Theologische Summa · Deel XI · Over de GenadeSumma · Deel XI · Over de GenadeSumma · Deel XIDeel XI

Deel XI · Over de Genade

P. I-II, q. 109–114 · Antwerpen, Geloofsverdediging, 1929

  1. Kw. 109 Over het uiterlijke beginsel der menschelijke daden, nl. de genade van GodOver het uiterlijke beginsel van de menselijke daden, nl. de genade van God
    1. Art. 1 Kan de mensch zonder de genade iets waars kennen?Kan de mens zonder de genade iets waars kennen?
    2. Art. 2 Kan de mensch zonder de genade het goede willen en doen?Kan de mens zonder de genade het goede willen en doen?
    3. Art. 3 Kan de mensch God boven alles beminnen, alleen met zijn natuurlijke krachten, zonder de genade?Kan de mens God boven alles beminnen, alleen met zijn natuurlijke krachten, zonder de genade?
    4. Art. 4 Kan de mensch de voorschriften der wet vervullen, zonder de genade, en uit zijn natuurlijke krachten?Kan de mens de voorschriften van de wet vervullen, zonder de genade, en uit zijn natuurlijke krachten?
    5. Art. 5 Kan de mensch zonder de genade het eeuwige leven verdienen?Kan de mens zonder de genade het eeuwige leven verdienen?
    6. Art. 6 Kan de mensch zich zelf door eigen kracht tot de genade voorbereiden, zonder de hulp der genade?Kan de mens zichzelf door eigen kracht tot de genade voorbereiden, zonder de hulp van de genade?
    7. Art. 7 Kan de mensch van de zonde opstaan zonder de hulp der genade?Kan de mens van de zonde opstaan zonder de hulp van de genade?
    8. Art. 8 Kan de mensch, zonder de genade, niet-zondigen?Kan de mens, zonder de genade, niet-zondigen?
    9. Art. 9 Kan hij, die de genade reeds verkregen heeft, uit zich zelf het goede doen en de zonde vermijden, zonder een nieuwe hulp der genade?Kan hij, die de genade reeds verkregen heeft, uit zichzelf het goede doen en de zonde vermijden, zonder een nieuwe hulp van de genade?
    10. Art. 10 Heeft de mensch, die in de genade is, de hulp der genade noodig om te volharden?Heeft de mens, die in de genade is, de hulp van de genade nodig om te volharden?
  2. Kw. 110 Over het wezen der genade GodsOver het wezen van de genade Gods
    1. Art. 1 Werkt de genade iets in de ziel uit?
    2. Art. 2 Is de genade een hoedanigheid der ziel?Is de genade een hoedanigheid van de ziel?
    3. Art. 3 Is de genade hetzelfde als de deugd?
    4. Art. 4 Is de genade in het wezen der ziel als in haar drager, of in een van de vermogens?Is de genade in het wezen van de ziel als in haar drager, of in een van de vermogens?
  3. Kw. 111 Over de verdeeling der genadeOver de verdeling van de genade
    1. Art. 1 Is de verdeeling in heiligmakende genade en om niet gegeven genade een goede verdeeling?Is de verdeling in heiligmakende genade en om niet gegeven genade een goede verdeling?
    2. Art. 2 Wordt de genade met recht verdeeld in werkende genade en medewerkende genade?
    3. Art. 3 Wordt de genade gevoegelijk verdeeld in voorafgaande en volgende genade?
    4. Art. 4 Geeft de Apostel een juiste verdeeling der genade om niet?Geeft de Apostel een juiste verdeling van de genade om niet?
    5. Art. 5 Staat de om niet gegeven genade hooger dan de heiligmakende genade?Staat de om niet gegeven genade hoger dan de heiligmakende genade?
  4. Kw. 112 Over de oorzaak der genadeOver de oorzaak van de genade
    1. Art. 1 Is God alleen oorzaak der genade?Is God alleen oorzaak van de genade?
    2. Art. 2 Wordt er van den kant van den mensch een zekere voorbereiding en gesteltenis tot de genade vereischt?Wordt er van de kant van de mens een zekere voorbereiding en gesteltenis tot de genade vereist?
    3. Art. 3 Wordt aan hem, die zich tot de genade voorbereidt of die doet wat in zijne macht is, de genade noodzakelijk gegeven?Wordt aan hem, die zich tot de genade voorbereidt of die doet wat in zijn macht is, de genade noodzakelijk gegeven?
    4. Art. 4 Is de genade grooter in den een dan in den ander?Is de genade groter in de een dan in de ander?
    5. Art. 5 Kan de mensch weten, dat hij de genade heeft?Kan de mens weten, dat hij de genade heeft?
  5. Kw. 113 Over de gevolgen der genadeOver de gevolgen van de genade
    1. Art. 1 Is de rechtvaardigmaking van den zondaar hetzelfde als de vergiffenis der zonden?Is de rechtvaardigmaking van de zondaar hetzelfde als de vergiffenis van de zonden?
    2. Art. 2 Wordt voor de vergeving der zondeschuld, — waarin de rechtvaardiging van den zondaar bestaat — de instorting der genade vereischt?Wordt voor de vergeving van de zondeschuld, — waarin de rechtvaardiging van de zondaar bestaat — de instorting van de genade vereist?
    3. Art. 3 Wordt voor de rechtvaardigmaking van den zondaar een daad van den vrijen wil vereischt?Wordt voor de rechtvaardigmaking van de zondaar een daad van de vrije wil vereist?
    4. Art. 4 Wordt er voor de rechtvaardigmaking van den zondaar een geloofsdaad vereischt?Wordt er voor de rechtvaardigmaking van de zondaar een geloofsdaad vereist?
    5. Art. 5 Wordt tot de rechtvaardigmaking van den zondaar een daad van den vrijen wil vereischt met betrekking tot de zonde?Wordt tot de rechtvaardigmaking van de zondaar een daad van de vrije wil vereist met betrekking tot de zonde?
    6. Art. 6 Moet de vergiffenis der zonden gerekend worden onder die dingen, die tot de rechtvaardigmaking van den zondaar worden vereischt?Moet de vergiffenis van de zonden gerekend worden onder die dingen, die tot de rechtvaardigmaking van de zondaar worden vereist?
    7. Art. 7 Gebeurt de rechtvaardigmaking van den zondaar in één oogenblik, of geleidelijk?Gebeurt de rechtvaardigmaking van de zondaar in één ogenblik, of geleidelijk?
    8. Art. 8 Is de instorting der genade van nature het eerste onder die dingen, die tot de rechtvaardigmaking vereischt worden?Is de instorting van de genade van nature het eerste onder die dingen, die tot de rechtvaardigmaking vereist worden?
    9. Art. 9 Is de rechtvaardigmaking van den zondaar het grootste werk van God?Is de rechtvaardigmaking van de zondaar het grootste werk van God?
    10. Art. 10 Is de rechtvaardigmaking van den zondaar een wonderwerk?Is de rechtvaardigmaking van de zondaar een wonderwerk?
  6. Kw. 114 Over de verdienste, het gevolg van de genade van bijstand
    1. Art. 1 Kan de mensch iets van God verdienen?Kan de mens iets van God verdienen?
    2. Art. 2 Kan iemand zonder de genade het eeuwige leven verdienen?
    3. Art. 3 Kan iemand, die de genade heeft, rechtens het eeuwige leven verdienen?
    4. Art. 4 Is de genade beginsel van het verdienen, voornamelijk door de liefde, meer dan door de andere deugden?
    5. Art. 5 Kan de mensch voor zichzelf de eerste genade verdienen?Kan de mens voor zichzelf de eerste genade verdienen?
    6. Art. 6 Kan de mensch voor een ander de eerste genade verdienen?Kan de mens voor een ander de eerste genade verdienen?
    7. Art. 7 Kan iemand voor zichzelf het herstel na den val verdienen?Kan iemand voor zichzelf het herstel na de val verdienen?
    8. Art. 8 Kan iemand de vermeerdering der genade of der liefde verdienen?Kan iemand de vermeerdering van de genade of van de liefde verdienen?
    9. Art. 9 Kan de mensch de eindvolharding verdienen?Kan de mens de eindvolharding verdienen?
    10. Art. 10 Vallen de tijdelijke goederen onder de verdienste?