Spiritus Sanctus : sed Spiritus Sanctus, et Pater non sunt unum principium respectu alicujus divinae personae : ergo neque Pater, et Filius.

3. De Zoon heeft niet meer overeenkomst met den Vader dan met den Heiligen Geest. De Heilige Geest en de Vader zijn echter niet één beginsel ten opzichte van een goddelijken Persoon. Dus ook de Vader en de Zoon niet.3. De Zoon heeft niet meer overeenkomst met de Vader dan met de Heilige Geest. De Heilige Geest en de Vader zijn echter niet één beginsel ten opzichte van een goddelijken Persoon. Dus ook de Vader en de Zoon niet.

antwoord 4 ↓

2134. Praeterea, si Pater, et Filius sunt unum principium Spiritus Sancti, aut unum, quod est Pater, aut unum, quod non est Pater: sed neutrum est dare. Quia, si unum, quod est Pater, sequitur, quod Filius sit Pater: si unum, quod non est Pater, sequitur, quod Pater non est Pater; non ergo dicendum est, quod Pater, et Filius sint unum principium Spiritus Sancti.

2134. Indien de Vader en de Zoon één beginsel zijn van den Heiligen Geest, dan zijn ze of wel één beginsel dat de Vader is, of wel één beginsel dat de Vader niet is. Welnu noch het een noch het andere is houdbaar. Want indien ze één beginsel zijn dat de Vader is, dan volgt daaruit dat de Zoon de Vader is; indien ze één beginsel zijn dat de Vader niet is, dan volgt daaruit dat de Vader de Vader niet is. Men kan dus niet zeggen dat de Vader en de Zoon het ééne beginsel zijn ten opzichte van den Heiligen Geest.2134. Indien de Vader en de Zoon één beginsel zijn van de Heilige Geest, dan zijn ze of wel één beginsel dat de Vader is, of wel één beginsel dat de Vader niet is. Welnu noch het een noch het andere is houdbaar. Want indien ze één beginsel zijn dat de Vader is, dan volgt daaruit dat de Zoon de Vader is; indien ze één beginsel zijn dat de Vader niet is, dan volgt daaruit dat de Vader de Vader niet is. Men kan dus niet zeggen dat de Vader en de Zoon het éne beginsel zijn ten opzichte van de Heilige Geest.

antwoord 5 ↓

5. Praeterea, si Pater, et Filius sunt unum principium Spiritus Sancti, videtur e converso dicendum, quod unum principium Spiritus Sancti sit Pater, et Filius: sed haec videtur esse falsa: quia hoc, quod dico principium, oportet, quod supponat vel pro persona Patris, vel pro persona Filii, et utroque modo est falsa; ergo etiam haec est falsa: Pater, et Filius sunt unum principium Spiritus Sancti.

5. Indien de Vader en de Zoon één beginsel zijn van den Heiligen Geest, dan moet ook het omgekeerde kunnen gezegd worden, dat nl. het ééne beginsel van den Heiligen Geest de Vader en de Zoon is. Welnu deze zegswijze schijnt verkeerd te zijn. Want wat ik beginsel heet moet de plaats bekleeden of wel van den Persoon van den Vader of wel van den Persoon van den Zoon, en in beide gevallen is de zegswijze verkeerd. Dus is ook deze zegswijze verkeerd: de Vader en de Zoon zijn één beginsel van den Heiligen Geest.5. Indien de Vader en de Zoon één beginsel zijn van de Heilige Geest, dan moet ook het omgekeerde kunnen gezegd worden, dat nl. het éne beginsel van de Heilige Geest de Vader en de Zoon is. Welnu deze zegswijze schijnt verkeerd te zijn. Want wat ik beginsel heet moet de plaats bekleden of wel van de Persoon van de Vader of wel van de Persoon van de Zoon, en in beide gevallen is de zegswijze verkeerd. Dus is ook deze zegswijze verkeerd: de Vader en de Zoon zijn één beginsel van de Heilige Geest.

antwoord 6 ↓

6. Praeterea, unum in substantia facit idem. Si igitur Pater, et Filius sunt unum principium Spiritus Sancti, sequitur, quod sint idem principium: sed hoc a multis negatur; ergo non est concedendum, quod Pater, et Filius sint unum principium Spiritus Sancti.

6. Wat in zelfstandigheid één is, is een en hetzelfde. Indien dus de Vader en de Zoon één beginsel zijn van den Heiligen Geest, dan volgt daaruit dat zij hetzelfde beginsel zijn. Dit wordt echter door velen ontkend. Men mag dus ook niet toegeven dat de Vader en de Zoon één beginsel zijn van den Heiligen Geest.6. Wat in zelfstandigheid één is, is een en hetzelfde. Indien dus de Vader en de Zoon één beginsel zijn van de Heilige Geest, dan volgt daaruit dat zij hetzelfde beginsel zijn. Dit wordt echter door velen ontkend. Men mag dus ook niet toegeven dat de Vader en de Zoon één beginsel zijn van de Heilige Geest.

antwoord 7 ↓

2147. Praeterea, Pater, et Filius, et Spiritus Sanctus, quia sunt unum principium creaturae, dicuntur esse unus creator: sed Pater, et Filius non sunt unus spirator, sed duo spiratores, ut a multis dicitur. Quod etiam consonat dictis Hilarii qui dicit in secundo de Trinit. quod « Spiritus Sanctus a patre, et filio auctoribus confitendus est »; ergo Pater, et Filius non sunt unum principium Spiritus Sancti.

2147. Daar de Vader en de Zoon en de Heilige Geest één beginsel zijn van de schepping, zegt men dat ze één Schepper zijn. Welnu de Vader en de Zoon zijn niet één aanademer doch vormen twee aanademers van den Heiligen Geest, zooals velen dit uitdrukken. Dit stemt ook overeen met wat Hilarius zegt in zijn boek Over de Drievuldigheid (2e B., n. 29) dat de Heilige Geest « van den Vader en van den Zoon als van zijn levenwekkers voortkomt ». De Vader en de Zoon zijn dus niet één beginsel van den Heiligen Geest.2147. Daar de Vader en de Zoon en de Heilige Geest één beginsel zijn van de schepping, zegt men dat ze één Schepper zijn. Welnu de Vader en de Zoon zijn niet één aanademer doch vormen twee aanademers van de Heilige Geest, zoals velen dit uitdrukken. Dit stemt ook overeen met wat Hilarius zegt in zijn boek Over de Drievuldigheid (2e B., n. 29) dat de Heilige Geest “van de Vader en van de Zoon als van zijn levenwekkers voortkomt”. De Vader en de Zoon zijn dus niet één beginsel van de Heilige Geest.

Sed contra est, quod Augustinus dicit in 5. Trinit. [cap. 14.]. quod Pater, et Filius non sunt duo principia, sed unum principium Spiritus Sancti.

Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in zijn 5e boek Over de Drievuldigheid (14e H.) , dat de Vader en de Zoon geen twee beginselen doch één beginsel zijn ten opzichte van den Heiligen Geest.Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in zijn 5e boek Over de Drievuldigheid (14e H.), dat de Vader en de Zoon geen twee beginselen doch één beginsel zijn ten opzichte van de Heilige Geest.

Respondeo dicendum, quod Pater, et Filius in omnibus unum sunt, in quibus non distinguit inter eos relationis oppositio. Unde, cum in hoc, quod est esse principium Spiritus Sancti, non opponantur relative, sequitur, quod Pater, et Filius sunt unum principium Spiritus Sancti. Quidam tamen dicunt, hanc esse impropriam, Pater, et Filius sunt unum principium Spiritus Sancti. 215Quia, cum hoc nomen, principium, singulariter acceptum non significet personam, sed proprietatem, dicunt, quod sumitur adjective; et quia adjectivum non determinatur per adjectivum, non potest convenienter dici, quod Pater, et Filius sint unum principium Spiritus Sancti, nisi unum intelligatur quasi adverbialiter positum, ut sit sensus: Sunt unum principium, idest uno modo. Sed simili ratione posset dici Pater duo principia Filii, et Spiritus Sancti, idest duobus modis.

Leerstelling. — De Vader en de Zoon zijn één in al datgene waarin aan elkaar tegengestelde betrekkingsverhoudingen geen onderscheid teweeg brengen. Hierom immers zijn de Vader en de Zoon één beginsel van den Heiligen Geest, omdat ze als beginsel van den Heiligen Geest niet aan elkaar zijn tegengesteld. Sommigen zeggen nochtans dat de zegswijze: « de Vader en de Zoon zijn één beginsel van den Heiligen Geest », niet in eigenlijken 215zin moet genomen worden. Immers daar het woord « beginsel », op zich beschouwd, geen Persoon beduidt doch een eigenschap, zou men moeten zeggen dat het als hoedanigheidswoord gebezigd wordt. En daar een hoedanigheidswoord niet bepaald wordt door een hoedanigheidswoord, mag men niet zeggen dat de Vader en de Zoon één beginsel zijn van den Heiligen Geest, tenzij men het woord « één » als bijwoord beschouwt, zoodat de zin zou zijn: « Ze zijn één beginsel, d. i. Ze zijn op één zelfde wijze beginsel ». Doch dan zou men om dezelfde reden ook mogen zeggen dat de Vader 'n dubbel beginsel is, van den Zoon en van den Heiligen Geest, nl. op twee verschillende wijzen.Leerstelling. — De Vader en de Zoon zijn één in al datgene waarin aan elkaar tegengestelde betrekkingsverhoudingen geen onderscheid teweeg brengen. Hierom immers zijn de Vader en de Zoon één beginsel van de Heilige Geest, omdat ze als beginsel van de Heilige Geest niet aan elkaar zijn tegengesteld. Sommigen zeggen nochtans dat de zegswijze: “de Vader en de Zoon zijn één beginsel van de Heilige Geest”, niet in eigenlijke 215zin moet genomen worden. Immers daar het woord “beginsel”, op zich beschouwd, geen Persoon beduidt doch een eigenschap, zou men moeten zeggen dat het als hoedanigheidswoord gebezigd wordt. En daar een hoedanigheidswoord niet bepaald wordt door een hoedanigheidswoord, mag men niet zeggen dat de Vader en de Zoon één beginsel zijn van de Heilige Geest, tenzij men het woord “één” als bijwoord beschouwt, zodat de zin zou zijn: “Ze zijn één beginsel, d.i. Ze zijn op één zelfde wijze beginsel”. Doch dan zou men om dezelfde reden ook mogen zeggen dat de Vader 'n dubbel beginsel is, van de Zoon en van de Heilige Geest, nl. op twee verschillende wijzen.

Dicendum est ergo, quod, licet hoc nomen, principium, significet proprietatem, tamen significat eam per modum substantivi: sicut hoc nomen, pater, et filius, etiam in rebus creatis. Unde numerum accipit a forma significata, sicut et alia substantiva. Sicut igitur pater, et filius sunt unus Deus propter unitatem formae significatae per hoc nomen, Deus; ita sunt unum principium Spiritus Sancti propter unitatem proprietatis significatae in hoc nomine, principium.

Ofschoon dus het woord « beginsel » een eigenschap te kennen geeft, moeten we nochtans zeggen dat het die eigenschap als een zelfstandig naamwoord uitdrukt, zooals ook de woorden « vader » en « zoon » bij de schepselen. Vandaar dat het, zooals de overige zelfstandige naamwoorden, in 't enkelvoud of in 't meervoud gezet wordt naar gelang van de eenheid of van de veelheid van den vorm dien het beteekent. Zooals dus de Vader en de Zoon één God zijn, omdat de vorm, die door de benaming « God » beduid wordt, één is, zoo ook zijn de Vader en de Zoon één beginsel van den Heiligen Geest, omdat de eigenschap, die door deze benaming « beginsel » beduid wordt, één is.Ofschoon dus het woord “beginsel” een eigenschap te kennen geeft, moeten we nochtans zeggen dat het die eigenschap als een zelfstandig naamwoord uitdrukt, zoals ook de woorden “vader” en “zoon” bij de schepselen. Vandaar dat het, zoals de overige zelfstandige naamwoorden, in 't enkelvoud of in 't meervoud gezet wordt naar gelang van de eenheid of van de veelheid van de vorm die het betekent. Zoals dus de Vader en de Zoon één God zijn, omdat de vorm, die door de benaming “God” beduid wordt, één is, zo ook zijn de Vader en de Zoon één beginsel van de Heilige Geest, omdat de eigenschap, die door deze benaming “beginsel” beduid wordt, één is.

↑ bedenking 1

216Ad primum ergo dicendum, quod, si attendatur virtus spirativa, Spiritus Sanctus procedit a Patre, et Filio, inquantum sunt unum in virtute spirativa, quae quodammodo significat naturam cum proprietate, ut infra dicetur [in solut. ad 7. arg. huj. art.]. Neque est inconveniens, unam proprietatem esse in duobus suppositis, quorum est una natura: si vero considerentur supposita spirationis, sic Spiritus Sanctus procedit a Patre, et Filio, ut sunt plures. Procedit enim ab eis, ut amor unitivus duorum.

216Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Gelet op de aanademingskracht, moet men zeggen dat de Heilige Geest voortkomt van den Vader en den Zoon, in zoover deze hierin één zijn, want daardoor wordt eenigszins de natuur met 'n eigenschap ervan aangeduid, zooals we verder zullen zien (41e Kw., 5e Art.) . Er is immers niets op tegen dat één eigenschap in twee subjekten, die een en dezelfde natuur hebben, zou worden aangetroffen. Indien we echter de subjekten van de aanademing beschouwen, dan moeten we zeggen dat de Heilige Geest voortkomt van den Vader en van den Zoon als van onderscheidene Personen. Want Hij komt van hen voort als de liefde die beiden vereenigt.216Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Gelet op de aanademingskracht, moet men zeggen dat de Heilige Geest voortkomt van de Vader en de Zoon, in zover deze hierin één zijn, want daardoor wordt enigszins de natuur met 'n eigenschap ervan aangeduid, zoals we verder zullen zien (41e Kw., 5e Art.) . Er is immers niets op tegen dat één eigenschap in twee subjecten, die een en dezelfde natuur hebben, zou worden aangetroffen. Indien we echter de subjecten van de aanademing beschouwen, dan moeten we zeggen dat de Heilige Geest voortkomt van de Vader en van de Zoon als van onderscheidene Personen. Want Hij komt van hen voort als de liefde die beiden verenigt.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod, cum dicitur, Pater, et Filius sunt unum principium Spiritus Sancti, designatur una proprietas, quae est forma significata per nomen. Non tamen sequitur, quod propter plures proprietates non1 possit dici Pater plura principia, quia implicaretur pluralitas suppositorum.

2. Wanneer we zeggen dat de Vader en de Zoon één beginsel zijn van den Heiligen Geest, dan wijzen we ééne eigenschap aan, de vorm die door de benaming « beginsel » wordt uitgedrukt. Daaruit volgt nochtans niet dat we van den Vader, om reden van zijn verscheidene eigenschappen, zouden mogen zeggen dat Hij verscheidene beginselen is, want dit zou een veelheid van subjekten medebrengen.2. Wanneer we zeggen dat de Vader en de Zoon één beginsel zijn van de Heilige Geest, dan wijzen we één eigenschap aan, de vorm die door de benaming “beginsel” wordt uitgedrukt. Daaruit volgt nochtans niet dat we van de Vader, om reden van zijn verscheidene eigenschappen, zouden mogen zeggen dat Hij verscheidene beginselen is, want dit zou een veelheid van subjecten medebrengen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod secundum relativas proprietates non attenditur in divinis similitudo, vel dissimilitudo, sed secundum essentiam. 217Unde sicut Pater non est similior sibi, quam Filio; ita nec Filius est similior Patri, quam Spiritus Sanctus.

3. Niet met 't oog op de eigenschappen die uit betrekkingen bestaan, maar met 't oog op de wezenheid, spreken we van gelijken of niet gelijken. En bijgevolg evenals de Vader niet méér 217op zichzelf gelijkt dan op den Zoon, zoo gelijkt ook de Zoon niet méér op den Vader dan de Heilige Geest.3. Niet met 't oog op de eigenschappen die uit betrekkingen bestaan, maar met 't oog op de wezenheid, spreken we van gelijken of niet gelijken. En bijgevolg evenals de Vader niet méér 217op zichzelf gelijkt dan op de Zoon, zo gelijkt ook de Zoon niet méér op de Vader dan de Heilige Geest.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod haec duo, scilicet Pater, et Filius sunt unum principium, quod est Pater, aut unum principium, quod non est Pater, non sunt contradictorie opposita. Unde non est necesse alterum eorum dare. Cum enim dicimus, Pater, et Filius sunt unum principium, hoc, quod dico principium, non habet determinatam suppositionem, imo confusam pro duabus personis simul; unde in processu est fallacia figurae dictionis a confusa suppositione ad determinatam.

4. Deze twee zegswijzen: « de Vader en de Zoon zijn één beginsel dat de Vader is » of « één beginsel dat de Vader niet is », zijn niet tegenstrijdig. Dus moeten we niet het een óf het ander houden. Want als we zeggen: « de Vader en de Zoon zijn één beginsel » dan slaat dit woord « beginsel » niet op een bepaald subjekt, maar bevat op onbepaalde wijze de twee Personen. Bijgevolg sluit die opwerping in haar zegswijze een sophisme in, daar ze van een onbepaald subjekt overgaat tot een bepaald subjekt.4. Deze twee zegswijzen: “de Vader en de Zoon zijn één beginsel dat de Vader is” of “één beginsel dat de Vader niet is”, zijn niet tegenstrijdig. Dus moeten we niet het een óf het ander houden. Want als we zeggen: “de Vader en de Zoon zijn één beginsel” dan slaat dit woord “beginsel” niet op een bepaald subject, maar bevat op onbepaalde wijze de twee Personen. Bijgevolg sluit die opwerping in haar zegswijze een sofisme in, daar ze van een onbepaald subject overgaat tot een bepaald subject.

↑ bedenking 5

Ad quintum dicendum, quod haec etiam est vera: Unum principium Spiritus Sancti est Pater, et Filius; quia hoc, quod dico principium, non supponit pro una persona tantum, sed indistincte pro duabus, ut dictum est [in solut. praec. arg.].

5. Men mag zeggen dat ook deze zegswijze: « het ééne beginsel van den Heiligen Geest is de Vader en de Zoon », waar is. Het woord « beginsel » gaat hier immers niet terug op één bepaalden Persoon, maar slaat zonder onderscheid op de twee Personen, zooals we gezegd hebben (Antw. op de vorige Bedenking) .5. Men mag zeggen dat ook deze zegswijze: “het éne beginsel van de Heilige Geest is de Vader en de Zoon”, waar is. Het woord “beginsel” gaat hier immers niet terug op één bepaalden Persoon, maar slaat zonder onderscheid op de twee Personen, zoals we gezegd hebben (Antw. op de vorige Bedenking) .

↑ bedenking 6

Ad sextum dicendum, quod convenienter potest dici, quod Pater, et Filius sunt idem principium, secundum quod ly principium supponit confuse, et indistincte pro duabus personis simul.

6. Men mag zeggen dat de Vader en de Zoon hetzelfde beginsel zijn, in zoover het woord « beginsel » de twee Personen samen beteekent zonder meer te bepalen of te onderscheiden.6. Men mag zeggen dat de Vader en de Zoon hetzelfde beginsel zijn, in zover het woord “beginsel” de twee Personen samen betekent zonder meer te bepalen of te onderscheiden.

↑ bedenking 7

Ad septimum dicendum, quod quidam dicunt, quod Pater, et Filius, 218licet sint unum principium Spiritus Sancti, sunt tamen duo spiratores propter distinctionem suppositorum, sicut etiam duo spirantes, quia actus referuntur ad supposita. Nec est eadem ratio de hoc nomine, creator, quia Spiritus Sanctus procedit a Patre, et Filio, ut sunt duae personae distinctae, ut dictum est [in solut. ad 1. arg. huj. art.] : non autem creatura procedit a tribus personis, ut sunt personae distinctae, sed ut sunt unum in essentia. Sed videtur melius dicendum, quod, quia spirans adjectivum est, spirator vero substantivum, possumus dicere, quod Pater, et Filius sunt duo spirantes propter pluralitatem suppositorum, non autem duo spiratores propter unam spirationem. Nam adjectiva nomina habent numerum secundum supposita, substantiva vero a seipsis secundum formam significatam. Quod vero Hilarius dicit [loc. cit.], quod Spiritus Sanctus est a Patre, et Filio auctoribus, exponendum est, quod ponitur substantivum pro adjectivo.

7. Sommigen zeggen dat de Vader en de Zoon, ofschoon ze 218één beginsel zijn van den Heiligen Geest, nochtans wegens het onderscheid van subjekten twee aanademers van den Heiligen Geest vormen, zooals ze ook twee « aanademenden » vormen, omdat de daden toegeschreven worden aan de subjekten. Men mag echter niet hetzelfde zeggen van het woord « Schepper ». Want de Heilige Geest komt voort van den Vader en van den Zoon in zoover zij twee onderscheidene Personen zijn, zooals gezegd is (Antw. op de 1e B.) . Het schepsel echter komt niet voort van de drie Personen in zoover ze onderscheiden zijn, maar in zoover ze één zijn in wezenheid. — Nochtans, aangezien het woord « aanademend » een hoedanigheidswoord is en « aanademer » een zelfstandig naamwoord, zeggen we beter dat de Vader en de Zoon twee aanademenden zijn, om reden van de veelheid van subjekten, maar niet dat ze twee aanademers zijn, omdat er maar één aanademing is. Immers hoedanigheidswoorden worden in 't meervoud gezet in overeenkomst met de subjekten, de zelfstandige naamwoorden daarentegen overeenkomstig hun eigen vorm dien ze beteekenen. — Wat nu Hilarius zegt, nl. dat de Heilige Geest van den Vader en van den Zoon als van zijn levenwekkers voortkomt, moet uitgelegd worden in dien zin dat Hilarius een zelfstandig naamwoord gebruikt voor een hoedanigheidswoord.7. Sommigen zeggen dat de Vader en de Zoon, ofschoon ze 218één beginsel zijn van de Heilige Geest, nochtans wegens het onderscheid van subjecten twee aanademers van de Heilige Geest vormen, zoals ze ook twee “aanademenden” vormen, omdat de daden toegeschreven worden aan de subjecten. Men mag echter niet hetzelfde zeggen van het woord “Schepper”. Want de Heilige Geest komt voort van de Vader en van de Zoon in zover zij twee onderscheidene Personen zijn, zoals gezegd is (Antw. op de 1e B.) . Het schepsel echter komt niet voort van de drie Personen in zover ze onderscheiden zijn, maar in zover ze één zijn in wezenheid. — Nochtans, aangezien het woord “aanademend” een hoedanigheidswoord is en “aanademer” een zelfstandig naamwoord, zeggen we beter dat de Vader en de Zoon twee aanademenden zijn, om reden van de veelheid van subjecten, maar niet dat ze twee aanademers zijn, omdat er maar één aanademing is. Immers hoedanigheidswoorden worden in 't meervoud gezet in overeenkomst met de subjecten, de zelfstandige naamwoorden daarentegen overeenkomstig hun eigen vorm die ze betekenen. — Wat nu Hilarius zegt, nl. dat de Heilige Geest van de Vader en van de Zoon als van zijn levenwekkers voortkomt, moet uitgelegd worden in die zin dat Hilarius een zelfstandig naamwoord gebruikt voor een hoedanigheidswoord.